Zoeken in deze blog

woensdag 13 augustus 2014

Ik zoek een woord

Er moet een reden zijn dat een tekst als gedicht wordt afgedrukt; dat een gedicht een gedicht is en niet een als gedicht vermomd gedrukte prozatekst.
Het gedicht dat dit heel goed toont is 'Vliegen' van Joke van Leeuwen.



Maar ook 'Veertien hoeden' van K. Schippers mag er zijn.



Deze twee gedichten staan in Ik zoek een woord, een bundel van '167 gedichten over taal' , verzameld door Hans & Monique Hagen, resp. p. 11 en 145 en iedereen ziet onmiddellijk de dwingende reden om deze teksten zo af te drukken.
Er zijn er meer van dit soort in deze bundel.

Er zijn er ook van het type spreuk-aan-de-wand:

Spreken is zilver,
zwijgen is goud.

Schreeuwen is ijzer,
zingen is hout.

Huilen is water,
lachen is vuur.

Spreken en zwijgen
vind ik wel duur.

Dat was 'Duur', van Bas Rompa. Wij zijn gewend zulke (on)wijsheden in een lijstje te zetten. Dat kan dus ook een bladzijde zijn. Soms is dat teveel, terwijl een klein beetje wit, een klein lijstje, op zijn plaats zou zijn.

Hij schreef een klein gedichtje
het had niet veel om om handen
maar het had iets van een lichtje
dat in het donker brandde.

Van Toon Hermans, ja, wie anders. 'Gedichtje' heet het.

Veel wit rond een tekst betekent dat die tekst extra aandacht verdient, volgens de auteur, of opmaker, of uitgever.
Dat wit kan bewondering uitdrukken, of tot stilte manen, het lezen vertragen, wat niet al. Poëzie is een pleidooi voor traag en aandachtig lezen, is voor luie, oplettende lezers.

Helaas brengt dat wit soms ook met zich mee dat de lezer bij voorbaat al denkt: oei, zware woorden. Zijn die woorden dan zo licht als een veertje, dan kan dat een mooi ironisch effect hebben:

'k Had niet veel sjans.
'k Had niet veel charme.
Maar 'k lig als boek
tóch in jouw armen!

('Troost', van Lévi Weemoedt.)
Een variant op die als het ware in te lijsten quasispreuken zijn de opsommingen, zoals bijvoorbeeld 'Ceci c'est un poème' van Hendrik Jan Bosman.

Het is niet alles goud wat blinkt
Het is niet alles stront wat stinkt
Het is niet alles kol wat slinkt
Het is niet alles lood wat zingt

Het is niet alles mank wat hinkt
Het is niet alles zat wat drinkt
Het is niet alles hol wat klinkt
Het is niet alles fat wat schminkt

Het is niet alles traan wat pinkt
Het is niet alles schoft wat linkt
Het is niet alles stoer wat flinkt
Het is, dit alles, niets dan inkt.

Er staan er meer van in deze bundel.
Het komt echter ook voor dat de lezer teleurgesteld denkt: nou nou, zoveel wit voor een grapje. Neem nou dit, van niemand minder dan Harry Mulisch:

Sommige vragen zijn zo goed dat het jammer zou zijn ze met een antwoord te verknoeien.

Mooie gedachte, die ik hier met opzet niet in de drieregelige opmaak van het boek weergeef. Mooie gedachte van meneer Mulisch, maar om daar nu een hele pagina voor te reserveren...
Ook bij het verhaal van Herman Brusselmans, 'Verliefdheid is sterk', kun je je afvragen waarom dat als gedicht is weergegeven. Ik geef het hier als verhaal:

Ik was twaalf jaar en verliefd op het mooiste meisje van heel ons dorp. Wij hadden nog nooit een woord met elkaar gesproken, tot ik haar vroeg of ze mijn vriendinnetje wilde worden.
Toen ze 'Ja, heel graag' zei hoorde ik dat ze heel erg stotterde.
En meteen werd ik ook nog 'ns verliefd op het meisje met het mooiste spraakgebrek van heel ons dorp.

Grappig. Maar een gedicht? Waarom moet deze tekst in achttien regels met vier witregels ertussen worden afgedrukt? In dit geval lijkt het verhaal in zes regels sterker, het heeft meer vaart, de pointe komt beter tot zijn recht. Als gedicht wordt het hakkelend, en dat was niet de bedoeling.

Er is nog zo'n tekst.

Alles wat van mij houdt gaat dood, mijn hond, mijn vriend, de vogels die ik voer geef als het vriest.
Daarom houd ik van dode dingen, van porselein, een schilderij, van een gedrukt gedicht.

Maar misschien heeft dit juist te veel vaart. Dus drukken we het zo af:

Alles wat van mij houdt
gaat dood, mijn hond,
mijn vriend, de vogels die
ik voer geef als het vriest.

Daarom houd ik
van dode dingen,
van porselein, een schilderij,
van een gedrukt gedicht.

En daarvoor is dan iets te zeggen. Het lezen vertraagt door de afbrekingen, je wordt er stil van - en die stilte wordt weerspiegeld door het wit eromheen, om dit gedicht van C.O. Jellema, dat ironisch 'Tijdverblijf' heet.

Weer andere gedichten zijn op het papier slecht op hun plaats. Ze horen uitgesproken te worden, voorgedragen, gezongen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het bekende 'Oote' van Jan Hanlo, voor een gedicht als 'Recht op vrije meningsuiting' van Jan Boerstoel, 'De wandeling' van Bram Vermeulen, 'De Nederlandse taal' van Willem Wilmink, 'Mooie woorden' van Koos Meinderts, en ook 'Want er zijn dingen die kun je niet zeggen' van Els Pelgrom kan goed gezongen worden.

Deze bespiegelingen leiden me tot de vraag hoe deze bundel met 167 gedichten is ingedeeld. Er zijn geen afdelingen, de bundel begint gewoon. Eerst is er een voorwoord, 'Van A', en tot slot een nawoord, '... tot Z'.
Daartussen worden de gedichten als kralen aan een ketting geregen en wie goed leest, ziet toch dat de ene kraal soms iets van die ernaast weg heeft en dat het wellicht geen toeval is dat 'Poep- en piesmenuet' van Hans Dorrestijn volgt op 'Een koning...' (die voor zijn plezier gedichten op toiletpapier schreef) van Marianne Busser en Ron Schröder. Sla de bladzij om en verdomd, er is nóg een toilet, verscholen in 'De boekdrukkunst' van Ivo de Wijs.
Het is vast ook geen toeval dat 'Lttrs' van Marion van de Coolwijk naast 'Wij w88888888' van Kurt Schwitters staat, evenmin dat 'Ei-vers' van Frank van Pamelen naast 'de kippen in het kippenhok' van Toon Hermans staat of dat op p. 38-43 zes gedichten staan die min of meer naar school verwijzen en op p. 120-121 twee gedichten waarin vrede gesloten wordt.
Maar heel duidelijk of ordelijk is dit niet. Het is verleidelijk om overeenkomsten te zoeken tussen gedichten die naast elkaar staan, maar het is te betwijfelen of je die verbanden zou zien als ze niet naast elkaar zouden staan.
En er zijn per slot ook overeenkomsten tussen gedichten die níet naast elkaar staan. Zo staan er op p. 77, 80 en 106 drie gedichten met een recept...
De titel, overigens, komt van een gedicht van Hans & Monique Hagen zelf (p. 126).

Het is een bonte kralenketting die Monique & Hans ons presenteren, van onderling heel verschillende teksten, en wat mij betreft ook van rijp en groen.
Uit het nawoord blijkt dat ze begonnen in hun eigen boekenkast, daarna 'alles lazen wat bij familie en vrienden op de plank stond', en vervolgens op zoek gingen in twee bibliotheken: die van Hilversum en de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, waar mijn oud-collega Jeanette Kok (in het boek heet ze per ongeluk Jeannine) en Karin Vingerhoets de boeken 'uit het magazijn tevoorschijn toverden'.
De illustraties van Deborah van der Schaaf zijn bescheiden, soms niet meer dan bladversiering, soms treffend geplaatst bij een gedicht. Zoals bij 'Op een tonijn' van Kees Stip:



Bij Noordwijk zwom een nat konijn
te midden van een school tonijn.
'Tsja,' sprak het beest, 'dat tomt er van
als men de ta niet zeggen tan.'

Ik zou als docent wel raad met dit boek weten. Veel bladeren, en voor de juiste momenten de juiste gedichten uitkiezen. Ook puur voor eigen genoegen is dit een prettig blader- en leesboek. Vergeet vooral niet soms de teksten hardop te lezen, voor te lezen, voor te dragen (uit het hoofd) of te zingen.



Hans & Monique Hagen (samenstellers). Ik zoek een woord, 167 gedichten over taal om van A tot Z te verslinden. Ills. Deborah van der Schaaf. Querido, 2013. ISBN 978 90 451 1538 2, 199 p.

donderdag 7 augustus 2014

Broergeheim

Broergeheim, van Emiel de Wild, is geheel in briefvorm, met twee schrijvers-vertellers: Joeri en zijn broer Stefan. Stefan schrijft echter slechts één brief, de een-na-laatste. De brieven zijn verdeeld in vijf perioden, lopend van ‘half juli’ tot ‘begin oktober’.

Het begin is ietwat geforceerd. De verbaasde lezer moet geloven dat Stefan ineens is verdwenen. Joeri blijft koppig brieven schrijven, maar krijgt geen antwoord. Hij moet ook even het huis uit.
In deel 2 blijkt dat terug naar huis betekent: naar een heel ander huis, in een andere stad, op een andere school. En ‘pap’ en (vooral) ‘mam’ doen alsof Stefan niet bestaat en niet heeft bestaan. ‘We gaan een nieuwe start maken,’ zegt ‘mam’.

Als volwassen lezer denk ik dan al snel: dat is niet vol te houden, wat een domme ouders worden hier neergezet. Dat blijkt wat Joeri betreft ook al snel. Hij zoekt hun oude huis op, dat te koop staat, wordt door de politie opgespoord. Blijft brieven schrijven. Voor hem blijft Stefan bestaan. Deze brievenreeks in deel 2 beslaat het grootste deel van het verhaal, en eindigt ermee dat moeder even bij oma gaat wonen en hem een brief schrijft (in zijn geheel opgenomen in een brief van Joeri) waarin ze uitleg geeft. Stefan heeft een tegel van een viaduct laten vallen op een auto. Hij doodde daardoor een jongetje van anderhalf jaar. De reacties daarop waren zo heftig dat ze daarom zijn verhuisd.
Deel 3 bestaat uit slechts één brief, waarin Joeri vertelt hoe hij reageerde. O.a. door alle eerder geschreven brieven, die nooit verstuurd bleken, in de vuilnisbak te gooien. En hoe pap hem vertelde wat er allemaal gebeurde na Stefans daad en waarom ze wel moesten verhuizen.
Deel 4 is vervolgens de brief van Stefan aan Joeri. Waarin weer een versie van het gebeuren. En dan komt deel 5 met Joeri’s laatste, verzoenende brief.




Natuurlijk geldt voor dit verhaal zoals voor heel veel briefverhalen dat de hoofdpersoon wel ongelooflijk soepel en beeldend schrijft voor het personage dat-ie is, in dit geval Joeri, een jongen uit groep acht. Ook Stefan blijkt in zijn brief een rasschrijver. Dat geldt met name voor de lange brieven in deel 3 en 4.

De onwaarschijnlijkheid daarvan zullen de meeste lezers snel voor lief.nemen om het drama te volgen dat zich ontvouwt: een jongen van pakweg elf-twaalf jaar (hij is jarig halverwege) die veel van zijn broer houdt, voor de gek wordt gehouden door zijn ouders en dan tenslotte moet verwerken wat er is gebeurd.
Het is een verhaal dat veel jonge lezers als indringend zullen ervaren. En mogelijk aan het denken zet, over zaken als misdaad en vergeving.
De onwaarschijnlijkheid van die professioneel schrijvende broers kon ik als oudere lezer best voor lief nemen - de onwaarschijnlijkheid van het beschreven ouderlijk gedrag wat minder. Welke ouders halen het zich in hun hoofd om hun zoon van elf of twaalf zo compleet buiten de werkelijkheid te houden? Mochten er zulke ouders zijn, dan zou dit verhaal hen aan het denken kunnen zetten.

dinsdag 5 augustus 2014

Het raadsel van alles wat leeft

Vergeleken met bacteriën en wormen scharrelen wij mensen nog niet zo lang rond op aarde, dat wordt wel duidelijk uit Het raadsel van alles wat leeft van Jan Paul Schutte. Ook wordt duidelijk hoe zeer onze geschiedenis berust op aannames op grond van overgebleven resten en steen - maar ook blijkt hoe aannemelijk deze aannames zijn, gezien de resultaten van onderzoek.
Aannemelijker dan (bijvoorbeeld) het idee dat alles in zes dagen gemaakt zou zijn.

Des te onthutsender dat al die miljarden jaren mede hebben geleid tot Jos Grootjes uit Driel. Vooral verbazingwekkend voor de jonge lezers voor wie Het raadsel van alles wat leeft bedoeld is, al sluit ik niet uit dat ook zij de ironie van deze kroon der schepping zullen vatten.

Zo ziet Jos Grootjes uit Driel er uit:




En zo een van zijn verre voorouders, een manteldiertje:



Natuurlijk ben ik gaan zoeken naar Jos Grootjes en geheel voorspelbaar heb ik hem niet gevonden. Jos Grootjes uit Driel bestaat voorlopig alleen in Het raadsel van alles wat leeft. Hij is daarmee het enige zuiver fictieve element in dit vertoog. (Het plaatsje Driel bestaat wel.)

Want verder is het een heldere uiteenzetting van de geschiedenis van de wereld, voor wat we ervan weten of zeer waarschijnlijk achten. Ik hoef die uiteenzetting hier niet samen te vatten, vind ik: een samenvatting van een samenvatting is niet handig. Koop het boek en lees het zelf, beveel ik aan. En geniet dan ook van de trefzekere illustraties van Floor Rieder.
Ik noem alleen de twaalf hoofdstukken ('delen'):
1. Wonderen, raadsels, mysteries en jij
2. Hoe oud is de aarde?
3. De geschiedenis van alles in 1614 woorden.
4. Het beste wetenschappelijke idee aller tijden
5. De evolutie in het kort
6. Alles voor de familie
7. Hoe het leven op aarde ontstond
8. Overleven in de oerzeeën
9. Half mens, half vis (waaronder: 'Lijkt Jos Grootjes op een haai?')
10. Is dat evolutieverhaal nou wel helemaal bewezen?
11. Van muis tot mens (waaronder 'Is er buitenaards leven? En hoe ziet dat eruit?')
(12.) Tot slot nog dit ('Kun je aan iemands hersenen zien of hij gelovig is?' en 'Houden wetenschappers gegevens achter?')

Het was verrassend dit boek te lezen vlak nadat ik Bill Bryson's A short history of nearly everything had gelezen. Het leek wel een korte bewerking! Op Jos Grootjes uit Driel na dan.
En ook ontbreekt bij Bryson de wat voorzichtige uitweiding over creationisten. Ik vind het niet zo gek, die uitweiding: alle kans dat jonge lezers met zulke types in aanraking komen. Ze zijn dan in ieder geval goed voorbereid. Die taak heeft Schutte volgens mij onberispelijk vervuld. Daarbij is de weergave van Floor Rieder ietwat relativerender - en prachtig (vind ik):




Misschien raken die jonge (en andere) lezers ervan doordrongen dat deze geschiedenis eigenlijk een veel groter wonder is dan het wonder van een in een week geschapen wereld. Het wonder groeit zelfs nog, want er valt nog veel te ontdekken.
Alleen voor mensen die aan grootheidswaanzin lijden is het wellicht onverdraaglijk dat zij (en hun medemensen) zo'n bescheiden rolletje spelen in die geschiedenis. Mooi beeld: als je de geschiedenis van de wereld tot nu toe samenperst in één etmaal, neemt de geschiedenis van de mensheid de laatste vier minuten in beslag.

Er is eveneens een hoofdstuk over mogelijke medebewoners van het heelal. Een prettige toevoeging, die ongetwijfeld tegemoetkomt aan veel vragen van kinderen.
Zijn die er dan, die medebewoners? Hoogstwaarschijnlijk. Komen we ze ooit tegen? Hoogst onwaarschijnlijk. Zullen ze ooit iets over ons vernemen, middels de vol eigenwaan omhoog geschoten metalen voorwerpen met informatie? Ook hoogst onwaarschijnlijk.
Die inspanning was misschien beter besteed aan pogingen om te begrijpen waarom we van alle soorten levende wezens de enige zijn die zichzelf soms zo uitbundig en bloedig decimeert - zij het nog niet dusdanig dat we geheel verdwijnen als soort. Het heeft vermoedelijk te maken met neigingen om ons te verdelen in 'wij' en 'zij'. Maar daarover gaat Het raadsel van alles wat leeft niet. Het zou een mooi vervolg kunnen zijn.

Hoe boek is fraai uitgegeven, in stevige harde band. Dus noem ik de vormgever ook even: Tobias David. Het is terecht gekozen tot een van de Best Verzorgde Boeken in 2013.



Schutte, Jan-Paul. Het raadsel van alles wat leeft - en de stinksokken van Jos Grootjes uit Driel. Met register; ills. Floor Rieder. Gottmer, 2013. 160 p., ISBN 978 90 257 5346 7. 
Gouden Tulp 2014. Nienke van Hichtum-prijs 2013. Best Verzorgde Boeken 2013. Zilveren Griffel en (voor Floor Rieder) Penseel 2014. Ook verkrijgbaar als audioboek.