Zoeken in deze blog

woensdag 19 november 2014

Lezen is leuk... en wat is er leuker dan één project?

Lezen is leuk: die boodschap wil Stichting Lezen er wel intimmeren. Ik denk dat ze daarom het initiatief 'Lezen is leuk' van de Stichting Kinderpostzegels heeft ondersteund, zie ook hier. Als ik het persbericht goed begreep valt het bij die stichting onder het project Preventie schooluitval.




Uit het persbericht:
'Lezen is leuk! richt zich op de ondersteuning van basisscholen die voornamelijk in de krimpgebieden Zeeuws-Vlaanderen, Noord-Oost Groningen en Zuid-Limburg liggen. Honderd scholen in deze gebieden waar het aantal leerlingen eerder daalt dan stijgt, krijgen een speciale boekenkast, gevuld met actuele boeken voor alle groepen van het basisonderwijs. 
Daardoor verbetert de leesomgeving op de scholen, waar leerlingen en hun ouders gestimuleerd worden om meer (voor) te lezen. 
Lezen bevordert de taalontwikkeling en leidt in het algemeen tot betere schoolprestaties. Veel lezen heeft een bewezen positief effect op alle onderdelen van de cito. In mei dit jaar ging de eerste Lezen is leuk!-bibliotheek open in Veendam.'

En:

'Ilja van Haaren, directeur Stichting Kinderpostzegels: “De komende twee jaar steunen we honderd basisscholen in gebieden waar het lezen wel een steuntje in de rug kan gebruiken. Op die manier kunnen we ook iets terug doen voor al die kinderen die zich inzetten om kinderpostzegels te verkopen”.

Bibliotheek op school
De scholen die de goedgevulde boekenkast ontvangen gaan meedoen aan het programma de Bibliotheek op school van Stichting Lezen en de bibliotheeksector. Met de Bibliotheek op school gaan bibliotheken, basisscholen en gemeente strategische meerjarige samenwerkingsverbanden aan. Het doel is om lees- en taalvaardigheid en mediawijsheid van kinderen te verbeteren. Bovendien krijgen alle kinderen een Boekenbon van 10 euro, waarmee ze tijdens de aftrap van het project een boek voor zichzelf kunnen uitzoeken.'



Dat is het tweede project in korte tijd dat scholen in staat stelt zonder veel kosten een kast met boeken te verwerven. Eerder dit jaar was er Kwartiermakers, zie ook dit blog. Een gisse school kan zich voor beide projecten melden.

Nooit weg, dit soort projecten. Dat neemt niet weg dat een goede school een schoolbibliotheek zou moeten hebben, zodanig bekostigd dat er van continuïteit kan worden gesproken. Dat is waar men zich bij De bibliotheek op school ook voor inspant. Misschien dat dit filmpje inspireert.


zaterdag 15 november 2014

Wat heet poëzie 6

Ja, daar hebben we er weer een. Deze keer van Johanna Geels.

De avond dat mijn vader door een biedermeierstoel heen zakte

We aten soep op schoot. De hond beschermde grommend zijn pantoffel. Boven zijn kop hing een foto van mij als vierjarige in een kanariepak.
Tot die avond had ik altijd gedacht dat ik mijn zus, de hond of de biedermeierstoel was. Hij kraakte vervaarlijk onder mijn vader die oreerde alsof er een landelijke staking was uitgeroepen die dag en hij de vakbondsleider was.
Net voor hij bezweek fluisterde mijn zus dat ze vroeger altijd dacht dat ze een jongetje was dat Hänsel heette. Terwijl het hout als versplinterd bot tegen opa's portret op vloog gooide de hond zijn kop in zijn nek en jankte dat alles onomstotelijk waar was.

Onder het kopje Poëzie afgedrukt in De Gids 2014-7. Een fascinerend verhaaltje - en zulke korte verhaaltjes zijn een genre apart, A.L. Snijders is er een meester in. Maar is dit poëzie?

Ik moet eerlijk zijn. Het stond zo afgedrukt:

De avond dat mijn vader door een biedermeierstoel heen zakte

We aten soep op schoot. De hond beschermde grommend zijn pantoffel. Boven zijn kop hing een foto van mij als vierjarige in een kanariepak.

Tot die avond had ik altijd gedacht dat ik mijn zus, de hond of de biedermeierstoel was. 

Hij kraakte vervaarlijk onder mijn vader die oreerde alsof er een landelijke staking was uitgeroepen die dag en hij de vakbondsleider was.

Net voor hij bezweek fluisterde mijn zus dat ze vroeger altijd dacht dat ze een jongetje was dat Hänsel heette. 

Terwijl het hout als versplinterd bot tegen opa's portret op vloog gooide de hond zijn kop in zijn nek en jankte dat alles onomstotelijk waar was.

Iets meer wit, ja. Wordt het daardoor poëzie?
Hier zijn er nog enkele van haar, op haar eigen blog. Tedere verhaaltjes.

'Wat heet poëzie' 1-5? Zie labelwolk onderaan. Of hier.

donderdag 13 november 2014

Wat een foto!


Pontificaal op de website van de Volkskrant 11-11-2014: deze foto van enkele machthebbers, bijeen op de APEC-top in China.

Wat een foto!
Links lacht Hassanal Boliah, sultan van Brunei, in zijn vuistje. Wij hebben olie, en voorlopig is de wereld daar verslingerd aan. Misschien mag ik daarom ook vooraan op de foto.
In het midden staat Xi Jinping, gastheer en grote roerganger van China. Natuurlijk in het midden! Hij gebaart naar rechts alsof hij iets te berde brengt, maar die twee luisteren oppervlakkig, áls ze dat al doen.
De tweede van links, Vladimir Poetin, president van Rusland, kijkt de andere kant op, alsof hij daar in de verte iets ziet wat zijn aandacht méér trekt als de woorden van zijn gastheer. Hij glimlacht verholen, want hij denkt er het zijne van - van wat dan ook. Hij zal later zijn slag wel slaan. De pose is misschien ook nodig als Xi het woord expliciet tot Hassanal richtte, Vladimir passerend.
Helemaal rechts gebaart Barack Obama ongeveer net als zijn gastheer. Hij zal hem toch niet na-apen? Hij bevindt zich aan de rand, maar heeft wél een aandachtige luisteraar. Dat is echter de vrouw van Xi en die staat daar alleen omdat ze vandaag gastvrouw is. Er vallen geen zaken met haar te doen. Nóg een vrouw, vlak achter Obama, richt een bewonderende blik op hem. Ja, Barack doet het goed bij de vrouwen, maar bij Xi en Vladimir kan hij even geen potje breken, lijkt het.

Wat alle vier heren verbindt: dat jasje dat ze dragen, ongetwijfeld speciaal voor deze gelegenheid. Brack heeft echter geen naamplaatje op (ze weten toch wel wie ik ben). Of is het geen naamplaatje maar een ereteken dat hij moet ontberen?
De jasjes verhullen wat de heren eronder dragen. Maar goed ook, want dan blijkt dat de grote Chinese roerganger waarschijnlijk een kostuum van Europese snit draagt, zoals op de foto's op de APEC-site is te zien. Barack en Vladimir ook, maar dat verwachten we van hen. Dat van de sultan is een slag donkerder van dat van de drie anderen. Olie? Of is hij toch van een andere orde dan die drie?
Die speciale jasjes lijken wel een soort sjiek schoolkostuum. Vast van Chinese zijde.

dinsdag 11 november 2014

Zwarte Piet staat er gekleurd op 2




In de eerste aflevering van het Sinterklaasjournaal (NTR), op 11 november, verscheen Sinterklaas met Zwarte Pieten. Presentatrice Dieuwertje Blok vroeg: 'De allerbelangrijkste vraag van de hele wereld is: komen de Pieten ook mee? Sommige mensen vinden Piet namelijk maar ouderwets.'
'Daarom neem ik ze juist mee', zei Sinterklaas. [...] 'Dan wordt het weer ouderwets gezellig in Nederland. Dat is al honderden jaren zo geweest en dat zal altijd wel zo blijven.' En prompt verschenen ze in beeld. Ze spraken overigens een keurig soort acteurs-Nederlands. Dieuwertje werd ondersteund (in het Pietenhuis), door Dolores Leeuwin, een zwarte presentatrice met een prachtige naam.
Om vooruit te lopen op de intocht in Amsterdam: áls Sinterklaas een kruis droeg, was dat onzichtbaar, door een flinke baard.

Sinterklaas zal niet in zijn eerste leugentje of marketingpraat gestikt zijn, dat van die honderden jaren gezelligheid met de Pieten is natuurlijk onzin. Zwarte Piet verscheen voor het eerst in 1850, in een boekje van Jan Schenkman. (Zie echter ook hier.)
Maar het beeld was een stellingname (statement, heet dat in nieuw-Nederlands).

Intussen wisselden Robert en oom Herman in De Groene Amsterdammer 6-11-2014 beschaafd van gedachten over Zwarte Piet. Nee, niet ik of mijn oom Herman zaliger, maar Vuijsje, oom van Robert.
Ze bleken allebei de redelijkheid zelve, en waarover ze het toch niet meteen eens konden worden vatte neef Robert zo samen:
'Over naar het ingewikkelde woord buitenstaanders. 
Wanneer het gaat om buitenstaanders in de zin van mensen die niet in Nederland wonen, heb ik een kanttekening en ik denk dat we hier arriveren bij het gedeelte waar we het niet over eens zijn. Over de hele wereld hebben mensen sterk verschillende gebruiken en gewoontes. Mensen uit andere delen van de wereld kunnen die tradities mal vinden. Ik betwijfel of het verstandig is om naar een ander land te gaan en de lokale bevolking te dwingen tot verandering. 
Wat buitenstaanders in sommige gevallen wel kunnen doen: met een betere en meer frisse blik ergens naar kijken. In sommige gevallen ziet een buitenstaander iets wat jou niet meer opvalt omdat je er al zo vaak naar hebt gekeken. Zwarte Piet is daar een goed voorbeeld van.

Nog iets waar we het niet over eens zijn: dat het pietendebat intussen menigeen de neus uit komt. Zo van: we hebben het er nu al zo vaak over gehad dat het gezeur wordt, dus laten we er maar over ophouden. 
Ik vind dat geen valide argument. Toen zwarte Nederlanders eindelijk de moed verzamelden om massaal te laten weten dat ze zich niet prettig voelden bij Zwarte Piet, hadden de andere Nederlanders ook kunnen vragen: waarom vinden jullie dit zo onprettig, wat is er aan de hand? Gezien de geschiedenis lijkt me dat een normale vraag. 
Dat is niet gebeurd. De andere Nederlanders lieten weten: wij beslissen nu voor jullie dat het niet kwetsend is, dus we zien geen reden om het te veranderen. Door die reactie is deze lange discussie ontstaan.'

Wordt waarschijnlijk vervolgd.



Zie hier Zwarte Piet staat er gekleurd op 1.

NB. Hier een stukje uit een vertaling van Der Struwwelpeter van Heinrich Hoffmann (1845):



Daar kwam de groote Nik'laas aan,
Die had een' inkt pot voor zich staan,
Zoo groot, ja, grooter dan de maan.
Hij sprak: ‘Komt kind'ren, hoort mij aan,
En laat dien moor met vrede gaan!
Het is zijn schuld toch waarlijk niet.’
Dat hij zoo zwart als steenkool ziet’
(Vertaling: W.P. Razoux)

NB2. Aanbevolen literatuur:
Booy, Frits. Op zoek naar Zwarte Piet. Stichting Nationaal Sint Nicolaas Comité, 2008, 2e herz. dr.
Uitverkocht, maar vast nog in deze of gene bibliotheek te raadplegen. De eerste druk verscheen in 2003.

NB3. Uitspraak van de Hoge Raad op 12 november:

'​De burgemeester van Amsterdam heeft de vergunningaanvraag voor de Sinterklaasintocht voor 2013 terecht alleen getoetst aan de eisen van openbare orde en veiligheid. Hij is niet bevoegd de vraag te beantwoorden of van de figuur van 'Zwarte Piet' een discriminerend effect uitgaat en daardoor een schending oplevert van het grondrecht op respect voor het privéleven en het discriminatieverbod.
Dit blijkt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van vandaag (12 november 2014), waarin zij tot een andere beslissing komt dan de rechtbank Amsterdam in juli van dit jaar (Zie Burgemeester moet beslissing Sinterklaasintocht herzien). Tegen de uitspraak van de rechtbank waren de burgemeester van Amsterdam en Stichting Pietengilde bij de Afdeling bestuursrechtspraak in hoger beroep gekomen.' Zie hier.




zaterdag 8 november 2014

Ga toch fietsen!

Ja, dat roept de een wel eens tegen de ander, als-ie boos is.
En vermoedelijk bracht dat Joukje Akveld op het idee van een prentenboek. Al kan het idee natuurlijk ook van de uitgever zijn gekomen, of illustrator Philip Hopman.



Auteur Joukje Akveld schreef er d.d. 10 juli 2014 op haar site dit over:
'Het is af en het gaat in het najaar verschijnen: Ga toch fietsen!, een nieuwe prentenboekentekst van mij met tekeningen van Philip Hopman. We bezochten er samen de fietsbeurs voor in de RAI. Wat eerst een meneer en een mevrouw waren werden later twee dieren en nog weer later de panda Boese en de hond Willem. Philip maakte twee fietsenmakers van ze met een zaak aan huis. Nijvere zzp’ers die elkaar af en toe even spuugzat zijn. Dan roepen ze van dit en van dat en vliegt er iets onaardigs door de lucht. Als Willem dan zegt "ach, ga toch fietsen, jij," pakt Boese zijn fiets en vertrekt.'
Dit stukje bevat de informatie dat de twee hoofdpersonen van het verhaal eerst twee mensen waren, en later veranderden in dieren.

Onwillekeurig moest ik denken aan de vele prentenboeken van Richard Scarry, barstensvol dieren, en o.a. bekend geworden doordat in zijn boeken het varken het vlees van zijn soortgenoten verkoopt, waarvan ik hieronder twee varianten toon:

 Zie links onder:

En:



Gezellig, willen werken in een winkel waar ze het vlees van je geslachte familieleden verkopen. Afijn, over Scarry valt veel te melden, maar dat zal ik hier niet doen.

Waarom verhalen vertellen over mensen en ze dan als dieren afbeelden?
Het kan zijn dat men denkt dat kinderen zich makkelijk vereenzelvigen met dierfiguren - wat ze inderdaad makkelijker doen dan grote mensen.
Het kan ook zijn dat het de bedoeling is middels de beestachtige vermomming juist bepaalde menselijke eigenschappen uit te vergroten, tot in het karikaturale toe. Carl Barks wist er wel enigszins raad mee, en hij liet overigens zijn dieren een keer de beesten voederen:



Marten Toonder koos trefzekere diervermommingen voor professor Sickbock, assistent Pieps, markies de Cantecleer, burgemeester Dickerdack en niet te vergeten de heer Bommel zelf, waarbij nog zij opgemerkt dat hij deze mengde met mensen in min of meer menselijke gedaante, zoals schilder Terpen Tijn.



Dat zijn dan nog figuren die in huizen wonen en verder een mens-achtig bestaan hebben. Er zijn ook nog die figuren die een wat dierlijker bestaan hebben (bijvoorbeeld in een holletje wonen) en toch menselijk gedrag vertonen, zoals die in The wind in the willows, Peter RabbitWinnie-the-Pooh, Paulus de Boskabouter en de filosofen uit het werk van Toon Tellegen.
Het past allemaal in een heel oude traditie, stammend uit een tijd dat mensen minder strikt onderscheid maakten tussen henzelf en dieren. Al duizenden jaren schenken mensen hun goden een beestachtig uiterlijk. De oude Egyptenaren deden dat bijvoorbeeld. Maar ook de Indiërs geven hun goden soms dierlijke trekjes. Zie bijvoorbeeld hieronder Anubis, de Egyptische god die de doden begeleidde (afbeelding uit de Papyrus van Hunefer), en de Indische god Ganesha.

   

Men kende bepaalde beesten vanouds een symbolische waarde en/of een karakter toe, en rollen in mythen en sagen. Vele leeuwen en adelaars sieren wapenschilden. Een heel verhalengenre is erop gebaseerd, met Reinaart de Vos als een van de bekendste voorbeelden. Ene Laurike in 't Veld heeft dienaangaande iets behartenswaardigs geschreven over Maus, van Art Spiegelman.
Er valt nog veel meer over te melden. Maar...

Ga toch fietsen!

... voordat deze recensie ontaardt in een verhandeling over verhalen met dieren die geen dieren zijn (en dan laat ik de weerwolf en de vampier nog buiten beschouwing), terug naar Boese en Willem, de hoofdpersonen in Ga toch fietsen!.
Ik begrijp dat ik de auteur en de illustrator nog eens moet vragen wat hen ertoe bewoog om hun verhaalfiguren te veranderen van een 'meneer en een mevrouw' in twee oude vrienden in de vermomming van een panda en een hond.
Boese is een binnenvetter, zo'n type dat niet direct boos kan uitvallen maar eerst in zichzelf een tijd moet tieren en razen. En dat ziet er in pandagedaante goed uit. Hier zien we de twee ruziemakers, links Willem, rechts Boese.



Willem zien we van achteren. Hij heft zijn arm en het tafereel wekt de suggestie dat vooral hij aan het woord is. 'Ach, ga toch fietsen, jij!' roept hij boos en dat doet Boese.



Willem kijkt hem na.



Dit zijn de enige beelden die ik geef: het tonen van details doet de paginagrote prenten van Philip Hopman tekort. Maar ze laten zien hoe het kiezen van een dierenvermomming een bepaald karakter kan suggereren.

Het verhaal in woorden is zo beknopt dat ik het in zijn geheel zou kunnen citeren. Dat doe ik natuurlijk niet, maar wel iets, om te tonen in welke stijl Joukje Akveld schreef:

'Boese en Willen hadden ruzie.
Dat ging ongeveer zo:
"Kun je nou nooit een keer!"
"Moet jij nou altijd weer!"
"Je denkt toch niet dat ik!"
En iets met aangebrand.
Er vloog iets door de lucht, maar het was niet raak.
Willem riep: "Ach, ga toch fietsen, jij!"
Dat deed Boese.
Er zat een donderwolk in zijn hoofd.
Het bliksemde tussen zijn oren.'

Boese gaat dus op pad. Rechtsaf, rechtdoor, 'over een lange weg', linksaf, rechtdoor, met de pont mee,

'De overkant leek op zijn eigen kant, alleen leger.'

En

'Achter hem hoorde hij een geluid.
Het klonk als heel veel fietsbanden op een verharde weg.
Boese keek achterom.
Het waren heel veel fietsbanden op een verharde weg.'

Linksaf, weer linksaf.

'Hij dacht aan wat Willem had gezegd.
"Ach, misschien kan ik best wel eens een keertje..." zei hij tegen zichzelf.
"En misschien moet ik inderdaad niet altijd weer..."'

Brug over, naar rechts., 'bij een lange weg', terug naar huis.

'Willem stond bij de deur.
"Ik dacht dat ik misschien toch..." zei hij.
Hij krabbelde verlegen op zijn hoofd.
"Ach ja," zei Boese. "Zoiets dacht ik eigenlijk ook."
Ze gingen naar binnen en aten aan de keukentafel.
"Wel een beetje aangebrand," zei Willem.
En: "Nu is het ook nog koud."
Boese glimlachte.
Morgen, dacht hij, gaan we samen fietsen.'

Ik vind dat meesterlijk geschreven. Deze ruzie is echt heel mooi onder woorden gebracht. Prachtig zoals Boese's 'donderwolk' langzaam verdwijnt. Een samenvatting zou het verhaal tekort doen. (Maar dat geldt voor alle goede verhalen.) Eén mooi detail nog noemen: dat Boese op zijn weg terug de wind mee heeft.

Maar natuurlijk zijn het vooral de prenten van Philip Hopman die het verhaal maken. Er is veel op te zien. De verleiding om de tocht van Boese in kaart te brengen heb ik laten schieten, maar het is grappig dat de lange weg terugkeert, compleet met ijscoman, bomen en meer.
Er hangt een klok in de bocht van hun straat: acht uur bij het begin, kwart voor zes aan het eind. Een stevig dagje fietsen! (En die muzikant bij de buren maar spelen... Zou hij een pauze hebben genomen?)
Aan de muur van hun keuken hangt een reeks foto's die toont dat de heren elkaar lang kennen - en al veel fietsten. Intrigerend is ook linksonder de foto van beiden in jacket en strikje, naast elkaar. En, in verband met mijn inleiding, een prent van twee fietsers met de tekst 'Le chien au vélo'.
De twee zijn fietsenmakers, verkopen fietsen, en overal wemelt het van de fietsen in allerlei fantastische soorten en maten. Het zijn sowieso volle straten, met ook nog andere voertuigen dan fietsen, bestuurd door eh, dieren, of zo. Zie boven.
Waarbij dient opgemerkt, eveneens in het licht van mijn inleiding, dat voor het raam van hun buurhuis twee honden met strikjes duidelijk beestachtiger zijn dan alle andere als dier vermomde wezens. Maar gelukkig zijn er geen varkens die varkensvlees verkopen. (Wel een walrus die vis verkoopt. Maar dat is logisch, toch?)
Halverwege de rit terug koopt Boese bloemen - dat wordt niet in woorden verteld, wel in beeld. En verder is er zoals gezegd nog van alles te zien, het zijn prenten om lang en aandacht te bekijken, Philip Hopman heeft zich heerlijk uitgeleefd. Met vele fijne details die je pas na goed kijken ziet, zoals het vertrek en de terugkeer van niet alleen Boese, maar ook een oude dame en een dame in rose, het liefhebbend stel boven de taartenwinkel, die bokkige man die aan het begin met een boeket op zijn balkon staat te wachten en aan het eind naar binnen gaat - met boeket. Heeft-ie de hele dag staan wachten?
Zo en nog veel meer. De bouwstijlen: één prent met iets onmiskenbaar Amsterdams: de hijsbalken bovenaan twee huizen. Maar verder zouden de huizen in een reeks Europese landen passen en Boese passeert een café met het opschrift velo café. De pont: een wolk van een boot en die auto's erbovenop (inclusief dubbeldekker) komen er volgens mij nooit meer af. En zo verder. Ga dat zien, ga dat zien.

Nog even iets over de titel. Die is raak gekozen, maar er is nóg een boek met die titel Ga toch fietsen!, van Thomas Braun (Nieuw Amsterdam, 2011). Ook verscheen in 2008 bij Boekscout Ga toch fietsen van P.J.G.A. Derix. En zie verder hier en daar. Enfin, lijkt me allemaal geen probleem.

Hopman, Philip, en Joukje Akveld. Ga toch fietsen! Querido, 2014. ISBN 978 90 451 1674 7, NUR 273, 







donderdag 6 november 2014

Regels van de zomer

Het oog staarde me al enige tijd aan.


Een boek van flink formaat, een typisch prentenboek, met een raadselachtige titel. 
Achterop staat: 'Hou je aan de regels. Vooral als je ze niet begrijpt.'
Nog raadselachtiger.

Helaas staat er nog iets achterop. Reclametekst: 

'Shaun Tan groeide op als jongste van twee broers. Die ervaring inspireerde hem tot dit prentenboek, dat net als De aankomst, De rode boom en Het ding en ik van een verbluffende schoonheid is.

Over de boeken van Shaun Tan:
"Tan toont zich meester in tekeningen die alles zeggen. Beter, die alles laten voelen." NRC Handelsblad
"Volstrekt uniek, essentieel én leeftijdloos." De Morgen'

Ik wil graag zelf zien of ik het boek mooi vind, al heb ik begrip voor het citeren uit recensies. (Het boek moet verkocht worden...)
Dat van die broers mag informatief zijn, het stuurt ook de manier van kijken. Jammer. 
Dat begint al met de voorkant. Die jongen met zijn handen in de zakken van zijn lange broek, bij die opwinddino, dat is dan zeker een oudere broer. Misschien heeft-ie zojuist dat oog over het hoofd van zijn broertje geschoven. Dat kijkt daardoor met een groot oog naar de wereld, maar is ook meteen half opgesloten. De gemelijke blik van zijn oudere broer ziet hij niet. Die loopt weg, samen met de dino, die misschien ook kijkt, alsof hij tot leven is gewekt.

Dat oog, voorop, moet je overigens even voelen, even met een vinger eroverheen.

Sla je het boek open, dan zie je die oudere broer (of is het toch een vriendje, ik hoef me van die tekst achterop niets aan te trekken!) wegvliegen in een soort rode stoomvliegmachine. Het andere jongetje, in korte broek, rent erachteraan. Neem me mee!, zou hij kunnen roepen. Daarna volgen pas het colofon en de titelpagina.

Anders dan andere boeken van Shaun Tan bevat dit boek tekst. Achttien regels, waarvan zestien regels van de zomer.

'Dit heb ik de afgelopen zomer geleerd:
Je mag nooit een rode sok aan de waslijn hangen.
Je mag nooit de laatste olijf opeten.
Je mag nooit je jampot laten vallen.
Je mag 's nachts nooit de achterdeur open laten staan.
Je mag nooit op een slak trappen.' En zo verder tot de laatste regel:
'Dat is het zo'n beetje.
Elke regel krijgt een hele pagina, die voorzien lijkt van lichte, vage vegen verf in tinten die min of meer corresponderen met de bijhorende prent, alsof die nog een beetje nat was toen het boek werd dichtgeslagen. Maar toch ook weer niet zo dat je contouren terugziet.
Zelfs zonder prenten zijn deze regels pure poëzie. in al hun beknopte absurdisme. De vertaling is overigens van Bart Moeyaert.

Die laatste zin, 'Dat is het zo'n beetje', staat bij een plaat die beide jongens toont op een bank, met een bak chips (o.i.d.) tussen zich in, kijkend naar de tv. De muur hangt vol tekeningen, sommige figuren daarop komen bekend voor, want die bewoonden prenten daarvóór, in een heel andere gedaante.
De prent daarna, de laatste, toont een kraai die op een gevallen kroontje zit. Het zijn de enige prenten die je met wat goede wil 'realistisch' zou kunnen noemen, de andere zijn absurdistisch, taferelen uit Dalí-achtige dromen. Die laatste prent is trouwens niet echt de laatste, want die schutbladprent met die rode stoomvliegmachine keert op de laatste schutbladen terug.

De woorden mogen poëzie zijn, de prenten maken dit verhaal. Boze, hoopvolle, angstige dromen, in gloedvolle kleuren en met wilde landschappen en vreemde wezens - en kraaien.
Hier bijvoorbeeld de prent bij de eerste zomerregel, 'Je mag nooit een rode sok aan de waslijn hangen.'


En hier die bij 'Je mag nooit op een slak trappen'.


En mooi is ook de tweepaginaprent die voorafgaat aan 'Dit heb ik de afgelopen zomer geleerd'.


Het zijn prenten om lang naar te kijken.

Deze is ook heel mooi, bij de regel 'Je mag nooit je sleutels aan een onbekende geven'.


Die correspondeert namelijk met de prent bij 'Dat is het zo'n beetje', die ik niet kan weergeven omdat ik geen bruikbaar bestand op internet vond. Zelf scannen doet de prent beslist tekort, maar hier is een detail:



Zit er een lijn in het verhaal? Jazeker.

Het verhaal wordt op gang gebracht door die eerste tweepaginaprent die hierboven is weergegeven. Die toont van wie de vertellende hoofdpersoon ('ik') het een en ander heeft geleerd. Volgen dertien regels met bijpassende prenten. Die lijken te tonen wat voor verschrikkelijks of eigenaardigs er gebeurt als je de regel overtreedt, en die regels zijn allemaal iets wat je vooral nooit moet doen.
Na regel dertien, 'Je mag nooit wachten op het spijt me', met prent waarop de verteller in een soort kachelachtige stoomsneeuwschuiver lijkt opgesloten, volgen drie dubbelpaginaprenten waarop dat ding door landschappen schuift, met steeds meer volgende kraaien. En dan volgt een regel die iets vermeldt wat je wél moet doen in plaats van nooit:
'Je moet altijd een betonschaar bij je hebben.' Oudere jongen op fiets komt met verlossende betonschaar aanfietsen.


Waarna nog twee regels volgen, de een opnieuw met iets dat je altijd moet doen (de weg naar huis weten, en je ziet de jongste op het stuur van de fiets van de oudste, op weg door een grimmig landschap), de ander weer met iets dat je nooit moet doen, maar toch klinkt dat wel positief:
'Je mag de laatste dag van de zomer nooit missen.' En de prent toont hoe de oudste de jongste van een ladder over of op een muur helpt. Waarna een vrolijke dubbelpaginaprent volgt waarop de twee muziek lopen te maken in een decor van reuzenfruit. En dan volgt 'Dat is het zo'n beetje', zie boven.

Er is een lijn van negatief, culminerend in een gevecht tussen de twee en een soort gevangenname, waarbij de oudste een kroontje krijgt aangereikt door een kraai, naar positief. Met wat verbeelding kun je je voorstellen dat de oudste zijn broer of vriend eerst overmeestert en opsluit en vervolgens weer bevrijdt en thuisbrengt, en zijn kroon inlevert. Aan een kraai.
Je kan er wat inleggen, in dit verhaal. Een ruzie tussen oudere en jongere broer (of vriend), een ontwikkeling in de relatie tussen  oudere en jongere broer (of vriend). Een soort ontgroening. Ga je gang, het is niet verboden; dit verhaal brengt bij uitstek ieders verbeelding op gang.

Er is op die prenten nog veel meer te zien. Een zijlijntje zijn die kraaien en het kroontje. Maar allerlei voorwerpen en wezens komen ook terug in diverse prenten, bijvoorbeeld dat oog en de opwinddino van het voorplat, de aardbei van het verknalde plan, een van de strenge vogels bij de olijf, sommige muren, elektriciteitsmasten, de portretten van een kat, en zo meer. De kraai komt op bijna alle prenten voor - soms moet je even zoeken. Sommige voorwerpen lijken op blikken speelgoed. Bij het gevecht (regel 'Je mag nooit vragen waarom') lijkt wel een afvaardiging van hen aanwezig, ze kijken toe. En we vinden ze later terug als tekeningen aan de muur van de kamer. Droom- en andere uitleggers kunnen naar hartelust hun gang gaan! Ik gun het ze graag maar ga me er zelf niet aan bezondigen.

Er val heel veel te genieten en te mijmeren met dit prachtige boek!

Shaun Tan. Regels van de zomer. Querido, 2013. ISBN 978 90 451 1626 6 / NUR 274. Vertaling Bart Moeyaert. Oorspr. titel Rules of Summer, 2013.