Zoeken in deze blog

vrijdag 29 mei 2020

De moeizame literatuurles

Het blijft bewonderenswaardig hoe er in het secundair onderwijs getracht wordt de moeizame literatuurles aantrekkelijker te maken. In Breda deden twee leerlingen uit vwo 6 van het Newmancollege een poging. Voor hun profielwerkstuk gaven zij lessen literatuur aan hun medeleerlingen. Hun docent (is dat die man op de foto voor aanvang artikel? bijschrift ontbreekt) trok zich even terug.
Het tekent het jeugdig enthousiasme dat de twee leerlingen, Danique Seuntjes en Sam van Kuijk, in eerste instantie een nieuwe leesvaardigheidsmethode wilden ontwikkelen. Daarop kwamen ze terug toen ze de sandwich-methode ontdekten, die hebben ze toegepast.
In hun artikel in Levende Talen Magazine 2020-4 schetsen ze eerst wat er volgens hen zoal 'mis gaat' in het literatuuronderwijs:

Tegenwoordig wordt er door jongeren veel minder gelezen, door verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld het steeds toenemende media-aanbod. Hierdoor is de verleiding groot om steeds minder te lezen, met als gevolg dat de leesvaardigheid achteruitgaat en de zin om te lezen vermindert. Een ander probleem is dat niet iedere leerling thuis aan de eettafel onderwerpen bespreekt die in het examen zouden kunnen terugkomen. Hun voorkennis is hierdoor kleiner.
Zelf merkten wij tijdens onze lessen Nederlands op het vwo van klas 1 tot en met klas 6 dat de teksten lang zijn en de onderwerpen velen van ons niet aanspreken.
Zoals ook bleek uit een van de bronnen die we raadpleegden voor het profielwerkstuk, het boek Lezen met de leessandwich (Pronk & De Vos, 2017), is de opdracht 'Lees de tekst en maak de vragen' dodelijk voor de motivatie en de leesvaardigheid van leerlingen. Zij gaan hierdoor plichtmatig met een tekst aan de slag en zijn alleen gericht op het goed beantwoorden van vragen. Elke keer maar lezen en weer de bijbehorende vragen maken, het is eentonig en saai.

Zo, die zit. (De link heb ik erin geplaatst.)

Wij dachten dat dit anders kon en hebben besloten om ons voor ons profielwerkstuk bezig te houden met de lessen leesvaardigheid bij Nederlands: misschien komt zo de interesse terug en krijgen we de cijfers omhoog.

Dat hebben ze uitgeprobeerd met drie lessen in een havo 3-klas met 28 leerlingen, zoals gemeld met de sandwich-methode.  Te weinig om houdbare conclusies te trekken, zoals ze terecht schrijven (en daarvoor zelfs het jargonwoord interventie gebruiken). Maar de ervaring was positief, hun leerlingen zagen het kennelijk wel zitten.

Fijn. Want natuurlijk kan het anders. Alleen ligt dat slechts voor een deel aan een methode en voor een minstens zo groot deel aan de ervaring, mensenkennis en bevlogenheid van de docent. Je bent wel een erg beroerde docent als je niet verder komt dan je leerlingen aan het teksten-lezen-en-vragen-beantwoorden komt.
Wie weet maakte alleen al de betrokkenheid van deze twee jonge gelegenheidsdocenten al indruk op de havo-klanten.

Het blijft intussen soms modderen en dat ligt niet alleen aan de docentwn.

Hieronder een fraai citaat uit de column 'Ketchup' van Sylvia Witteman in de Volkskrant 30-5-2020:

Daar lag Steinbeck, sip en inderdaad wat dunnetjes, op de salontafel. Ruim honderd pagina's over Lennie en George, de Pooh en Piglet van de grotemensenliteratuur, Forrst Gump en Jenny, onderweg naar hun noodlot, een paar kilometer onder het ongetwijfeld slaperige stadje Soledad. ('Soledad' betekent 'eenzaamheid', jongens. Goed onthouden hoe Steinbeck hier zijn schaduwen vooruitwerpt. Hoe bedoel je, snap ik niet? Wát snap je niet? 'Je schaduw vooruit werpen' is een uitdrukking. Dat betekent dat je onheilspellende gebeurtenissen van tevoren aankondigt. Wat betekent 'onheilspellend'? Nou, Anouk, weet jij het? Max? Ook niet? (Oorverdovend lawaai van schoolbel.).)

Als het niet waargebeurd is, is het naar het leven verzonnen.

zaterdag 16 mei 2020

Onvoorstelbare prikbeestjes

Een schitterend ongeluk, noemde journalist Wim Kayzer het menselijk leven in 1984, in een legendarisch geworden reeks gesprekken met wetenschappers die zich bezighielden met de oorsprong van het leven (Daniel Dennett, Freeman Dyson, Stephen Jay Gould, Oliver Sacks, Rupert Sheldrake en Stephen Toulmin).
Het weerkaatst het idee dat wat wij waarnemen als het leven het resultaat is van een miljoenen jaren lange geschiedenis van zich door leren en voortplanten ontwikkelende vormen van leven, waarin allerlei vormen verschenen en weer verdwenen, of veranderden, onder invloed van andere levensvormen of van anorganische omstandigheden, klimaat, bodem, e.d. Wij mensen denken dan aan trial and error, maar er was niemand die bewust iets uitprobeerde. Het gebeurde. Wonderen worden niet uitgeprobeerd.

Een van die levensvormen is relatief kort geleden ontstaan en noemen we mens en een van de eigenschappen van ons mensen is dat we ons bewust zijn van onze omgeving en geschiedenis en dat we ons kunnen afvragen: hoe is dit zo gekomen? Om IJf Blokker en Wim T. Schippers aan te halen: waar gaat dit heen, hoe zal dat gaan, waar komt die rotzooi toch vandaan?
Maar ook vragen we ons af: waaróm? Heeft het leven een bedoeling? Is het ooit bedacht?
De wetenschappers in kwestie, en velen met hen, vroegen zich vooral af waardoor het leven is geworden zoals het is, maar mensen in het algemeen vragen zich geregeld af waarom dat dan zo is en zijn niet tevreden met waarom, daarom.
Ofwel, er zijn verklaringen voor het verschijnsel dat bananen krom zijn, maar die geven nog geen antwoord op de vraag, waarom zijn de bananen krom? Wel hoe dat mogelijkerwijs veroorzaakt werd. Idem, iets prangender, waartoe zijn wij op aarde? Geen idee, god mag het weten.

Er zijn, geloof ik, mensen die dit onderscheid tussen oorzaak en reden niet snappen. In hun teleologische voorstelling van de wereld hangt alles van redenen en bedoelingen aan elkaar, niet van oorzaken. Ik vermoed dat het dezelfde mensen zijn die soms beweren dat toeval niet bestaat en zich graag goden voorstellen om antwoorden op lastige vragen te vinden. Zij haten chaos en vrezen het idee dat wij een, zij het schitterend, ongeluk zijn, een toevallig doelloos rimpeltje in de kosmos. Alles moet een doel hebben, vinden ze. Een reden van bestaan. Ontbreken daarvan maakt ze ongelukkig.

Ik moest hieraan denken bij het lezen van met onderhoudende boek Insectenrijk van Aglaia Bouma (Atlas Contact, 2020).

Insecten, en andere geleedpotigen maar daarover gaat het nu even niet, zijn ons wezensvreemd. Veel mensen vinden ze monsterlijk en lastig. Niet voor niets hebben aliens in sf-films vaak insect-achtige trekjes. Hun uitwendig skelet lijkt een pantser, hun kop een helm met zonnebril. Het is allemaal hard, scherp, glanzend. Kleine snorrende of kruipende robotjes zijn het, rotbeestjes die ons bij gelegenheid steken, in de ogen vliegen of onder onze huid kruipen. Jawel, ze zijn ook nuttig, zelfs zeer noodzakelijk voor de plantenseks ('Zonder die kleine beesten zouden we zo'n 75 % van onze landbouwgewassen zelf moeten bestuiven', p. 9) en als voedsel voor andere beesten, maar het is geen aaibaar nut.

Zij gedragen zich ook heel anders dan wij en andere zoogdieren ons gedragen. Je inleven in een insect is erg moeilijk, zelfs met een flinke scheut antropomorfisme. En al vertonen sommige insecten enige zorg voor hun nakomelingen, nog veel vaker springen ze zonder enig mededogen met elkaar om. De parasiet vreet zich in een parasiet die zich in een beest vreet. Ze weten letterlijk van voren niet wat ze van achteren doen (al lijkt dat soms ook een beetje menselijk, helaas) en kunnen doorgaan met paren als hun kop eraf wordt gebeten. (Dat doen wij ze niet na.)
Er zijn tienduizenden soorten en evenzovele wonderlijke gedragingen, zo onvoorstelbaar en bizar dat je er nauwelijks oorzaken voor kan verzinnen, laat staan redenen, dus dat een of andere instantie dit allemaal met een doel heeft ontworpen.

Toch lijkt Aglaia Bouma daar soms van uit te gaan.

Eerst iets over Aglaia zelf. Als zeventienjarige werd ze gestoken door een hoornaar. En flink ook, na een kwartier verloor ze het bewustzijn en ze kwam weer bij in een ziekenhuis. Ze hield er een panische angst voor wespen en later álle insecten aan over. Zo onpraktisch werd die angst dat ze op een goed moment besloot er iets aan te doen. Ik citeer:

Ik begon me te realiseren dat ik mezelf een loer had gedraaid. Door aan de angst te willen ontsnappen, had ik hem alleen maar groter gemaakt. In mijn hoofd waren die kleine insecten uitgegroeid tot griezelige, nietsontziende monsters die erop uit waren me iets vreselijks aan te doen. Door die 'monsters' uit de weg te gaan voorkwam ik dat ik kon inzien dat het allemaal wel meeviel. En dat vermijdingsgedrag versterkte doe bovenmatige bangheid ook weer, omdat de lichamelijke paniek verdween zodra ik was gevlucht. Ik bevond me in een vicieuze cirkel waarin ik me in mijn leven liet belemmeren door angst. Ik leed aan een fobie. Toen ik dat eindelijk tegenover mezelf durfde toe te geven, besloot ik dat ik er iets aan moest doen. Maar wat? Een directe confrontatie met bijvoorbeeld bijen bij een bloeiende struik was me te gortig; ik zou de neiging om te vluchten onmogelijk kunnen bedwingen. Het leek me veiliger om eerst naar dode beesten te gaan kijken.


Ze ging naar Naturalis om dode insecten te bekijken (waaronder een hoornaar), kocht gidsen (om te beginnen een over wespen), een loep, kreeg een fototoestel met macrolens, las veel en na vele jaren studie raakte ze van de angst af. Een modelgenezing!
Ze tekende dit op in een boek dat een liefdesverklaring is aan het insect.
Geen grootse stijl hier (bijvoorbeeld bijen bij) (tegenover mezelf toegeven), maar ook geen dikdoenerij en ladingen aan wetenschappelijke termen.

Kijk, kijk toch, lijkt ze ons lezers te willen toeroepen, kijk met mij mee, hoe mooi, hoe bijzonder. Het werkt aanstekelijk, tot mijn verrassing las ik het boek achter elkaar uit. En dat terwijl er veel te weinig afbeeldingen in staan, één katerntje met kleurenfoto's terwijl ze honderden soorten de revue laat passeren. Gelukkig vermeldt ze van alle besproken insecten de wetenschappelijke naam en hebben we internet: ik las dit boek met gsm of laptop bij de hand.

Monsterlijke wezentjes zijn het - maar wel mooi.

En wat ze doen lijkt bij nadere beschouwing heel doelmatig. De levendigheid van haar beschrijving berust ongetwijfeld deels op die teleologische benadering. Ze zal ook wel weten dat het huidige leven op aarde een geschiedenis heeft die van toeval aan elkaar hangt, dat soorten blijven bestaan doordat andere soorten (of beter nog: genen) het loodje legden in een almaar voortdurende concurrentiestrijd.
Maar zo schrijf je geen liefdesverklaring.

Dus staat er (p. 31):

Daar staat tegenover dat insecten, met uitzondering van veel vlinders en enkele vliegen, roodblind zijn. Ze hebben geen receptoren voor licht met lange golflengten en nemen rode objecten waar als zwart. Dit betekent dat soorten met een rode tekening die kleur niet voor elkaar hebben. De prachtige zwartkopvuurkever, Pyrochroa coccinea, bijvoorbeeld heeft zijn fluweelachtige, helrode dekschilden niet om andere vuurkevers te verleiden, maar om vogels en zoogdieren af te schrikken.

Nee, daarom heeft die kever die dekschilden niet. Er is sowieso geen reden waarom die kever die dekschilden heeft. Wel valt achteraf te beredeneren dat die dekschildjes ertoe leidden dat deze soort minder werd opgegeten dan andere en daardoor tot op heden bestaat.

Het maakt niet uit, en ook niet dat Aglaia op p. 134 een bepaalde soort 'schattig' vindt. De aandacht en liefde spat van de bladzijden en daardoor bleef ik geboeid en geamuseerd lezen. Er zit gelukkig een opbouw in: de hoofdstukken heten 'Kennismaken', 'Flirt', 'Liefde', 'Bevrucht', 'Groei', 'Metamorfose' en 'Ontpopping'.

Een werkelijk unieke plek om eieren op te leggen, is de rug van je partner. De meeste reuzenwaterwantsen doen dit. Deze doorgaans flinke, afgeplat eivorminge zoetwaterroofdieren hebben stevige grijpvoorpoten om prooien als andere insecten, slakken, en zelfs vissen en kikkers mee te vangen. Hun achterpoten zien eruit als peddels met lange haren, waarmee ze zich vlug door het water kunnen bewegen. Of iets minder vlug, in het geval van mannen die een plakkaat eieren meedragen. Doordat ze met hun bagage duidelijk minder gestroomlijnd zijn, zullen ze snellere prooien niet zo gemakkelijk weten te vangen en zich moeten behelpen met af en toe een trage slak. Toch wil zo'n man kennelijk graag dat zijn toekomstige nageslacht op zijn lijf wordt afgezet.

Enzovoort. Dit komt natuurlijk uit het hoofdstuk 'Bevrucht' (p. 107).

Misschien moet je een beetje gek zijn om zulke boeken te lezen. Dat ben ik dan, kennelijk.




Bouma, Aglaia. Insectenrijk. Atlas Contact, 2020.264 p., ISBN 978 90 450 3801 8.


Een reuzenwaterwants - zonder eieren.

donderdag 7 mei 2020

Marit Törnqvist wint IBBY-prijs

Toch even vermelden, want dit is een bekroning die de Nederlandstalige pers zelden of nooit haalt en toch van enig belang is. Marit Törnqvist is een van de winnaars van de IBBY-iRead Outstanding Reading Promoter Award. Dat werd op 4 mei bekendgemaakt tijdens een online persconferentie van de International Bord on Books for Young people, zoals IBBY voluit heet.
En wel hierom:

She has developed reading programmes for children that focus not only the story, but also on the experience of reading itself. Her readingaloud activities strive to create a warm and joyful atmosphere that make children want to come back for more and inspire them to pick up a book and read. She encourages children to identify with the stories that they read, leading them to narrate their own stories and holds reading and illustrating activities with groups of children from different countries, resulting in a closer understanding of each other’s life and culture. She also conducts bibliotherapy programmes for children living in difficult circumstances, often helping them to face the grim realities of life by encouraging them to express their own stories.
She started a programme that provides books for refugee children in their own language so that they can read their own stories as a first step towards accepting the culture of their new home. In Iran, she has contributed, both professionally and personally, to giving support to street children, children from disadvantaged neighbourhoods, refugees and victims of natural disasters. Törnqvist’s work reaches children as well as families, caregivers and people working with children at home and around the world. She is a towering personality in reading promotion for children of the world.


Waarvan akte.
Hier een opname van de betreffende persconferentie. Hier meer over deze prijs.
Marit Törnqvist deelde de prijs met de Chinese docent en onderzoeker Zhu Yongxin.

De jury bestond uit Anastasia Arkhipova (Rusland), Carole Bloch (Zuid-Afrika), Sophie Hallam (Groot-Brittannië), Basarat Kazim (Pakistan), Ahmad Redza Khairuddin (Maleisië, voorzitter) en Nora Lía Sormani (Argentinië).
IBBY hoopte de winnaars bijeen te brengen op de aanstaande conferentie in Moskou, in september dit jaar, maar helaas:

It is with great sadness that we must announce that the 37th IBBY World Congress due to be held in Moscow, 5-7 September 2020 has been postponed. Unfortunately, the coronavirus pandemic has made it impossible to continue with the current dates. Therefore, the Congress has been postponed until September 2021. 


 
Marit Törnqvist.

.

dinsdag 28 april 2020

Dyslexie bestaat niet

'Is dyslexie een stoornis?'luidt de kop boven een artikel van Anna Bosman en Kees Torenaar in De Psycholoog april 2020, en het korte antwoord is: nee.
Dat is natuurlijk veel te kort voor een academisch artikel van 10 pagina's en er valt dus wel iets meer over te melden.
Heel origineel vergeleken de twee onderzoekers de definities van dyslexie met longontsteking - ook een aandoening.
Met die definities is iets mis, vonden ze. Ze zijn tautologieën. Zo is er een gangbare manier om alle leerlingen die tot de 10% slechtst op leestoetsen presterende leerlingen van het etiket dyslexie te voorzien. Zo houd je dus altijd kinderen die aan dyslexie lijden, want er is altijd en overal een 10 % die het slechtst presteert.
Ook ontdekten ze dat het etiket geplakt wordt op een vergaarbakje van verschijnselen, dat vooral gevormd wordt door uitsluiting van ándere zaken, zoals blind- en doofheid. Wat tot de conclusie zou leiden dat er geen blinden en doven met dyslexie bestaan. En, stellen de auteurs,

Vaststellen of iemand een stoornis heeft, zou niet afhankelijk moeten zjn van de prestaties van anderen. Als iemand onderzocht wordt op longontsteking, dan is de diagnose niet afhankelijk van de toestand van de longen van haar of zijn medemens. Bij dyslexie is dat wel het geval.

Waarvan akte.

zaterdag 25 april 2020

Loon naar geld

Nergens werd het misverstand tussen bedrijfs- en maatschappelijk denken dezer dagen mooier verwoord dan in dat ene berichtje waarvan ik nu de bron al kwijt ben, NRC of de Volkskrant 25-4-2020.
Het ging over het opperhoofd van KLM en zijn bonus gecombineerd met het verzoek om financiële ondersteuning dat KLM aan de Nederlandse regering had gedaan.
Die bonus zou Elbers krijgen omdat-ie geld had binnengehaald, zo suggereerde dat berichtje. Althans, denk ik, onder normale omstandigheden want het bedrijf keert nu even geen bonussen of dividend uit en in praktijk zou hij waarschijnlijk niets krijgen boven zijn schamele jaarsalaris van bijna een half miljoen. Maar het gaat om het principe.

Het is een herkenbare beweegreden.
Opperhoofden van grote bedrijven worden beloond als ze de bedrijfswinst weten te vergroten. KLM maakt nu even geen winst, maar dat ligt niet aan het opperhoofd en dat weet de schade toch maar mooi te beperken als hij regeringssteun weet binnen te hengelen, en dat zelfs nog tegelijk met het ontslaan van enkele duizenden personeelsleden. Chapeau, champagne, symbolisch borstgeroffel. Tenminste, zo'n soort idee moet er hebben geschuild achter het voorstel van de commissarissen om het opperhoofd in principe extra te belonen. Dat doe je toch niet voor niets?

Dat zulks veel weerstand oproept bij mensen die iets minder verdienen dan Elbers en onder loon naar werk iets anders verstaan, drong wat langzaam door tot het denkraam van leiders van bedrijven als KLM en is ook lastig uit te leggen als je uitsluitend in markttermen denkt. Eigenlijk dringt het ook niet door, want men betreurt vooral de ophef. Dat er iets raars is met zo'n ontiegelijk hoog loon voor een opperhoofd, dat wil er bij hen hoogstwaarschijnlijk niet in.

Ja, lees je krant, je blijft je verbazen. En dan op tijd een goed verhaal of gedicht.

vrijdag 24 april 2020

Miep Diekmann Thesisprijs 2020

Persbericht van IBBY Nederland:

'Winnaar Miep Diekmann Thesisprijs 2020 bekend
De Miep Diekmann Thesisprijs 2020 gaat naar Loes Reichenfeld voor haar thesis Kijk Wijzer naar prentenboeken. Naar een instrument voor een interpretatie van prentenboeken op basis van de interactie tussen tekst en beeld (Master Jeugdliteratuur, Tilburg University, 2018).

De Miep Diekmann Thesisprijs voor jeugdliterair onderzoek wordt tweejaarlijks uitgereikt aan de auteur(s) van de beste Nederlands- of Engelstalige masterthesis op het gebied van de studie van de kinder- en jeugdliteratuur. De prijs bedraagt 750 euro. De jury roemde de professionele academische schrijfstijl van de auteurs van de thesissen. Hoewel het aantal inzendingen klein was, liet de variatie aan onderwerpen en benaderingen zien hoe interdisciplinair het jeugdliteraire onderzoek kan zijn.

De prijs is een van de activiteiten van IBBY-Nederland om meer aandacht te schenken aan de wetenschappelijke studie van de jeugdliteratuur. Zij is vernoemd naar Miep Diekmann, die al vroeg het belang van wetenschappelijk onderzoek over jeugdliteratuur aan de orde stelde en daarvoor een warm pleidooi in de media hield.

De jury van de thesisprijs 2020 bestond uit:

Marloes Schrijvers – Lerarenopleider Nederlands aan de Hogeschool Rotterdam en de Hogeschool Amsterdam en winnaar van de eerste Miep Diekmann Thesisprijs in 2014.
Suzanne van der Beek – Universitair docent bij het departement Culture Studies van Tilburg University.
Jacques Dane – Historicus en hoofd Collectie en Onderzoek bij het Nationaal Onderwijsmuseum.
De feestelijke prijsuitreiking zal plaatsvinden tijdens de IBBY Vriendenmiddag op 6 november 2020.'

Waarvan akte. Aangezien de kans gering is dat dit persbericht de reguliere media haalt, plaats ik het. Wel heb ik de tautologie kinder- en jeugdliteratuur twee keer vervangen door jeugdliteratuur.

woensdag 22 april 2020

Zwerveling

Een mooi, weinig gebruikt woord  siert de voorkant van een prentenboek zonder woorden, gemaakt door Peter Van den Ende. De voorkant toont een episode uit het verhaal en loopt door over rug en achterkant. De tekst op de achterkant luidt:

Aan boord van een schip wordt een bootje gevouwen en te water gelaten. Dan vaart het schip weg en staat het bootje er alleen voor. Een lange reis over de zeeën begint.

De schutbladen tonen tweemaal een kaart. Die lijkt veel op die van onze wereld, maar Midden-Amerika vertoont gaten. Dat komt goed uit, want de tweede kaart (achterschutbladen) toont ook de reis en die voert o.a. juist door die 'Midden-Amerikaanse' gaten.
De reis begint ergens onder 'Alaska', dan door die gaten, dan ten westen van 'Zuid-Amerika' naar 'Antarctica', vandaar naar 'Kaap de Goede Hoop' en dan ten westen van 'Afrika' naar het noorden, tussen 'Ierland' en 'Engeland' door. Hij eindigt bij de kust van 'Europa'. Ik zet die namen tussen aanhalingstekens, want de kaart mag dan we bekend voorkomen, de namen worden niet vermeld en de getoonde is wereld is een droomwereld, vol vreemde wezens. Wat wel congrueert is dat het bootje bij 'Antarctica' langs ijs vaart en dat daar op enig moment ook iets van noorderlicht (nou ja, zuiderlicht dus?) te zien is.

Het bootje: maar de eerste pagina's tonen dat het aan boord van dat grote zeilschip (de Exploratio)  in elkaar wordt gevouwen door twee figuren, de een ziet eruit als een jonge man, de ander draagt een mantel en lijkt wel een soort helm in plaats van een hoofd te hebben, waaruit twee hoorns uitsteken. Ik dacht eerst: man gaat in bootje, ook al omdat er verderop ineens een hengel uit het bootje hangt (met vis aan de haak!, wat daarmee gebeurt vermeldt het verhaal niet), ...




... maar die man is verder niet te zien - behalve bij aankomst, als er een soort schim uit het bootje lijkt te komen, en de allerlaatste twee prentjes (van de enige pagina met zes prentjes, voor het overige is alles pagina- of dubbelpaginagroot) suggereren dat hij wordt opgewacht:

 

In dromen kan alles... Het bootje vergaat zelfs halverwege, maar wordt dan door een soort duikboot weer omhoog gebracht. Een andere keer loopt het vol water dat van een enorm zeebeest afstort, maar ook dat deert niet, het water stroomt er gewoon weer uit. Het wordt opgetild door een vin van een gigantische walvis (o.i.d.), en elders door een school vissen, weer elders balanceert het op de neus van een zeehond, maar geen probleem, het vaart verder.
Op allerlei momenten tonen zeebewoners zich nieuwsgierig, even neemt er een soort zeepaardje plaats in (met een hoedje als een gevouwen bootje!). Het wordt ergens bij 'Kaap de Goede Hoop' zelfs beschoten vanuit een enorm soort booreiland, er komt een gat in het zeil, maar het bootje vaart verder, met gat en al, en zelfs een enorme golf, begeleid door apocalyps-achtige ruiters, vermag het niet te verpletteren. (Hier enige congruentie met legenden, het zou immers altijd stormen in die contreien...)
Hoe lang duurt deze droom? Het bootje start bij daglicht en daarna tel ik één echte nacht, en het arriveert ook 's avonds... Voorwaar een echte droomtijd. In dromen kan alles.

Het bijzondere van dit verhaal is dat het verhaal eigenlijk niet zo belangrijk is. Wat ertoe doet is wat er onderweg te zien valt. De verteller-prentenboekenmaker heeft zich uitgeleefd in de meest fantastische wezens (inclusief mensachtigen en andere schepen) en landschappen en zeetaferelen. Waarbij, zoals dat in de meeste dromen gaat, dezelfde motieven en figuren vaak terugkeren. Zelfs de Exploratio blijkt bij aankomst in de haven te liggen en dezelfde figuur die de jonge man meehielp met vouwen, is op een van de laatste prenten ook weer te zien, in de haven van aankomst, waarin het scheepje overigens nog een lange weg moet afleggen om ...



... thuis (?) te komen.

Ik heb hopelijk genoeg beelden getoond om een indruk te geven van de stijl: minutieus, veel details, veel lichteffecten, het lijken etsen. Ze deden me denken aan die van Léon Benett in Le Tour du monde en quatre-vingts jours van Jules Verne, en aan Gustave Doré.
Een debuut, dit boek! En wat voor een...



Van den Ende, Peter. Zwerveling. Querido, 2019, ISBN 978 90 451 2006 5, 96 p.

donderdag 16 april 2020

Op safari

Wat niet in de safarigids van je ouders staat is de uitdagende titel van een recent verschenen boek van Joukje Akveld. Wordt die titel waargemaakt?

Als ik streng ben: nee. Het boek biedt een grabbelton aan informatie over Afrikaanse beesten, en ik vermoed dat die info ook is terug te vinden in de gidsen die er zijn verschenen voor mensen die zo nodig op safari willen gaan. Neem alleen al die dikke gids van Ruud Troost. Ook op internet is van alles te vinden over Afrikaanse dieren en planten. Een groot deel van wat er in Wat niet in de safarigids van je ouders staat aan informatie, staat daar dus wel in.

Voor kinderen is er aanzienlijk minder, maar dierentuinen als Artis en Blijdorp zijn ook een goede bron, en kinderen van 10 en ouder kunnen al aardig hun weg vinden op internet.
Verkrijgbare kinderboeken zijn het Safari-boek dat klanten van Matoke Tours 'cadeau' krijgen als ze een reis boeken (zie preview), het vertaalde Op safari van Barbara Taylor en Ontdek de dieren in Afrika (Ravensburger, geen auteur) - en niet in de laatste plaats het mooie fotoboekje Mijn kleine safari van Joukje Akveld zelf!
Deze titels zijn echter voor (veel) jongere kinderen dan waarop Wat niet in de safarigids van je ouders staat mikt.

Want dit boek mag dan onmiskenbaar een zeer vlotte stijl hebben, er staan wel woorden in als fake, fenomeen, live changing experience, sneaky, claim to fame, documentaire, als de situatie zich voordoet en airconditioningsysteem, kortom, je moet echt al wat jaartjes leesonderwijs en leeservaring achter de rug hebben om het te kunnen lezen.
Met 10 jaar en ouder ben ik nog vriendelijk, eerder denk ik aan 11 of 12 en ouder. Van die bijdehandse, goedgebekte kids van hoogopgeleide ouders die genoeg inkomen hebben om eens op safari te gaan in landen op de andere helft van de aardbol.

Het boek heeft ook een wat wonderlijke indeling. Een inhoudsopgave ontbreekt, je moet gewoon dóórbladeren ('op safari gaan', p. 17) langs de 'big five', de 'little five', 'roofdieren', 'bomen en planten', 'antilopen' ('er is niks anti's aan, als er iets is wat antilopen kunnen is het lopen'), enz., om dan zelfs al lezend te ontdekken dat sommige dieren wél zijdelings worden genoemd (p. 66 bv. oryx en sabelantilope) maar niet worden getoond en besproken, wat op p. 218 verontschuldigend wordt toegelicht. Een register ontbreekt eveneens.
Wat achteloos wordt bovendien duidelijk gemaakt dat het om een klein deel van Afrika gaat: precies dat deel waar vrijwel alle safaritochten worden georganiseerd. (Zuid-Afrika, Namibië, Botswana, Malawi, Zambia, Tanzania, Kenya...) Inhoudsopgave en register mogen ontbreken maar er is wel een Nederlands-Engelse lijst van dierennamen, en 'voor je ouders' zeventien uitsluitend Engelstalige boeken. Dat er in de rest van Afrika ook opmerkelijke beesten bestaan en dat Engels niet overal lingua franca is, blijft onvermeld.

Is er dan niets positief op te merken over Wat niet in de safarigids van je ouders staat?
Jazeker wel.




Het is zeer onderhoudend geschreven en bevat veel praktische tips. Achterin bevindt zich een keurige verantwoording, opdat we niet denken dat Joukje Akveld alles bij elkaar heeft verzonnen.
58 dieren, van olifant tot termiet, van leeuw tot wevervogel, van krokodil tot mestkever, kregen een mooie foto en een leuk stukje info erbij (zoals hierboven de hyena) en nog eens enkele tientallen worden kort besproken en met de tips is niks mis.
In die zin is het voor vaardige jonge lezers die door hun ouders worden meegetroond op safari inderdaad een prettige aanvulling.



Akveld, JoukjeWat niet in de safarigids van je ouders staat. Met foto's van Ariadne Van Zandbergen. Gottmer, 2020. 224 p., ISBN 978 90 257 7241 3. 


zaterdag 11 april 2020

Woutertje Pieterse

zou vast moeite hebben gehad met die anderhalve meter afstand van medemensen die wij heden ten dage vrijwillig innemen teneinde besmetting door het Covid-19-virus. Nou ja, vrijwillig, een en ander onder zachte dwang van diverse overheden en ook sociale controle speelt een rol. Mensen slalommen om elkaar heen, op stelletjes, kinderen en sommige domme sporters na.

Zodoende ging ook de uitreiking van de Woutertje Pieterse Prijs niet door. In plaats daarvan werd de winnende titel bekendgemaakt in het radioprogramma Taalstaat op radio NPO 1: Uit elkaar, van Bette Westera en Sylvia Weve, zie recensie in dit blog. Zie ook juryrapport, videogesprek van auteur en illustratrice, lessuggesties en Roverslied door De Kift (mét geluid!). En uiteraard de nominaties.

Raar hoor, zo'n prijstoekenning zonder feestelijke uitreiking, iets waarvan juist dit prijscomité altijd veel werk maakt. Het valt te prijzen dat Taalstaat er ruimte voor gaf en de uitzending is terug te luisteren, inclusief de mooie opmerking van juryvoorzitter Arjan Peters dat in zekere zin de jeugdliteratuur volwassener is geworden dan de literatuur voor volwassenen, want er wordt vaak verwezen naar andere literatuur. Waarvan akte.

De jury bestond verder uit Karin Amatmoekrim, Marga Scholma, Juan Khalaf en Veerle Vanden Bosch. De jury beoordeelde alle in aanmerking komende jeugdliteratuur verschenen tussen 1 janua­ri en 31 december 2019.

woensdag 8 april 2020

Speelgeld


Hoog, spiegelend en flonkerend torent het gebouw van de Europese Bank uit boven de stad Frankfurt am Main. Het lijkt bijna een door buitenaardse krachten neergepoot juweel, een vreemd voorwerp uit een ruimte-odyssee. Zit er leven in? Wat gebeurt daar?
Er zit leven in, er wonen echte mensen, onder wie sprookjesvertellers. Die hebben het dezer dagen over pandemie-opkopen en helikoptergeld. Help, roepen de mensen. Mijn werk verdwijnt! De keizer kucht (euh, euche, euhro), verschijnt op zijn balkon en strooit gul met geld.

Wat voor sprookje is dit? De keizer zonder kleren, ja, die ken ik, maar de keizer die geld strooit nog niet, wel Ezeltje-strek-je. Waar haalt hij dat geld vandaan?

Er lag achterop mijn bureau nog steeds een boekje dat over geld gaat, Wat kost dat? Wat je wilt weten over geld & economie. (Immerc,  2008, i.s.m. Universiteit van Tilburg, dekinderuniversiteit, leuk trouwens dat die nog bestaat.)
Daarin staat niets over helikoptergeld. Laat staan over pandemie-opkopen of pandemienoodopkoopprogramma (NRC 28-3-2020, Klaas Knot). (27 letters, waaronder 6 o's.)
Niet dat er een register achterin zit, dat is helaas vergeten, maar helikoptergeld staat er niet in, dat weet ik zeker. Wel luidt de titel van het eerste hoofdstuk 'Waarom bestaat er geld?' en dat lijkt me een goede vraag. Wordt beantwoord met het bekende verhaal over de noodzaak van een handig ruilmiddel. Een soort mythe, zoals veel verhalen over heel vroeger, maar heel aannemelijk en voorstelbaar.

Ook staat er niets in over de gouden standaard, Bretton Woods, en wie het geld in de wereld brengt. Een plaatje als dit (ontleend aan een artikel in de Volkskrant d.d. 8-6-2018): ...




















... ontbreekt, en ik vind er ook geen antwoord in op de vraag hoe het komt dat de hoeveelheid geld de afgelopen decennia veel sneller groeide dan de productie van goederen, en evenmin waarom banken geld mogen maken.
En 'Eerlijk geld verdienen' (laatste hoofdstuk), hoe doe je dat? Het wordt in dat laatste hoofdstukje wel erg heilig voorgesteld, alsof kapitaalverstrekkers, werknemers en kopers in harmonieus verband de bedrijvigheid in stand houden. Deze mythe heeft ernstig ingeboet aan geloofwaardigheid. Er was al twijfel, zelfs al in de 19e eeuw (o.a. ene Karl Marx heeft er zich mee bezig gehouden), maar na 2008, het jaar waarin het financiële systeem in een heftige crisis terechtkwam, werd er opnieuw getwijfeld. (De tekst is vermoedelijk al in 2007 en daarvóór geschreven...) En nu er een pandemie is uitgebroken en de staat ineens gul met geld is, is er nog meer reden voor twijfel.
Er staat ook niets in over dat rijken (vaak aandeelhouders, vaak kapitaalverstrekkers) steeds rijker worden en armen steeds armer of in ieder geval niet zoveel rijker als de rijken. Er staat evenmin iets in over de heilige graal van de groei, het idee dat er steeds meer gemaakt en verbruikt zou moeten worden.
Dit boekje is, kortom, achterhaald. Zo snel kan het gaan.

Als ik zoek ga naar recenter materiaal voor kinderen (en andere mensen die zichzelf geen econoom noemen) kom ik bijvoorbeeld terecht bij de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Daar krijgen kinderen college in economie. Ik vind een tamelijk nietzeggend filmpje, dat vooral gaat over het opzetten van een onderzoek. Ik vind een erg ouderwets filmpje voor '2de graad Vlaams onderwijs richting economie' (zo staat het er), met een plaatje van de 'economische kringloop', waarop echt alleen maar een primitief tekeningetje te zien is met 'gezinnen', 'bedrijven', 'import e.d. Een soort consumptie-kringloop. Ik vind een website van ouders die zelf hun kinderen onderwijzen waarop vaderlief enthousiast een boek aanbeveelt van Nikolaus Piper, Felix en het grote geld (oorspr. Felix und das liebe Geld).
Die vader heeft niet gek geschoten. Nikolaus Piper is een goede. Als uitgever overwoog ik ooit om Geschichte der Wirtschaft te laten vertalen, maar de verkoopprijs zou te hoog uitvallen (vertaling te duur, veel tekst), dus het bleef bij de overweging. De Duitse uitgave is aan de 6e herdruk toe, Felix und das liebe Geld aan de 5e. Ik mag spijt hebben van mijn voorzichtigheid...

De auteurs van al deze zaken, zelfs Nikolaus Piper, hadden vast niet bedacht dat er in 2020 een nieuwe griep met de naam van een biermerk zou komen waartegen mensen voorlopig geen afweer zouden hebben. Nou ja, de meeste mensen wél, maar niettemin raakten de intensive-care-afdelingen van ziekenhuizen in veel landen overvol met letterlijk benauwde mensen, van wie velen de geest gaven.

Eerder al was er iets merkwaardigs aan de hand. Het was nog nooit zo goedkoop om geld te lenen, maar toch haperde er iets in de bedrijvigheid. Het leek verdorie wel of mensen van alles genoeg hadden...
Zou het?
Nou ja, gemiddeld dan, misschien. Of misschien zat er teveel windhandel in die bedrijvigheid. Of allebei.
Wie weet. In ieder geval kwam daar dat virus met de naam van een biermerk nog overheen. Mensen mochten niet meer samenklonteren (iets wat de meesten graag doen) en moesten onderling afstand houden, daardoor sloten er winkels, zakte de bedrijvigheid in, malaise alom.
Regeringen beloofden geld aan bedrijven om faillissementen te voorkomen en loon te kunnen blijven betalen. En die bedrijven moeten dan wel iets kunnen verkopen, dus mensen moeten zin hebben om iets te kopen. Dat wil nog steeds niet zo vlotten: mensen zien er vaak geen zin in, vinden het zinloos om iets te kopen dat ze al hebben, of geld uit te geven terwijl ze niet weten of ze over een tijdje nog een inkomen hebben, terwijl ze soms willen sparen om absurd veel geld te moeten uitgeven voor woonruimte. Help! Tom Poes, doe iets.

Nou, er valt van alles te verzinnen, maar Tom Poes zweeg wijselijk en de enige keizer die nog wat voorstelt omdat-ie zijn eigen kleren pardon geld maakt, dacht vooral aan al die bedrijven en aan die regeringen en verzon op een achternamiddag ineens: als we nu eens geld gaan geven aan iedereen,  zomaar, zou de handel dan vlot getrokken worden? Geld moet rollen, dat idee. Aan het rare beleid van rare regeringen dat voor de onzekerheid zorgt die mensen weerhoudt van geld uitgeven kunnen we niets doen, maar wie weet, als we ze nu een cadeautje geven...

En zo klom de keizer op zijn balkon en begon (in zijn dromen) met geld te strooien.




donderdag 2 april 2020

Wereldkinderboekendag

In Nederland wordt er amper aandacht aan besteed, in Vlaanderen ook niet zo, maar het is vandaag, op de 115e verjaardag van Hans Christian Andersen, Wereldkinderboekendag.
Deze dag is ingesteld op instigatie van de International Board on Books for Young people (IBBY), voor het eerst in 1966. IBBY wijst voor ieder jaar een landensectie aan om er iets mee te doen, waaronder een poster gemaakt door een illustrator uit dat land. Voor 2020 is dat Slovenië.
De IBBY-website was vandaag tijdelijk onbereikbaar, maar 's middags wel, met een fiere pagina over deze dag.

donderdag 26 maart 2020

Jongens en meisjes

Bij alle vertogen over leesbevordering, zie ook hier, wordt wel eens vergeten dat er naast boeken ook tijdschriften bestaan. Ja, natuurlijk, de Donald Duck, maar ook Okki, Quest JuniorKidsweek en andere periodiek verschijnende tijdschriften.
Zoals bijvoorbeeld Samsam, dat, meen ik, al vanaf 1975 bestaat en tegenwoordig wordt uitgegeven door Sijthof Media, begeleid door lesmateriaal e.d., want wel duidelijk educatief bedoeld, in het kader van burgerschapsonderwijs. Redactie: Henrieke van Gelder (ook lid redacties Kidsweek en 7Days) en Karin Wesseling.

Vroeger speelde het periodiek Samsam een rol in 'ontwikkelingssamenwerking', nu is het een uitgave voor 'wereldwijze kinderen'. Tja...

Onlangs verscheen een nummer over een lekker actueel onderwerp: gender. Niet zo actueel als Covid-19, maar het komt in de buurt.

Wat maakt een jongen een jongen en een meisje een meisje? Voor miljoenen mensen is het antwoord op die vraag nog simpelweg te zien bij de geboorte: piemeltje of kutje. Maar zo eenvoudig als dat lijkt is het niet, want heel soms speelt de natuur ons parten en is het geslacht niet zo duidelijk, en ook kunnen er nog wat ideeën bijkomen en denkt een persoon die voor jongen wordt uitgemaakt dat-ie een meisje is of vice versa en dan is je geslacht je geslacht niet meer maar je gender, wat Engels was voor geslacht, maar dat hindert niet want ook in het Engels is gender inmiddels losgezongen van sex, en dan gaan lichaamssappen en ideeën een tango dansen en kunnen er wilde dingen gebeuren.

In dat nummer van Samsam wordt een en ander getoond in diverse artikeltjes, geschreven door Karin Wesseling en dat nummer is ook online in te zien, en bevat daar ook filmpjes, zoals bijvoorbeeld een interview met de jonge Argentijnse balletdanser Gerónimo, en een interactieve quiz, waarvoor je overigens wel beter eerst het hele nummer doorneemt.
Zo is er meer en bij elkaar lijkt het me best een bruikbaar en onderhoudend, juist ook voor kinderen die (zonder die term te kennen) graag non-fictie lezen. Waarmee ik terugkeer naar mijn eerste zin, want die kinderen zijn er en juist hen kan dit soort leesgoed aan het lezen krijgen.


Cover Gender

Samsam verschijnt 5 keer per jaar, zie hier over abonnementen.


woensdag 25 maart 2020

Nog meer te zien in Delpher

Voor wie eens oude tijden wil ervaren is Delpher een fijne website. Je kunt er grasduinen in oude kranten en tijdschriften en titels van boeken vinden. Nogal eens word je getrakteerd op de mededeling ' Dit materiaal kunt u alleen bekijken in de leeszaal van de Koninklijke Bibliotheek. ' Dat is dan jammer, maar begrijpelijk, want de website werd door de Koninklijke Bibliotheek ontwikkeld. (Die van Nederland, wel te verstaan. De Koninklijke Bibliotheek van België heet trouwens tegenwoordig KBR, geen pannenmerk maar een samentrekking van Koninklijke, Bibliotheek en Royale.)

Tot nu toe kon in Delpher worden gezocht in tijdschriften tot 1940. Recenter uitgaven waren alleen in te zien in de Koninklijke Bibliotheek. Er zijn nu extra tijdschriften uit de periode 1940-1949 op afstand in te zien.
Ook zijn er weer een paar duizend extra boeken voor iedereen beschikbaar, zoals (ik raap wat uit de voorbeelden) De boer en de vos, vrij naar een Perzische vertelling van ene Tinus van Doorn. Die boeken en tijdschriften stonden al langer op Delpher, maar waren net als de tijdschriften alleen toegankelijk vanuit de leeszaal van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Dat de tijdschriften en boeken nu tot 1960 wereldwijd te zien zijn, is mogelijk dankzij verruimde afspraken met auteursrechtenorganisaties als Stichting Lira (schrijvers en vertalers) en Pictoright (visuele makers). Zie voor meer info hier.

woensdag 11 maart 2020

Alle hens aan dek: bevorder de leesbevordering

Als ik een aflevering ontvang van Lezen, het tijdschrift van Stichting Lezen, weet ik wat ik ongeveer kan verwachten: een redactioneel waarin het belang en/of de aantrekkelijkheid van lezen wordt benadrukt, gevolgd door artikelen of interviews die dat min of meer onderstrepen, met relatief veel portretten van auteurs en illustratoren.
Maar met Lezen 2020-1 (maart) is iets bijzonders. Gerlien van Dalen luidt de noodklok. Dat deed ze, althans Stichting Lezen (waarvan ze directeur is) eigenlijk al eerder, 3 december vorig jaar, zie hier. Aanleiding is het PISA-rapport met zorgwekkende cijfers over de leesvaardigheid en leesbereidheid van Nederlandse jongeren.
In een interview met Mirjam Noorduijn in Lezen 2020-1 blijkt ze 'geschrokken' en 'licht gefrustreerd', maar springt ze meteen in de bres voor Stichting Lezen:

Als het gaat om leesbevordering en literatuureducatie en het verspreiden van kennis hebben we een centrale rol, maar wij zijn niet zelf de leesbevorderaars. Dat zijn de leraren, de medewerkers op school en in de kinderdagverblijven, en natuurlijk de ouders. De PISA-resultaten onderstrepen voor mij dat we onze aanpak met campagnes, en vooral het actieprogramma Kunst van Lezen dat we met bibliotheken uitvoeren om laaggeletterdheid te bestrijden, de komende jaren onverminderd moeten voortzetten.

Aan de bezigheden van Stichting Lezen hoeft volgens haar dus niets te veranderen. Wel anders moet het 'begrijpend leesonderwijs':

Er moeten rijkere teksten worden gelezen - meer kinder- en jeugdliteratuur - en er is meer leestijd nodig.

En

Het aantal pabostudenten dat zelf niet graag leest is te groot.

Dat laatste ben ik geheel met haar eens, jammer echter dat de interviewer haar geen gelegenheid geeft om daarop dieper in te gaan, want hoe komt dat?
Ja, ik weet het antwoord ook niet, al vermoed ik dat het o.a. iets te maken heeft met het toelatingsniveau. Ze wil 'optimistisch blijven' en benadrukt dat 'op een aantal pabo's lezen inmiddels heel expliciet het uitgangspunt van beleid is' (wat dat ook moge betekenen, denk ik dan) en dat een kwart van de pabo's meedoet 'met pilots van de Bibliotheek op School'.
Op de vraag 'waar de oplossing ligt' heeft ze wel een antwoord en daarin legt ze alles bij het onderwijs.

Ik pleit voor minder vrijblijvendheid in de invulling van het vak Nederlands en het leesonderwijs. Dat de overheid een sterk signaal moet afgeven dat het onderwijs onmisbaar is in het faciliteren van goed leesonderwijs, is voor mij evident.
Nu is het zo dat we de politiek en het onderwijs steeds maar weer moeten overtuigen van het belang van leesbevordering, voordat ze bereid zijn daar middelen voor vrij te maken.
Maar als de rijksoverheid zou eisen dat elke school een volwaardige schoolbibliotheek met deskundige leesspecialisten moet hebben, en een deel van de onderwijsfinanciering voor dit doel zou bestempelen, dan voer je direct een heel ander gesprek.

Waarna ze de prestaties van Stichting Lezen als 'kenniscentrum' maar weer eens benadrukt. Hoewel:

We richten ons nu vooral op het vertalen van onze kennis naar praktische handvatten voor leesprofessionals. Maar we zullen ervoor moeten zorgen dat het belang van lezen door meer mensen op meer niveaus gedragen wordt.

Dat klinkt ambitieus. Gevraagd naar 'waar lezend Nederland over vier jaar staat' wordt ze dan ook voorzichtig en wijst ze op de bezuinigingen in het openbaar bibliotheekwerk en de 'fragiliteit' van de 'infrastructuur voor leesbevordering'.
Wat heet. Verderop in het tijdschrift portretteert Annemarie Terhell (die heel veel artikelen in dit nummer voor haar rekening nam) twee voorbeeldige basisscholen onder de kop 'Je leert lezen door véél te lezen', maar ze noteert tussen neus en lippen wel dat er in 2014 op driekwart van de basisscholen een leesplan was en nu nog op de helft, en dat in 2014 op tweederde van de basisscholen een 'leescoördinator' was en nu nog maar op de helft.

Dat is zonde, want met een boekenkast alleen ben je er nog niet.

De gegevens stammen uit het rapport Stand van zaken, leesbevordering basisonderwijs 2019, dat in opdracht van Stichting Lezen werd gemaakt door DUO Onderwijsonderzoek & Advies en het artikel is te downloaden.


Lezen 2020-01 (maart 2020). ISSN 1570-9698, 36 p. Hier online.


dinsdag 10 maart 2020

Boekenzoeker vernieuwd

Boekenzoeker was altijd al een redelijk goede bron om titels van kinderboeken te zoeken. Volgens de redactie ' was onze oude Boekenzoeker na 15 jaar aan een stevige update toe'. Die is nu verricht. Kennelijk net te laat om te presenteren tijdens de conferentie 'Waarom leesbevordering ertoe doet', die op 14 februari plaatsvond in Gent en waarvan Iedereen leest een verslag heeft gepubliceerd.

Dat Boekenzoeker van Vlaamse makelij is, merk je aan de openingspagina, met dezer dagen bijvoorbeeld berichten over de Jeugdboekenmaand, die nu in volle gang is, en over de Kinder- en jeugdjury Vlaanderen, maar voor het zoeken van relevante titels Nederlandstalige jeugdliteratuur is dat voor Nederlandse raadplegers geen belemmering.

dinsdag 3 maart 2020

Anansi

'Cultureel erfgoed in een modern jasje: het allereerste prentenboek over Anansi!', staat er in het persbericht van uitgeverij Gottmer dat op 24 februari het verschijnen van Anansi de spin en de gulzige tijger aankondigde.
Dat is niet waar. Er verschenen eerder prentenboeken over Anansi. Neem alleen al het mooie Anansi: de spin weeft zich een web om de wereld van Noni Lichtveld uit 1984 (Aldus-NBLC-Novib). Of Het grote Anansi boek van Johan Ferrier uit 1986 (Aldus-NBLC-Novib). Of Anansi en Broer Tijger van Harriet Rohmer uit 1991 (Gottmer). Of Anansi tussen god en duivel van (opnieuw) Noni Lichtveld uit 1997 (Lemniscaat-Novib). Ik noem er maar enkele; grasduinen in de catalogus van de (Nederlandse) Koninklijke Bibliotheek had de persmensen van Gottmer op veel meer titels kunnen brengen. En dan hebben we het alleen nog over Nederlandstalige uitgaven.

Begrijpelijk allemaal, want Anansi is een beroemdheid. Tik de naam in een zoekmachine en de bronnen zijn voor het oprapen. En terecht vermeldt Isgeschiedenis (de site bij Geschiedenis Magazine):
'Het is mogelijk om de oude legenden te lezen, maar officieel dient een Anansi Tori verteld te worden. Anansi staat symbool voor de kunst een goed verhaal te vertellen. 
Een spreker vertelt zijn versie van de gebeurtenissen, terwijl anderen hierop mogen inhaken of vragen kunnen stellen. De spreker moet hier zo goed mogelijk antwoord op geven, of mag het verhaal een andere wending laten nemen. 
Ook mogen de aanwezigen zelf situaties aan het verhaal toevoegen, om dit levendiger te maken. Iedere spreker vertelt een Anansi Tori op een eigen manier. Elke vertelling is uniek. De spreker hoort de spin tijdens het verhaal zo goed mogelijk uit te beelden. De gedachtes en emoties van Anansi dienen zo duidelijk mogelijk naar voren te komen.'

Te veel eer dus, dat 'allereerste prentenboek'.



Intussen zijn Iven Cudogham en Moldybyrd Studio er wel in geslaagd een leuk prentenboek aan de stapel toe te voegen.
Dat ligt grotendeels aan de opmerkelijke, inventieve, expressieve en speelse illustraties van Moldybyrd Studio, een bedrijfje waarvan ik tot nu toe nog niet had gehoord. 'We are Yngwie, Diana and J.J., three artists located in Halfweg, the Netherlands. As a team we combine our skills in illustration, concept design, storytelling and animation.'
Ik kan ze helaas niet weergeven, het prentenboek is te breed voor mijn scanner en bovendien spreiden de meeste illustraties zich over twee pagina's uit. Die hierboven is overgenomen van hun website en toont een detail, dat overigens in één onderdeel verschilt van het boek.
De tekst van Iven Cudogham is luchtig, parlando, en bevat grafische grapjes. Vooruit, één scan dan:



Niet alleen Anansi, ook andere dieren missen levenswaren, en de pootafdrukken zijn érg groot. Als het staarteinde in het raam tegenover de afgebeelde pagina het al niet duidelijk maakt, dan wel die afdrukken: Tijger is de dief. Niemand durft hem aan, behalve Anansi. Die weet met vleierijen Tijger zo ver te brengen dat Anansi hem mag berijden, en dat nog wel voor de op zijn balkon toekijkende koning. Tijger begrijpt (eindelijk) dat hij is beetgenomen en verdwijnt, Anansi en de andere dieren krijgen een koningsmaal.
Een echt Anansi-verhaal dus, dat vooral voorgelezen moet worden. Ik zie uit naar de volgende verhalen.



Cudogham, Iven, & Moldybyrd Studio. Anansi de spin en de gulzige tijger. Gottmer, 2020, ISBN 978 90 257 7240 6.

NB d.d. 27-3-2020: er zijn ook vertelplaten te bestellen bij dit verhaal, lees ik in de aanbiedingsbrochure va Gottmer. En deel 2 verschijnt in oktober.




donderdag 27 februari 2020

Woutertje Pieterse Prijs 2020

De Woutertje Pieterse Prijs houdt dapper vol, ondanks de financiële perikelen die zich van tijd tot tijd voordoen. Vanaf 2019 zijn de sponsors de Brook Foundation en De Versterking. Hopelijk blijft dat even zo. Zie over de prijs verder hier.

Op 25 februari werden de zes genomineerde werken gepresenteerd in het programma Kunststof op NPO Radio 1:
Bizar van Sjoerd Kuyper (Uitgeverij Hoogland & Van Klaveren)
Brons van Linda Dielemans en Sanne te Loo (Fontaine Uitgevers)
Flin of de verloren liefde van een eenhoorn van Henry Lloyd en Laurens Rawie (Em. Querido’s Uitgeverij)
IJzerkop van Jean-Claude van Rijckeghem (Em. Querido’s Uitgeverij)
Uit elkaar van Bette Westera en Sylvia Weve (Uitgeverij Gottmer) en
Zwerveling van Peter Van den Ende (Em. Querido’s Uitgeverij).

Omdat ik bericht hierover miste in de dagbladen dit bericht, in navolging van websites als Tzum en Jaap leest.

De WPP is bijzonder omdat de jury bestaat uit lieden uit Nederland en Vlaanderen met de nodige betrokkenheid bij boeken, deze keer geldt dat zelfs voor de voorzitter: Arjan Peters (voorzitter), Karin Amatmoekrim, Marga Scholma, Juan Khalaf en Veerle Vanden Bosch.
'De Woutertje Pieterse Prijs wordt toegekend door een vakjury, die benoemd wordt door het bestuur van de Stichting Woutertje Pieterse Prijs. De jury komt tot haar oordeel op grond van het juryreglement en bestaat uit vijf leden, van wie er tenminste vier gekozen worden op basis van hun specifieke kennis en/of deskundigheid.' Op welke gronden het vijfde lid wordt benoemd staat er niet bij. Vaak was dat iemand bekend van radio en tv, die als voorzitter & boegbeeld mocht dienstdoen. Het juryreglement kon ik niet vinden op de website. In het deelnamereglement vond ik deze zinsnede: 'het boek dient opvallende en/of vernieuwende kwaliteiten te bezitten, waarbij de volgende aspecten, of een combinatie daarvan, een rol kunnen spelen: taal, genre, thema, illustratie, vorm en vormgeving'.

Hun wacht de dankbare taak appelen met peren te vergelijken, ofwel prentenboeken met verhalen of poëzie voor jongeren. Doel:
'De jury bekroont sinds 1988 kinderboeken die uitzonderlijk zijn voor wat betreft taal, genre, thema, illustratie, vorm en/of vormgeving. Het doel van de prijs is het bevorderen van de kwaliteit van het Nederlandstalig kinder- en jeugdboek.' In dit geval dus zo'n boek verschenen in 2019 of in de woorden van de website 'verschenen tussen 1 januari en 31 december 2019'.

Een toelichting op de keuze van de nominaties is hier te vinden. Hier een overzicht van alle jury's tot nu toe.

woensdag 26 februari 2020

Lewis Carroll revisited

                                            
Op 7 februari jl. een bijeenkomst meegemaakt van het Lewis Carroll-genootschap. De uitnodiging bereikte me per e-post. Kennelijk was ik vergeten dat ik me ooit had aangemeld. Hoe dat?

Welkom op de website van het Lewis Carroll Genootschap. Het Genootschap is opgericht in 1976 en is na een slapend bestaan van ruim 30 jaar sinds 2017 weer actief.

Ergens na 2017 zal ik me dus hebben aangemeld.




Het was het 4e symposium. Alle voorgaande heb ik dus helaas gemist... Het vond plaats in de kelder van De Kargadoor, roemrucht cultureel centrum in Utrecht, in mijn studententijd een verzamelplek van alles wat rebelleerde, met een heuse stencilmachine in diezelfde kelder - of de entree, dat ben ik vergeten.
Ik verdenk de minzame voorzitter van het genootschap, Bas Savenije, ervan de motor te zijn achter de opleving. Hij verwelkomde, regelde van alles, deed de aankondigingen en bestuursmededelingen, enzovoort. Er is zelfs een Beleidsplan 2018-2020!
Doelstelling van het genootschap is:

Het Lewis Carroll Genootschap stelt zich ten doel het contact te bevorderen tussen personen en instanties, in het bijzonder in Nederland en Vlaanderen, die belangstelling hebben voor leven en werk, in de meest uitgebreide zin, van Charles Lutwidge Dodgson oftewel Lewis Carroll.

Het Genootschap wil een platform bieden aan eenieder die zich met dit onderwerp bezighoudt, door het verspreiden van publicaties (op papier of online), het uitwisselen van gegevens met zustergenootschappen in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, het organiseren van tentoonstellingen en lezingen, het publiceren van een tijdschrift en een nieuwsbrief, het onderhouden van een website en het tenminste eenmaal per jaar beleggen van een feestelijke jaarvergadering c.q. culturele bijeenkomst.

De voertaal in het Genootschap zal in het algemeen Nederlands zijn, maar publicaties kunnen ook in het Engels zijn. Vanwege de Engelstalige oriëntatie van de enige andere Lewis Carroll Society in Europa, acht het Lewis Carroll Genootschap het mede tot zijn taak aandacht te besteden aan de receptie van Lewis Carroll op het Europese continent.

Niet minder!
Extra jammer voor mij dat ik ook wat andere afspraken had die dag, zodat ik de quiz en het huishoudelijk deel heb moeten missen.
De inleiding van Lenny de Rooy over de illustaties van John Tenniel mocht er zijn, met een reeksje verhelderende afbeeldingen die de bronnen van diverse plaatjes toonden (veel afbeeldingen uit Punch kwamen voorbij), en bijzonder was ook de bijdrage van Maxim Februari, die uitlegde wat hem speciaal aantrekt in het werk van Lewis Carroll.




vrijdag 21 februari 2020

Foute kinderboeken?

Eindelijk toegekomen aan deze al lang staande tentoonstelling 'Foute kinderboeken?' in Meermanno Huis van het Boek te Den Haag, met dank aan de Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur, die er een excursie heen organiseerde.



Het is goed dat er een vraagteken in de naam van de tentoonstelling is gezet, want fout en goed zijn discutabele etiketten en voor die discussie was ruimte gemaakt. Onder ons soort mensen mag er dan redelijke overeenstemming zijn, dat geldt niet voor de hele samenleving. Het wat borealer 'denkende' deel van Nederland ziet wellicht niets fouts in karikaturen van mensen met een donkere huidskleur, er is een gelukkig nog zeer kleine minderheid die heimwee heeft naar ene Adolf Hitler en het streng-christelijke deel vindt zendelingsdrift en verhalen waarin joodse kinderen worden bekeerd wellicht niet zo verkeerd. Je weet maar nooit. Angst en waanideeën heersen dezer dagen alom.

  

Amusant vond ik de opname van erotisch bedoelde boekjes van Jo Durand en anderen. Er lagen er zelfs om in te bladeren. Boekjes voor volwassenen (vooral mannen), wat u zegt, maar vele jongeren (en vooral jongens) zullen er ook in gegrasduind hebben. Fout? De eenzijdige gerichtheid op de vrouw als lust-object en de mannelijke lezer zegt vooral iets over de (toen?) heersende zeden... en bevorderlijk voor een prettige man-vrouw-relatie zijn zulke verhalen allicht nooit geweest.

  

Het waren overigens niet de enige werkjes voor volwassenen die tentoon lagen. Ook allerlei boeken over het jodendom als probleem lagen in de vitrines. En werken als deze, speciaal voor huidige volwassen aanhangers van boreaal gedachtegoed:

 

Er kan ook worden overdreven, vind ik. In de verhalen over Jip en Janneke, geschreven in de jaren '50, zijn inderdaad veel traditionele rolverdelingen te vinden, maar dat maakt ze m.i. nog niet 'fout', hooguit wat ouderwets.
Uncle Tom's Cabin kreeg in de 19e eeuw een ongelukkige Nederlandse titel (De negerhut van Oom Tom) ('De hut van Oom Tom' was beter geweest) en er valt van alles te vinden van het verhaal, maar 'fout' kan ik het niet noemen. De lezer die vindt dat hoofdpersonen in verhalen precies zijn opvattingen moeten hebben, verengt zijn blik op het leven ernstig.
Het is zelfs de vraag of vroom-christelijke personages die hun best doen om joodse onderduikertjes te bekeren 'fout' zijn, al erger ik me als heiden aan de bekeringsijver van hun scheppers en wordt het natuurlijk vervelender als groepen wegens hun geloof of 'cultuur' als minderwaardig worden weggezet - wat eigenlijk inherent is aan die bekeringsijver, dat wel.
Maar hier raken we aan het gevoelige punt van religies in het algemeen. Wie die ene religie aanhangt, zal aanhangers van die andere religies als dwalers of zondaars zien... en rustig laten dwalen en zondigen is er bij sommige vurige gelovigen niet bij. Die neiging heeft ons al veel leed berokkend. De brandstapels gloeien nog na, bij wijze van spreken.


 

Dat sommige striptekenaars en illustratoren van zwarte mensen veel raarder karikaturen maakten dan van hun blanke figuren (zie bv. de vroege uitgaven van Sjors en Sjimmie) wijst wellicht meer op domheid en onwetendheid dan op 'fout' zijn. Maar domheid en onwetendheid zijn krachtige stimulansen bij het toeschrijven van ongewenste eigenschappen aan relatief onbekende groepen. (En ook bij het toeschrijven van gewenste eigenschappen: 'zwarten zijn veel muzikaler dan blanken'. Ja hoor, mochten ze willen.)

Afijn, dat deze bespiegelingen voortkwamen uit de bezichtiging van de in omvang redelijk bescheiden tentoonstelling 'Foute kinderboeken?' toont hopelijk dat een bezoekje de moeite waard is. Kan nog tot en met 1 maart.
Bekijk dan ook meteen even de mooie kaarten van Joan Blaeu op de 2e verdieping.


maandag 10 februari 2020

De Kinderkolonie in Antarctica

Woensdag 6 september 2265, Rookbaai sáttmálans: 'De Kinderkolonie'.
Zo begint een entree in Project Antarctica en het verhaal speelt in een ver verleden want 'op deze site bent u in 2419 en vindt u het archief van de kolonisatie van Antarctica die in 2119 begon'. Zie hier). Ik kreeg het op 10 februari in de e-post. (Je kunt je daarvoor aanmelden.)

In 2419 bestaat kennelijk nog de beleefdheidsaanspreekvorm u. Er worden ook nog spelfouten gemaakt want kennelijk zijn er meerdere kolonisaties, waaronder een die in 2119 begon. Anders had er wel een komma gestaan achter Antarctica. (Nog iets melden over beperkende en uitbreidende bijzinnen?)

Die komma, dat is gezeur van een oude frik, akkoord.
Fantastisch project natuurlijk, dit 'archief', met al een aanzienlijke reeks 'verslagen' en verhalen van op dit moment een 35 auteurs, compleet met tijdlijn. Je kan er uren in ronddwalen en lezen. Het spreekt mij zeer aan, per slot ontwierp ik op mijn twaalfde al een compleet land, met taal en al. Zie ook over Project Antarctica. 'Project Antarctica ging op 21 juni 2019 van start en eindigt naar verwachting begin 2020.' Jammer...

'De Kinderkolonie': 'twee zaalbeschrijvingen in het museum van de Kinderkolonie (auteur onbekend)'.

Zaal 1.12
Een internationaal keurkorps van wetenschappers die zich aan het einde van de eenentwintigste eeuw onder de naam Los Niños del Futuro samen schaarden, werd door de autoriteiten aangesteld om zich te buigen over de prangende vraag hoe de samenleving op Antarctica ingericht moet worden om de levensvatbaarheid van de mens ook in de toekomst te kunnen garanderen.

[...]

Wilde Project Antarctica een kans van slagen hebben, dan diende het alleen bevolkt te worden met kinderen – oud genoeg om op eigen kracht te kunnen overleven.

'Zaal 1.13' bevat vervolgens een verhaal. Dat toont dat het niet helemaal goed ging met die kinderkolonie. De associatie met Lord of the Flies is niet ver weg.

De verhalen in Project Antarctica spelen uiteraard allemaal in die verre toekomst en sommige zijn rechttoe-rechtaan sf, zoals 'De oase Humboldt City, een reportage over de technologische oplossingen voor de ontberingen van Antarctica' van 'Mohamed Brinkers' (Louise Fresco en Simon Vink), andere zijn (gelukkig) minder rechttoe-rechtaan, zoals bijvoorbeeld de mooie oproep 'penvriend(in) gezocht', die Niña Weijers schreef in de stijl van een twaalfjarige ('Nathalie Brahimi').

Sáttmálans, overigens, betekent verdrag in het IJslands. Spreek uit als sautmaulans.

NB d.d. 9 maart 2020: vanaf deze datum werd Project Antarctica niet meer aangevuld. 'Op deze laatste dag van Project Antarctica feliciteren we de winnaar van de prijsvraag. Peter Britsia schreef de hymne die iedere ochtend door de keeltjes van Antarctische schoolkinderen trilt. Het 'Ooit lag hier sneeuw en ijs' is nu te lezen, zingen en beluisteren. '

zaterdag 8 februari 2020

Een boek openslaan kan gevaarlijk zijn

Een citaat uit Zes maanden in de Siberische wouden van Sylvain Tesson:

De kluizenaar [...] vraagt niets en geeft ook niets aan de staat. Hij houdt zich schuil in het bos, dat is zijn bron van bestaan. Zijn afzondering betekent inkomstenderving voor de regering. Dat zou het doel van revolutionairen moeten zijn, inkomstenderving worden. Een maaltijd van geroosterde vis en bessen die je zelf in het bos hebt geplukt, is veel duidelijker een protest tegen de staat dan een demonstratie met een zee van zwarte vlaggen. Degenen die de burcht opblazen, hebben de burcht nodig. De staat is hun houvast, daarom kunnen ze er tegen zijn. Walt Whitman: 'Ik heb niets te maken met dit systeem, niet eens genoeg om het aan te vallen.' 
Op die bewuste dag in oktober, vijf jaar geleden, toen ik de Leaves of Grass van de oude Walt ontdekte, wist ik niet dat ze me naar een blokhut zouden leiden.

Een boek openslaan kan gevaarlijk zijn.

Retraite is rebellie. Wie in een blokhut gaat wonen, verdwijnt van de controlepanelen. De kluizenaar wist zichzelf uit. Hij stuurt geen digitale tekens meer, geen telefoonsignalen, geen bancaire impulsen. Het is een soort hacking, maar dan omgekeerd; hij stapt eruit.

Aldus een overdenking op 29 maart, p. 112. Een jaartal staat er niet in, maar door de vermelding in een van zijn berichten van een nieuwtje, het omkomen van een Poolse president bij een vliegtuigongeluk bij Katyn, weet ik het: 2010.
Onze vriend besloot dan wel van februari tot juli in een blokhut aan de Baikalmeer te gaan wonen, helemáál kluizenaar werd-ie niet. Ten eerste nam hij een mooie voorraad spullen uit de bewoonde wereld mee, inclusief zonnepanelen en satelliettelefoon, ten tweede komen er regelmatig gasten langs (vooral vissers) en gaat hij zelf ook enkele keren op pad naar de buren - die dan wel tientallen kilometers verder wonen. Die bezoekt hij te voet!
Hij mag dan wel geen kluizenaar in strikte zin zijn, dat neemt niet weg dat zijn dagelijkse verslagen onderhoudend zijn, inclusief zulke overpeinzingen over de rol van de kluizenaar en het effect van heel lang alleen zijn.



Tesson, Sylvain. Zes maanden in de Siberische wouden. Arbeiderspers, 2012, ISBN 978 90 295 8625 2, 256 p. Oorspr.: Dans les forêts de Sibérie, Gallimard, 2011, vert. Eef Gratama.

woensdag 5 februari 2020

Oude kinderboeken digitaal

Nieuws van de zeer actieve groep liefhebbers van oude kinderboeken, verenigd in de Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur (SGKJ), whatever het verschil tussen kinderen en jeugd:

Er zijn weer nieuwe digitale kinderboeken beschikbaar! Ruim 700 oude kinderboeken
zijn online gekomen op Delpher. Het gaat om nog niet eerder gedigitaliseerde kinderboeken uit de achttiende tot en met eenentwintigste eeuw, van Bijbelse vertellingen tot abc’s en van schoolboeken tot sprookjes in het Nederlands en Fries. Ook zijn ruim 1300 oude kinderboeken die eerder al beschikbaar waren via het Geheugen van Nederland toegevoegd aan Delpher, zodat deze nu ook full-tekst doorzoekbaar zijn. Er zijn dus meer dan 2000 nieuwe kinderboeken toegevoegd. 

Lees over Hoe kleine kleuters zich vermaken, ontdek De geschiedenis van een trouwen hond en bekijk Tante Keetje's prentenboek.




Op het programma van de stichting staan verder o.a. een excursie naar het Museum Meermanno - Huis van het Boek en een studiedag. Zie de website.

dinsdag 4 februari 2020

Voornaam, achternaam, verkleutering of modernisering

Laatst viel het me weer eens op: een bedrijf dat me met 'Herman' aanspreekt, in dit geval Booking dat me op 'lastminutedeals' wijst. En een ander bedrijf dat me met 'Herman Verschuren' aanspreekt.

U verliest, jij wint, dat is duidelijk, en niet alleen in het Nederlands. De huidige dominantie van het Engels met z'n ene you bevordert dat nog - en leert overigens ook dat je met één aanspreekvorm best beleefd kan zijn.

Als oude sok voel ik me soms ongemakkelijk bij die gefingeerde vertrouwelijkheid, al is de plastic beleefdheid van die rond etenstijd bellende verkopers ('een hele goede avond!') ook niet alles.
Zeg maar u, roep ik in gedachten tegen Booking. Maar ja, dat helpt niet.

Ach, misschien zijn die achternamen ook een overblijfsel uit de oude tijd, toen families nog belangrijk waren. Maar nee, ze werden pas ingevoerd onder het bewind van Napoleon, daarvoor hadden veel mensen slechts één naam met soms nog een toevoeging om de ene Jan of Marie van de andere te onderscheiden.

Voor onze bestuurders zijn we in principe een nummer: ons burgerservicenummer. Het wordt niet in ons vel getatoeëerd, ook nog niet per chip, maar duikt verder overal op in alle papieren die ons officiële bestaan begeleiden. Ik zou wat onze koning betreft best Herman 069116295 mogen heten.

Zou hij Willem-Alexander 000000001 heten?