Zoeken in deze blog

dinsdag 29 december 2020

Nieuwe burgers

Had gedacht een tijdje niets over burgers te schrijven, maar de laatste tijd duiken twee nieuwe burgers zo vaak op dat ik ze even welkom wil heten: de burgerjournalist en de burgeronderzoeker.
Die laatste was er al lang, maar in een andere rol: onderzoeker van burgers
Een firma als Eva doet dat bijvoorbeeld voor gemeentes: 'Hoe tevreden zijn uw burgers over het gemeentebestuur, de communicatie en de gemeentelijke dienstverlening?'. Het SCP is er een ander voorbeeld van, dat onderzocht onlangs nog hoe het in 2020 zat met 'het vertrouwen in de politiek'.
Dat is de bekende onofficiële betekenis van burger: iemand die vooral iets niet is, in dit geval gemeentebestuurder, gemeentewoordvoerder en in het algemeen iemand die bij de gemeente werkt. En waarschijnlijk ook geen onderzoeker, want anders onderzoekt die onderzoeker o.a. zichzelf.
Wat ze overigens bij het SCP wellicht ook zouden beamen, in voornoemd rapport hebben de onderzoekers het over mensen, niet over burgers.

Maar sinds kort is de burgeronderzoeker ook iemand die niet in dienst is van een onderzoeksinstituut of -bedrijf.
In een ander verband heten zulke mensen ook wel vrijwilligers. Je zou ze ook onbetaalde onderzoekers kunnen noemen. Beide benamingen zijn treffender dan het sukkelige burgeronderzoeker dat, nogmaals, impliceert dat betaalde onderzoekers geen burgers zouden zijn. 
De politie lanceerde zelfs een 'app' 'waarmee burgers zelf onderzoek kunnen doen als zij slachtoffer zijn geworden van een misdrijf'. Zo kun je bezuiniging ook vermommen.

Mutatis mutandis geldt dit ook voor burgerjournalisten zoals de arme Zhang Zhan, die op 28 december in China veroordeeld werd tot vier jaar gevangenis wegens haar verslag van de lockdown in Wuhan.
 
Het hele concept van burgerjournalistiek is de Communistische Partij van China wezensvreemd: journalistiek staat altijd in dienst van de partij en vindt altijd plaats onder leiding van de partij. Xi Jinping heeft journalisten expliciet opgedragen om de spreekbuis van de CPC te zijn. 
 
Aldus correspondent Garrie van Pinxteren in NRC next 29-12-2020.
 
Hier in Europa beland je doorgaans niet in het gevang als je onbetaald verslag doet van gebeurtenissen, ook niet als dat verslag zaken betreft die bestuurders liever in de doofpot hadden gestopt.
Maar het 'concept burgerjournalist' van Garrie van Pinxteren toont dat ook zij onderscheid maakt tussen journalist en burgerjournalist - alsof de journalist geen burger is.
De onbekende auteur van Wikipedia schrijft: 'burgerjournalistiek of amateurjournalistiek is nieuws dat buiten de gevestigde media verzameld, geschreven en gepubliceerd wordt, door niet-vakmatige journalisten.' 
Beroepsjournalisten of amateurs: burgers zijn ze allemaal!

donderdag 24 december 2020

Waar ligt de letter?

alfabet van Charlotte Dematons is een vermakelijk prentenboek en al lijkt het op eerste gezicht anders, het is een echt abecedarium want de letters zijn er wel degelijk.
Je moet alleen goed zoeken.
 
Het is een soort verhaal zonder woorden, maar toch met een heleboel woorden. Dat klinkt raadselachtig, maar het is geen raadsel.
 
Op het schutblad voorin zie je een reeks spelden en de hoofdpersoon van het verhaal rent net de bladzijde af. Op het schutblad achterin staat hij trots te kijken naar zijn oogst: alle letters van het (Nederlandse) alfabet. 
Hieronder (detail!) zie je hem de a pakken.
 

 
Dit is echt een klein detail van de heerlijk overvolle a-dubbelpagina! 
Op de de g-dubbelpagina staat hij links onderin te kijken, de letter moet hij nog vinden. Wij kijkers hebben hem na enig speuren natuurlijk gevonden, links bovenin, bij de geit en het gat waar de glijbaan begint, met in de verte een goederentrein, en op de glijbaan een geep en een grondel. (De garnalen zien we hier net niet meer.)
 

 
Maar hij verzamelt niet alleen letters, hij verzamelt ook een reeks voorwerpen.
Prijkt hij op de titelpagina nog met niks aan, alleen een rugzak,
 
 
 
bij de y zit-ie op een yeti, beladen met spullen, en met de z verdrinkt hij bijna in zee.
 
 
(Ook details, uiteraard.) Van elke letterdubbelpagina één voorwerp, en na de z-dubbelpagina volgt er een dubbelpagina waarop alle voorwerpen aan een lijntje hangen, terwijl onze hoofdpersoon zonder deze spullen de bladzijde uitwandelt. Tot zover het verhaal.

Mijn aandachtige lezer heeft het al begrepen, dit boek bevat dubbelpagina's die elk aan één letter is besteed. Het zijn echte zoekplaten. Hier bijvoorbeeld de i:
 

 
Dat is dan nog één van de minst volle! De bedoeling is alle woorden met een i te vinden.
Het zijn er 39. Ja, ook woorden die met ij beginnen. Charlotte maakt keurig verschil tussen ij en y.

Laat ik maar bekennen dat ik ze niet allemaal vond. 
Er zijn twee hulpjes beschikbaar:
1. Een website waarop ze allemaal staan. Als je bijvoorbeeld de i aanklinkt, krijg je links de lijst en rechts de pagina, waarop een handje de voorwerpen aanwijst.
 


 2. Een programma'tje (app heten die tegenwoordig) voor op je gsm, zowel voor Android als Ios. Als je daarmee boven de bladzijden van het boek zweeft, verschijnen de woorden.
 
Met mijn geliefde, bijna even oud als ik, was het al een leuk spel om woorden te vinden. Met kinderen in de schoolgaande leeftijd, pakweg vanaf zes, moet het helemaal een feestje zijn.
En nog een leerzaam feestje ook, want zo'n zoekboek vergroot hun vocabulaire.
En de mijne ook. Want een Xantus' alk (bij de x, een van de drie woorden) was mij tot nu toe onbekend, evenals een gerenoek.

Dat Charlotte Dematons vaardig en mooi kan illustreren, daarmee vertel ik niets nieuws. Let ook in dit boek op de zorgvuldige afwerking van de vele details. De strepen op het lijf van de hoofdpersoon komen mooi terug in de zwartwitte blokjes van de letters onderaan de webpagina's.




Dematons, Charlotte. alfabet. Hoogland & Van Klaveren, 2020. 60 p., ISBN 978 90 8967 327 5.

woensdag 23 december 2020

Andere woorden

De AlfabetBeter van Ronald Snijders en Fedor van Eldijk staat vol ongebruikelijke en veelal nauwelijks gebruikte want zelf gefabriceerde woorden, net als in De AlfabetWeter (2013). 'De 1000 nieuwste, gegarandeerd kansloze woorden' staat er op de voorkant. 
De volgorde noemen ze de 'ENA-beste volgorde: E N A T I R O D S L G V H K M U B P W J Z C F X Y Q. Inderdaad, geen touw aan vast te knopen, ook niet bij omgekeerd lezen. De ratio vind ik hier: dit is de frequentievolgorde, de in het Nederlands meest voorkomende letter voorop en dan aflopend tot de minst voorkomende.

De AlfabetWeter werd op de achterkant aangeprezen met deze drie woorden:
benefietkeeper, (m) -s, keeper die voor het goede doel staat.
dwergtijd, (m) -en, de tijd die men reserveert voor discussies met kleine mensen.
mozeseend, (v) -en, - eendensoort die niet kan zwemmen omdat het water steeds opzij gaat.

De AlfabetBeter wordt op de achterkant aangeprezen met deze drie woorden:
lepelstrekker, (m) -s, iem. die zijn mes wil trekken, maar het verkeerde bestek heeft meegenomen.
mugneet, (m) -neten, persoon die, als er meerdere mensen in een ruimte slapen, als enige door de mug wordt geprikt: 'ik was vannacht weer de ~ '.
pestafette, (m) -s, dat je het stokje niet doorgeeft.
 
Wat mij betreft is de score grappig-melig ongeveer hetzelfde, 1-2 of 1-3, met de vermelding dat het spelling-controleprogramma van dit blog twee van de zes woorden herkent: benefietkeeper en dwergtijd, wat ik op zich wel grappig vind.  
Mozeseend en mugneet scoren bij mij hoog. Lepelstrekker vind ik uitgesproken melig, en dwergtijd doet me aan Randy Newman denken ('Short People').
 
Dit is ook mijn oordeel na enige keren bladeren: meer melig dan grappig, heel vaak een mengsel, want melig kan ook grappig zijn.
Van etterbak (container voor vervelende mannetjes) (vind ik grappig) tot staafmixer (mixapparaat om loden staven mee te mengen, gaat meestal na één keer kapot) (vooral melig); van natuurtennis (open tennis met twee ballen in een netje, of tennis waarbij je na het serveren de bal zo lang mogelijk nakijkt) (melig) tot fantaziek (geveinsd ziekteverzuim) (best grappig), er is voor ieder wat wils. Het ENA-alfabet wordt overigens ook per letter aangehouden. Gelukkig, voor wie er nog niet zo mee overweg kan, is er achterin een 'Oud-alfabetisch register'.

Voor liefhebbers van rare woorden een heerlijk boekje om in de wc te hangen of naast het bed te leggen.



Snijders, Ronald, en Fedor van Eldijk. De AlfabetBeter. De Harmonie, 2020.

zondag 20 december 2020

Kunst

Of het nu last of lust is: er zijn gedrukte teksten die met een stem klinken.
 
Een brief van mijn moeder klinkt zoals mijn moeder klonk. Een gedicht van Gerrit Komrij klinkt, als ik het lees, met de stem van Gerrit Komrij, zoals ik me die herinner van tv. Een tekst van Jules Deelder klinkt als Jules Deelder. De geest moet waaien klinkt met de stem van Johnny van Doorn ofwel de Selfkicker. Een tekst van Adriaan van Dis? Hier is... Adriaan van Dis! ('Wat kan ik u inschenken?') Aan Under Milk Wood (van Dylan Thomas) is de stem van Richard Burton verbonden (hier).
Een plaatje en/of tekstje van Paulus de Boskabouter of Eucalypta? Tatatata tatatata tata táttáttaaa... het introdeuntje en dan de stem van Jean Dulieu. (Voor jongere luisteraars: nee, niet die tv-intro, maar de Dance of an Ostracised Imp van Frederic Curzon. Voor de radio, ja.)

De kunstenaar Ted van Lieshout ken ik onder meer van vele optredens waarbij hij met verve zijn eigen of andermans (v/m) kunst voor het voetlicht bracht en brengt. Ted heeft een heel kenmerkende stem. Dat heeft tot gevolg dat ik zijn stem hoor als ik woorden van hem lees, bijvoorbeeld in Kunst? Marcel Duchamps Fontein 1917-2017Driedelig paardZe gaan er met je neus vandoor, Onder mijn matras de erwt of nu in Wat is kunst?

Het lijken onmiskenbaar zijn woorden:


Hallo! Is daar iemand?
                            Ja, ik.
Wie?
                            Ik, de schrijver van dit boek.
Achterop dit boek staat dat er een meisje binnenkomt.
                            Dat klopt. Ik wacht op haar.
Om wat te doen?
                            Ik ga haar vertellen over kunst.
Dat komt goed uit. Ik ben dat meisje en ik heb een vraag.
                            Wat wil je weten?
Wat is kunst?

Dat schept buitengewoon weinig ruimte voor getheoretiseer over het verschil tussen werkelijkheid en waan, non-fictie en fictie, de schrijver en de verteller. 
Toch krijgt dat meisje verder geen naam en besluit ik als lezer snel dat het een verzonnen meisje is. Maar dan is de verteller ('ik, de schrijver van dit boek') toch ook een beetje fictie, al klinkt-ie nog zo met Teds stem. En ook het eiland is dubbelfictie, fictie in fictie, want



Over eilanden gesproken. In 1983 omringde het kunstenaarsechtpaar Christo en Jeanne-Claude elf eilanden bij de Amerikaanse stad Miami.

En zo beginnen, 'rechts van het water', op het 'vasteland', de korte inleidingen bij zo'n 135 zeer diverse kunstwerken. Er wordt steeds aangehaakt bij één woord uit de doorlopende dialoog, links van het water. Soepel zwenkt de verteller, laten we hem voor het gemak 'Ted' noemen, van het ene genre naar het andere, zelfs de bikini en de telefoon komen voorbij, net als een Stradivarius en de Toren van Babel, en de termen cultuur en kitsch.
 
Die inleidingen zijn zinnig en onderhoudend, maar verrassender is wat op het eiland gebeurt.
Het meisje wil weten wat kunst is voor een schoolwerkstuk. 'Ted' vraagt haar zich voor te stellen dat ze op een onbewoond tropisch eiland aanspoelt. Dat moet wel, want zijn eerste antwoord


snapt ze niet. Dat pepert 'Ted' haar aardig in. Ze kan niet ontsnappen, want op zijn vraag
 
  Je merkt dat je bent aangespoeld.
  Wat is het eerste wat je doet? 

antwoordt ze

  Mijn moeder bellen en zeggen
  dat ze me moet komen halen

maar



Over aanspoelen gesproken. Vanuit een zee met goudkleurige golfjes spoelt een mevrouw aan op een sint-jacobsschelp.

Enzovoort, over Botticelli's Geboorte van Venus. 'Ted's toelichting is veel leuker dan de droge tekst van Wikipedia.

Dat meisje maakt zo een hele ontwikkeling door, halverwege verhuist ze ook nog even naar een koud eiland in het noorden en aan het eind, terug op dat tropische eiland, spoelen er nog meer mensen aan en na een feestelijk begin ontaardt het uiteraard in vechten. Zo zijn mensen, dat zag 'Ted' goed.
Het meisje mag naar huis en schrijft 'Ted' een brief:



Maar ja, ze bleef zitten met de vraag

wat het belang is van kunst. Het is wel een vraag, maar als ik er weer voor terug moet naar het eiland, laat het antwoord dan maar zitten. Een 8,5 is ook heel mooi.

Ze hoeft niet terug.

Fijn dat je nog een keer langs wilde komen. Ik was toch in de buurt. Ik wil proberen om je vraag waarom kunst belangrijk is te beantwoorden. Hoef ik dan niet terug naar het eiland? Nee, ik wil je een paar kunstwerken laten zien.

Terwijl 'links van het water' (dat echter nu land wordt) al in koeienletters met nu witte achtergrond het antwoord staat dat ook al op p. 6 prijkte (zie boven) (maar ja, zo'n meisje heeft wat ervaring nodig), ontspint zich een dialoog die aldus eindigt:

Kennis zorgt dat je geest dingen begrijpt, kunst zorgt dat je geest verruimt, dat je inzicht krijgt. Denk maar aan muziek die je mooi vindt. Je steekt er niet per se iets van op, maar het verrijkt je wel. Dat is de zin van kunst. Kunst krabbelt als het ware met een nagel een gaatje in je hoofd zodat er licht door naar binnen valt. Maar wat als je dat hoofd in een donkere kast zet? Dan kan er geen licht meer bij. Dan gaat het hoofd dood. Van verveling. Juist.

Zo eindigt deze dubbele dialoog (de eiland-episode is ook een dialoog) in een fraaie verdediging van de kunst. En alsof dat nog niet genoeg is, haalt 'Ted' op p. 134 en 136 nog een grapje uit met die boodschap van p. 6 en 132.
Pag. 134:

Kunst is alles
 wat je doet
 om niet
 dood te gaan.

Pag. 136:

Kunst is alles
 wat je doet
 om niet.

Dat laatste mag (o.a.) Jef Koons (p. 103) in zijn zak steken.
Dat licht in het hoofd vind ik een mooie manier om te zeggen dat kunst verlicht.

There is a crack, a crack in everything
That's how the light gets in

 
(Leonard Cohen, beetje uit verband hier maar zijn muziek kwam toevallig langs en ik vond het te mooi om niet te citeren.) (Als je hem kent, hoor je 't hem zingen.)
 
En dan vergeet ik haast nog te melden dat Ted (nu zonder aanhalingstekens) van Lieshout naast auteur, beeldend kunstenaar en grafisch vormgever ook nog boekontwerper is, zoals voornoemde uitgaven ook al toonden.
Resultaat: Wat is kunst? is niet alleen een zinnig en onderhoudend boek, het is ook een mooi boek, waarvan de vormgeving bovendien de inhoud ondersteunt, nee, deel van de inhoud is.
Het is kunst.




 
Lieshout, Ted van. Wat is kunst? Begin een eiland... Leopold, 2020. 140 p., ISBN 978 90 258 8009 5.
 
 


donderdag 17 december 2020

Een drama in de bronstijd

Excuses, Offerkind van Rob Ruggenberg begon ik van de verkeerde kant te lezen: eerst de wervende tekst op het achterblad, en de Epiloog, Verantwoording, Woordenlijst en Dankwoord achterin.
Hier is een onderwijzer aan het woord, dacht ik. Dat is niet zo, maar hij had wel een verwant beroep: Rob Ruggenberg was journalist voordat hij in 2006 voltijds auteur werd. 
Tragisch detail: 'Op 23 oktober 2019 stuurde Rob het manuscript van zijn laatste boek Offerkind naar zijn redacteur bij de uitgeverij Querido, helaas is hij drie dagen later overleden.'
Wie na 26 oktober de aan hem gewijde website onderhoudt en dus dit detail toevoegde, staat er niet bij.
Ik wist al wel dat hij onlangs was overleden - dat maakte het wellicht spannend om zijn laatste verhaal te bespreken, daarom vroeg ik het aan.
 
Hij mag dan geen leraar zijn geweest, hij zou er vast talent voor hebben gehad. Hij ging als auteur graag en veel op schoolbezoek.
Ruggenberg schreef dramatische verhalen met een in het verleden liggend decor, vanaf Het verraad van Waterduinen (2006) tot, 6 titels later, Piratenzoon (2017) en nu dus het postuum verschenen Offerkind. Hij stond erom bekend zich grondig te oriënteren in de gekozen periode. De Verantwoording achterin Offerkind getuigt inderdaad van een gedegen voorbereiding.
Eigenlijk zijn zijn verhalen een soort vermomde geschiedenislessen. De vermomming bestaat uit een knappe intrige, met veel dramatische ontwikkeling en spanning.
 
Neem eerste de beste pagina, die van de Proloog. 
Hier is al de verteller aan het woord die het hele verhaal op dezelfde  manier zal vertellen. Een alwetende, onpersoonlijke verteller die niets over zichzelf loslaat maar wel alles weet over zijn personages. Hij tracht zich in te leven, maar ter wille van de lezer en de les kan hij het niet laten soms wat uit te weiden, zodat we alles goed snappen.

De eerste alinea wordt beeldend en inlevend gebracht.

Geen vogel zong, geen windvlaag suisde door de bomen. Bij iedere stap die de jongen deed spatte stinkende modder om zijn oren en zoog het moeras zich vast aan zijn voeten. De hele omgeving straalde afkeer en vijandigheid uit: een eindeloze modderzee, met overal dode en omgevallen bomen met grijsbemoste stammen. De halfvergane takken hingen vol slierten wier, als spinnenwebben aan een rottend dak. Hij wist dat Mhoa, de moerasgodin, hem gadesloeg en hem minachtte om zijn onbeholpen geploeter.

Zo, dat staat. De film is begonnen. Doorgaans een zwaktebod, zo'n aandachttrekkende proloog, maar hier valt het mee. In dit geval is het geen dramatische scène uit het verhaal als lokkertje, maar echt iets wat voorafgaat. 
Zonder had ook gekund, maar Ruggenbergs verteller houdt meer van duidelijkheid en uitleg dan van beknoptheid en deze proloog verklaart hoe het kan dat zijn hoofdpersonen Aïn en Kraai later in het verhaal op een belangrijk moment een tas in het moeras vinden.

Waar het me nu even om gaat is dat die jongen overduidelijk vertrouwd is met de godin Mhoa. Toch vindt de verteller het nodig om er nog een langere alinea aan vast te knopen om ons te vertellen wat die Mhoa kon doen, terwijl die jongen er natuurlijk liever niet aan denkt, die verhalen heeft hij al duizend keer gehoord. Die alinea is duidelijk bedoeld om ons iets te leren over haar.

Het schemerde al, de warmte verdween, het werd kil. De jongen huiverde. (Daar had de verteller het bij kunnen laten, maar nee:) Nog even en dan zou Mhoa haar helpsters weer op pad sturen, dode meisjes en vrouwen zonder gezichten die zich verborgen achter grijze mistflarden. Met blauwe dwaallichtjes lokten ze reizigers verder het donkere moeras in. Zo loodste Mhoa je in haar val, meestal via een kronkelig zijpad waar de grond ineens onder je voeten wegzakte en je in een peilloos diep gat verdween. Beneden, in het koude water, wachtte zij je op, met haar grijze haren, haar lange, dunne armen en naar zwarte, gekrulde staart die ze strak om je lijf sloeg om te voorkomen dat je ooit nog bovenkwam.

Zo, nu zijn wij lezers tenminste ook op de hoogte. Ook van de tijd: 'een zomeravond in Nederland, vierduizend jaar geleden', staat er onder 'Proloog'. En de schutbladen beelden een kaart af...



...met diezelfde sprong in de tijd, zie de namen Falwa (Veluwe) en Rheie (Rijn). 
Voor de goede orde: 'Nederland' bestond vierduizend jaar geleden helemaal niet. Ook hier klinkt de onderwijzer, die voor zijn jonge lezers géén misverstanden wil hebben over de locatie. 

Nog een voorbeeldje, uit een sleutelpassage wat betreft de intrige.

Na de andere ochtendwerkzaamheden ging ze op zoek naar een mand. In het familiehuis vond ze een wilgentenen mand die aan een balk in de vrouwenhoek hing. Zich uitrekkend trok ze hem van de balk. Daarna pakte ze de oude bezem met de kapotte steel die naast het weefgetouw stond, bukte zich en verdween door het lage deurtje.

Wat ons hier allemaal wordt medegedeeld! Dat er een vrouwenhoek in het familiehuis was met een balk waaraan manden werden gehangen, en een weefgetouw, dat de deur laag was en dat de mand van wilgentenen was gemaakt, dat er een bezem was. Dit alles was voor dit personage (Aïn) zo vanzelfsprekend dat dit geen weergave van haar gedachten of zelfs maar bewustzijn was. Dit is allemaal voor ons, lezer, dat we het maar weten en voor ons zien, en voor een toekomstige filmregisseur is het ook handig.
Maar fijn vertellen is het niet. Het wordt er houterig en traag van. (Alleen al dat stijve formele woord ochtendwerkzaamheden!)
Ze pakte dus een mand en een bezem.
Dat die bezem kapot was lijkt ook al van geen belang, maar let op, dat is het wél.
Want met die bezem doodt Aïn even later de brute broer die haar wil verkrachten.
 
Ze verbergt het lijk onder een boom. Al gauw blijkt dat halfbroer Kraai het heeft gezien. Hij helpt haar met het begraven van het lijk. Maar natuurlijk wordt broer Aab gemist, de familie gaat speuren en uit angst voor wat zou kunnen volgen slaan Aïn en Kraai op de vlucht.
Op die vlucht komen ze de Jonge Wolven tegen, een gezelschap jonge mannen die Aïn vooral een lekker stuk vinden (waar haar broer Aab dus ook al last van had) en onderling besloot dat hun reusachtige aanvoerder haar het eerst mocht hebben. Ze ontsnappen en komen na een hachelijke tocht door het moeras (waarbij ze op p. 93 die tas van die jongeman uit de Proloog vinden) bij mensen van het Oude Volk, die donkerhuidig en bruin-ogig zijn, niet zoals Aïns familie. Wel een beetje zoals Kraai, want zijn vader was zo'n donkerhuidige, verdwenen. Daarom hoorde hij, de 'tweebloed', er bij Aïns familie maar half bij. Hij mocht de poep scheppen en verder niet veel.
Die mensen van het Oude Volk zien wel iets in Aïn als zieneres ('spakona') en Kraai als slaaf - tijd om te ontsnappen en daarbij nemen ze de baby mee die al op een tableau lag om geofferd te worden ter wille van haar. Kraai raakt erbij gewond.

In het lege, verlaten rivierlandschap om hen heen groeide hier en daar heelkruid. Als Aïn dat vond groef ze de wortels uit, raspte die tussen een paar keien en legde de smurrie op Kraais wond. Veel hielp het niet. De wond bleef zweren en kloppen.
Soms vond Aïn op de vaste wal wat onrijpe emmertarwe en eenkoorn en ook wel eens gerst of wilde spelt. Ze plukte de aren, wreef de korrels fijn en maakte er met rivierwater een papje van. De baby schrokte het naar binnen.
Een enkele keer vond ze huttentut. Uit de zaadjes kon ze zachte olie persen, waarmee ze de verbrande huid van de baby insmeerde. Het hele lijfje was aan het vervellen. Toen het kindje naakt op de hoge offerstellage lag had de zon haar tere huid verbrand, al was die dan zwart.

Ja, ook dit citaat om de onderwijzer weer even te tonen. Hij legt ons nauwkeurig uit hoe Aïn de wond verzorgt, de baby voedt (vier soorten graan noemt hij! alsjeblieft) en de huid van 'het kindje' verzorgt. Het lijkt wel een handleiding! Huttentut klinkt vreemd, maar de plant bestaat echt, net als die granen.

Alweer op de vlucht, dus. Ze komen nog bij vissermensen en bewoners van de kust en tweemaal hebben ze ondanks vriendelijke ontvangst de nare ervaring dat Aïn door buren als heks wordt gezien wegens het 'zwarte' kind. De tweede keer wordt ze gedood. Kraai vertrekt met Freye (zo hebben ze 'het kindje' inmiddels genoemd) met mensen naar 'de overkant'.
Dit vat ik hier wat laconiek samen, met weglating van wat sub-intriges (bv. de barnsteenvrouw in het begin, de wat moeilijke, scheve relatie van Aïn en Kraai), maar er is spektakel en spanning genoeg en er vloeit heel wat bloed en soms ook tranen.
Geen enkel moment laat de onderwijzer ons echter in de steek en zo komen we dus heel wat te weten over hoe mensen in onze streken vierduizend jaar geleden geleefd zouden kunnen hebben. (Website: 'Bij het schrijven van zijn historische jeugdroman gebruikt Rob Ruggenberg de nieuwste wetenschappelijke inzichten en theorieën.')
Dat is heel mooi van die onderwijzer - maar zo laat de verteller wel kansen glippen om ons echt als verteller bij de kladden te grijpen. Dat is jammer.
 

Ruggenberg, Rob. Offerkind. Querido, 2020. 296 p., ISBN 978 90 451 2440 7.

dinsdag 15 december 2020

Vrolijke botanie

Geen slecht idee, een plantengids voor kinderen. Er worden ruim 700 planten genoemd en afgebeeld. Ze worden de jonge, nieuwgierige lezer voorgesteld in 51 hoofdstukken, van 'De zurigen' tot en met 'De levenskrachtigen'. De inhoudsopgave op p. 193 draagt de titel 'Lijst van plantenfamilies'.

Dat kan de naïeve beginnende botanist op het verkeerde spoor zetten. Het betreft namelijk verzonnen families, niet de families die je vindt in Heukels' Flora van Nederland of Mabberley's Plant-book, of in Wikipedia. De wat oudere lezer had dat vermoedelijk al gesnapt. 


Het zijn wel aansprekende familienamen! Al moet vermeld dat ook de onder botanisten gangbare namen vaak tot de verbeelding spreken: blaasjeskruid, egelskop, ijskruid, klokje, muskuskruid, ooievaarsbek, pijpbloem, pruikenboom, rus, ruwbladige, trompetboom, wijfjesvaren, zeegras, zeepboom...


 
Je kunt dit boek op diverse manieren lezen. Bijvoorbeeld:
1. Je begint gewoon voorin, alsof je vol verwachting zit te kijken naar een voorstelling.
2. Je laat je inspireren door de lijst op p. 193 en spring heen en weer tussen 'families'.
3. Je hebt gehoord van een plant, kijkt in de lijst 'Alle planten' (p. 194-199) of hij erin staat en zoekt hem op. De bladzijden zijn tot p. 193 genummerd, dus dat is geen probleem.
4. Je bladert gewoon wat heen en weer.

Wat je te zien krijgt varieert: soms de plant, soms alleen een bloem of vrucht. Dat vind ik jammer.
Neem nou de cashewnoot. 


Adequaat genoeg getekend.
 

 
Maar dat die vruchten aan een boom hangen...
 

 
... dat kom je niet te weten. Ook niet hoe en waar ze groeien, hoe de noten geoogst en geprepareerd worden, en, ironisch, ook niet dat rauwe cashewnoten gif bevatten dat er pas uitgaat als je ze stoomt. Tja, de cashewnoten staan bij 'De verrukkelijken', niet bij 'De gifmengers' (p. 60-64).
En van diezelfde pagina plus de voorgaande van 'De verrukkelijken' weet ik niet aan wat voor tak, plant of boom ze groeien.
Ook mis ik enige inlichtingen over hoe groot die afgebeelde planten en bomen zijn en zijn de afgebeelde beesten ook enigszins uit verhouding en bovendien voorzien van tekenfilmachtige oogjes, zie bijvoorbeeld deze pagina van 'de witten en de vergulden'.



Dan zijn bijvoorbeeld de afbeeldingen van 'De klimmers' 


en de Bodhiboom onder 'De oudjes' 


informatiever. Net als bijvoorbeeld deze twee bladzijden over de vorm van bladeren.

 


Kortom: geen slecht idee, een plantengids voor kinderen. En het is een charmant boek, deze 'vrolijke plantenencyclopedie'. Je kan er leuk doorheen bladeren en je verbazen over de vormenrijkdom. Je kunt er ook wel iets van leren.
Maar het is geen encyclopedie, en had veel informatiever kunnen zijn, ondanks zijn register. Over veel planten leer je vooral heel weinig. C'est un drôle d'un livre, c'est ça.
 

Barman, Adrienne. De vrolijke plantenencyclopedie. Vert. Bibi Dumon Tak. Querido, 2020. Oorspr.: Drôle d'encyclopédie végétale, La Joie de Lire, 2018. 
 

maandag 14 december 2020

Kijk, oude letters als nieuw

Toen ik de titel Kijk mijn letter in de aanbieding van Lemniscaat voorbij zag komen, dacht ik: het zal toch niet?

Het zal dus wel.

In 1988 verscheen Kijk mijn letter van Annie Keuper-Makkink (zie ook hier), met illustraties van Ingrid en Dieter Schubert in de serie De Leesbus (Dijkstra, Groningen), aldus de catalogus van de (Nederlandse) Koninklijke Bibliotheek
Een dappere poging om het op te nemen tegen (of, bescheidener, te gebruiken naast) Veilig leren lezen, de al decennia op duizenden basisscholen gebruikte leesmethode van Zwijsen. 
Wolters-Noordhoff nam kennelijk de uitgave al in 1990 over, ik vind in genoemde catalogus hierbij de vermelding 'eerste druk, negentiende oplage' en bij aanklikken blijkt de eerste druk dan uit 1990 te zijn en de negentiende oplage uit 2015, nog te koop aangeboden bij diverse boekhandels, bv. op 14-12-2020 bij Paagman
Maar de echte eerste druk was dus die uit 1988, die het overigens wel bracht tot een van de 'Best verzorgde boeken' van 1988. Kijk mijn letter ging, hoewel afzonderlijk verkrijgbaar in de algemene boekhandel, deel uitmaken van de leesmethode 'De Leesbus', aldus Karen Ghonem-Woets in Lexicon van de jeugdliteratuur anno 2010 (DBNL).
 

 
In 1989 verschenen er minstens tien vergelijkbare prentenboekjes, alle in de reeks 'De Leesbus', waartoe ook handleidingen (door, jawel, Annie Keuper-Makkink), letterblokken en kijkplaten hoorden. Deze leesmethode heeft het niet gehaald. Veel uitgaven zijn nog tweedehands te koop.
In de colofon van de uitgave van Lemniscaat staat dan ook wat cryptisch: 'eerste druk in deze vorm'. Achter het copyright-tekentje staat bij tekst en illustraties: 1990. En onderaan de pagina: 'Kijk mijn letter verscheen in 1990 voor het eerst bij Uitgeverij Noordhoff onder dezelfde titel in de serie De Leesbus.'

Kortom: kijk, oude letters als nieuw! Tot je de kleine letters achterin leest...

Intussen mogen we best blij zijn met deze heruitgave. Dat De Leesbus het heeft afgelegd tegen Veilig leren lezen betekent niet dat het een slechte methode was. We weten bovendien al sinds tijden dat de beste leesmethode vooral bestaat uit een goede leerkracht, dat is een- en andermaal aangetoond. 
Annie Makkink was zo'n goede, bevlogen leerkracht, die zich met hart en ziel inzette voor haar leerlingen. 

Kijk mijn letter bevat per pagina een vierregelig versje rond een letter.
Bijvoorbeeld:



De volgorde van de letters is bijzonder: i, k, m, s, ij (als één letter ontworpen), ...


... n, ie, r, a, h, o, d, g, e, aa, u, au, v, uu, ee, ... 


t, p, j, oo, ui, w, oe, l (met het opmerkelijk lange woord lantarenpaal), f, eu, z, ou, ei, b, ng, ch, en tenslotte in twee plaatjes bij elkaar de 'vreemde vrienden' c, q, x en y.
 
Merkwaardig, niet waar? Ik heb helaas Annie Makkinks handleiding niet, anders zou ik hebben nagegaan waarom ze deze volgorde hanteerde. Ze zal er wel argumenten voor hebben gehad, maar die vallen voor mij niet te raden en de volgorde komt op mij willekeurig over, afgezien van de afsluiting met dat exotische viertal en daarvóór ng en ch. Heeft ook niets te maken met klankfrequentie in het Nederlands en de meest voorkomende klank (Ə, de sjwa ofwel stomme e) komt niet in het rijtje voor omdat we er geen aparte letter voor hebben. Wellicht vinden sommige taalkundigen dat de stomme e gewoon een variant is van de beklemtoonde è, maar ja, de ij in hartelijk is ook een Ə., net als de ee in het lidwoord een.

Je moet sowieso al een heleboel letters en lettercombinaties kennen als je dit boekje begint te lezen. De oo van slagroom en brood verschijnt al ver voor de oo-pagina, om maar iets te noemen. Het is dus vooral een oefenboekje voor wie alle letters al eens heeft 'gehad'.
Ik zie wel dat in deze volgorde de gesloten klinkers (bv. de o in hop) voor de open klinkers (bv. de oo of o in hoop of hopen) komen, anders als op het uit het begin van de 20e eeuw daterende beroemde leesplankje van Hoogeveen, ... 
 

 
... met daarop de 'normaalwoorden' aap, noot, mies, wim, zus, jet, teun, vuur, gijs, lam, kees, bok, weide, does, hok, duif, schapen. Zie opnieuw hier voor een beknopte maar gedegen geschiedenis van het Nederlands leesonderwijs, met onder meer aandacht voor 'De Leesbus'.
 
Dat Nederlands een lastige taal is om te leren lezen en schrijven hoef ik niemand uit te leggen. (Het kan natuurlijk altijd nog lastiger: Engels.) Om die vaardigheden onder de knie te krijgen is oefening nodig, veel oefening.
Deze versjes zijn geschikt voor eerste leesoefeningen. Meer ook niet, veel poëzie zit er niet in. 
De Schuberts hebben er wel leuke tekeningen bij gemaakt, vooral die reeks beesten die over de onderrand wandelt is grappig. Werk uit 1988... Bekijk recenter werk van het tweetal en je ziet hoe stijlvast ze zijn.

 

Makkink, Annie, en Ingrid en Dieter Schubert. Kijk mijn letter. Lemniscaat, 2020. 40 p., ISBN 078 90 477 1230 5.

zondag 13 december 2020

Hoe worden baby's gemaakt?

Altijd nieuwsgierig naar verklaringen voor kinderen van ons bestaan, of het nu in het groot is (Zo werden we mensen) of in het klein, zoals dit boek met de vrolijk-zakelijke titel Hoe worden baby's gemaakt?, van Anna Fiske (tekst en illustraties, vertaling Edward van de Vendel). De oorspronkelijke Noorse titel is Hvordan lager man en baby? en dat is letterlijk 'Hoe maakt men een baby?'.

De aanblik van het schutblad voorin zal voor jonge meekijkers-op-schoot wellicht raadselachtig zijn, bij de volwassen voorlezers zal het een glimlach opwekken: gezien de titel van het boek ligt de interpretatie voor de hand, een zwerm zaadjes op weg naar een eicel. Met een andere context zouden het zieltjes op weg naar de hemel hebben kunnen zijn.

'Ooit ben jij een baby'tje geweest', wordt de lezer in drie pagina's ingepeperd, alvorens de hamvraag komt: 'Maar hoe worden baby's gemaakt?' Een en ander in een soort geschreven-hoofdletter-fonds dat het beginnende lezertjes niet makkelijk maakt.

En, heel schattig, 'een baby maken begint met liefde'. Dat is niet altijd waar, maar het heeft in een boek als dit geen zin om jonge luisteraars-lezers met grimmiger kanten van het leven te confronteren. Dus vooruit maar... Het begint zo

en dan zo:
 

Met een meerkeuzetoets ('Wie hebben hier seks?'):

  


 

Dan begint de technische uitleg, tevens verduidelijking van het schutblad:

 

Het wordt snel duidelijk dat van die meute zaadcellen er slechts eentje de eicel bereikt, helaas niet geheel op ware grootte verhoudingen en is foetus dus een ander woord voor baby?

 

Dat wordt niet nader uitgelegd, zo blijft er nog iets over voor vader of moeder. Maar we zijn wel in Skandinavië, dus wordt er liefdevol gedacht aan mensen die geen kinderen kunnen krijgen en hoe dat dan geregeld kan worden:

   

Vreemd genoeg wordt daarna de technische uitleg weer hervat, over zaadcellen op weg naar dat ene ei en dat het niet altijd in één keer lukt. En vervolgens wordt de groei in moeders buik in beeld gebracht (waarin tevens duidelijk wordt wat een foetus is), wat de ongemakken van zwangerschap zijn, hoe de ontwikkeling is (fraai beeld over twee pagina's), wat liefdevolle voorbereidingen, en dan begint de bevalling. Thuis of...



... in het ziekenhuis. Zo:


of per keizersnee. Uiteraard is het kindje welkom. Zie liefde, voorin. En op het schutblad achterin zien we twaalf wiegen waaruit een handje steekt en soms voetjes.

Niets mis met dit karikaturaal maar liefdevol getekende voorlichtingsboek.


 
Fiske, Anna. Hoe worden baby's gemaakt? Vert. Edward van de Vendel. Querido, 2020. 72 p., ISBN 978 90 451 24247.


zaterdag 12 december 2020

Tonke Dragt opnieuw voorgedragen voor Andersen Award

 Persbericht van IBBY Nederland:

Tonke Dragt en Sylvia Weve genomineerd 
voor de Hans Christian Andersen Awards 2022

De Nederlandse sectie van IBBY nomineert Tonke Dragt (categorie auteurs) en Sylvia Weve (categorie illustratoren) voor de Hans Christian Andersen Awards 2022. 
 
De Hans Christian Andersen Award is de hoogste internationale onderscheiding die wordt toegekend aan auteurs en illustratoren van kinderboeken. De prijs wordt elke twee jaar door IBBY uitgereikt aan een auteur en een illustrator die met hun werk een belangrijke, blijvende bijdrage hebben geleverd aan de kinderliteratuur. 

Tonke Dragt werd in 2012 ook door IBBY-Nederland voorgedragen. Sylvia Weve wordt voor de tweede keer op rij genomineerd en bereikte in 2020 de shortlist. 

De winnaars worden bekendgemaakt tijdens de Kinderboekenbeurs in Bologna in het voorjaar van 2022 en de prijsuitreiking vindt plaats op het tweejaarlijkse IBBY-congres in datzelfde jaar. In totaal zijn er 62 genomineerden uit 33 landen. Lees hier het persbericht van IBBY International met een overzicht van alle kandidaten.

Einde persbericht.
Of deze Award de 'hoogste internationale onderscheiding' is 'die wordt toegekend aan auteurs en illustratoren van kinderboeken', dat hangt ervan af wat onder 'hoogste' wordt verstaan. Het is niet de prijs die het meeste opbrengt. Dat is de Astrid Lindgren Memorial Award: SEK 5.000.000 oftewel ruim 5 miljoen euro. 
De prijs werd in 2019 gewonnen door Bart Moeyaert. Guus Kuijer won hem in 2012. Tonke Dragt zou hem wat mij betreft verdienen. Maar ja, ze is voorgedragen voor de Andersen Award. Ook die zou ze verdienen.
De Andersen Awards bestaan al veel langer dan de ALMA en zijn ingebed in de International Board on Books for Young people (IBBY, opgericht 1953), een 'non-profit organization which represents an international network of people from all over the world who are committed to bringing books and children together'.

Nog wat verschillen: de ALMA wordt toegekend door een twaalfkoppige Zweedse jury, terwijl de Andersen Awards worden toegekend door een internationale jury. Winnaars van de ALMA zullen hem in Zweden moeten afhalen, winnaars van een van de Andersen Awards (de ene is voor auteurs, de andere voor illustratoren) worden in de bloemen gezet tijdens het tweejaarlijks IBBY-congres. (Eerstvolgende 10-12 september 2021, Moskou. Had 2020 moeten zijn, maar ja, corona...) 
De aankondiging vond altijd plaats tijdens de jaarlijkse internationale kinderboekenbeurs in Bologna, elk voorjaar behalve nu: in 2020 ging-ie niet door en de eerstvolgende is in juli 2021.

Voordrachten voor de Andersen Awards worden verzorgd door de nationale IBBY-secties, wat betreft ons taalgebied dus IBBY Nederland (zie boven) en IBBY-Vlaanderen: voor 2022 Carl Cneut.
Aangezien Vlaanderen en Wallonië nog altijd deel uitmaken van één federale staat België, doen de Vlaamse en de Waalse IBBY-sectie om beurten voordrachten.
Voordrachten voor de ALMA komen eveneens van IBBY-secties, maar ook van voorgaande winnaars uit het taalgebied en nog enkele organisaties.

vrijdag 11 december 2020

Zo werden we mensen?

Altijd nieuwsgierig naar verklaringen voor kinderen van ons bestaan, of het nu in het klein is (Hoe worden baby's gemaakt?) of in het groot, zoals dit boek met de wonderlijke titel Zo werden we mensen, van Michael Bright (tekst, vertaling Jesse Goossens) en Hannah Bailey. De oorspronkelijke Britse titel is When We Became Humans, wat maar iets minder wonderlijk is.

Het wonderlijke zit 'm in het gebruik van we.

De titel is bijna de enige plek in het boek waar we kennelijk alle levende en gestorven mensen en hun voorgangers omvat. Wij zijn daar zo ongeveer iedereen inclusief voorouders, en sterker nog, we waren al iets voordat we mensen werden, want anders kun je geen mens worden.
Dat wordt nog volgehouden op p. 4, na de inhoudsopgave, in het eerste hoofdstukje, 'Wat is een mens?'.
 
We verbouwen voedsel, houden dieren en drijven handel tussen de continenten. We spreken en schrijven in moeilijke talen. We kunnen iets beredeneren, we doen ontdekkingen en we proberen te begrijpen hoe de wereld in elkaar zit. Met beeldende kunst, muziek en literatuur vieren we wat we zien en horen. Verfijnd gereedschap helpt ons om gebouwen en ingewikkelde machines te maken en we kunnen zelfs naar de ruimte reizen. Geen enkel dier doet dit allemaal.
 
Onder het plaatje houdt het op, kijk maar:
 
 
En op p. 8 heet het dat

onze vroegste voorouders leken het meest op boomspitsmuizen.

Daar kijken wij al naar hullie, 'onze voorouders'.
 
Die boomspitsmuizen brengen me op een eveneens wonderlijke onevenwichtigheid in dit boek. De illustraties lijken mij bedoeld voor kijkers van zeven of acht en ouder. De tekst lijkt me geschikt voor lezers van tien of elf en ouder. Zeg nu zelf, kan een achtjarige overweg met bovenstaande tekst, of met de hierna geciteerde?

         De naam zegt het al
De wetenschappelijke soortnaam voor de moderne mens is Homo sapiens, wat 'wijs mens' betekent. In de biologie hebben alle levende dingen een naam die uit twee woorden bestaat. Homo, mens, is de naam van het geslacht. Sapiens, 'wijs', is de soortnaam. Op de volgende bladzijden zie je de namen van verschillende van onze voorouders - maar van sommige staat er alleen een geslachtsnaam om het minder ingewikkeld te maken.

Toe maar. Afgezien van de vraag of levende dingen niet een contradictie is, blijken we al meteen wijs. Een opkikkertje bij zoveel dwaasheid om ons heen.
Hoe je homo sapiens moet uitspreken staat overigens pas op p. 28. Tot die pagina zal het voor onze achtjarige wellicht rijmen op 'tot ziens'. 
 
Het kan natuurlijk zijn dat ik de illustratiestijl 'te jong' inschat...
 
Het volgende hoofdstukje, 'Een klein begin',  waar die boomspitsmuizen vandaan komen, begint aldus.

De oudste primatenfossielen dateren van 65 miljoen jaar geleden. Die dieren waren voortgekomen uit primaatachtige wezens die leefden toen de dinosaurussen de wereld overheersten. Ze waren klein en bleven uit de buurt van de dino's door in bomen te leven.

Meteen opletten graag! Als je woorden als continenten en evolutie hebt overleefd (zie boven), als je hebt beseft dat 'we' natuurlijk ook makkelijke talen spreken en schrijven en ook wel eens onderling handel drijven in plaats van 'tussen continenten', dan weet je vast wel wat fossielen zijn (en anders zoek je het maar op), en wat primaten zijn werd al uitgelegd op de voorgaande pagina, namelijk

een subgroep van de zoogdieren waar enerzijds lemuren en lori's deel van uitmaken en anderzijds spookdiertjes, apen en mensapen (en dus ook mensen) onder vallen.
 
Eh, zoogdieren? Staat daarboven:
 
Mensen zijn zoogdieren. Zoals bij alle andere zoogdieren hebben mensen haren en drinken hun baby's moedermelk. Daar zit alles in wat een baby nodig heeft om te groeien.
 
Dit is géén bladerboek!
Voor die lemuren, lori's en spookdiertjes moet je maar naar de dierentuin, of internet. Dan hebben we de hominini en de hominidae al gehad en het verschil tussen mensen en mensapen is te leuk om niet te citeren:

Er is een duidelijk verschil tussen apen en mensapen: apen hebben een staart, maar mensapen niet. Kijk eens in de spiegel? Jij bent dus een mensaap.

Nogal wiedes, want in de spiegel zie je alleen je voorkant. Een staart valt goed te verbergen. Ik geef toe: apen hebben doorgaans erg lange staarten. In ieder geval maakt deze tekst korte metten met ideeën over de goddelijke status van de mens. Tenzij we de mensapen ook die status verlenen, met alles wat er verder nog bestaat of zou kunnen bestaan.

Na deze twee hoofdstukjes en 'Apentijd' komen we bij een bijzonder hoofdstukje, dat heel erg nodig werd, want 'Hoe weten we wie onze voorouders waren?'.

Door fossielen te bestuderen en hier wordt keurig uitgelegd wat fossielen zijn, al moet je wel weten wat sediment is en wat röntgenstraling, CT-scans en DNA zijn. O pardon, DNA is 'de chemische blauwdruk in onze celkernen'...
Celkernen?
Afijn, ik heb mijn leesbaarheidspunt wel gemaakt, geloof ik. Zelfs voor achtstegroepers is dit hier en daar een pittig vertoog, terwijl de illustraties lijken op die uit een prentenboek van hun jongere zusje of broertje.
 
 

In de hierna volgende hoofdstukjes worden 'onze voorouders' aan ons voorgesteld, te beginnen met Lucy. Niet alleen onze voorouders, ook types die genetisch zijn afgedwaald, zoals de homo floresiensis. Hun skelet, hun vermoedelijke bouw, wat ze aten, wat ze konden: stenen aanscherpen, vuur maken, schuilplaatsen, houten hutten, vlotten, speren en andere wapens, sieraden, boten, afbeeldingen, dieren temmen, wielen en karren, brood bakken, stenen huizen, werk verdelen, elkaar de kop inslaan (sorry, dat is mijn toevoeging), doden begraven, spullen ruilen, geneesmiddelen maken (of wat daarop leek), goden uitvinden, het schrift uitvinden en vooral zich vermenigvuldigen. (Hoe, dat staat er niet in. Ook niet dat er behalve spullen en voedingswaren ook mensen werden verhandeld.)
 

 
 
















 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
De laatste teksten, op p. 59, wil ik je niet onthouden:
 
      Bevolkingsexplosie
Ongeveer 10.000 jaar geleden leefden er 10 miljoen mensen op aarde. Tijdens het Romeinse Rijk waren dat er 200 miljoen. Nu zijn dat er 7,6 miljard en in 2100 misschien wel 11,2 miljard.
Zo'n enorme groei levert belangrijke vragen op. Waar moeten we met z'n allen wonen? Hoe kunnen we iedereen te eten geven? Hoe gaan we om met de planten en dieren en hoe beschermen we de natuur? De komende jaren zullen deze vragen alleen maar dringender worden.

      Sciencefiction of werkelijkheid?
Wetenschappers weten niet hoe de mens zich zal blijven ontwikkelen, maar er zijn een paar mogelijkheden. Misschien blijven we zoals we nu zijn, met een paar kleine veranderingen. Of er ontstaat een heel nieuw soort mens, hier op aarde of op de planeten waar we gaan wonen. Een derde optie is dat het menselijk brein gaat samenwerken met zelf denkende machines, en dat het menselijk lichaam helemaal verdwijnt. Wat denk jij dat er gaat gebeuren?

Fijn, zo'n open vraag waarop een gemiddelde jonge lezer als antwoord enkel een beetje kan gokken en fantaseren. Mooi voor een gesprek in de klas, maar de meester of juf weet het natuurlijk ook niet.
(Op welke planeten gaan we wonen? Haha. Loop naar de maan.)
Intussen toch een leerzaam boek, helaas met gebreken. Maar, voor zover ik kon nagaan, niet met onwaarheden. In deze tijd met oprukkende flat-earthers en andere werkelijkheidsontkenners kunnen we zo'n boek goed gebruiken in de schoolbibliotheek.
 
Achterin het boek een tweepagina-overzicht van de 'stamboom van de mens', een kaart van de migratie-bewegingen in de wereld en een register dat 'woordenlijst' heet.
 

Bright, Michael. Zo werden we mensen; onze ongelofelijke evolutie. Ills. Hannah Bailey, vert. Jesse Gossens. Lemniscaat, 2020. 64 p., ISBN 978 90 477 1190 2. Oorspr.: When We Became Humans, Quarto Publishing, 2019.