Zoeken in deze blog

donderdag 21 januari 2021

Klaus Mann en zijn zwaarmoedigheden

Als ik ooit een roman zou gaan schrijven, is het eerste wat ik me zou afvragen: wie gaat er vertellen?
 
Het antwoord kan natuurlijk heel argeloos zijn: ik. 
Maar wie ben ik? En als ik na tien jaar mijn roman herlees, ben ik dan nog dezelfde?
 
De argeloze oplossing is een verplaatsing van de vertelkring naar de geschreven tekst. In de kring ben ik de verteller, mensen luisteren (hopelijk, of ze doen alsof). Er is bijna geen twijfel mogelijk. Bijna: want ik kan mij vermommen, voordoen als een ander, doen alsof. We belanden in het theater, al dan niet digitaal.
De Ickabog, het verhaal dat ik las vóórdat ik de roman las waarover dit stukje zal gaan, is zo'n verhaal. De auteur heeft de voorleessessies waaruit het verhaal ontstond, eenvoudig verplaatst naar de geschreven tekst. Als je wil, kun je dit ook een theatertruc noemen. De verteller doet alsof hij of zij de auteur is, met de naam die op het omslag staat. Dat is dus ook zo, behalve dat de levende auteur met de tijd mee verandert en de verteller in het verhaal niet.

Het antwoord kan ook zijn: de hoofdpersoon. Of een van de hoofdpersonen. Of een ander personage. Dat is natuurlijk een variant op de verteller-die-doet-alsof zoals hierboven geschetst. De verteller maakt dat soms al in de eerste zin duidelijk: 
 
I was born in the year 1632, in the city of York, of a good family, though not of that country, my father being a foreigner of Bremen, who settled first at Hull. 
 
Op de voorkant staat echter Daniel Defoe vermeld, en lezers van The Life and Adventures of Robinson Crusoe zullen snel beseft hebben dat in die eerste zin zogenaamd niet Defoe aan het woord is. Ze zullen even snel beseft hebben dat Defoe hier een fictieve verteller schiep.
 
In de 20e eeuw kwam de onpersoonlijke verteller in zwang. Zo'n verteller die zich niet voorstelt, niets over zichzelf meldt en alleen maar beschrijft.
Neem dit begin uit een bekend verhaal, verschenen in 1924:

‘Satanse jongen, hou die bout vast!’
‘k Hou 'm toch vast, baas?’
‘Noem je dat vasthouden? Jij zult nooit een goeie smid worden!’
Peter Hajo zweeg even. ‘Wil ik ook niet,’ pruttelde hij toen.
‘W-wat zeg je? Wil jij geen smid worden?!’
‘Nee, baas. 'k Wil naar zee.’
Meester Wouter, de hoefsmid uit ‘De IJzeren Man’, liet de zware voorhamer, die
hij juist had opgeheven, van verbazing een seconde lang in de lucht zweven. Toen
dreunde een mokerslag; de vonken stoven meester en knecht om het gezicht.
‘Gekkenpraat!’ zei de hamer in zijn ijzeren taal.
Peter Hajo keek zwijgend naar het roodgloeiende bouteinde.
Hij verstond de taal van de voorhamer! Als hij in het halfdonker van de
wintermorgen de rossig-schemerende smederij binnenkwam, had hij buiten al gehoord
hoe zijn baas gemutst was.

Wie is hier aan het woord? Wie leent hier zijn of haar stem aan twee personages, wie weet wat Peter Hajo verstaat? We krijgen het niet te weten.
De argeloze lezer kijkt op de voorkant van het boek, ziet de naam Johan Fabricius en denkt: dat is 'm. Maar op De wondere avonturen van Arretje Nof (1926-1927) en Jongensspel (1965) en nog tientallen andere boeken staat ook die naam en is dat dan dezelfde verteller?

Hoe dan ook, ik kwam tot deze bespiegelingen bij het lezen van De naam van mijn vader van Rindert Kromhout. Dat is de derde en laatste roman 'over Klaus Mann voor bijna-volwassen en volwassen lezers', zoals op zijn website staat.
 
Eerder schreef hij een drietal romans over de Bloomsbury-groep (Soldaten huilen niet, April is de wreedste maand en Vertel mij wie wij waren). In 2016 verscheen Een Mann, in 2018 En ik was zijn held. In alle zes verhalen speelt homoseksualiteit een rol - ik vermoed dat dit iets was dat de auteur aantrok in de twee beschreven families.
'Beschreven families': want al hebben we te maken met romans, in wezen fictie, Rindert Kromhout heeft zich zo degelijk verdiept in de geschiedenis dat het bijna non-fictie had kunnen zijn. Wellicht was dat een betere keuze geweest, want dat had hem de kans gegeven zijn persoonlijke betrokkenheid bij deze families te tonen. Nu verschuilt hij zich achter de vertellers die hij koos.

Daar zit wel een interessant verschil. Treden er in de romans over de Bloomsbury-groep vertellers op uit die groep, in de trilogie over de familie Mann, of beter over Klaus Mann, treedt een onpersoonlijke verteller op. Ik betwijfel of dit een gelukkige keuze was. Het zou ongetwijfeld een veel grotere uitdaging zijn geweest, maar ik denk dat hij ook in deze romans beter een personage als verteller had kunnen opvoeren. Dat had uiteraard Klaus Mann kunnen zijn, waarbij het dan ingewikkeld is dat deze auteur zelf twee autobiografieën heeft geschreven, Kind dieser Zeit (1932) und Der Wendepunkt (1942), die hij zelf als 'in erster Linie als literarische Texte zu lesen'  aanbeval. Maar het had ook zus Erika kunnen zijn, die een diepe band met Klaus had, of zijn legermaat John Tewskbury, de soldaat die Klaus Mann in De naam van mijn vader in 1945 als chauffeur-fotograaf begeleidde op zijn journalistieke missie voor de krant Stars and Stripes.

Afijn, we moeten het doen met die onpersoonlijke verteller, die ons als een soort gids voorgaat in de beschrijving van dit deel van Klaus Manns leven. Want dat blijft het, ondanks de vele dialogen die wat leven moeten brengen. Het sterkste deel vond ik hoofdstuk 12, waarin de verteller Klaus laat ronddwalen door de stad van zijn jeugd en praten met diverse andere personages. Sterk vond ik ook wel het idee om die rit van Rome naar München als rode draad te nemen, waarbij Klaus dan zijn levensverhaal vertelt aan John. Jammer echter dat dit verhaal door die onpersoonlijke verteller die het dan als het ware van Klaus overneemt wat mij betreft te stijfjes wordt, ontdaan van de geur en kleur van leven, en verpieterd door het inlassen van informatie die minder met de beleving door hoofdpersoon Klaus als met ons lezers van doen heeft, alsof de verteller bezorgd is dat hij ons te weinig vertelt.

Dat begint al meteen op de eerste bladzijde. Ik citeer:

Oorlogsverslaggever Klaus Mann, sergeant in dienst van het Amerikaanse leger, pakte zijn rugzak in en verliet het kleine hotel achter het Pantheon. Te voet ging hij naar het redactiekantoor van de Stars and Stripes, de legerkrant waar hij voor werkte, om zijn instructies in ontvangst te nemen. Het was druk op straat. Huisvrouwen droegen verrassend volle boodschappentassen, magere straatverkopers prezen luidkeels hun wat armoedige ogende waren aan, oude mannen zaten op terrasjes wijn te drinken. Aan weinig was te zien dat dit een stad in oorlog was geweest. Vrijwel geen gebouw was beschadigd door bommen of kogels. Het respect voor het historische stadscentrum had de geallieerden tot terughoudendheid bewogen. Klaus passeerde het theater aan de Largo Argentina, gooide een muntstuk naar een blinde bedelaar die met een hond op een kleedje op de stoep zat en ging rechtsaf de smalle winkelstraat in die naar de Campo dei Fiori leidde. Het redactiekantoor van de Stars and Stripes bevond zich op de tweede verdieping van een licht naar voren hellend palazzo aan de zuidkant van het plein, boven een eethuis en een woning met krijsende kinderen en hun nog harder krijsende moeder. Klaus beklom de trappen en ging het kantoor binnen.

Einde eerste, lange alinea.
Ik merk dat de verteller zijn best doet om filmisch te vertellen, zodat we het tafereel voor ons zien. 
Met de beleving van de hoofdpersoon heeft dat weinig te maken, want we mogen aannemen dat die zijn verrassing over volle boodschappentassen en de geringe beschadiging allang heeft gehad en zo'n zin als dat 'het respect voor het historische stadscentrum de geallieerden tot terughoudendheid had bewogen' zou op dit moment zeker niet door hem heen zijn gegaan, al helemaal niet in die formele bewoordingen. Dat het kantoor van zijn krant licht voorover helt, heeft-ie natuurlijk ook allang waargenomen.
Dit is allemaal voor ons, lezers, en dat werkt vooral afstandelijk, alsof we worden meegenomen door een reisgids.

Dat wordt iets levendiger in de dialogen, maar soms zijn die ook erg houterig, zoals deze:

'Echt waar? Klaus Mann, volgens mij ben jij interessanter dan ik had vermoed. je maakt me nu werkelijk nieuwsgierig.'
Klaus glimlachte. 'De komende dagen zijn we tot elkaar veroordeeld, ik denk dat ik meer dan genoeg tijd zal krijgen je het een en ander te vertellen.'

Joh.

Zo valt er helaas veel houterigs te citeren. Nog een (p. 15), en daar laat ik het bij:

'Maar dit kan ik toch werkelijk niet over mijn kant laten gaan.' Fel tikte vader met zijn wijsvinger op de krant die voor hem op het bureau lag. Klaus en Erika zaten tegenover hem in zijn werkkamer in Küsnacht. De ramen boden uitzicht op het dorp onder hen en het nog lager gelegen Meer van Zürich.
'Ik zal me hier in het openbaar en met klem van moeten distantiëren,' zei vader.
Klaus was aangenaam verrast. Al sinds de dag, meer dan drie jaar geleden, waarop zowel hij als Erika Duitsland hadden verlaten om in ballingschap te gaan, Erika in Zwitserland, Klaus in Berlijn en Amsterdam, hadden ze er bij hun vader op aangedrongen zich publiekelijk uit te spreken tegen de nazi's.
Maar de tovenaar, zoals hij in familiekring werd genoemd, had gezwegen. Tot aan dit moment. Want nu, nu ze probeerden Thomas Mann en de geëmigreerde Joodse schrijvers en uitgevers tegen elkaar uit te spelen, was zelfs voor hem de absolute grens van wat hij kon verdragen overschreden.

Het ontbreekt nog maar net aan een tussen haakjes toegevoegde verwijzing naar de roman En ik was zijn held. Ook hier geldt dat er weinig beleving wordt weergegeven. Verder dan dat verrast komen we niet. De rest is informatie voor ons, lezers.

Kortom, al is dit portret niet onverdienstelijk, het pakt me niet bij de kraag, laat me niet tintelen, zet me er niet toe om het in één ruk uit te lezen. Gedegen en onderhoudend, meer lof kan ik niet geven.
 

Kromhout, Rindert. De naam van mijn vader. Leopold, 2020. 252 p., ISBN 978 90 258 8015 6.


maandag 18 januari 2021

Lesje dictatuur voor achtjarigen

En toen was daar opeens weer een verhaal voor kinderen van Joanne (J.K.) Rowling. Het verscheen deel voor deel op internet, ter ondersteuning van kinderen die wegens corona thuis zaten, en er hoorde een tekenwedstrijd bij. 
De Nederlandse uitgever (De Harmonie, in Vlaanderen Elkedag Boeken) pakte dit idee bliksemsnel op, met als resultaat dat er in de Nederlandse vertaling van The Ickabog, niet verrassend De Ickabog getiteld, tekeningen staan van kinderen uit Nederland.

Dit verklaart Rowling over het ontstaan van The Ickabog:

I had the idea for The Ickabog a long time ago and read it to my two younger children chapter by chapter each night while I was working on it. However, when the time came to publish it, I decided to put out a book for adults instead, which is how The Ickabog ended up in the attic. I became busy with other things, and even though I loved the story, over the years I came to think of it as something that was just for my own children.

Then, in the Spring of 2020, lockdown happened. It was very hard on children, in particular, so I brought The Ickabog down from the attic, read it for the first time in years, rewrote bits of it and then decided to publish it online for children stuck at home.  I also thought how wonderful it would be if children on lockdown illustrated the story for me, and so we launched the Ickabog illustration competition, run by my publishers around the world.

Het spijt mij zeer dat ik dit heb gemist. De Ickabog bereikte mij als boek, niet als reeks op internet. Aangezien ik wel bij buren en anderen heb meegekregen dat het verplicht thuis blijven voor ouders en kinderen soms behoorlijk lastig was en is, vind ik het een mooi initiatief van Joanne Rowling.
 
Het lijkt wel een beetje op een met losse hand uit de mouw geschud verhaal, ondanks die herschreven 'bits of it'. Ik zou niet geraden hebben dat deze auteur een zeven delen tellende reeks verhalen heeft geschreven waarvan er zo'n 500 miljoen over de toonbank zijn gegaan en die inmiddels is verfilmd.
 
Hoewel, in De Ickabog zitten genoeg elementen voor een rode-oortjes-verhaal, zo'n verhaal waarvan je absoluut wil weten hoe het afloopt, zeker als je een jaar of acht bent. Dat het hier en daar wel erg dik is aangezet en dat koning Fred wel erg ongeloofwaardig is, zal de meeste jonge lezers waarschijnlijk niet deren, evenmin als het happy end, dat bij menig volwassen (voor)lezer een vrolijk kriebeltje zal opwekken als-ie ontdekt dat de monarchie wordt afgeschaft. 
 
Helaas wordt de koning simpelweg vervangen door een stel raadsheren, dus een lesje in democratie is dit verhaal niet echt. Wel krijgen lezers mee dat bestuurders naar de bestuurden dienen te luisteren, dat een goede regering ervoor zorgt dat mensen zich kunnen ontplooien en uiten, en dat goede bestuurders zich niet verrijken ten koste van de bestuurden. Mensen in het gevang gooien of doden omdat hun meningen bestuurders niet aanstaan, is not done. Er moet een fatsoenlijke rechtspraak zijn.
Dat is mooi meegenomen, vind ik. Want dezer dagen wordt dat steeds minder vanzelfsprekend dan het ooit was. En hoe het mis kan gaan, wordt in dit verhaal lekker dik neergezet, Steenrijk wordt straatarm op de machthebbers na, er verdwijnen mensen, er vallen doden en de gevangenis zit vol.
Over zaken als vertegenwoordiging, inkomensverschillen e.d. wordt niet gerept, als politieke parabel is dit verhaal een tikje te simpel, maar het is wel een vrolijk, zij het wat krom lesje dictatuur voor achtjarigen.
 
Het is dan ook meer een sprookjesachtig verhaal, compleet met monster. Het speelt in een laat-Middeleeuws tot achttiende-eeuws aandoende wereld, in een land dat Steenrijk heet. 
Net als in de Potter-verhalen houdt Rowling ervan personages en landstreken een naam te geven die verband houdt met een karaktertrek, de voornaamste slechteriken van dienst heten baron Ter Sluycks en Van Bulckhoven, en de hardvochtige bazin van het weeshuis Ma Snauw, met haar trouwe hulp en oudste weesjongen Jan Lel. Er is één ironische naam: de labbekak van een koning heet Fred de Flinkerd.
Die vertalingen van Wiebe Buddingh' (ook de vertaler van de Harry Potter-reeks) zijn spitsvondig. King Fred the Fearless (het bangst van iedereen voor de Ickabog), Ma Grunter en haar Bashing John, Lord Spittleworth en lord Flapoon, in het land Cornucopia. En professor Fraudysham werd professor Ootje, heel knap, al vroeg ik me af hoeveel jonge lezers de uitdrukking 'in het ootje nemen' nog kennen.

Het hele land blaakt in voorspoed, behalve de zompige moerassen in het noorden, en daar huist de Ickabog. Pas op, de Ickabog komt je halen, waarschuwen sommige ouders hun kinderen als die niet het gewenste gedrag vertonen. Volwassenen nemen aan dat dit monster niet bestaat, zonder dat zeker te weten.
Het gerucht dat het monster wél bestaat, wordt door de twee barons gebruikt om de macht te grijpen, de koning praktisch op non-actief te stellen, hoge belastingen te heffen, zichzelf te verrijken en iedereen uit de weg te ruimen die dwarsligt.
Hoofdpersoon Roos Rondhout (jaja, dochter van de koninklijke timmerman, Engels Daisy Dovetail) moet ook vluchten, komt terecht in het weeshuis van Ma Snauw, weet daaruit na jaren te ontsnappen met drie bondgenoten, ontdekt de Ickabog, die wel degelijk bestaat en eigenlijk een heel zachtmoedig wezen is dat meer van paddenstoelen dan van kinderen houdt, rukt met de Ickabog op en zo komt er een eind aan de heerschappij van de in tirannen veranderde en altijd al vraatzuchtige en inhalige barons. Koning Fred heeft enorm berouw, wordt (net als de baronnen) gevangen gezet, maar krijgt de nobele taak om een wat ruwe nakomeling van de Ickabog op te voeden.
Wie mijn samenvatting al te beknopt vindt, bezoeke de Engelstalige Wikipedia-site: 'This article's plot summary may be too long or excessively detailed. Please help improve it by removing unnecessary details and making it more concise', meldde de Wiki-redactie daar nog op 15 januari 2021.

Roos was een slimme meid en had altijd geweten dat haar vader ervan overtuigd was dat de Ickabog niet bestond, dus dwong ze zichzelf om te geloven dat hij ergens opgesloten zat in een cel en door de tralies voor het raampje omhoog staarde naar dezelfde maan waar zij ook iedere nacht naar keek, voor ze in slaap viel.
Imme Hornby, 11 jaar, Bergen

De verteller van dienst is een naamloze, alleswetende verteller, die zich vaak direct tot zijn publiek richt: veel afstand van de vertellende moeder die haar jonge kinderen voorlas, zie boven, is er niet.
Die verteller weet echt alles. Over koning Fred, op de eerste pagina van het eerste hoofdstuk:

Koning Fred was stiekem opgelucht toen hij merkte hoe gemakkelijk het was om Steenrijk te regeren. Vrijwel iedereen had meer dan genoeg te eten, de kooplui verdienden zakken vol goud en Freds raadgevers handelden de eventuele probleempjes die zich voordeden voor hem af.

En op de tweede pagina:

Een tijdlang leek het erop dat Fred iets voelde voor freule Eslanda, die net zo donker en mooi was als Fred blond en knap, maar Ter Sluycks wist Fred ervan te overtuigen dat ze een veel te serieuze boekenwurm was en dat het volk nooit van zo'n koningin zou kunnen houden. Fred wist niet dat baron ter Sluycks een wrok koesterde tegen freule Eslanda. Hij had haar ooit zelf ten huwelijk gevraagd, maar ze had hem afgewezen.

De verteller weet dat dus wél.
Ze schroomt ook niet om zich te melden, zoals op p. 23:

Doordat Berta de gewoonte had om taarten die nét niet helemaal perfect gelukt waren mee naar huis te nemen, was Bert een mollig ventje en tot mijn spijt moet ik bekennen dat de andere kinderen hem soms 'Bolle' noemden en hem aan het huilen maakten.

En soms spreekt ze (laat ik er maar een vrouwelijke verteller van maken) haar lezers rechtstreeks aan, zoals op p. 118:

Maar hoe zat het dan, vragen jullie je misschien af, met de andere elf raadsheren die onder Visbeen hadden gediend?

(Herringbone, terzijde.) 
Of zo, bijna als een soort voice-over (p. 118-119):
 
Wat Bert niet wist was dat de komst van die koets heel belangrijke gevolgen zou hebben en hem in een gevaarlijk avontuur zou doen belanden. Daarom zullen we Bert even rustig laten doorlopen, zodat ik jullie kan vertellen over de postkoets.

Of (p. 240):

Daar konden de anderen natuurlijk geen antwoord op geven, maar ik wel. Ik zal jullie nu precies vertellen hoe het werkelijk is gegaan en ik hoop dat jullie niet boos zullen zijn dat ik dat niet eerder heb gedaan.

Het is allemaal van een heerlijke onbekommerdheid, recht tegen de regels die op moderne schrijverscursussen worden onderwezen, en het stoort niet in het minst.
Er zit geen millimeter poëzie in dit verhaal, geen dubbele bodems of diepere betekenissen, wel een voor achtjarigen behoorlijke spanningsboog en zeer bevredigend slot. Het is duidelijk het product van een ongebreidelde fantasie en dat het achtjarige lezers of luisteraars ook nog eens mogelijk aan het denken zet over rechtvaardigheid en bedrog, is mooi meegenomen.
 


Rowling, J.K. De Ickabog. Vert. Wiebe Buddingh'. De Harmonie, 2020. 304 p., ISBN 978 94 6336 117 0.

donderdag 7 januari 2021

Wie de koek krijgt, wie de gard

De onvolprezen Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur (SGKJ, de discutabele tautologie zij hen vergeven) heeft de loffelijke gewoonte haar begunstigers elk nieuwjaar een mooie brochure toe te zenden, te beginnen met Wie zou niet gaarne een koning wezen van John Landwehr in 2002 en Suja, suze, eia & nane van Jant van der Weg en Toin Duijx in 2003 tot Aan de zijlijn... drie Friese kinderboekenschrijfsters uit de negentiende en twintigste eeuw van Jant van der Weg in 2020 en nu, aanvang 2021, Wie de koek krijgt, wie de gard, beloning en straf in sinterklaaslectuur voor de jeugd van Frits Booy, dé sinterklaas-expert in ons taalgebied.

Frits Booy heeft drie eigenschappen die hem geschikt maken om zo'n brochure te schrijven: een heldere, precieze stijl, beknopt en onderkoeld; nauwkeurigheid aangaande zijn bronnen; en een enorme belezenheid in dit onderwerp. Het was een genoegen om deze brochure te lezen.
Bijzonder om te weten te komen dat de gard weliswaar al eeuwenlang in de schoen van stoute kinderen verschijnt, maar dat er vooral in de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw uitbundig werd gestraft. Na de Tweede Wereldoorlog neem dat af, de straf verdwijnt vrijwel uit de sintverhalen. Een soort geschiedenis van de pedagogie in mini-formaat.

Booy begint zijn brochure dan ook zo:

Het is algemeen bekend dat in de opvoeding van de jeugd beloning en straf al eeuwenlang zeer belangrijke aspecten zijn. Daarmee hoopten (en hopen) ouders en andere opvoeders de kneedbare jeugd tot oppassende volwassenen te vormen. Dat dat niet altijd lukt, is ook al lang gebleken. Niettemin zijn beloning en straf tot de opvoeding blijven behoren, omdat deze aanpak volgens velen meer voor- dan nadelen heeft.

Geen speld tussen te krijgen, lijkt me. Hij vervolgt:

Uit de geschiedenis van het sinterklaasfeest voor de jeugd blijkt dat beloning en straf eeuwenlang nadrukkelijk tot dit feest hebben behoord en in teksten en op afbeeldingen in  boeken en op centsprenten voor de jeugd zijn vastgelegd. Sinterklaas en later ook zijn donkere bediende(n) werden dus gebruikt als 'opvoedmiddel', al kwamen daar na circa 1750 in bepaalde kringen bezwaren tegen.

Die bepaalde kringen zijn kennelijk klein in getal, want zoals vermeld neemt bij auteurs de lust tot straffen juist toe. Booy laat dat vroege verzet verder onbesproken.

Jan Steen - Het Sint-Nicolaasfeest (rond 1666)

De eerste 'straf' mag dan vanouds het ontvangen van een gard zijn, het in de zak van Sinterklaas meegenomen worden is goede tweede. Die zak werd zelden gedragen door Sinterklaas, daarvoor had hij zijn knecht. De naam Zwarte Piet dateert pas uit de tweede helft 19e eeuw - en zal vermoedelijk in de 21e eeuw langzaam verdwijnen, ondanks verzet van een steeds kleiner wordende minderheid in min of meer dezelfde hoek als de klimaatverandering- en corona-ontkenners en andere onzekere zielen die zich vastklampen aan wat zij als vaste, zo niet eeuwige waarden beschouwen.
Frits Booy doet hierover geen uitspraak en gelijk heeft-ie. Wel bieden deze en voorgaande publicaties van zijn hand uitzicht op een traditie waarin het verschijnen van de 'donkere bediende' een relatief recent verschijnsel is, opvolger van de Bullebak en andere 'kinderschrikken', die dan toch wel mooi de gedaante van een 'Moorse page' heeft aangenomen, tot verdriet van donkerhuidige landgenoten.



Booy, Frits. Wie de koek krijgt, wie de gard, beloning en straf in sinterklaaslectuur voor de jeugd. Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur, 2021. Reeks 'De Waare Rijkdom', nr. 20.


woensdag 6 januari 2021

Dikke vriendjes

Of de twee auteurs van dit lieve prentenboek op de hoofdpersonen lijken durf ik niet te zeggen, maar eensgezind is het echtpaar Schubert altijd geweest, het heeft in artistiek opzicht een indrukwekkende staat van dienst, vanaf Er ligt een krokodil onder mijn bed! (1980) tot het in 2020 verschenen Dikke vriendjes durven alles. Hoewel er wel ontwikkeling in zit, valt de continuïteit in stijl op.
 

De dikke vriendjes gaan met zijn tweeën op stap, want 'samen durven we alles'.
Samen blijken ze ook behendig in het tot overzichtelijke proporties terugbrengen van obstakels, tot er 'iets ritselt' en ze zich 'verstoppen', zoals kleine kinderen dat kunnen doen.
 

 
Het blijkt papa te zijn en die neemt de twee op zijn rug mee naar huis.
 
Een lief, klein verhaal, fijn om voor te lezen. Het springt niet uit de band, is niet heel bijzonder, maar wel vakkundig gemaakt. Vakmanschap is meesterschap.
 
Waar ik vergeefs naar heb gezocht is welk model hamster of marmot de Schuberts als voorbeeld hebben genomen voor de hoofdpersoontjes. Mogelijk de Korenwolf, maar dan hebben ze toch iets aan de kleuren verschoven.
 

Schubert, Ingrid en Dieter. Dikke vriendjes durven alles. Leopold, 2020. ISBN 978 90 258 8058 3, 26 p.

zondag 3 januari 2021

Jenny Smelik-IBBY prijs toegekend

Als vervolg op mijn bericht van 2 november over de shortlist van de Jenny Smelik-IBBY prijs nog even melden dat de prijs werd toegekend aan Julian is een zeemeermin (Randazzo, oorspr.: Julián is a mermaid) van de Amerikaanse auteur Jessica Love, vertaald door Loes Randazzo.
Een heel bijzonder prentenboek, overigens. Maar ik heb het niet in huis, voor een bespreking verwijs ik naar Jaap Friso, wiens Jaapleest de laatste jaren is uitgegroeid tot een naslagwebsite van formaat, compleet met 'de beste 25 kinderboeken van 2020 volgens Jaapleest'. 
Dit prentenboek van Jessica Love zit er niet bij.