Zoeken in deze blog

woensdag 30 mei 2012

Prentenboeken in Frankrijk: bloei?

Als ik Annick Lorant-Jolly mag geloven: ja. 'Les années 2000 nous ont livré une moisson d'albums magnifiques qui remettent en question, à plus d'un titre, les codes traditionels et offrent aux jeunes lecteurs - et aux moins jeunes! - de belles surprises', schrijft ze in het voorwoord bij het katern 'Aujourd'hui l'album?' in La revue des livres pour enfants 264.



Dat katern bevindt zich zoals gebruikelijk tussen de critiques en de actualités en bevat artikelen van Cécile Boulaire ('Faire bouger les lignes de l'album'), Francine Foulquier ('L'album, terrain d'aventure'), Sophie Van der Linden ('Toc! Clap! Clic! Boum! Wizz! L'album illusioniste') en Anne-Laure Cognet ('Visages de la typographie dans l'album contemporain'). De nadruk in alle vier artikelen ligt op uiterlijk en stijl, meer dan op verhalen en strekking, en ze zijn mooi geïllustreerd, in kleur. Daar een uitkiezen doet het geheel tekort. Ze ondersteunen het citaat hierboven: het gaat in artistiek opzicht goed met het prentenboek in Frankrijk. Of het ook goed gaat met de verkoop, daarover geen gegevens.
Het katern wordt gevolgd door een artikel van Catherine D'Humières over "Le vieillard et l'enfant, imaginaire et représentations', ofwel het beeld van ouderen in de jeugdliteratuur. Geen systematisch overzicht, en erg veel aandacht voor 'La Belle au bois dormant' van Charles Perrault, in vergelijking tot enkele andere figuren die ze noemt.

La revue des livres pour enfants wordt uitgegeven door de Bibliothèque Nationale de France, Département Littérature et art, Centre national de la littérature pour la jeunesse 'La Joie par les livres'. Het is een tijdschrift-in-boekvorm, ieder nummer heeft een ISBN. Oude nummers zijn tot en met nummer 252 online te raadplegen, als pdf-bestanden. Merkwaardig genoeg zijn de recensies niet online te raadplegen, hoewel uiteraard wel in die pdf's.

zaterdag 26 mei 2012

Inhoud en vorm

Over inhoud en vorm doen misverstanden de ronde, ook als het gaat om het bespreken van literatuur.
Het lijkt er op dat men doorgaans de term vorm hanteert voor de woorden en/of beelden waaruit het werk is opgebouwd, en de term inhoud voor de samenvatting daarvan. Inhoud als een soort eerste abstractie van de vorm.
Zie als eerste voorbeeld deze passage uit een recensie op Vertel eens:
'De vorm – wisselend perspectief en dus een caleidoscopisch zicht op de problemen, veel vaart, opgedreven ritme wanneer nodig, personele verteller (toch af en toe met een storende voorspellende auctoriële inmenging) - steunt de inhoud voor 99 %.'

Bij het beoordelen van een pot pindakaas is het meestal anders: de vorm is de pot, de inhoud de pindakaas. Trekken we de vergelijking door: het boek is de vorm, de woorden (en/of beelden, enzovoort) de inhoud.
We openen de pot met een verwachting. Blijkt de pindakaas naar zeepsop te smaken, veel te zout te zijn, is-ie bleek of treffen we schimmel aan, dan keuren we de inhoud af. We hebben een idee over hoe pindakaas er hoort uit te zien, te ruiken en te smaken. Misschien hebben we een favoriet merk.

Bij een auto is het al iets ingewikkelder. Natuurlijk hebben we een idee over onze ideale auto. Hij moet het altijd doen, er moet genoeg plaats zijn voor iedereen en bagage, niet ingewikkeld om te besturen, remmen en zo moeten in orde zijn, hij moet snel genoeg zijn enzovoort. Als er dan enkele types overblijven, gaat de vorm een rol spelen: de ene vinden we mooier dan de ander. Kleur, lijnen, ontwerp... we hechten er betekenis aan, vaak zonder dat we die precies onder woorden kunnen brengen. Als we dat proberen, komen we meestal met metaforen aan. Hij moet er snel uitzien, of juist stoer, of schattig, of 'scherp'. (Citaat uit bericht autorubriek Nu.nl: 'We zijn op dit moment bezig met de laatste schetsen voor de definitieve auto. We willen de MX-5 een scherper design geven, omdat we onze doelgroep willen vergroten. Het design hoeft dan niet meteen agressief te worden.') Paradox: een auto blijkt er degelijk te kunnen uitzien zonder dat-ie dat is. Het begrip inhoud horen we zelden noemen, tenzij het over de cilinderinhoud gaat. Iedere vormgever zal het kunnen bevestigen: vorm maakt betekenis.

Laten we overstappen naar de kunst, waar bij uitstek betekenis wordt gemaakt.


   
Vorm of inhoud?
Zelden hoor ik mensen praten over de inhoud van een standbeeld, tenzij ze zich afvragen of het hol of vol is. We turen naar het standbeeld en vragen ons (bijvoorbeeld) af of we het mooi vinden. De betekenis die we het beeld toekennen ligt in de mate waarin het de bekende gevoelige snaar in ons raakt. Bovendien gaan we er soms over nadenken. Waarom die hand onder dat hoofd, waarom juist die gezichtsuitdrukking. Vorm is hier inhoud, die stuurt de betekenis die we toekennen.





Ook bij muziek hoor ik zelden over vorm en inhoud praten. Wel soms over notatie en uitvoering. Wat muzikanten laten horen, daaraan hechten we betekenis, dat beroert ons.

Bij een boek hebben we het, zoals gemeld, wel vaak over vorm en inhoud en daaromtrent bestaat volgens mij onduidelijkheid, vooral doordat stijl met vorm wordt verward.
Voor- en achterplat of omslag van het boek wekken verwachtingen. We hebben de naam van de auteur gelezen, eventueel ook die van de illustrator en de vertaler, we hebben een blik geslagen op de flaptekst, we hebben gekeken naar afbeeldingen en grafische uitvoering en al die gegevens wekken verwachtingen. Misschien hebben we eerder al een recensie van het werk gelezen en zette die ons ook al op een spoor.
We beginnen, kortom, niet onbevangen te lezen. Maar we weten dat verhalen zeer uiteenlopend kunnen zijn.
Vaak zijn de eerste woorden, de eerste zinnen bepalend.
Is dat 'vorm' of 'inhoud'? Het is inhoud en betekenis. Het is ook vorm en betekenis. De inhoud van het werk bestaat uit woorden, en wij mensen beginnen daar direct betekenis aan te geven.

Iemand heeft bij het afscheid haastig een boek gegeven. Thuis pakken we het uit de tas. Al gauw ontdekken we dat het niet kunnen lezen, want we begrijpen de letters niet.

վերջերը գնում է Կովկաս, ապա հասնում է Վան, մասնակցում է Այգեստանի եւ Հայոց Ձորի կռիւներին, իսկ աւելի ուշ Խանասորի արշաւանքին Կովկաս վերադարձին, բանտարկւում է Մետեխի բանտում կէսերին, Պետօն մակեդոնացի յեղափոխականների հետ սկսում է հայդուկային կռիւներ մղել թուրքերի դէմ, պաշարւում է ու գերի ընկնում երեք հայդուկների Դեկտեմբերին Էտիրնէի չորս տարբեր կէտերի վրայ, կախաղան են հանւում Պետօն ու իր ընկերները. (Bron.)

Geen idee! Het lijkt wel een zoemende bijentaal, mmmmm. Toch hechten we zelfs hieraan al wat betekenis, of verwachtingen. Het zal geen gedicht zijn, dat zie je zo. We bekijken het boek nader. Er staan oude foto's in, met dode mensen. We hebben een Armeens boek gekregen! Zou het over de Armeense geschiedenis gaan?
Het is een goede manier om te ervaren hoe dat gaat, zoeken naar betekenis. Iedereen die wel eens op reis is geweest in een land waar een ander schriftsysteem wordt gehanteerd als hier, heeft dat kunnen ervaren, het gissen naar betekenis, soms geholpen door afbeeldingen.
Iets minder sterk hebben we die ervaring al met teksten die gedrukt zijn in ons bekende letters, maar in een taal die we niet kennen.
Zegt deze tekst ons iets?

Alice : Buradan gitmek için bana hangi yolu izlemem gerektiğini söyler misin?
Cheshire Kedisi : Nereye gitmen konusunda iyi bir anlaşamaya bağlı bu.
Alice : Neresi olduğunun önemi yok!
Cheshire Kedisi : O zaman hangi yol olduğunun da bir önemi yok.
Alice : Sonunda herhangi bir yere varsın da.
Cheshire Kedisi : Elbette varacaksın. Eğer yeterince uzun yürürsen(Bron: vele, zie bv. hier)

Hm. Het is een dialoog, en er is een zekere Alice die uitspraken lijkt uit te wisselen met ene Cheshire Kedisi.
Wie ooit Alice in Wonderland heeft gelezen, gaat een licht op. Maar daar hebben we het nu niet over,  wel over het vrijwel automatisch gissen naar betekenis.

Hier zou eigenlijk een uitstapje passen naar het leesonderwijs. Want we worden hoogstwaarschijnlijk wel geboren met die neiging om overal betekenis aan te hechten, om de wereld te ordenen, maar wat je met die vreemde kriebeltekentjes in rijen kan doen, dat leren we door naar mensen om ons heen te kijken die daar iets mee doen. Op school leren we vervolgens hoe en wat.

In tegenstelling tot wat we doorgaans doen met pindakaas en auto's beginnen we dus direct te lezen, als we een tekst onder ogen krijgen.
En dan, ik sla wat stappen over, worden we ervaren lezers. We lezen een boek, hechten betekenis aan tekst en beeld, ervaren vreugde of ergernis of andere emoties, worden al dan niet geraakt en uiteindelijk vragen we ons af: hoe komt dat? We gaan nauwkeuriger lezen en ontdekken dat woordkeuze, zinsbouw, opeenvolging van zinnen en alinea's er toe doen, dat betekenis verandert als we veranderingen in de tekst aanbrengen, kortom we ontdekken stijl. Er zijn veel beoordelaars die dit vorm noemen. Maar dan ontstaat verwarring, want de vorm van een boek is iets anders dan deze 'vorm' van een tekst tenzij we het over lettertypes en andere grafische zaken hebben. Vorm en stijl zijn verschillende zaken.
De stijl heeft grote invloed op de betekenis die we toekennen en vaak ook op de emoties die we daarbij ervaren.

Overigens hebben vorm en stijl wel met elkaar te maken: lees een gedicht en vraag je af wat het met je doet als je het in prozavorm zou lezen, zie bijvoorbeeld hier. Ook bij voorlezen en vertellen gaat de vorm van podium en hoofd en mond van de verteller naadloos over in de stijl van of haar dictie en ritme. (Wie herinnert zich Indra Kamadjojo nog?) We komen hier op het gebied van de muziek.

Nog een laatste opmerking, voor dit stukje echt te lang wordt: betekenis kennen we toe, maar dat ervaren we meestal als betekenis ontdekken en het is volgens mij allebei waar.
Er is aan de ene kant immers iets dat in potentie betekenis kan opwekken, laten we zeggen een reeks woorden of een stukje muziek, en wij aan de andere kant herkennen dat, en reageren daarop door betekenis eraan te ontlenen of toe te kennen. We doen dat allemaal net wat anders, maar weer niet zo anders dat we er niet over zouden kunnen praten - om bijvoorbeeld te ontdekken dat we wel heel verschillend kunnen waarderen.
Het is een onderwerp van aanhoudende discussie in hoeverre die betekenis al in die betekenisdrager zit opgenomen en in hoeverre hij in onze geesten wordt gevormd. Dat laatste noemen we ook wel interpretatie, maar vooralsnog is dat de betekenis die we in ons eentje toekennen.
Wij zijn echter geen eenlingen, we zijn een soort en vormen graag groepen. Het is evident dat muziek voor een stokdove geen betekenis heeft, maar dat wil nog niet zeggen dat die muziek daardoor in het algemeen geen  betekenis heeft. Het is evident dat ապա հասնում է Վան voor ons nederlandstaligen heel weinig betekent tenzij we Armeens kennen, maar dat wil niet zeggen dat dit stukje tekst daardoor in het algemeen weinig betekenis heeft.
Paradoxaal: we hechten aan de betekenis die we denken te hebben ontdekt, onze eigen interpretatie, maar delen die graag met anderen. Waardoor vaak meer betekenis ontstaat. 'Zó had ik het nog niet gezien, interessant.'
Volgend onderwerp: 'foute' interpretaties, betekenis die 'niet klopt'.
Nog een: muziek voor doven. (Die niet horen, maar wel voelen!)







dinsdag 22 mei 2012

Spreken als Yoda

Een stukje over Yoda en de structuur van talen.


' Simone Lautenbach − 17/10/11, 15:45


Wie kent hem niet? Het groene wezen Yoda uit de Star Wars-films en zijn typerende manier van spreken. Vandaag de dag klinkt dit taalgebruik ons vreemd in de oren, maar 50.000 jaar geleden spraken mensen op een manier die veel wegheeft van de wijze waarop Yoda zijn zinnen formuleert. Dat suggereren twee taalkundigen in het tijdschrift Proceedings van The National Academy of Sciences.


De studie richt zich op de onderdelen van taal die zijn geëvolueerd in de tijd. De meeste moderne talen maken gebruik van een onderwerp-werkwoord-lijdend voorwerp structuur. Bijvoorbeeld: 'Ik hou van Star Wars'. Veel 'dode talen' gebruikten echter een onderwerp-lijdend voorwerp-werkwoord structuur, waardoor 'ik van Star Wars houden' ontstaat.


Merrit Ruhlen van Stanford University en Murray Gell-Mann van het Santa Fe Instituut in New Mexico gebruikten de twee verschillende structuren om ongeveer 2200 talen te analyseren. Zowel talen die nog in gebruik zijn als degene die allang vergeten zijn. Hun onderzoek toont aan dat de structuur van huidige talen altijd voorafgegaan is door de onderwerp-object-werkwoord structuur. Kortom: de taal van Yoda. Geen enkele taal kent een uitzondering.


Terwijl de studie inzicht verschaft in de evolutie en de geschiedenis van taal, gaat het niet in op wat de toekomst ons op taalkundig gebied gaat brengen. Simpelweg omdat dit niet te voorspellen is. Of, zoals Yoda zou zeggen: 'Impossible to see the future is' (Onmogelijk de toekomst te zien is).
Zie ook Youtube. '

Maar ik hoorde Yoda zeggen: 'Death is a natural part of life'. Dus soms spreekt-ie moderner?


Alle gekheid op een stokje, dit inmiddels oude bericht deed me denken aan Kinderen van de Maanvalk van Peter Dickinson, dat in 1999 in een vertaling (van The kin) door Nan Lenders bij Gottmer verscheen. (Het is nog tweedehands bij Bol.com te krijgen.) Op internet zijn diverse boekverslagen te vinden, bijvoorbeeld dit. En zie hier een recensie uit Trouw, 1999.
De verteller legt de hoofdpersonen een taal in de mond die soms lijkt op die van Yoda en in ieder geval een begin van taal suggereert. Niet zo plechtstatig als Yoda's, maar met opzet simpel: korte zinnen, eenvoudige opbouw. Wat voorbeelden:

' "Ze zijn verdwenen. Al de Goede Plaatsen zijn verdwenen. Stinkwater en de Somtijdsrivier en de dauwval bij de Tatuturots. Verdwenen. Begraven onder grijze as, diep, diep. Ik sliep. Maanvalk kwam. Ze liet het me zien." '

' "Suth, je hebt de luipaard gedood. We hebben hem in het struikgewas gevonden. Je graafstok zit in zijn keel vast. Zo is hij gestorven. Ik, Mohr, prijs je." '

' "Bal vecht met de leeuw. Hij valt hem aan. Hij is dood." '

' "Ik zeg wij Maanvalk doen dit niet. Ik zeg dat dat nog dommer is. Wat is er voor voedsel in het ravijn?" 
"Er is geen voedsel, Suth. Je hebt gelijk. Wij blijven." '

Of Dickinson zich door Yoda heeft laten inspireren? Geen idee, maar het lijkt me onwaarschijnlijk. Het is wel fascinerend hoe hij dit prille taalgebruik weet te suggereren, nog versterkt doordat er in zijn verhaal ook mensen voorkomen die nog niet kunnen spreken.

zondag 20 mei 2012

Leesgoed en Literatuur zonder leeftijd

Deze week kwamen zowel Leesgoed 2012-2 als Literatuur zonder leeftijd 87 door de brievenbus. Mooie kans voor een vergelijkende bespreking.
Onbevooroordeeld ben ik natuurlijk niet. Voor beide periodieken heb ik als (adjunct-)uitgever gefunctioneerd en van Leesgoed ben ik zo'n dertig jaar hoofdredacteur geweest.




Leesgoed

Leesgoed 2012-2 heeft een wat moeilijk te duiden voorkant. 'Bijzonder'? Wat bijzonder? Inhoudsopgave en redactioneel leveren verklaring: Jan Smeekens (overleden 24 december 2011, zie ook dit blog) was een bijzondere man, jarenlang lid van de redactie, en krijgt in dit nummer een hommage onder de titel 'Dag Jan'. Daartoe zijn uitspraken over hem vergaard die bij elkaar een treffend beeld geven. Nogal voor insiders maar niettemin mooi deze hommage, die allerlei herinneringen bij me opriep.
Bijzonder aan Leesgoed, maar dat geldt voor elk nummer, is de dubbele pagina met een kinderboekillustratie, pal na het redactioneel. Deze keer van Gerda Dendooven, uit Lotte aan het woord van Toon Tellegen.
Mirjam Noorduijn interviewde Ted van Lieshout naar aanleiding van de Woutertje Pieterse Prijs, die hij ontving voor Driedelig paard - een bijzonder boek. 'Elk boek moet voor mij een kunstwerk zijn': treffende kop boven een goed interview. Zoals afgelopen jaren biedt Leesgoed lessuggesties bij het bekroonde boek en zijn die ook online te vinden. (Online compleet, in het tijdschrift een selectie.)
Nog zo'n interview naar aanleiding van een bekroning is dat door hoofdredactrice Karin Kustermans met vormgeefster Leen Depooter van Quod, die in april in de categorie jeugdliteratuur van De Best Vormgegeven Boeken 2012 won met De duif die niet kon duiken van Edward van de Vendel en Alain Verster. Ook een bijzonder boek - zo krijgt die aanvankelijk moeilijk te duiden voorkant zijn betekenis. En een grondig interview, zoals ik dat van Karin gewend ben.
Bijzonder vind ik iets dat we in mijn tijd als hoofdredacteur zo min mogelijk behandelden, al was het tijdens bijeenkomsten van onze Vlaams-Nederlandse redactie vaak gespreksonderwerp: verschillen en overeenkomsten tussen Nederland en Vlaanderen.  Al broeide toen al wel een plan om aandacht te schenken aan de illustratietradities in beide landen. Dat is nu gebeurd: Milja Praagman (NL) en Benjamin Leroy (B) wierpen 'een blik over de grens'. Het werden hoffelijke bijdragen: beiden blijken inspiratie te vinden over de grens, al plaatst Leroy wat kritische nootjes.
In verband met de aandacht voor Jan Smeekens vind ik het treffend dat een interview (alweer) is opgenomen met boekontwerper Kees Moerbeek - een oude wens van Jan! Het interview, door Wendy de Graaff, verwijst terecht in de eerste alinea ook naar Jan.
En ja, zoals in elk nummer zijn ook weer de praktische lessuggesties Boekidee en de recensies te vinden. Wie nog niet zoveel heeft met kinderboeken maar wel met kinderen werkt, zou zomaar enthousiast kunnen worden door zoveel bijzonders. Alert trouwens dat recensente Truusje Vrooland-Löb Calder, de draad van Alexander van Sieb Posthuma bespreekt, nu er (tot 28 mei) in het Haags Gemeentemuseum een overzichtstentoonstelling van Alexander Calder te zien is. (Als je gaat, bekijk dan ook meteen de absurdistische opstellingen van Hans van Bentem in de onderste verdieping.)
Je moet er even voor gaan zitten, voor Leesgoed, maar het is geen straf, integendeel. En zoals gezegd zou het mensen kunnen overtuigen dat er veel, eh nou ja, bijzonders te vinden in jeugdliteratuur.
(Leesgoed 2012-2, 48 p., ISSN 0921-2388, uitgegegeven door NBD Biblion.)





Literatuur zonder leeftijd

Literatuur zonder leeftijd voorjaar 2012, nummer 87 (staat niet op het omslag, wel in het colofon) bevat bijdragen van 'jong talent' (redactioneel van hoofdredactrice Bea Ros), dat wil zeggen jonge onderzoekers van jeugdliteratuur. Stefanie Boonen over 'twee meisjesboekenmeisjes tijdens de Tweede Wereldoorlog', Dietha Koster over 'de representatie van allochtonen in multiculturele jeugdliteratuur', Wendela de Raat over 'kenmerken van verzet tegen de vrouwenrol in het meisjesboek, een analyse van de nuttige boodschap in Schoolidyllen', Marte Hoogstraten & Helma van Lierop-Debrauwer over 'een onderzoek naar tien jaar jeugdliteraire jury's'. Hier duikt overigens een oud talent op: Helma van Lierop-Debrauwer is hoogleraar jeugdliteratuur in Tilburg en Leiden. De rode lijn in deze bijdragen wordt duidelijk: meisjeboeken en de rol van vrouwen. Helma van Lierop-Debrauwer voegde er nog een bijdrage aan toe over 'Jacoba van Beieren in de Nederlandse jeugdliteratuur'.
Verder bevat LZL 87 de Woutertje Pieterselezing van Edward van de Vendel, het juryrapport van de Woutertje Pieterse Prijs 2012,  de Frans Kellendonklezing 2012 door Bart Moeyaert, en een interview met Moeyaert door Karen Ghonem-Woets. En ook nog een column door vertaalster (Nederlands > Duits) Andrea Kluitmann (met veel honden) en enkele uitvoerige boekbesprekingen.
Ja, ook hier moet je even voor gaan zitten. LZL is een pocket (tijdschrift in boekvorm), met hier en daar een zwartwit illustratie en vooral heel veel (schreefloze) letters. Spartaans lezen, 180 bladzijden incl. omslag. Als je het uit hebt, weet je over een heleboel zaken meer dan daarvoor. Het stemt blij dat er zoveel onderzoek wordt gedaan naar jeugdliteratuur, al vind ik hier en daar de grens tussen onderzoek en bespreking (research en review) flinterdun. En waar te beginnen?
Eerst het gedicht van Hans Hagen op de achterkant, zou ik aanraden, en dan Edward van de Vendel, et zijn beschouwing over 'populair' en 'literair', en in welke mate auteurs zich iets aantrekken van de smaak van kinderen. Ik til er één citaatje uit:
' De beste kinderboekenschrijvers zijn degenen die verstand hebben van kinderen én eigenzinnig zijn. Die heen en weer fierljeppen. Die een gloed over de kinderliteratuur verspreiden waar zowel de kinderen als ook hun voorlezende ouders en leerkrachten zich in willen baden. '
Maar dat dan vooral als je geen geduld hebt om de lezing te horen - dat kan op de site van de Woutertje Pieterse prijs, zie hier. Geldt ook voor het juryrapport.
Dan die tekst van Bart Moeyaert (p. 131-152!), of misschien eerst toch maar de column van vertaalster (en onderzoekster) Lidwien Biekmann, over het vertalen van namen. En dat interview met Bart Moeyaert.
Nee, het valt niet te ontkennen, het is aan te raden eerst het goedgeschreven proza tot je te nemen van auteurs en vertalers, om dan voorzichtig de teksten van de jonge onderzoekers tot je te nemen. Voorzichtig: soms is het aan te raden eerst maar eens de 'discussie' of andere slotalinea's te lezen.
(Literatuur zonder leeftijd 87, voorjaar 2012, ISBN 978 94 6167 093 9, uitgegeven door Stichting IBBY Sectie Nederland.)

Leesgoed en Literatuur zonder leeftijd

De overeenkomst tussen beide periodieken is evident: ze gaan over jeugdliteratuur. Daar houdt het ongeveer op.
Het tijdschrift in boekvorm LZL heeft niet expliciet de ambitie een academisch tijdschrift te zijn, maar impliciet wel: een redactieraad met allemaal dr's, en artikelen in academische stijl. Een podium voor onderzoekers bieden, dat is duidelijk een ambitie - die ook waargemaakt wordt.
Leesgoed telt geen artikelen in academische stijl en lijkt zich tot kinderboekliefhebbers in het algemeen te richten, en tot mensen die beroepshalve met kinderboeken werken. Leesgoed heeft op zijn best ook het vermogen om mensen over de streep te trekken die nog niet veel van jeugdliteratuur weten en er iets meer over te weten willen komen. Van LZL kan ik dat niet zeggen, zowel de titel, de academische stijl, de gemiddelde lengte van de bijdragen, als de sobere vormgeving werken dan vermoedelijk tegen. Wat jammer is, want LZL bevat ook veel aantrekkelijke, minder academische teksten - en zelfs een gedicht achterop.
LZL biedt lange, grondige recensies van enkele titels (per aflevering), Leesgoed bevat meer recensies, in rubrieken en met relatief kortere teksten - ook al kunnen die wel eens uitlopen, vooral onder 12+. Tot voor kort waren die recensies ook online te vinden, voor abonnees. Voor de artikelen geldt dat nog steeds.
In het algeneen zijn de teksten in LZL langer dan die in Leesgoed. Wat men in LZL een column noemt, zou in Leesgoed soms een artikel heten - bijvoorbeeld die column van Lidwien Biekmann.
Ze zitten elkaar dus inhoudelijk niet echt in de weg, beide periodieken, al is er wel overlapping (vooral interviews).
Wie op zijn budget moet letten, komt natuurlijk wel voor de vraag te staan of het de moeite loont om een abonnement op een of zelfs op beide periodieken te nemen.

Ik zal beide periodieken wel blijven volgen. Ik wil weten hoe ze zich ontwikkelen.

Maar als ik nou eens een argeloze docent, bibliothecaris of boekhandelaar of belangstellende ouder/kinderverzorger was die iets meer van kinderboeken wil weten dan wat de reclamefolders van uitgeverijen en CPNB bieden, zou ik me dan op een van beide of op beide periodieken abonneren?
Ik vrees: niet op allebei en niet alleen wegens de prijs.
LZL zou al vrij snel afvallen, ondanks het gedicht op de achterkant. Het is echt voor ingewijden. Een podium voor onderzoekers - met onderzoekers en zeer betrokken recensenten als publiek.
Leesgoed zou kans maken,  denk ik. Veel beeld, voldoende teksten die ook voor niet-ingewijden te volgen zijn, overzichtelijk, veel recensies, en praktische suggesties. Maar ook: een website waarop geen recente Boekideeën en recensies meer te vinden zijn, redelijk wat teksten die voor ingewijden bestemd lijken, soms een wat klein leeslettertje, en met € 63,95 per jaar ook stevig aan de prijs, zeker voor wie niet meer ambitie heeft dan iets meer van kinderboeken willen weten dan wat de reclamefolders van uitgeverijen, CPNB en het gratis (= gesubsidieerde) bulletin Lezen bieden. Dubbeltje op zijn kant.

En ik zou me als argeloze belangstellende afvragen: waarom zijn er twee? Ja, de historie verklaart veel natuurlijk, maar die ken ik niet als argeloze belangstellende. Ik zit dan met twee periodieken voor me, met die vraag. En misschien ook nog met Lezen ernaast.


Ik hoop natuurlijk dat het dubbeltje de goede kant op rolt. Zoals ik ook hoop dat de bevlogen vrijwilligers van IBBY Nederland er in slagen LZL overeind te houden.
Maar ik houd soms mijn hart vast - en vraag me soms ook af wanneer er iets meer samengewerkt gaat worden op dit gebied. En waarom Stichting Lezen, dat voor 100 % uit overheidsgeld wordt betaald, tot nu toe niet aanbiedt een voor hun doelstellingen nuttig periodiek als Leesgoed te ondersteunen.
Misschien dat ik daaraan nog eens een stukje besteed.


donderdag 3 mei 2012

Burgers, bestuurders en verzorgers

Ha, daar hebben we ze weer: de burgers. De krant lag al bij het oud papier, maar ik kon het niet laten, viste hem er toch weer uit. Volkskrant 2-5, p. 8, 'Binnenland':
'De tijd dat de zorg voor een dement familielid stopt bij de voordeur, is voorbij. Burgers mogen niet langer aan de kant staan en met de beschuldigende vinger wijzen naar de krachteloze bestuurder of de slordige verzorger als zaken fout lopen.'
Bestuurders en verzorgers zijn geen burgers, kennelijk. Het cliché komt, met die andere (bij de voordeur stoppen, aan de kant staan, met de beschuldigende vinger wijzen), waarschijnlijk voor rekening van journaliste Lidy Nicolassen, die in de kop van haar artikel de uitspraken van drie deskundigen samenvat.
Voorzover ze die citeert, gebruiken die het woord burgers niet.
Het valt op: als het woord burgers valt, zijn het vaak anderen, buiten een bepaalde bij naam genoemde beroeps- of andere maatschappelijke groep. (Bestuurders en burgers, dokters en burgers, agenten en burgers, enzovoort.)

Het gaat hier om zorg in verpleegtehuizen. Daarover wil ik niets schrijven, maar ik wijs graag op het blog van 'burger' Mieka Vroom, Zorgen voor mijn moeder.