Zoeken in deze blog

woensdag 11 november 2020

Tsarenzonen en vuurvogels

Er is een vierde sprookjesbundel verschenen van The Tjong Khing, Russische sprookjes.
 
 
Sprookjes. Een jaar geleden schreef ik erover in mijn bespreking van De kikkerbilletjes van de koning en andere sprookjes van Janneke Schotveld, die voor dit boek dit jaar een Vlag-en-Wimpel kreeg van de Griffeljury en wier boek ook voorkomt op de shortlist van de Jenny Smelik IBBY Prijs. Ik citeer mijzelf:
 
Een verzameling van vijftien gezellige, veelal vrolijke sprookjesachtige verhalen. Sprookjesachtig, want er lopen veel koningen, prinsen en prinsessen in rond, dieren kunnen soms spreken en de omgeving bestaat zo niet uit louter paleistuinen, dan toch onbekende landen met zeer vage grenzen. Echte sprookjes zijn het niet als ik Pullman volg, daarvoor krijgen de hoofdpersonen doorgaans te veel kleur, een begin van karaktertekening, mede door de dialogen, en zijn de verhaalwendingen vaak te olijk, met allerlei hedendaagse elementen.
 
Op zijn mildst zou je ze cultuursprookjes kunnen noemen, zoals die van Hans Christian Andersen - maar die waren toch echt beter. 
 

 
The Tjong Khing is voor zijn sprookjesbundels, waarvan Russische sprookjes de vierde is, vermoedelijk te rade gegaan bij andere bundels en voor deze uitgave wellicht bij een van de vertalingen of bewerkingen van de rond 600 verhalen tellende verzameling van Alexander Afanasjev (Александр Николаевич Афанасьев), Народные русские сказки (Russische volksverhalen), verschenen 1855-1863 en voor wie Russisch leest compleet op internet, zie https://ru.wikisource.org/wiki/Народные_русские_сказки_(Афанасьев) (*).
 
We weten het niet, want net als in Sprookjes van overal, de vorige bundel van The Tjong Khing die ik besprak, is er geen bronvermelding, zelfs geen verantwoording. De bundel begint plompverloren bij het eerste verhaal, 'De mooie Wassilia', en eindigt met het veertiende en laatste, 'De boogschutter en de vuurvogel'.
 
De stijl van vertellen is evenals in Sprookjes van overal nogal parlando, alsof letterlijk de tekst van een voorlezer wordt weergegeven:
 
Vroeger, heel, heel lang geleden, waren er nog heksen en feeën, en een van die heksen zat zich op een dag stierlijk te vervelen in haar heksenhut. Nijdig tuurde ze door een kapotte ruit naar buiten. Hé, daar liep iemand... Een prins zo te zien, want hij was heel deftig gekleed.
 Weet je wat? Ik haal een grap met hem uit,' mompelde de heks in zichzelf, en dat is wat ze deed. Zonder er verder bij na te denken sprak ze een toverspreuk uit, maakte een paar rare gebaren en hop... de prins liep daar niet meer, maar zat opgesloten in een kachel, en die kachel stond in een bos in een heel ander land.
 
Het zal je maar gebeuren! Terwijl je niks verkeerds hebt gedaan!

In dat bos, in dat vreemde land, liep een prinses rond. Ze was die morgen uit wandelen gegaan en kon de weg naar haar kasteel niet meer vinden. Zo kwam ze bij de ijzeren kachel uit.
Huh? Een kachel middenin een bos? Nieuwsgierig bekeek ze hem van alle kanten. Ze schrok zich een hoedje toen de kachel opeens begon te praten: 'Waar kom je vandaan en waar ga je naartoe?

Het begin is traditioneel (eens, lang geleden... op een dag...). Zo hoort een sprookje te beginnen, dat weet de verteller ook. We weten het eigenlijk niet, want deze oude verhalen werden pas in de 19e eeuw opgetekend, maar het is voorstelbaar dat vertellers er eeuwen geleden ook al mee begonnen, om ze te onderscheiden van verhalen die gebonden waren aan bekende personen of landschappen, het type verhalen dat we nu sagen en legenden noemen.

Daarna gaat de verteller los, brengt hij er elementen in die de verbeelding van de luisteraar een handje moeten helpen. De heks 'verveelt zich', 'tuurt nijdig door een kapotte ruit', mompelt en 'haalt een grap uit'. Het werkt vast wel - maar maakt het sprookje minder sprookjesachtig, want in sprookjes bestaat geen toeval, haalt niemand zomaar een grap uit en verveelt niemand zich.
De verteller richt zich rechtstreeks tot zijn publiek: 'het zal je maar gebeuren!'Terwijl je niks verkeerds hebt gedaan!' En verplaatst zich in zijn figuren, die daarmee een persoonlijkheid krijgen: 'Huh? Een kachel?'. Gebruikt een kinderlijke (of tuttige) uitdrukking: 'schrok zich een hoedje'. (Hoei boei...)
 
Ook in de andere verhalen valt dat op. De verteller geeft zijn prinsessen en koningen vaak iets persoonlijks, wat zijn verhalen meer kinderverhaal en minder sprookje maakt. Net als bij Schotveld, eigenlijk. Een beetje gezellig kletsen in plaats van strak en stijlvol vertellen.
Daardoor vermindert de verhaalkracht van bepaalde sprookjesschema's, zoals dat alle beproevingen in drievoud komen, en dat er steeds nieuwe beproevingen komen voordat er een duidelijk doel wordt bereikt. 
Toeval en tover verdragen elkaar niet.
 

 
Wat meer in stijl is, is bijvoorbeeld dit begin:

Lang, lang geleden, ergens in Rusland, was er eens een weduwnaar. Hij was koopman en had een zoon en een dochter. De koopman was steenrijk, maar wel erg ziek. En op een dag was hij dood.
 
Ja, zo gaat dat in sprookjes. De plaat bij dit verhaal vind ik overigens wel prachtig, ja, Khing kan wel illustreren! Dat wist ik natuurlijk al en dat bevestigt dit boek nog eens.
Verder:

De zoon en de dochter regelden zijn begrafenis en toen dat allemaal achter de rug was, zei de zoon tegen zijn zus: 'Nu onze vader geen handel meer kan drijven, ga ik dat doen.'
Hij kocht van alles en nog wat, laadde het op een schip en voer de haven uit.
Maar vóór hij vertrok nam hij afscheid van zijn zusje. Ze wisselden portretten van elkaar uit en hij gaf haar ook nog een medaillon met een haarlok, zo zouden ze elkaar niet vergeten, want het zou best eens kunnen dat hij een hele tijd wegbleef.
 
Helaas zit ook hier een beetje van dezelfde wat tuttige kletsstijl in als in vorig fragment, met dat 'huh' en 'schrok zich een hoedje': 'toen dat allemaal achter de rug was',  'want het zou best eens kunnen dat hij een hele tijd wegbleef'. Ook lelijk om die zoon eerst de haven uit te laten varen, maar dan toch even vóór hij vertrok... Ik zou er als auteur niet tevreden mee zijn geweest en net zo lang hebben geslepen tot de tekst klinkt als een klok en dat geldt voor veel andere passages in deze verhalen.
Zoals bijvoorbeeld op p. 133 dat tuttige

Met al die spullen in haar tas ging het meisje op weg naar de andere kant van het bos, naar de valse heks Baba Jaga (maar dat wist ze zelf natuurlijk niet!)
 
Nee, nogal wiedes, daar komt ze vanzelf achter en dus is het niet nodig om dat te vermelden. Beter was geweest:

Met die spullen in haar tas ging het meisje op weg naar de andere kant van het bos.
 
Dat had ook mooi aangesloten op de volgende zinnen:
 
Na uren lopen kwam ze bij een huisje. Het stond op twee kippenpoten en eromheen stond een hek dat vanzelf openging.

En erg tongue-in-cheek is deze passage op p. 157:

Een maand later was er een grote bruiloft.
En wat denk je? Dat erf daarna veel veranderde voor het dienstmeisje? Ze was nu wel een prinses, maar dat betekende veel en hard werken: lintjes doorknippen, eten met koningen en koninginnen van andere landen, in de koets rondrijden, wuiven...
En weer werd ze er niet voor betaald. Maar dat vond ze, ook nu weer, helemaal niet erg.



Zoals gezegd hebben de meeste sprookjes een duidelijk einde en heel vaak is dat een huwelijk, dat wil zeggen, de koning of de prins krijgt de vrouw op wie hij zijn oog liet vallen. Ook in deze veertien verhalen komt dat doorgaans zo uit en wat dat trouwen precies inhoudt blijft verborgen - zoals in alle sprookjes. Er komen regelmatig kinderen van, dat is zeker. 
Het was vast niet Khings bedoeling, maar ik vond die afbeelding hierboven (p. 156, bij 'De duif in het bos') een treffende weergave: wéér zo'n prinsessewicht gevangen...
 
Het pleit voor deze oude verhalen dat ze ondanks de wat kletserige stijl nog redelijk overeind blijven als sprookje en dus ook als voorleesverhaal. Hier gebeurt tenminste nog eens wat!
 
 


Thé Tjong Khing. Russische sprookjes. Gottmer, 2020. ISBN 978 90 257 7280 2.





* Ik vermeld het URL voluit, want het 'content management system' heeft nogal moeite met zo'n mix van Latijnse en Cyrillische letters.





zondag 8 november 2020

'Ik, ik, ik...'

'Ik vlog.' (*)
Nee, ik niet, maar de denkbeeldige lezer van Het vloggershandboek wel.
Waarom? Goede vraag, die de auteur, ene Shane Birley, op p. 6 tracht te beantwoorden. Dat ziet er zo uit:




Als je er helemaal niet uitkomt, 'kun je ook je ouders of vrienden om hulp vragen'.

Tja. Je kan natuurlijk ook besluiten niet te vloggen. Zou mijn vaderlijk advies zijn, denk ik. Dat is niet aan de orde hier. Want ik, ik, ik... kennelijk moet ik, wil ik vooral gezien worden, gehoord worden. Daartoe vlog ik, ben ik op aarde. Of ik iets te melden heb, doet er minder toe. Het ego op de troon.

Veelzeggend is de tip op p. 11:

Heb je het gevoel dat je niets te zeggen hebt? Denk je dat je niet genoeg weet over een bepaald onderwerp om erover te praten? Als je niet weet wat je moet zeggen of als je je vlogaflevering nog niet gepland hebt (daar koken we later op terug), probeer dan deze simpele truc: druk op de opnameknop en kijk wat er gebeurt.

 


Kwaak kwaak... Bwûûûhhh... Ehh... Zoiets als sommige talkshows (praatvertoningen) en dan nog erger.

Toch iets anders als een lege pagina op het scherm brengen en wachten tot er woorden in je hoofd komen om op te schrijven (**). Dat vergt een soort concentratie die verschilt van het staren naar een wachtende camera. Die camera suggereert een wachtend publiek. Met die lege pagina kun je rustig wachten tot je inspiratie krijgt of in slaap valt.

Nu ja, afgezien van die lacune (een zinnig antwoord op de vraag waarom) biedt Het vloggershandboek wel wat handige praktische tips voor jonge vloggers. Denk ik.
Behalve dus die ene tip: bespaar jezelf tijd en vlog niet. Besteed die tijd nuttig en aangenaam en zoek anderen op, in het echte leven, om te onderzoeken of je samen iets kan doen. Al is het maar gedachten of ervaringen uitwisselen. Of desnoods, vooruit dan maar, samen vloggen. Maar ja, twee ego's voor de camera...

Hoe jong? Op grond van moeilijkheidsgraad en vocabulaire schat ik: 10+. 
 
 
Birley, Shane. Het vloggershandboek; ills. Audrey Malo. Gottmer, 2020, ISBN 978 90 257 7337 3. Oorspr.: The Vlogger's Handbook, Quarto Publishing, 2019.
 
* Vlog is verkorting van videoblog is afgeleid van blog afgeleid van weblog afgeleid van log afgeleid van logboek (Engels logbook of kortweg log) afgeleid van (opnieuw) log en dat was een ding.
'De gewone log wordt al eeuwen gebruikt en bestaat uit een plankje met een koord. Aan het plankje werd lood bevestigd, zodat het verticaal in het water kwam, nadat het overboord werd gegooid. De log bleef tamelijk onbeweeglijk in het water liggen, terwijl het schip doorvoer en de lijn afrolde. Door te meten hoeveel van de lijn in een bepaalde tijd afgerold werd, kon de afgelegde verheid omgerekend worden naar de vaart. Aanvankelijk werd de lijn apart opgemeten, later werden er op regelmatige afstand knopen in gelegd, zodat de afgerolde lengte eenvoudiger bepaald kon worden. Vandaar dat snelheid nu nog steeds in knopen wordt uitgedrukt.

Uiteindelijk werd de afstand van de knopen genormaliseerd op 47 voet en 3 inches, wat met een standaardglas, een zandloper, van 28 seconden rechtstreeks de snelheid in knopen gaf. De telgegevens werden vervolgens gerapporteerd aan de bootsman die ze noteerde in het logboek. De stuurman kon dan met deze gegevens navigeren.' (Bron)
 
** Deborah Levy in een interview door Persis Bekkering in NRC Next 30-10-2020. 'Ik heb een vel wit papier gepakt en schreef op: 'Politieke doeleinden". En toen keek ik wat er gebeurde. Er gebeurde een heleboel. Ik begon met een vrouwelijke verteller. Ze staat op een roltrap, ze huilt, ze weet niet waarom. Daar vond ik een nieuwe stem, waarmee ik kon beginnen om politieke onderwerpen te verkennen, filosofie, gender, reizen.'

dinsdag 3 november 2020

Wie niet sterk is...

Op 3 maart schreef ik over het eerste deeltje in een nieuwe Anansi-reeks, Anansi de spin en de gulzige tijger. In oktober verscheen deeltje 2, Anansi de spin - sterker dan olifant.

Anansi ziet lekkere bananen maar kan er niet bij. Olifant wel - die zet zijn achterste tegen de boom en schudt, en eet de bananen op voor Anansi's neus. Die beweert boos dat het zijn bananen zijn, maar Olifant lacht hem uit. 

 

 

Anansi daagt hem uit om touwtje te trekken: als Anansi wint haalt Olifant een week lang bananen uit de boom. Als Olifant wint, biedt Anansi hem een modderbad aan voor zijn achterste.

Uiteraard wint Anansi. Die had namelijk eerder een walvis hulp geboden bij het vinden van haar jong en schakelt nu moeder walvis in om stiekem aan het touw te trekken...

Een list dus. List en bedrog. Om daarmee een domme snoever te vloeren, Anansi ten voeten uit, de overlever in een wereld waar de sterksten ongegêneerd de baas spelen. Het is een heel ander perspectief dan dat van het brave middleclass-kind dat geleerd wordt zich netjes aan de regels te houden. Helaas spelen in het echt de sterksten ook vaak de baas en kan het geen kwaad een beetje streetwise te worden. Zoals Anansi, dus.

Over taal en beeld kan ik kort zijn en verwijzen naar mijn vorige recensie.


Cudogham, Iven, & Moldybyrd Studio. Anansi de spin - sterker dan Olifant. Gottmer, 2020, ISBN 978 90 257 7364 9.

maandag 2 november 2020

Jenny Smelik-IBBY prijs

Omdat persberichten over de Jenny Smelik-IBBY Prijs vrijwel nooit publicatie door de gangbare media halen, behalve de website van IBBY Nederland, zie onder:

'De shortlist van de Jenny Smelik-IBBY Prijs is bekend. De prijs heeft tot doel boeken onder de aandacht te brengen waarin culturele diversiteit een vanzelfsprekende rol speelt en waarin het beeld van de verschillende culturen opbouwend in plaats van problematiserend is. Sinds 1998 gebeurt dit elke twee jaar. Op 13 november wordt de uitslag van de Jenny Smelik-IBBY Prijs 2020 bekendgemaakt. 

De jury van de Jenny Smelik-IBBY Prijs 2020, bestaande uit Liesbeth ten Houten, Anne Klomberg, Eline Rottier, Susan Venings en Janneke van der Veer, heeft zich gebogen over 56 ingezonden boeken. Conform de doelstelling zijn de boeken vooral beoordeeld op de wijze waarop (etnisch-)culturele diversiteit een rol speelt. Daarnaast is gekeken naar het voorkomen van andere vormen van diversiteit, zoals gender en seksuele geaardheid. Literaire kwaliteiten speelden eveneens een rol bij de selectie. 

Na verschillende selectierondes bleef een shortlist van zes titels over. Stuk voor stuk kanshebbers voor de Jenny Smelik-IBBY Prijs 2020.'

Hier de titels:

Simon van der Geest, Het werkstuk of hoe ik verdween in de jungle. Ills.:

Karst-Janneke Rogaar.

Alyssa Hollingsworth, Van niets naar iets. (Oorspr.: The Eleventh Trade.)

Jessica Love, Julian is een zeemeermin. (Oorspr.: Julián is a mermaid.)

Zanib Mian, Planeet Omar: problemenmagneet. (Oorspr.: Accidental Trouble Magnet.) Ills.: Nasaya Mafaridik.

Benjamin Alire Saenz, De onverklaarbare logica van mijn leven. (Oorspr.:
The Inexplicable Logic of My Life.)

Janneke Schotveld, De kikkerbilletjes van de koning. Ills.: Kees de Boer, Linda Faas, Djenné Fila, Marijke Klompmaker, Martijn van der Linden, Marja Meijer, Marieke Nelissen, Georgien Overwater, Milja Praagman, Pyhaj, Peter-Paul Rauwerda, Annet Schaap, The Tjong-Khing en Alex de Wolf. Zie ook hier.