Zoeken in deze blog

zaterdag 7 december 2019

We doen toch zo ons best

Op 3 december ontving ik een persbericht van Stichting Lezen:

Dalende PISA-resultaten vragen om extra actie
De leesvaardigheid én het leesplezier van 15-jarigen in Nederland zijn in de afgelopen jaren afgenomen. Dit blijkt uit het gerenommeerde, internationale PISA-onderzoek. PISA meet de kennis en vaardigheden van 15-jarigen in leesvaardigheid, wiskunde en natuurwetenschappen.

Dat klopt. Zie hier. En voor een overzicht 'in vogelvlucht' hier, waaruit blijkt dat onze regering in ieder geval formeel kennis heeft genomen van dit rapport. Nog korter kan ook, zie hier.




Van die resultaten word je niet vrolijk.
Van het persbericht werd ik ook niet vrolijk.

Volgens Stichting Lezen onderstrepen de uitkomsten nadrukkelijk dat het versterken van de leesbevordering noodzakelijk is.

Absoluut waar. Maar dan toch kennelijk effectiever dan tot nu toe gebeurt.
'Aan ons ligt het niet,' lijkt Stichting Lezen in dat persbericht te willen onderstrepen. Ze willen niet lezen en we doen toch zo ons best...

Gerlien van Dalen, directeur-bestuurder Stichting Lezen: ‘Het is schrijnend dat in een welvarend land als Nederland 42% van de jongeren lezen tijdverspilling vindt en 24% van de jongeren mogelijk onvoldoende leesvaardig school verlaat. We kennen deze trend van ontlezing al een tijdje. We zetten programma’s als BoekStart en de Bibliotheek op school en campagnes als De Nationale Voorleesdagen en De Jonge Jury in om van kinderen en jongeren gemotiveerde lezers te maken. Vandaar dat wij een leesoffensief volop steunen en meer structurele aandacht bepleiten.’

Waarvan akte en zie de twee brochures die ik toevallig kort geleden besprak, Kunst van lezen, het werkt en Lezen loont.
Maar deze activiteiten hebben kennelijk tot nu toe niet zo veel effect. Althans, niet het gewenste effect. Het kan natuurlijk zijn dat de PISA-cijfers zonder die activiteiten nog treuriger zouden zijn geweest, maar dat is niet aan te tonen.

Stichting Lezen legt zelf al een vinger op de zere plek:

Er worden in Nederland op dit moment vele succesvolle inspanningen verricht op het gebied van leesbevordering en het bestrijden van laaggeletterdheid. Deze beschrijven we in een achtergrondartikel op lezen.nl, waarin we ook de PISA-resultaten verder duiden.  

Er zijn echter ook zorgwekkende ontwikkelingen: er zijn steeds minder mediatheken in het voortgezet onderwijs en de openbare bibliotheken hebben het moeilijk. Dit ondermijnt de leescultuur. 

Zo is het. En Stichting Lezen roept in dat achtergrondartikel, begrijpelijk, om meer investering:

Om het leesplezier en de leesvaardigheid van kinderen en jongeren te vergroten, is structurele financiële steun van de landelijke overheid van belang   ̶   juist bij jongeren in het voortgezet onderwijs. Aansturing op deze doelgroep is door gemeenten vaak niet mogelijk, aangezien middelbare scholen vaak jongeren uit een grotere regio aantrekken. Bovendien is de lage leesvaardigheid op het vmbo een landelijk probleem. Stichting Lezen pleit er daarom voor om naast gemeentelijke ook landelijke sturing op leesbevordering te realiseren, zowel vanuit de overheid als vanuit Stichting Lezen. Dat zou betekenen dat de overheid met de gemeenten en het onderwijs afspraken maakt over de besteding van gelden gericht op leesbevordering. De Bibliotheek op school op iedere (vmbo-)school zou een wenselijke en nuttige investering zijn.

Wat dit naar mijn idee impliceert is dat deze middelen uit de onderwijsbegroting zouden moeten komen, liever dan uit de cultuur. Oud zeer in de leesbevordering: verreweg de meeste inspanningen komen steeds uit de hoek van wat beleidsmatig cultuur heet: de bibliotheken, instellingen als Stichting Lezen, CPNB, Stichting Lezen & Schrijven. Moeten ze vooral mee doorgaan.
Maar de basis blijft: scholen met goede schoolbibliotheken, met echte goede boeken naast alle digitalia, en goede, hoog opgeleide en goed betaalde docenten.
Daaraan ontbreekt het een beetje in Nederland.



vrijdag 6 december 2019

Oorlog

Het is nogal een uitdaging, de Tweede Wereldoorlog samenvatten voor kinderen van pakweg 9 jaar en ouder (bovenbouw basisschool). Annemiek de Groot, Roos Jans, Juul Lelieveld en Liesbeth Roosendaal probeerden het in 1939-1945, Toen het oorlog was.

Het begrip oorlog lijkt me een lastig onderwerp om in de klas te behandelen, vooral wat betreft oorzaken & redenen. Het verschil tussen oorzaak en reden is trouwens ook al een punt van aandacht. Mensen kunnen redenen vinden om iets te doen, bijvoorbeeld een oorlog beginnen. Onderzoek naar waar die mensen hun redenen vinden brengt ons bij oorzaken, ketens van oorzaken. De geschiedenis toont ons lange ketens van oorzaken - al hebben we die ketens dan achteraf beschreven, terwijl men er in dat beschreven verleden soms heel anders tegenaan keek. Bij het beschrijven van menselijke handel en wandel ontkom je moeilijk aan interpretatie. Groepsdenken, wij-zij-denken, moraal, het zit beschrijven soms danig in de weg.

Wat is een oorlog? Is de almaar voortdurende reeks incidenten en raketbeschietingen in Israël en de Palestijnse gebieden een oorlog? Was de inlijving van de Krim door Rusland een oorlog? Zijn de onlusten in Bolivia een oorlog? Voeren voetbalfanaten van de ene club soms oorlog met die van de andere club? Is de West Side Story een oorlogsverhaal? Hoe zat het eigenlijk met de Kruistochten? Hoe zit het met de War on Drugs? Kunnen families met elkaar oorlog voeren? Betekent het iets dat het Van Dale Junior Woordenboek Nederlands in mijn kast (1994, 1e druk) geen lemma oorlog heeft?
Probeer het allemaal maar eens te bespreken met leerlingen zonder in versimpelingen te vervallen.
Een rollenspel kan leerlingen iets laten voelen van hoe oorlog ontstaat -  en kan als je niet oppast gierend uit de hand lopen.
The Lord of the Flies van William Golding (1954) en The Chocolate War van Robert Cormier (1974) zijn twee meesterlijke verhalen om in dit verband te noemen. Beide vertaald in het Nederlands, beide verfilmd.

Wie een boek over de Tweede Wereldoorlog schrijft voor kinderen van 9 en ouder hoeft de term oorlog eigenlijk niet toe te lichten. Het gangbare beeld: in een oorlog vecht het leger van het ene land tegen het leger van het andere. Er wordt geschoten en er vallen doden. Dat gaat geheel op voor  de Tweede Wereldoorlog. Er is bovendien een duidelijk aanwijsbare aanvaller. En de regering van het aanvallende land is ook nog eens behept met de neiging om een bepaalde bevolkingsgroep uit te roeien, 'kalt te stellen', om het eens in de taal van de aanvallers te zeggen, en die neiging berust op de overtuiging dat sommige mensen beter zijn dan andere, ongeacht hun ideeën en daden.
Maar er waren schaduwen en nuances. Meelopers en overlopers in de aangevallen landen, uit opportunisme of overtuiging of allebei. Regeringen die zich voegden bij de aanvallers, zonder per se hun opvattingen over de suprematie van bepaalde groepen te delen, opvattingen die onder de noemer antisemitisme overigens ook welig tierden in andere landen, ook in aangevallen landen, en ook al veel eerder. Mensen die zich gingen verzetten, en daarbij andere mensen hebben gedood. Verraders. Mensen die probeerden hun eigen bestaan voort te zetten zo goed en kwaad als het ging, door vooral alles te laten wat onwelgevallig zou zijn in de ogen van de aanvallers. Slachtoffers van bombardementen, die werden uitgevoerd door de verdedigende partijen, die allengs ook in aanvallers veranderden en daarbij soms hardhandig optraden. (Denken we even aan het Rode Leger in Polen.) Nou ja, vul maar aan.

Dat dus allemaal behandelen in een boek voor kinderen over de Tweede Wereldoorlog.
Zijn de makers van dit boek daarin geslaagd?
Het korte antwoord: ja.

Het lange antwoord begint met het verstandige nawoord onder de kop 'Keuzes maken', achterin, vóór het register, de lijst geraadpleegde bronnen en de fotoverantwoording. Dit nawoord begint zo:

Bij het maken van dit boek moesten we kiezen. Er is zoveel gebeurd in de Tweede Wereldoorlog, we kunnen niet alles vertellen.

Zo is het en het valt zeer te prijzen dat dit wordt vermeld.
Maar er is meer.

Helaas zijn er ook erg veel gruwelijke dingen gebeurd tijdens de Tweede Wereldoorlog. We vertellen een beetje over de Holocaust en de kampen in Nederlands-Indië, maar sommige dingen zijn eigenlijk té erg. Daar kun je beter over lezen als je wat ouder bent. Veel mensen die het meegemaakt hebben, konden er lang niet over praten, zó afschuwelijk was het. Nog steeds komen er nieuwe verhalen naar boven.

En:

We laten zien dat mensen in de oorlog keuzes moesten maken. Er zijn mensen die moedige dingen hebben gedaan en mensen die vreselijke dingen hebben gedaan. Maar de meeste mensen zaten daar tussenin. Bedenk dat het in de oorlog niet duidelijk was wie er zou winnen. Niemand wist hoe het af zou lopen. Aan alle keuzes die je kon maken, zaten gevaren en voordelen vast.

En:

We proberen ook uit te leggen hoe de oorlog begonnen is. Want daar kun je van leren. Als je snapt hoe het toen ging, zie je misschien dingen die daar nu, in onze tijd, op lijken. Als je dat herkent, dan kun je daar iets aan doen.

Dat laatste moeten we maar hopen, natuurlijk, maar het is een nobel doel voor zover bedoeld wordt dat kinderen kunnen helpen oorlogstoestanden te voorkomen.

De inhoudsopgave beslaat vier pagina's en dat is niet teveel want hij biedt ook een inleiding bij de hoofdstukken. Zie bv. de tweede van die vier pagina's:



Die hoofdstukken zijn:
Waarom je dit eerst moet lezen
Tijdlijn
1. Hoofdrolspelers
2. Vechten
3. Techniek
4. Symbolen
5. Vriend of vijand
6. Overleven
7. Moord
8. Dieren
9. Nog niet voorbij (over de laatste maandenoorlog in Azië) (mijn toevoeging)
10. Nooit meer.

Dat voorwoord 'Waarom je dit eerst moet lezen' bevat o.a. 'de belangrijkste vragen over de Tweede Wereldoorlog', waaronder (gelukkig) ook waarom-ie zo heet. Maar ook: 'Wat is Joods zijn?', 'Waarom wilde Hitler de Joden weg hebben uit het Duitse rijk?', 'Vonden alle Duitsers Hitler een goede leider?' ('zeker niet'), 'Waar werd gevochten?', 'Wat is de Gestapo?' (en idem SS, Wehrmacht, nazi, SD) en meer feitelijkheden.

De tijdlijn is duidelijk en voorzien van afbeeldingen, zie de vierde van de vijf pagina's tijdlijn:



Waarbij terzijde opgemerkt dat het boek zo fors is dat het maar net in mijn scanner paste, dus excuses aan de opmaker en de verzekering dat het een uiterst verzorgd boek is!

Het wordt me teveel om per hoofdstuk de inhoud op te sommen en te bespreken. Ik licht er één stukje tekst als voorbeeld uit, die over prins Bernhard in het hoofdstuk 'Hoofdrolspelers':

Prins Bernhard was de man van prinses Juliana, de dochter van koningin Wilhelmina. Hij was geboren in Duitsland. Tijdens de oorlog was het voor Bernhard ingewikkeld: hij was een Duitser in een Nederlands koningshuis.
Later bleek dat hij als student lid was geweest van de nazipartij en zich zelfs had aangemeld voor de SA, een nazi-organisatie. Ook had hij, voor hij met Juliana trouwde, twee brieven geschreven aan Adolf Hitler.
Toen de oorlog begon, zette prins Bernhard zich in voor Nederland. Samen met zijn schoonmoeder Wilhelmina verbleef hij in Londen om van daaruit de Nederlandse bevolking te steunen. Wilhelmina gaf hem in 1944 de taak om de groepen die in Nederland verzet pleegden te helpen. Door zijn werk voor Nederland tijdens de oorlog werd prins Bernhard voor sommige mensen een held. Maar anderen konden zijn verleden in nazi-Duitsland niet vergeten.

Gevoelig onderwerp, uitgewogen tekst - vind ik. Deze voorzichtige benadering kenmerkt het boek.

Mooi zijn ook de blokjes met zaken 'om over na te denken'. Zoals:

Wat als Hitler de Tweede Wereldoorlog had gewonnen?
De mensen in dit hoofdstuk (het gaat over de hoofdrolspelers, hv) hebben het leven van miljoenen mensen bepaald. De een ging de geschiedenisboeken in als held, terwijl een ander een misdadiger werd. Hitler kwam uit een eenvoudig gezin. Hij maakte zijn school niet af. Niets wees erop dat hij de machtigste man van Duitsland zou worden. Hij verloor de oorlog en staat nu in dit boek als grote misdadiger. Wat denk jij, hoe zou dit boek eruit hebben gezien als Hitler de Tweede Wereldoorlog had gewonnen?

Dat zet inderdaad aan tot nadenken.
Zo zijn er meer kadertjes met nadenkertjes of wetenswaardigheden.

Ik toon, ondanks het geworstel met mijn scanapparaat, nog drie pagina's om een indruk van het boek te geven:







Opmerkelijk is het hoofdstuk over dieren in de oorlog, ongetwijfeld ingelast omdat verondersteld werd dat kinderen daarvoor belangstelling hebben en vaak begaan zijn met het lot van dieren. Het gaat hier niet om slakken, spinnen of wormen (ook niet de wormen die gegeten werden door de dwangarbeiders die aan de Birmaanse spoorweg werkten), maar om dieren uit de meer aaibare sector: zoogdieren en vogels. Mascottes en postduiven komen voorbij, evenals de gevolgen van het bombardement op Rotterdam voor diergaarde Blijdorp en het lot van de dieren in andere dierentuinen, inclusief die van Berlijn.




Het hoofdstuk 'Moord' verdient speciale vermelding omdat ook hier naar mijn idee zeer doordacht verteld wordt hoe de moordmachine van de nazi's werkte. De illustratie hierboven (p. 127) is overigens van Irene Goede en de enige in het boek die een indruk geeft van hoe het er toeging in de concentratiekampen - de sfeer is juist getroffen. Met name voor dit hoofdstuk geldt dat er met zorg gekozen is wat wél en wat niet te vertellen.

Mijn slotsom luidt dat 1939-1945, Toen het oorlog was een zeer goed documentair boek voor kinderen is, dat in geen enkele schoolbibliotheek zou mogen ontbreken.


Groot, Annemiek de, Roos Jans, Juul Lelieveld en Liesbeth Rosendaal. 1939-1945, Toen het oorlog was. Met ills. van Irene Goede. Gottmer, 2019, 180 p., ISBN 978 90 257 7144 7.

donderdag 5 december 2019

Annie M.G. Schmidt in het Kinderboekenmuseum

Het belang van het Kinderboekenmuseum voor de Nederlandse jeugdliteratuur kan moeilijk overschat worden. Sinds de heropening in 2010 stegen de jaarlijkse bezoekersaantallen gestaag, de 100.000 werd gehaald in 2017 en voor 2019 wordt het aantal 120.000 zeker gehaald.
Tot mijn verrassing maken schoolbezoeken slechts een tiende uit van die aantallen, de rest is particulier: kinderen en hun ouders, grootouders e.d. Er worden veel verjaardagsfeestjes gevierd in het museum.
Dat hoorde ik op 3 december jl., tijdens een perspresentatie van de 'semi-permanente' tentoonstelling 'De eigenwijze kinderen van Annie M.G. Schmidt'. Sanne Kappert en directeur Aad Meinderts leidden ons rond, terwijl hier en daar nog monteurs bezig waren.

 


De tentoonstelling bevindt zich in een soort zijzaal, naast het recent ingerichte museumcafé, en de jonge bezoekers hoeven het niet te laten bij kijken, zoals naar het portret van een jonge Annie bij de ingang met haar eigen typemachine, maar kunnen ook allerlei spelletjes doen.

 

 

Zo zijn er bijvoorbeeld de Tosbus waarin je liedjes kan horen, een opnamestudio'tje waarin je je eigen 'poezenvlog' kan maken, een hoekje waarin je op een typemachine kan schrijven ('een printer die meteen print!', schijnt een kind te hebben geroepen), een boodschappentas waarin je aan de gang kunt met een woordmixer en je kunt een quiz doen met hulp van een slurper. Philip Hopman, een van de weinige illustratoren van haar werk die nog leeft, leverde bijdragen aan de lift van Abeltje, waarin je kan opstijgen uit het museum.


Als je naar de vloer kijkt, zie je het ook, eigenlijk nog mooier. Kijk maar:


Met excuses voor het geroezemoes op de achtergrond.


 

De muren zijn versierd met afbeeldingen, grotendeels van Fiep Westendorp. Komt er dan ook aandacht voor de illustratoren van het werk van Annie M.G. Schmidt? Jawel, aldus Sanne Kappert, 'op de huid' van de zaal, namelijk aan de andere kant, zullen van tijd tot tijd tentoonstellingen komen gewijd aan Wim Bijmoer, Carl Hollander, Philip Hopman en uiteraard ook Fiep Westendorp.

De teksten zijn tweetalig. Dat is nieuw. Onze rondleiders hadden geen idee van aantallen, maar hebben wel de indruk dat er nogal wat 'expats' met hun kinderen op bezoek komen. Vandaar.

Het was een prettige kennismaking met deze nieuwe tentoonstelling, die na eerdere tijdelijke tentoonstellingen in 1995 en 2011 wel een ode mag heten aan de bekendste en meest geprezen Nederlandse kinderboekenauteur.
Een mooie geste bij het 25-jarig bestaan van het Kinderboekenmuseum op 7 december 2019. De tentoonstelling is open vanaf 8 december 2019.

dinsdag 3 december 2019

Lezen loont

Tegelijk met de brochure Kunst van Lezen werkt bracht Stichting Lezen een brochure Lezen loont! uit.
Uit het voorwoord::

Lezen is een vaccin tegen laaggeletterdheid; een onmisbare vaardigheid om als mens te kunnen functioneren en groeien.
Lezen loont!

Lezen als prettig medicijn, het is geen nieuwe beeldspraak. Jacob Cats had het al over Wormcruyt met suiker en D.L. Daalder nam dat als titel voor zijn in 1950 verschenen boek over jeugdliteratuur, te vinden in de onvolprezen Digitale bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL).

Na die inleiding volgt tekst onder de zelfverzekerde kop 'De feiten: voordelen, bedreigingen en kansen' en ik citeer de eerste drie alinea's met bronvermelding:

De waarde van lezen

Naarmate een bevolking meer leest, is het aantoonbaar beter gesteld met de volksgezondheid en de vitaliteit van het cultureel-maatschappelijk leven. Lezen is in wezen een sociale activiteit. Wie bijvoorbeeld leest over een verdrietig personage, gebruikt daarbij dezelfde hersendelen als wie verdriet ziet bij een mens van vlees en bloed. Zo maakt lezen mensen empathischer en toleranter en draagt het bij aan burgerschapsvorming. Ook heeft lezen een positief effect op concentratie, intelligentieniveau en cognitieve vermogens. Vooral literair lezen loont. Literatuur houdt mensen een spiegel voor en zet aan tot nadenken. Literair taalgebruik prikkelt het inlevingsvermogen sterker dan alledaagse taal en is uitdagender wat betreft zinsbouw en woordgebruik. 

Lezen loont niet alleen in sociaal-cultureel opzicht. Lezen en schrijven speelt nu al een rol in 80% van het werk op de Nederlandse arbeidsmarkt. Door de digitalisering neemt dit percentage alleen maar toe. In de digitale samenleving kan niemand meer functioneren zonder de vaardigheden om teksten te doorzoeken, te begrijpen en te verwerken. Een geringe leesvaardigheid gaat vaak samen met werkloosheid, een laag loon, een slechtere gezondheid, beperkte carrièrekansen en bijbehorende maatschappelijke problemen. 

Van lezen word je beter in taal. En hoe beter in taal, hoe beter de prestaties in andere vakken. De leesvaardigheid van jongeren gaat echter achteruit. Dat kan het welzijn en de welvaart van komende generaties schaden. Laaggeletterdheid kost de Nederlandse samenleving nu al 1 miljard euro per jaar. Dat kun je beter voorkomen dan genezen. Het programma Tel mee met Taal beoogt met tal van middelen laaggeletterdheid terug te dringen. Tegelijkertijd wil Tel mee met Taal voorkomen dat nieuwe laaggeletterdheid ontstaat bij de generatie die nu opgroeit. Leesbevordering gericht op kinderen en jongeren heeft grote waarde. 
Bronnen: Buisman, Allen, Fouarge, Houtkoop & Van der Velden 2013, PWC 2017, Stichting Lezen 2016, Fisser & Van der Hoeven 2014, Ritchie, Bates & Plomin 2015, Koopman 2016, SCP 2018. 

Jammer overigens dat die bronnen niet zijn terug te vinden in een literatuurlijstje. Daarvoor zul je het internet moeten doorzoeken.
Het zal tekenend zijn voor ons tijdsgewricht dat hier vooral de waarde van lezen voor onze persoonlijke ontwikkeling wordt benadrukt, meer dan het deelnemen aan een gezamenlijke cultuur. De 'waarde van het lezen' mogen we hier gerust als het 'nut van lezen' opvatten.
Begrijpelijk, want het doel is het overhalen van beleidsmakers en onderwijsgevenden om dat lezen te bevorderen, en daarmee is geld gemoeid. Dat wordt nu eenmaal officieel niet aan nutteloze zaken besteed.
Toch krijg ik de neiging er een ander citaat naast te zetten, volgens NRC 2-12-2019 van de op 1-12-2019 overleden dirigent Mariss Janssons:

Wie zijn ziel níet voedt met kunst, leidt een leven gevuld met eten, werken en slapen; de matte, primitieve monotonie van een beest. Daarom zeg ik: kunst moet. Alleen dan maak je mensen bewust van hun menselijkheid.

Er worden in de brochure verder wat cijfers gepresenteerd over de daling van die bereidheid tot lezen onder kinderen en jongeren.

Van alle 15-jarigen is 18 % laaggeletterd. Op het vmbo-basis geldt dit voor 62% van de leerlingen; op het vmbo-kader voor 35%. Laaggeletterdheid is een groot en groeiend probleem, dat bovendien van generatie op generatie wordt doorgegeven. Een kind met laaggeletterde ouders heeft een driemaal hogere kans dan andere kinderen om laaggeletterd te worden.

En:

Het Nederlandse leesonderwijs doet het echter steeds minder goed in vergelijking met andere landen. 
[...]
Nog maar 8% van de Nederlandse kinderen behaalt het geavanceerde leesniveau.

Ook weer met bronvermelding. Geen wonder, denk ik dan als ik dat lees, want ik vermoed dat onze onderwijsgevenden zelf steeds minder lezen.

En dat terwijl:

Lezers worden gemaakt, niet geboren. Onderzoek toont aan dat wie plezier heeft in lezen, meer leest en het daardoor beter en sneller leert. Ook het omgekeerde is waar. Mensen die lezen niet leuk vinden, doen het minder vaak en leren het minder goed en krijgen er daardoor een nog grotere hekel aan.
Nederlandse jongeren hebben in vergelijking met hun leeftijdsgenoten in andere landen erg weinig plezier in lezen. Dat heeft een negatieve invloed op hun leesprestaties.
Op de basisschool vinden acht op de tien kinderen lezen nog leuk. Naarmate kinderen ouder worden, neemt het leesplezier zienderogen af. Bijna de helft van de 15-jarigen leest nooit voor de lol, ook al leest 20 % van hen dagelijks nog steeds 30 minuten of meer.

Nou, daar kunnen onze opvoeders en onderwijzers het mee doen.
Genoeg gewaarschuwd, dachten de brochureschrijvers. Op naar het vaccin. De brochure vervolgt met een samenvatting van de activiteiten van Stichting Lezen.
Indrukwekkende cijfertjes:

Landelijke campagnes helpen om het (voor)lezen in het zonnetje te zetten. Bovendien geven ze bibliotheken, scholen, kinderopvang en het boekenvak aanleiding om met regelmaat extra werk te maken van leesbevordering en samen te werken. Voor alle leeftijdscategorieën van 0 tot en met 20 is er een jaarlijkse campagne met een landelijke uitstraling en een fijnmazig lokaal bereik.
• De website van Stichting Lezen trok in 2018 circa 100.000 bezoekers. 
• 99 % van de basisbibliotheken neemt producten af die (mede) door Stichting Lezen zijn ontwikkeld; 
• Ruim 50 % van de basisscholen en 39 % van de middelbare scholen werkt met een of meer producten van Stichting Lezen. 
• Driekwart van de Nederlanders is bekend met De Nationale Voorleesdagen; 70 % van de bevolking vindt het een belangwekkende campagne; 
• De scholen die meedoen met De Nationale Voorleeswedstrijd hebben een beter leesklimaat dan scholen die niet meedoen.

Die activiteiten zijn niet nieuw. De Nationale Voorleeswedstrijd bijvoorbeeld startte in 1993. De Nationale Voorleesdagen zijn er sinds 2004. De Kinderboekenweek (niet genoemd want, denk ik, geen initiatief van Stichting Lezen) is er al sinds 1954. Desalniettemin doet de brochure het voorkomen alsof er nu pas echt aan de weg getimmerd gaat worden. 'Alle hens aan dek'.

Een bloeiende leescultuur is van veel factoren en actoren afhankelijk. Het is alle hens aan dek om ervoor te zorgen dat ieder kind plezier in lezen krijgt. Daarom brengt Stichting Lezen het fijne van lezen en de voordelen van een goede leesvaardigheid overal en steeds opnieuw onder de aandacht. Daarvoor zet Stichting Lezen Kinderboekenambassadeurs in en heeft zij de Leescoalitie opgericht.
De Leescoalitie is een samenwerkingsverband van Stichting Lezen, de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, Stichting Lezen & Schrijven, het Literatuurmuseum/Kinderboekenmuseum, het Nederlands Letterenfonds en de Bibliotheken (de Koninklijke Bibliotheek en Vereniging Openbare Bibliotheken).


Fijn. Vooral blijven doen. Aan het werk. Gebruik ieder geldpotje dat onze stuntelende regering aanreikt.
Maar over de effectiviteit heb ik mijn sombere twijfels. Ik mis het onderwijs in die coalitie. En het zal toch echt op school moeten beginnen, met ondersteuning van de bibliotheek.


Lezen loont. Stichting Lezen, 2019.

PS d.d. 3-12-2019. Pal na publicatie van bovenstaande bijdrage krege ik een persbericht van Stichting Lezen dat verwijst naar 'alarmerende' gegevens uit het PISA-onderzoek 2018 over de leesvaardigheid en de trek in lezen van Nederlandse vijftienjarigen. Zie hier. Ik hoop er binnenkort meer over te schrijven.

maandag 2 december 2019

Kunst van lezen: het werkt

Kunst van Lezen werkt is een brochure 'om iedereen die lezen meer systematisch aandacht wil geven en daarvoor anderen enthousiast wil maken te voorzien van recente informatie'.
De titel suggereert de conclusie. Of dat ook zo is, wordt in de brochure echter vooral getoond met cijfers.
Zie bijvoorbeeld p. 8:




Of bijvoorbeeld p. 12:



Op de tegenoververliggende pagina staat in een cirkeltje in een foto van een moeder die haar kind voorleest: 'Kinderen die worden voorgelezen hebben een grotere woordenschat'.
Of dat zo is, moeten we maar geloven...
De cijfers zijn indrukwekkend, maar het is jammer dat er aan de effectiviteit nauwelijks aandacht wordt gegeven.

Misschien staat daarover meer in de gelijktijdig uitgebrachte brochure Lezen loont?



Stichting Lezen. Kunst van Lezen werkt. [z.j.] (2019)

donderdag 28 november 2019

Duurt het nog lang?

Na Het hele soepzootje nu een documentair prentenboek van Floor Bal over zwangerschap. Oók een ontstaansverhaal, maar nu in één mens.Met een andere illustrator: Iris Deppe.

Het verhaal wordt verteld in episodes van 42 weken, verdeeld over 32 bladzijden met dubbelpagina-illustraties, en de metafoor is een reis. Zie dit detail (!):



Dat iets is feitelijk niet helemaal juist, er waren immers al een eitje en een zaadje.
In week 2 gaat het zo:



Wederom een detail: de bladzijden van dit prentenboek zijn te groot voor mijn scanner.
Het gaat me om de tekst, maar intussen toont dit detail ook de stijl van de illustraties.
Hier hebben we dus dat zaadje en dat eitje. Hoe die in de buik en bij elkaar komen, blijft onvermeld. Zonder nadere uitleg bestaat de kans dat de jonge luisteraar (dit boek is duidelijk bericht op kinderen die nog niet toe zijn aan leesonderwijs) aanneemt dat de vrouw die heeft gegeten. Dat is immers voor peuters en kleuters de gangbare manier waarop iets in de buik terecht komt. Aan de voorlezer de eer om wat seksuele voorlichting te geven.
Gemiste kans, dus. Alleen al de spannende reis (!) van dat zaadje op weg naar en in dat ei...
'Een nieuw leven ontstaat.' Plechtig hoor. Misschien iets te abstract voor een jonge kleuter.

In week 3 reist 'dat beetje leven dagenlang door de buik'. En 'zodra het de juiste plek vindt, plakt het daar vast'. Die juiste plek moet dan wel 'een kleine zak met water' zijn, want daarin bevindt het 'stipje' zich in week 4. Ja, als je je richt tot kleuters, moet je het eenvoudig houden. Toch is dit wel erg eenvoudig. Maar ja, dat krijg je als je niet wil vertellen hoe dat zaadje bij dat eitje komt en welke weg dat eitje vervolgens aflegt door de eileider naar die 'zak met water', waar het zich innestelt.

Wat na enkele bladzijden al opvalt is bovendien dat dit 'stipje' of 'korreltje rijst' (week 5) of 'kleine ding' (week 6) heel makkelijk van buik wisselt. Van moeder dus. In week 1 heeft moeders rood haar en groene ogen, in week 2 zwart haar en bruine ogen, in week 3 en 4 is ze niet te zien tenzij de twee daar afgebeelde vrouwen ervoor moeten doorgaan in week 5 heeft ze stroblond haar (en gesloten ogen, sorry), in week 6 zwart kroeshaar en een heel donkere huid, enzovoort. Dat stipje volbrengt uitzinnige verplaatsingen! Magie! Kun je zeker wel een reis noemen...
Gelukkig is de uitdrukking eigenlijk steeds ongeveer hetzelfde, er komt geen chagrijnige moeder voor in dit prentenboek, en ook alle vaders zijn opgewekt, net als hun eerste kind, want op alle bladzijden dartelt er ook een kleuter rond, ongeveer zo oud als de bedoelde luisteraar.
Hieronder een detail van week 21:



Andere ogen en mondjes als deze kan of wil Iris Deppe niet tekenen. Dat houdt het fijn herkenbaar voor de jonge kijker/luisteraar, en zelfs de beesten doen mee:



Ik zal dat maar het Disney-effect noemen. Ja, beide details stammen van tegenover elkaar geopende bladzijden, een dubbelpagina-illustratie dus zoals bijvoorbeeld deze:



Of moeders er goed aan doet om te schaatsen, laat ik in het midden. Wel apart overigens dat het zich met zoveel talent van moeder naar moeder verplaatsende 'nieuwe leven' zijn of haar eigen kleur houdt. Dat kan echter wel: het is een misverstand dat donkerhuidige mensen al in de baarmoeder een donkere huid hebben. In ieder geval in week 25 nog niet, heb ik begrepen. Of dat in week 32 ook nog een 'glad, roze huidje' is, weet ik niet. Laat ik over aan de deskundigen, die ik erop wijs dat het kindje in week 39 lichtbruin is, als het zich in een donkerhuidige moeder bevindt - wat volgens mij wel klopt. Ik hoop maar dat verder alle details betreffende de ontwikkeling kloppen. Dat geldt in ieder geval voor de momenten dat de baby kan horen en zien.
Een baby, ja, want zo heet het 'stipje' vanaf week 11 in dit boek, afgewisseld door kind (voor het eerst in week 12).

Nu is het merkwaardig dat niet wordt verteld hoe zaadje eitje bereikt, maar wel hoe baby de buik verlaat. Het wachten daarop begint hier in week 37 en de geboorte vindt plaats in week 40.
Ineens verplaatst de tot dan anonieme verteller zich in het kind!



Dat is apart! Is dit een poging om te vermijden hoe de bevalling moeder bevalt? In week 41 en 42 (laatste week) gaat de verteller wat hybride door, half van een afstand, half zich verplaatsend.




Geboren worden valt nog niet mee, maar dat blijkt niet uit het beeld. Daar is het babyleed kennelijk al geleden en kijkt de baby met blauwe (!, zie vader) zijn of haar zusje (broertje?) aan.

Is dit het ideale boek om voor te lezen aan een broertje of zusje in spe?
Ik heb niet alle boeken bekeken. Het zou kunnen dat Een baby'tje op komst van Christie Watts Kelly en Martha & William Sears meer informatie biedt en dat Wat zit er in je buik, mama? van Sam Lloyd (voor peuters) grappiger is. Wij krijgen een baby van Katja Reider en Marijke ten Cate, waarin moeder van alles uitlegt, is zeer informatief maar het kan wat verwarrend kan zijn als (andere) moeder voorleest. Zie hier over Baby'tje in mama's buik van Bette Westera en Jan Jutte, bedoeld voor een iets oudere leeftijdsgroep.
En dan hebben we nog Kaatje en mama’s buik van Liesbet Slegers, zeker niet slecht (en daar wisselt de foetus in ieder geval niet van moeder!), Bobbi wordt grote broer van Ingeborg Bijlsma en Monica Maas, Kleine beer en de baby van Harmen van Straaten (met dieren als personages, in dit kader niet zo fijn) en Er komt een baby bij van het oude talentvolle duo John Burningham en Helen Oxenbury, maar dan zijn we definitief in de fictie belandt en dan vergelijken we appels met peren.

Duurt het nog lang? is in ieder geval als documentair (non-fictie) boek voor peuters en kleuters zeker niet slecht. Maar ik vind die hele trits van wisselmoeders een vergissing, ik vind het jammer dat er zo preuts gedaan wordt over conceptie en bevalling en Deppe's oogjes, ach.



Bal, Floor, & Iris Deppe. Duurt het nog lang? Gottmer, 2019, ISBN 978 90 257 7194 2.


woensdag 27 november 2019

Burgerschapsvorming

Na diverse stukjes over burgers kan ik een notitie over burgerschapsvorming natuurlijk niet onbesproken laten. Vooral niet als die van Stichting Lezen komt: Boek en burgerschap (2018). Want alleen al op grond van de titel vermoed ik dat er iets instaat over het belang van (jeugd)literatuur bij burgerschapsvorming. Op 11 juni 2018 vond er een door Stichting Lezen georganiseerde 'expertmeeting' over dit onderwerp plaats. Vandaar.

Ik licht er wat citaten uit.

(P. 9) Het wetenschappelijk onderzoek naar burgerschapsonderwijs is lange tijd schaars geweest. Pas in de afgelopen tien jaar is er substantiëler empirisch onderzoek naar burgerschapsonderwijs gedaan.
[...]
Ten tweede laat onderzoek zien dat docenten het verschil kunnen maken.
[...]
Ten slotte laat onderzoek zien dat een enkel project of kortdurende projecten weinig effect sorteren.

(P. 10) Het begrip ‘burgerschap’ wordt niet eenduidig gebruikt. Door de decennia heen zijn er verschillende zaken mee aangeduid. Daarom expliciteren we hier eerst die verschillende zaken die ‘burgerschap’ worden genoemd.
Einde citaat. Nou, dat valt een beetje tegen, in feite wordt hier alleen het formele staatsburgerschap opgediend, met wat geschiedenis. Zie toevoeging onderaan.

(P. 11) Decennialang heeft de Tweede Kamer met de normatieve discussie over burgerschap geworsteld (zie bijlage II voor een toelichting). Pas na de politieke moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh kwam daar verandering in. In 2006 werd burgerschapsvorming een expliciete wettelijke opdracht voor scholen in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. In de huidige wetgeving voor het primair en voortgezet onderwijs staat:
Het onderwijs:
- gaat er mede van uit dat leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving,
- is mede gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie, en
- is er mede op gericht dat leerlingen kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten.

(P. 12) Scholen in het primair onderwijs, voorgezet onderwijs en middelbaar onderwijs zijn overigens niet verplicht om deze onderwijsdoelen te realiseren. Ze zijn louter verplicht om een inspanning te doen. [...] Minimumeisen worden er niet gesteld door de wetgever.
[...]
Het is dan ook niet verrassend dat zowel de Onderwijsraad als de Inspectie van het Onderwijs als internationale onderzoeken laten zien dat het burgerschapsonderwijs nog niet ten volle tot bloei is gekomen.
Zo stelt de Onderwijsraad “dat de ontwikkeling en implementatie van burgerschapsonderwijs een complexe opgave voor scholen blijkt. Er zijn nog weinig bewezen effectieve methoden en instrumenten voorhanden en de wetgeving is onduidelijk.”
Het internationaal vergelijkende onderzoek ICCS laat bovendien zien dat Nederlandse 14-jarigen relatief weinig burgerschapskennis hebben, dat zij relatief negatieve houdingen ten opzichte van gelijke rechten voor migranten hebben, en dat er een relatief grote ongelijkheid in burgerschapskennisniveau is tussen vmbo- en vwo-leerlingen.

(P. 16) 3 Taalontwikkeling, lezen en burgerschap
Welke rol kan lezen spelen bij de bevordering van burgerschap in het onderwijs? We verkennen eerst welke burgerschapsdoelen zich goed lenen voor het inzetten van lezen als onderwijsinstrument. Vervolgens bespreken we wetenschappelijke inzichten over de relatie tussen taalontwikkeling, lezen en burgerschapsvorming. Ten slotte bespreken we een aantal praktijkvoorbeelden en ontwerpprincipes voor toekomstige combinaties van leesonderwijs en burgerschapsonderwijs.

(P. 17) Hoewel de termen ‘actief burgerschap’ en ‘sociale integratie’ niet nader gedefinieerd zijn, is het kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen een taak die via het lezen van boeken plaats zou kunnen vinden.
Te meer daar niet iedere klas of school de volle diversiteit aan achtergronden en culturen van leeftijdgenoten bevat die de Nederlandse samenleving rijk is.
Naar verwachting zal in toekomstige wetgeving nog meer nadruk liggen op een set van sociale en maatschappelijke competenties die mede-ontwikkeld kunnen worden door leesonderwijs, zoals het kunnen omgaan met verschillende perspectieven op sociale, maatschappelijke of politieke vraagstukken.

(P. 17) Het meeste onderwijskundig wetenschappelijk onderzoek richt zich op afzonderlijke vaardigheden en competenties, zoals lezen, rekenen, metacognitieve ontwikkeling of burgerschapsontwikkeling. Hoe deze vaardigheden en competenties aan elkaar gerelateerd zijn, wordt veel minder onderzocht.

(P. 18) Relatief recente publicaties laten zien dat lezen tevens een specifieke bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van burgerschapscompetenties. De meest voor de hand liggende manier is dat via het lezen kennis over de wereld kan worden opgedaan, en dus ook over democratische en maatschappelijke thema’s.
Daarnaast kan het ervaren van een hoge mate van betrokkenheid en persoonlijke relevantie tijdens het lezen van fictie het empathisch vermogen vergroten. Ook het lezen van in het bijzonder narratieve fictie heeft een empathieverhogend effect (Bal & Veltkamp, 2013; Koopman, 2017). Empathie hangt weer samen met het vermogen tot prosociaal en coöperatief gedrag, die bouwstenen zijn voor burgerschapsgedrag (Stocks, Lishner, & Decker, 2009).

(P. 19) De Statenschool in Dordrecht is een good practice als het gaat om burgerschapsonderwijs. Als openbare basisschool voor Jenaplanonderwijs heeft de school extra aandacht voor de brede ontwikkeling van leerlingen.
Als sinds de jaren negentig ziet de school het voorbereiden van leerlingen op hun rol in de democratische samenleving als een centraal leerdoel. Wat deze school bijzonder maakt, is dat de leerlingpopulatie een grote diversiteit kent, zowel in sociaal-economisch als in etnisch opzicht (Nieuwelink et al., 2016).
Link door mij aangebracht en er volgen meer van zulke voorbeelden, zoals:

(P. 21) De meest vergaande combinatie van lezen en burgerschap wordt op dit moment ontwikkeld door het Deltion College, in samenwerking met Hogeschool Windesheim. In plaats van de leerdoelen in afzondering te bezien en de verschillende methodes te volgen, ontwerpen docenten hier hun eigen, geïntegreerd curriculum. Door de teksten uit de methodes Nederlands te vervangen door boeken of teksten die burgerschapsthema’s belichten, worden twee vliegen in één klap geslagen. Leerlingen gaan de teksten als persoonlijk relevanter ervaren, ze ontwikkelen hun leesvaardigheid, en kunnen zo met meer diepgang hun eigen burgerschapscompetenties ontwikkelen.

De notitie eindigt met wat tamelijk abstracte aanbevelingen, waaruit ik citeer:

(P. 25) Er is een discrepantie tussen enerzijds de ambities van onderwijsinstellingen, politiek en maatschappij op het gebied van burgerschapsonderwijs en anderzijds de gebrekkige facilitering daarvan.
Zolang er niet meer formele prioriteit en facilitering van overheidswege komt, blijven docenten zoeken naar mogelijkheden om binnen de status quo de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs te verhogen.

De experts zien hier 'een belangrijke rol' weggelegd voor Stichting Lezen.



Eidhof, Bram. Boek en burgerschap. Stichting Lezen, 2018.

PS d.d. 6-12-2019. In NRC 3-12-2019 trof ik een twee pagina's tellend artikel over het wetsvoorstel wijziging burgerschapsonderwijs dat op 28 november naar de Tweede Kamer is gestuurd en in januari 2020 zou worden behandeld. Bram Eidhof, de auteur van de hierboven besproken publicatie, wordt in het artikel geciteerd. Hij vindt de voorgestelde wet een verbetering, maar nog te onduidelijk. Die mening wordt gedeeld door Coen Gelinck, voorzitter van de Vereniging van Leraren Maatschappijleer.

Toevoeging (p. 10):
Staatsburgerschap is de formele juridische status die een natuurlijk persoon tot burger van een natie maakt. Het staatsburgerschap heeft door de eeuwen heen een ontwikkeling doorgemaakt. Marshall schetst de grote lijnen van de invulling van het begrip in de afgelopen eeuwen (Marshall, 1963).
In de 18e eeuw werd de toegang tot de rechter, de gelijkheid voor de wet, en de wet boven alles van steeds groter belang geacht. De problematische beperking die in deze opvatting besloten lag, is dat wetten doorgaans niet neutraal waren en bepaalde groepen achterstelden, en dat inspraak in de wetgeving was voorbehouden aan een kleine elite van burgers. In de 19e eeuw volgde daarom in veel landen de toegang tot de politiek, in de vorm van verkiezingen. Hiermee werd de mogelijkheid om de gang naar de rechter te maken volwaardiger: men had immers inspraak gehad in de wetgeving. Maar ook dat was nog niet genoeg om tot een volledig volwaardig burgerschap te komen, volgens Marshall. Een stem is immers niet veel waard wanneer je niet geïnformeerd bent over maatschappij en politiek, of wanneer je sterk afhankelijk bent van anderen. Burgers die zich, bijvoorbeeld, iedere dag zorgen moesten maken over of ze die avond wel te eten zouden hebben, zouden niet voldoende tijd of urgentie ervaren om zich betrokken te voelen bij de democratie of de publieke zaak.
Daarom gaan er tegenwoordig met de formele status van staatsburger rechten en plichten gepaard. Dat zijn in Nederland burgerrechten zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en sociale rechten (bijvoorbeeld het recht op onderwijs en het recht op een uitkering). Daarnaast zijn er aan het staatsburgerschap ook plichten verbonden – in algemene zin samen te vatten als de plicht om je aan de wetten van het land te houden, en daaruit voortvloeiende plichten zoals het betalen van belasting en de leerplicht.

Opvattingen over burgerschap

Binnen deze set van juridische rechten en plichten zijn er vele mogelijkheden om je als burger te manifesteren. Daar zijn ook uiteenlopende ideeën over in de politieke theorie (zie bijlage I). In politieke discussies over burgerschap en burgerschapsonderwijs worden vaak de verschillen in normatieve uitgangspunten van verschillende politieke partijen benadrukt. Dat bemoeilijkt het vormen van consistent en effectief beleid. Het vinden van consensus over het wát is een moeilijk proces, toch zijn politieke partijen eensgezind over dát het onderwijs een burgerschapsvormende taak heeft.

Einde citaat. De genoemde bijlage omschrijft vier opvattingen over burgerschap in de 'politieke theorie', maar zegt niets over de betekenissen van de woorden burger en burgerlijk in de alledaagse taal. Laat staan over het onderscheid boeren, burgers en buitenlui, of dat tussen burgers en militairen of politie. Of burgers en overheid, enz.






vrijdag 22 november 2019

Kleine huisjes

Waarin woon je liever: in een tiny house, een lutje hoeske of een klein huisje?

Sinds in de VS mensen de neiging kregen om (doorgaans gedwongen door geldgebrek) in kleine huisjes te gaan wonen en daarvan een soort geuzenbeweging te maken, zwerft de term tiny house door de wereld. Vooral de journalistiek, altijd dol op pasmunt en cliché's, helpt met de verspreiding.
En iedere keer als ik de term lees, denk ik: wat is het verschil tussen tiny house en klein huis of klein huisje? Is dat ongeveer hetzelfde als het verschil tussen roadtrip en autoreis? Of tussen uit de kleren gaan en uitkleden? Nee, wacht, dat laatste heeft niets te maken met Engels en alleen met status en omstandigheden. Uit de kleren gaan doe je nooit alleen, en vaak met een camera of publiek.
Een roadtrip wordt ons ook vaak voorgeschoteld in een verhaal (film of boek). Zelf maak ik nooit een roadtrip, wel eens een autoreis, doorgaans zonder publiek. En liever verlaat ik de autoweg voor een fiets- of voetpad en dat heet dan zelfs in fictie geen roadtrip. Bergtocht houdt nog dapper stand tegen mountain trip en aan een fietstocht (cycle trip?) wagen ze zich zelden in het land van de dominante reclametaal.

Terug naar de kleine huizen.
In een artikel in NRC Next 22-11-2019 over een theatermaker (Femke Ravensbergen) die uit geldgebrek een vrachtcontainer tot huis verbouwt, kwam ik nóg een term tegen:

In Nederland is het vinden van een standplaats nog niet vanzelfsprekend. Kleinschalige initiatieven zijn er wel. Groningen wees twee locaties aan voor het ontwikkelen van 'lutje hoeskes'. Eind september presenteerden twee Rotterdamse wethouders een plan om kleine, duurzame woningen neer te zetten op de 18 vierkante kilometer aan platte daken die de stad telt.

Lutje hoeske! Klinkt dat knus of niet? Véél knusser dan kleine duurzame woning. Ik zag meteen het bankje en de zonnebloemen voor de deur, en een appelboom in het veld erachter.
Ik zie wel mogelijkheden voor een verenging die het wonen in lutje hoeskes bevordert, misschien wel meer dan voor een die het wonen in kleine huisjes of tiny houses bevordert.
Wat is dat toch dat onze eigen moerstaal soms nèt te gewoon maakt? Engelstaligen hebben er kennelijk geen last van, want tiny house klinkt in het Engels net zo gewoon als klein huisje, en dan missen ze, jammer voor ze, nog dat extra verkleiningsvormpje achter het woord, want dat kan nu eenmaal niet in het Engels. Waardoor we nu wel sales op de winkelruiten zien en nooit meer uitverkoop, maar we het wel over een koopje hebben.
Een spotkoopje, zo'n zeecontainer. Maar het verbouwen tot een bewoonbare datsja (om eens een veelgebruikt Russisch woord te noemen) is nog geen sinecure, blijkt uit het artikel.
Ik hoop dat ze het warm houdt, 's winters.

donderdag 21 november 2019

Bibliotheek op school: een jaar erbij

Een persbericht, gedateerd 11 november 2019 (de links zijn door mij aangebracht):

'Tweede pilot met Voor jou en je kind!

Stichting Lezen en Stichting Lezen & Schrijven geven een vervolg aan de pilot ‘de Bibliotheek op school' en de oudercursus 'Voor jou en je kind!’. Deze cursus biedt ondersteuning aan ouders bij het stimuleren van de taal- en schoolontwikkeling van hun kind. De pilot loopt dit schooljaar op tien scholen met de Bibliotheek op school. Aan het eind van het schooljaar wordt een toolkit opgeleverd met o.a. een projectplan, een presentatie voor een startbijeenkomst en extra materialen over leesbevordering.

Preventie van laaggeletterdheid
De bibliotheken die deelnemen aan de pilot zijn in november vol enthousiasme van start gegaan. Deze bibliotheken hebben zich al op verschillende manieren verbonden met lokale ontwikkelingen rond de preventie van laaggeletterdheid.

De doelgroep wordt gevormd door ouders uit taalarme gezinnen, die vaak niet weten dat ook zij kunnen bijdragen aan de taalontwikkeling van hun kind. In de cursus krijgen zij hierbij een steuntje in de rug. Managers educatie, leesconsulenten, vrijwilligers, schooldirecties en leerkrachten werken in deze pilot samen.

Toolkit in ontwikkeling
Aan het einde van dit schooljaar zal de pilot resulteren in een toolkit voor de Bibliotheek op school. In de toolkit komen onder andere een projectplan en een presentatie voor een startbijeenkomst op scholen te staan.

Speciaal voor de pilot heeft Stichting Lezen in aanvulling op Voor jou en je kind! werkboeken en video’s ontwikkeld die aandacht besteden aan het onderwerp leesbevordering. Ook die zijn straks in de toolkit te vinden. Met de toolkit kunnen ook andere bibliotheken samenwerken met scholen die ouders willen betrekken bij leesbevordering met behulp van Voor jou en je kind!'

Einde persbericht. Grappig, ik dacht dat de Bibliotheek op School al geïnstitutionaliseerd was. Goed dat het verlengd wordt.

maandag 18 november 2019

Nieuws voor kinderen

Naast het Jeugdjournaal en Kidsweek is er sinds september 2019 (het persbericht had ik even laten hangen) een online nieuwsbron voor kinderen gebaseerd op tekst. De site Nujunior is gelanceerd door Nu.nl. Een toelichting vind ik in een interview in de Volkskrant met Gert-Jaap Hoekman, hoofdredacteur van Nu.nl.

‘Kinderen worden vaker dan vroeger met nieuws geconfronteerd, via sociale media en hun mobiele telefoon’, zegt Gert-Jaap Hoekman (38), de hoofdredacteur van nu.nl. ‘Ze hebben meer dan ooit behoefte aan uitleg, maar het aanbod van kindernieuws is vrij beperkt.’

Hij zegt dat NuJunior iets toevoegt aan het aanbod van de grootste spelers, het NOS Jeugdjournaal en Kidsweek, een krant en site voor kinderen. ‘Het Jeugdjournaal is erg gericht op video, terwijl wij sterk in tekst geloven. Op tv wordt het grote nieuws uitgelegd in het bulletin van het Jeugdjournaal, op hun site sneeuwt dat een beetje onder tussen opmerkelijke nieuwtjes, bijvoorbeeld over dieren. Het Jeugdjournaal doet het hartstikke goed hoor, maar wij gaan meer serieus nieuws brengen. En wat Kidsweek betreft, die doen het vooral goed in print.’

Evenals de moedersite is Nujunior gratis toegankelijk. Aangezien alleen de zon voor niets opkomt, moet de kost dus verdiend worden middels advertenties.

‘Die zijn niet het belangrijkste, maar ze spelen wel mee. Voor een hele generatie die nu opgroeit, is nu.nl de plek waar hun ouders naartoe gaan voor nieuws. Die groep moet ons ook leren kennen.'

‘We investeren stevig in NuJunior, waar drie à vier redacteuren per dag aan de slag gaan. We kijken nog hoe we dat kunnen terugverdienen. Er komt geen reclame op de site. Daarom komt de nieuwe site los te staan van nu.nl.'

‘Natuurlijk zijn we geen filantropische instelling. We gaan experimenteren met gesponsorde berichten voor kinderen. Een klein aantal, ik weet nog niet hoeveel. Daar zetten we duidelijk bij: dit is betaald door iemand anders.’

Die advertenties kun je weghalen met een adblocker. Als je dat doet krijg je, net als in Nu.nl, een tekstje dat je aanraadt om die uit te zetten:

Hallo bezoeker,

We zien dat je een adblocker gebruikt. Hierdoor zie je alleen advertenties die door jouw adblocker zijn goedgekeurd. Dat vinden we jammer! Jij kunt NUjunior namelijk onder andere bezoeken dankzij de advertenties. Wil je weten hoe je de adblocker voor NUjunior.nl uitzet? Klik dan hier.

Tja, jammer voor ze. Ik laat mijn adblocker lekker aanstaan. Een blik op Nujunior d.d. 14-11 en vandaag leert me dat de teksten inderdaad goed zijn toegesneden op jonge lezers. Het zijn vooral nieuwsberichten, ja, dat kun je verwachten van een nieuwssite, maar van de beloofde uitleg zie ik weinig en er zit nogal veel 'nieuws' onder over Bekende Mensen.

Het zou te prijzen zijn als de redactie (voorlopig vier redacteurs, leer ik uit dat interview) aan de jonge lezers uitleg geeft over hun selectie en de bewerking van het nieuws. Niet dat die zo belabberd is, maar zo leren die jonge lezers iets over hoe nieuws tot stand komt.
Dat geldt overigens ook voor het Jeugdjournaal en Kidsweek.



donderdag 14 november 2019

Wat zullen we leren...

Jarenlang overleg leidde in Nederland tot een voorstel voor een soortement curriculum. Stichting Lezen heeft er blijkens een bericht van 10-10 jl. 'met waardering van kennisgenomen', dus zal het wat betreft leesbevordering niet slecht zijn afgelopen.

Wat moeten onze leerlingen kennen en kunnen? Dat is de centrale vraag waarover 125 leraren en 18 schoolleiders zich hebben gebogen. Voor negen leergebieden presenteren zij hun voorstellen voor de onderwijsinhoud van morgen.

Die 'leergebieden' zijn Bewegen & Sport, Burgerschap, Digitale geletterdheid, Engels / MVT, Kunst & Cultuur, Mens & Maatschappij, Mens & Natuur, Nederlands, en Rekenen & Wiskunde. Waarbij MVT staat voor moderne vreemde talen en de / voor 'en andere', neem ik aan. Want Engels is immers ook een 'moderne vreemde taal'.

Ik ga me hier niet wagen aan een beoordeling van deze voorstellen, dat gebeurt al elders. Zoals altijd en overal zal er veel afhangen van de vaardigheden en kennis van docenten, en de aandacht die zij kunnen hebben voor hun leerlingen.
Hoe enthousiast ook, een zij-instromer met een mbo-opleiding die voor een groep van vijftig leerlingen staat, zal er niet veel van bakken.
Onze kinderen hebben baat bij goed opgeleide docenten, zie ook hier, en ze hebben baat bij individuele aandacht van hun docent. Een oplossing voor het gebrek aan goed opgeleide docenten in Nederland is voor de kwaliteit van het onderwijs, en dus ook voor de leesbevordering op school, veel belangrijker dan een wijziging van het curriculum.

Hoewel jeugdliteratuur raakt aan alle schoolvakken, ligt het voor de hand om te kijken hoe die aan bod komt in de 'leergebieden' Nederlands en Kunst en Cultuur.

Eerst Nederlands. Ik citeer:

De voorstellen zijn beperkt tot de kern van wat leerlingen moeten leren, waardoor leraren meer ruimte krijgen voor eigen invulling. Daarnaast verbetert de overgang van basisonderwijs naar voortgezet en vervolgonderwijs én de samenhang tussen leergebieden.

Taal & cultuur
Leerlingen komen in aanraking met allerlei talige, culturele uitingen uit heden en verleden. Ze leren hun eigen en andere culturen beter begrijpen en daar respectvol mee omgaan.

Een aantal voorstellen zijn nieuw ten opzichte van het huidige curriculum:
• Leerlingen werken met literaire en zakelijke teksten die inhoudelijk samenhangen, een uitdagende inhoud hebben en van goede taalkwaliteit zijn. Zo kunnen ze hun kennis van de wereld, hun taalkennis en hun woordenschat uitbreiden.
• Er is in alle fasen van het primair en voortgezet onderwijs aandacht voor leesmotivatie en literaire competentie. Zo krijgen alle leerlingen de kans om lezers te worden en te blijven. Leerlingen verkennen verschillende situaties en maken kennis met personages uit verschillende werelden, culturen en perioden. Ze leren verschillende perspectieven innemen en hun eigen standpunten en oordelen ter discussie stellen.
• Leerlingen werken aan hun taal- en cultuurbewustzijn. Ze leren begrijpen wat (eerste) talen en taalvariëteiten betekenen voor zichzelf en de ander. Ze worden zich bewust van de meertaligheid in hun directe omgeving en in de samenleving, en van de rol van het Standaardnederlands als gemeenschappelijke taal in een meertalige samenleving.
• Leerlingen leren experimenteren met taal en vormen van taal om daarmee uiting te geven aan ideeën, ervaringen, gevoelens en intenties. Daarbij is er een belangrijke plek weggelegd voor het creatieve proces van leerlingen en voor het spelen met talige, visuele en retorische middelen.

Uit wat volgt blijkt dat er voldoende ruimte is voor docenten om enthousiast aan de gang te gaan met (jeugd)literatuur, al is de 'relevantie' van het vak vooral gericht op competente deelname aan de samenleving:

Doordat leerlingen kennis en inzicht in de Nederlandse taal en cultuur verwerven, worden ze ondersteund en uitgedaagd om zich tot actieve en kritische burgers te ontwikkelen. Leerlingen die zich taalcompetent en cultuurbewust voelen, zijn beter toegerust om hun verantwoordelijkheid te nemen in de samenleving.

Bij de uitwerking onder 'Inhoud' is onder 'Taal en cultuur' dit te lezen:

Leerlingen komen bij het leergebied Nederlands in aanraking met allerlei talige culturele uitingen uit het heden en verleden. Door deze verschillende uitingen te bespreken, te analyseren en door zelf te experimenteren met taal leren ze hun eigen en andere culturen beter te begrijpen en er respectvol mee om te gaan. Cultuur is alles wat mensen denken, doen en maken en de betekenis die mensen er vanuit hun eigen achtergrond aan geven. De talige en culturele bagage die leerlingen meekrijgen op school is bepalend voor een succesvolle participatie in de samenleving.
Het ontwikkelen van literaire competentie is een belangrijke taak van het leergebied Nederlands. Leerlingen maken kennis met een breed aanbod aan teksten, zowel literaire fictie, non-fictie als poëzie. Ze leren literaire teksten te interpreteren, erover te communiceren en erop te reflecteren. Ook leren ze er persoonlijke, maatschappelijke, historische en culturele betekenis en waarde aan toe te kennen. Het uitgangspunt van het literatuuronderwijs is het geschreven woord. Andere culturele uitingen zoals film, theater, beeld en muziek kennen ook fictionele kenmerken en kunnen eveneens benut worden in het literatuur- en taalonderwijs, onder meer om aan te sluiten bij de belevingswereld van leerlingen.

Een mond vol. Wat hier ontbreekt is aandacht voor de taal zelf, nadenken over wat taal is en ermee spelen.
Daarover staat wel iets onder (merkwaardig genoeg) 'Taal en identiteit' en ik cursiveer waarom het me gaat:

Leerlingen komen in aanraking met creatieve vormen van taal, gaan hierover in gesprek en experimenteren zelf met taal en vormen van taal. Op die manier ervaren ze de kracht, schoonheid en effecten van taal, taalgebruik en literatuur uit heden en verleden. Ze ontdekken en benutten hun talige kwaliteiten, ontwikkelen hun eigen voorkeuren en krijgen vertrouwen in hun eigen taalvaardigheid.

Dit wordt echter vervolgd door:

Het (voor)lezen van, kijken en luisteren naar en praten over literatuur en andere talige culturele uitingen en het zelf scheppen van taaluitingen draagt bij aan de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen. Ook draagt het bij aan het verkennen van andere werelden en de ontwikkeling van inlevingsvermogen en van verbeeldingskracht.
Leerlingen leren dat ze een onderwerp of thema vanuit verschillende perspectieven kunnen bekijken.
Ze leren die perspectieven herkennen, daarop reflecteren, hun oordeel uitstellen of een gefundeerd oordeel geven.

Kortom, vooral aandacht voor persoonlijke ontwikkeling, voor vaardigheden. Niet gek, we hebben het per slot over onderwijs. Ik heb echter de indruk dat te weinig wordt omschreven wat leerlingen nu eigenlijk aan kennis zou moeten worden bijgebracht.
De bedenkers van dit nieuwe 'curriculum' hebben kennelijk vooral nagedacht over wat leerlingen na doorlopen van het onderwijs zouden moeten kunnen, en niet over wat ze zouden moeten weten.

Dan Kunst en Cultuur:

Lange, maar wat vage tekst. Ik pik eruit:

Leerlingen leren kijken en luisteren, laten zich inspireren, leren experimenteren met materialen en middelen, zetten door, gebruiken hun verbeeldingskracht, ontwikkelen technieken en vaardigheden en reflecteren op het werk- en leerproces. De artistieke ontwikkeling van de leerling is niet los te zien van het creatieve proces dat de leerling keer op keer doorloopt.
Bij het ‘meemaken en betekenis geven’ ervaren leerlingen dat kunst en cultuur onlosmakelijk verbonden is met het bestaan en onderdeel is van hun identiteit en kan bijdragen aan wie ze zijn. Ze komen in aanraking met kunst- en cultuurhistorische context, de functies van kunst en ze beleven kunst en erfgoed in de kunstzinnige context binnen en buiten school.

Alweer die identiteit... Tja, is in hè... 'Wij' weten kennelijk niet meer zo goed wie we zijn, volgens de samenstellers van curriculum.nu.
Er zit zelfs een animatiefilmpje in. Waarin 'leerlingen een artistiek creatief vermogen ontwikkelen via maak- en denkstrategieën'. Asjemenou.

Bij het doorvlooien van wat eronder volgt wordt me duidelijk dat literatuur volgens de samenstellers niet onder kunst valt en dat wordt bevestigd:

Onderwijs in kunst en cultuur gaat over onderwijs in kunsten, media en erfgoed. In primair en speciaal onderwijs en onderbouw voortgezet (speciaal) onderwijs omvat het leergebied Kunst & Cultuur vanuit de huidige doelen gezien: beeldende vorming (tekenen, handvaardigheid, textiele werkvormen en audiovisuele vorming), dans, drama, muziek en cultureel erfgoed (primair onderwijs) én de vakken die hieruit zijn voortgevloeid (zoals nieuwe media) en die zich in de toekomst nog zullen ontwikkelen.

Bij verder doorbladeren blijkt bovendien dat er wel erg veel redundantie zit in de tekst. Een vaardige redacteur had het werkstuk tot de helft kunnen bekorten. Literatuur als kunst komt er verder niet meer aan te pas.

Ik wens onze docenten succes met het toepassen van dit curriculum.
En herhaal met variant: zoals altijd en overal hangt geslaagd onderwijs in de eerste plaats af van de vaardigheden en kennis van docenten, en de aandacht die zij kunnen hebben voor hun leerlingen.
In de tweede plaats en in het verlengde hiervan, hangt het af van de ruimte en ondersteuning die zij van hun schoolleiding krijgen.
Pas op de derde plaats komt een goed curriculum.

dinsdag 12 november 2019

Klassieke kinderboeken

Natuurlijk, er zijn (m.i. beklagenswaardige) mensen die nooit iets gelezen hebben.
Maar vraag iemand om een kinderboek te noemen dat hem of haar is bijgebleven, en doorgaans krijg je wel een titel, met bijbehorende herinneringen.
Dat kan een titel zijn die verder haast nooit wordt genoemd, zoals De schildknaap van Outre-Mer van Ronald Welch, maar vaker wordt een titel genoemd die velen kennen, zoals Alleen op de wereld van Hector Malot. (Ik noem maar even twee boeken die ik zelf desgevraagd zou noemen.)

Een favoriet boek is nog geen klassiek boek.
Maar hoe vaker favoriete titels worden genoemd, des te meer kans dat ze ooit het predikaat klassiek krijgen.
Alleen, wat ís klassiek dan?




Die vraag werd eigenlijk alleen impliciet gesteld tijdens een studiedag die de Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur (dat laatste is eigenlijk een tautologie, maar ach, wie stoort zich eraan) organiseerde op 1 november.
Een klassiek boek is een boek dat steeds opnieuw wordt gelezen en steeds weer het lezen waard wordt gevonden. Voor dat steeds opnieuw en steeds weer mag in decennia gerekend worden. Dat maakte ik op uit de diverse inleidingen.
Eerste inleider Helma van Lierop wees er terecht op dat ‘het beste boek’ niet bestaat en memoreerde waarom Anne de Vries zijn werk Wat heten goede kinderboeken heeft genoemd en niet ‘Wat is een goed kinderboek’. Voor klassieke boeken geldt eigenlijk hetzelfde. Ze haalde Italo Calvino aan ('een klassiek boek helpt de lezer met het definiëren van zichzelf'') en deed toch een poging om wat kenmerken van klassiek genoemde verhalen te noemen: die
- zijn vooral ‘verhalenvertellers’
- zijn vernieuwend
- bevatten een visie op wat kinderen vermogen. Beeld: het ‘competente kind’.

Tweede inleider Erna van Koeven (zie ook hier) schetste wat er in vier generaties in haar eigen (protestants-christelijke) omgeving werd gelezen: vier vrouwen die ‘steeds minder protestants’ werden. Van oma die christelijk geïnspireerde gedichten las naar W.G. van de Hulst, die ze zelf door haar moeder voorgeschoteld kreeg, tot De boze heks van Hanna Kraan (haar dochter).

Sanne Parlevliet nam ons na de lunch mee naar een reeks mogelijke klassieke boeken, in de hoop niet de ‘hete adem’ van de aanwezige ‘experts’ in haar nek te voelen. Ze vervlocht haar vertoog met soms licht bewerkte citaten met de vraag naar herkenning, en jawel, dat lukte met dit publiek zonder veel moeite. De aanwezige 'experts' waren namelijk vooral verzamelaars, liefhebbers en veellezers (en, niet of). Ook zij waagde zich natuurlijk niet aan een definitie.

Een soortgelijke exercitie ondernam Margreet van Wijk, maar dan op het vlak van de illustraties. Ook hier herkende het publiek meer dan de '320 mensen van diverse leeftijden' die zij op de korrel had genomen. Opmerkelijk: niemand van die 320 herkende een illustratie van Tonke Dragt, uit het toch vaak klassiek genoemde boek Een brief voor de koning.

Tussendoor trad nog Ger Tielen op, van de Karl May-vereniging, en kregen diverse begunstigers van de Stichting gelegenheid om hun favoriete 'klassieke' boek te presenteren. Wat natuurlijk de verwarring klassiek/favoriet niet verkleinde, maar wel heel begrijpelijk was in dit aimabele gezelschap, en zeker niet verkeerd, zie aanhef.

Wie 'iets heeft' met jeugdliteratuur, en dan vooral het oude kinderboek, kan zich aansluiten bij dit gezelschap. Zie hier.


dinsdag 5 november 2019

Witte Raven en congres IBBY

Op de Frankfurter Buchmesse zijn de White Ravens 2019 bekendgemaakt, een selectie door de Internationale Jugendbibliothek van bijzondere jeugdliteratuur uit de hele wereld. In de catalogus zijn de 200 titels uit 59 landen en in 37 talen van de White Ravens opgenomen, waaronder negen boeken in het Nederlands en één Friestalig boek.
Die Witte Raven zijn op zich geen activiteit van de International Board on Books for Young people (IBBY), maar er is wel verband, want de IJB werd in 1949 opgericht met hetzelfde idealisme dat in 1953 tot de IBBY leidde, een 'non-profit organization which represents an international network of people from all over the world who are committed to bringing books and children together'. De energieke journaliste Jella Lepman was bij beide betrokken.



De IBBY heeft afdelingen (sections) in Nederland en België (weer onderverdeeld over Vlaanderen en Wallonie) en organiseert (onder meer) elke twee jaar een congres. Het eerstvolgende zal plaatsvinden in Moskou, 5-7 september 2020. Als particulier rechtstreeks lid worden van IBBY kan niet, IBBY is een vereniging van landensecties.

De afdelingen verzorgen onder meer de inzending van boeken voor de Hans Christian Andersen Awards, een prijs van de IBBY voor auteurs en illustratoren van jeugdliteratuur. Hoe de internationaal samengestelde jury die boeken beoordeelt, vaak zonder de talen van de genomineerde boeken te kennen, is een goed bewaard geheim, hoewel er in de tijd dat er nog Nederlandstalige vaktijdschriften over jeugdliteratuur bestonden wel boekjes over zijn opengedaan.
Genomineerd voor de Andersen Awards van 2020 zijn onder meer de auteurs Bart Moeyaert en Toon Tellegen, en de illustratoren Anne Brouillard en Sylvia Weve.

De Belgische IBBY-secties zijn instituten (resp. Iedereen leest en Centre de littérature de jeunesse de Bruxelles), maar de Nederlandse sectie is een stichting, en het is mogelijk om begunstiger ('vriend') van die stichting te worden.


zondag 3 november 2019

een blad jde st lte

Wat een rare poëziebundel is dit, zoveel bladzijden en er staan maar vijf gedichten in, waarvan er drie niet rijmen en één van ene Hilda Steunvoet is, en soms ontbreken er letters, terwijl sommige bladzijden er helemaal mee bedekt zijn, zodat ze onleesbaar worden. En op andere bladzijden staat bijna niets. Zie bv. hieronder links en rechts:

     


Wàt? 
Dit is helemaal geen 'rare poëziebundel', het is juist een heel opmerkelijk boek. Ik kende de poëzie van Paul van Ostayen, maar Ted van Lieshout gaat veel verder! De letters nemen hier het woord over van de dichter, omdat die onder tafel is gekropen wegens liefdesverdriet. En daarna nemen weer andere letters het over en volgt er een heftig escalerende letterstrijd en ook nog een interveniërende dichter (die Hilde Steunvoet). Een momentopname halverwege:





Ja, zo ver kwam ik ook. Maar dit is toch geen poëzie? Ik kan me niet voorstellen dat dit boek de winkel uit vliegt. Hoeveel lezers, jong en oud, zullen dit boek na wat bladeren terzijde leggen? Vast heel veel.

(Mag ik ook iets zeggen?)

Over welk boek gaat dit eigenlijk?

Het gaat over dat boek dat de Boekensleutel heeft gewonnen, Ze gaan er met je neus vandoor, van Ted van Lieshout. Het kreeg ook nog de 1e prijs van de Jongerenjury van De Grote Poëzieprijs. Of het wel of niet poëzie is, ja, dat hangt er natuurlijk van af wat je onder poëzie verstaat! 

(En mag ik ook iets zeggen? Dit gaat over oorlog!)

Wil je wijsneuzen over wat poëzie is, dan wijs ik je onder veel meer op een lemma in dit blog. Proza babbelt of redeneert, poëzie zingt, beide kunnen mijmeren en schreeuwen, en poëtisch proza bestaat dus ook, net als (kwestie van typografie) prozagedichten. Poëzie vestigt de aandacht op de woorden, proza op de boodschap. Denk wat dat betreft aan een boodschappenbriefje dat je vindt in een supermarktkarretje: treffen de woorden je door hun ritme, muzikaliteit, vindingrijkheid, nou ja, door zichzelf dus, dan heb je zowaar poëzie in je handen. Niet alleen de dichter bepaalt wat poëzie is, de lezer ook.
Ze gaan er met je neus vandoor mag strikt genomen wellicht niet helemaal officiële poëzie zijn, het zindert wel van poëzie, er wordt gefluisterd, geschreeuwd, gezongen.

(Hallo! Mag ik ook iets zeggen?)

Je overdrijft. Ik zie vooral geredeneer, heel opgewonden weliswaar, maar toch. En je moet enorme moeite doen om dat opgewonden gekakel te verstaan.

Ik herhaal: poëzie vestigt de aandacht op de woorden, proza op de mededeling. Als je hier de aandacht voor de woorden mist, sla je geen acht op hoe ze er staan, alsof je van een muziekstuk alleen de noten leest en niet let op de dynamiektekens of gaat luisteren naar de uitvoering.
Nou ja, woorden: in dit boek gaat het om letters. Die zijn in verwarring omdat de dichter niet thuis geeft, doen een oproep (partner voor dichter gezocht) en daaruit volgt onder meer dat er een zelfbewuste (positief geëtiketteerde) of brutale (negatief geëtiketteerde) groep rode letters het boek binnentrekt en plaats opeist. Dat begint nog tamelijk beleefd, zo bv.:


Maar al snel wordt de tweestrijd erg onbeleefd en hij ontaardt in een oorlog met steeds meer kogels (zoveel dat ze bladzijdes bedekken, zie bv. helemaal boven links) en twee pagina's BOM. Jammer dat ik dat niet goed kan weergeven, mijn scanapparaat heeft moeite met dubbele bladzijden. Hier een foto:



Uiteindelijk winnen de zwarte letters. Maar hoe:


Hallo! Mag ik nou eindelijk iets zeggen?
(En ik ook?)

Gewonnen, dus, maar er zijn letters gesneuveld: de i, de v en de z.


Hallo! Nou ben ik echt aan de beurt, vind ik. Al die voorbeelden die je toont onderstrepen dat dit boek een ode is aan de boekvormgeving. 
Wijs me één boek aan uit de stapel recent verschenen werken dat zo prachtig speelt met vormgeving! Een feestje! Typografische poëzie!
Alleen daarom al verdient het volgens mij de Boekensleutel en had het wat mij betreft minstens een eervolle vermelding moeten krijgen bij de Best Vormgegeven Boeken.

Waarvan akte, helemaal mee eens. Maar het gaat nog verder. Voor de gesneuvelde letters wordt een oplossing verzonnen en er volgt een smeekbede aan de dichter om alsjeblieft terug te keren. Zowaar, op p. 77 kruipt hij onder de tafel uit. En op p. 79 staat een gedicht dat ik nu eens niet ga citeren, op het vijfde en laatste couplet na:
(En daarna neem ik gewoon het woord!)

    Maar zoek je de eeuwige sneeuw en het ijs,
    trek dan je jas aan en ga maar op reis.
    Vrees je 't alleen zijn, de vorst, het verdriet?
    Je tranen zijn warm. O, vergeet dat toch niet!

En nu ik. 
Want al die tijd vergeet je het eigenlijke onderwerp: de oorlog. Niet voor niets eindigt het boek met twee pagina's 'Nawoord' over de graven bij Ieper en de Grote Oorlog, zoals ze de Eerste Wereldoorlog in België noemen, met zes foto's. 
De zesde foto is die van de twee beelden van Käthe Kollwitz bij het graf van 'Peter', een van de gesneuvelde Duitse (!) soldaten op de begraafplaats van Vladslo, vlakbij Ieper. Indrukwekkend...




Ja, dank je, het zou je haast niet opvallen dat juist in dit nawoord nog steeds een gewonde voorkomt: de ı. De i mist zijn punt, die is geamputeerd. Het tekent dit zeer bijzondere boek. 
Het verband met die ene Grote Oorlog echter heb ik niet uit deze letteroorlog kunnen halen, al kreeg ik door het nawoord prompt een associatie met de eindeloze rijen kruisen die je in de omtrek van Ieper kan vinden. Als ik al een 'boodschap' uit deze heftige letteroorlog kon halen, dan is het dat oorlog doden en gewonden oplevert en dat de aanleiding tot oorlog doorgaans niet verheffend is.

Dat bedoel ik dus. Je kan wel lovend zijn over de typografische capriolen die deze auteur in zijn, nou vooruit, poëziebundel uithaalt, maar die Grote Oorlog vind ik er met de haren bijgesleept. Er had net zo goed een verwijzing naar andere oorlogen kunnen volgen. Beter zelfs misschien, want in de Grote Oorlog stierven meer mensen, ook soldaten, door ziekte en uitputting dan door kogels. Die BOM deed me meer denken aan Hirosjima dan aan de loopgraven bij Ieper.

Daar heb je wel een punt, vind ik. Toch blijft dit een heel bijzonder en uniek boek en niet alleen wegens de vormgeving en typografie, ook omdat het een prachtig anti-oorlogsverhaal is en bovenal omdat het, tja, hoe zal ik het zeggen, ik citeer maar uit het interview dat in een recent nummer van Onze taal verscheen:

Jan Erik Grezel: 'U past als "totaalkunstenaar" in geen enkel hokje.' Het gevatte antwoord van Ted van Lieshout:
'Jawel, in het hokje 'Ted van Lieshout'.







Lieshout, Ted van. Ze gaan er met je neus vandoor. Leopold, 2018. ISBN 978 90 258 7529 9, 84 p.