Zoeken in deze blog

maandag 22 april 2019

Globish

Ik dacht dat het een 1-aprilgrap was, maar dat is het niet. Jean-Paul Nerrière meende het, toen hij in 2004 Globish beschreef. Hij was toen vice-president marketing bij IBM. Maxim Februari besteedde er in NRC 16-4-2019 een column aan, daardoor kwam ik Globish op het spoor. (Een stukje door Peter de Waard zes jaar geelden in de Volkskrant had ik kennelijk gemist.)
Steenkolen-Engels, zou ik het voordien hebben genoemd, of Creole-English. Maar gewichtige zakenlieden als Jean-Paul Nerrière spreken natuurlijk geen steenkolen-Engels of Kreools, zij willen net zo correct zijn als hun zakenkostuum. Geen misverstanden, vooral geen misverstanden. Eenduidige helderheid in vijftienhonderd Engelse woorden en een eenvoudige basisgrammatica.

Tongue-in-cheek (dat is geen Globish) schrijft Maxim Februari:

Vandaag bereiden we ons voor op de taal van de toekomst. Het staat wel vast… Nou ja… Het is hoogst waarschijnlijk… Dat wil zeggen… Ik denk dat ik in de nabije toekomst op deze plek in het Engels moet schrijven.
[...]
In die toekomst, die nabij is, zal ik niet alleen schrijven voor een wereldwijd publiek. Ik zal ook wereldwijd worden gelezen, ik zal viraal gaan en geshared worden. Om klaar te zijn voor het oordeel van de wereld moet ik me derhalve als de wiedeweerga gaan gedragen. Mensen die mij niet kennen, die zelfs ons land niet kennen, die nog nooit van Nederland hebben gehoord, zullen zich over mijn woorden buigen en ze wegen. Geen grapjes, dus, geen overdrijvingen, geen ironie, niets wat kan leiden tot misverstand en ergernis aan de andere kant van de globe.

Globish, dus, concludeert hij.

Jezelf vertalen naar de 21e eeuw vraagt om helderheid en eenduidigheid. Zodat de vertaalmachines je verstaan en de globale gemeenschap je niet misverstaat. Wil je goed Globish spreken, dan moet je niet alleen je woordenschat tot vijftienhonderd woorden indikken. Je moet je stilistische repertoire intomen. Je temperament bedwingen. En, ja, ik weet het, ik heb persoonlijk nog een lange weg te gaan; maar als het me vandaag weer niet is gelukt me verstaanbaar te maken tegenover Google en de globe, dan lukt het me morgen. Ik beloof u oprecht dat ik mijn uiterste best ga doen.

Dit is natuurlijk niet zijn hele column, hij maakt o.a. nog een omweg langs Raymond Queneau en zijn Exercices de Style. Waar Queneau een ontmoeting in een tram op 99 manieren beschreef, kan dat in Globish slechts op één manier. En geen grappen, vooral geen grappen.

Globish haalde de Engelstalige Wikipedia en daaruit leer ik dat er meer pogingen zijn gedaan om een soort standaard-versimpeld-Engels te beschrijven. Charles Kay Ogden schreef bijvoorbeeld al in 1930 zijn Basic English: A General Introduction with Rules and Grammar.

Van deze pogingen gaat Globish het verst, geholpen door internet. Op de site kun je je eigen (Engelstalige) teksten door een scanner halen om te zien of het Globish is.
Ik twijfel nog. Mijn frase

I am going to make a walk. I hope I do not find bears on my path.

bleek perfect Globish. (Mits ik I'm en don't find veranderde in I am en do not find.)
Toch kan ik mij voorstellen dat ik aan een vergadertafel in pakweg Zoetermeer, Reykjavik of Brussel wat besmuikt of verontrust zou worden aangekeken als ik dat te berde bracht.
Misschien zouden ze het in Moskou begrijpen.

vrijdag 19 april 2019

VoorleesExpres succesvol

De VoorleesExpres is een initiatief dat in 2006 te Utrecht werd gestart door Anne en Marieke Heinsbroek. Bedoeling: voorlezen aan kinderen in gezinnen waar doorgaans weinig of niet wordt (voor)gelezen. Het groeide en bloeide en nu zijn er op zo'n tachtig plekken mensen die dit doen.

Tijd om eens te onderzoeken of het ook nut heeft, vonden onderzoekers Aike Broens en Roel van Steensel (bijzonder hoogleraar van Stichting Lezen). Op 17 april verscheen een persbericht van Stichting Lezen dat de resultaten samenvatte:

In gezinnen die meedoen aan de VoorleesExpress wordt de leesomgeving thuis en de taalontwikkeling verrijkt, zo blijkt uit een effectstudie van de Erasmus Universiteit Rotterdam in opdracht van Stichting Lezen. Ouders gaan naar eigen zeggen vaker voorlezen en de boekenkennis en het verhaalbegrip van kinderen groeien. Optimalisering van het programma is wenselijk om de taalontwikkeling duurzaam te stimuleren. 

Succes, dus, maar er valt nog iets te verbeteren.

Ik citeer verder uit het persbericht:

In totaal namen 176 kinderen deel aan de effectstudie: 95 in de experimentgroep en 81 in de controlegroep (een wachtlijstgroep). De effecten van de interventie zijn tijdens, direct na, en enkele maanden na afloop in kaart gebracht. De onderzoekers keken naar woordenschat, verhaalbegrip, boekenkennis van het kind, intensiteit van voorlezen door ouders en betrokkenheid bij voorlezen door het kind.

Vooruitgang in verhaalbegrip en boekenkennis
De resultaten wijzen uit dat de VoorleesExpress werkt. De kinderen gaan niet vooruit in woordenschat, maar wel in verhaalbegrip en het aantal boeken dat ze kennen. Hun ouders gaan naar eigen zeggen bovendien intensiever voorlezen. De stijgende lijn in de boekenkennis van kinderen en het voorleesgedrag van ouders zet door nadat de interventie na twintig wekelijkse bezoeken eindigt.

Verduurzaming interventie
Onderzoekers Aike Broens en Roel van Steensel, bijzonder hoogleraar van Stichting Lezen, concluderen dat de VoorleesExpress de taalontwikkeling positief kan beïnvloeden, maar dat verbetering van de interventie wenselijk is. Het effect op het verhaalbegrip zwakt na een aantal maanden namelijk af. Mogelijk komt dit doordat het voordoen van voorlezen door de vrijwilliger aan de ouder onvoldoende van de grond komt. Een indicatie hiervoor is dat niet alle ouders tijdens de wekelijkse sessies de hele tijd aanwezig zijn. Zij kunnen hierdoor niet de ondersteuning bieden die de voorlezer biedt om het voorlezen na twintig weken op hetzelfde niveau te continueren.

De onderzoekers adviseren daarom de interventie te verrijken met aanvullende activiteiten. Anne Heinsbroek, directeur van de VoorleesExpress, ziet hierin mogelijkheden. “We zijn, met onze partners, druk bezig om te zorgen voor een ruimer meertalig aanbod. Ouders kunnen hiermee in hun moedertaal de taalontwikkeling van hun kind stimuleren. Daarnaast gaan onze vrijwilligers aan ouders meer mogelijkheden aanreiken om met drukke peuters op een speelse manier met taal bezig te zijn.

Waarvan akte. Hier is het onderzoek te downloaden.
Let ook op het modewoord interventie.



woensdag 17 april 2019

Boel taarten met Haring

De Week van het Geld is allang voorbij als dit stukje klaar is, maar dat hoeft me er niet van te weerhouden om wat aandacht te geven aan geld en die fantastische wetenschap economie.
Of die week een succes was? Geen idee, maar in 2020 is er weer een.
In de dagbladen die me onder ogen kwamen las ik er niets over.

Geld, economie en kinderen: er is doorgaans weinig spannends te beleven. Voor kinderen onder de 12 herinner ik me brave boekjes, die veel uitleggen - maar ook veel niet.
Als ik geld intoets in de catalogus van De Jeugdbibliotheek (de website die het oude Leesplein en Boekenjeugdonline heeft vervangen, een aanzienlijke verarming maar daarover misschien een andere keer) krijg ik duizenden resultaten en als ik toespits op non-fictie nog altijd een tweeduizend. Maar daarbij zit echt van alles, ook verhaaltjes waarin geld een rol speelt, en de annotaties zijn helaas miniem.
Een verschijnsel dat onlangs nog de kranten haalde, namelijk het hoge bedrag aan schulden dat wereldwijd uitstaat (243.200 miljard US$, zo'n 34.000 per wereldbewoner), wordt in dat soort boekjes en websites nooit uitgelegd.
Evenmin vind je er argumenten in waarom het goed of slecht zou zijn dat een groeiend deel van de Nederlandse kinderopvang in handen is van grote, naar winst strevende bedrijven. (Zie NRC 5-4-2019, deel Economie, 'Private equity verovert kinderopvang'.)
Of hoe het kan dat een groot Amsterdams ziekenhuis ineens wegens faillissement zijn poorten sluit. En dat een tramverbinding tussen het centraal station van Utrecht en een universiteit gebied buiten de stad heel erg veel duurder wordt dan begroot.
Toch zijn het juist zulke zaken die economie een boeiend vak maken.

Laat ik nu toevallig in een winkel voor tweedehands boeken een vondst doen die me in combinatie met de toen nog aanstaande geldweek tot kopen bracht: Waarom cola duurder is dan melk van Bas Haring, verschenen in 2016, dus nog niet zo heel erg oud, toch slechts € 5,-. En verder ligt er al een tijdje een boek op de stapel te bespreken dat me ooit ter kennisname is toegestuurd: Wat kost dat?! Wat je wilt weten over geld & economie.

Met die twee uitgaven is de kous, waaraan ik al eerder was begonnen (zie bv. hier, hier, hier en hier), natuurlijk niet af. Zo staat Immer das Geld van Hans Magnus Enzensberger nog op mijn lijstje.

Maar eerst Bas Haring.
Kaas en de evolutietheorie (2001) was zijn debuut, won de Gouden Uil categorie jeugdliteratuur en werd expliciet een boek 'voor nieuwsgierige mensen van 9 tot 99' genoemd.
In of over Waarom cola duurder is dan melk staat zoiets nergens vermeld. Dat is 'een boek over economie voor hen die het ook maar ingewikkeld vinden'. Het is echter zo toegankelijk geschreven dat dit met recht een boek 'voor nieuwsgierige mensen van 12 tot 99' genoemd zou mogen worden.

Er valt wel iets te mopperen over dit boek. Bas Haring schrijft als een babbelkous, met veel gebroken zinnetjes en onnodige woorden. Net alsof de hoofdstukken bestaan uit de weergave van opnames van colleges, zonder veel redactie.
Voorbeeld is Bas' eigenaardige synoniem voor veel, namelijk een boel. Ander voorbeeld is zijn neiging om zinnen op te knippen.

En die situatie doet zich voor tijdens een recessie. Naar het schijnt.

Of:

Maar wat is eigenlijk een ramp? In financiële zin.

Of:

Ik heb een hypotheek van tweeëneenhalve ton en in mijn hoofd heb ik nog een halve ton speelruimte. Voor het geval ik een nieuwe auto wil kopen of een keer een lange reis wil maken.

En dit is een voorbeeld van zijn wat babbelende stijl.

Gelukkig begrijp ik ondertussen genoeg van economie om te weten dat de redenering niet klopt en dat er geen beperkte, vaste hoeveelheid rijkdom op de wereld is. De wereld kan er in zijn totaliteit heus een stuk rijker op worden dan-ie nu is. Als Congolezen en Liberianen rijker worden, dan gaat dat niet ten koste van ons. Toch? Dat ziet iedereen vrij gemakkelijk in.

Nog zo'n babbelstukje (p. 159):

Geld verdienen dankzij het hebben van bezittingen is misschien minder vreemd dan ik in eerste instantie dacht en er is zelfs een woord voor: kapitalisme. Dat is grappig. Ik heb nooit geweten wat 'kapitalisme' eigenlijk precies was. Iets met een nare bijsmaak. Tijdens mijn middelbareschooltijd had ik zelfs een sticker met 'Weg met het kapitalisme' op mijn agenda. Zonder te weten wat kapitalisme was. Maar nu begrijp ik het dus. Bezittingen die je kunt gebruiken om geld mee te verdienen heten 'kapitaal'. En de negatieve klank die aan het begrip hangt is vermoedelijk een gevolg van het feit dat je via kapitaal een inkomen kunt verkrijgen zonder dat je iets hoeft te doen.

Een klank die aan een begrip hangt, hm.
Dit soort passages vind ik wel wat afdoen aan de leesbaarheid, maar anderzijds weet hij vakjargon te vermijden, vindt hij originele en effectieve vergelijkingen en is hij goed te volgen, niet alleen door mij maar ook door pientere lezers van 12 en ouder.

Van belang vind ik wat hij op p. 225 schrijft over economen, nadat hij eerst het woord verhaal heeft geïntroduceerd voor theorie:

Ze bedenken een verhaal en toetsen dat aan de hand van beschikbare gegevens. Het is dan niet zo vreemd dat economen met elkaar overhoop kunnen liggen. Er kunnen meerdere verhalen naast elkaar bestaan die stuk voor stuk, min of meer, bij de data passen. Zoals er ook meerdere verdachten passen bij de gegevens die je voorgeschoteld krijgt in een tv-detective.
Bovendien zijn veel van die verhalen stiekem gebaseerd op ideologische aannames. Er zijn economen met een diep, diep wantrouwen jegens de overheid. Zulke economen zullen eerder met verhalen komen die vertellen dat de overheid steeds vreselijke fouten maakt. Gestaafd met gegevens.
Terwijl andere economen helemaal niet zo'n wantrouwen hebben en met evenveel bewijzen laten zien dat de overheid juist goede dingen kan doen.

De distantie die hieruit blijkt had hij ook kunnen gebruiken voor wat hij op p. 233 schrijft over de veertigurige werkweek, want dat getuigt van weinig historisch inzicht.

En gaan we korter werken? Meer vakantie hebben? Dat lijkt logisch, als robots ons werk overnemen, dan kunnen wij lekker in het gras gaan liggen. Maar ook dit gaat, denk ik, niet gebeuren. Onze veertigurige werkweek heeft niets te maken met de hoeveelheid dingen die we in veertig uur voor elkaar kunnen krijgen maar is simpelweg een gevolg van het feit dat we per week ongeveer veertig uur kunnen besteden aan anderen in plaats van aan onszelf.

Nou, 'we' hebben er de afgelopen twee eeuwen toch heel hard voor moeten zwoegen om die veertig uur in de plaats te krijgen van een achtenveertigurige of nog langer durende werkweek. Daar is menige staking (en soms oproer) aan voorafgegaan.
Dan zie ik maar af van commentaar op de aanname dat de tijd die we niet werken (= aan anderen besteden) uitsluitend voor onszelf is.
Er zijn meer passages in dit boek die mij tot het idee brengen dat onze Bas weinig aandacht heeft voor geschiedenis en voor de aloude tegenstelling tussen kapitaal en arbeid. Terwijl hij toch heel relevante zaken schrijft over hen die verdienen door bezit en hen die verdienen door werk - vaak werk voor hen die bezitten.
Hij schrijft wel vaker over 'we', alsof 'wij' mensen een harmonieus samenlevend clubje zijn. Een retorisch trucje dat graag door politici gebruikt wordt.
Ook vind ik het erg naïef dat hij er het hele boek van blijft uitgaan dat wat 'we' verdienen een uitdrukking is van hoe 'de samenleving' (dat zijn wij zelf ook) ons waardeert. Al merkt hij op p. 132 terecht op dat wat we verdienen in ieder geval geen uitdrukking is van onze opleiding, als hij erop wijst dat opleidingen tot goudsmid of balletdanser minstens zo lang duren en moeilijk zijn als die van huisartsen en hoogleraren, terwijl goudsmeden of balletdansers veel minder verdienen, ongeveer zoveel als de tuinman die hij her en der laat opdraven. Gelukkig maakt hij ergens nog wel een opmerking over topmanagers die veel te zeggen hebben over hun eigen inkomen.
Minstens zo naïef vind ik zijn introductie van 'gelukspunten' als eenheid voor het meten van hoe tevreden we zijn.

Zijn aanpak was: een lijstje vragen, en daarmee aan de gang. Hij is colleges gaan volgen, en heeft tientallen boeken en artikelen tot zich genomen, opgesomd achterin het boek (waaronder Piketty). Het is een aanpak die me aanstaat: vanuit onwetendheid vertrekken en zien hoeveel inzicht je kan verwerven.
Soms is-ie me al te 'onwetend' (hij zal toch ook wel eens een krant lezen), maar deze aanpak is beter, of in ieder geval onderhoudender, dan die van de docent die ons onderwijst wat hij net heeft geleerd met het air van een allesweter.
Dat leidt tot rake observaties als bijvoorbeeld het verschil tussen lenen door een regering en lenen door een mens: een mens gaat dood, een regering niet. Dus kan een regering steeds maar doorgaan met lenen en aflossen. (Hij heeft het wel over inflatie, maar laat historische kanttekeningen met verwijzingen naar de Weimar-republiek en het huidige Venezuela achterwege.)

En waarom is cola nou duurder dan melk? Volgens Bas Haring doordat er zoveel geld wordt gestoken in de reclame voor cola.

En een mooi stukje is dat over de gewenste verdeling van inkomen. Het is een van de twee plekken waar hij grafieken te hulp roept. Op p. 154-155 staan 'een boel taarten' afgebeeld.

 

Hij gaat uitvoerig in op wat volgens hem de juiste verdeling zou zijn en daaruit blijkt dat hij niet zoveel voelt voor een enorm verschil tussen arm en rijk, maar het ook niet erg vindt als de een iets meer verdient dan de ander.

Zo zijn er meer passages die tot nadenken en een standpunt kiezen uitnodigen. Een babbelkous, o.k., maar wel een die zinnige zaken aanroert.

Maar nou nog dat boek dat zonder moeilijker te zijn toch dieper gaat.


Haring, Bas. Waarom cola duurder is dan melk, een filosoof over economische zaken. Nijgh & Van Ditmar, 2016. 240 p., ISBN 978 90 388 0192 6.

PS. Op die andere aangeroerde zaken hoop ik in volgende stukjes terug te komen.


dinsdag 16 april 2019

Hieronymus van Alphen prijs 2019 voor Helma van Lierop-Debrauwer

Een persbericht d.d. 12 april 2019:

De Hieronymus van Alphen prijs 2019 is toegekend aan prof. dr Helma van Lierop-Debrauwer en gisteren uitgereikt tijdens de studiedag van de stichting in Leeuwarden.

Uit het juryrapport:

Met grote volharding, doorzettingsvermogen en geloof in het belang van wetenschappelijke aandacht voor de jeugdliteratuur wist zij aan de Tilburg University een masterstudie Jeugdliteratuur te realiseren, een unicum in Nederland. (….) Jaarlijks volgen zo’n vijftien tot twintig studenten de masteropleiding en bijna allemaal weten zij na hun masterthesis een positie in het kinderboekenvak te verwerven. Helma van Lierop is het boegbeeld van de opleiding, zowel binnen als buiten de universiteit. Ze weet jonge en oudere studenten te inspireren. Niet zelden hoor je die studenten zeggen: ‘Ik studeer bij Helma!’ in plaats van ‘Ik doe de master Jeugdliteratuur in Tilburg’. Het demonstreert hoe dicht zij bij haar studenten staat.

Helma is docent, onderzoeker en auteur van talloze wetenschappelijke en semiwetenschappelijke publicaties op het gebied van jeugdliteratuur voor Nederlandse én internationale boeken en tijdschriften. (…) Samen met Vanessa Joosen en Rita Ghesquière wist zij het nieuwe standaardwerk voor de jeugdliteratuur te realiseren, Een land van Waan en Wijs.

De veelzijdigheid, het doorzettingsvermogen en de passie van Helma van Lierop hebben de studie van, kennis over en liefde voor de jeugdliteratuur een goed eind op weg geholpen.

Over de Hieronymus van Alphen prijs:

Om degenen die erg veel aan beheer, voorlichting, onderzoek en publicaties betreffende de geschiedenis van de Nederlandstalige kinder- en jeugdliteratuur hebben gedaan, te eren en anderen te stimuleren om ook tot bijzondere resultaten op dit terrein te komen, heeft de Stichting Geschiedenis Kinder en Jeugdliteratuur in 2000 de Hieronymus van Alphen Prijs ingesteld, thans bestaande uit een toepasselijk beeldje van de beeldend kunstenaar Marion Ruting en een oorkonde. De prijs wordt sinds 2008 eens in de twee jaar uitgereikt. Voor meer informatie zie hier.
De jury voor de Hieronymus van Alphen prijs 2019 bestond uit Joke Linders, Christine Sinninghe Damsté en Marit van der Veer. Het volledige juryrapport zal vanaf 16 april op de website van de stichting te vinden zijn.

Einde persbericht.

Helma van Lierop-Debrauwer


Het zij Helma van harte gegund! De citaten uit het persbericht kan ik onderschrijven. Het persbericht is inderdaad te vinden op de website van Stichting Geschiedenis Kinder en Jeugdliteratuur, zie hier.
Over die stichting:
'De Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur (SGKJ) is een non-profit organisatie. De doelstelling is de bevordering en verbreiding van kennis over de geschiedenis van kinder- en jeugdliteratuur, alsmede het behoud en de ontsluiting van oude kinder- en jeugdboeken en kinderprenten als cultureel erfgoed, zowel vanuit de alledaagse werkelijkheid, als vanuit cultuurhistorisch en sociaal-wetenschappelijk perspectief. De stichting heeft zelf geen kinderboekencollectie.'

Een respectabel doel van een heel actieve club. Het overzicht van activiteiten gaat terug tot 2005, maar de stichting is ouder en het overzicht zou dus uitgebreid kunnen worden. De Hieronymus van Alphen Prijs bijvoorbeeld is in 2000 ingesteld.
Kind en jeugd is natuurlijk strikt genomen een tautologie. Vermoedelijk steekt hierachter de aanname dat kinderen na de start van hun puberteit eigenlijk geen kinderen meer zijn, maar ook nog geen volwassenen. Tussen servet en tafellaken, wat je zegt, en voor die periode is een arsenaal aan termen bedacht, tieners, pubers, adolescenten enzovoort. En ook jeugd dus, de jongens en meisjes die vroeger samenschoolden in het jeugdhonk, een al lang geleden wegbezuinigd fenomeen.


donderdag 11 april 2019

Lezen in het vmbo

Dat is toevallig! Slechts enkele dagen na mijn berichtje over dat onderzoekje over taalgericht techniekonderwijs ontving ik een persbericht van Stichting Lezen.

Er is een website speciaal over lezen in het vmbo. De officiële 'lancering' vindt 12 april plaats, maar hij is al online.

Uit het persbericht:

Voor veel vmbo-leerlingen is lezen geen vanzelfsprekendheid. Deze website is een handvat voor vmbo-docenten die werk willen maken van goed leesonderwijs. Over lezen in het vmbo is namelijk veel informatie beschikbaar, maar die informatie staat versnipperd en verspreid op internet en/of is niet makkelijk raadpleegbaar. Op de website staat de informatie over leescompetentie, leesmotivatie en leesplezier in het vmbo overzichtelijk bij elkaar. 

Wat kunt u vinden op lezeninhetvmbo.nl
Resultaten en aanbevelingen uit lees- en taalonderzoek, een quickscan om als team de stand van zaken rondom het leesonderwijs op school in kaart te brengen, handreikingen voor het inrichten van lees- en taalbeleid en praktische aan-de-slag-informatie in de vorm van beproefde lessenseries, goede praktijken en landelijke leescampagnes. 

Aan de slag, dus.
Grappig, het persbericht spreekt lezers met u aan, de website houdt het op je.


maandag 8 april 2019

Een boer zoekt een vrouw

Op p. 37 van Levende Talen Magazine april 2019 trof ik een mooi column van Peter-Arno Coppens.

Die vond ik niet op internet, dus citeer ik hem in zijn geheel:

Conclusies zijn slecht voor de redenering

Een van de klassieke argumenten voor het ontleedonderwijs is dat het de redeneervaardigheden van de leerlingen zou bevorderen. 
Ik heb dat altijd een sympathiek argument gevonden, in weerwil van het feit dat het nooit door empirisch onderzoek onomstotelijk is vastgesteld. 
Misschien omdat er zo'n opzichtige vanzelfsprekendheid in zit: om taal te ontleden moet je redeneringen opzetten, en als je veel oefent met redeneren is dat goed voor je redeneervaardigheden. Dat kan niet anders dan juist zijn, tenminste als de uitgangspunten kloppen.

Helaas blinken de meeste ontleedmethoden uit in talloze strategieën om het redeneren te vermijden. Trucjes en ezelsbruggetjes moeten leerlingen snel (liefst zonder nadenken) naar het goede antwoord op de toets leiden, en zinnetjes waarbij het gevaar bestaat dat je moet nadenken of discussiëren, worden zonder pardon uit het onderwijs geschrapt ('Daar moeten we de leerlingen niet mee willen lastíg vallen'). Het is haast een wonder dat er in experimenten toch nog soms positieve effecten van grammaticaonderwijs worden aangetroffen.

Er is niets dodelijker voor je redeneervermogen dan de zekerheid van een goed antwoord. Een simplistische visie op redeneren is dat het bestaat uit het trekken van conclusies uit de analyse van gegevens, maar dit suggereert een rechtlijnigheid die in elke niet-triviale redenering ontbreekt. Een redenering is altijd een afweging van mogelijke interpretaties van analyse-resultaten. Zelfs in de meest exacte rekensom kun je eigenlijk alleen van redeneren spreken als er in de berekening verschillende stappen tegen elkaar worden afgewogen.
Maar leent een gewone schoolontleding zich daar wel voor? Jazeker wel.

lk was laatst op een taalcongres waar de taalkundige Martin Haspelmath opmerkte dat de deÍinitie van vrijwel elke taalkundige term problematisch wordt bij nader onderzoek.
Een eenvoudig voorbeeld is de definitie van het onderwerp van de zin. In veel talen is dat het zinsdeel dat congrueert met het werkwoord. 
In andere talen heb je geen persoon- of getalsmarkering, en daar wordt het onderwerp dan bijvoorbeeld bepaald door de betekenis (de handelende, levende of menselijke persoon). Weer andere talen hebben naamvalsmarkering, en daar is dat dan beslissend. En ten slotte zijn er talen waar het onderwerp altijd vooraan staat.

Het aardige is dat al die criteria een rol kunnen spelen. Neem bijvoorbeeld de Nederlandse zin Een boer zoekt een vrouw. Strikt genomen kun je hier geen congruentie vaststellen, omdat je met een zekere nadruk en context iets kunt hebben als Een bóér zoeken (alleen) vrouwen. En ook degene die zoekt kan in zo'n geval niet met zekerheid bepaald worden. Zelfs met naamvallen kom je er niet goed uit omdat Een boer zoekt zij net zo goed is als Hij zoekt een vrouw.
Er is eigenlijk maar één criterium dat ervoor zorgt dat de meest waarschijnlijke analyse is dat een boer het onderwerp is: het staat vooraan.
De ontleding van het onderwerp zou dus altijd een afweging moeten zijn van alle criteria. Je kunt wel ophouden als je congruentie hebt vastgesteld, maar de andere criteria geven een dieper inzicht in de vraag hoe 'onderwerpachtig' het onderwerp is, en dus ook wanneer dat verwarring kan opleveren.

Kern is natuurlijk dat taalonderwijs inzicht in taal zou moeten opbrengen. Daarmee ben ik het van harte eens. Ontleding als trukendoos levert dat inzicht niet op en zou dus geschrapt kunnen worden. Krijgt de docent ook wat meer tijd voor literatuur...

Al was het maar voor de gedichten van Hans Vlek, met wie ik ooit een tweede klas middelbare school heb gedeeld. Hij wist onze leraar Nederlands tot wanhoop te drijven door met klem (en in nasaal Amsterdams) te betogen dat in de zin De zaal loopt vol de zaal toch onmogelijk onderwerp kan zijn. 'Die saal doet helemaal niks, meneer, dus hoe kan die saal nou onderwerp sijn...?' Onze leraar wist het ons niet uit te leggen en stuurde hem tenslotte maar naar de rector. Hoe die oordeelde over dit staaltje taalkunde, dat weet ik niet meer.

En toen vond ik in Onze taal 2019-4 nóg een column, en wel van de Taalprof. Hé, dat hoofd ken ik: het is Peter-Arno Coppens.

Wordt het nog wat met dat grammaticaonderwijs op school? Ik voer al jaren een campagne tegen de vuistregels en de ezelsbruggetjes waar de schoolontleding van vergeven is. Op een congres hoorde ik laatst van promovendus Gijs Leenders weer zo'n mooi voorbeeld dat het failliet van de trucjes aantoont.

Bekend onderwerp. Misschien wel zelfde congres. Maar deze keer brak de vaas. Of Jan. Jan brak de vaas. Wie of wat brak...? Heel spitsvondig, want breken kan zowel overgankelijk (iets breken) als onovergankelijk (iets breekt).
Nog zo'n zinnetje: Het was druk in het zwembad.

Wie of wat was druk? 'Het zwembad,' zei een van de leerlingen, en geef hem eens ongelijk.

Die leerling, het hád Hans Vlek kunnen zijn...


zaterdag 6 april 2019

Taalgericht techniekonderwijs

Je moet toch wat om een artikel aan een academische standaard te helpen.

Maar eerst dit. Uit onderzoek is gebleken dat veel leerlingen in het voortgezet technisch onderwijs moeite hebben met het begrijpen van hun leerboeken. Dan doe je daar toch iets aan, dacht Elena Schutjes en ze zette een onderzoekje op waarbij leerlingen van twee klassen 6 van het (Vlaamse) primair onderwijs aangepast leermateriaal kreeg aangeboden. Hielp het? Ja, een beetje. 'Signifcant' genoeg, vooral in de klas waar meerdere moedertalen werden gesproken. Dat is fijn om te weten.

Elena Schutjes is onderzoeker en had dus de keuze: een praktisch of een academisch artikel of beide. Of dat laatste ervan gekomen is weet ik niet, maar het academische onderzoeksverslag is te vinden in Levende Talen Tijdschrift april 2019 (20-1). Dat is opgebouwd zoals dat hoort. Probleemstelling, eerste verwijzing naar eerder onderzoek (Hellemans & Haesen, 2017), aanpassing lessenpakket, methode, resultaten met keurige tabellen, 'conclusie en discussie', noten en literatuuropgave.
Wat ik miste is net wat ik had willen zien: hoe dat lessenpakket is aangepast. Het wordt wel beschreven, maar in algemene termen, zonder voorbeelden. Daarentegen zijn al die tabellen een sta-in-de-weg voor wie met de conclusies aan de slag zou willen. Een in academisch opzicht zorgvuldig artikel met een wat magere uitkomst en zonder concrete tips.
Jammer. Dit zal samenstellers van lesmateriaal niet meteen inspireren, denk ik.

vrijdag 5 april 2019

Gedeformeerde literatuurlessen

Op 4 april kreeg ik dankzij Taalpost een stukje van oud-hoogleraar Marita Mathijsen onder ogen. Omdat ik eerder aandacht heb besteed aan het geringe aantal inschrijvingen voor studies Nederlands (zie hier en hier), vind ik het de moeite waard om op haar bijdrage te wijzen.

Die is hier te vinden.

Ik citeer twee passages:

Op 1 april heb ik bij de HOVO aan de VU de cursus Nederlandse literatuur (over de Tachtigers) afgesloten. 49 studenten hadden zich ervoor ingeschreven, en dit is geen aprilgrap. Ik heb niet naar hun leeftijd gevraagd, maar zo te zien was er niemand bij die jonger dan 60 was. Het waren geweldige studenten, die zich verdiepten in de stof, die de werken lazen die ik aanbeval en die goede vragen stelden waar ik vaak geen kant-en-klaar antwoord op kon geven. Ja, ouderen kunnen dus wél Nederlands studeren aan de VU, voor de jongeren is dat niet meer weggelegd.

[...]

Zijn er lessen te trekken uit de belangstelling van ouderen voor neerlandistiek, in dit geval dus specifiek de aandacht voor Nederlandse literatuur? Lessen die voor aanwas van reguliere studenten zouden kunnen zorgen? 
Niet veel denk ik. 
De senioren komen naar de literatuurcolleges omdat ze vroeger goed literatuuronderwijs gekregen hebben. Ze willen de kennis uit het verleden die nog met brokstukken in hun geheugen zit restaureren, en aanvullen met de kennis die ze tientallen jaren lang opdeden. 
Dat zijn jaren  waarin ze los en vast literatuur lazen, meestal naar aanleiding van stukken in NRC of De Groene, of omdat ze een aanbeveling hoorden zaterdagochtend op NPO 1 of zondagochtend bij VPRO Boeken. Ze zoeken naar verbanden tussen dat wat hun geheugen van de middelbare school behouden heeft en dat wat er allemaal bijgekomen is.

Dat is niet de motivatie van de weinige eindexamenkandidaten die wel voor Nederlands gekozen hebben. Zij hebben gedeformeerde literatuurlessen gekregen en legden een mechanisch in te vullen eindexamen af. Alleen als zij een bevlogen leraar hadden, of misschien een grootmoeder die colleges bij de HOVO volgde, kiezen zij nog voor neerlandistiek. Eén les slechts kan ik de huidige Neerlandistiek meegeven vanuit mijn ervaring bij de HOVO:  geneer je niet om te laten merken dat je door  literatuur bewogen kunt raken. Want dat is waar we toch eigenlijk allemaal naar zoeken.

Waarvan akte, met name die gedeformeerde literatuurlessen.

donderdag 4 april 2019

500.000 koffertjes

Een mooi bericht, dat de landelijke dagbladen niet haalde, geloof ik. (Lees ze niet allemaal.)

'Dinsdag 5 februari werd het 500.000e BoekStartkoffertje uitgeleverd, precies tien jaar na de start van het succesvolle leesbevorderingsprogramma voor 0-4 jaar.

Dat betekent dat er in tien jaar tijd 500.000 baby's lid zijn geworden van de Bibliotheek. Hiermee werd 40 % van de baby's bereikt.

Het BoekStartkoffertje
Ouders krijgen, als hun baby ongeveer drie maanden is, van de gemeente een brief over het belang van voorlezen en een waardebon voor het BoekStartkoffertje. Met deze waardebon kunnen zij hun kind gratis lid maken van de Bibliotheek en ontvangen zij het gratis BoekStartkoffertje met twee boekjes en informatie over vroeg beginnen met voorlezen. Met de lidmaatschapspas kunnen zij gebruik maken van de collectie en leuke nieuwe boekjes met hun baby ontdekken. 

Vroeg beginnen met voorlezen
Ouders worden met BoekStart in de Bibliotheek, het consultatiebureau en de kinderopvang voorgelicht over het belang van lezen en aangemoedigd om hun kinderen zo jong mogelijk (vanaf circa 3 maanden) in aanraking te brengen met boeken en om samen met boeken bezig te zijn. Hiermee ontstaat een leescultuur in het gezin en wordt de vanzelfsprekende aanwezigheid van boeken in jonge gezinnen bevorderd.'

Een rustige, niet heel dure en niet spectaculaire maar wel effectieve vorm van leesbevordering. Zo'n aantal vind ik wel spectaculair.

Aldus een persbericht van Boekstart.

vrijdag 29 maart 2019

Invloed van het boek in de samenleving

Onder de titel Impact van het boek is in drievoud een rapport samengesteld door KVB Boekwerk verschenen over de positie van het boek in de Nederlandse samenleving. Dat werd op 28 maart 2019 bekendgemaakt. Het hele rapport is hier te downloaden. In drievoud: de drie delen zijn met wat doorklikken hier te downloaden, ze heten Mens en maatschappij, Boekhandels en Economie, hier op te vatten als in financiële termen beschreven bedrijvigheid, niet als wetenschap.

Er hoort een plaatje bij, in modieus New-Nederlandish visual geheten:



Het is een mooi plaatje, want het toont de conclusie.
Die kun je vervolgens gaan bekijken en interpreteren.

Zo blijkt dat er volgens dit onderzoek rond 25.000 mensen bezig zijn met boeken, van auteurs tot boekhandelaars. Een aantal vergelijkbaar met de inwonersaantallen van de gemeenten Baarn, Beuningen en Buren. Daarvan zijn dan ruim 22.000 schrijvers en vertalers, de rest medewerkers van uitgeverijen en boekwinkels. Of die schrijvers en vertalers voltijds aan het werk zijn of er nog een baantje bij hebben, vermeldt het rapport niet, althans niet in de conclusie.
Behalve dan dit:

Slechts 55 auteurs verdienen een modaal inkomen of meer met hun royalty’s. Nog eens zestig auteurs verdienen met hun royalty’s een bedrag tussen het minimuminkomen en modaal. 
Maar zij hebben veel meer soorten inkomsten: inkomsten uit nevenrechten voor gebruik van het boek (leenrecht, reprorecht, vergoeding voor het lenen van e-boeken in bibliotheken, thuiskopieheffing en inkomsten uit abonnementen van e-boeken), subsidies en prijzen van het Letterenfonds, inkomsten uit lezingen, optredens, uitvoeringen en gages en inkomsten uit rechtenverkoop van boeken (zoals voor boekbewerking, vertaling of theaterbewerking). 
Dat maakt dat de totale omzet van de auteurs en vertalers wordt geschat op € 34,3 miljoen. De omzet voor auteurs en vertalers is qua omvang vergelijkbaar met de omzet uit Nederlandse films in Nederlandse bioscopen.  '

Daar worden we natuurlijk even stil van.

Bij een omzet van € 34 miljoen voor de schrijvers en vertalers, € 244 miljoen voor de uitgevers en € 498 miljoen voor de boekverkopers bedraagt de totale toegevoegde waarde van het boekenvak aan de Nederlandse economie (Bruto Binnenlands Product) in 2017 bijna een kwart miljard euro.  '

Juist. Tja. Het bruto nationaal product van Nederland was in 2014 zo'n 700 miljard euro. Die toegevoegde waarde van het boekenvak is daar dus nog geen 1 % van, om preciezer te zijn 0,00035 %.
Geeft niet hoor, maar dat klinkt anders dan een kwart miljard... Hier nog meer cijfers.

De waarde van het boek strekt zich evenwel verder uit dan alleen die cijfers.

Zie de inleiding bij Mens en maatschappij. Die is indrukwekkend. Ik citeer passages:

Lezen is goed voor de mens. Zeker het lezen van boeken. Telkens weer blijkt uit onderzoek dat mensen die boeken lezen in vergelijking met niet-lezers beter geïnformeerd zijn en zich daardoor beter staande kunnen houden in de maatschappij. [...] En ten slotte, niet onbelangrijk: het lezen van boeken is buitengewoon plezierig en draagt daardoor bij aan persoonlijk geluk en welbevinden.

[...]

Er zijn in de loop der jaren talloze onderzoeken gedaan naar de impact van het lezen van boeken, vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines, zoals de letterkunde, de (neuro)psychologie en de economie. 
Door een groot aantal van deze onderzoeken te combineren, ontstaat een helder overzicht van het effect van het lezen van boeken. Uit de analyse van de beschikbare data komen vier thema’s steeds weer naar voren: burgerschap, werknemerschap, gezondheid en zingeving. Voor elk van deze thema’s is in beeld gebracht waarom de positieve effecten niet alleen van invloed zijn op het individu, maar ook op de maatschappij.

1. Burgerschap
Voor de samenleving is het belangrijk dat mensen zich gedragen als goede burgers en hun steentje bijdragen. Mensen die rekening houden met elkaar, begrip tonen voor de ander en ook naar anderen omkijken. Het is aannemelijk dat het lezen van boeken in het algemeen en literatuur in het bijzonder bijdraagt aan de ontwikkeling van de motivatie en de vaardigheden die daarvoor nodig zijn.
[...]
De vaardigheden die mensen ontwikkelen of versterken doordat zij lezen, dragen kortom bij aan de manier waarop zij de wereld om hen heen begrijpen en de wijze waarop zij zelf een bijdrage leveren. In de huidige samenleving is dat belangrijk voor de verbinding tussen mensen. Kennisnemen van andere werelden, anderen willen begrijpen, ontmoeting en contact zijn nodig in het doorbreken van echokamers en filterbubbels. En ook de participatiesamenleving ontstaat niet vanzelf. Inlevingsvermogen, empathie en een positief zelfbeeld verlagen de drempel om zelf in actie te komen.

2. Werknemerschap
[...]
Samengevat: digitalisering op de arbeidsmarkt vraagt om andere vaardigheden. De arbeidsmarkt globaliseert, wordt competitiever en krijgt de vorm van een netwerkomgeving. De nieuwe banen vragen om vaardigheden als empathie, creativiteit, leiderschap en kritisch denken. Vaardigheden die je met lezen verwerft of versterkt. Of die je zelfs meer ontwikkelt met lezen dan met andere activiteiten, zoals het denken in scenario’s.

3. Gezondheid
Het lezen van boeken leidt niet uit zichzelf tot een betere gezondheid, maar uit onderzoek blijkt dat er wel een sterke correlatie bestaat tussen het lezen van boeken en gezondheid. Lezers hebben ruim 25 procent meer kans om gezond te zijn dan niet-lezers, ook als dit gecorrigeerd werd voor zaken als opleiding, inkomen en leeftijd. [...]

4. Zingeving
Laten we het belangrijkste van lezen niet over het hoofd zien: lezen doen we vooral omdat we er plezier aan beleven. De een leest om zich te verliezen in een boeiend verhaal en zich mee te laten slepen naar een andere wereld, de ander leest om zich vrolijk te maken of om troost te vinden, weer iemand anders pakt een boek om er iets van op te steken. Allemaal redenen die maken dat je een boek pakt om je leven op een plezierige en zinvolle manier invulling te geven.

[...] Slechts zes minuten lezen is genoeg om het stressniveau met twee derde te verminderen.

Mensen gebruiken het lezen van boeken ook als afleiding of troost. Wanneer mensen iets moeilijks meemaken, kan het helpen om te lezen over fictieve personages die in een vergelijkbare situatie zitten. [...]

Onderzoek wijst verder uit dat het lezen van boeken een positieve invloed heeft op het voorstellings- en inlevingsvermogen van mensen, dat op zijn beurt weer bijdraagt aan het persoonlijk welbevinden en het ervaren van geluk.

Ten slotte heeft het lezen van boeken effect op het zelfbeeld. Door ons in te leven in de personages, zijn we even niet gebonden aan de restricties van ons ‘zelf’ en kunnen ons inbeelden dat we wie ook maar zijn. Dit helpt de grenzen van wat je denkt over jezelf op te rekken, stellen de onderzoekers.

Lezen leidt kortom op een heel directe manier tot geluk: het biedt positieve ervaringen. Mensen lezen voor hun plezier. Door het specifieke fenomeen van meegesleept te worden, draagt lezen ook bij aan vaardigheden die verband houden met een ‘gelukkiger’ leven. Ontspanning, goed kunnen omgaan met emoties en met druk, een hogere emotionele intelligentie en een positief zelfbeeld zijn zaken die bijdragen aan het persoonlijk welzijn.

De bronverwijzingen zijn indrukwekkend, zij het grotendeels Engelstalig.
Daar worden we óók stil van, toch?

Ik ga meteen weer een boek lezen.
Bovenop mijn stapeltje: Bas Haring, Waarom cola duurder is dan melk. Daaronder: Alex Boogers, De lezer is niet dood. Net gelezen: Bart Moeyaert, Tegenwoordig heet iedereen sorry.












donderdag 28 maart 2019

Sorry

... dat ik besta: een frase die de laatste decennia veel wordt gebruikt en afkomstig is van Annie M.G. Schmidt, in een liedje dat gaat over het ontbreken van liefdesliedjes voor homo's. Mooi vertolkt door o.a. Jeroen Willems, Willem Nijholt en Johan Verminnen.
De frase is overgewaaid naar andere contexten en mogelijk heeft het Bart Moeyaert door het hoofd gespeeld toen hij zijn verhaal Tegenwoordig heet iedereen sorry schreef. Het verscheen op 2 oktober 2018 en trok direct veel aandacht. Het is genomineerd voor de Woutertje Pieterse Prijs 2019 en inmiddels al vertaald in het Duits, Frans en Italiaans.

Begrijpelijk. Heel knap hoe Bart Moeyaert in het hoofd kroop van verteller Bianca, een tegen de puberteit aanleunend meisje (vermoedelijk twaalf jaar) dat zich het liefst onzichtbaar maakt en heel weinig zegt. In tijd beslaat het verhaal een zomerdag, van 's morgens tot einde middag, aan het begin van de vakantie. Toch krijgen we in 60 hoofdstukjes, waarvan slechts één terugblikt op vroeger (55), een helder en navrant beeld van waarom en hoe. Het wordt verteld als een live verslag, in de onvoltooid tegenwoordige tijd, en wel zo goed dat de discrepantie tussen de zwijgzaamheid van de jonge verteller en het welsprekende relaas niet stoort. Ze sleurt je het verhaal in.

Ik blijf hier niet. Van dat gegiechel met z'n tweetjes wordt het altijd een beetje zwart voor mijn ogen.
Ik sla op mijn broekzak.
Heb ik mijn sleutel bij me?
Ja.
Ik maak onze huisdeur open. Daarna trek ik de deur achter me dicht.
Ik wil niet dat je denkt dat ik boos ben, maar ik vind het niet erg dat je denkt dat ik boos ben.

Iedere samenvatting doet dit verhaal te kort. Zoals in ieder goed verhaal doen de woorden ertoe en de beste samenvatting is het verhaal zelf. Sommige hoofdstukjes zijn een samenvatting op zich, zoals het ultrakorte 32.

Soms is de prop in mijn keel klein.
Soms is hij er niet.
Heel soms is hij reusachtig.
Nu is het heel soms.

Om toch een idee te geven maak ik enkele observaties en geen sluitend vertoog, om het verhaal zo min mogelijk te kort te doen.
Bianca heeft een nogal druk broertje van negen met een zwak hart - hij heeft er ooit een operatie aan ondergaan en krijgt het vaak benauwd, zijn beademingsapparaat staat klaar achter de sofa. Het helpt niet dat Alan van nature ook nog eens een druktemaker eerste klas is. Kortom, hij vergt en krijgt veel aandacht van hun moeder.
Vader is het huis uit en woont samen met ene Cruz, een jonge Spaanse vrouw, in een woongemeenschap. We krijgen hem het hele verhaal niet in beeld, behalve in voornoemde terugblik.

Ik citeer een stukje uit hoofdstuk 2.

Achter mijn rug doet de magnetron ping, maar toch zet mijn moeder niets op tafel.
Ze gaat zitten en plant haar ellebogen naast haar bord. Ze zegt dat ze iets met ons wil bespreken.
'Rustig', zegt ze tegen Alan, en ze houdt haar hand voor zijn gezicht, alsof hij al te veel heeft gepraat, terwijl Alan heel rustig is en stilzit en ademt.
Ze pakt zijn mes en zijn vork af.
Daarna zet ze haar ellebogen weer op tafel en legt ze haar kin op haar handen. Ze kijkt van mij naar een vlek op het tafelblad, hij heeft de vorm van een vis.
Ze haalt diep adem en zegt dat mijn vader en zijn Cruz het anders willen aanpakken dan vroeger.
Ik zeg: 'Mama, doe eens zonder inleiding.'
Zonder inleiding zegt ze dat papa en zijn Cruz mij onhandelbaar vinden.
Dat is geen nieuws.
Het voorstel dat erop volgt is wel nieuw.
Ze zouden het gemakkelijker vinden als ik niet meer elke week het weekend bij ze zou doorbrengen. Ze denken dat om de twee weken beter zou zijn. Of om de drie. Ze denken dat ik dat zelf ook liever heb.
Wel?
Het klinkt niet als een voorstel. Het klinkt als iets wat we gaan doen.
Toch willen ze weten wat ik ervan denk.
Ik kijk van mijn moeder naar het witte bord voor me.
Er ligt niks op, maar hallo: kijk eens goed. Er ligt ineens een stuk taai vlees waar ik niet om heb gevraagd.
Ik zeg: 'Ik ben niet onhandelbaar. Ik ben alleen een beetje lastig soms.'
'Het zijn niet mijn woorden, Bianca', zegt mijn moeder.
'Nee,' zeg ik. 'Maar je zou ze kunnen tegenspreken.' Mijn stem trilt.

Dit maakt voor de oplettende lezer meteen veel duidelijk. Net als hoofdstukje 42, maar daaruit ga ik niet citeren, lees zelf maar. Net als zo'n mooi stukje op p. 54, in hoofdstukje 24:

Ik doe mijn armen over elkaar, en ik breng mijn linkerhand naar mijn wang. Wat is mijn hoofd zwaar.
Ik kijk om me heen zoals Ilona naar het café kijkt als ze er niet helemaal bij hoort. Haar blik is dan altijd een beetje geschokt, alsof ze denkt: wat doe ik híér?

Halverwege de dag (begint in hoofdstukje 9) komt actrice Billie King, de Ilona uit de serie Hier bij ons, op bezoek, met haar zoon Jazz. Zowel Bianca als haar moeder zijn bewonderaars. De visite verloopt met enige strubbelingen. Alan en Jazz zijn heel erg druk, bijvoorbeeld met (droog)zwemmen in de tuin. En als moeder ze nat wil spuiten, blijkt de slang lek en wordt ze vooral zelf nat. Heisa.
Tussendoor maakt Billie, die Bianca met aandacht bekijkt, een opmerking die Bianca hartverwarmend vindt: ze is een 'merkwaardig meisje' (p. 81), en dat bedoelt ze positief en staat in een hartverscheurende kleine scène. Bianca krijgt van Billie de aandacht die ze mist bij haar moeder (zie ook hoofdstukje 34).
Later komt ook nog Billie's vriendin Malika langs, die in Hier bij ons de snel uit de serie geschreven halfzus van Ilona speelt, Dagmar.
Bianca heeft een doos met foto's gevonden onder moeders bed. Ze knipt daar alle afbeeldingen van zichzelf uit. Daar krijgt ze echter spijt van als moeder na alle gedoe rond Alan haar liefdevol behandelt. Ze plakt zichzelf er weer in en schrijft er een briefje met een tekening bij: sorry. Sowieso tekent ze graag. ('Ik ben heel goed in het tekenen van bloemen en planten die niet bestaan.')
Om zich onzichtbaar te maken heeft ze een schuilplaats, een rommelig stukje tuin achter het kippenhok van de buren, toegankelijk via een smalle spleet bij hun tuinpoortje. Met een verborgen 'oud koekblik' waarin fotoboekjes, potloden, een schaar en een schriftje. In hoofdstuk 51 trekt ze zich daarin weer eens terug.
O wacht, eerst heeft ze prachtig versierde glazen met cocktails gemaakt, maar het uitserveren loopt in het honderd door het gedoe met de jongens. Ze wordt er zo boos om dat ze bijna de pan met krieken door de keuken gooit. Ze staat op een stoel met de pan in haar handen als Jazz binnenloopt en haar ziet. Dat houdt haar tegen. Ze zet de pan weer op het fornuis en trekt zich terug.

Mama zegt graag dat ik op haar lijk, toen zij zo oud was als ik. Ze noemt me graag woest. Maar hallo / hoe zit dat? Ze zegt ook graag dat Alan op haar lijkt, toen ze negen was.
Zij smeet vroeger met de deuren. Zij trok stoelen omver.
Ze vertelt trots dat ze met haar laars een keer een gat in de muur heeft geschopt. Toen zij negen of twaalf was, vloog er wel eens een bord door de kamer.
Maar luistert ze ooit naar mij?
Is het ooit bij haar opgekomen dat ik niet stil ben, maar wel stil dóé?
Er is geen plaats voor mijn lawaai.
Ik loop het zwembadje van Alan voorbij.
In de schaduw van de struiken en de bomen laat ik me met mijn rug tegen de muur naast ons tuinpoortje vallen.
Ik wacht niet tot ik rustiger word.Daar ga je, Bianca, zeg ik tegen mezelf, en ik duw mijn lichaam tussen de heg en de muur.

Ja, alleen wordt juist dan, op dat moment, het kippenhok afgebroken. (Al aangekondigd door buurvrouw in hoofdstukje 18.) Weg geheime plek. Het lijkt wel of dat een kantelmoment is. Vooral als haar moeder zegt dat ze zo graag zou willen dat ze erbij bleef als er van die moeilijke ogenblikken met Alan zijn.

Nou ja, dit zijn maar enkele observaties, er vallen er veel meer te maken over dit buitengewoon rijke verhaal. Zoals die mooie vondst om Bianca nog een zelfverzonnen naam mee te geven: Perdón. Zo stelt ze zich voor aan Billie. Het is Spaans voor: pardon, sorry.
Lezen, dit schitterende verhaal!



Moeyaert, Bart. Tegenwoordig heet iedereen sorry. Querido, 2018. ISBN 978 90 214 1515 4, 134 p. E-boek: ISBN 978 90 214 1514 7.

PS. Op 2 april werd bekend dat Bart Moeyaert de Astrid Lindgren Memorial Award is toegekend.













dinsdag 19 maart 2019

Te mooi om waar te zijn

Onder deze fraaie titel organiseert Stichting Lezen een symposium in de reeks Lezen Centraal, op 10 april in Utrecht, TivoliVredenburg.

De mensen van SL zijn erin geslaagd een aantrekkelijk programma te maken en zowaar (dat is de stichting wel toevertrouwd) met veel aandacht voor jeugdliteratuur.
Sterker nog, jeugdliteratuur speelt de hoofdrol. Toonzettende lezingen door Joke Hermsen en Bas Maliepaard, illustrator Kris Nauwelaerts, de kinderboekambassadeux (geen tikfout) Hans en Monique Hagen, en ook de deelsessies zijn gericht op mensen uit primair en secundair onderwijs.

De prijs vind ik aan de hoge kant: € 190,-. Voor deelnemers die soms niet kunnen declareren, zoals 'medewerkers in de kinderopvang, leraren (po t/m hbo)' (deel van de beoogde doelgroep) is dat mogelijk een beletsel.
Maar studenten kunnen op vermelding van het nummer van hun collegekaart, een kaartje voor € 40,- bemachtigen. Da's dan weer mooi.



woensdag 13 maart 2019

Kinderboekfestival

Nee, ik ben er niet geweest, maar afgaand op het filmpje dat op de website van het Mooie Kinderboekenfestival staat, is dat een heel spektakel. Jammer alleen dat het filmpje wordt begeleid door stampende muziek, slechts onderbroken door korte interviewtjes. Ik had graag ook het geluid van het festival gehoord in plaats van een hey hey roepende groep zangers.

Het is een bijzondere en heel moderne vorm van leesbevordering, ver uitstijgend boven het concept van een tuperwareparty. Vermaak en nog eens vermaak, zelf dingen kunnen doen, dat is de lokker. Tussendoor voorleessessies, en kennismaking met een selectie kinderboeken.
Kennelijk waren de eerste (21 mei 2017) en de tweede editie (27 mei 2018, het filmpje geeft een indruk) een groot succes, want voor 2019 worden er drie festivals aangekondigd: 26 mei in Amsterdam (Tolhuistuin), 16 juni in Den Bosch (Verkadefabriek) en 23 juni in Hoogeveen (Tamboer).

Het Mooie Kinderboekenfestival is bedoeld voor 'kinderen van 4 tot en met 10 jaar, en hun ouders, verzorgers, opa’s, oma’s, ooms en tantes'. En ik citeer verder:

Ieder jaar verschijnen er veel nieuwe kinderboeken, die zich afspelen in spannende, grappige, interessante of geheimzinnige werelden. Achttien van deze mooie kinderboeken komen tot leven tijdens de derde editie van Het Mooie Kinderboekenfestival. Na twee uitverkochte edities in Amsterdam, breidt het Mooie Kinderboeken-festival zich in 2019 uit naar Den Bosch en Hoogeveen.

De ontdekkingsreis langs achttien kinderboeken voert bezoekers door alle hoeken, zalen en gangen van de festivallocatie, zowel binnen als buiten. 

Zo kunnen de kleinste bezoekers in een reusachtig doolhof op zoek gaan naar de verstopte olifant uit Heb jij misschien olifant gezien? of de Konijnentango leren dansen op een spiegelvloer. Oudere kinderen mogen stop motion filmpjes maken in het sprookjesachtige decor van Vosje, of opstijgen in een heuse raket en leren over het ontstaan van de aarde in Het hele soepzootje. Kinderen vanaf acht jaar worden rechter voor een dag in de rechtbank van De Zweetvoetenman of volgen een workshop graffiti spuiten rondom het bizarre boek ZEB.

Aanwezige schrijvers en illustratoren zijn onder anderen Marije Tolman, Janneke Schotveld, Koos Meinderts en Hans & Monique Hagen. Het volledige programma is medio april op deze website te vinden.

De selectie van achttien festivaltitels is dit jaar gemaakt door Mylo Freeman (schrijfster), Bas Maliepaard (recensent) en Merel de Vink (Leesvink).

Door wie:

Het Mooie Kinderboekenfestival wordt georganiseerd door Stichting Kleine Lettertjes in coproductie met Paradiso, De Verkadefabriek en de Bibliotheek Hoogeveen en mede mogelijk gemaakt door het Nederlands Letterenfonds, het VSBfonds, Prins Bernhard Cultuurfonds, Fonds 21, het Amsterdams Fonds voor de Kunst, Stadsdeel Noord, Gemeente Den Bosch en Gemeente Hoogeveen. Het festivalbeeld werd ontworpen door illustrator Noëlle Smit.

Een bijzonder initiatief van Stichting Kleine Lettertjes, die ten doel heeft: 'De Nederlandstalige jeugdliteratuur en haar rijkdom onder de aandacht brengen'.
Lijkt me een mooi doel.


maandag 11 maart 2019

Eindstrijd voor de burger

Ik kan het niet laten. Heb, geloof ik, al meerdere keren gemeld dat ik ophoud over de burger.

Maar toch...


Burgers, mensen, vrouwen, kinderen, terroristen: zie is wie?

De 'Syrische democratische strijdkrachten' onderscheiden vermoedelijk alleen terroristen, vrouwen en kinderen en de journalist van dienst heeft dat overgenomen, maar er mensen aan toegevoegd.

Vrouwen en kinderen zijn mensen, zoveel is duidelijk, want van de 'geëvacueerden' (is dat een nieuw net woord voor vluchtelingen?) zijn de 'meesten vrouwen en kinderen'. De overigen zeer waarschijnlijk dus mannen (sorry transgenders).
'Wat nu nog overblijft zijn alleen terroristen': let op wat (niet wie), en zijn vrouwen per definitie geen terroristen? Ja, het stukje wekt zelfs de indruk dat er mensen en terroristen zijn, dat terroristen dus geen mensen zijn.
Die 50.000 mensen zijn dus kennelijk ook burgers. Terroristen niet? Dat past wel bij eerder vastgestelde tegenstellingen tussen burgers en militairen: ook de leden van de 'Syrische democratische strijdkrachten' beschouwen zich wellicht niet als burger. Wel als mens, mag ik hopen.

Het stukje tekst stond in een bericht in NRC 4-3-2019.




woensdag 6 maart 2019

De dag van Eden

Tja, ik hád het boek aangevraagd, dus ik moest er iets mee. Lang lag het op mijn werktafel, de laatste tijd bedolven onder andere boeken.
Het leek me een soort doorsnee meidenboek, de auteur zei me niets, de flaptekst sprak me niet bijzonder aan, ik had er geen zin in en wist niet meer waarom ik het had aangevraagd.

Uiteindelijk ben ik toch gaan lezen.
Gelukkig bleek dat de moeite waard. Ja, het ís een meidenboek, maar stijgt boven de middelmaat uit.

De dag van Eden van Liz Flanagan is ook nog eens een debuut en achterin bevindt zich een uitbundig dankwoord. Het origineel, Eden Summer, verscheen in 2016 en is inmiddels gevolgd door Dragon Daughter, bedoeld voor een iets jongere lezersgroep, 9+.
Er is op internet nog heel weinig informatie over de auteur te vinden (die vorige link gaat alleen over haar twee boeken), maar ze heeft wel een Facebook-pagina. Ontroerend, de vreugde over erkenning als schrijver spat ervan af.

Het verhaal speelt zich af in één dag en wordt verteld door Jess. Dat komt vaak voor in dit genre, een jonge verteller die een hoofdrol speelt, en soms ontaardt dat in een dagboek-achtig relaas met uitweidingen die zouden ontbreken bij een verteller met iets meer afstand.
In dit geval ontkomen we eveneens aan typisch meidenboek-achtige uitweidingen, maar omdat het een achteraf verteld verhaal is, met een ordelijke structuur, zijn die overkomelijk en jawel, de verteller ís nu eenmaal een tienermeisje, dus dat vaak kleding en andere uiterlijkheden worden beschreven is redelijk geloofwaardig. Daar letten die meiden nu eenmaal op, uiterlijk is belangrijk, net als je positie in de groep. En gebeurtenissen waarbij je als oude volwassene hooguit een wenkbrauw zou optrekken, krijgen bij haar een enorme impact. Ook dat hoort bij de leeftijd. Opmerkelijk dat ze over die ene echt ingrijpende gebeurtenis in haar leven (vóór Eden) heel terughoudend is. We moeten als lezers veel toespelingen onthouden en lang wachten voor het verhaal er eindelijk een keer uitkomt.

Grappig: Jess heeft talent voor tekenen. Ze oefent met striptekenen. Maar haar relaas is er een in woorden. Zoals gewoonlijk wordt van de lezer een soort uitstel van ongeloof verwacht. We worden daarbij geholpen doordat blijkt dat Jess ook talent voor verhalen vertellen heeft. Toch jammer dat het verhaal niet ook in woord en beeld wordt verteld, dat zou in lijn zijn geweest met haar aanleg. Het talent dat Liz Flanagan haar verteller toebedeelt, heeft ze zelf kennelijk niet.

Eden, Jess' beste vriendin, is de avond tevoren niet thuis gekomen. Ze wordt officieel vermist en de politie is ingeschakeld. Ze wordt door school naar huis gestuurd omdat de politie haar daar wil spreken. Als dat is gebeurd, wil Jess haar vriendin gaan zoeken, en ze laat zich niet tegenhouden door haar moeder, die haar thuis wil houden. Ze struint een hele dag door het woeste landschap van West Yorkshire.
Ze vindt haar ook, 's avonds. Levend.

Voordat het zo ver is, weten we als lezer inmiddels veel over zowel Eden als Jess. Want de meeste hoofdstukken mogen dan wel voorzien zijn van een tijdstip, er zitten ook de nodige terugblikken tussen die ons langzaam duidelijkheid geven over in het begin wat raadselachtige toespelingen. We hebben een kennisachterstand in vergelijking tot Jess.
Maar zij zelf komt ook het nodige te weten over haar vriendin. We lopen gaandeweg gelijk op en aan het eind begrijpen we, net als Jess, wat Eden dreef. En we begrijpen waarom Jess' moeder zo bang is dat haar dochter iets overkomt.
En dat is allemaal mooi gedoseerd, de spanning wordt goed opgebouwd, en tegelijk krijgen de voornaamste personages wat diepte.
Drama volop - maar ik ga dat niet verder uit de doeken doen om de leeslol niet te bederven. Het is op zijn plaats en maakt De dag van Eden een lekker heftig verhaal.



Flanagan, Liz. De dag van Eden. Gottmer, 2019. ISBN 978 90 257 7027 3. Oorspr: Eden Summer, 2016.







vrijdag 22 februari 2019

Reizen in ruimte en tijd

Voorgaande boeken van het duo Jan Paul Schutten en Floor Rieder bevielen me goed: zie Het raadsel van alles dat leeft en Het wonder van jou en je biljoenen bewoners.
In Het mysterie van niks en oneindig veel snot halen ze echter een trucje uit dat me verwarrend voorkomt. Ze sturen me met een tijdruimtescheepje terug naar het ontstaan van het heelal.

Maar uit wat volgt blijkt dat dit helemaal niet kan.
Ze laten ons getuige zijn van iets waarvan we per definitie geen getuige kunnen zijn, omdat tijd en ruimte op de schaal van het heelal anders werken dan hier op aarde. Sterker, het is allemaal in principe nog theorie: veel fysica en wiskunde.
Dat scheepje vind ik een iets te makkelijk ingezet vertelmiddeltje. Terug naar de Middeleeuwen of de Romeinse tijd, dat gaat nog, maar zo ver de tijdruimte in, dat gaat niet en dat weet ik o.a. omdat ze dat zelf haarfijn uitleggen. Ze hebben een contradictie geschapen.
Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de sprong die ze halverwege maken naar de bouw van het atoom. Het is lastig, te lastig, om dat beeldend uit te leggen. Het is letterlijk onvoorstelbaar.
Dat onvoorstelbare beschrijft de auteur zelf fraai op p. 65:

Hoe verder we telkens in dit boek teruggingen in de tijd, hoe kleiner ons heelal werd. Dus dat heelal dat nu zo groot is dat je je het niet kunt voorstellen was in het begin zo klein dat je je het niet kunt voorstellen.
De deeltjes in dat heelal zaten ook nog eens zo dicht op elkaar dat je je het niet kunt voorstellen. Daardoor werd het er zo heet dat je je het niet kunt voorstellen.
En het is uit elkaar geknald met een snelheid die je je het niet kunt voorstellen. Maar hoe die knal heet weetje ongetwijfeld. Het is de oerknal. De knal waar alles mee is begonnen.

Een beschrijving van het avontuur van de berekening, de beredenering en de ontdekking van dit alles was wellicht beter geweest. Nu zitten we niet alleen met deze moeizame voorstelling van het onvoorstelbare, maar ook nog met de erkenning dat we heel veel niet weten... en dat lijkt dan enigszins te botsen met die wankele voorstelling, hoe mooi ook beschreven en door Floor Rieder in beeld gebracht.
Zie hieronder een detail (linkerpagina) van Floors weergave van de oerknal:





Dat vermeld zijnde, blijft Het mysterie van niks en oneindig veel snot ondanks de wat vieze titel een zeer lezenswaardig boek voor wie meer wil weten over wat we weten (vooral: niet weten) over het heelal. Het is niet makkelijk, maar de moeite waard..
De tip op p. 15 is behartigenswaardig:

Sommige informatie als behoorlijk pittig. Zelfs de grootste wetenschappers op aarde hebben we moeite mee gehad om het allemaal te begrijpen. Daar ga jij natuurlijk geen last van krijgen, dat snap ik heus wel.
Maar veel kinderen lezen dit boek samen met hun ouders. En die zijn natuurlijk iets minder snel van begrip dan jij. Voor hen heb ik een tip. Lees sommige dingen gerust nog een of twee keer door. Als je een stuk wat vaker leest ga je het vanzelf sneller begrijpen. Dat is geen enkel probleem. De grootste genieën snappen zelf ook niet alles.

Die laatste zin is natuurlijk in tegensprak met de op-twee-na-laatste, maar het is zeker waar dat enige aandacht wel gewenst is voor dit boek.
Want als ergens geldt dat iedere ontdekking nieuwe vragen oproept, dan is het wel in de astronomie en de fysica en dan met name het onderzoek naar de kleinste deeltjes en de oorsprong van het heelal - want dat heeft met elkaar te maken, en dat wordt ook uitgelegd.
Het is dan ook te prijzen dat de auteur niet alleen de ruimte in gaat, maar ook aandacht voor wat bekend is over de bouw van atomen en moleculen. Daarvoor geldt eveneens dat veel nog theorie is en dat we ons die leegte binnen een atoom onmogelijk kunnen voorstellen. Die theorie bleek echter wel toe te passen in dingen die werken: niet alleen de atoomklok maar ook de atoombom.
Ook de bestudering van het heelal heeft zaken opgeleverd die werken. Een voorbeeld daarvan geeft de auteur op p. 51:

Op 12 november 2014 slaagden de medewerkers van de ruimtevaartorganisatie ESA erin om een apparaatje te laten landen op een komeet. Het apparaatje, de Philae, moest daarvoor een afstand afleggen van 6,4 miljard kilometer. De reis duurde dan ook tien jaar. Na die tien jaar kwam het precies aan waar het moest zijn: bij 67p, een komeet die vier kilometer breed is en met een snelheid van 55.000 kilometer per uur door de ruimte schiet.
Nou, als je een ruimtevaartuig veilig kunt laten landen op een vier kilometer grote komeet die met 550.000 kilometer per uur op miljarden kilometers van ons vandaan reist, dan heb je volgens mij genoeg kennis en expertise in huis om héél betrouwbaar te zijn.

Fijn dat de auteur zo vertrouwt op de wetenschap, en ook fijn dat hij ruimte schept om uit te leggen dat diezelfde onderzoekers regelmatig melden dat ze vooral heel veel nog niet weten, bijvoorbeeld wat donkere materie is.
Dat onvoorstelbare wordt nog onvoorstelbaarder in het mooie hoofdstuk over niets, getooid met de kop '0 is meer dan je denkt'.
Ik ben benieuwd wat de gemiddelde jonge lezer vindt van de bijna poëtische paragraaf waarmee dat hoofdstuk eindigt:

Donkere energie is niets
En er is nog meer met dat niets. Want dat niets zorgt dus voor energie zoals we weten. Het duwt in dat experiment met die vacuümenergie zelfs platen opzij. Zou je met een heleboel niets dan ook sterrenstelsels opzij kunnen duwen? In de ruimte is enorm veel niets, dus ook enorm veel vacuümenergie. En als die energie de sterrenstelsels uit elkaar doet bewegen, dan groeit het heelal. Als het heelal groeit komt er meer niets, dus meer vacuümenergie. En zo kan het dat het heelal alsmaar sneller groeit. Komt je dit ook bekend voor? Het doet heel erg denken aan het verhaal over de donkere energie. Misschien is die donkere energie dan wel niets! Het zou allemaal zomaar kunnen. Zo zie je maar: als er iets bijzonder is, dan is het wel niets.

Dat staat in deel 4, met de mooie titel 'Geniale gekken, absurde experimenten en bizarre ontdekkingen', waarin wordt uitgelegd met welke experimenten onderzoekers hun kennis of veronderstellingen hebben verzameld, inclusief de deeltjesversneller.
Deel 1 is 'Reizen in de tijd', deel 2 'Een rondje heelal', deel 3 'Albert Einstein en zijn geniale ideeën'.

Bijzonder is het laatste deel, 'Wie heeft ons heelal gemaakt?', voor wie het duizelt na alle dimensies, niets dat toch iets is, deeltjes die ook trillingen of velden kunnen zijn en meer.
Want

wetenschappers zijn niet de enigen die nagedacht hebben over de vraag waar ons heelal vandaan komt. Waarschijnlijk zijn de mensen al tienduizenden jaren bezig met dat mysterie. Miljarden van die mensen hebben gedacht dat onze aarde met alles eromheen door een of meer goden gemaakt moet zijn. Hebben die er allemaal naast gezeten? O niet?
Bovendien zijn er al die tijd ook filosofen en andere grote denkers geweest die zich met deze kwestie hebben bemoeid. Wat hebben zij in al die tijd bedacht? Welke oplossing hebben zij gevonden?

Een fraaie reeks hoofdstukjes over goden en godsbewijzen, de hang van mensen naar samenhang en oorzaken, prikkelende uitspraken als...

Het gaat er dus ook niet om wat de meeste mensen denken, het gaat erom wat de mensen met de meeste kennis en verstand denken

... het toeval, kansberekeningen, meerdere universums, oneindigheid en meer. En een einde met een mooie paragraaf:

Denken begint bij twijfel. Dus ergens moeten we misschien zelfs wel hopen dat we het mysterie nooit oplossen. Zolang we twijfelen blijven we nadenken en onderzoeken. En dat levert weer talloze nieuwe inzichten en uitvindingen op die ons leven mooier, spannender en prettiger maken.

Waarvan akte.



Schutten, Jan Paul. Het mysterie van niks en oneindig veel snot. Geïllustreerd door Floor Rieder. Gottmer, 2018. ISBN 978 90 257 6840 9.








vrijdag 8 februari 2019

Wat vinden de leerlingen er zelf van?

Dat er steeds minder wordt gelezen door jongeren, is oud nieuws, maar werd onlangs nog eens bevestigd door een in 2018 verschenen rapport van het (Nederlands) Sociaal en Cultureel Planbureau, Lees: Tijd, Lezen in Nederland, door Annemarie Wennekers  Frank Huysmans Jos de Haan. Het is een verslag over de jaren 2006-2016.

Loes Aartsma en Jacqueline Evers-Vermeul kwamen op het idee om aan leerlingen vmbo te vragen hoe dat komt en wat volgens hen zou kunnen helpen om hen aan het lezen te brengen c.q. te houden.

Hun verslag is te lezen in Levende Talen Tijdschrift 2018-4. Het artikel begint met een vracht vakliteratuur (uitsluitend Nederlands- en Engelstalig), dan volgt een beschrijving van de methode, dan resultaten en conclusies, kortom, het keurige formaat van een academisch artikel. Belangrijkste conclusie is dat 'een laagdrempelig aanbod van geschikt leesmateriaal van invloed kan zijn op zowel de leesmotivatie als de leesvaardigheid van jongeren'.
Ook oud nieuws, eigenlijk, maar het kan geen kwaad dat het nog weer eens bevestigd wordt.
Scholen, richt een aantrekkelijke en toegankelijke bibliotheek in!

Maar verder ligt het vooral bij de docenten. Als die de lol en het nut niet zien van leesbevordering, lukt het niet. Oók al oud nieuws...
En lokale samenwerking kan ook helpen. Natuurlijk...
Interessant aan dit onderzoekje is dus vooral dat leerlingen dit oud nieuws ook nog eens bevestigen.

maandag 4 februari 2019

Het is grijs en het valt uit de hemel

Dat moet die koude motregen zijn die toevallig vandaag uit de lucht komt. Dacht ik.

Maar het is méér. Gerrit Kouwenaar gaat ver over de dagelijkse werkelijkheid heen in zijn gedicht.
Het staat in NRC 4-2-2019 en op de website van de Koninklijke Bibliotheek, dus mag ik het hier ook wel citeren:

het is grijs en het valt uit de hemel
men raadt dit terwijl het schemert
over het steenveld waar niets zich bezit

in de late hitte tussen onheil en vrede
terwijl men klimt naar gretiger leegte
kruist een oneindige slang van twee meter
het inzicht, volledig, zonder betekenis

in de regel huiswaarts begint het te misten
men staat stil op de rand van een stilte, bestaat
wat begint te ontbinden, men moet zich
bevatten, ontmonden, tot op de seconde -

(Uit: Gerrit Kouwenaar, Helder maar grijzer: gedichten 1978-1996. Amsterdam: Querido, 1998, p. 142.)
Het is het eerste gedicht dat Ellen Deckwitz koos voor een reeks ter gelegenheid van de Poëzieweek 2019, en ze schrijft er een fijn commentaar bij. Zo fijn dat ik het hier ook maar citeer:

Als poëzie-evangelist kom ik regelmatig lezers tegen die vinden dat gedichten nodeloos vaag zijn. „Waarom,” zeggen ze dan, „wil je je publiek frustreren met onduidelijkheid? Dat is toch gewoon sadisme?”

Als tiener vond ik dat poëzie de werkelijkheid in kaart moest brengen. Pas later kwam het besef dat we met onze vijf zintuigen slechts een heel klein deeltje van onze leefwereld waarnemen, een dimensie die bovendien dagelijks van vorm en kleur verschiet. Sommige verzen proberen aandacht te besteden aan de facetten die niet makkelijk te bevatten zijn, die schuren. Juist daarom lijken sommige gedichten op het eerste oog nodeloos vaag. Omdat de dichter een poging heeft gedaan die onkenbare massa die ons omringt, aan het woord te laten.

Zoals bij dit vers van Kouwenaar, waarin het weliswaar onduidelijk is wat nou precies het grijze is dat uit de hemel valt, maar je het wél aanvoelt. Het wordt een mysterie dat aan de rand van je blikveld leeft en je zekerheden alleen al door haar aanwezigheid op losse schroeven zet. Dat is voor mij de grote meerwaarde van zogenaamd geheimzinnige verzen. Het suggereert dat er nog veel meer te zien, te voelen en te ontdekken valt. En hey, als ik iets duidelijks wil lezen, neem ik wel de handleiding van een neushaartrimmer tot me.

Dat laatste lijkt me een compliment aan de onbekende auteur van die handleiding, want er zijn echt veel onbegrijpelijke handleidingen in omloop. Maar inderdaad, er valt nog veel meer te zien, te voelen en te ontdekken.

Vergelijk dat eens met dit gedicht:

Uit grijze hemel valt de regen,
De vogels dempen nu hun lied,
Maar nimmer weifelt, draalt de zegen,
Die rust op heel dit schoon gebied.

De grond is arm, als menig hart,
En zo gebaat bij malse regen,
En ginder, achter wolken, mart
De goede zon met al haar zegen.

O somber, toch zinrijk verleden,
Dat immer ver en verder wijkt,
Gezegend is het zonnig heden,
Waarover nooit een schaduw strijkt.

Niks stilstaan op de rand van stilte, een ode aan het zonnig heden waarover nooit een schaduw strijkt, hier spreekt een simpele ziel, blij van zinnen ondanks de grijze regen. Het gedicht is van Reinier van Genderen Stort en verscheen oorspronkelijk in De Gids, jaargang 1936. Wat hij precies voor zich zag bij een marrende goede zon wist ik ook niet, maar marren betekent volgens het woordenboek 'talmen, treuzelen, dralen, aarzelen' en dat is verhelderend. Welk zonnig heden hij in 1936 (!) voor zich zag, blijft eveneens een raadsel, maar ach, hoog, Sammie, kijk omhoog Sammie...
Dit gedicht heeft bijna de duidelijkheid van Ellens neushaartrimmer, toch geef ik de voorkeur aan de onbestemdheid van Gerrit Kouwenaar en zijn steenveld waar niets zich bezit.


woensdag 23 januari 2019

LZL 107: Joke van Leeuwen

De laatste aflevering van Literatuur zonder leeftijd (nummer 107, winter 2018) is gewijd aan Joke van Leeuwen.
Met laatste bedoel ik nu echt laatste, niet alleen meest recente. Want dit is echt de laatste aflevering van LZL.

De redactie heeft hiermee een waardig slotstuk gemaakt. Joke van Leeuwen is een van de meest veelzijdige en beste auteurs voor kinderen, auteur, illustrator en theatervrouw. Jammer dat LZL ophoudt, heel goed dat de redactie juist haar werk als thema heeft gekozen.

De pocket van 210 p. bevat 12 artikelen over haar werk en vijf bijdragen van Joke van Leeuwen, drie gedichten, een andersoortige tekst en een reeks prenten, deels in kleur. De artikelen over haar werk zijn van Eline Rottier (een interview), Annette de Bruijn (poëzie), Sander Bax (poëzie voor volwassenen, Bart Moeyaert (herinneringen aan samen optreden, mooi om daar te beginnen met lezen), Vanessa Joosen (Maar ik ben Frederik), Lieke van Duin (over grenzen heen), Bill Nagelkerke (translations), Jaap Goedegebuure (romans voor volwassenen), Truusje Vrooland-Löb (tekst en beeld), Joke Linders (reizen als vertelstructuur), Henk van Vliegen (interview met Nicole van Kilsdonk, regisseur film Toen mijn vader een struik werd) en Jen de Groeve (non-fictie).

Geen pocket om in één keer uit te lezen, hij belandt op mijn nachtkastje.

Maar wel een citaat, uit het interview dat Eline Rottier met haar hield:

Een begin

De toon was gevonden, maar een uitgever vinden bleek moeilijk. Met haar verhalen reisde Joke van Leeuwen stad en land af. Ging ze vanuit Brussel met de trein naar Bussum, bleek er niemand te zijn, stond ze tien minuten later weer buiten. 'Ik werd steeds onzekerder, op het laatste durfde ik niet eens meer naar de brievenbus. Dit had ik altijd gewild, zou het niet gaan lukken? 
Om de druk van de ketel te halen, ging ik geschiedenis studeren en tijdens die studie kwam ik via via terecht bij Uitgeverij Omniboek en ging het ineens lopen. Voordat ze wat wilden met mijn verhaal moest ik een  - in mijn ogen - zeer slecht verhaal illustreren. 
Ik herinner me de eerste recensie nog levendig. Het verhaal werd helemaal afgekraakt, maar als laatste zinnetje stond er: "De onbekende illustrator deed het beter." Dit is een begin, dacht ik. Niet lang daarna lag De Appelmoesstraat is anders (1976) in de boekhandel.'




Literatuur zonder leeftijd 107 (winter 2018). ISBN 978 94 6167 382 4, 212 p.
Bestellen: € 19,95 incl. verzendkosten, redactie-lzl@planet.nl