Zoeken in deze blog

dinsdag 25 juli 2017

Ossip

Ossip is een grappig klinkende naam, die niet vaak voorkomt. Hoeveel kinderen met Nederlands als moedertaal zullen weten dat het een echte voornaam is?
Het zou zomaar kunnen dat Ossip uit het prentenboek Ossip en de onverwachte reis van Annemarie van Haeringen hun eerste Ossip is.
En wat voor een! Zo klein als een plantje, met een lange rode hoed die lijkt op de grassprieten rondom hem.


Zijn woning deed me onmiddellijk denken aan een andere ooit bekende kleine figuur: Piggelmee. Die woonde met zijn vrouw in een Keulse pot. Hij mocht een wens doen van een tovervis, deed dat, maar zijn vrouw wou meer. Hij mocht opnieuw een wens doen enzovoort, tot de vis er genoeg van had en ze er weer net zo bij zaten als in het begin. Althans, zo ging het in het eerste verhaal over Piggelmee, Van het toovervischje, gebaseerd op Grimm's sprookje Van de visser en zijn vrouw. Een motief dat door Aarne-Thompson als nummer 555 vermeld wordt en dat allerlei varianten kent. (Ik herinner me er een waarin de laatste wens is dat die worst weer verdwijnt van de neus van de vrouw...)

Zo'n vrouw heeft Ossip niet. Hij woont alleen, maar hij bakt zijn zoete broodjes ook voor iemand anders. Wie, dat blijkt pas aan het eind van het verhaal. In ieder geval niet iemand met de kapsones van de vissersvrouw.
Ossip en de onverwachte reis is een typisch stapelverhaal, en de episoden zijn door een rode draad met elkaar verbonden, een rode draad die er al op de titelpagina is en die Ossip in de tweede prent vindt.

'Waar gaat het naartoe?'
Nieuwsgierig volgt Ossip het spoor.
De broodjes zijn toch nog niet afgekoeld.
Hij kan best even...



Zo begint een reeksje avonturen dat hem zelfs even op de tekentafel van zijn verteller brengt - waar hij zichzelf ziet in statu nascendi.

 

Met excuses voor de scans, het boek is groter dan mijn apparaat aankan, de onderkant kon er niet bij en de punt van Ossips muts verdween. Er staat dus méér op deze dubbelpaginaprent dan hier afgebeeld en ook de andere twee afbeeldingen zijn details. Aangezien álle prenten dubbelpaginaprenten zijn, houd ik het bij bovenstaande afbeeldingen. Ze zijn prachtig, uitbundig, stijlvast, expressief, vol kleine grapjes en mooie details.
Het loopt goed af, dit verhaal - ik vertel niet hoe. Een feestje voor mensen van 4 en ouder, dit boek. Het laat zich uitstekend voorlezen.


Annemarie van Haeringen. Ossip en de onverwachte reis. Leopold, 2017, ISBN 978 90 258 7298 4.



dinsdag 11 juli 2017

Schuilplaats

Soms ontvang ik een boek waarvan ik me verbaasd afvraag: heb ik dat aangevraagd? Niet omdat het er afzichtelijk uitziet, maar omdat ik het bijzondere er niet meteen aan zie en ik me nu eenmaal heb voorgenomen alleen titels aan te vragen waarvan ik vermoed dat ze op de een of andere manier bijzonder zijn.

Maar ik had Schuilplaats van Marike Goslinga wel degelijk aangevraagd, ergens in 2016, waarschijnlijk omdat het een debuut is. En wel zo bescheiden dat van de auteur niet eens een website te vinden is, wat tegenwoordig toch al gauw zo is, en dat er op de website van haar uitgever (Leopold) vandaag niets over haar te vinden was.
Wat ik wel over haar vond is 'Over mij' op de website van Wollewop, 'Kleinschalige Kinderopvang Haren'. O.a.:
'Daarnaast heb ik de afgelopen jaren een deeltijdstudie gedaan voor het schrijven van kinderboeken. Mijn debuut komt uit in juni 2017, bij uitgeverij Leopold. Het boek heet Schuilplaats en gaat over vriendschap en loslaten.'

Tja, ik vermoedde al dat de auteur een schrijverscursus o.i.d. had gedaan. Stijl, lengte van de hoofdstukjes, opbouw, het is keurig volgens het boekje. Een ruim voldoende, zou ik zeggen. Asjeblieft, hier is het diploma. Het ligt natuurlijk aan mij, steeds op zoek naar wat afwijkt van de gebaande paden, dat ik het wat saai vind. De tekst op de achterkant vat het verhaal goed samen, maar laat (gelukkig) het antwoord op de vragen open.


Het is niet alleen keurig volgens het boekje, het is ook wat braaf. Het drama blijft netjes binnen de lijntjes der verantwoordelijkheid, er valt geen onvertogen woord in en voor het uitstrooien van as in de duinen wordt toestemming gevraagd.
De personages gedragen zich zoals te verwachten valt onder de omstandigheden en hebben allemaal wel iets aardigs, er komt geen echte naarling in voor.

Wat hier een beetje wringt, zoals vaker in verhalen met een jonge verteller, is de verteller. Dat is Levi, tevens hoofdpersoon, twaalf jaar - en hem wordt daardoor een taalvaardigheid en observatievermogen toegeschreven dat niet helemaal dat van een gemiddelde twaalfjarige is. Dit had vermeden kunnen worden door een anonieme verteller aan het woord te laten.
Maar zit ik er ver naast als Marike Goslinga ooit aangeraden is om dat juist niet te doen? Want de beoogde lezers laten zich wellicht door het perspectief van Levi makkelijk meeslepen in het verhaal en dat is dan de bedoeling. Niet stilstaan bij de woorden, maar meebeleven.
En het moet gezegd dat de auteur haar best heeft gedaan haar verteller niet al te virtuoos te keer te laten gaan, zodat de geloofwaardigheid van het verhaal er (behalve voor zo'n lezer als ik) niet onder lijdt. 'Ik wierp hem een bliksemstraal toe met mijn ogen', het kan gewoon.

Eén citaat nog:

'Er kwam een zucht vanuit mijn tenen. Nog een keer luisteren. Het berichtje was er nog helemaal, ik kon weer iets rustiger ademhalen. Fjiew. Maar toen gebeurde het. Alsof ergens vanbinnen iemand een kraantje opendeed. Massa's tranen kwamen tegelijk naar buiten glijden. Eerst probeerde ik ze weg te slikken. Dat mislukte en ik kreeg bijna geen adem meer. Alles werd nat, zelfs tranen op mijn broek. Na een tijdje haalde ik mijn neus hard ratelend op en veegde met mijn mouw over mijn gezicht. Oké, kalm aan, adem in, adem uit. Langzaam werd ik weer wat rustiger. De tranenkraan was dicht, opgedroogd.'

Is dat niet een wat te knappe beschrijving voor een twaalfjarige verteller? Maar het geeft niet, juist door de beschrijving, ondanks het enorme vertelcliché en toen gebeurde het, ben ik bereid mijn ongeloof op zij te zetten - en met mij vermoedelijk menige twaalfjarige lezer.

Zoek nu zelf één zin en één stel woorden uit die voor de verteller eigenlijk overbodig zou moeten zijn, maar die hij (en achter hem dus de auteur) toevoegt voor de lezer, voor het beeld:

'We sjeesden op de fiets naar het dorp. Jimmi's opa zou later komen met zijn gitaar. We parkeerden de fiets bij de bibliotheek en liepen toen de Dorpsstraat in.
Vanuit de verte zagen we dat Rosa haar spullen al had uitgestald voor het museum. Toen ze ons zag  omhelsde ze ons uitbundig, we werden bijna platgedrukt.'

Niet gevonden? Vergelijk:

We sjeesden op de fiets naar het dorp. Jimmi's opa zou later komen met zijn gitaar.
Vanuit de verte zagen we dat Rosa haar spullen al had uitgestald. Toen ze ons zag  omhelsde ze ons uitbundig, we werden bijna platgedrukt.

OK, dit is allemaal misschien muggezifterij van een hogere orde. Close reading, wat u zegt, en daar is op zich niets tegen, daar leren we van.

Het is dus een keurig verhaal, met keurige middle class personages, ietwat aan de brave kant, met een goed geproportioneerde opbouw en een hoopvol einde en klaar voor de thema's 'verlies' (c.q. 'overlijden ouder') en 'vriendschap', en redelijk maar niet al te voorspelbaar.

Daarmee is niet gezegd dat ik het een slecht verhaal vond. Het zit goed in elkaar, en de personages (ook de verteller) krijgen voldoende reliëf en ontwikkeling. Ik ging me niet vervelen, en concludeerde dat wat mij betreft Marike Goslinga het niet bij dit debuut hoeft te houden. Wel zou een volgend verhaal iets meer mogen schuren.



Marike Goslinga. Schuilplaats (Leopold, ISBN 978 90 258 72977, 124 p.)








maandag 10 juli 2017

Schrijven over het leven

Wat is Engels toch een soepele taal. Hoe zou je life writing (niet te verwarren met live writing: dat bestaat ook) moeten vertalen? Het is meer dan een leven beschrijven, kan ook een deel ervan, een dag, een uur. Wikipedia beschrijft het zo: 'the recording of memories, and experiences, whether one's own or another's. This applies to many genres and practices, under which can be found autobiography, biography, memoir, diaries, letters, testimonies, personal essays and, more recently, digital forms such as blogs and email'.

Helma van Lierop-Debrauwer kwam er niet uit en nam, als zovele taal-luie onderzoekers, de Engelse term over in naar inleiding van Literatuur zonder leeftijd (LZL) nr. 102 (voorjaar 2017). Deze aflevering heeft life writing als thema.
En dus krijgt het eerste artikel (ook van haar) onder de fraaie titel 'Echt gebeurd?' de lelijke ondertitel 'Life writing in de Nederlandstalige jeugdliteratuur' mee. Háár definitie van dit begrip ontleent ze aan het boek Reading Autobiography, A Guide for Interpreting Life Narratives van Sidonie Smith en Julia Watson (2010): 'We understand life writing as a general term for writing that takes  a life, one's own or another's, as its subject. Such writing can be biographical, novelistic, historical or explicitly self-referential and therefore autobiographical.'
De kop is fraai omdat die precies aanstipt wat er aan schrijven over het leven vooral onderzocht kan worden: is het echt gebeurd? En wat is dat dan, dat echte gebeuren? Hoe beschrijf je dat als onderzoeker zonder je eigen interpretatie erin te mengen?
Dat gaat verder dan de feitencontrole die sommige dagbladen in rubriekjes toepassen (wat dan weer in vernederlands Engels factchecking heet), omdat de beschrijver, de life writer, onvermijdelijk ook selecteert en interpreteert. Helma komt direct met het mooie voorbeeld van Anne Frank, die in 1944 haar dagboek herschreef met het oog op mogelijke publicatie. Tweemaal 'echt gebeurd'? Ja als het om de feiten gaat, maar er is zoveel meer dan enkel feiten, een dagboek is geen logboek.
Uiteraard passeren nog andere titels de revue in haar artikel.

Feiten, meningen, interpretatie: hier raakt de biograaf wetenschappelijke thema's. Dat is het onderwerp van het tweede artikel in deze aflevering, door Annette de Bruijn, met de lange titel 'De kunst van de biografie: tussen literatuur en wetenschap', ondertitel 'Vier biografen aan het woord over opvattingen, bronnen, valkuilen en zonden'. De vier biografen zijn Joep Boerboom, Joke Linders, Monica Soeting en Janneke van der Veer. Die geven 'in hun antwoorden allemaal blijk van een duidelijk bewustzijn dat het in biografie gaat om hun structurering en interpretatie, om hun constructie van het leven van hun onderwerp.'

En zo volgt er nog een reeks van min of meer interessante artikelen, van Aart Broek, Monica Soeting, Ingrid van der Heijden & Helma van Lierop-Debrauer, Chris Bulcaen, Sanna Lehtonen (in English), Sara Van Meerbergen, Harry Bekkering, Frauke Pauwels, Tiny la Roi en Britta Jung (wier onderzoek door Harry Bekkering overigens grondig wordt bekritiseerd).

Een dijk van een aflevering, deze keer geheel zonder columns e.d. Maar wel met een mooi (en toepasselijk) gedichtje van Ienne Biemans achterop.



Literatuur zonder leeftijd 102, zomer 2017. IBBY Nederland, ISBN 978 94 6167 309 1, 174 p.

dinsdag 4 juli 2017

Tessa in Albanië

Dit wordt een rare recensie, sorry.
Omdat ik dit voorjaar in Albanië was, gaf iemand me Een varken in het paleis van Tessa de Loo (De Arbeiderspers, 1998).
Dat is een reisverslag. De auteur deed een poging in de voetstappen te treden van Lord Byron, die in 1809 door het gebied reisde dat nu Zuid-Albanië is.
Het boek lag een tijdje op een stapel, maar onlangs begon ik toch te lezen.

Ik weet niet hoe het kwam, maar na een tiental bladzijden moest ik onweerstaanbaar denken aan de wekelijkse Volkskrant-columns van Annemarie Oster. Eigenlijk weet ik wel hoe het kwam: het trof me dat beide vrouwen vaak eigenlijk ironisch over zichzelf schrijven terwijl ze formeel over iets of iemand anders schrijven. Twee vertellers die zichzelf graag bij het verhaal betrekken, anders dan (bijvoorbeeld) Carmiggelt deed, die zich juist zo onzichtbaar mogelijk maakte in zijn stukjes.

Ik ken ze geen van beiden (behalve dan van hun teksten en enkele foto's), maar zag twee slanke, fijnbesnaarde (of zichzelf fijnbesnaard achtend), cultureel onderlegde (idem) vrouwen voor me die graag op hakken en in bijpassende dameskleding gaan, een damestas dragen, er graag verzorgd uitzien, twee tuthola's eigenlijk, maar niet onsympathiek en soms bereid tot ondamesachtig gedrag buiten de lijntjes.
Later zocht ik hun websites op en verdomd, ze vertonen uiterlijk enige overeenkomst. Maar dat zegt niet veel, natuurlijk.

Laat ik wat citeren.

Annemarie Oster begint haar stuk (toevallig het laatste van haar in de reeks 'Doorlezen of afhaken') in de Volkskrant 1-7-2017 zo:

'Zoals elke week luisterde ik zaterdagochtend naar de TROS Nieuwsshow, en met extra gespitst gehoorapparaat, naar de boekenrubriek.'

Ze deelt ons in één zin al twee zaken mee die er voor het boek dat ze bespreekt niet toe doen: dat ze iedere zaterdagochtend naar dat programma luistert en dat ze een gehoorapparaat heeft (en dat is ook een mooi staaltje ironie).
Nou ja, ze heeft dat programma nodig als opmaatje voor een brievenboek dat ze wil vermelden (hoewel ook dat niet het boek is dat ze bespreekt), want ze hoorde een bespreking van Amos Oz'  Zwarte doos en 'tot mijn vreugde en nieuwsgierigheid schijnt het brievenboek waarmee de schrijver eind jaren tachtig bekendheid verwierf, over een haat-liefdeverhouding te gaan en, volgens Hoogervorst, vernuftig in elkaar te zitten.'
Fijn voor haar. En voor ons, we weten nu ook dat ze van haat-liefdeverhoudingen houdt en van vernuftigheid.
En passant blijkt dat haar gehoorapparaat kennelijk heel goed werkt want 'ook zonder dit hulpstuk zijn de recensies van Ingrid Hoogervorst door het hele huis te horen. Ditmaal beschreeuwde zij het in vertaling verschenen Zwarte doos van de onvolprezen Amos Oz.' (Ik dacht: je kan ook het volume van de radio wat lager zetten.)
Ze heeft ons inmiddels ook getoond cultureel helemaal bij te zijn. Wie heeft er nu nooit van Amos Oz gehoord? (Overigens ging de bespreking over Dát is nu handel, meisjelief! van Vera Funke. Een brievenboek, inderdaad.)
Let wel, dit was een aflevering uit de reeks 'Doorlezen of afhaken', waarin diverse mensen 'op verzoek van de boekenredactie' hun eerste indrukken van boeken geven.
Dat ze het in haar andere teksten, o.a. de columns die ze tot 2016 voor dezelfde krant schreef (zie Mooi geweest), vaak over zichzelf had, werd nog eens mooi belicht in het interview dat journalist Wim de Jong op 18 oktober 2012 met haar had:
Met veel zelfspot en de gepaste afstand van een grande dame beschrijft Oster in Mooi geweest ook wat ze op haar bijna-70ste allemaal aan kleine en grotere avonturen achter zich heeft liggen. Het brengt het gesprek op het wereldse, het wuft-mondaine, het frivole, het oh-la-la dat ze als 'vrouw van de wereld' in haar boeken en columns door de jaren heen met verve heeft uitgedragen. Er kon in de hoofdstad bij wijze van spreken geen tentoonstelling, toneelpremière, receptie, nazit of ander ons-kent-ons-partijtje worden georganiseerd, of diva Oster was erbij in die journalistieke feestvermomming. '

Dan Tessa de Loo.
Die schreef heel weinig columns, voor zover ik weet, maar romans en reisverhalen. En ze blijkt op haar website in het geheel niet gedistantieerd, maar unverfroren reclame voor zichzelf te maken. Of iemand anders, want de webtekst gaat over haar in de derde persoon. Een diva is ze evenmin.
Echter, Een varken in het paleis gaat evenzeer over de vertelster als over Lord Byron, en dat begint al met een bijzondere stijlvorm die ze met grote regelmaat toepast: de briefvorm. Ze schrijft in die passages direct aan 'beste George', ofwel George Gordon Byron, Lord Byron.

Uit die weinige columns, waarvan er één op haar website is te vinden (Nostalgie) citeer ik:

'Nuno is erg gevoelig. Hij is historicus en voelt zich ontheemd in de tijd waarin wij leven. Het heden is voor hem een monstrueuze constructie van beton en staal, volgestouwd met elektronica. Hij verlangt met hart en ziel naar de tijd dat zijn grootvader nog leefde en diens landgoed, zo’n tachtig kilometer ten noordoosten van Coimbra gelegen, nog van de familie was.

Natuurlijk heeft Nuno geen rijbewijs en verplaatst hij zich uitsluitend, zij het met tegenzin, per trein of bus. Hij vertelde me dat hij sinds de dood van zijn grootvader, twintig jaar geleden, niet meer in het dorp was geweest waar hij als kind zijn vakanties doorbracht. Toen ik voorstelde er op een mooie zondag heen te rijden viel hij me van pure dankbaarheid om de hals.'

Kijk, zo'n laatste zin, dat is typerend.

Nog een stukje:

'Nuno was opgewonden. Kijk, dat is de quinta van de buren! Daar was ieder jaar een geweldig oogstfeest, waar alle mensen uit het dorp welkom waren. Er speelde een accordeonist en er werd gezongen en gedanst… En dat was de boomgaard van mijn opa en daarnaast, in dat gebouw, werd de olijfolie geperst… Knoestige olijfbomen stonden knorrig in het gelid, in geen tijden meer gesnoeid. Bij de toegangspoort tot de quinta riep Nuno: ‘Stop, stop!’ Hij viel bijna uit de auto, zoveel haast had hij toen hij het portier openduwde. De poort, gedecoreerd met barokke krullen, was zo groot dat je het huis niet kon zien. Vergeefs rammelde Nuno aan de zware deuren. Die gaven geen millimeter mee. Toen tot Nuno doordrong dat hem de toegang tot zijn verleden resoluut geweigerd werd brak hij in tranen uit. Met zijn voorhoofd tegen het verveloze hout leunend stond hij te snikken, en zijn schouders schokten mee.

Ik liep maar een beetje op en neer, hem op eerbiedige afstand aan zijn verdriet overlatend. Het rook er verrukkelijk, naar eucalyptus, mimosa en sinaasappelbloesem. De hemel was strakblauw, in de verte schemerden de bergen. Ze wisten wel wat het goede leven was, vroeger… Those were the days.

Nadat Nuno zijn tranen had gedroogd reden we verder. Hij raakte maar niet uitgepraat over het verval der tijden. De mensen wisten niet meer hoe het leven eruit hoorde te zien. Toen hij als kleine jongen aan de hand van zijn grootvader over diens landerijen wandelde was hij gelukkig geweest, puur gelukkig. Zo eenvoudig kon het zijn…'

De tweede alinea is typerend. Daar wandelt Tessa ons beeld binnen!

Op die manier zou ik ook ruim kunnen citeren uit Een varken in het paleis.
Eén stukje (p. 11):

'Ik raakte onder de betovering van het exotische decor, de mengelmoes van volkeren in hun kleurige kostuums, de Pasja in wie wreedheid en zachtheid elkaar luchtig afwisselden, de oproep tot gebed van de moëddzin, de dreunende oorlogstrommen, de vermenging van barbaarsheid en verfijning... En hoe jullie je te midden van dat alles als twee onschuldige kinderen lieten verwennen! Het was bijna niet te geloven dat het de werkelijkheid was waarvan je in je brief verslag deed en niet een oosterse Macbeth, waarin jullie een figutantenrol hadden gespeeld.
Daartegen moest het leven in een stroeve Hollandse straat aan het eind van de twintigste eeuw het afleggen. Ik wilde nog maar één ding: met je mee. Ook ik wilde bij Ali Pasja op bezoek, als schim uit een toekomstig tijdperk, als voyeur, als nostalgicus.'

Daar is ze weer, in die tweede alinea.

Begrijp me goed, ik ben er niet tegen.
Het is even wennen, een verteller van een reisverslag die zich zo nadrukkelijk in beeld plaatst. Maar het kán iets van waarde toevoegen.
Het voordeel is in dit geval dat we begrijpen waarom ze die reis ondernam, en een deel ook per se te paard wou afleggen, net als Byron en zijn gevolg.
Het is een hilarisch verslag, waarin ze en passant een mooi beeld van Byron schetst. Hoewel ze haar reis in 1996 maakte, is het voor lezers die overwegen naar Albanië te gaan nauwelijks een goede voorbereiding. Er is sinds die tijd alweer het nodige veranderd daar. En zoals gezegd gaat haar verslag meer over haar en Byron dan over Albanië.
Het nadeel is dat het verslag nogal breedvoerig is. Als boekredacteur zou ik met moeite de neiging bedwingen om hier en daar fors te schrappen. En als ik streng ben zou ik zeggen: de verteller die zich hier zo nadrukkelijk in beeld brengt, is nauwelijks interessant.
Maar zo streng ben ik niet, want hier en daar voegt ze wel degelijk iets van waarde toe. neem deze rake, melancholische passage (p. 36) waarmee ik deze rare recensie afsluit:

'Jij, in jouw tijd, reisde nog gewoon met jezelf mee, maar bij de snelle verplaatsingen in onze tijd worden eigenlijk alleen onze lichamen, samen met de bagage, van A naar B gebracht. Onze prehistorische geest, die niet sneller kan reizen dan te voet, of hooguit te paard, komt ons traag en onwillig achterna. Soms weigert hij gewoon mee te gaan, vooral bij korte, spectaculaire vakanties. Bij thuiskomst vinden we hem terug bij de haard; zodra we weer met hem samenvallen lijkt de reis een vage droom te zijn geweest en ons gedrag in verre streken dat van een vreemde.'

Waarvan akte.
Het verbaast me niets dat Tesssa de Loo tegenwoordig in Portugal woont.













maandag 3 juli 2017

Wij gaan onvermoeibaar door

Een bericht van Bibliotheek op School:

'

Aanmelden pilot Lezen voor de lijst havo/vwo

Kunst van Lezen start in schooljaar 2017/2018 een regeling voor tien pilots Lezen voor de lijst op havo/vwo-scholen. Daarmee wordt een stap gezet in de verbreding van de aanpak de Bibliotheek op school naar havo/vwo.
De pilots zijn ingesteld om te experimenteren met verschillende vormen van samenwerking rondom Lezen voor de lijst, zoals het leveren van een fysieke collectie in de school, lidmaatschap van de bibliotheek, het e-bookplatform en de LuisterBieb. Daarnaast biedt de pilot ruimte voor o.a. het inzetten van een leesconsulent en adviseur educatie op school en het geven van een workshop voor leerlingen. De pilots kunnen in alle leerjaren uitgevoerd worden.
Bibliotheken en havo/vwo-scholen die al met elkaar samenwerken of van plan zijn dat te gaan doen kunnen zich voor 1 oktober aanmelden bij hun POI. Lees de factsheet voor meer informatie.'

Tegelijk in Levende Talen Tijdschrift juni 2017 (jaargang 18, nr. 2) een artikel door Roel van Steendel, Lisa van der Sande en Lidia Arends onder de kop 'Investeren in leesmotivatie maakt leerlingen meer gemotiveerde lezers... en betere lezers'. De kop is meteen ook de conclusie van deze 'meta-analyse van wat in de internationale onderzoeksliteratuur bekend is over de effecten van leesmotivatieprogramma's'.
In de literatuurlijst tref ik overwegend auteurs aan met een Engels aandoende naam en een handvol namen die duidelijk Nederlands of Duits zijn. De tijdschriftnamen en boektitels zijn op enkele Nederlandse titels na Engels.
De conclusie zou kunnen zijn dat er buiten dit gebied niet zulk onderzoek wordt verricht, wat me sterk lijkt. Een andere conclusie zou kunnen zijn dat relatief jonge Nederlandse onderzoekers alleen Engels beheersen, naast hun moerstaal. Frans- of Duitstalig onderzoek wordt eenvoudigweg overgeslagen. Het bevestigt de status van Engels als standaardtaal voor wetenschapspublicaties.

Ja, dat puntje moest ik even maken. Maar natuurlijk kunnen enthousiaste leesbevorderaars, waaronder de mensen van Kunst van Lezen, dit artikel goed gebruiken om hun geploeter te ondersteunen.

En ploeteren blijft het. Want mij staan decennia bij waarin dit soort artikelen verschenen en ik durf niet te zeggen dat er iets ingrijpends is veranderd aan het leesgedrag van twaalf- tot achttienjarigen (tieners). Niettemin weten we niet hoe hun leesgedrag zou zijn zonder al die inspanningen. Er is immers geen controlegroep, Er is ook eigenlijk niets nieuws onder de zon.

Voor 'investeren in leesmotivatie' heb je goede docenten nodig en een goed voorziene schoolbibliotheek. Ook wat dat betreft niets nieuws onder de zon, maar het kan geen kwaad hierop met enige regelmaat te wijzen.
Wij gaan onvermoeibaar door.

maandag 19 juni 2017

Vakantieboekenplan

Toen ik de aankondiging van Stichting Lezen over Vakantielezen onder ogen kreeg, moest ik meteen met enige (betrekkelijke) heimwee denken aan mijn eerste dagen bij Boek en Jeugd, eind jaren '70.

Nederland, jongens en meisjes, had toen nog een instituut dat zich bekommerde om de jeugdliteratuur. Het verzamelde jeugdliteratuur en het bevorderde de kennis over jeugdliteratuur. Er waren boekbesprekingsbijeenkomsten met jeugdbibliothecarissen, en er werd gepubliceerd (waaronder de bekende gids Boek en jeugd) en gedocumenteerd. Krantenknipsels werden geplakt op vellen papier die in mappen terechtkwamen.
Dat instituut, in 1951 zelfstandig begonnen als Bureau Boek en Jeugd, was toen (vanaf 1972) overigens al opgenomen in een bibliotheekorganisatie, en allengs versnipperde het. De collectie en documentatie kwamen terecht bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, de gids Boek en jeugd is uitgemond in een gelijknamige website, de publicaties stopten of werden uiteindelijk uitgegeven door Biblion Uitgeverij van NBD Biblion. Inmiddels is die uitgeverij ook al opgeheven.

Maar daarover gaat het nu even niet.
Er was toen een jaren lopend, succesvol promotiemiddel dat het Vakantieboekenplan heette, later nog lang (tot in 2015) voortgezet als Leesprogramma, niet per se een betere titel. Een lijst titels, stickertjes, stickerpaspoort, poster, plaatjes, vlaggetjes, materiaal voor begeleiders e.d.: wie een boek gelezen had, kreeg een kleine beloning, daarop kwam het neer. Een echt bibliotheekprogramma, bedoeld voor kinderen (4-12 jaar) die lid van de bibliotheek waren - en dat waren toen bijna alle kinderen. Ze in de vakantie aan het lezen houden, dat was het doel.

Wat krijgen we nu? Vakantielezen: eigenlijk hetzelfde doel als veel andere materialen, namelijk kinderen thuis aan het lezen te brengen of te houden, en nu (ook) met scholen als basis. Er hoort een kleurige folder bij, er zijn zelfs films, en het is gratis, met dank aan Stichting Kinderpostzegels.

Er is echter een niet onaanzienlijke beperking: 'Stichting Lezen biedt dit project, met steun van Stichting Kinderpostzegels, aan op 100 basisscholen in zogenaamde krimpgebieden of participatieregio’s.'

Hè... Jammer voor al die andere basisscholen, in gebieden waar niet gekrompen of geparticipeerd wordt.
Doe me dan het vakantieboekenplan maar...

maandag 12 juni 2017

Dag salon

Tja, het ene moment ontving ik nog een enthousiast bericht over De Boekensalon, het andere (vandaag) een overlijdensbericht:

'
Website deBoekensalon
NBD Biblion stopt per 15 juni met de website van deBoekensalon. De website heeft sinds de oprichting in 2010 ruim 51.000 leden aan zich weten te binden.

DeBoekensalon is destijds opgericht als verbindende schakel tussen de bibliotheekleden en de rest van lezend Nederland. Eind 2016 maakte NBD Biblion bekend te stoppen met haar uitgeefactiviteiten. Het deactiveren van de website van deBoekensalon is het vervolg hierop. NBD Biblion bekijkt de verkoopmogelijkheden voor de website. Mocht er onverhoopt geen verkoop plaatsvinden dan zal de website offline gaan.
'

Dat laatste bericht was me ontgaan, maar het is nog te vinden op de website van NBD Biblion:

'6 oktober 2016
NBD Biblion stopt per 31 december 2016 met haar uitgeefportfolio voor Jeugd. Jaarlijks geeft dit fonds ruim 40 titels uit en richt zich daarbij met name op educatieve non-fictieboeken, makkelijk lezen-boeken - uitgaven voor kinderen die moeite hebben met lezen - en prentenboeken.  
“Ondanks het uitstekende selectiebeleid, de verbeterde verkopen aan het boekhandelskanaal en het scherp sturen op de kosten de laatste jaren, is het helaas niet gelukt om het fonds Jeugd kostendekkend te exploiteren”, aldus René Leermakers, Algemeen Directeur van NBD Biblion, “daarom is besloten om te stoppen met deze activiteit”. Dit NBD Biblion uitgeeffonds is ooit opgericht om in te spelen op de vraag van bibliotheken naar typische non-fictie-onderwerpen.
Door de komst van internet en het afnemend aantal bibliotheekvestigingen is gebleken dat het niet meer mogelijk is om kostendekkend te kunnen werken.'

Het doet me denken aan de teloorgang van dat mooie vaktijdschrift Leesgoed. En aan de langzame afbrokkeling van het eens zo fraaie (en niet verliesgevende) fonds dat onder het imprint Biblion Uitgeverij verscheen.
Helaas besloot zo'n tien jaar geleden de toenmalige directie van NBD Biblion de afdeling Biblion Uitgeverij niet in zijn geheel te verkopen, maar om een langzame onttakeling in gang te zetten. Althans, daarop lijkt het. Het zou kunnen zijn dat er wel eens met deze en gene gesprekken zijn gevoerd, maar dan toch niet heel serieus.
Op de uitgever (André Henderickx) werd zachte druk uitgeoefend om vooral met vervroegd pensioen te gaan. Dat deed hij in 2011 en hij werd niet opgevolgd. Zijn adjunct (ik) was toen al op een zijpad gezet, eveneens met vervroegd pensioen. Lopende en enkele nieuwe uitgaven werden overgenomen door iemand uit het managementteam en enkele bureauredacteurs.
Niets ten nadele van die laatstgenoemden, mijn hardwerkende oud-collega's, die naar mijn indruk hun best deden er nog iets van te maken, maar het fonds werd toch allengs minder groot en opvallend en de uitgeverij verdween van beurzen e.d.
Eén poot wordt trouwens voortgezet, die van de databanken.

Het bij De Boekensalon horende tijdschrift werd oktober 2016 overgenomen door Pubmedia, dat het prompt herstijlde en omdoopte in LivreMagazine. Wie weet neemt Pubmedia de website ook over.

vrijdag 9 juni 2017

Te paard naar het Zwarte Woud

Wouter Klootwijk maakt tv-programma's (o.a. De wilde keuken) en schrijft. Hij schrijft vaak over voedsel en aanverwante zaken, maar soms (en vooral voor kinderen) vertelt hij andere verhalen, zie bijvoorbeeld Ik denk dat wij nu vrienden zijn (Leopold, 2010), waarin zijn eerder verschenen verhalen over Adri zijn gebundeld, of De uitvinding van de zeekoek (2002) en Mogen wij u ophijsen, mevrouw? (1997, en wat een prachtige titel).

Hij houdt het graag simpel en is goed in het onderuithalen van dikdoenerij.

Zo'n simpel idee ligt ook ten grondslag aan Anne, het paard en de rivier, dat onlangs verscheen bij Leopold.
Teun woont aan zee en houdt werkpaarden. Broer Theo woont in het Zwarte Woud en heeft een werkpaard nodig.
Nou, dan ga je dat toch gewoon brengen? Dochter Anne doet dat wel even. Ze volgt gewoon de rivier.

Maar met deze ultrakorte inleiding doe ik het verhaal tekort, en ook het boek.
Het boek ziet er namelijk feestelijk uit en dat komt door de bijzondere illustraties door Enzo Pérès-Labourette, in Oost-Europese stijl zou ik haast zeggen, want die stijl deed me denken aan oude prentenboeken uit Polen, Rusland en Tsjechoslowakije. Het omslag is bovendien met goudspettertjes bespikkeld.
Deze stijl heeft iets sprookjesachtig en dat kan dit verhaal goed gebruiken. Dat speelt namelijk in het hier-en-nu en tegelijk ook niet, want al rijden er een ijscokar en een auto in rond en zitten er 'buitenlandse dingetjes in een potje', er zijn verder buitengewoon weinig details die naar een datering wijzen. De kleren van de mensen lijken uit een kleurbewust circus te komen en de reis voert eenvoudig van 'de zee' langs 'de rivier' naar 'het Zwarte Woud'. En telefoneren vanaf een paard, daar doet Anne niet aan.
Het echte Zwarte Woud ligt ruim 700 km van de Nederlandse kust. Per paard doe je daar beduidend langer over dan drie of vier dagen, zelfs al zou het de hele dag draven.

Een sprookjesachtig verhaal dus, dat wordt verteld door een anonieme verteller die dicht op de huid van de personages zit, bijna filmisch. Het zou zich goed lenen voor een tekenfilm.
En het zit vol zinswendingen die ik typisch Klootwijkiaans zou noemen:

Vader houdt van uien.
Anne houdt van alles waar je alleen een vorm bij nodig hebt of wat je met je handen kan eten.
Moeder houdt van buitenlandse dingetjes uit een potje.

Zit er iets van Klootwijk in Anne? Ik vermoed het. Überhaupt is het waarschijnlijk typisch Klootwijkiaans dat het eerste hoofdstukje 'Wat je eet en weer vergeet' heet.

Over de paarden van Teun, Anne's vader:

Het zijn werkpaarden, ze zijn sterk.
Je hebt ook paarden voor plezier. Niet de paarden zijn het die plezier hebben, maar mensen die erop rijden. Op de werkpaarden van vader kun je ook goed rijden. Mensen die dat graag willen, vinden werkpaarden niet mooi. Ze vinden dat zo'n paard niet bij ze past. Ze willen een mooi paard dat past bij de kleren die ze dragen en dat ze, als ze erop rijden, nog mooier zijn dan als ze ernaast lopen.

Teuns paarden trekken reddingsboten naar en uit het water. Die van broer Theo in het Zwarte Woud trekken omgezaagde bomen. Theo komt er een tekort, Anne gaat het brengen. Vindt moeder Maria, balletdanseres, dat goed?

'Natuurlijk vind ik het goed,' zei mama Maria. 'Wat zou ik dat zelf graag hebben willen doen toen.'
'Toen?'
'Toen ik nog zo jong was als Anne. Ik zou avonturen beleven maar wist niet waar een avontuur begint en hoe het verder moet. Toen ging ik maar dansen in mijn kamer. En dromen van avonturen.'
'Wat droomde je dan als je danste?'
'Dat mensen kunnen vliegen.'
Vader Teun lacht.




Het lot wijst paard Wilma aan. En al kijkend naar de paarden denkt Anne iets wat ik ook wel eens heb gedacht:

Anne kijkt naar de paarden. Ze heeft op allemaal wel eens door de duinen gereden. Wat gek eigenlijk dat je het rijden noemt. Ze lopen. Je zit erop. Wielen hebben paarden niet.

Ze gaat op pad met een rugzakje en een rol touw. Dat touw komt nog goed van pas als een ijscokar te water raakt. Wilma trekt hem eruit.



Zo zijn er meer avonturen onderweg.

Ze doet er drie dagen over. De eerste nacht brengt ze door bij Wilma in de stal van de vader van een jongen die ze onderweg tegenkomt. Hij fietst naast haar, net als Anne in de verte tuurt op zoek naar een slaapplaats. Ze ontdekt de jongen.




'Wat doe jij nou?'
Anne ziet het lachende gezicht van de jongen.
'Ik sta op mijn paard,' zegt ze.
'Ja, dat zie ik,' zegt de jongen. Hij schatert. 'Ik ken iemand en die heeft een paard, maar die gaat er altijd op zitten. Nooit staan.'
'Meestal ik ook,' zegt Anne. 'Weet je of er verderop nog iets is?'
Ze laat zich naar beneden ploffen met haar benen uit elkaar en ze zit weer.

De tweede nacht brengt ze in een bos door. Bijna raakt ze daar Wilma kwijt. En dan komt ze aan waar ze moet zijn. Een feestelijk slot van een mooi verhaal in een feestelijk ogend boek.




Op de laatste pagina's houdt de verteller de mogelijkheid open van een nieuw verhaal, een soort vervolg: terugvaren over de rivier.

Al gebeurt er nog redelijk veel in dit verhaal, het moet het vooral hebben van de verteller, de dialoogjes. Zoals het gesprekje met poetsvrouw Greetje op p. 50-51, en dat over broer Willem van Jan, die jongen van hierboven:

'Waar is je broer die Willem heet?' vraagt Anne.
'Die zit in het leger.'
'O, gaat hij naar de oorlog?' zegt Anne.
'Nee, dat niet,' zegt Jan, 'maar als de oorlog hiernaartoe komt, houdt hij hem tegen.'

Of wacht, nog eentje, want poetsvrouw Greet krijgt een lift van Anne en dan komen ze de agent tegen.

'Halt,' zegt de politieagent. Hij steekt een hand omhoog.
'We zijn bij de stad,' zegt Greet, 'ik moet die kant op, de brug over, jij moet rechtdoor, naar het Zwarte Woud. Dank je wel dat ik mee mocht rijden.'
Ze laat zich van het paard glijden.
'Dag agent,' zegt ze, 'wat kan ik voor u doen?'
'Dat weet ik niet, maar ik dacht, mag dat wel, twee mensen op een paard,' zegt de agent. 'Ik weet niet of het mag van de wet. Maar nu het nog maar één mens is, hoef ik niet meer te weten of het mag, want u bent er afgestapt.'

Een voorbeeld voor andere agenten! Die agent haalt overigens nog wel iets uit zijn borstzak dat verdacht eind 20e-eeuws voorkomt, namelijk:

een zwart kastje. Hij drukt op een knop. Dan praat hij in het kastje.
'Het Zwarte Woud ja, van hier af, hoe ver is dat?
Ja, maar met een paard, nee, niet fietsen.
O, dank je wel, ik geef het door, sluiten maar.'

Dat gesprekje over de worst en de zuurkool (en meer) laat ik maar zitten. Lees het zelf maar. Het is te begrijpen voor alle mensen vanaf zo'n 8 jaar, met voorlezen vanaf 6 jaar.



Wouter Klootwijk & Enzo Pérès-Labourdette. Anne, het paard en de rivier. Leopold, 2017, 78 p., ISBN 978 90 258 7220 5.
















vrijdag 2 juni 2017

Taal en de Europese eenheid

In de Comunidad Valenciana wil de deelregering Valenciaans als onderwijstaal invoeren, meldt Taalpost op 2 juni 2017 (bron).  En voorts: Duitstalige jongeren in Italië spreken steeds slechter Italiaans (bron), terwijl de Turkse president Erdogan niet-Turkse woorden zoals arena wil weren (bron), en de 'taaloorlog om de status van het Russisch in Oekraïne een nieuwe fase ingaat' (bron).
Mooi rijtje.

Uit mijn hoofd:
Servokroatisch gold vroeger als één taal, nu hebben we formeel Servisch en Kroatisch. Grootste verschil: de Serven schrijven met Cyrillische letters, de Kroaten met Latijnse letters.
De Catalanen halen regelmatig de pers met taalruzies, doordat de Catalaanse nationalisten bij eventuele afscheiding van Spanje en ook al voordien het Catalaans als enige voertaal zouden willen invoeren.
Iets dergelijks geldt voor het Galicisch in Noord-Spanje en zonder serieuze afscheidingskrampen ook voor het Occitaans in Noordwest-Italië en Zuid-Frankrijk en het Nynorsk in Noord-Noorwegen.
Ook het handjevol mensen dat Gaelic of Welsh spreekt is er in geslaagd een soort formele status voor hun taal te bereiken, waarbij vooral de Ieren (Gaelic) er natuurlijk een fijne portie nationalisme bij mengen.
Mensen die Oekraïens of Russisch spreken kunnen elkaar goed verstaan en kunnen elkaars taal zonder moeite (dus zonder vertaling) lezen. Kleine moeite om ze alle twee tot officiële voertaal in Oekraïne te verklaren. Maar helaas...

Vlamingen spreken steeds slechter Frans, toch een van de twee of drie officiële voertalen van België. (De derde is Duits, vanwege de drie Oostcantons.) Nederlandse jongeren spreken slechts zelden meer dan één buitenlandse taal en dat is dan doorgaans Engels.
In het algemeen beheersen Europese jongeren weinig andere talen dan hun moerstaal en het Engels dat ze per media krijgen toegediend, waardoor er soms met een vreemd soort Amerikaans accent wordt gesproken. Er is mede daardoor een soort Koeterengels (à la koeterwaals) ontstaan, of noem het Europees Engels, dat nogal verschilt van het Engels dat in Groot-Brittannië wordt gesproken.

Een Europese taal is onmogelijk, maar hoe slechter de kennis van andere talen dan je moerstaal, hoe minder eenheid in die Unie.
Bestuurders van de Europese Unie erkennen dat. Er is zelfs een tijdje een taalcommissaris geweest en er is zoiets als een taalbeleid.
'In 2012 presenteerde de Commissie de mededeling 'Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten', waarin twee uitgangspunten zijn geïntroduceerd:
1. In 2020 moet minstens de helft van de 15-jarigen in staat moeten zijn tot het voeren van een simpel gesprek in hun eerste vreemde taal.
2. In 2020 moet minstens driekwart van de leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs ten minste twee vreemde talen leren.' (Bron en zie ook Onze taal.)

Het lijkt me een bescheiden doelstelling. Ze zouden er goed aan doen het onderwijs in drie talen (Duits, Engels en Frans) in alle aangesloten landen te bevorderen. Niks kiezen: gewoon alle drie, met een vierde taal als keuzevak. (Arabisch, Chinees, Italiaans, Pools, Russisch, Spaans, ....) En uiteraard degelijk onderwijs in eigen taal.
Verder is de erkenning van 'regionale talen' (Nedersaksisch, Limburgs, zie ook hier) mooi, maar steek er vooral geen subsidie in.
En wat in ieder geval niet helpt is het verbieden van woorden of hele talen, zoals sommige nationalistisch angehauchte regeringen voorstaan en voorstonden. Gelukkig is dat niet zo makkelijk als die regeerders denken. (Zie coñac onder Franco.)


woensdag 24 mei 2017

Het model Krikhaar-Ros

Op 7 april vond in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, ergens op een bovenzaal, de jaarlijkse studiemiddag plaats van IBBY-Nederland.
IBBY staat voor International Board on Books for Young people, een organisatie met 74 nationale secties, zoals IBBY-Nederland (ook op Facebook).
Van IBBY kun je niet individueel lid zijn, van (stichting) IBBY-Nederland kun je begunstiger ofwel IBBY-vriend worden, voor minimaal € 20,- per jaar.

Die middagen zijn een poging om onderzoekers met elkaar in contact te brengen en de gelegenheid te geven om belangstellenden in te lichten over hun bezigheden.

Ik heb niet geteld, maar de zaal was redelijk vol en ik schat dat er ruim honderd aanwezigen waren.
Zij hoorden
- Monica Soeting over haar werk aan de biografie van Cissy van Marxveldt. Ze promoveerde op 23 januari met deze biografie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Het boek verscheen bij Atlas Contact. En als ik er iets van heb opgestoken is het dat Cissy ofwel Setske de Haan een regelrechte snob was.
Monica Soeting in actie.
- Frauke Pauwels over het beeld van exacte wetenschappen in jeugdliteratuur.
- Ellis van Miert over vrouwen en hun relaties in fantasy-verhalen voor jongeren (young adult fantasy). Zij haalde aan de Universiteit van Gent in 2016 haar master met From Verses to Epics. How Madeline Miller's "The Song of Achilles" and Margaret Atwood's "The Penelopiad" Challenge the Forms of Hegemonic Masculinity Found(ed) in Homer's Epics, maar wist evengoed over vrouwenrollen in fantasy wel iets te vertellen.

Ellis van Miert aan het woord.

- Sanne Parlevliet over het beeld van Nederland en de Nederlandse identiteit in jeugdliteratuur van 1848 tot 2010. Gezien het hedendaagse gedoe rond identiteit (ik citeer graag Maxima: 'dé Nederlander bestaat niet', o jee, wat kreeg ze over zich heen) kan dit een interessant onderzoek worden.
- Bea Ros over 'het model Krikhaar-Ros op de schop'. Ook fijn. Bea Ros publiceerde in 1986 samen met Margot Krikhaar Een spannend boek. Warm aanbevolen!, een doctoraalstudie naar recensies van jeugdliteratuur tussen 1965-1984, waarbij ze en passant ook een soort beoordelingsschema maakten.
Dat onderzoek is ze nu aan het overdoen, met een breder corpus aan recensies en versere achtergrondliteratuur. En uiteraard gaat ook dat beoordelingsschema op de schop.

Bea Ros.


De opzet van die middagen is zo dat elke spreker een referent krijgt toegewezen, die start met vragen. Vervolgens kunnen anderen vragen stellen. En Helma van Lierop-Debrauwer (hoogleraar in Tilburg en voorzitter van IBBY-Nederland) fungeerde als gastvrouw, bijgestaan door de immer actieve secretaris Toin Duijx.
Dat werkt goed. Zo krijgt iedere spreker in elk geval enkele relevante vragen ter beantwoording voorgelegd.
En dan is er nog de afsluitende borrel voor de onderlinge contacten e.d.

Een aangename en nuttige middag.