Zoeken in deze blog

vrijdag 26 november 2021

De oogjes van Zommer

Oef. Vraag ik eens argeloos een boek aan van een mij onbekende auteur, blijkt dat er al tientallen boeken van hem in museum- en gewone boekwinkels liggen en zelfs al op Marktplaats en bij De Slegte worden aangeboden.
Allemaal opgezet volgens hetzelfde stramien en in dezelfde stijl, grote prentenboeken vol weetjes bij vriendelijke, redelijk stijlvolle maar weinig documentaire plaatjes.
Voortaan toch iets beter rondkijken...
In mijn geval ging het om Het schitterende samen boek van Yuval Zommer. De man met deze mooie on-Engelse naam woont al sinds jaar en dag in Londen, bezocht daar o.a. de kunstacademie en werkte (het verrast me niet) lang in de reclamewereld. Hij wist fortuin te maken met de reeks The Big Book of..., waarvan The Big Book of Belonging er een is en dat is de oorspronkelijke titel, zonder spelfout. (Want, uitgever, wat is toch in vredesnaam een samen boek?)

Het boek ziet er lief uit en dat zal wellicht menig cadeau-zoekend volwassene tot aanschaf hebben verleid. Het is lekker groot - te groot om bladzijden te scannen. Excuses voor het schaarse beeld bij deze bespreking.

De goede bedoeling spat ook van de bladzijden, neem alleen al het voorwoord van Yuval Zommer:  

In Het Schitterende Samen Boek vier ik op mijn manier hoe de mens en de natuur op de meest bijzondere wijze verbonden zijn.
 
Van de lucht die we inademen tot het eten dat we krijgen, van de avonturen die we beleven tot het plezier dat we ervaren, alles heeft tot in het diepst van ons wezen te maken met onze band met de natuur.
En hoe meer we die band weer versterken, hoe beter we onszelf leren kennen.

Hallo? Ben je er nog? Hooggestemde woorden. Het gaat nog even zo door:

Ik draag dit boek op aan alle kinderen die graag in bomen klimmen, op blote voeten buiten rennen, in plassen springen, naar beestjes zoeken, met de vogels mee zingen, sneeuwvlokken proeven en sterren tellen.

Want we horen allemaal bij de natuur en de natuur hoort bij ons allemaal.

Zou wel eens willen weten hoeveel kinderen zich aangesproken voelen. Er zijn niet veel kinderen meer die doen wat hierboven staat, maar misschien best nog wel wat kinderen die dat graag zouden willen doen en zich aangesproken voelen zodra ze het lezen. Hoewel met de vogels mee zingen en sterren tellen wellicht wat hoog gegrepen is. Er zijn wellicht nóg meer ouders die hierin een wensbeeld herkennen...

Links en onder de tekst staat een lievige illustratie van een zeer donkerhuidig meisje dat rechts omhoog kijkt, misschien naar die witte vogels die wegvliegen. Er rust ook nog een vogel op haar arm. Een vogel met oogjes, tja, geen Disney-ogen maar het heeft er iets van weg. 



Veel beesten in dit boek hebben zulke ogen, laat ik ze Zommer-ogen noemen, ere wie ere toekomt. 
Ze geven de beesten iets menselijks. Natuurlijk is het niet en hier kan ik alvast vooruitlopen op de conclusie dat de platen in dit boek sowieso weinig met natuur te maken hebben en veel met decoratie en bloemetjesbehang. (Er kwam een associatie boven met de kalenders van Marjolein Bastin en de krant van 25-11-2021 leverde een onverwachte associatie met de gewilde prenten van Ayako Rokkaku.)

Linksonder tegenover Zommers inleiding staat


Dat is leuk en zal kinderen meteen aanspreken. Zoeken naar voetstappen, een speurtocht in een boek, en 'pas op voor bedriegers'.

Hierop volgt de inhoudsopgave, compleet met register.

 


Dat register beslaat twee pagina's en zo'n tachtig zoektermen. Het lijkt wel een echt naslagboek. Het moeilijkste woord is koolstofdioxide (want roodstuithoningvogel is heus niet moeilijk) en dat verwijst naar p. 38 en 39.
Alleen vinden we daar niet wat koolstofdioxide is. We ademen het uit, planten zetten het om in zuurstof, dat komen we te weten, maar niet wát het is, noch wat zuurstof is.
Serotonine staat niet in het register, maar zit onder 'Modderbad' op p. 25, zo:

Je kunt vrolijk worden van in de modder wroeten.
Als we door de aarde woelen, komen er bacteriën los die we inademen. Door deze kleine bacteriën (microben) maakt ons lichaam meer serotonine aan, waardoor we ons goed voelen.



Bacteriën en microben staan ook niet in het register. En zijn er bacteriën en kleine bacteriën (microben) of zijn alle bacteriën klein? We moeten heel leesvaardig zijn, bijna van volwassen en doorgeleerd niveau, om deze alinea te begrijpen. Kinderen van ongeveer de leeftijd van de afgebeelde kinderen (pakweg 10 à 12 jaar) zullen het er moeilijk mee hebben.
Bijna zou ik tot de slotsom komen dat de tekst eigenlijk voor volwassenen bedoeld is, bijvoorbeeld de (groot)ouders die een cadeau voor hun kind zoeken.
Maar veel weetjes hebben een rechttoerechtaan-tekst die tienjarigen heel goed snappen. Zoals over de coyote in 'Vrolijk voedsel verzamelen' op p. 33.

Niet kieskeurig
Een coyote eet bijna alles. Hij vangt konijnen, kikkers, insecten en soms zelfs slangen, maar hij eet ook fruit en gras.

Nou, dat weten we dan weer. De coyote bevindt zich in dit tweepagina-hoofdstukje in gezelschap van de Amerikaanse oehoe, gestreepte eekhoorns en boshuppelmuizen... ofwel, een Noordamerikaans hoofdstukje.
Geeft niets, jammer dat het er niet bij staat, zoals ook over de witkapbijeneters, olifanten en leeuwen op p. 18-19 ('Familiezaken') niet wordt vermeld waar ze leven, of moeten we aannemen dat de vermelding van Afrikaanse wilde honden daar genoeg is om ervan uit te gaan dat die andere beesten ook in Afrika leven?

Waarom valt je haar uit? (P. 28, 'In de rui'.) Als je 't mij zou vragen is daarvoor geen reden. Een ouderwetse gelovige zou misschien antwoorden dat zijn of haar god dat zo bedacht heeft.
Maar waardóór valt je haar uit? Wat is de oorzaak? 

Soms laten er haren los als je ze borstelt. Dat komt omdat we oude haren verliezen zodat er in de zomer en de winter nieuwe haren kunnen groeien.

Dat is natuurlijk flauwekul. Waarom moeten er zo nodig nieuwe haren komen? Sterker nog, haren vallen juist uit doordat eronder nieuwe haren groeien, het is dus net omgekeerd, de nieuwe haren duwen de oude eruit.
Het is een gaaf voorbeeld van een variant op intentional fallacy, het idee dat alles in de natuur een bedoeling heeft. Dit boek zit er helaas vol van. 
Soms is dat niet zo duidelijk en lijkt het er meer op dat de auteur (of de vertaler!) geen notie heeft van het verschil tussen oorzaak en reden. Zie bijvoorbeeld p. 42, 'De wereld draait door'.

Is het overal koud in december?
Omdat de aarde draait terwijl hij om de zon cirkelt, zijn de omstandigheden overal op aarde anders. Als een vriend aan de andere kant van de wereld woont dan jij, kunnen de tijd, het weer en zelfs het seizoen bij hem anders zijn dan bij jou.

Dat komt natuurlijk doordat de aarde draait, maar velen staren je glazig aan als je het gaat hebben over het verschil tussen waarom en hoe. 'De andere kant van de wereld woont dan jij': dat is een redactiefoutje.

Dat idee dat alles in de natuur een bedoeling heeft, is waarschijnlijk voor velen erg geruststellend. Want als niets een bedoeling heeft, is alles min of meer per ongeluk ontstaan, in een lange en voor ons niet te overziene keten van oorzaken en toevalligheden. Wij zijn, om de auteur en tv-maker Wim Kayser aan te halen, een schitterend ongeluk. Voor velen moeilijk te verteren, dus als je je boeken goed wil verkopen, is zo'n bedoeling behulpzaam.



Intussen biedt het boek, binnen die geruststellende, lieve bloemen- en beestenkransjes een lange reeks weetjes die nogal lukraak gekozen lijkt, met tekst waarvoor je een behoorlijke leeservaring moet hebben. Dat strookt naar mijn idee niet echt met de illustratiestijl en wat meer is, de afgebeelde, wat verwonderd om zich heen kijkende kinderen (met vele tinten huid, heel inclusief) dienen naar mijn indruk meer de volwassen lezer tot vertedering te brengen dan de pakweg 10- à 12-jarige kinderen voor wie het boek bedoeld lijkt.
En kennelijk werkt die formule! Ik blijf in verwondering achter.


Zommer, Yval. Het schitterende samen boek. Lemniscaat,  2021. ISBN 978 90 477 1345 6. 64 p.

maandag 22 november 2021

Briefjes voor Pelle

Zoals altijd wanneer een jong persoon verteller is, vergt het enige suspense of disbelief en goede wil om te aanvaarden dat de hoofdpersoon zo welbespraakt is en haar of (zoals in dit geval) zijn woorden zo vaardig weet te kiezen. De verteller moet de lezer als het ware overtuigen.

De twaalfjarige Pelle (en dus zijn schepper Marlies Slegers) slaagt daarin. Ik gaf me als lezer gauw gewonnen. Pelle’s stijl en woordkeuze komen overeen met zijn karakter (zoals dat blijkt uit wat hij vertelt) en met zijn leeftijd, en hij blijkt een rake observator met een droogkomisch soort humor.
Het is verleidelijk om heel veel te citeren – en dat is een compliment.

De opbouw is met zorg gedaan. De eerste vier zinnen bieden meteen de hoofdzaak:

Hoi Pelle.

Dit zijn de eerste woorden die mijn dode vader aan mij schrijft. Het is een briefje waar een 1 op staat.
Mensen gaan nu eenmaal dood en mijn vader is daar geen uitzondering op. Een jaar geleden stierf hij.


De eerste vijf bladzijden brengen het verhaal op gang en geven ons al een goede indruk van hoe Pelle en zijn moeder (‘mam’) er aan toe zijn. De eerste dertig bladzijden voldoen om ons een completer beeld te geven, de overige tweehonderd bladzijden bieden de ontwikkeling en de verrassende apotheose.
Niet alleen het verhaal ontwikkelt zich in die zin dat de ene gebeurtenis logisch op de andere volgt, ook de hoofdpersonen maken een mentale ontwikkeling door, in de eerste plaats verteller Pelle. Daardoor zit er diepte in het verhaal.

Die eerste twee zinnen worden gevolgd door een lange alinea die zeer kenmerkend is voor Pelle, die namelijk houvast zoekt bij feiten en weetjes.

Ik citeer de eerste zinnen van die lange alinea:

Sommige mensen gaan dood door een verkeersongeluk. Anderen zijn al dood voordat ze geboren worden. En weer andere mensen – maar dat zijn er niet veel – sterven pas na hun honderdste verjaardag. In Brazilië is laatst zelfs een man gevonden die 131 jaar oud zou zijn (en hij leefde nog)! Sommige mensen gaan dood van de honger en andere omdat ze te veel eten. Er zijn doden waar iedereen over praat. Die komen dan in de kranten en op de televisie. Dan weet de hele wereld dat ze dood zijn. Dat zijn vaak popsterren of presidenten of helden.

En zo nog een heel eind verder. Het tekent Pelle als een waarnemer en dat brengt hem ook tot rake zinnen als deze:

Mijn vader kromp gewoon langzaam en hij weigerde dat te accepteren. Er was steeds minder papa. Waar de rest van hem bleef, begreep ik niet zo. Hij was mager aan het worden. Dat zag je aan zijn hand bijvoorbeeld. Zijn trouwring was verhuisd van zijn ringvinger naar zijn middelvinger, en uiteindelijk naar zijn duim, die net wat vleziger was.

Bijzonder origineel is de rode draad: die doos met briefjes. Het zijn zestien genummerde briefjes en hij zou er iedere week een moeten lezen, in volgorde. (Wat hij doorgaans ook doet.) Alle overige verwikkelingen komen hieruit voort of hangen ermee samen. Alleen al de passage waarin mam Pelle die doos geeft (zoals van pap moest een jaar na zijn dood) en die ruim vijf bladzijden in beslag neemt (p.15-20) is meesterlijk. Ruim vijf bladzijden, en dat is niet te lang!

Eén briefje bijvoorbeeld leidt hem naar een oude man, want daar zou een kistje zijn voor Pelle. Die oude, vrijwel blinde man blijkt zijn voor dood verklaarde grootvader. Voor dood (én held) verklaard door pap, die van dat verhaal toch een beetje spijt had en zijn zoon zo de mogelijkheid bood alsnog kennis te maken met zijn opa. In dat kistje blijkt overigens oud speelgoed van pap te zitten.

Een ander briefje geeft opdracht tot het afbouwen van de boomhut die Pelle en pap samen begonnen te bouwen. Daarvoor zouden een soort schroeven nodig zijn die pap in zijn briefje zwaankopschroeven noemt. Hij gaat naar een ijzerwarenwinkel om die te kopen, maar deze schroeven kent verkoper Jack niet – en de lezer die nieuwsgierig op internet zoekt zal verwezen worden naar dit verhaal. Jack biedt wel aan om mee te helpen die boomhut af te bouwen en blijkt het goed met mam te kunnen vinden. Relatie in zicht – na dit verhaal dan, in de verbeelding van lezers.
En aanvankelijk heeft Pelle wat moeite met die nieuwe man zo dichtbij. Wat leidt tot mooie passages als deze:

Ik snuif de geur van kaneel en karamel op als we de keuken in lopen. Heel even ben ik terug naar de zondagen VDD. Gek dat geuren zoiets met je kunnen doen. De geur van witte lelies doet me altijd denken aan de kist van papa, en de geur van vuur doet me denken aan de kampvuurtjes met hem tijdens lange zomeravonden.
Jack wast zijn handen en wil aan de keukentafel plaatsnemen. Maar voordat hij kan gaan zitten, laat ik me op de blauwe stoel zakken. Mam kijkt verrast, maar gaat dan verder met het zoeken naar kopjes en schoteltjes.


Voor de begrijpelijkheid: VDD staat voor Voor De Dood en op de blauwe stoel zat doorgaans pap. Oedipus steekt hier zijn hoofd om de hoek. Later komt het wel goed met Pelle en Jack.

Briefje nummer 9 wordt ontvreemd door klasgenoot Stomp, die zo wordt genoemd omdat hij iedereen altijd een plagerige stomp geeft maar eigenlijk Karl heet, en naar Pelle’s huis wordt meegetroond door vriendinnetje Eva, die Stomp een tijdje erg leuk vindt, wat een even tijdelijke verwijdering oplevert tussen Pelle en Eva. Stomp heeft nogal dominante trekjes en neiging tot pesten, waarvan de verlegen Pelle uiteraard vaak slachtoffer is, ook doordat hij in moeilijke situaties gaat stotteren. Maar op een bepaald moment neemt Pelle het getreiter niet meer en geeft Stomp ‘een kopstoot’ (p. 78), die Stomp een gebroken neus oplevert.
Zo’n vechtpartij zegt iets over de ontwikkeling van Pelle, wiens zelfvertrouwen en zelfstandigheid door al die briefjes met opdrachten groeit. Nog een voorbeeld: ‘ga winkelen en koop een leuke jurk voor mama. Neem mama daarna mee uit eten’ – wat ook weer tot allerlei verrassende wendingen leidt, want in plaats van samen met mam koopt hij een jurk met buurmeisje Bloem en die jat de jurk uit de winkel. Dat komt natuurlijk een keer uit en Pelle gaat de jurk terugbrengen. Zijn verhaal brengt de verkoopster juist nader tot mam, want zij blijkt een dochter te hebben verloren en is begaan met Pelle en zijn moeder.
Uit eten met mam doet hij overigens wel – in het BurgerPaleis (p. 105).

Mam kijkt verwonderd rond terwijl we gaan zitten. Ik zie nu pas dat ze te chic gekleed is voor het Burgerpaleis, maar ik wist niets anders te verzinnen. Ik wil;de niet naar het Italiaanse restaurant waar we de laatste keer met pap heen gingen. En op het Burgerpaleis na wist ik geen restaurants.

Pelle overwint zelfs zijn vrees voor de komende verplichting een rol te moeten spelen in het toneelstuk op school (nota bene samen met die Stomp), met Eva komt het ook weer goed, hij beleeft zijn eerste seksuele ervaringen met haar (maar eerder met Bloem) en met mam kan hij steeds beter overweg.

De apotheose is dat op een feestelijke avond, waarop hij met mam en Jack uit eten is, hun huis afbrandt. Gelukkig zijn ze goed verzekerd (dat had pap geregeld), wordt de hond gered en hoeft hij doordat hij bij die reddingspoging zijn hand heeft verbrand ook nog eens niet aan te treden in dat toneelstuk. Het huis zal worden herbouwd.
Hond? Wat er op het ontvreemde briefje nummer 9 stond, dat weet Pelle natuurlijk niet, dus verzint Eva dat daarop stond dat hij in het asiel een hond mag uitkiezen – iets wat Pelle altijd graag had gewild. Aldus geschiedt. Later blijkt natuurlijk al gauw dat zijn moeder wel doorhad dat het zogenaamde briefje nep was (want heel ander handschrift), maar dat ze het haar zoon gewoon gunde en dus deed alsof.
Het verhaal eindigt met de laatste brief, nummer 16. Een lange, ontroerende brief, die vijf bladzijden beslaat.
Intussen heeft Pelle meer zelfvertrouwen gekregen, en kan hij beter met andere mensen omgaan. Dat wordt gelukkig niet benoemd, de lezer merkt het vanzelf.
Er zijn veel literaire vondsten die ik hierboven niet heb aangestipt, zoals de boktor die volgens Jack het hout van hun huis aantast en later aldus terugkeert (p. 225):

We rijden de straat in en ik hou mijn adem in als ik ons afgebrande huis zie.
‘Het spijt me…’ mompel ik.
‘Het is niet jouw schuld, Pelle. Dat van dat strijkijzer… Het was een ongeluk. Het was een oud ding dat ik al veel eerder had moeten vervangen.’ Mam zet de auto stil en ik kijk naar mijn brandwond. Het velletje is helemaal roze onder de doorzichtige pleister.
Ze stapt uit en ik volg haar voorbeeld. Mijn hart gaat enorm tekeer en ik heb een brok in mijn keel.
Zwijgend staan we naast elkaar naar het huis te kijken.
‘We hebben in elk geval geen boktor meer,’ zeg ik.
‘Nee.’ Mam grijnst een beetje. ‘De boktor is uit ons leven verdwenen.’


Deze passage toont een liefhebbende moeder maar stilistisch ook de moeilijke kantjes van Pelle als verteller. Die noodzaken hem immers tot het inlassen van beschrijvende zinnetjes als ‘Ze stapt uit en ik volg haar voorbeeld. Mijn hart gaat enorm tekeer en ik heb een brok in mijn keel.’ Dit soort reporter-zinnetjes past beter bij een verteller op iets meer afstand. Zie het begin van deze beoordeling. Maar nogmaals, als de lezer hier eenmaal is beland, zal hij zich hieraan niet meer storen.

Briefjes voor Pelle is een mooi, levendig verhaal vol rake observaties, onderhoudend, ontroerend en met diepgang. Niet het meesterwerk dat ver uitstijgt boven het gemiddelde corpus jeugdliteratuur, maar auteur Marlies Slegers stijgt hiermee zeker wél uit boven het gemiddelde niveau van haar werk.
 
 
Slegers, Marlies. Briefjes voor Pelle. Luitingh-Sijthoff, 2020. ISBN 978 90  245 8994 4, 232 p.

donderdag 18 november 2021

Ive en Evi

Tiener Ive gaat met tegenzin met haar ouders op vakantie naar een Waddeneiland. 
Op weg naar de veerboot met haar vader (moeder komt een dag later) in zijn oude auto vindt een verkeersongeluk plaats, waarbij ze door de voorruit op de motorkap belandt. Dat levert haar een hersenschudding op en een gezicht vol wondjes door het versplinterde glas en (blijkt later) een splinter in haar linkeroog.
Op het eiland blijkt dat haar vader en moeder onderling het een en ander uit te zoeken hebben en dat zit Ive dwars, net als de gevolgen van het ongeluk. Een op raadselachtig wijze verschijnende en verdwijnende, zeer onafhankelijke vriendin Evi neemt haar onder de hoede en stelt haar voor uitdagingen (‘truth or dare’).

Zoals altijd wanneer een auteur besluit dat de hoofdpersoon de verteller van het verhaal is, vergt het enige suspense of disbelief en goede wil om te aanvaarden dat die hoofdpersoon zo welbespraakt is en haar woorden zo vaardig weet te kiezen. Daarbij helpt dat veel auteurs dit procédé gebruiken. We zijn er als lezer aan gewend, aan ‘ik-verhalen’, zoals veel recensenten ze noemen.
Anne van Praag doet dat regelmatig en heeft met haar veertienjarige Ive in Noorderlicht weer zo’n verteller geschapen. Ik gaf me als lezer wel gewonnen, ook al is Ive’s vertelstijl niet geheel conform de gemiddelde spreektrant van een veertienjarig meisje dat vooral houdt van voetbal en erg bezig is met wat anderen van haar vinden. Er zit gelukkig weinig jongerentaal in, ondanks een enkel zinnetje als (p. 22)

Die klap fuckt met mijn hersenen, dat is wel duidelijk.

Of uithalen als deze, één bladzijde verder:

O nee, het is de Uniheks, is ze ons gevolgd? Mama heeft gelijk, dat wijf is echt overal.

Maar dan volgt:

Maar nee, deze Uniheks werkt bij de VVV, het kantoor dat op het eiland volgens mijn vader ‘alles maar dan ook alles’ regelt voor toeristen. De vrouw heeft net zo’n gepoederd huidje en perfecte make-up als de echte Uniheks. Net zulk steil haar ook.

Geen tienertaal, wel soepel geformuleerd, maar zo’n toevoeging over ‘het kantoor’ is duidelijk bedoeld als extra uitleg voor lezers. Zoiets strookt niet met de aard van de verteller, maar hier kan het want het preludeert op volgende observaties over deze ‘Uniheks de Tweede’ en haar vader.
Die soepele formulering geldt de hele roman. Het mag dan niet de typische stijl zijn van een veertienjarig meisje, het laar zich wel lekker vlot lezen en haar perspectief wordt consequent volgehouden.
Ik zal het citaat van hierboven nog even vervolgen om daarvan een staaltje te tonen:

‘Een vader en een dochter, dat kan niet missen.’ Uniheks de Tweede gaat tussen mij en mijn vader in staan. ‘Hoi, ik ben Maud.’
Ik knipper met mijn ogen, weinig licht daar op die kade.
‘Wat fijn dat je er bent, Maud,’ slijmt mijn vader.
‘Natuurlijk, joh. Wast zullen jullie geschrokken zijn.’ Maud gluurt naar al mijn pleisters. ‘Gaat het met al die tassen? Mijn auto staat daar.’


In dat perspectief gaat het dus verder. Heel consequent en het maakt vereenzelviging met de verteller makkelijk, maar het ontneemt ons helaas de mogelijkheid om meer te horen over de innerlijke roerselen van vader en moeder dan wat uit de observaties van Ive moet blijken. 
Heel veel oog heeft die daar niet voor, hetgeen past bij een gemiddeld veertienjarig meisje. Wel heeft Ive pijlsnel door dat die Maud haar papa wel érg aardig lijkt te vinden – en ze blijkt ook nog eens een vrouw alleen, zij het met kinderen. Net een scheiding achter de rug…
Dit soort geflirt van papa en mama met anderen dan elkaar, dat kan Ive slecht hebben.
Uniheks, overigens, is de benaming door haar moeder van papa’s secretaresse op de universiteit.

Sowieso is scheiding een thema, want het botert niet tussen papa en mama. Deze vakantie in een huisje op een Waddeneiland (welk wordt niet genoemd) is zíjn idee, mama komt een dag later omdat ze nog iets te doen heeft in het hondenasiel, en eigenlijk komt ze vooral om haar oude vriendin Clara te zien, die op het eiland een manege heeft, en zorg voor paarden combineert met zorg voor verstandelijk gehandicapte kinderen. Mama blijkt zich zeer hier zeer op haar plaats te voelen. Papa en mama gaan hun eigen gang, vooral mama, en Ive tracht ze zonder succes tot elkaar te brengen. Hoe zorgzaam papa ook is, ze moet zich vooral zelf vermaken en dat valt niet mee. Het regent continu, het ietwat aftandse huisje ligt afgelegen.
Ze heeft echter Evi ontmoet, heel raadselachtig want die dook op pal na het ongeluk, terwijl ze nog bij lag te komen op de motorkap. Evi komt haar vaag bekend voor, maar ze weet niet hoe & wat. Een bleek, zwartharig, sportief meisje, dat zegt in haar eentje in de jeugdherberg te wonen, graag rent en zwemt, ook paard kan rijden, ja, ze kan eigenlijk alles, moeiteloos en heel zelfstandig. Met haar doet ze ‘truth or dare’-spelletjes, waarbij Evi altijd voor dare kiest.
In de apotheose verdwijnt Evi op even raadselachtige wijze. Dat verdient toelichting.

Maar eerst die apotheose.
Daar wordt op behoorlijke wijze naartoe gewerkt. De opbouw van dit verhaal is in orde.
Tot het programma hoort wadlopen, op de laatste vakantiedag, en papa heeft een verrassing. Dat wadlopen vindt ‘s avonds plaats, met een heldere sterrenhemel, en papa heeft uitgedokterd dat er dan ook kans is op noorderlicht. Als dat uitkomt is Ive aanvankelijk boos, want haar was ooit een reis naar Lapland beloofd om dat noorderlicht te zien. Ze trekt zich terug en laat zich door Evi meevoeren en bijna overhalen door een geul naar een andere zandbank te lopen. Als het water wel erg hoog komt, wordt ze bang, ze wil terug. Evi laat haar in de steek en zwemt verder. Ive ploetert door het water terug en wordt gered doordat men haar met een bootje is gaan zoeken.
In detail gaat dat zo dat ze eerst het bootje hoort en de stem van excursieleider Stanley die roept dat ze nog even een omweg moeten maken om bij haar te komen. Dan gaat Ive bijna kopje onder en

Mijn hele lichaam bibbert en mijn oog doet gloeiend veel pijn, ik zie ineens weer overal lichtflitsen. Of is het toch het noorderlicht? Laserstralen die over me heen schieten, een lucht die alle kleuren heeft behalve die hij moet zijn: zwart. Ik kijk nog één keer naar het bootje en het lijkt alsof er zich een schim van losmaakt. Het volgende dat ik zie is dat het bootje oplost in het donker.
‘Hallo Ive,’ zegt Evi.
Ik weet dat ik niet moet dromen nu, dat ik moet blijven watertrappelen, mezelf helpen met filmpjes in mijn hoofd. Het is het een of het ander: anders zink ik. Maar Evi staat ineens zo mooi in het midden van het Noorderlicht. Haar haar is niet meer zwartgeverfd, juist spierwit als een interessante pruik. Het past mooi bij het wit van haar huid, en haar ogen… ‘Daar ben ik weer, Ive, ik zei het toch? Als je me nodig hebt, dan ben ik er gewoon.’Evi heeft ineens ook witte kleren aan, net als de sneeuwkoningin, maar dan jong en onweerstaanbaar. Achter Evi wervelt de lucht in de meest prachtige kleuren als een omgevallen verfdoos. Alles tinkelt en tovert, het lijkt op vloeibare muziek, als zoiets kan.
Evi lacht om die gedachte met haar allerzachtste gezicht. Haar ogen zijn dus tunnels, je zou erin kunnen verdwijnen, niets dan licht en lucht. Ik strek mijn hand uit.
En het is licht en lucht. Inderdaad. Het besef is er onmiddellijk: niets dan licht en lucht, mijn hand gaat er dwars doorheen. Met een klap terug in het ijskoude water en mijn oog prikt erger dan ooit.


Dan duikt ineens papa op. Die neemt haar de laatste meters op zijn rug. En dan is ze gered en komen ze gedrieën bij in het huisje, dekens om zich heen, en op een bepaald moment moet ze zo hard huilen dat de splinter uit haar oog schiet.
Eind goed al goed, papa en mama vinden een manier om zonder ruzie hun leven in te richten met plaats voor Ive.

De raadselachtige vriendin Evi: draai de letters om en er staat Ive. Het blijft onbenoemd in het verhaal, er is bij vertrek zelfs nog een kiter (met knalgeel haar) die naar haar zwaait en Ive denkt (p. 186, vijfde alinea voor het eind) dat ‘ze haar vast nog wel eens gaat tegenkomen, zoals dat gaat met goede vrienden’, maar voor de aandachtige lezer kan ze een soort alter ego zijn van Ive, de kant van Evi die haar ertoe zet om haar grenzen te verkennen.
Dat is een verteltruc die hier goed werkt en Ive’s tweestrijd beter uitbeeldt dan wanneer ze het als verteller zelf onder woorden had moeten brengen. Het verhaal krijgt er iets verrassends door. Anderzijds is Evi’s optreden in deze cruciale scène tweeslachtig: lokt ze Ive de dood in? Of wekt ze op tot actie? Wat bedoelt ze met ‘Als je me nodig hebt, dan ben ik er gewoon’?

Dat laatste citaat toont ook de zwakke kant van deze vorm van vertellen. Ive ligt in paniek in het koude water en is toch in staat om dat als een verslaggever allemaal weer te geven, inclusief beeldspraak en associaties (laserstralen, interessante pruik, sneeuwkoningin, omgevallen verfdoos, vloeibare muziek, ‘als zoiets kan’, ogen als tunnels). Dat vergt wel véél suspense of disbelief… Eigenlijk moet je op zo’n moment vergeten dat het verhaal verteld wordt en het als in een film voor ogen zien.
Film is trouwens een subthema in het verhaal. Ive vertelt in het begin dat ze vaak ‘filmpjes’ ziet in haar hoofd en heeft als project voor school besloten een film te maken over haar vader en zijn werk, en op p. 179 memoreert ze:

Als er die nacht een filmploeg met een drone in de buurt zou zijn geweest, hadden ze mooie shots kunnen maken vanuit de maanloze lucht.

[…]

Daar waar de weg ophoudt staat nog één allerlaatste huisje en daarbinnen brandt wel degelijk licht.

[…

Het meisje heeft iets op het puntje van haar vinder: het is heel klein, maar het glinstert opvallend fel in de oplichtende gloed van het vuur. Zij en haar ouders kijken ernaar, brengen het dicht bij hun gezicht alsof het een kostbare diamant is. Ze schudden hun hoofden, lachen een beetje. En dan ineens, alsof ze er alweer genoeg van heeft, schiet het meisje het fonkelende dingetje weg, paf, zo in de haard voor zich waarin de vlammen nog steeds hoog oplaaien.

Het lijkt wel alsof de auteur hier een hulpmiddel heeft toegepast omdat ze er niet op vertrouwt dat haar verteller dit ook zonder dit filmbeeld levendig genoeg had kunnen vertellen. Dramatisch slotbeeld!
Alleen is het geen slotbeeld, want er volgt nog een laatste hoofdstuk om mogelijke ‘en toen, en toen’-vragen van lezers tegemoet te komen, ik noem het maar het eind-goed-al-goed-hoofdstuk. Voor veel jonge lezers wellicht bevredigend, maar verhaaltechnisch minder sterk.

Noorderlicht is door zulke zwakke puntjes niet het meesterwerk dat ver uitstijgt boven het gemiddelde corpus jeugdliteratuur, maar wel degelijk vakwerk, dat het predicaat goede (jeugd)literatuur mag krijgen.
 
 
Praag, Anna van. Noorderlicht. Lemniscaat, 2021. ISBN 978 90 477 1253 4, 188 p.

dinsdag 16 november 2021

Wat is het verschil tussen een gedicht en een liedtekst? Kort door de bocht: dat het gedicht niet op muziek is gezet. In Haren vol banaan van Erik van Os (ondertitel: Vieze liedjes & stoute versjes) is geen duidelijk verschil tussen liedteksten en gedichten te bespeuren, hooguit zijn die eerste gemiddeld langer.
Neem bijvoorbeeld een gedicht als ‘Een zusje om op te eten’, dat de titel van het boek leverde:

Mijn zusje heeft ontbeten
Ze ziet er lekker uit:

Kin vol boter
Wangen vol beschuit,
Haren vol banaan.

Ze is om op te eten.
Toch begin ik daar niet aan.


Erik van Os zou dat met zijn talent makkelijk op muziek hebben kunnen zetten. Of een andere componist.
Neem bijvoorbeeld deze tekst, die wél op muziek is gezet:

Hoe wild de wekker ook rinkelt,
Hoe klinkend de klok ook slaat,
Er gaat geen dag voorbij op school
Of ik ben weer te laat.

De juffrouw vindt dat niet zo leuk
Want vijf keer per week is het raak.
Natuurlijk heeft ze groot gelijk,
Vijf keer is te vaak.

Dus ga ik alleen nog op woensdag naar school.
De rest van de week neem ik vrij.
Zo kom ik nog maar één keer per week te laat.
Is dat niet geweldig van mij?


Deze citaten zijn ook representatief voor dat ‘vieze’ en ‘stoute. Dat valt dus nogal mee (of tegen, voor wie iets héél vies en/of stouts verwacht). 
 

 
Het is een soort vriendelijke baldadigheid die past in de traditie van Annie M.G. Schmidt en het Schrijverscollectief (incl. Willem Wilmink) en maar weinig volwassen wenkbrauwen zal doen fronsen. Heel erg ‘Annie’ is bijvoorbeeld het lied ‘Ik ben geen schattig kind’ op p. 14-15. Zeer eigen ‘ Van Os’  is bijvoorbeeld het lied ’Nakie, nakie nonsenslied’ op p. 56. Echte ‘vieze liedjes’, zoals bijvoorbeeld beschreven in Vieze liedjes uit de 17e en 18e eeuw, ingeleid door Annemieke Houben (Vantilt, 2015), of in ‘‘Uit de onderbuik. Over het scabreuze kindervers’ door Peter van den Hoven (Literatuur zonder leeftijd, jrg. 11 (1997) nr. 42, p. 213-236), zijn het niet, er zijn geen toespelingen op seksuele handelingen.
Het zijn amusante, goed bekkende teksten, met soms mooie vondsten, en de liedjes klinken prima. Daarmee hoort dit werk tot de betere poëzie voor kinderen – zonder heel erg op te vallen.
 

 
Het vriendelijk-karikaturale van de teksten wordt versterkt door de illustraties van Noëlle Smit. Stijlvast, vaardig, expressief, en aanvullend ten opzichte van de teksten, zie bijvoorbeeld p. 28 en 29 en p. 34-35. Met kleine grapjes, zoals op p. 33, waar een teckel en een stel enkels-in-schoenen figureren die met het gedicht ‘Boer en boertje niet te maken hebben.
 
 
Os, Erik van, en Noëlle Smit. Haren vol banaan, vieze liedjes & stoute versjes. Rubinstein, 2018. ISBN 978 90 476 2521 6, 61 p.




dinsdag 9 november 2021

Weetjes over dieren en mummies

Op school moet je nog wel eens een werkstuk maken. Dat was vroeger al zo, en nu nog steeds. Vroeger gaf juf of meester wat aanwijzingen, en als je geluk had beschikte de school over een goed bijgehouden documentatiecentrum.
 
Nu zijn daar diverse internetsites bijgekomen, ook voor ouders en andere begeleiders. Bijvoorbeeld:
- Een werkstuk maken in groep 6, 7, 8 (en hoe je je kind kunt helpen), vooral als je zo'n luxueuze keuken hebt, zie foto; 
- Hoe maak je een werkstuk op de basisschool? (voor ouders), met foto'tje van iets minder luxe keuken.
 
(De luxe keuken van Squla.)
 
En mocht je om onderwerpen verlegen zitten dan is daar de Internetwijzer basisonderwijs.

Vroeger was het knip- en plakwerk, met onvermijdelijk een beetje schrijven ertussen, nu gebeurt het op de al te vanzelfsprekend geachte laptop of tablet.

Kies een onderwerp dat je interesseert.  Ga daarna op zoek naar boeken over je onderwerp en gebruik leerzame sites van het internet.

Zo staat het nog ergens. Vroeger had je naast die boeken in het documentatiecentrum ook nog mappen. En nog steeds zijn er reeksen kleine dunne boekjes met wetenswaardigheden over een baaierd van onderwerpen, zie bijvoorbeeld de reeks Junior Informatie, te bestellen bij de firma die ook maar meteen het webadressen documentatiecentrum.nl en schoolsupport.nl heeft bezet. Commercieel gezien handig.

Verder had en heb je echte boeken voor kinderen over allerhande onderwerpen. In de bibliotheekwereld noemt men die informatieve boeken, een merkwaardige term want die sluit uit dat fictie, drama en poëzie informatief zou kunnen zijn. Maar de intentie is wel duidelijk.
In het Engelstalig gebied heeft men het in de libraries over nonfiction, mede dankzij Melvin Dewey, die het naar hem genoemde indelingssysteem ontwierp dat aan de basis ligt van de manier waarop in Nederland en Vlaanderen de non-fictie wordt ingedeeld volgens het Schema voor de Indeling van de Systematische catalogus in Openbare bibliotheken ofwel SISO. Deze indelingen zijn vooral praktisch bedoeld, als kastplaatsingssystemen.
In het Franstalig gebied hanteert men de term livres documentaires, ook niet onaardig, en de Duitstaligen hebben het over Sachbücher.
 
Een flink deel van mijn loopbaan bij Biblion Uitgeverij bracht ik door met het speuren naar geschikte non-fictie voor kinderen. Zoek maar niet, de uitgeverij was deel van NBD Biblion en is als zelfstandige afdeling met bijbehorend imprint al enige tijd geleden opgeheven.
Dat speuren vond grotendeels plaats op twee beurzen: in het voorjaar die van Bologna, gespecialiseerd in kinderboeken, en in het najaar Frankfurt. Want spontaan aanbod was er weinig en eigen producties waren relatief duur - al deden we die sporadisch wel.

In 2006 maakte ik een lijstje criteria. Voor mijzelf en collega André, maar ook om te kunnen uitleggen hoe we tot beslissingen kwamen.
Zo'n beurs verleidt namelijk makkelijk tot net iets te intuïtieve keuzes en met name in Bologna was er altijd een enorm aanbod. Die goed georganiseerde beurs was en is nog steeds dé internationale kinderboekenbeurs, waar heel veel rechten werden verhandeld. Het was er ook altijd goed toeven, zowel in de beurshallen, met hun goede koffie en spremuta, als in de stad, met zijn mooie gebouwen en goede restaurants en vaak mooi voorjaarsweer.


Misschien interessant om dat lijstje hier weer te geven:
 
Uitgangspunten uitgaven non-fictie voor kinderen

1. Is het non-fictie voor kinderen van het soort dat zou passen in een schoolbibliotheek of openbare bibliotheek? (Ofwel: ‘past het in ons fonds?’)
2. Voldoet de uitgave aan de 10 criteria, hieronder vermeld?
3. Ziet het boek er aantrekkelijk uit?
4. Is er een redelijke kans dat er vraag is naar de geboden informatie?
5. Voegt de uitgave iets toe aan de titels die te vinden zijn in handel en bibliotheek? (Controle middels eigen fonds; gidsen B&J; leesplein.nl; catalogi openbare bibliotheken Leeuwarden en Oss, als voorbeeld en wegens toegankelijkheid catalogus; evt. ook www.arsscribendi.nl.)
6. Is er geen concurrentie van internetsites die de geboden informatie net zo goed bieden?
7. Komt de precalculatie op een goede prijs?

Beoordelen non-fictie voor kinderen, 10 criteria:

1. Beschrijft de titel waar het boek over gaat?
2. Staat er op de achterkant een adequate beschrijving, begrijpelijk ook voor de veronderstelde lezer? Wekt die beschrijving op tot lezen?
3. Is de indeling helder? D.w.z., kan de veronderstelde lezer uit de hoofdstuktitels een structuur afleiden, een pad om te gaan?
4. Is er een index? Een woordenlijst? Zo ja, zijn die echt nodig en adequaat? (Dat betekent dat je in de tekst geen moeilijke woorden tegenkomt die niet in de woordenlijst verklaard worden.) Zo nee, worden de moeilijke woorden die er eventueel toch zijn in de tekst verklaard?
5. Is de tekst afgestemd op de veronderstelde lezer? (Dus: niet te moeilijk, maar ook niet te makkelijk of kinderlijk.) Wekt de tekst op tot doorlezen? Is de lay-out helder? De letter groot genoeg?
6. Worden er voldoende afbeeldingen geboden van in de tekst genoemde concrete (d.w.z. niet abstracte) zaken, zoals gebouwen, dieren, planten, kostuums, gerechten e.d.?
7. Omgekeerd, hebben de afbeeldingen zin? D.w.z., sluiten ze aan bij de tekst, wordt ernaar verwezen? Zo niet, verklaart een bijschrift de aanwezigheid van de afbeelding? Zijn de bijschriften leesbaar (letter groot genoeg) en begrijpelijk?
8. Zijn de afbeeldingen goed afgedrukt en helder, beelden ze inderdaad dat af waarnaar verwezen wordt?
9. Worden passages met getallen verhelderd door tabelletjes (ook: tijdlijnen)?
10. Last but not least en het lastigst te beoordelen: is de tekst juist? Is de geboden informatie evenwicht en met de juiste afstand c.q. onpartijdigheid beschreven?


'Gidsen B&J; leesplein.nl' is inmiddels irrelevant en Ars Scribendi leidt nu naar Schoolsupport en is niet meer helemaal wat het was, een uitgeverij met een omvangrijk fonds degelijke non-fictie. De genoemde bibliotheekcatalogi zijn ook veranderd.
De tien criteria zijn wat mij betreft ook na vijftien jaar nog steeds bruikbaar. Het waren in praktijk wel tamelijk strenge criteria en ik zou niet durven beweren dat we ze allemaal netjes afvinkten.

Ik dacht hieraan terug omdat ik kort na elkaar twee documentaire boeken (om de Franse term even te lenen) voor kinderen kreeg toegestuurd: Eric Carle's grote dierenboek en Mummies ontrafeld.
En ik had ook nog wat op de virtuele plank liggen.

Beide boeken leunen vooral op beeld. 
Dat is niet vanzelfsprekend, er is heel goede non-fictie voor kinderen met vooral tekst. Het werk van Bibi Dumon Tak is een excellent voorbeeld, zie bijvoorbeeld Het koeienparadijs. Het werk voor kinderen van Stine Jensen met haar Lieve Stine is een ander voorbeeld. Hoe het niet moet toont bijvoorbeeld Knolletje en Dirk, het knotsgelle broodboek van Pieter Feller en Natascha Stenvert. (Zo, dat is van die plank af.)


Wat betreft Eric Carle's grote dierenboek is het duidelijk dat het beeld domineert maar bepaald niet documenteert. Zijn prenten zijn mooi en stijlvast, maar zijn geen goede weergaven van de dieren en de afmetingen zijn evenmin in proportie, al is hier en daar een poging gedaan dieren van ongeveer vergelijkbare grootte op één pagina te zetten. De uitklappagina middenin, vier pagina's breed, toont de blauwe vinvis, inderdaad een heel groot beest, de afbeelding van een zeilbootje ter grootte van één staartvin benadrukt dat nog eens.
 
De indeling van het boek is ietwat willekeurig:
- dieren in het regenwoud
- dieren op de savanne
- dieren in de woestijn
- dieren in de sneeuw en op het ijs
- dieren in de oceaan
- dieren in de bergen
- dieren in het bos
- dieren om ons heen.
Die hoofdstukken zijn weer verdeeld in enkele afdelingen.

Beesten uit alle werelddelen zijn gezellig door elkaar gehusseld, zodat de brulaap gemoedelijk naast de gorilla staat en naast de pagina met de keizerspinguïn zes bewoners van het koude noordelijk halfrond staan zonder dat dit wordt meegedeeld en zodanig dat de argeloze jonge kijker wel moet denken dat de pinguïn veel groter is dan bijvoorbeeld de ijsbeer. 
De meeste dieren krijgen alleen hun naam mee, in hoofdletters, sommige iets meer, en elk hoofdstuk wordt ingeleid door een korte tekst die in het midden laat waar op aarde je dat landschap moet denken, behalve de savanne:



Eh, savanne op de evenaar? Lijkt me niet juist. De savanne vind je hier:
 

 
Op en rond de evenaar vind je juist het regenwoud, waarvan niet staat vermeld waar je het kan vinden. Zo'n kronkel kwam ik verder niet meer tegen, maar de tekst bij 'Dieren om ons heen' is ook opmerkelijk:


'Een huisdier kan je troosten als je verdrietig bent en het is ook nog eens heel gezond om erachteraan te rennen!' 
Goh, daar zal je kat van opkijken en je goudvis al helemaal! 
'Sommige mensen werken elke dag samen met hun dieren en zorgen zo voor melk, eieren, honing of kaas.' Wie zorgen voor melk enz., die mensen of hun dieren?
 
In de afdeling 'Tuingasten'  komen we tussen worm en spuugbeestje een bekende rups tegen.


'Op de boerderij' vinden we een kuiken, een hen en een haan. 'Herken jij alle boerderijdieren die je hier ziet?' staat er boven. Kip!, roept de gemiddelde kleuter natuurlijk.



Het zal duidelijk zijn dat Eric Carle'sgrote dierenboek geen erg informatief boek is. De plaatjes van Carle moeten het doen, zijn stijl is bekend, de inkopende uitgever zal gedacht hebben: dat verkoopt wel.
Het is bedoeld voor kleuters en iets ouder. Het moet voorgelezen worden. Samen bladeren door dit boek zal geen straf zijn, vast heel gezellig. Maar voor werkstukjes is het niet geschikt, echt iets eruit opsteken doe je niet en ik had het als uitgever sowieso lekker bij Penguin Random House laten liggen. Om andere dieren dan je eigen hond of kat te leren kennen, kun je een fotoboek nemen, of beter nog naar de kinderboerderij of naar de dierentuin. Of in je eigen tuin eens rondspeuren! En dan 's avonds Rupsje Nooitgenoeg voorlezen. Veel leuker.



Mummies ontrafeld is duidelijk voor wat oudere kinderen bestemd. 'Vanaf 7 jaar', vindt de uitgever, vanaf 9 jaar zou ik adviseren. Ook deze uitgave leunt zwaar op de prenten, in dit geval van Tom Froese, een Canadese illustrator die hard aan de weg timmert (zie ook hier) maar in het Nederlands taalgebied vooralsnog in slechts één andere uitgave te zien is, namelijk in Aan het werk in het kasteel van Rebecca Colby, bij dezelfde uitgeverij. Mooie prenten, heel stijlvast, quasi-Egyptisch en vaak ook nog redelijk informatief.
Een auteursnaam is er niet: 'tekst © Nosy Crow Ltd'. We weten dus niet uit wier of wiens brein de volgende woorden kwamen, waarmee het vertoog begint:
 
Wat is een mummie?
 
Meer dan 5000 jaar geleden ontstond een beroemde beschaving in het oude Egypte, in het noorden van Afrika. Hun koningen werden farao's genoemd. De oude Egyptenaren geloofden in het leven na de dood en dachten dat de ziel voor eeuwig zou voortbestaan in het hiernamaals als het lichaam goed werd bewaard en verzorgd. Die lichamen noemen wij mummies.

 

Voor 7 jaar en ouder? Hm.
Was die beschaving al meteen beroemd? Wat is 'het oude Egypte'? Bestond die naam toen al?
Hun koningen? Het leven na de dood? Welk lichaam, van wie? Nou, niet flauw zijn, dat bij die ziel natuurlijk.
 
Ik citeer nog even door. Volgende pagina:

Het woord 'mummie' stamt af van het Perzische woord mūmiyā. Het betekent 'bitumen' en dat is een zwart, plakkerig spul dat op teer lijkt. Toen honderden jaren geleden de allereerste mummies werden ontdekt, leek het net alsof ze helemaal waren ingesmeerd met bitumen, en daarom noemen we die lichamen nu mummies.
Tegenwoordig noemen we het proces van het maken van een mummie 'mummificeren' of 'balsemen'.

De oude Egyptenaren geloofden dat er in elke persoon drie zielen leefden, die ook na hun dood bleven voortbestaan.


Ik doe een poging dit iets kernachtiger onder woorden te brengen:

Meer dan 5000 jaar geleden leefden er in het noorden van Afrika, waar de Nijl stroomt, mensen die dachten dat ze drie zielen hadden: Ka (levenskracht), Ba (persoonlijkheid) en Akh (bezieling). Die zouden na hun dood voortleven als hun lichaam tegen verrotting werd beschermd.
We weten dit doordat die mensen ons veel tekst en beeld hebben nagelaten en doordat we dicht bij de Nijl veel lichamen hebben gevonden die door een bijzondere behandeling niet zijn vergaan. We noemen ze mummies. Mummie komt van het Oud-Perzische woord mūmiyā, dat pek betekende.
Dit boek gaat over die behandeling: hoe deden ze dat?

Ach, het is maar een poging. Maar minder klunzig, lijkt me, dan één ziel die ineens drie zielen wordt, mensen die Egyptenaren worden genoemd zonder dat ze dat zelf ooit hebben bedacht (dat waren Grieken en dat mag wel even gezegd) en een beschaving (mama, wat is dat?) die meteen beroemd wordt verklaard. Die farao's doen er op die eerste pagina's ook nog niet toe, die komen later, evenals die pek. (Die pek-achtige substantie die om de mummies zat, kwam overigens van uit planten gewonnen oliën die bij het balsemen werden gebruikt. Minerale pek ofwel bitumen kwam er niet aan te pas, dus om misverstanden te voorkomen zou ik het woord bitumen niet gebruiken.)
En dan staat dat allemaal ook nog afgedrukt in een akelig slecht leesbaar lettertype. De bijschriften bij de illustraties zijn, hoewel in kleinere letter gezet, beter leesbaar dan de hoofdtekst.



Nou, de kop is er af. Deugt er verder nog iets aan dit boek? Kan het zich meten met andere kinderboeken over mummies? Daarvan zijn er namelijk nogal wat, zie voor een kleine selectie hier, waar ook films te vinden zijn, bijvoorbeeld van Het Klokhuis (heel informatief), en nog meer hier.
Ik heb de video van Het Klokhuis bekeken, maar verder niet vergeleken, dat meld ik maar meteen.

Laten we ons verplaatsen in een negenjarige die na een bezoek aan het Leidse Rijksmuseum voor Oudheden begeesterd is geraakt door mummies en heeft besloten mummies te kiezen als onderwerp voor zijn verplichte werkstuk. Heeft die iets aan dit boek? Zelfs na het bekijken van die Klokhuis-film?
Ja, mits hij of zij het talent heeft om zich door die hoofdtekst heen te worstelen. Die is beslist de zwakke kant van dit boek, stijfjes, soms omslachtig. En ik mis uitleg over bronnen: hoe weten we dit allemaal...
De typografie is de tweede zwakte.
Het informatieve gehalte van de afbeeldingen legt het in het algemeen af tegen foto's, mits die goed gekozen zouden zijn, zie bijvoorbeeld op p. 27 ...
 

... de 'man van Gebelein', maar anderzijds zijn Froese's afbeeldingen hier en daar juist handig door hun compactheid, zie bijvoorbeeld 'het gereedschap van een balsemer' op p. 9....


... of op p. 18-19 'wat gebeurde er tijdens de begrafenis?', want dit soort informatie krijg je nooit op foto's. (De dubbelpagina is helaas te groot voor mijn scan-apparaat en excuses aan de uitgeverij voor het verdwijnen van het rechterrandje op de volpagina-afbeelding.)

Onze denkbeeldige negenjarige heeft ondanks de gebreken best iets aan dit boek, want er wordt veel in uitgelegd. Met het nodige knip- en plakwerk komt-ie (of ze) er wel.
Illustrator Tom Froese heeft goed werk geleverd. Maar het zou veel beter zijn geweest als er ook een goede auteur was ingeschakeld. Misschien was het dan een goed boek geworden.




Carle, Eric. Eric Carle's grote dierenboek. Ills. Eric Carle. Vert. J.H. Gever. Gottmer, 2021. ISBN 978 90 257 7530 8, 70 p. Oorspr.: Eric Carle's Book of Amazing Animals. Penguin Random House, 2021.
Mummies ontrafeld. Ills. Tom Froese. Vert. J.H. Gever. Gottmer, 2021. ISBN 978 90 257 7539 1, 28 p. Oorspr.: Mummies Unwrapped. Nosy Crow Ltd., 2021.






zondag 24 oktober 2021

Nieuwe werkelijkheden, oude geesten

Het is sinds de 19e eeuw heel gebruikelijk dat een of meer kinderen de hoofdrol spelen in een verhaal voor kinderen. 
Het werd zelfs steeds gebruikelijker en dat duurt voort tot en met vandaag. Vaak spelen volwassen personages nog wel belangrijke ondersteunende rollen, maar soms worden ze juist afgetroefd. 
Kinderen zijn de nieuwe helden - voor kinderen. Zo lijkt het.

Een veel voorkomende variant hierop zijn verhalen waarin een groep kinderen een misdrijf oplost, of anderszins de wereld redt. Onlangs besprak ik nog een verhaal waarin een groep kinderen een grote ramp overleeft en een recept presenteert om met elkaar om te gaan. Dat was nog opmerkelijk, maar het Enid Blyton-recept ('De Vijf') wordt nog alom toegepast, zo vaak dat het een cliché mag heten. In Nederland is de Kameleon-reeks een bekend voorbeeld, met de Bob Evers-reeks als variant voor jongens met de baard in de keel.
De goede afloop hoort er standaard bij. (Alleen daarom al is Lord of the Flies van William Golding een buitengewoon boek.)
 
Nu kan het toepassen van een beproefd recept best een goed verhaal opleveren. 'Stijl is alles in een roman. Het verhaal telt ook, maar de verhalen kennen we allemaal al.' Aldus auteur en recensent Kees 't Hart in een recensie in De Groene Amsterdammer 22-10-2016. Ik citeer hem even verder:

Ik zoekt meisje, dochter, vrouw, zoon, vader, moeder, schat, waarheid. Ik treurt over meisje, dochter, vrouw, zoon. Ik vlucht voor… vul het maar in. Echt gebeurd, niet echt gebeurd, had echt kunnen gebeuren, alles is al verteld. Zonder een specifieke stijl kun je je verhaal net zo goed laten zitten. Je moet als schrijver iets construeren, een schrijfwijze, een stijl, what else, die je verhaal laat tintelen, schuren, borrelen, liegen of erop los kletsen. Iets dat het net anders maakt dan de andere verhalen, dat daarvan afwijkt, dat het optilt. Stijl berust op afwijking van het normale. Niemand weet wat normaal is – maar daarvan afwijken, dan heb je een stijl.

Maar door 'af te wijken van het normale' vestig je de aandacht op jezelf. Alles staat of valt dan met de keuze van het mombakkes van de auteur, de verteller. (Kan ook een personage zijn.) Het antwoord op de vraag 'Wat gebeurt er?' kan een verhaal sensationeel maken, het antwoord op 'Wie vertelt er en waarom?' kan woordkunst opleveren, en intieme ontroering. Zie, alleen maar bij wijze van voorbeeld want er is veel meer, het werk van Joke van Leeuwen. Of, om een volstrekt andere auteur te noemen, Lewis Carroll. Of Maarten Biesheuvel, of Nescio, Multatuli... En zie ook eens Stijloefeningen (oorspr. Exercices de style) van Raymond Queneau, nog steeds verkrijgbaar, hier en daar ook tweedehands te koop.

Als je besluit de verteller zo onzichtbaar mogelijk te maken, zo min mogelijk de aandacht te vestigen op wie er aan het woord is, levert dat een hoge kans op een volstrekt doorsnee verhaal, waarvan hooguit plot en personages nog verrassend kunnen zijn. (Detectives! Whodunnit!) 
Deze aanpak vergt zo min mogelijk beschrijvingen en veel dialogen, want je wil vooral je personages voor zich laten spreken, en de handelingen daartussen zo onopvallend mogelijk weergeven. Wil dat een meesterwerk worden, dan hangt veel af van die personages. Op zijn slechtst wordt het een soort geschreven poppenkast met houten klazen, op zijn best slaag je in de impliciete uitnodiging aan de lezer om de ruimte tussen de dialogen zelf in te vullen met beeld, als in een scenario. Zulke verhalen zijn doorgaans ook makkelijker te verfilmen als een verhaal met stijl en een boeiende verteller. Wil je immers echt alle woordelijke beschrijvingen (die de verteller verraden) weglaten, dan beland je bij theater en film. De andere kant op (alle aandacht voor de woorden) beland je bij poëzie.

Hoe zit dat met de aanleiding tot deze bespiegelingen, de twee boeken die zich ongeveer tegelijkertijd ter bespreking aandienden en die ik aanvankelijk het liefst niet besprak? Escape game van Maren Stoffels en Offline van Marco Kunst.
Escape game had ik bijna als onderhoudend maar niet indrukwekkend thrillertje voor pakweg tien- tot twaalfjarigen weggelegd, tot me opviel dat er een heel dun draadje is dat het verbindt met Offline: de virtuele werkelijkheid van de digitale wonderwereld die beide verhalen tot typisch 21e-eeuws bestempelt. 
Nou ja, virtueel... er komen in Escape game vooral veel ouderwetse trucjes aan te pas die de kinderen moeten ontdekken om uit de villa te komen waar ze hebben ingebroken om alvast dat nieuwe ontsnappingsspel te ontdekken. Dat valt nog niet mee, want de zaak is nog niet helemaal klaar en hun zaktelefoons werken niet goed (daar heb je de 21e eeuw). Dat levert de spanning op waarom dit verhaal draait. Het lukt ze wel, maar niet zonder ongelukken. Eind goed al goed. 
Eén mysterie blijft onopgelost: die figuur die ineens op lijkt te duiken in de gang. Is het een man? Of de geest van een man? Zie p. 100 en 110. Deed me denken aan Robert van Guliks uitleg bij de verhalen over rechter Tie: als het bovennatuurlijke een rol speelt, moet er altijd iets onopgelost blijven, al is het maar een dichtslaande deur.
Of de effecten in dat onaffe ontsnappingsspel-huis digitaal of niet zijn, blijft dus in het midden. Het hanteren van de term game en de verdeling in acht levels suggereren iets digitaals, maar dat is een 21e-eeuws dwaalspoor, want de ongelukken zijn absoluut niet digitaal. De vertellers, overigens, zijn de hoofdpersonen, om beurten. Biedt wel diverse perspectieven, er is een aanzet tot karaktertekening, maar op de een of andere manier (haha) vertellen ze allemaal in dezelfde stijl. En let op, de kinderen redden zich weliswaar, maar uiteindelijk komen er toch volwassenen aan te pas.

Offline is iets andere koek. Dat verhaal speelt in de toekomst (2046) en de virtuele werkelijkheid is er allesbepalend. Hier is de verteller zo'n onzichtbare anonieme verslaggever die ons meteen de actie insleept, in de onvoltooid tegenwoordige tijd, en ons meteen ook de hoofdpersonen voorschotelt: Mike en Demer. Kinderen, inderdaad. Van deze twee is vooral Mike de hoofdpersoon.

Plots voelt hij zijn telefoon trillen in zijn broekzak. Geschrokken keert Mike zich op zijn zij. Demer is een eind weg, het kan nu wel even. Schichtig haalt hij zijn telefoon tevoorschijn. Het apparaatje rolt open. Een berichtje: hij moet thuiskomen, het eten staat over een kwartier op tafel.
Bah. Hij wil niet weg en hij heeft geen honger. Ineens moet hij denken aan alles wat komen gaat. Morgen al.

We zijn als lezer vlakbij hem en denken en voelen met hem mee. We worden geacht geheel met Mike mee te leven, ons bijna met hem te versmelten. Dat lukt aardig, zal vast lezers van een jaar of tien, twaalf helemaal lukken, maar het verhaal wordt er wat eendimensionaal van, want hij maakt niet echt een mentale ontwikkeling door. De plot moet het doen.

Wat 'komen gaat' is dat hij met zijn ouders verhuist naar Nieuw Babylon. Dat betekent dat hij zijn vriendin Demer niet meer zal zien. Die leeft in de Aardelaar, een groep mensen die probeert te leven van en met de natuur, zonder computers. Mikes ouders beheren een boerderij, maar die is vanuit de stad te besturen, robots doen het werk. Nieuw Babylon is een prachtige plek zolang je je VR-bril maar ophoudt. (Zet je die af, dan zie je louter kaalheid, grauw beton.)
Het wordt nog mooier als de quantumcomputers in werking treden, belooft men. Mike komt echter een oude man tegen die waarschuwt: de quantumcomputers zullen mensen overbodig verklaren. Deze oude man weet hoe dat te voorkomen want heeft zelf meegewerkt aan de ontwikkeling.
Inderdaad, dat overbodig verklaren gebeurt, en wel meteen als de 'Quantum Intelligentie' in werking treedt. De mensen worden bedankt, ze zijn niet meer nodig. Paniek en chaos alom, want de brillen werken niet meer. Mike zoekt de oude man op en krijgt een opdracht. Die weet hij met moeite en hulp (ja, onder meer van Demer) te volbrengen, dat wordt nog heel spannend, ik zie tijdens die passage wel jonge lezers met rode oortjes voor me. Maar eind goed al goed en het Kunstmatig Intelligent Meta-algoritme, voor de gelegenheid in de vorm van een vrouw, verklaart dat mensen hun leven zal worden gegund. 
Overigens maakten werknemers van KPN al eerder (2017) kennis met dit verhaal, het werd hen als kerstcadeau toegestuurd door hun werkgever en heette toen Verbonden met het net en speelde in 2037. Illustraties Matthias de Leeuw. Het is inmiddels wel te koop. In hoeverre Offline hiervan verschilt, behalve 2037/2046, weet ik niet. Er is in Offline geen vermelding te vinden van Verbonden met het net. Illustraties Offline: Yannick Pelegrin.

Marco Kunst heeft zich al eerder uitgeleefd in een toekomstverhaal, Gewist, voor iets oudere lezers (het leverde hem het Charlotte Köhler Stipendium op), en in een verwant genre, doorgaans aangeduid met het Engelse woord fantasy, zoals het op dit blog besproken boek Het verlangen van de prins. Hij mag dan geen superstilist zijn, aan verbeeldingskracht ontbreekt het hem niet.

De lol van dit toekomstverhaal zit hem wat mij betreft vooral in die zaken die we nu nog niet kennen, of in een andere vorm. De persoonlijke assistent, in de vorm van een kiezel met een mini-computertje. De sprekende hond. De robots die Mike dwarsbomen in zijn queeste. Enzovoort. Ik houd er wel van, heb een zwak voor toekomstverhalen, dystopisch of niet. Aangezien Verbonden met het net mij gemist heeft, heb ik me er nu mee geamuseerd, al stelde het me als verhaal teleur: net wat te ongeloofwaardig om echt spannend te worden. Gewist was beter.

Want laat ik eerlijk zijn, beide in dit vertoogje besproken verhalen horen wat mij betreft toch door de opbouw en stijl bij de grote stapel doorsneeverhalen voor kinderen, afdeling 21e eeuw. Geen rommel, best onderhoudend, maar niet indrukwekkend.
 


Kunst, Marco. Offline. Met illustraties van Yannick Pelegrin. Gottmer, 2021. ISBN 798 90 257 7500 1, 144 p.
Stoffels, Maren. Escape game, ontsnappen uit een escape room. Leopold, 2021. ISBN 798 90 258 8099 6, 118 p.





zaterdag 23 oktober 2021

Ik ben George

David Almond is een gevierd en gelauwerd auteur en ik was in 1999 onder de indruk van zijn romandebuut De schaduw van Skellig (orig. Skellig, 1998).
Misschien dat me daardoor een lichte teleurstelling bekroop bij het lezen van de eerste hoofdstukken van De nieuwe jongen. (Brand New Boy, net als zijn romandebuut en acht daaropvolgende verhalen vertaald door Annelies Jorna, still going strong.)
 
Het kan zijn dat de Boys of Brazil, Frankenstein en zo veel andere verhalen aangevuld door krantenberichten over Asimo, Actroid e.d. mij als oude lezer zo parten speelden dat ik al op de vierde bladzij verhaaltekst (p. 14) en mede geholpen door de omslagafbeelding doorkreeg wat de jonge hoofdpersonen pas tientallen bladzijden verder bevroeden, namelijk dat 'de nieuwe jongen' op school (George genaamd) een robot is, zelfs ver nadat op p. 47 zijn oor er afvalt, dat er vervolgens door George's permanente begeleider mevrouw Kristal weer netjes wordt aangezet.

Geen heel bijzonder verhaal, leek me, met de gebruikelijke ongerijmdheid van een voor zijn leeftijd veel te welbespraakte jonge verteller, die het verhaal bovendien als een soort verslaggever in de onvoltooid tegenwoordige tijd vertelt. Al waren sommige vondsten alvast wél grappig. 
Zoals dat de school de Darwinbasisschool heet en Daniels moeder een schoonheidssalon drijft met de naam 'Je Nieuwe Zelf'. En op p. 20 zo'n overpeinzing van verteller Daniel, een van de vier hoofdpersonen naast George:

We komen langs andere lokalen. Daarbinnen legt iedereen alles klaar op de tafeltjes, zoals we elke ochtend doen. Zo bizar. Waarom doen we dit, elke ochtend weer? Massaal de school in, verzamelen in de aula, dezelfde dingen aanhoren, dezelfde liedjes zingen, aan brave vierkante tafels in brave vierkante lokalen zitten en toegesproken worden door brave docenten? Waarom ziet niemand hoe bizar dat is? Waarom gedragen ze zich allemaal als robots? Het lijkt wel of alleen ik en Maxie zien dat het allemaal even bizar is.
 
Als ze het dan eindelijk doorhebben, wordt het verhaal interessant. Met terugwerkende krant krijgen die grappige vondsten ietwat diepgang, evenals de moppen van Billy. (Want moppen zijn voor een robot ongelooflijk moeilijk.) De eerste (p. 23):

'Hoi hoi,' zegt Billy. 'Hoe spreek je een vent aan die een gat graaft?'
Louise en ik kreunen. George zegt niks.
'Graaf Gat,' zegt Billy.

(Moet lastig vertalen zijn geweest!) Die eerste dag in de klas is George erg zwijgzaam, behalve als hij antwoord geeft op de sommen van Meneer Wijs, hun leraar. (Zonder aarzelen het juiste antwoord, zelfs op ingewikkelde sommen.) En als ze opstellen moeten schrijven over hoe het zou zijn als ontdekkingsreiziger, komt hij met een reeksje weetjes, dat hij evenwel niet zelf kan voorlezen.

Dan zegt meneer Wijs: 'George! Misschien wil jij nu.'
George tuurt op zijn mooie, keurige bladzijden.
'Of misschien wil jij Georges opstel voorlezen, Louise,' zegt meneer.
Ze zit zo te zien niet te popelen.
'Toe maar,' zegt meneer Wijs. 'Help je nieuwe klasgenoot.'
Louise gaat staan.
'De oceaan is een enorme watermassa tussen de werelddelen,' leest ze hardop. 'Er zijn veel oceanen op de wereld, waaronder de Atlantische Oceaan, de Stille Oceaan en de Indische Oceaan. Een ontdekkingsreiziger is iemand die op reis gaat met een onbekende bestemming. Een schip is een voertuig dat zich over zee kan verplaatsen. In de tijd van de grote ontdekkingsreizen werden dergelijke boten van hout gemaakt. Ontdekkingsreizigers waren bijvoorbeeld Amerigo Vespucci, Willem Barentz...'
'Vasco de Scheetflapper!' onderbreekt Dickie Flynn.
'Dickie! Zeg sorry tegen Louise en George,' beveelt meneer Wijs.
'Sorry, Louise en George,' zegt Dickie.
'Juist. Ga door, Louise.'
'Voorbeelden van landen die door dergelijke ontdekkingsreizigers werden ontdekt zijn...'
Barbara Sanchez steekt haar vinger op. 'Meneer!', zegt ze.
'Ja, Barbara?'
'We moesten toch onze fantasie gebruiken, meneer?'
Meneer Wijs tuit zijn lippen. Mevrouw Kristal krabbelt snel.
'Nou...'begint meneer Wijs.
'En u zei dat iedereen verbeeldingskracht heeft,' gaat Barbara door.
'Ja...'
Dan komt George ertussen.
'Verbeeldingskracht,' zegt hij, en zijn lippen lijken haast niet te bewegen, 'is het menselijk vermogen om te zien wat onzichtbaar is en te bedenken wat onbekend is. De verbeeldingskracht wordt gezien als de grootste gave van de mens.'
 
Met opzet een lang citaat en hij gaat zo nog een alinea door en houdt pas op als er iets anders gebeurt.

Hij zwijgt. Er valt iets vlak naast Louise op de tafel.
Ze geeft een gil.
'George z'n oor is eraf gevallen!' schreeuwt ze.

Hierna groeit in ieder geval bij verteller Daniel het besef dat George niet normaal is, maar ja, het normale is al bizar genoeg, zoals vriend Maxie en hij al hebben vastgesteld, en Maxie mompelt iets over een alien en is met zijn aandacht bij die andere alien thuis, de dominee die vindt dat iedereen opnieuw geboren moet worden. Terwijl de eeuwige begeleider mevrouw Kristal alleen herhaaldelijk zegt: 'George is anders dan andere jongens.' 
Toch vraagt Daniel pas op p.98: 'Wat bén jij, George'. Op p. 108 opnieuw, en aan mevrouw Kristal: 'Wie heeft hem gemáákt?' 

Ze schudt haar hoofd en gniffelt. Ik staar haar aan. Ze is zo droog, zo kil, helemaal niet als een echt mens.
'Wie?' zeg ik. 'Wie heeft hem gemaakt? Wie heeft hem gecreëerd?'
'Wat een ontzettend malle vraag,' zegt ze.
'Vindt u?'
'Ja, en zo zonde van onze tijd. We hebben maar een uurtje of zo. We moeten weer naar beneden.'
Ze fluistert George iets in zijn oor. Hij zet Ted en Kosjka neer op het bed en staat op.



Ze zaten namelijk even boven op Daniels kamer, want George mocht even mee naar huis, want mevrouw Kristal en die andere begeleider, Emil Zomp, hadden bedacht dat Daniel en zijn moeder het perfecte normale gezin waren - ondanks de afwezigheid van een vader.
 
Dat leverde een van de vele hilarische episodes op (zo blijkt George buitengewoon goed te voetballen, zolang iemand maar een bal tegen zijn voet legt) tot het sublieme moment dat George voorgoed zou worden meegenomen (worden 'gedumpt') en het viertal vrienden (Daniel, Dickie, Maxie en Louise) besluit hem te ontvoeren. Er is de kinderen dan al uitvoerig getoond dat George inderdaad een robot is, want hij wordt gemonteerd en gedemonteerd waar de klas bij is (p. 140-161). George blijkt een prototype van een 'miljoenenproject' van het bedrijf Nieuwe Levensvormen. Hij heet niet voor niets voluit George Eén.
Vooralsnog komt Georges hoofd na de ontvoering terecht in Daniels klerenkast, ...



en na de geslaagde montage heel George, waar zijn moeder hem al snel ontdekt doordat kat Kosjka voortdurend aan de kastdeur staat te krabben. 

Mam zit aan de keukentafel met een beker thee,
'Hoihoi', zeg ik.
'Hallo jongen. Kun je me even uitleggen wat George in jouw kast doet?'
 
Daniels moeder waardeert de ontvoering, want ze heeft een intuïtieve afkeer van types als Zomp en Kristal (het bedrijf heeft zo zijn vermoedens en is al langs geweest), en wil meehelpen George naar het Bos van Cogan te brengen.
Daar leert George in korte tijd heel veel en hij herkent zelfs Daniel en daarna zichzelf in de weerspiegeling van de vijver, gaat ongevraagd dansen als een vliegende vogel en een eind lopen.

En George loopt van het pad het grasveld op, en ik blijf staan en sla hem gade. Hij komt bij de boom, staat ernaast en leunt ertegenaan, en ik zie hoe nat hij is van de vijvers en onder de modder zit van het Bos van Cogan; hoe hij er net zo uitziet als ieder ander kind dat terugkomt van een dagje avonturen in het bos. En hij keert zich naar me om alsof hij op me wacht, dus kom ik weer in beweging en ga naar hem toe, en hij houdt zijn hoofd schuin en kijkt me aan alsof hij me voor het eerst écht aankijkt.
'Ik...' zegt hij.
Ik zeg niks.
'Ik ben George,' zegt hij. 'Ik ben George.'

's Avonds aan tafel, als ze met zijn vijven nagenieten, blijkt hij zoveel geleerd te hebben dat hij zelfs een van Billy's moppen snapt. Dan moet Maxie naar huis:

''k moet er zo vandoor,' zegt hij.
'Word je weer in gala aan tafel verwacht?' vraag ik.
Hij knikt en kreunt.
'Wat een leven, hè?' zegt hij.
'Een leven,' zegt George, 'is wanneer een lichaam bestaat en groeit.'
We glimlachen. Dat klopt, zeggen we. O George, zeggen we.
'Een leven is groei en verval,' zegt hij. 'Een leven begint, gaat door en houdt dan op. Het is de tijd tussen een begin en een eind.'
Hij kijkt op van Kosjka en zijn blik glijdt langs ons allemaal.
'Maar leven op zich is oneindig,' zegt hij. Leven is het grote wonder in het universum. Leven is de draaiende motor van de tijd.'
We zijn onder de indruk.

Dat zijn ze nog meer als George 'nee' zegt als hij weer de kast in moet. Ze besluiten dat hij gaat slapen op een matras, naast Daniel.
 
Tot morgen, maat,' zegt Billy.
'Trusten, George,' zegt Louise, en ze geeft hem een klopje op zijn been.
'Morgen, maat,' Zijn stem is heel zacht en sloom. 'Trusten.'
 
De volgende ochtend wordt George niet wakker, ook niet na opladen. 
 
'Het kon toch ook niet anders aflopen?' zegt Maxie.
Niemand geeft antwoord. Even heb ik een visioen van George die net als wij door de buurt loopt, net als wij naar school gaat, net als wij ouder wordt.
Het beeld vervaagt.
'Het gaat voortreffelijk met me, dank u zeer,' zegt Billy.
'Goedemorgen, medeleerlingen,' zeg ik.
'7693,7!' zegt Louise.
Daar giechelen we om, ondanks alles. 
 
 
 
Er wordt gepast afscheid genomen en ze onttakelen hem. 

Ik leg zijn hoofd in mijn kledingkast. Alleen Kosjka is bij me als de dag voorbij is.
Maar ik weet dat George altijd bij me zal zijn, dat het hij voorgoed bij ieder van ons is.
Ik weet dat ík George ben.
Ik weet dat we allemaal George zijn.
Elke ochtend als we wakker worden zijn we nieuwe kinderen, opnieuw geboren.
Wij zijn de nieuwe kinderen die een gloednieuwe wereld scheppen.

Dat zijn de laatste woorden.

Sommige dingen hoef ik niet uit te leggen, hoop ik, zoals dat Kosjka, Daniels kat, dol op George was. Dat zie je op de cartooneske tekeningen van Marta Altés. Of dat Daniel een fijne moeder heeft gekregen van zijn schepper. Dat de klas bijna een voorbeeld zou kunnen zijn van een gelukkige klas à la Theo Thijssen.
Er is het nodige waar niet Daniel, maar zijn schepper David een beetje de draak mee speelt. Al die vrome liedjes die ze op school moeten zingen. Elke maandagochtend:
 
Al het licht en liefelijks,
alle schepselen groot en klein,
Al het waars en wonderlijks,
moet wel Gods schepping zijn.
 
De schijnheiligheid van mevrouw Huiliebalk, directeur van de Darwinbasisschool. De harde zakelijkheid van de firma Nieuwe Levensvormen. In die zin zijn cartooneske illustraties op hun plaats, en al die grappigheid maakt De nieuwe jongen tot een lichtvoetig verhaal, waar ook voor oudere lezers wat te lachen in schuilt.
Intussen is het ook een ernstig verhaal. Gods schepping of niet, het gaat wel om wat leven is. Robot George wordt tot leven gewekt en hij gaat dood. Dood als een pier of als een apparaat, dat blijft in het midden. Mooie ironie dat een robot die plechtige woorden over de functie van leven uitspreekt. En denk nou niet dat alleen volwassenen over zulke zaken nadenken. En dan dat einde...
Ik stelde al lezend mijn voorlopig oordeel bij. Het is wél bijzonder! Daniel als verteller had ik al redelijk snel aanvaard. Een aanwinst, dit verhaal!




Almond, David. De nieuwe jongen. Ills. Marta Altés. Vert. Annelies Jorna. Querido, 2021. ISBN 978 90 451 2601 2. 284 p. Oorspr.: Brand New Boy, 2020.