Zoeken in deze blog

zaterdag 16 september 2017

Sponsors gezocht

Een mooie bijdrage van Ted van Lieshout op zijn blog:

Na drie jaar al besluit Bruna om de Woutertje Pieterse Prijs niet meer te ondersteunen. Gezien het eclatante enthousiasme van de mensen van Bruna die meewerkten aan de organisatie van de prijs, komt het voor mij als een totale verrassing. En het is nieuws dat niet alléén komt, want ook in Vlaanderen wordt hevig beknibbeld op de prijzen: dit jaar worden de Boekenleeuw en Boekenpauw niet uitgereikt, waarschijnlijk niet uit onwil, maar omdat de participanten het niet eens kunnen worden over de een of andere reorganisatie.
Afgelopen week nog benadrukte Robbert Dijkgraaf in DWDD dat er te veel en te hard getrapt wordt op de rem van de verbeelding. Het is tegen dovemansoren gezegd. Iedereen zégt wel dat verbeelding, kunst en cultuur belangrijk zijn, maar onderneemt geen actie. Hoe kan het dat er economische bloei is, maar juist een alarmerende verschraling in de kunstsector?
Er moeten welwillende, welgestelde mensen en organisaties te vinden zijn die hun geld en naam kunnen en willen koppelen aan zoiets belangrijks als het geschenk van de verbeelding, de broodnodige kunstzinnige ontwikkeling van kinderen, de noodzakelijke cultuuroverdracht – o, waar zijn de mecenassen van de huidige tijd? Meld u bij de organisatie van de Woutertje Pieterse Prijs!
Waarvan akte!

Zie Leesplein over dat nieuws over de Boekenleeuw en de Boekenpauw. Het nieuws (d.d. 31 augustus 2017) in Boekblad staat hier, maar voor het volledige artikel moet je abonnee zijn, en dat geldt ook voor het nieuws (d.d. 8 september 2017) over de Woutertje Pieterse Prijs.
Vreemd is dat er op Boek.be niets te vinden is over het niet uitreiken van Boekenleeuw en Boekenpauw.

Ook Kjoek houdt er mee op, eveneens om financiële redenen, zie hier. Maar maker Richard Thiel gaat wel door met een blog.

donderdag 14 september 2017

Wat is echt

Edward van de Vendel moet een fijne neus hebben gehad voor het thema van Kinderboekenweek 2017 ('Gruwelijk eng!') óf een telefoontje hebben gehad van zijn uitgever: zou je niet...
Want De grote verboden zolder verscheen precies op tijd voor de Kinderboekenweek en dat lijkt me geen toeval. Op het omslag van mijn recensie-exemplaar prijkt bovendien een sticker: Kinderboekenweek Tip.
Voor de goede orde: daar is niets mis mee. Ook auteurs en uitgevers willen brood op de plank en dus willen ze boeken verkopen, liefst zo veel mogelijk.
Het geeft zo'n verhaal wel een associatie van in-opdracht-geschreven, maar ook zulke verhalen kunnen heel goed zijn. Sterker, er verschijnt een continue stroom niet in opdracht verschenen verhalen die wat mij betreft niet hadden hoeven verschijnen.

De grote verboden zolder mag er zijn. Een mooi spookverhaal met subtiel spel rond werkelijkheid en schijn, waarin vriendschap en wrange levenservaringen overtuigend zijn vervlochten.

Er is met De grote verboden zolder iets bijzonders. De auteur wil ons laten geloven dat het verhaal waar gebeurd is en tegelijk dat een deel van het verhaal misschien toch gedroomd of gefantaseerd. De verteller heet Eddie, dat om te beginnen. Lijkt erg op Edward.
Na afloop van het verhaal volgt een nawoord, 'Veertig jaar later', dat de suggestie wekt dat Eddie identiek is aan de schrijver, dat het verhaal waar gebeurd is maar ook daarin twijfel over een deel dat misschien toch ingebeeld was. Hij heeft een mailwisseling met Linea, die Eddie via haar dochter (!) op het spoor komt, want die las een van zijn boeken. Linea is het meisje dat Eddie meevoert naar de grote verboden zolder. Hij vond, meldt hij 'veertig jaar later', een boek waarin Linea tekeningen had gemaakt, tekeningen van 'spoken en trollen'. En hij raakte in de war:

Was ze de zolder vergeten? Het enige dat ze schreef is dat ze griezeltekeningen maakte en dat ze griezelverhalen las. Maar we belééfden ze ook!
Had ze dat allemaal verkeerd onthouden?
Of heb ik het zelf allemaal verkeerd onthouden?
Daar dacht ik lang over na.

Maar uiteindelijk wist ik: het maakt niet uit.

[...]

Dus: Linea heeft de jonge Eddie laten zien wie hij kon zijn.
En de jonge Eddie heeft de oudere Eddie laten zien wie hij kon zijn.
Want zo werken de beste verhalen. Zo werken de mooiste films en games. Zo werken de belangrijkste boeken. Ze wijzen ons de weg. Ze slokken ons op. En dan begint er een leven. Ons leven.

Op p. 256, aan het eind van 'Veertig jaar later', richt de verteller zich rechtstreeks tot de lezer met een cursief tekstje dat een hele pagina voor zichzelf krijgt:

Dus:
Wat ik je hier heb verteld is van begin tot eind zo gebeurd.
De meeste mensen zullen zeggen dat ik het verzonnen heb.
Dat ik het me heb ingebeeld.
Behalve jij.
Jij zult begrijpen dat het echt was.
Echter
dan de waarheid.

'Echter dan de waarheid' is iets dat al langer aan verhalen wordt toegeschreven. Wat is echt? Wat is waar? Wat is werkelijk? Het verhaal is geen documentaire maar leidt tot een inzicht dat waarachtig ('echt') aandoet en ons zo iets over de werkelijkheid leert. Dat tekstje, overigens, staat ook op p. 5, na titelpagina en colofon.

Er volgen nog twee 'Extra's'. Eén: de tekeningen van Linea. Twee: de 'half mislukte moppen'  van de wolk, of opa, Johannes, de figuur die Linea en Eddie meevoert naar vreemde hoeken van de zolder en misschien daarbuiten.
Leuk. Laat nou in het colofon staan: 'Tekeningen Linea © Simon Vermeulen'. Wie? 'Simon Vermeulen, een van mijn oud-ABCyourselvers, tekende de tekeningen die Linea in het boek maakt', meldt Edward van de Vendel op zijn blog op 23 augustus 2017. Fijn, weten we meteen dat Linea uit het brein van Edward is ontsproten.
Sowieso een relevant stukje, dus ik citeer nog een passage:

DE GROTE VERBODEN ZOLDER vertelt het verhaal van een tienjarig jongetje dat lijkt op het jongetje dat ik veertig jaar geleden was (dus zelfs nog iets langer terug). Hij is klein voor zijn leeftijd en houdt van verhalen en van fantasie. Nou ja... fantasie? De Israëlische schrijver Etgar Keret vertelde in de documentaire die onlangs over hem gemaakt werd dat zijn fantastische vertellingen voor hem 'waargebeurd' zijn. Dat de 'creatieve leugen' voor hem soms dichter bij de waarheid komt dan de waarheid zelf. Een dergelijke overtuiging ligt ook ten grondslag aan dit boek.

Mooie toelichting. Maar een leugen die dichter bij de waarheid komt dan de waarheid? Hebben we het hier niet over twee verschillende waarheden? Zoiets als inzicht en werkelijkheid?
Nóg een stukje:

DE GROTE VERBODEN ZOLDER vindt plaats in het huis waarin ik tot mijn twaalfde woonde. Dat huis stond op de kop van de basisschool, waarvan mijn vader de hoofdonderwijzer was. Er was een zolder die zich uitstrekte over alle lokalen. Daar mocht ik niet komen, want er was geen vloer, en als we naast de loopplank stapten zouden we dwars door de lokalen vallen - dood.
We hadden ook af en toe kinderen te logeren die om de een of andere reden even bij hun ouders vandaan moesten.

Die twee basisideeën zijn gecombineerd in dit boek: Linea (12) is een raadselachtig meisje, dat opeens verschijnt in het huis van Eddie (net 10). Ze lijkt hem te negeren, totdat er 's nachts op Eddies slaapkamerdeur geklopt wordt. Daar staat Linea. Ze wil dat Eddie meekomt naar... de Grote Verboden Zolder.

Hiermee biedt Edward een introductie die mij afdoende lijkt, dus dank.

Wat er op die grote verboden zolder gebeurt, ga ik hier uiteraard niet vertellen. Het is in ieder geval spannend. Laat ik het er maar op houden dat Eddie en Linea samen de boze geesten uit Linea's leven bevechten, tot en met de verschrikkelijke Bankman, een cycloop-achtige figuur. En tegelijk overwint Eddie daarmee de angsten die zijn eigen leven soms beheersen.
En Linea, zo blijkt gaandeweg, logeert bij hen omdat haar vader even niet meer verder kan en zich opsluit. Hoe en wat, doe ik evenmin uit de doeken. Het komt wel goed (blijkt 'Veertig jaar later').

Tja, en die jonge verteller Eddie ontsnapt zo ook behendig aan de valkuil van andere jonge of heel jonge vertellers in wat met een lelijk woord soms ik-verhalen wordt genoemd: dat ze vertellen met een stijl die de hunne eigenlijk niet kan zijn, zo vaardig en soepel. Vooral als ze dan ook nog in de onvoltooid tegenwoordige tijd vertellen, als een soort verslag ter plekke.
Dít verhaal wordt immers achteraf verteld (in de onvoltooid verleden tijd) en de de verteller blijkt veertig jaar later een auteur. Daarmee wint dit verhaal ook aan waarachtigheid. Want vertellen kan-ie echt wel, zie voor prachtige staaltjes p. 36, 81 en 144, en, ach ja, overal.
Ik citeer één zinnetje, dat van p. 81:

Ze praatte overdag alleen met papa en mama, en bij het eten deed ze net alsof ik een stukje groente was dat naast haar bord terecht was gekomen.

Goed gedaan, Eddie.




Edward van de Vendel. De grote verboden zolder. Querido, 2017. ISBN 978 90 451 2069 0, 272 p.




dinsdag 12 september 2017

Poëzie: luisteren

Er kwam een persbericht binnen van Stichting Lezen.

Poëzie in Nederland: wijdverspreid genre & gedeelde ervaring

Kila van der Starre (Universiteit Utrecht) onderzocht hoe volwassenen in Nederland met poëzie in aanraking komen. Poëzie wordt vaak gezien als een niche-binnen-een-niche, maar het blijkt een zeer wijdverspreid genre: 97% van de volwassen Nederlanders komt weleens in aanraking met poëzie. Dat gebeurt bijvoorbeeld in de openbare ruimte, bij speciale gelegenheden of op televisie, social media en radio. Bovendien worden deze ervaringen positief gewaardeerd: meer dan de helft geeft het zomaar tegenkomen van poëzie een 7 of hoger (op een schaal van 1 tot 10). En: voor veel mensen smaakt de poëzie die zij zomaar tegenkomen naar meer.

Vrijwel alle Nederlanders komen in aanraking met poëzie. Dat blijkt uit het onderzoek dat Kila van der Starre samen met bureau Markteffect onder 1.003 Nederlanders van 18 jaar en ouder uitvoerde in het kader van haar promotieonderzoek naar ‘poëzie buiten het boek’ in Nederland. Maar liefst 97,4% leest, luistert, schrijft of deelt poëzie, of komt poëzie zomaar tegen, bijvoorbeeld tijdens speciale gelegenheden, op televisie, in de openbare ruimte, of in een tijdschrift, krant of op internet.

Het sinds eind 19e eeuw gangbare idee dat poëzie een genre is dat we individueel en in stilte lezen (‘met een boekje in een hoekje’) gaat niet op: Nederlanders komen vooral in aanraking met poëzie in mondelinge vorm. Poëzie is voor de meeste volwassenen een sociaal fenomeen dat collectief wordt ervaren. Dat gebeurt met name tijdens bijzondere gelegenheden zoals een huwelijk, een uitvaart of een speech, en via televisie, kranten, radio of social media. Mensen waarderen dat ook. Een belangrijke reden voor mensen om poëzie te ervaren is dat zij geraakt willen worden of aan het denken gezet, maar ook de praktische reden – op zoek naar een gedicht voor een speciale gelegenheid – is belangrijk.

Voor veel mensen smaakt de poëzie die zij zomaar tegenkomen naar meer. Bijna de helft van de volwassen Nederlanders wil daarna meer poëzie lezen of horen. Van der Starre stelt dan ook vast dat er voor uitgevers, boekhandelaren, bibliotheken en het onderwijs mogelijkheden zijn voor poëziebevordering.

Kila van der Starre (2017) Poëzie in Nederland. Een onderzoek naar hoe vaak en op welke manieren volwassenen in Nederland in aanraking komen met poëzie. Amsterdam: Stichting Lezen in samenwerking met het Nederlands Letterenfonds, en is vanaf 15 september te downloaden via de site.
Kila van der Starre is als promovendus verbonden aan de vakgroep Moderne Nederlandse Letterkunde van de Universiteit Utrecht. Voor meer informatie over haar onderzoek: kilavanderstarre.com.

Mooi, zo'n onderzoek.
Laten we vooral niet vergeten dat veel poëzie ook gezongen wordt. Ik krijg uit dit persbericht de indruk dat Kila van der Starre dat niet heeft meegenomen in haar onderzoek. Dat zou jammer zijn, maar haar eigen site biedt hoop want daar vermeldt ze over haar onderzoek:

Poëziefestivals trekken volle zalen, cafés zitten vol voor poetry slams, op het internet wordt volop lyrisch geëxperimenteerd, zangers bereiken een enorm publiek, muurgedichten sieren tientallen steden, Gedichtendag is uitgebreid tot een Poëzieweek en dit jaar benoemde België voor het eerst een Dichter des Vaderlands. Als we het genre niet beperken tot lezen, heeft poëzie vandaag misschien wel het grootste bereik in eeuwen.
(Cursivering door mij.)

Waarvan akte.

woensdag 6 september 2017

Dood en leven

Om niets minder draait het verhaal in Het geheim van het Nachtegaalbos van Lucy Strange, vertaald uit het Engels.
Een knap en ontroerend verhaal, verteld door Henrietta Georgina Abbott, kortweg Henry of Hen. Ze is twaalf jaar, blijkens de flaptekst.
Ze doet dat dusdanig dat het hoegenaamd niet opvalt dat de verteller hier een soort verslag doet (achteraf, in onvoltooid verleden tijd) dat wellicht ietwat te vlot is voor een twaalfjarige - maar dan zij meteen vermeld dat die leeftijd niet meteen in het verhaal opduikt en dat Henry bovendien een leesgraag meisje blijkt en zich ook in gesprekken goed blijkt te kunnen redden. Dat maakt acceptatie makkelijk. De enige keer dat ik een zinnetje las waarbij ik noteerde 'Hoe weet ze dat?' is op p. 37:

Er kwam een boosaardig lachje op mijn gezicht.

Iets meer fragment:

Dokte Hardy's instructie galmde door mijn hoofd:
Geen grote avonturen voor jou, jongedame...
Er kwam een boosaardig lachje op mijn gezicht.
Ik ging lekker toch.

Laat die ene zin er uit en het bekt net wat natuurlijker voor een verteller die zichzelf immers niet ziet.

Dokte Hardy's instructie galmde door mijn hoofd:
Geen grote avonturen voor jou, jongedame...
Ik ging lekker toch.

Of vervang ik door zij:

Dokte Hardy's instructie galmde door haar hoofd:
Geen grote avonturen voor jou, jongedame...
Er kwam een boosaardig lachje op haar gezicht.
Ze ging lekker toch.

Nou ja, van die stijloefeningen zijn er meer te doen.
Hoofdzaak is dat het verhaal met verteller en al recht overeind blijft.

Tijd voor een introductie.
Het verhaal begint als het gezin Abbott voor hun nieuwe huis staat:

We stonden met zijn allen naar het nieuwe huis te kijken: vader, mama, ons kindermeisje juffie Jane, Biggetje en ik. Het was groot en oud, en stond hier en daar op instorten, met muren die een beetje verzakten en een steil pannendak vol mos. Op het hek zat een bordje: HUIZE HOOPVOL.
'Het is een nieuw begin,' zei vader.

Al snel blijkt dat nieuwe begin weinig hoopvol. Mama is zwak en ziek, vader moet voor werk weg, juffie Jane heeft de zorg voor iedereen, Henry vooral voor haar zusje met de rare naam Biggetje, een baby. Mama wordt toevertrouwd aan dokter Hardy, en Henry vindt hem een griezel, hetgeen ons in heerlijke Dickensiaanse woorden wordt beschreven, te beginnen met zijn 'vochtige en kwabbige' hand.
Waaróm ze zijn verhuisd, dat vertelt ze ons allengs tussen de regels door, maar het duurt heel lang, voorbij de helft van het verhaal, tot we te weten komen wat voor rampzalige gebeurtenis hen naar Huize Hoopvol heeft gebracht, en hoe Henry's broer Robert stierf. (Robert duikt al in de eerste pagina's op, Henry ziet hem voor zich en praat met hem.)
Die dosering vind ik heel knap, de spanningsboog wordt fraai gespannen. Ook passend is dat het lang duurt voordat je als lezer doorkrijgt in welke tijd het verhaal speelt, tenzij je de flaptekst hebt gelezen: 1919. In het verhaal komt de eerste echte aanwijzing pas op p. 23. Ik zal citeren, ook om nog een indruk te bieden van de stijl:

Hij keek weer naar zijn brief en bracht intussen zijn theekopje naar zijn mond. Huid vol littekens strekte zich, als een landkaart van Afrika, over de rug van zijn hand en pols. Tegenwoordig zag je veel mannen met littekens - herinneringen aan de Grote Oorlog, die afgelopen november was geëindigd - maar vader had niet gevochten. Hij was ingenieur en had het grootste deel van de oorlog in Britse havens en fabrieken gewerkt; zo streed hij voor de overwinning, ja, maar zonder daadwerkelijk te vechten. Vaders litteken kwam helemaal niet uit de oorlog. Ik deed mijn best niet te denken aan de nacht dat hij het had opgelopen.


Vreemde stijlfiguur 'Tegenwoordig zag je...'. Wat zou er in het Engels gestaan hebben?
Achter het huis is een bos en daar ontdekt Henry een heks, die al bij de tweede ontmoeting geen heks blijkt maar een vrouw die zich uit de wereld heeft teruggetrokken en zich aan Henry voorstelt als Mot.
Dokter Hardy blijkt samen met een collega (Chilvers) snode plannen te hebben met mama, plannen voor een behandeling die, vermoedt Henry, helemaal niet goed voor haar is. Ze probeert de uitvoering van die plannen te voorkomen, samen met Mot, die op wonderbaarlijke wijze met Huize Hoopvol, verbonden blijkt. Ook van anderen krijgt ze hulp en uiteindelijk ook van vader, die als reactie op een bondig telegram verstuurd door Henry ('je bent hier nodig') met spoed naar huis komt. Volgt een geweldig feel-good-einde. Er is weer hoop in Huize Hoopvol.
Er zijn méér verwikkelingen en verhaallijnen, de pijn van verlies is overal, zo heeft Mot een zoon verloren in de Grote Oorlog. Maar ik ga die verwikkelingen en verhaallijnen niet uit de doeken doen.

Het is een boeiende tijd. Te dichtbij om in de kostuumdrama's te vallen, de echte 'historische literatuur' zoals dat met een vreemde term heet. (Vreemd omdat die literatuur zelf niet historisch is, de verhalen spelen zich af in het verleden.) Maar net te ver terug om het idee te krijgen dat het verhaal zich hier en nu zou hebben kunnen afspelen. (Alleen al het verschijnsel kindermeisje, in die eerste zin.) En de auteur heeft, voorzover ik kan nagaan, erg haar best gedaan om het decor in die zin kloppend te maken, zelfs in de reacties op iets gewoons als de telefoon die overgaat, en in andere details, zoals het geluid van een auto. (Viel toen nog op.) De pijn van verlies was toen in Groot-Brittannië overal, er waren zoveel jonge mannen omgekomen op de slagvelden. (Zie ook Het boek van de kinderen van A.S. Byat, een meesterlijke roman.)

De vertaling van Aleid van Eekelen-Benders kan ik niet beoordelen. Eén aanpassing viel makkelijk te achterhalen, die op p. 80:

'Misschien zingt de nachtegaal dáárom als u naar hem fluit,'zei ik lachend. 'Hij weet dat u ook een nachtegaal bent. Want nightingale betekent nachtegaal.'

Tja, hoe die passage in het Engels luidt... Waarschijnlijk is dat laatste zinnetje door de vertaler toegevoegd.

In het Dankwoord achterin bedankt de auteur een heleboel mensen, waaronder Studio Helen 'voor het mooie omslag: toen ik de eerste schets zag sprongen de tranen me in de ogen, zo prachtig was het'.
Dat ben ik helaas niet met haar eens. Ik vind het een spuuglelijk omslag.
Niettemin: een veelbelovend debuut.


Strange, Lucy. Het geheim van het Nachtegaalbos. Gottmer, 2016. ISBN 978 90 257 6722 8, 320 p. Oorspr. The Secret of Nightingale Wood, 2016.









maandag 28 augustus 2017

Schitterende erwt

Heel vroeger vertelden mensen elkaar verhalen, of er was iemand die meer verhalen kende en beter kon vertellen of zingen. (Misschien was het heel vroeger het verschil tussen poëzie en verhalen niet zo omlijnd als nu.)
De verteller of zanger had zijn publiek voor zich. Hij (of zij, enz.) wist tot wie hij zich richtte en als-ie goed was, trof hij de juiste toon. Die metafoor is ontleend aan de muziek. C'est le ton qui fait la musique. Boeren, stedelingen of adel, jong of oud, vrouwen, mannen of beide, het maakte verschil.
Moeilijk te omschrijven wat dat precies inhoudt, de juiste toon. Heeft te maken met aandacht, stem, modulatie, vocabulaire, sleutelwoorden, syntaxis en meer.
Maar iedereen begrijpt de uitdrukking. Het maakt het verschil tussen blijven luisteren of weglopen. Van levensbelang voor de verteller.

Toen werd de drukkunst uitgevonden en verscheen het gedrukte boek. In een boek verdwijnen stem, modulatie en nog wat zaken. De woorden blijven over. Het publiek wordt een abstractie, want een boek lees je doorgaans in je eentje, behalve als je voorleest of uit het hoofd voordraag of zingt.
Maar nog steeds blijft het voor de lezer of luisteraar belangrijk of hij zich aangesproken voelt, of de juiste toon wordt aangeslagen. Het maakt het verschil tussen doorlezen of boek wegleggen.

De afwezigheid van direct contact tussen verteller (een persoon van de schrijver) en aanwezig publiek maakte echter een wijdere baaierd aan stijlen mogelijk. Iedere verteller (schrijver) denkt zich zijn eigen publiek, of dat nu zichzelf, kinderen, klas, vrienden, echtgenoot, grootmoeder of wie dan ook is. 'Ik schrijf voor mezelf'  of 'Ik schrijf niet voor een bepaald publiek' zijn veelgehoorde uitspraken onder auteurs.
De schrijver kiest zich een verteller. Dat kan hij (of zij, enz.) zelf zijn (de naïeve positie), maar hij kan ook een virtueel masker opzetten (persona: Latijn voor masker) of een persoon uit het verhaal tot verteller benoemen. En zelfs als hij zichzelf kiest, wordt hij de verteller van dat moment. De schrijver groeit door, de verteller stolt in het gedrukte verhaal. (Jaren later bladert de schrijver in zijn boek en denkt, heb ík dat geschreven? Dat zou ik nu heel anders doen.)
Als lezer probeer ik in het verhaal de verteller te vinden. Het doet er immers toe wie het verhaal of gedicht vertelt, we krijgen al lezend zijn blik mee, zijn standpunten. Draag ik het voor, dan probeer ik een goede interpretatie te vinden, de toon die past bij de verteller. Maak ik er muziek bij: idem dito.

In het algemeen slaan volwassen vertellers tegenwoordig voor kinderen een andere toon aan dan voor medevolwassenen. Dat geldt ook voor gedrukte tekst. Er is een beperkt repertoire aan stijlen dat in kinderboeken overheerst. Het maakt de meeste kinderboeken direct herkenbaar als kinderboek, ook zonder kaft en opmaak. Dit is geen kritiek, ook een verteller met een gangbare stijl kan een prachtig verhaal vertellen en heel mooie gedichten brengen.
Waar toon en stijl afwijken van de dominantie wordt het interessant en moet ik me bewust zijn van wat ik verwacht.




Ik kreeg door de uitgeverij een boek toegestuurd van Ted van Lieshout: Onder mijn matras de erwt. Ted van Lieshout staat bekend als auteur voor kinderen, althans, zijn werk is doorgaans te vinden op de planken bedoeld voor jeugdliteratuur en zijn naam figureert in lijsten en bekroningen van jeugdliteratuur. (Zijn prijzenkast is aardig gevuld.)
Ik sla het open en zie pagina's met afbeeldingen van poppenhoofden; zo ongeveer als die op het omslag staan afgebeeld.


De uitdrukking op hun gezichten is niet vriendelijk, eerder droevig. Het lijken wel doodsmaskers.
Dat verwacht ik niet in een kinderboek. Is het wel een kinderboek? Ik controleer de buitenkant: er staat geen leeftijdsaanduiding op het boek wordt niet als kinderboek vermeld. Wel is Leopold bekend als uitgeverij van jeugdliteratuur.
Maar wat is een kinderboek? Stil, die vraag is minder makkelijk dan-ie lijkt.

Ik ga lezen. Onderdruk de neiging om bij de inhoudsopgave meteen door te gaan naar 'Over de poppen'.
Vóór de inhoudsopgave staan nog meer van die poppenpagina's en achterin zijn er ook: bij elkaar dertien, en het zijn steeds dezelfde vijftien koppen, met andere aankleding. De inhoudsopgave zelf is voorzien van drie identieke, liggende tekeningen van een ernstig kijkend meisje.

Dan beginnen de teksten. Sommige rijmen, nog meer zijn vormgegeven als gedicht: coupletjes, als het ware. Daaronder zijn er die eigenlijk proza zijn, al geeft de vorm er een soort ritme aan. Daartussendoor teksten die als een lopende monoloog zijn opgeschreven, zinnen achter elkaar door.
Er rijst het beeld uit van een persoon die het moeilijk heeft met zichzelf, haar moeder, haar afwezige vader, het overlijden van haar oma. Nogal schrijnend, pijnlijk, soms pijnlijk grappig, galgehumor. De poppekoppen passen er wonderwel bij.
Ik bedwing de neiging om uitvoerig te citeren. Eén gedicht, aan het eind (p. 78):

nut

Ik moet mijn huiswerk maken,
mijn kamer opruimen, de vuilniszak
buitenzetten, me mooi gaan vinden,

niet boos zijn omdat mijn ouders
niemand beter konden krijgen
dan elkaar, geen die knapper was

om mee te vrijen, waardoor ik nu
opgezadeld ben met een aangeboren
lelijkheid die geen enkel kind verdient.

Ik mag blij zijn als ik later werk kan
vinden als afwashulp of vloerdweiler
in eetcafé Het gebochelde kippetje.

O, het zou goed zijn als ik zachtjes stierf,
verongelukte onder de grote voeten
van alles wat me vertrappelen wil

en schopt. Of komt er ooit een tijd,
waarin ik dan nog leef, dat ze te weten
komen dat het nuttig is dat ik besta?

Nou, vooruit, nog eentje, die van p. 34, als voorbeeld van galgehumor:

glazen schoentjes

Ik dacht dat ik glazen muiltjes droeg.
Ik weet zeker dat ik glazen schoentjes
had! Een prins die mij kwam redden
uit dit dal, weg van mijn moeder die
mij zelfs geen zevenmijlslaarzen gunt,

galoppeerde mij tegemoet op het paard
dat ik tegen wilde houden. Maar het
rende me voorbij. Ik riep nog: papa,
ik sta hier! Maar hij had in de verte
een stiefmoeder gezien met grote borsten.

Deze Assepoester dient middels wrange, schrijnende, prachtige teksten ongewild een aanklacht in tegen haar ouders, tegen de wereld. Alle teksten worden vergezeld door uitvergrote portretten van diezelfde poppenkoppen van de verzamelpagina's.
Ik aarzel niet: ik vind dit een meesterwerk.

Wat vooral knap is, is de toon. Hier is onmiskenbaar een kind aan het woord. Hoe oud, welk kind, dat laat ik in het midden. Ze lijkt gaandeweg ouder te worden. Schrijver Ted van Lieshout heeft dat kind ongetwijfeld in zich, heeft zich al schrijvend vermomd, verpopt tot dit kind, dat voor zichzelf notities maakt, uiteenlopend van een negenregelig versje van zeventien of achttien woorden (zie p. 43, mooi, een zaam of eenzaam) tot een lange monoloog als op p. 38. Ik ben haast blij als op p. 80 blijkt dat ze toch, daar, een vriendin heeft, en ook op p. 70 is ze niet alleen. Maar ja, haar oma sterft wel.

Een kinderboek? Niet direct, volgens de geijkte verwachtingspatronen. Maar reken maar dat er genoeg kinderen van tien en ouder zijn die zich hierin herkennen...



O.k., ik citeer niet de felle,  ironische aanklacht van p. 71 ('ik ben mijn moeder'), maar dan tot slot nog het titelversje (p. 74):



onder mijn matras

Ik dacht dat ik zou groeien
in een ander. Misschien
werd ik wel met grote borsten

aan of kreeg een staart
met vin. Helaas kon ik alleen
maar worden die ik ben.

Stil. Niemand ziet aan
mij wat ik verberg:
onder mijn matras de erwt.

Lezen en kijken, dit boek! Savoureren. En eindig met het stuk 'Over de poppen'. Waarin je o.a. kunt lezen hoe je zelf zulke poppenhoofden kan maken.

 


Ted van Lieshout. Onder mijn matras de erwt. Leopold, 2017. ISBN 978 90 258 6498 9; 94 p.






dinsdag 25 juli 2017

Ossip

Ossip is een grappig klinkende naam, die niet vaak voorkomt. Hoeveel kinderen met Nederlands als moedertaal zullen weten dat het een echte voornaam is?
Het zou zomaar kunnen dat Ossip uit het prentenboek Ossip en de onverwachte reis van Annemarie van Haeringen hun eerste Ossip is.
En wat voor een! Zo klein als een plantje, met een lange rode hoed die lijkt op de grassprieten rondom hem.


Zijn woning deed me onmiddellijk denken aan een andere ooit bekende kleine figuur: Piggelmee. Die woonde met zijn vrouw in een Keulse pot. Hij mocht een wens doen van een tovervis, deed dat, maar zijn vrouw wou meer. Hij mocht opnieuw een wens doen enzovoort, tot de vis er genoeg van had en ze er weer net zo bij zaten als in het begin. Althans, zo ging het in het eerste verhaal over Piggelmee, Van het toovervischje, gebaseerd op Grimm's sprookje Van de visser en zijn vrouw. Een motief dat door Aarne-Thompson als nummer 555 vermeld wordt en dat allerlei varianten kent. (Ik herinner me er een waarin de laatste wens is dat die worst weer verdwijnt van de neus van de vrouw...)

Zo'n vrouw heeft Ossip niet. Hij woont alleen, maar hij bakt zijn zoete broodjes ook voor iemand anders. Wie, dat blijkt pas aan het eind van het verhaal. In ieder geval niet iemand met de kapsones van de vissersvrouw.
Ossip en de onverwachte reis is een typisch stapelverhaal, en de episoden zijn door een rode draad met elkaar verbonden, een rode draad die er al op de titelpagina is en die Ossip in de tweede prent vindt.

'Waar gaat het naartoe?'
Nieuwsgierig volgt Ossip het spoor.
De broodjes zijn toch nog niet afgekoeld.
Hij kan best even...



Zo begint een reeksje avonturen dat hem zelfs even op de tekentafel van zijn verteller brengt - waar hij zichzelf ziet in statu nascendi.

 

Met excuses voor de scans, het boek is groter dan mijn apparaat aankan, de onderkant kon er niet bij en de punt van Ossips muts verdween. Er staat dus méér op deze dubbelpaginaprent dan hier afgebeeld en ook de andere twee afbeeldingen zijn details. Aangezien álle prenten dubbelpaginaprenten zijn, houd ik het bij bovenstaande afbeeldingen. Ze zijn prachtig, uitbundig, stijlvast, expressief, vol kleine grapjes en mooie details.
Het loopt goed af, dit verhaal - ik vertel niet hoe. Een feestje voor mensen van 4 en ouder, dit boek. Het laat zich uitstekend voorlezen.


Annemarie van Haeringen. Ossip en de onverwachte reis. Leopold, 2017, ISBN 978 90 258 7298 4.



dinsdag 11 juli 2017

Schuilplaats

Soms ontvang ik een boek waarvan ik me verbaasd afvraag: heb ik dat aangevraagd? Niet omdat het er afzichtelijk uitziet, maar omdat ik het bijzondere er niet meteen aan zie en ik me nu eenmaal heb voorgenomen alleen titels aan te vragen waarvan ik vermoed dat ze op de een of andere manier bijzonder zijn.

Maar ik had Schuilplaats van Marike Goslinga wel degelijk aangevraagd, ergens in 2016, waarschijnlijk omdat het een debuut is. En wel zo bescheiden dat van de auteur niet eens een website te vinden is, wat tegenwoordig toch al gauw zo is, en dat er op de website van haar uitgever (Leopold) vandaag niets over haar te vinden was.
Wat ik wel over haar vond is 'Over mij' op de website van Wollewop, 'Kleinschalige Kinderopvang Haren'. O.a.:
'Daarnaast heb ik de afgelopen jaren een deeltijdstudie gedaan voor het schrijven van kinderboeken. Mijn debuut komt uit in juni 2017, bij uitgeverij Leopold. Het boek heet Schuilplaats en gaat over vriendschap en loslaten.'

Tja, ik vermoedde al dat de auteur een schrijverscursus o.i.d. had gedaan. Stijl, lengte van de hoofdstukjes, opbouw, het is keurig volgens het boekje. Een ruim voldoende, zou ik zeggen. Asjeblieft, hier is het diploma. Het ligt natuurlijk aan mij, steeds op zoek naar wat afwijkt van de gebaande paden, dat ik het wat saai vind. De tekst op de achterkant vat het verhaal goed samen, maar laat (gelukkig) het antwoord op de vragen open.


Het is niet alleen keurig volgens het boekje, het is ook wat braaf. Het drama blijft netjes binnen de lijntjes der verantwoordelijkheid, er valt geen onvertogen woord in en voor het uitstrooien van as in de duinen wordt toestemming gevraagd.
De personages gedragen zich zoals te verwachten valt onder de omstandigheden en hebben allemaal wel iets aardigs, er komt geen echte naarling in voor.

Wat hier een beetje wringt, zoals vaker in verhalen met een jonge verteller, is de verteller. Dat is Levi, tevens hoofdpersoon, twaalf jaar - en hem wordt daardoor een taalvaardigheid en observatievermogen toegeschreven dat niet helemaal dat van een gemiddelde twaalfjarige is. Dit had vermeden kunnen worden door een anonieme verteller aan het woord te laten.
Maar zit ik er ver naast als Marike Goslinga ooit aangeraden is om dat juist niet te doen? Want de beoogde lezers laten zich wellicht door het perspectief van Levi makkelijk meeslepen in het verhaal en dat is dan de bedoeling. Niet stilstaan bij de woorden, maar meebeleven.
En het moet gezegd dat de auteur haar best heeft gedaan haar verteller niet al te virtuoos te keer te laten gaan, zodat de geloofwaardigheid van het verhaal er (behalve voor zo'n lezer als ik) niet onder lijdt. 'Ik wierp hem een bliksemstraal toe met mijn ogen', het kan gewoon.

Eén citaat nog:

'Er kwam een zucht vanuit mijn tenen. Nog een keer luisteren. Het berichtje was er nog helemaal, ik kon weer iets rustiger ademhalen. Fjiew. Maar toen gebeurde het. Alsof ergens vanbinnen iemand een kraantje opendeed. Massa's tranen kwamen tegelijk naar buiten glijden. Eerst probeerde ik ze weg te slikken. Dat mislukte en ik kreeg bijna geen adem meer. Alles werd nat, zelfs tranen op mijn broek. Na een tijdje haalde ik mijn neus hard ratelend op en veegde met mijn mouw over mijn gezicht. Oké, kalm aan, adem in, adem uit. Langzaam werd ik weer wat rustiger. De tranenkraan was dicht, opgedroogd.'

Is dat niet een wat te knappe beschrijving voor een twaalfjarige verteller? Maar het geeft niet, juist door de beschrijving, ondanks het enorme vertelcliché en toen gebeurde het, ben ik bereid mijn ongeloof op zij te zetten - en met mij vermoedelijk menige twaalfjarige lezer.

Zoek nu zelf één zin en één stel woorden uit die voor de verteller eigenlijk overbodig zou moeten zijn, maar die hij (en achter hem dus de auteur) toevoegt voor de lezer, voor het beeld:

'We sjeesden op de fiets naar het dorp. Jimmi's opa zou later komen met zijn gitaar. We parkeerden de fiets bij de bibliotheek en liepen toen de Dorpsstraat in.
Vanuit de verte zagen we dat Rosa haar spullen al had uitgestald voor het museum. Toen ze ons zag  omhelsde ze ons uitbundig, we werden bijna platgedrukt.'

Niet gevonden? Vergelijk:

We sjeesden op de fiets naar het dorp. Jimmi's opa zou later komen met zijn gitaar.
Vanuit de verte zagen we dat Rosa haar spullen al had uitgestald. Toen ze ons zag  omhelsde ze ons uitbundig, we werden bijna platgedrukt.

OK, dit is allemaal misschien muggezifterij van een hogere orde. Close reading, wat u zegt, en daar is op zich niets tegen, daar leren we van.

Het is dus een keurig verhaal, met keurige middle class personages, ietwat aan de brave kant, met een goed geproportioneerde opbouw en een hoopvol einde en klaar voor de thema's 'verlies' (c.q. 'overlijden ouder') en 'vriendschap', en redelijk maar niet al te voorspelbaar.

Daarmee is niet gezegd dat ik het een slecht verhaal vond. Het zit goed in elkaar, en de personages (ook de verteller) krijgen voldoende reliëf en ontwikkeling. Ik ging me niet vervelen, en concludeerde dat wat mij betreft Marike Goslinga het niet bij dit debuut hoeft te houden. Wel zou een volgend verhaal iets meer mogen schuren.



Marike Goslinga. Schuilplaats (Leopold, ISBN 978 90 258 72977, 124 p.)








maandag 10 juli 2017

Schrijven over het leven

Wat is Engels toch een soepele taal. Hoe zou je life writing (niet te verwarren met live writing: dat bestaat ook) moeten vertalen? Het is meer dan een leven beschrijven, kan ook een deel ervan, een dag, een uur. Wikipedia beschrijft het zo: 'the recording of memories, and experiences, whether one's own or another's. This applies to many genres and practices, under which can be found autobiography, biography, memoir, diaries, letters, testimonies, personal essays and, more recently, digital forms such as blogs and email'.

Helma van Lierop-Debrauwer kwam er niet uit en nam, als zovele taal-luie onderzoekers, de Engelse term over in naar inleiding van Literatuur zonder leeftijd (LZL) nr. 102 (voorjaar 2017). Deze aflevering heeft life writing als thema.
En dus krijgt het eerste artikel (ook van haar) onder de fraaie titel 'Echt gebeurd?' de lelijke ondertitel 'Life writing in de Nederlandstalige jeugdliteratuur' mee. Háár definitie van dit begrip ontleent ze aan het boek Reading Autobiography, A Guide for Interpreting Life Narratives van Sidonie Smith en Julia Watson (2010): 'We understand life writing as a general term for writing that takes  a life, one's own or another's, as its subject. Such writing can be biographical, novelistic, historical or explicitly self-referential and therefore autobiographical.'
De kop is fraai omdat die precies aanstipt wat er aan schrijven over het leven vooral onderzocht kan worden: is het echt gebeurd? En wat is dat dan, dat echte gebeuren? Hoe beschrijf je dat als onderzoeker zonder je eigen interpretatie erin te mengen?
Dat gaat verder dan de feitencontrole die sommige dagbladen in rubriekjes toepassen (wat dan weer in vernederlands Engels factchecking heet), omdat de beschrijver, de life writer, onvermijdelijk ook selecteert en interpreteert. Helma komt direct met het mooie voorbeeld van Anne Frank, die in 1944 haar dagboek herschreef met het oog op mogelijke publicatie. Tweemaal 'echt gebeurd'? Ja als het om de feiten gaat, maar er is zoveel meer dan enkel feiten, een dagboek is geen logboek.
Uiteraard passeren nog andere titels de revue in haar artikel.

Feiten, meningen, interpretatie: hier raakt de biograaf wetenschappelijke thema's. Dat is het onderwerp van het tweede artikel in deze aflevering, door Annette de Bruijn, met de lange titel 'De kunst van de biografie: tussen literatuur en wetenschap', ondertitel 'Vier biografen aan het woord over opvattingen, bronnen, valkuilen en zonden'. De vier biografen zijn Joep Boerboom, Joke Linders, Monica Soeting en Janneke van der Veer. Die geven 'in hun antwoorden allemaal blijk van een duidelijk bewustzijn dat het in biografie gaat om hun structurering en interpretatie, om hun constructie van het leven van hun onderwerp.'

En zo volgt er nog een reeks van min of meer interessante artikelen, van Aart Broek, Monica Soeting, Ingrid van der Heijden & Helma van Lierop-Debrauer, Chris Bulcaen, Sanna Lehtonen (in English), Sara Van Meerbergen, Harry Bekkering, Frauke Pauwels, Tiny la Roi en Britta Jung (wier onderzoek door Harry Bekkering overigens grondig wordt bekritiseerd).

Een dijk van een aflevering, deze keer geheel zonder columns e.d. Maar wel met een mooi (en toepasselijk) gedichtje van Ienne Biemans achterop.



Literatuur zonder leeftijd 102, zomer 2017. IBBY Nederland, ISBN 978 94 6167 309 1, 174 p.

dinsdag 4 juli 2017

Tessa in Albanië

Dit wordt een rare recensie, sorry.
Omdat ik dit voorjaar in Albanië was, gaf iemand me Een varken in het paleis van Tessa de Loo (De Arbeiderspers, 1998).
Dat is een reisverslag. De auteur deed een poging in de voetstappen te treden van Lord Byron, die in 1809 door het gebied reisde dat nu Zuid-Albanië is.
Het boek lag een tijdje op een stapel, maar onlangs begon ik toch te lezen.

Ik weet niet hoe het kwam, maar na een tiental bladzijden moest ik onweerstaanbaar denken aan de wekelijkse Volkskrant-columns van Annemarie Oster. Eigenlijk weet ik wel hoe het kwam: het trof me dat beide vrouwen vaak eigenlijk ironisch over zichzelf schrijven terwijl ze formeel over iets of iemand anders schrijven. Twee vertellers die zichzelf graag bij het verhaal betrekken, anders dan (bijvoorbeeld) Carmiggelt deed, die zich juist zo onzichtbaar mogelijk maakte in zijn stukjes.

Ik ken ze geen van beiden (behalve dan van hun teksten en enkele foto's), maar zag twee slanke, fijnbesnaarde (of zichzelf fijnbesnaard achtend), cultureel onderlegde (idem) vrouwen voor me die graag op hakken en in bijpassende dameskleding gaan, een damestas dragen, er graag verzorgd uitzien, twee tuthola's eigenlijk, maar niet onsympathiek en soms bereid tot ondamesachtig gedrag buiten de lijntjes.
Later zocht ik hun websites op en verdomd, ze vertonen uiterlijk enige overeenkomst. Maar dat zegt niet veel, natuurlijk.

Laat ik wat citeren.

Annemarie Oster begint haar stuk (toevallig het laatste van haar in de reeks 'Doorlezen of afhaken') in de Volkskrant 1-7-2017 zo:

'Zoals elke week luisterde ik zaterdagochtend naar de TROS Nieuwsshow, en met extra gespitst gehoorapparaat, naar de boekenrubriek.'

Ze deelt ons in één zin al twee zaken mee die er voor het boek dat ze bespreekt niet toe doen: dat ze iedere zaterdagochtend naar dat programma luistert en dat ze een gehoorapparaat heeft (en dat is ook een mooi staaltje ironie).
Nou ja, ze heeft dat programma nodig als opmaatje voor een brievenboek dat ze wil vermelden (hoewel ook dat niet het boek is dat ze bespreekt), want ze hoorde een bespreking van Amos Oz'  Zwarte doos en 'tot mijn vreugde en nieuwsgierigheid schijnt het brievenboek waarmee de schrijver eind jaren tachtig bekendheid verwierf, over een haat-liefdeverhouding te gaan en, volgens Hoogervorst, vernuftig in elkaar te zitten.'
Fijn voor haar. En voor ons, we weten nu ook dat ze van haat-liefdeverhoudingen houdt en van vernuftigheid.
En passant blijkt dat haar gehoorapparaat kennelijk heel goed werkt want 'ook zonder dit hulpstuk zijn de recensies van Ingrid Hoogervorst door het hele huis te horen. Ditmaal beschreeuwde zij het in vertaling verschenen Zwarte doos van de onvolprezen Amos Oz.' (Ik dacht: je kan ook het volume van de radio wat lager zetten.)
Ze heeft ons inmiddels ook getoond cultureel helemaal bij te zijn. Wie heeft er nu nooit van Amos Oz gehoord? (Overigens ging de bespreking over Dát is nu handel, meisjelief! van Vera Funke. Een brievenboek, inderdaad.)
Let wel, dit was een aflevering uit de reeks 'Doorlezen of afhaken', waarin diverse mensen 'op verzoek van de boekenredactie' hun eerste indrukken van boeken geven.
Dat ze het in haar andere teksten, o.a. de columns die ze tot 2016 voor dezelfde krant schreef (zie Mooi geweest), vaak over zichzelf had, werd nog eens mooi belicht in het interview dat journalist Wim de Jong op 18 oktober 2012 met haar had:
Met veel zelfspot en de gepaste afstand van een grande dame beschrijft Oster in Mooi geweest ook wat ze op haar bijna-70ste allemaal aan kleine en grotere avonturen achter zich heeft liggen. Het brengt het gesprek op het wereldse, het wuft-mondaine, het frivole, het oh-la-la dat ze als 'vrouw van de wereld' in haar boeken en columns door de jaren heen met verve heeft uitgedragen. Er kon in de hoofdstad bij wijze van spreken geen tentoonstelling, toneelpremière, receptie, nazit of ander ons-kent-ons-partijtje worden georganiseerd, of diva Oster was erbij in die journalistieke feestvermomming. '

Dan Tessa de Loo.
Die schreef heel weinig columns, voor zover ik weet, maar romans en reisverhalen. En ze blijkt op haar website in het geheel niet gedistantieerd, maar unverfroren reclame voor zichzelf te maken. Of iemand anders, want de webtekst gaat over haar in de derde persoon. Een diva is ze evenmin.
Echter, Een varken in het paleis gaat evenzeer over de vertelster als over Lord Byron, en dat begint al met een bijzondere stijlvorm die ze met grote regelmaat toepast: de briefvorm. Ze schrijft in die passages direct aan 'beste George', ofwel George Gordon Byron, Lord Byron.

Uit die weinige columns, waarvan er één op haar website is te vinden (Nostalgie) citeer ik:

'Nuno is erg gevoelig. Hij is historicus en voelt zich ontheemd in de tijd waarin wij leven. Het heden is voor hem een monstrueuze constructie van beton en staal, volgestouwd met elektronica. Hij verlangt met hart en ziel naar de tijd dat zijn grootvader nog leefde en diens landgoed, zo’n tachtig kilometer ten noordoosten van Coimbra gelegen, nog van de familie was.

Natuurlijk heeft Nuno geen rijbewijs en verplaatst hij zich uitsluitend, zij het met tegenzin, per trein of bus. Hij vertelde me dat hij sinds de dood van zijn grootvader, twintig jaar geleden, niet meer in het dorp was geweest waar hij als kind zijn vakanties doorbracht. Toen ik voorstelde er op een mooie zondag heen te rijden viel hij me van pure dankbaarheid om de hals.'

Kijk, zo'n laatste zin, dat is typerend.

Nog een stukje:

'Nuno was opgewonden. Kijk, dat is de quinta van de buren! Daar was ieder jaar een geweldig oogstfeest, waar alle mensen uit het dorp welkom waren. Er speelde een accordeonist en er werd gezongen en gedanst… En dat was de boomgaard van mijn opa en daarnaast, in dat gebouw, werd de olijfolie geperst… Knoestige olijfbomen stonden knorrig in het gelid, in geen tijden meer gesnoeid. Bij de toegangspoort tot de quinta riep Nuno: ‘Stop, stop!’ Hij viel bijna uit de auto, zoveel haast had hij toen hij het portier openduwde. De poort, gedecoreerd met barokke krullen, was zo groot dat je het huis niet kon zien. Vergeefs rammelde Nuno aan de zware deuren. Die gaven geen millimeter mee. Toen tot Nuno doordrong dat hem de toegang tot zijn verleden resoluut geweigerd werd brak hij in tranen uit. Met zijn voorhoofd tegen het verveloze hout leunend stond hij te snikken, en zijn schouders schokten mee.

Ik liep maar een beetje op en neer, hem op eerbiedige afstand aan zijn verdriet overlatend. Het rook er verrukkelijk, naar eucalyptus, mimosa en sinaasappelbloesem. De hemel was strakblauw, in de verte schemerden de bergen. Ze wisten wel wat het goede leven was, vroeger… Those were the days.

Nadat Nuno zijn tranen had gedroogd reden we verder. Hij raakte maar niet uitgepraat over het verval der tijden. De mensen wisten niet meer hoe het leven eruit hoorde te zien. Toen hij als kleine jongen aan de hand van zijn grootvader over diens landerijen wandelde was hij gelukkig geweest, puur gelukkig. Zo eenvoudig kon het zijn…'

De tweede alinea is typerend. Daar wandelt Tessa ons beeld binnen!

Op die manier zou ik ook ruim kunnen citeren uit Een varken in het paleis.
Eén stukje (p. 11):

'Ik raakte onder de betovering van het exotische decor, de mengelmoes van volkeren in hun kleurige kostuums, de Pasja in wie wreedheid en zachtheid elkaar luchtig afwisselden, de oproep tot gebed van de moëddzin, de dreunende oorlogstrommen, de vermenging van barbaarsheid en verfijning... En hoe jullie je te midden van dat alles als twee onschuldige kinderen lieten verwennen! Het was bijna niet te geloven dat het de werkelijkheid was waarvan je in je brief verslag deed en niet een oosterse Macbeth, waarin jullie een figutantenrol hadden gespeeld.
Daartegen moest het leven in een stroeve Hollandse straat aan het eind van de twintigste eeuw het afleggen. Ik wilde nog maar één ding: met je mee. Ook ik wilde bij Ali Pasja op bezoek, als schim uit een toekomstig tijdperk, als voyeur, als nostalgicus.'

Daar is ze weer, in die tweede alinea.

Begrijp me goed, ik ben er niet tegen.
Het is even wennen, een verteller van een reisverslag die zich zo nadrukkelijk in beeld plaatst. Maar het kán iets van waarde toevoegen.
Het voordeel is in dit geval dat we begrijpen waarom ze die reis ondernam, en een deel ook per se te paard wou afleggen, net als Byron en zijn gevolg.
Het is een hilarisch verslag, waarin ze en passant een mooi beeld van Byron schetst. Hoewel ze haar reis in 1996 maakte, is het voor lezers die overwegen naar Albanië te gaan nauwelijks een goede voorbereiding. Er is sinds die tijd alweer het nodige veranderd daar. En zoals gezegd gaat haar verslag meer over haar en Byron dan over Albanië.
Het nadeel is dat het verslag nogal breedvoerig is. Als boekredacteur zou ik met moeite de neiging bedwingen om hier en daar fors te schrappen. En als ik streng ben zou ik zeggen: de verteller die zich hier zo nadrukkelijk in beeld brengt, is nauwelijks interessant.
Maar zo streng ben ik niet, want hier en daar voegt ze wel degelijk iets van waarde toe. neem deze rake, melancholische passage (p. 36) waarmee ik deze rare recensie afsluit:

'Jij, in jouw tijd, reisde nog gewoon met jezelf mee, maar bij de snelle verplaatsingen in onze tijd worden eigenlijk alleen onze lichamen, samen met de bagage, van A naar B gebracht. Onze prehistorische geest, die niet sneller kan reizen dan te voet, of hooguit te paard, komt ons traag en onwillig achterna. Soms weigert hij gewoon mee te gaan, vooral bij korte, spectaculaire vakanties. Bij thuiskomst vinden we hem terug bij de haard; zodra we weer met hem samenvallen lijkt de reis een vage droom te zijn geweest en ons gedrag in verre streken dat van een vreemde.'

Waarvan akte.
Het verbaast me niets dat Tesssa de Loo tegenwoordig in Portugal woont.













maandag 3 juli 2017

Wij gaan onvermoeibaar door

Een bericht van Bibliotheek op School:

'

Aanmelden pilot Lezen voor de lijst havo/vwo

Kunst van Lezen start in schooljaar 2017/2018 een regeling voor tien pilots Lezen voor de lijst op havo/vwo-scholen. Daarmee wordt een stap gezet in de verbreding van de aanpak de Bibliotheek op school naar havo/vwo.
De pilots zijn ingesteld om te experimenteren met verschillende vormen van samenwerking rondom Lezen voor de lijst, zoals het leveren van een fysieke collectie in de school, lidmaatschap van de bibliotheek, het e-bookplatform en de LuisterBieb. Daarnaast biedt de pilot ruimte voor o.a. het inzetten van een leesconsulent en adviseur educatie op school en het geven van een workshop voor leerlingen. De pilots kunnen in alle leerjaren uitgevoerd worden.
Bibliotheken en havo/vwo-scholen die al met elkaar samenwerken of van plan zijn dat te gaan doen kunnen zich voor 1 oktober aanmelden bij hun POI. Lees de factsheet voor meer informatie.'

Tegelijk in Levende Talen Tijdschrift juni 2017 (jaargang 18, nr. 2) een artikel door Roel van Steendel, Lisa van der Sande en Lidia Arends onder de kop 'Investeren in leesmotivatie maakt leerlingen meer gemotiveerde lezers... en betere lezers'. De kop is meteen ook de conclusie van deze 'meta-analyse van wat in de internationale onderzoeksliteratuur bekend is over de effecten van leesmotivatieprogramma's'.
In de literatuurlijst tref ik overwegend auteurs aan met een Engels aandoende naam en een handvol namen die duidelijk Nederlands of Duits zijn. De tijdschriftnamen en boektitels zijn op enkele Nederlandse titels na Engels.
De conclusie zou kunnen zijn dat er buiten dit gebied niet zulk onderzoek wordt verricht, wat me sterk lijkt. Een andere conclusie zou kunnen zijn dat relatief jonge Nederlandse onderzoekers alleen Engels beheersen, naast hun moerstaal. Frans- of Duitstalig onderzoek wordt eenvoudigweg overgeslagen. Het bevestigt de status van Engels als standaardtaal voor wetenschapspublicaties.

Ja, dat puntje moest ik even maken. Maar natuurlijk kunnen enthousiaste leesbevorderaars, waaronder de mensen van Kunst van Lezen, dit artikel goed gebruiken om hun geploeter te ondersteunen.

En ploeteren blijft het. Want mij staan decennia bij waarin dit soort artikelen verschenen en ik durf niet te zeggen dat er iets ingrijpends is veranderd aan het leesgedrag van twaalf- tot achttienjarigen (tieners). Niettemin weten we niet hoe hun leesgedrag zou zijn zonder al die inspanningen. Er is immers geen controlegroep, Er is ook eigenlijk niets nieuws onder de zon.

Voor 'investeren in leesmotivatie' heb je goede docenten nodig en een goed voorziene schoolbibliotheek. Ook wat dat betreft niets nieuws onder de zon, maar het kan geen kwaad hierop met enige regelmaat te wijzen.
Wij gaan onvermoeibaar door.