Zoeken in deze blog

maandag 20 augustus 2018

Een dromerig jongetje

Er zijn kinderen die meer dromen dan waken: hun verbeeldingskracht sleept ze mee ver buiten de wereld om hen heen. Zo'n (voor mij heel herkenbaar) kind is de jongen Boaz, de hoofdpersoon van Een indiaan als jij en ik van Erna Sassen.



Dat boek had ik aangevraagd op grond van de titel en eigenlijk verwachtte ik (zeker na de tekening op de titelpagina, hierboven) een soort documentair boek over indianen - nogal naïef. Net zo naïef als Boaz.
De eerste bladzijden, pakweg tot p. 18, was ik niet enthousiast. Een wat brave tekst, door een anonieme verteller die de hoofdpersoon dicht op de huid zit, zoals in heel veel kinderboeken,  en (dacht ik) op een rode achtergrond wat informatie over indianen. Dat klopte alleen voor p. 17 en soortgelijke kadertjes verderop, p. 13, hoewel geheel rood en geheel over indianen, bleek deel van het verhaal, hoewel dat op de volgende bladzij verdergaat met een onverwachte wending:

Aïsha is ook zonder indianentooi verschrikkelijk mooi.
Dat rijmt.
Aïsha is ook 
zonder indianentooi 
verschrikkelijk 
mooi.
Dat komt door die donkerbruine ogen waarmee ze een beetje droevig kijkt.
Ze kwam zomaar ineens de klas in wandelen.
Nou ja, zomaar ineens, dat zal wel niet, want juf Annie zei: 'Zo jongens en meisjes, hier is ze dan eindelijk: onze Aïsha.'
Dus dat betekent dat de juf al eerder had verteld dat Aïsha eraan zat te komen.
Maar dat had Boaz gemist.

Dat laatste zinnetje verraadt dat de verteller soms heel even afstand neemt van haar hoofdpersoon, net als in zinnetjes als:

Maar weet je wat nou zo toevallig is...
Er is een indiaan bij Boaz in de klas gekomen. Een echte!

Hoewel dat nu juist weergeeft wat Boaz denkt, dat wel, wordt met dat 'maar weet je'  de lezer aangesproken - en niet door Boaz.

Tekening 'door Aïsha'
Nou ja, toch maar doorlezen, dacht ik.
Gaandeweg werd ik iets milder, en langzaamaan gewonnen. Dat ligt vooral aan de manier waarop de verteller Boaz in beeld brengt, als een lief, fantasievol, dromerige jongetje dat moeilijk vrienden maakt en zich vooral op zijn gemak voelt bij zijn oma en zijn schatkamer (bij oma!) van indianenspullen. Om zijn ouders gerust te stellen fantaseert hij wat vrienden, bij wie hij dan zogenaamd speelt terwijl hij in werkelijkheid in zijn eentje door de duinen zwerft. Hij is zo bezig met indianen dat hij heel laat doorkrijgt dat Aïsha geen indiaan is maar een Syrisch meisje. Tegen die tijd is hun vriendschap al zo hecht dat hem dat niets uitmaakt. Ze maken samen een werkstuk over de Maya's.
Het grootste drama in het verhaal is dat Boaz' vader op het idee komt dat Boaz een klas kan overslaan. Dan blijft hij misschien beter bij de les. Als Boaz dat hoort loopt hij weg, niet naar zijn oma maar naar de duinen, waar hij 's warmte zoekt bij de halfwilde pony Cisco en verdwaalt als hij avonds met de pony's verder de duinen in gaat. Zijn vlucht en later de harde gesprekken (die hij hoort) tussen oma en vader en tussen zijn vader en moeder, dat wordt allemaal fraai verteld. Hij vat moed, denkt na en vertelt zijn vader in tien minuten (meer tijd krijgt hij niet) waarom hij vooral niet een klas wil overslaan. Vanwege Aïsha. Ook een mooi stuk (p. 112-114).
Het werkt. Boaz komt bij oma met een mooie veer, die hij van zijn vader heeft gekregen, met een kaartje erbij:

'Het is waarschijnlijk een veer van een torenvalk, denkt papa. Hij weet het niet zeker. Maar ik ben er erg blij mee. Wat denk jij, oma?'
Oma draait de veer voorzichtig rond en bewondert hem van alle kanten.
'Al was het een veer van een dooie mus, dan nóg zou ik er blij mee zijn,' mompelt ze.
'Wat zeg je?' Boaz buigt zijn hoofd naar oma toe.
'Ik zei dat het inderdaad een heel bijzondere veer is,' zegt oma, 'en dat ik goed kan begrijpen dat je er erg blij mee bent.'
Boaz knikt.
'Héél erg blij.'
'En heeft vader je ook verteld waarmee je hem hebt verdiend?'
'Ja, dat heeft hij,' zegt Boaz. 'Wil je het weten?'
'Heel graag.'
'Het was een moeilijke zin, maar hij staat op het kaartje, wacht even...' Boaz zoekt in zijn rugzak naar het kaartje van papa.

'Voor Boaz. Omdat hij de moed heeft om voor zijn geluk te vechten,' leest hij voor.

Oma is er stil van.
Boaz staat tevreden te glimlachen.
'Deze krijgt een ereplaats in mijn museum,' zegt hij.
'Nou, dat lijkt me wel!'
'En er is nog meer goed nieuws,' zegt Boaz.
'Toe maar...'
'Ik hoef geen klas over te slaan!'

Eind goed al goed. Op het laatst volgt nog een wijs gesprekje tussen Boaz en oma over wat een echte indiaan kenmerkt, en Boaz kan 'moeiteloos opsommen':

'Een echte indiaan denkt lang na voordat hij iets zegt; hij houdt heel veel van dieren en van de natuur, en hij is dapper en moedig.'
'Oké...' Oma staat weer even met haar hoofd te knikken.
'Dan is Aïsha een echte,' besluit ze. 'Je had toch gelijk.'
'Denk je?'
'Ja toch?'
'Ja.'
'En jij ook.'

Einde.



Een indiaan als jij en ik is mooi vormgegeven door Martijn van der Linden. De schutbladen én de dubbele pagina na het titelblad (hierboven) zijn geheel bedekt met figuren in stijl met de illustraties die her en der de pagina's sieren, die doen denken aan de versieringen en tekeningen die op zeer oude Zuid-Amerikaanse gebouwen en beelden te vinden zijn.


Erna Sassen. Een indiaan zoals jij en ik. Leopold, 2018. ISBN 978 90 258 7395 0, 124 p.




zaterdag 18 augustus 2018

'Er wordt te vaak met gemakzucht voor kinderen geschreven'

De parels in Literatuur zonder leeftijd zomer 2018 (afl. 106) bevinden zich achterin: de Annie M.G. Schmidt-lezing van Anna Woltz en de Woutertje Pieterse-lezing van Frauke Pauwels.
De eerstgenoemde is alleen in LZL te lezen, de tweede is ook online te vinden.

De Annie M.G. Schmidt-lezingen zijn een reeks lezingen door auteurs van jeugdliteratuur, geëntameerd door IBBY Nederland, met steun van o.a. het Literatuurmuseum (voorheen Letterkundig Museum) en de Universiteit van Leiden. IBBY staat voor International Board on Books for Young people.
Dit jaar werd hij gehouden door Anna Woltz en haar lezing mondde uit in een pleidooi om kinderen als publiek serieus te nemen.
Ik citeer:

Er wordt met te veel gemakzucht voor kinderen gewerkt - of laat ik me bij mijn eigen leest houden: er wordt te vaak met gemakzucht voor kinderen geschreven. Ik zeg niet dat de boeken die we schrijven literairder of ingewikkelder moeten zijn. Ik zeg wel dat elk boek met liefde gemaakt moet worden, met de volle aandacht van de schrijver en met werkelijk respect voor de lezer. Het feit dat volwassener groter zijn dan kinderen, dat ze al langer leven en meer woorden kennen, betekent niet dat ze een kinderverhaal wel even uit hun mouw kunnen schudden.

Waarvan acte, met instemming. Haar pleidooi zal door de toehoorders ongetwijfeld positief gewaardeerd zijn. Ondanks haar aankondiging níet voor eigen parochie te gaan preken en nu eens niet het nut van leesvaardigheid te benadrukken, deed ze dat (preken voor eigen parochie) met dat pleidooi uiteindelijk dus toch. Niettemin is het een genoegen haar vertoog te lezen, niet in de laatste plaats wegens haar heerlijke zijpaden.

Frauke Pauwels hield haar voordracht tijdens de uitreiking van de Woutertje Pieterse Prijs, in 2018 toegekend aan Annet Schaap wegens Lampje. Twee van de vijf titels die voor deze prijs genomineerd werden, zijn non-fictie: De zweetvoetenman. Over rechtszaken & regels (en een hoop gedoe) van Annet Huizing en Margot Westermann (Lemniscaat) en Wij waren hier eerst van Joukje Akveld (Gottmer). (Beide titels werden even later bekroond met een Zilveren Griffel.)
Frauke Pauwels hield een pleidooi voor het 'openen der poorten' voor non-fictie. Terecht, natuurlijk. Het opstel, of met zijn deftiger Engelse naam essay, hoort evengoed tot de literatuur als het verhaal (incl. de roman), de poëzie (incl. het lied) en het theater. Ook haar opstel is een genoegen om te lezen.

Het opstel hoort thuis in de retorica, die in de Oudheid al hoog gewaardeerde kunst om te overtuigen, waarbij eloquentie of welsprekendheid een rol speelt. Een goed opstel is zo geschreven dat je je als lezer eigenlijk wel wil laten overtuigen.
Het wetenschappelijk artikel is in beginsel een verslag, een boekstaving van onderzoeksresultaten. Niettemin kan de auteur van zo'n artikel zeker wel van de retorica gebruik maken. Ook hij of zij zou immers moeite kunnen doen om de lezer te overtuigen van de geldigheid van zijn of haar bevindingen. Ook onderzoeksresultaten kunnen welsprekend en overtuigend gebracht worden, zelfs binnen het stramien van het moderne wetenschapsartikel.

Het siert de redactie van LZL dat ze ruimte maakt voor opstellen als bovengenoemde. En soms ook voor columns e.d. Het is wel jammer dat de meeste artikelen in LZL in retorisch opzicht dat niveau niet halen.
Hoewel het niet meer in het colofon wordt benadrukt, is aan de artikelen wel te merken dat er een academische status wordt nagestreefd. Dat is op zich lovenswaardig, want daarmee biedt LZL een podium aan onderzoekers van jeugdliteratuur en het is op zich al prettig dát die onderzoekers er zijn. Maar het maakt de artikelen soms onnodig zwaar.

Laat me één voorbeeld bespreken van zo'n artikel. Het gaat om het artikel van Daniëlle Roestenburg over 'Ted van Lieshout in de rol van publieke intellectueel' (ondertitel), met als titel een citaat: 'Ik wil literatuur maken. Maar ik wil ook bijdragen aan de maatschappelijke discussie'.

Dat artikel begint heel essayistisch en raak met een verwijzing naar het optreden van 'bestsellerauteur' Griet Opdebeeck in een uitzending van De wereld draait door, waar ze vertelde vroeger misbruikt te zijn, gaat dan naar Mijn meneer van Ted van Lieshout en zijn optreden in een uitzending van Pauw & Witteman, en net als je denkt, hier start een fraaie beschouwing over Ted van Lieshout in de openbaarheid, zwenkt ze opzij, want er moet een verantwoorde definitie komen van het begrip publieke intellectueel. Want dat is 'niet eenvoudig te omschrijven en af te bakenen'.
Doe het dan niet, denk ik dan, we begrijpen het toch wel ongeveer.
Maar ja, dat is niet wetenschappelijk verantwoord. Dus duikt Daniëlle de vakliteratuur in, om aan te komen met een 'heuristische definitie' van Odile Heynders, hoogleraar 'Vergelijkende Literatuurwetenschappen' (meer dan 1 wetenschap?) te Tilburg - dezelfde universiteit waar Daniëlle aan studeerde. Hoe toevallig. Die 'heuristische definitie' blijkt van toepassing op allerlei auteurs 'die zich door middel van literaire strategieën, niet alleen binnen de grenzen van de tekst zelf, maar ook buiten hun romans, uitlaten over maatschappelijke ontwikkelingen of problemen'. (Heynders. Arme 'publieke intellectueel' die zich niet met 'literaire strategieën' bemoeit met de maatschappij...)
Daniëlle haalt er nog Thomas Vaessens bij, en nóg meer literaire auteurs, om dan eindelijk weer terug te keren naar haar onderwerp, Ted van Lieshout. Die ze uiteraard toetst aan 'Heynders' model'.
Die toets doorstaat hij min of meer, maar helaas, 'de intentie alleen is niet genoeg om aan de functie van publieke intellectueel te vervullen. Publieke intellectueel-zijn is immers een rol en ook afhankelijk van een publiek en media.'
Of zoals Heynders het definieert: 'de publieke intellectueel (...) creëert bewust een persona in de media die een effect heeft op het publiek.'
Je kan roepen wat je wil, als niemand luistert en antwoordt, ben je nog geen publieke intellectueel.

En dan volgt na een op zich interessant maar te kort overzicht van Ted van Lieshouts openbare handelingen en na een nog veel langere verhandeling over die toetsing het strenge oordeel:

Van Lieshout functioneert dus wel als publieke intellectueel, maar wordt niet als zodanig (h)erkend, omdat hij als jeugdschrijver de juiste culturele autoriteit lijkt te missen. Zijn goede prestaties en reputatie binnen het jeugdliteraire veld, leveren niet de publieke autoriteit en maatschappelijke erkenning op die een publieke intellectueel wel nodig heeft. Daarmee is Van Lieshout een auteur die misschien genuanceerd de heersende opinie verstoort, maar er tot nu toe niet in geslaagd is om de rol van publieke intellectueel te vervullen. Misschien moet zijn grote moment als publieke intellectueel dan nog komen.

Wat mij leert dat je volgens Daniëlle wel kan functioneren als publieke intellectueel, maar het dan nog niet bent. Rara. En dat je ook een niet-juiste culturele autoriteit zou kunnen hebben.
Of: hoe een artikel na een veelbelovend begin de mist in kan gaan. Want wat doet het er toe, of Teds openbare doen en laten voldoen aan Heynders' criteria. De toetsing ontneemt ons het zicht op de beschreven persoon, én op Daniëlle's eigen waardering. Heel jammer.

Enfin, ik laat het bij dit ene artikel.
Er staat natuurlijk nog veel meer in dit themaloze zomernummer, dat veel dikker is dan ons wordt beloofd, zie onder. Zoals recensies, en artikelen over de 'beeldvorming van Suriname in Surinaamse en Nederlandse prentenboeken', 'Bouwstenen voor een ethische benadering van life writing voor jongeren', 'Een kritische analyse van de voorstelling van dieren in de Gouden Boekjes' en (dat is wel interessant naast dat opstel!) 'Wetenschappelijke registers in fictie en non-fictie voor kinderen' van Frauke Pauwels, waarbij het onderzochte corpus overigens uit zegge en schrijve zes kinderboeken beslaat.



Literatuur zonder leeftijd verschijnt drie keer per jaar in de vorm van een boekje van circa 140 pagina’s en wordt uitgegeven door de Stichting IBBY-sectie Nederland.
Abonnementsprijzen 2018: instellingen € 47,50; particulieren € 34,50; studenten € 24,50 (bewijs van inschrijving meesturen; moet elk jaar vernieuwd worden). Abonnementen gaan in per volledig kalenderjaar (reeds verschenen nummers worden toegezonden). Losse nummers: € 19,95 per stuk.
Men kan zich als abonnee aanmelden via het secretariaat: IBBY-Nederland@planet.nl. Wie zich aanmeldt krijgt als welkomstgeschenk alle nummers van jaargang 2017. 

Literatuur zonder leeftijd 106, ISBN 978 94 6167 369 6, 192 p.






woensdag 11 juli 2018

Competentie

Het woord competentie wordt veel gebruikt in onderwijsland en dan vooral in de onderwijsdidactiek. Volgend de online gratis Van Dale betekent competent 'bevoegd, bekwaam'. Helaas is niet iedereen die ergens toe bevoegd is ook altijd bekwaam, maar daarop gaat de Van Dale niet in.
In het onderwijs is competentie iets dat gemeten moet worden. Docenten (zelf allen competent, nemen we aan) willen weten of hun studenten competent zijn.
In Levende Talen Magazine 2018-5 duikt het op in een artikel door Gerdineke van Silfhout en Esther Arrindell met de onheilspellende titel 'Fictie- en literatuuronderwijs formatief ingestoken, de aanpak in de lerarenopleiding als voorbeeld'.

Het onheil zit het hier in de contaminatie fictie- en literatuuronderwijs, en in het onbegrijpelijke formatief ingestoken.
Om met dat laatste te beginnen, uit het artikel begreep ik dat formatief hier in tegenstelling tot summatief wordt gebruikt en dan gaat het om toetsing.
'Voor de beoordeling is het uitgangspunt dat de ontwikkeling van de student (of leerling), in dit geval de leesontwikkeling, centraal staat. Dus niet enkel het eindproduct, maar juist ook de weg daarnaartoe.' En:
'Waar het bij summatief toetsen gaat om toetsing als eindmeting om te bepalen wat een student kent of kan, heeft formatieve evaluatie als primair doel studenten inzicht te geven in hun eigen leerproces en hun onderwijs op maat te geven. Toetsen met een formatieve functie zorgen ervoor dat de docent: (a) helder heeft waar de student naartoe werkt (feed-up); (b) een goed beeld krijgt waar de student staat (feedback); (c) weet hoe hij de student naar de gewenste situatie kan leiden (feedforward).'

Juist ja.
Ik stel vast: toetsen kan zowel werkwoord als naamwoord zijn, als het moet in één alinea.
Ik stel voor: dat we gaan onderzoeken wanneer 'de docent' iets helder heeft en welke instrumenten hij of zij nodig heeft om een goed beeld te krijgen. Daarvoor moet 'de student'  in ieder geval stáán, zoveel is duidelijk. Als-ie zit, kijkt 'de docent'  er wellicht overheen. Of 'de student'  ook staand ergens naartoe moet werken, is niet zeker. Ergens naartoe werken zal wellicht impliceren dat 'de student' een doel heeft. Misschien staat de student soms op om te kijken of het doel al in zicht is. Zo niet, dan neemt de docent hem of haar bij de hand, op naar de gewenste situatie.
Of nee, ze nemen elkáár bij de hand, want uit het artikel blijkt dat volgens de beschreven module verwacht wordt dat de studenten elkaar in drietallen toetsen.

Help. Arme student. Arme docent.
Arme docent, die het moet doen met studenten die soms 'niet zoveel met lezen hebben' (goeiemorgen, en dat moet gaan lesgeven...), en die niet zelf mag toetsen (tijd te kort, de module duurt maar zeven weken) en dus zijn studenten aan het werk moet zetten, maar van wie wél verwacht wordt dat-ie 'weet waar de student staat'. Een beetje praten over de gelezen 10 (tien) kinderboeken hoort er natuurlijk ook bij en ik neem aan dat 'de student' uiteindelijk ook een cijfertje verwacht.
Arme studenten, niet omdat ze die tien boeken moeten lezen, maar omdat ze in drietallen moeten gaan turven om erachter te komen wat hun competentie is en weinig gelegenheid krijgen tot diepgaande gesprekken met hun docent over wat ze lezen, laat staan dat er aandacht wordt besteed aan de vraag wat kinderen van die boeken (zouden kunnen) vinden, dat er geoefend wordt in voorlezen en presenteren. Er wordt wel van hen verwacht dat ze over enkele jaren voor de groep staan. Formeel is er wel een subdoel dat hiermee te maken heeft, maar uit de beschrijving van de module (het gaat vooral om boekanalyse) krijg ik niet de indruk dat dit waargemaakt wordt.

Ik gun die studenten, ook hen die 'niet zoveel met lezen hebben', een bevlogen docent, die moeiteloos kan vertellen over al het moois dat er te vinden is in de kasten met kinderboeken, die er prachtig uit kan voorlezen, en die de tijd heeft en neemt om met zijn of haar studenten afzonderlijk te praten over hun leeservaringen, ze tips te geven, en die bekwaam (pardon, competent) genoeg is om enkele mooie klassegesprekken te organiseren over boeken. Bovendien geeft deze docent oefeningen in voorlezen en boeken presenteren: heel belangrijk in het basisonderwijs. En praat-ie met zijn of haar studenten over hun toekomstige leerlingen: wat zouden zij ervan vinden.
Reken maar dat die docent een gunstige invloed heeft op hun literaire competentie. Cijfertje? gewoon een ouderwets 'mondeling', waarbij niet zozeer feitjes worden overhoord, als wel gesproken over ervaringen met en meningen over boeken.

Het lijkt me armoe troef, die module van Gerdineke van Silfhout en Esther Arrindell.

De auteurs denken daarover uiteraard heel anders.
Ik gun ze het laatste woord, in hun eigen schitterende onnavolgbare proza vol redundantie en jargon (zij denken niet na, zij reflecteren; competentie blijkt een telbaar begrip; je hebt kennelijk ook niet-noodzakelijke voorwaarden; e.d.), inclusief indeling in alinea's (niet):

Het mooie van deze aanpak is dat er aandacht is voor de ontwikkeling van verschillende dimensies van literaire competentie en dat studenten op elk van die dimensies kunnen groeien. Dat maakt de aanpak ook zo waardevol voor het primair en voortgezet onderwijs. Daarnaast zorgt deze aanpak ervoor dat literaire competenties zichtbaar worden gemaakt. Dit is een noodzakelijke voorwaarde om literatuuronderwijs formatief vorm te kunnen geven. Studenten weten wat de doelen zijn waarnaar ze toewerken en kunnen hun ontwikkeling tijdens het proces met de docent en medestudenten monitoren, evalueren en bijsturen. Juist het investeren in het verhelderen van doelen en nagaan waar studenten op dat moment staan in hun leesproces, waar ze al beter in zijn of waar juist nog potentieel ligt, zorgt voor een goede basis. Zo wordt het mogelijk om groei zichtbaar te maken en later in het proces feedback te geven en met elkaar op het leer- en leesproces te reflecteren. Deze aanpak stelt tenslotte ook de dialoog en de interactie met en over het boek centraal, een andere voorwaarde voor formatief leesonderwijs. Interactie is voor ontwikkeling in literaire competentie onmisbaar, en een sleutel voor succes in elke fase van de formatieve toetscyclus.

Zucht.






dinsdag 19 juni 2018

Betutteling

Met dank aan Onze taal (Taalpost) opgepikt uit www.independent.ie:

A best-selling British author criticised political correctness and the dumbing down of language in children’s literature as she won a major book prize.
Geraldine McCaughrean, who has penned more than 160 books, spoke out as she was awarded the UK’s oldest children’s book award.
She said that words such as “valiant” and “superb” had been rejected in books for primary school readers.
The author, who won the CILIP Carnegie Medal for Where The World Ends, a true survival story of boys marooned at sea, told the Press Association: “They (publishers) will question difficult words, certainly if you’re doing picture books or younger fiction.
A fellow author was saying the other day that ‘superb’ had to be changed because no child will understand it. But they never will understand it if they don’t read it.
She added: “It used to be free range. I used to get away with murder with complexity of sentences and complex vocabulary and it was never questioned… Now it feels policed against political correctness and difficult language. With a book that’s going to be sold into schools you get a list of things that are unacceptable – no witches, no demons, no alcohol, no death, no religion. It really does cut down what you can write about.
McCaughrean, who is known for her official Peter Pan book sequel, said: “It’s extraordinary because in pre-school you can read fairy tales in their original form and some of them are really scary and dark.
But you go to junior school and all of a sudden the fairy tales that you read in school have been sanitised and cleaned up. And then you go into secondary school and fall off into the deep end of vampire books. It must be like falling off a cliff.
She said that while writing for teenagers, words like “mellifluous” had been knocked back.
McCaughrean, whose books have been published in 61 countries and translated into more than 45 languages, said research has shown that secondary school pupils have “a diminishing vocabulary”.
She said the amount of time teenagers spend online could be to blame, as “on the internet you have a great paucity of vocabulary. (People) get by on an ever diminishing pool of words”.
The author cited Beatrix Potter’s The Tale Of The Flopsy Bunnies as an example of complex language.
She writes that the lettuce is soporific. That’s a perfect example. Who knew soporific before they read it? But it’s obvious from the context and you can pick it up and you’ve got a lovely word under your belt.
McCaughrean, who wins the award for the second time after picking up the medal 30 years ago for A Pack Of Lies, said: “You can only think with the words you’ve got. You can’t think with a diminished vocabulary. You can’t construct abstract thought. You can only process what’s happening to you and what you see throughout the day in terms of words.
She added: “Diary Of A Wimpy Kid (by Jeff Kinney) is supposed to be the most popular book with secondary school children now. I’ve got nothing against Diary Of A Wimpy Kid… but by the time you’re 15 you should be at ease with reading something on a more advanced level.
McCaughrean said she was delighted to win the prize again, admitting: “I’m quite ashamed about how pleased I am.
I really wanted to do it again before I die. I won 30 years ago and I’ve been trying ever since. It feels like affirmation.
The ceremony, at the British Library, also saw illustrator Sydney Smith win the CILIP Kate Greenaway Medal for his illustrations in Joanne Schwartz’s Town Is By The Sea.
Waarvan akte.
Zo erg is het in Nederland en Vlaanderen nog niet, dacht ik. Of toch wel?


donderdag 14 juni 2018

Alfie

Doorgaans vraag ik alleen titels ter bespreking aan waarvan ik verwacht dat ze net anders zijn dan het doorsnee kinderboek. Dat is natuurlijk geen helder criterium, want hoe ziet het doorsnee kinderboek er dan uit?
Daaraan kan ik misschien eens een stukje wijden. Maar niet nu.

Toen ik Toen Alfie verdween van Gerda De Preter ontving, was ik even vergeten waarom ik het had aangevraagd en ik weet het nog niet.
Misschien omdat ik in een ver verleden eens deel uitmaakte van een manuscriptenjury. Dat was uitdagend beoordelen: alleen een tekst, geen naam van de auteur. Bij een van de rondes hoorde een verhaal van haar (bleek dus achteraf) tot de winnende teksten. Het was, moet ik bekennen, de eerste keer dat ik van haar hoorde. De naam is blijven hangen.

Hoe dan ook, toen ik begon te lezen dacht ik eerst: doorsnee. Maar dat veranderde gaandeweg in: misschien doorsnee, maar wel goede doorsnee. En tenslotte: beter dan dat.
Ja, daar ga ik met mijn criterium. Dus toch maar wat opmerkingen.

Toen Alfie verdween is wat veel recensenten een 'ik-boek' noemen. De fictieve verteller is de hoofdpersoon, vertelt in de tegenwoordige tijd een verhaal, alsof ze met een microfoon in naar hand rondloopt, of alsof ze aan een tafel een lange anekdote vertelt aan een luisteraar. Een veel toegepast procédé in de jeugdliteratuur. Men schijnt te denken dat dit aantrekkelijk is voor jonge lezers. In sommige verhalen is het een excuus voor oeverloos puberaal getater.
Niet hier. Voor een tien- of elfjarig meisje (schat ik) is Ciel (haar naam valt op p. 14) tamelijk helder, beknopt en goed van de tongriem gesneden. Dat leest prettig weg.
Toen Alfie verdween begint niet medias-in-res, zoals de truc onder literatuurwetenschappers heet, dus middenin het verhaal, liefst met een dialoogje. Ook dat is een veel toegepast procédé in de jeugdliteratuur. Men schijnt te denken dat dit aantrekkelijk is voor jonge lezers. Meteen de aandacht trekken en zo.
Toen Alfie verdween begint net wat anders:

Op een dag zei mama dat ik er een broertje of zusje bij zou krijgen,
'O, God,' zei ze met een stralende glimlach, 'wat ben ik gelukkig!'
Het was dus Zijn schuld.
Mama vond het geweldig. Remco ook.
Ik niet. Ik moest die baby niet.

Ik belde mijn vader op. Hij had maar eventjes tijd. Een belangrijke vergadering, zei hij. Papa moest dus veel koffie uit een automaat drinken en aan een tafel zitten waar iedereen dingen zei die niemand wou horen. Daar wordt hij erg nerveus van en ook een beetje doof. Dat weet hij zelf ook wel.

'Ik neem je zaterdag mee naar de speeltuin,' zei hij, 'met ijs en hamburger toe.'
'Ik ben al groot, papa,' zei ik.
Het was even stil aan de andere kant van de lijn.
'Bedenk jij maar wat,' zei papa toen. 'Alles wat je maar wilt, prinses.'
Ik hapte naar adem. 'Jij en mama...' begon ik.
Er klonk een raar geluid.
'Ik moet weer weg,' zei papa. 'Ik bel je nog. Goed, liefje?'
'Maar...'
Een klik. Gezoen.
'Dat kan God niet helpen,' zei Alfie. 'Toen Hij de wereld schiep, was er nog geen telefoon. Anders had Hij vast de blijf-voor-eeuwig-aan-de-lijn-knop bedacht.
Ik knikte. Alfie had zoals altijd gelijk.

Expres een lang citaat. Ook daarna geen 'medias-in-res'-start, verteller Ciel neemt pagina's ruimte om haar vriend Alfie te beschrijven. (In de tegenwoordige tijd.)
Alfie

zit naast me in de klas. Hij is een jaar ouder en komt uit een ander land. Daar was het oorlog. Alfie vluchtte weg, samen met zijn vader.

Hiermee zijn van de belangrijkste rode draden wel de beginnetjes getoond. Er komt een wat Ciel betreft ongewenst broetje of zusje; er is een scheiding; er is een vriendje over wie de titel al vertelt dat hij gaat verdwijnen en die vol aparte uitspraken zit. En er is een God.
Om met die God te beginnen, zijn rol valt wel mee. Als argeloos lezer kreeg ik de indruk dat Ciel en Alfie kennelijk op een katholieke school zitten en/of ouders hebben die iets met een God hebben, maar een belangrijke rol heeft hij niet, het is meer een vage instantie die soms ter verantwoording wordt geroepen. Als Ciel of anderen naar God verwijzen, is dat vaak op een grappige, ongerijmde manier.
Alfie

wil de slimste mens ter wereld worden. Hij stelt vragen waarop niemand het antwoord weet. Waarom de aarde rond is, bijvoorbeeld. En of God zichzelf heeft bedacht. Zelfs juf Emma weet dan niet wat ze moet zeggen.

Zo dus.
Alfie (de naam deed me denken aan de seriefiguur Alf) geeft een aparte draai aan het verhaal, dat daardoor net iets anders dan anders wordt. Hij zorgt ook voor de humor, met zijfiguur meneer Podovski als goede tweede.
Ciel blijkt nogal te lijden onder het vertrek van haar vader, heeft zich eigenlijk nog niet verzoend met haar moeders nieuwe liefde (Remco) en dus al helemaal niet met de baby op komst. Die komst brengt bovendien met zich mee dat ze tijdelijk bij haar nieuwe oma (Remco's moeder) wordt gestald.
Nieuw kind in huis, een oma of opa als vluchtheuvel: het zijn veel voorkomende thema's in de jeugdliteratuur. Nog zo'n topos: een fantasiefiguur die de hoofdpersoon gezelschap houdt. Astrid Lindgrens Karllson is wereldberoemd geworden. Hier is het Elias, die Ciel aanzet tot destructief, rebels gedrag.

Elias, die alles deed wat ik niet durfde. En meer. Ik kon hem niet tegenhouden, ook al had ik hem zelf bedacht.

Rebels gedrag, eerder in huis, maar nu gericht tegen oma. Op p. 102 is hij echter definitief overwonnen, uitgedreven. (Ironisch, de naam Elias betekent ongeveer: hij is mijn god.)
Alfie, Ciels vriend 'uit een ander land', lijkt op p. 70 al verdwenen (ze mogen niet blijven, op zich goed voor een mooie episode), maar duikt (ná de verdwijning van Elias) nog op, eigenlijk om afscheid te nemen en zijn, hun, hond Laika (eerbetoon aan Bibi Dumon Tak? Aan Laika zelf?) bij haar achter te laten, zodat hij niet naar het asiel hoeft. Hun afscheid (p. 114-115) is beslist niet doorsnee en ronduit roerend.
Dat geldt ook voor het einde van dit verhaal, dat daarmee toch beslist boven de middelmaat wordt verheven, wat mij betreft.
Al zou ik Afscheid van Alfie een betere titel hebben gevonden. Of: Een naam om te onthouden. Om dat te snappen, moet je het boek lezen.
De fraaie omslag is van Sylvia Weve (ill.) en Herman Houbrechts (ontw.).



De Preter, Gerda. Toen Alfie verdween. Querido, 2018. ISBN 978 90 451 2161 1, 128 p.




dinsdag 12 juni 2018

Karen Woets

kende ik vooral als onderzoeker van jeugdliteratuur. Ze schreef artikelen voor diverse websites (waaronder NieuwWij) en periodieken, waaronder Leesgoed en Literatuur zonder leeftijd en was ook enige tijd (2010-2012) lid van de redactie van dat laatstgenoemde tijdschrift-in-boekvorm. Bovendien was ze lid van de redactie van Verborgen talenten, jeugdliteratuur op school, het vakboek waaraan ik ook als redacteur meewerkte.



In januari 2016 stapte ze uit het leven, 49 jaar oud. (Op 2 juni 2016 zou ze vijftig zijn geworden.) Ze liet drie kinderen na.

Binnen de wereld van het onderzoek naar jeugdliteratuur was Karen Woets (eerder: Karen Ghonem-Woets) welbekend. Ze schreef niet alleen, maar gaf ook lezingen en was anderszins actief, zie boven. Een vriendelijke, zachtaardige, gewetensvolle en ietwat zwaarmoedige vrouw, die haar werk altijd zorgvuldig voorbereidde en afleverde.
Ik kende haar niet goed genoeg om te begrijpen waarom ze haar leven beëindigde. Het was voor ons al een grote schok, laat staan voor haar kinderen en ex.

Een goed idee van de redactie van Literatuur zonder leeftijd (LZL) om een aflevering aan haar te wijden. Het is aflevering 105, voorjaar 2018.
En helemaal een goed idee om het openingsartikel ('Veelzijdig en geëngageerd, de persoonlijke en academische drijfveren van Karen Woets) te vragen aan collega Coosje van der Pol, die haar sporen vooral in onderzoek naar de rol van prentenboeken bij leren lezen heeft verdiend. Een portret van de onderzoeker Karen Woets, gelardeerd met herinneringen van vakgenoten.
Ze gaat niet in op de persoonlijke achtergrond van Karens betrokkenheid bij religie en filosofie. Karen had zich bekeerd tot de Islam. Of dat vóór of in verband met haar huwelijk met een Egyptenaar was, is mij niet bekend. Het weerhield haar zeker niet van onderzoek naar de rol van andere religies in de jeugdliteratuur. Zo verscheen van haar in 2011 Boeken voor de katholieke jeugd, verzuiling en ontzuiling in de geschiedenis van Zwijsen en Malmberg. Een handelseditie van de dissertatie waarop ze in 2005 promoveerde. Ze had toen inmiddels al meegewerkt aan Woord zoekt Woord, Joden, Christenen en Moslims in gesprekken over teksten en tradities (Ankh-Hermes, 2010).
Het verklaart natuurlijk wel Coosje's observatie dat Karens bibliotheek (ze had enorm veel boeken) 'nauwelijks klassieke Nederlandse romans bevat. We zagen er wel enkele, maar hun aantal staat in geen verhouding tot het aantal romans uit het Midden-Oosten, in het bijzonder Egypte en de Maghreb-landen.' Natuurlijk, denk ik. Daar lag haar belangstelling.

Het daaropvolgend artikel is geschreven door Karen Woets, ook een mooie greep: ' Over een ongelovige dichter en haar moslimprins, over Polleke van Guus Kuijer'. Het verscheen eerder in Eeuwige jeugd, boeken voor Rita Ghesquiere, Leuven, 2007.)
Dan volgt een reeks artikelen die alle een aspect van haar onderzoek en recensiewerk belichten. Met tot slot herinneringen aan Karen Woets door Piet Mooren, ooit haar docent aan de Universiteit van Tilburg en hoofdredacteur van Verborgen talenten.

Zoals gebruikelijk eindigt de aflevering met enkele recensies.
Literatuur zonder leeftijd verschijnt drie keer per jaar in de vorm van een boekje van rond 140 pagina’s en wordt uitgegeven onder auspiciën van de Stichting IBBY-sectie Nederland.
De abonnementsprijzen: instellingen 47,50; particulieren 34,50; studenten 24,50 (bewijs van inschrijving meesturen; moet elk jaar vernieuwd worden). Abonnementen gaan in per volledig kalenderjaar (reeds verschenen nummers worden toegezonden).
Bestellingen voor losse nummers (19,95 euro per stuk) en abonnementen kunnen gericht worden aan het secretariaat van IBBY-Nederland.

Men kan zich als abonnee aanmelden via het secretariaat: IBBY-Nederland@planet.nl. Wie zich aanmeldt krijgt als welkomstgeschenk alle afleveringen van jaargang 2017.














maandag 11 juni 2018

... dat zijn de anderen

Bijzonder kopje boven de redactionele inleiding van Literatuur zonder leeftijd 103 (zomer 2017). Inleidster Sanne Parlevliet laat het onverklaard en neemt kennelijk aan dat alle lezers het kunnen thuisbrengen als het eind van de beroemde zin uit de eenakter Huis clos (Gesloten deuren) van Jean-Paul Sartre: 'L'enfer c'est les autres', de hel dat zijn de anderen.
Mooi staaltje lezersverwachting: LZL is een tijdschrift voor o.a. literatuurwetenschappers en dan vooral gespecialiseerd in jeugdliteratuur.
Of zoals op de website staat: LZL 'is grensverleggend en probeert in verschillende artikelen de traditionele grenzen van de kinder- en jeugdliteratuur te verkennen, waarbij gedacht kan worden aan de grenzen tussen:

– Literatuur voor kinderen en voor volwassenen
– Literatuurwetenschap en pedagogiek – Literatuur en andere kunstuitingen voor kinderen – Informatieve en verhalende boeken
– Literatuur en lectuur '
Nou, dan ken je je Sartre ook wel... Verklaring overbodig, dacht Sanne kennelijk.

Het is een wat cynisch motto voor een aflevering die gewijd is aan 'diversiteit in de jeugdliteratuur'!
En dat terwijl uit de bijdragen blijkt dat auteurs van jeugdliteratuur doorgaans heel goed met die diversiteit overweg kunnen. Hooguit zijn er gemeten naar de samenstelling van de bevolking hier te lande opvallend weinig auteurs en hoofdpersonen met een kleurtje of anderszins verschillend van wat sommige Nederlandse politieke leiders plegen aan te duiden als de 'gewone Nederlander'.
Wat dat ook moge zijn. Ik citeer graag de Nederlandse koningin: dé Nederlander bestaat niet.
Nederlander zijn is een predikaat dat eerst en vooral te maken heeft met het recht om een Nederlands paspoort te hebben of opgenomen te worden in het dito paspoort van zijn of haar ouders. De rest is mythevorming of jurisdictie. Idem België.

Natuurlijk speelt rond dit thema het dilemma dat fraai is verwoord door Rindert Kromhout, in zijn Annie M.G. Schmidtlezing, die integraal in deze aflevering is opgenomen.
Op p. 173:
'Wie een boek schrijft, denkt niet aan hoe nuttig dat voor de lezers zou kunnen zijn, hij of zij denkt slechts aan het verhaal dat hij wil vertellen en hoe dat zo mooi mogelijk op papier te krijgen. Verhalen die zijn bedoeld om nuttig te zijn, zijn zonder uitzondering oninteressant.'
Op p. 164:
'Een bekende uitspraak van Jella Lepman, de oprichtster van IBBY, luidt: "Boeken bouwen bruggen." En zo is het, boeken en verhalen en al die andere cultuuruitingen bouwen bruggen en verbinden.'

De paradox is, als we Rindert Kromhout even volgen, dat juist verhalen die idealiter niet geschreven zijn om nuttig te zijn, van nut zijn voor de samenleving.
Het is een overbrugbare paradox, want schrijvers van het type dat Rindert bedoelt, hoeven zich helemaal niet bezig te houden met bruggen bouwen. Laat ze lekker schrijven.
Bruggen bouwen, dat doen dan de lezers en bemiddelaars, de vele volwassenen die kinderboeken inzetten voor dit doel. Een internationale vereniging als IBBY is hiervoor al zo'n zestig jaar bezig.

De scheiding hoeft niet zo strikt: dat bewijst (o.a.) Marit Törnqvist. Zij maakt mooie prentenboeken, mooi genoeg om ook door Rindert Kromhout interessant gevonden te worden (neem ik aan). En ze zet die vervolgens in om bruggen te bouwen. Ik doel op haar project Een boek voor jou. Eline Rottier interviewde haar hierover voor LZL.

Schrijvers kunnen, Rindert nogmaals volgend, vooral schrijven om dat wat ze in hun hoofd hebben zo goed mogelijk te verwoorden, voor lezers, en dan vooral jonge lezers, maakt het uit welk type hoofdpersonen ze tegenkomen in hun boeken. 'Een Surinaamse moeder vertelde aan [Bas] Maliepaard dat haar dochter lang heeft gedacht dat alleen blonde meisjes prinsesjes konden zijn totdat ze de prentenboeken over het zwarte prinsesje Arabella van de Nederlands-Amerikaanse schrijfster Mylo Freeman in handen kreeg.'

Interessante aflevering dus, zomer 2017. Er staat natuurlijk nog meer in dan ik boven noemde. Enkele lange besprekingen (o.a. van de biografie over Cissy van Marxveldt), de Woutertje Pieterse-lezing van Nasim Miradi, een onderzoek 'vanuit een postkoloniaal perspectief' naar de vraag 'hoe politiek correct zijn Pippi, Kuifje en Babar?', een interview met vier wannaars van de Jenny Smelik IBBY-prijs, en meer.

Literatuur zonder leeftijd verschijnt drie keer per jaar in de vorm van een boekje van rond 140 pagina’s en wordt uitgegeven onder auspiciën van de Stichting IBBY-sectie Nederland.
De abonnementsprijzen zijn in 2018: instellingen 47,50; particulieren 34,50; studenten 24,50 (bewijs van inschrijving meesturen; moet elk jaar vernieuwd worden). Abonnementen gaan in per volledig kalenderjaar (reeds verschenen nummers worden toegezonden).
Bestellingen voor losse nummers (19,95 euro per stuk) en abonnementen kunnen gericht worden aan het secretariaat van IBBY-Nederland.

Men kan zich als abonnee aanmelden via het secretariaat: IBBY-Nederland@planet.nl. Wie zich aanmeldt krijgt als welkomstgeschenk alle afleveringen van jaargang 2017.







zondag 27 mei 2018

Meneer Swart

is een lange man, of een man met lange benen, in een bruin pak.
Hij is docent op een school voor voortgezet of secundair onderwijs, zoals dat tegenwoordig heet, en dook al eerder op in Grote gedachten - verhalen over filosofie (2014). Hij had succes, dus liet Janny van der Molen hem ook opdraven in Grote gevoelens - verhalen over psychologie (2017).

De boeken hebben hetzelfde stramien. Zelfs twee leerlingen duiken weer op (Loubna en Wouter). Ze hebben goede herinneringen aan de filosofielessen 'vorig jaar' (p. 10). Meneer Swart kondigt een speciale lessenreeks aan. In iedere les behandelt hij een figuur (filosoof) of onderwerp (psychologie). Hij gaat zeer socratisch te werk. In plaats van een monoloog af te steken probeert hij in dialoog met zijn leerlingen tot inzichten te komen. Bij die leerlingen thuis gebeurt er dan soms ook nog iets dat toevallig die inzichten onderstreept. Maar alles komt op zijn pootjes terecht.
Grappig, in de drie jaar verschil tussen de boeken zijn de denkbeeldige leerlingen dus één jaar gegroeid, idem uiteraard meneer Swart.

Die meneer Swart is gebaseerd op een docent die de auteur op de middelbare school had. Die was 'inspirerend en origineel' en gaf haar 'op een cruciaal moment een belangrijke levensles mee'.
Het boek is niet bedoeld als 'zelfhulpboek' en is 'ook geen naslagwerk'. Het is 'niet meer dan een kennismaking met een heel boeiend onderwerp'.
Aldus de auteur in haar inleiding ('Voor je begint met lezen') (vreemde titel, want die inleiding is toch ook om te lezen?), en die bescheidenheid siert haar.

Die kennismaking voert langs Stanley Milgram en zijn experimenten, Adler, Jung, Freud, oude theorieën over lichaamssappen en humeuren, Descartes, Albert Ellis, gedragstherapieën, Martin Seligman, verdringen en geheugen, Elizabeth Loftus, trauma's, Francine Shapiro, EMDR, Douwe Draaisma, Alois Alzheimer, Philip Zimbardo, Solomon Asch e.a.: de namen staan achterin (p. 206-209) opgesomd.

Ik weet wel iets van psychologie, maar niet voldoende om een uitgewogen oordeel te geven over deze fictieve lessenreeks van meneer Swart. Uit de inleiding blijkt dat de auteur zes deskundigen van naam en faam heeft geraadpleegd en laten meelezen en 'tot slot las de "echte" meneer Swart het manuscript helemaal mee. Zijn zeer positieve beoordeling betekent veel voor me.'
In ieder geval hebben de fictieve leerlingen een grondige en ingrijpende inleiding gehad in ideeën over de werking van de geest, of, zoals leerling Jasper het omschrijft: 'bestuderen wat mensen voelen en denken'. Petje af voor meneer Swart - de fictieve dus.
En ja, zoals ik hierboven schreef: bij die leerlingen thuis gebeurt er dan soms ook nog iets dat toevallig die inzichten onderstreept. Maar alles komt op zijn pootjes terecht en sommige leerlingen groeien in hun zelfbewustzijn. Ik ga dat niet allemaal opsommen en samenvatten. Wel mooi dat meneer Swart aan het eind van zijn lessen al zijn leerlingen een cadeau geeft: een t-shirt met Superman. Geestig gevonden.

Belangrijk vind ik dat dit verhaalstramien het boek iets heel ouderwets geeft, een beetje à la Oom Jan leert zijn neefje schaken, of de vele verhandelingen voor kinderen die in de 19e eeuw verschenen waarin een wijze volwassene een dialoog voert met een leergierig kind.
De dialogen in dit boek zijn echter redelijk natuurlijk, in ieder geval veel natuurlijker dan die van Max Euwe, laat staan al die 19e-eeuwse wijsneuzen. Ik begon die meneer Swart en zijn leerlingen wel voor me te zien en ik kon de manier waarderen waarop de verteller de huiselijke en andere (soms tamelijk heftige) problemen van die leerlingen handig met de lessen van meneer Swart vervlocht. Ik kon ook zijn (meneer Swart) dialogen met zijn leerlingen wel waarderen.
Het mag een ouderwets concept zijn, het werkt wel in dit boek.

Ik schreef 'redelijk natuurlijk'. Poëzie is het niet. De werking van een echt verhaal schuilt in de zeggingskracht van de woorden. Het is fijn dat er wat drama in en om deze lessenreeks is geschapen, maar het blijft bij de verteller uiteindelijk draaien om de opgediste wetenswaardigheden, dat is heel duidelijk.
Ofwel, het mag dan het stramien van een verhaal hebben, een goed verhaal is het niet. Wel een goede inleiding in de psychologie voor lezers van 12 en ouder.



Molen, van der, Janny. Grote gevoelens, verhalen over psychologie. Ploegsma, 2017. ISBN 978 90 216 7802 3, 224 p.











woensdag 23 mei 2018

25 jaar Voorleeswedstrijd

Woensdag 22 mei vond in Amstelveen de finale plaats van de 25e (Nederlandse) Nationale Voorleeswedstrijd. Memorabel, vond ook organisator Stichting Lezen. Om het te vieren nodigde ze voor een feestelijke lunch een ruim 25-tal mensen uit die allen te maken hebben of hadden met leesbevordering. Waaronder ondergetekende.
En hoewel ik het fenomeen voorleeswedstrijdfinales het laatste decennium aan me voorbij heb laten gaan, besloot ik dit mee te vieren.

De Nationale Voorleeswedstrijd mag gerust zo niet het paradepaardje, dan toch wel een van de succesprojecten van Stichting Lezen worden genoemd. Bijna de helft van de Nederlandse basisscholen doet mee en blijkens divers onderzoek is meedoen gunstig voor het aanzien van lezen en dus het leesklimaat op school, al het effect moeilijk in cijfertjes onder te brengen. Er is terechte trots bij Stichting Lezen.
Daarbij dient aangetekend dat er nóg een paradepaardje is, dat weliswaar niet zo in de kijkcijfers loopt maar zeer waarschijnlijk wel effectiever is voor het aan het lezen krijgen en houden van kinderen: Bibliotheek-op-School. Benieuwd of daarvan het 10-jarig bestaan in 2018 nog gevierd gaat worden.

 

En terwijl in de entree de eerste kampioenen en hun aanvang arriveerden, was in een kleine theaterzaal gedekt voor een aangeklede lunch, met sprekers.



Tussen de (lekkere) gerechtjes door spraken, ingeleid door 'dagvoorzitter' Aleid Truijens, achtereenvolgens Kees Broekhof, Jacques Vriens en Esmeralda Akdag (leerkracht basisschool Het Element, Middelburg, heette tot februari 2018 De Vossenburcht).
Jacques Vriens las voor uit Smokkelkinderen en kreeg van gastvrouw Gerlien van Dalen (directeur Stichting Lezen) een oorkonde omdat hij in 25 jaar Voorleeswedstrijd de meest voorgelezen auteur is.
Esmeralda Akdag vertelde hoe op haar basisschool  in Middelburg het lezen wordt bevorderd. Door veel aan lezen te doen, inderdaad, compleet met bibliotheek, deelname aan Bibliotheek-op-School en voorleeswedstrijd, taalcoördinator enz. Mooi: juf als voorbeeld. Vertellen wat je zelf leest, wat je fijn vindt om je lezen, het helpt. 'Je bent als juf een voorbeeld voor de kinderen.'
Kees Broekhof verwees naar divers onderzoek (Bol-Bus; 'Nijmegen') om te kunnen stellen: heus, het werkt. En prees de Leesmonitor van Bibliotheek-op-School omdat die scholen in staat stelt om zelf vorderingen in kaart te brengen. Maar hij vond dat er ook nog wel iets te verbeteren viel, met name in de kwaliteit van de uitvoering. Daarover, en over de opleiding tot leerkracht, werden voor het toetje nog enige ideeën geuit.

Het blijft natuurlijk wel werken tegen de klippen op.
Er is nog steeds een groot, zelfs groeiend aanbod aan tekst, ook digitaal, ook mooie kinderboeken, maar daarnaast een nog meer toenemend aanbod van bewegend beeld met gesproken of gezongen tekst, film, video/tv, vlog, youtube, wat niet al.
Dat kan heel onderhoudend zijn, maar je gaat er niet door lezen en een etmaal duurt slechts 24 uur.
Er is volgens Kees Broekhof een stijgend aantal leerlingen dat ook aan het eind van het basisonderwijs nog als 'zwak in lezen'  kan gelden. En het aantal leesbeesten-boekenverslinders neemt af.
Er is bovendien, merkten diverse deelnemers op, een stijgend aantal leerkrachten-in-spe die zelf ternauwernood lezen.
Werk aan de winkel, nog altijd! Het taalonderwijs moet beter, en dat is dan één pijler naast die andere: leesbevordering, ofwel zorgen voor een ruim aanbod van boeken en tijdschriften en veel activiteiten om lezen aantrekkelijk te maken en te houden.
Meedoen aan de Nationale Voorleeswedstrijd is er slechts een van.
Wie weet wordt het beter. Om Gerlien van Dalen te parafraseren: zonder optimisme red je het niet.









vrijdag 18 mei 2018

De dosse hook glommert op de hieme zeek

Gat neep of d'n zuisterd? Gorgezat lekelt d'n hepperdiem se mavelzat in. Korredaag, se kremerd lit sluk! Klarremons zuut krijzel en devert d'n moop in. Kleert ne rolledaat, koepert ne zopermaat!
Gekremerd zilt men d'n grave laagbaarheden in d'n mopen. Grol!
Mor zanten vroopt mon zelemaats...
Vreks, gonter moolt d'n vlerestroker.

Gedderie, doer vroopt ne krakezat. Heilhol gedaver! Zoe koepert grezig d'n rolledaat, navens d'n grope greniling. Zuks bobert Klarremons deer zolle groven. De haggel verplovert d'n verdavering...

Gamenie ziezoekig veer Hongels?
Zok hoer...

Gries! M'r gaast d'n grovver oor d'n kraddeman. Se stoert plikkert d'n hepperdiem tok navens him vroopt. Rolledaat en greneling kwivveren. Doer takkert ne meewoert en slonks bewikkeren two vakkelakken. Stokkers krokken en d'n boemde donkt. Heier! Nachtens zookt hiel woenog ne dosse hook! H't blokert noor zwundel. Gorgels zwieveren doer sloond, rimmelriest zukende en schorgels bemiedende. Hinne kriks het ne bloeuwe bil, o gee! Zaandree: 'Kei ze flin de grond, d'n baarten greten u. Gebreid het droet.'
Growels drokken ne fliert se koppert inne sloet.

Zaas klaakt ne hepperdiem zerig oer se mavelzat. Prienterzat, se mavelzat. Rurg... Gebreid het droet, djaja... Koklenen zwieveren dergens klanklanderend ne newet ech woenog noor dievers ne klovers. Doer dievers krieg tenover tillens griebels ne glokkers, zenne zilt zopermaat te klillens. Vriet veur d/n hepperdiem.

Mier te kam?