Zoeken in deze blog

woensdag 11 november 2020

Tsarenzonen en vuurvogels

Er is een vierde sprookjesbundel verschenen van The Tjong Khing, Russische sprookjes.
 
 
Sprookjes. Een jaar geleden schreef ik erover in mijn bespreking van De kikkerbilletjes van de koning en andere sprookjes van Janneke Schotveld, die voor dit boek dit jaar een Vlag-en-Wimpel kreeg van de Griffeljury en wier boek ook voorkomt op de shortlist van de Jenny Smelik IBBY Prijs. Ik citeer mijzelf:
 
Een verzameling van vijftien gezellige, veelal vrolijke sprookjesachtige verhalen. Sprookjesachtig, want er lopen veel koningen, prinsen en prinsessen in rond, dieren kunnen soms spreken en de omgeving bestaat zo niet uit louter paleistuinen, dan toch onbekende landen met zeer vage grenzen. Echte sprookjes zijn het niet als ik Pullman volg, daarvoor krijgen de hoofdpersonen doorgaans te veel kleur, een begin van karaktertekening, mede door de dialogen, en zijn de verhaalwendingen vaak te olijk, met allerlei hedendaagse elementen.
 
Op zijn mildst zou je ze cultuursprookjes kunnen noemen, zoals die van Hans Christian Andersen - maar die waren toch echt beter. 
 

 
The Tjong Khing is voor zijn sprookjesbundels, waarvan Russische sprookjes de vierde is, vermoedelijk te rade gegaan bij andere bundels en voor deze uitgave wellicht bij een van de vertalingen of bewerkingen van de rond 600 verhalen tellende verzameling van Alexander Afanasjev (Александр Николаевич Афанасьев), Народные русские сказки (Russische volksverhalen), verschenen 1855-1863 en voor wie Russisch leest compleet op internet, zie https://ru.wikisource.org/wiki/Народные_русские_сказки_(Афанасьев) (*).
 
We weten het niet, want net als in Sprookjes van overal, de vorige bundel van The Tjong Khing die ik besprak, is er geen bronvermelding, zelfs geen verantwoording. De bundel begint plompverloren bij het eerste verhaal, 'De mooie Wassilia', en eindigt met het veertiende en laatste, 'De boogschutter en de vuurvogel'.
 
De stijl van vertellen is evenals in Sprookjes van overal nogal parlando, alsof letterlijk de tekst van een voorlezer wordt weergegeven:
 
Vroeger, heel, heel lang geleden, waren er nog heksen en feeën, en een van die heksen zat zich op een dag stierlijk te vervelen in haar heksenhut. Nijdig tuurde ze door een kapotte ruit naar buiten. Hé, daar liep iemand... Een prins zo te zien, want hij was heel deftig gekleed.
 Weet je wat? Ik haal een grap met hem uit,' mompelde de heks in zichzelf, en dat is wat ze deed. Zonder er verder bij na te denken sprak ze een toverspreuk uit, maakte een paar rare gebaren en hop... de prins liep daar niet meer, maar zat opgesloten in een kachel, en die kachel stond in een bos in een heel ander land.
 
Het zal je maar gebeuren! Terwijl je niks verkeerds hebt gedaan!

In dat bos, in dat vreemde land, liep een prinses rond. Ze was die morgen uit wandelen gegaan en kon de weg naar haar kasteel niet meer vinden. Zo kwam ze bij de ijzeren kachel uit.
Huh? Een kachel middenin een bos? Nieuwsgierig bekeek ze hem van alle kanten. Ze schrok zich een hoedje toen de kachel opeens begon te praten: 'Waar kom je vandaan en waar ga je naartoe?

Het begin is traditioneel (eens, lang geleden... op een dag...). Zo hoort een sprookje te beginnen, dat weet de verteller ook. We weten het eigenlijk niet, want deze oude verhalen werden pas in de 19e eeuw opgetekend, maar het is voorstelbaar dat vertellers er eeuwen geleden ook al mee begonnen, om ze te onderscheiden van verhalen die gebonden waren aan bekende personen of landschappen, het type verhalen dat we nu sagen en legenden noemen.

Daarna gaat de verteller los, brengt hij er elementen in die de verbeelding van de luisteraar een handje moeten helpen. De heks 'verveelt zich', 'tuurt nijdig door een kapotte ruit', mompelt en 'haalt een grap uit'. Het werkt vast wel - maar maakt het sprookje minder sprookjesachtig, want in sprookjes bestaat geen toeval, haalt niemand zomaar een grap uit en verveelt niemand zich.
De verteller richt zich rechtstreeks tot zijn publiek: 'het zal je maar gebeuren!'Terwijl je niks verkeerds hebt gedaan!' En verplaatst zich in zijn figuren, die daarmee een persoonlijkheid krijgen: 'Huh? Een kachel?'. Gebruikt een kinderlijke (of tuttige) uitdrukking: 'schrok zich een hoedje'. (Hoei boei...)
 
Ook in de andere verhalen valt dat op. De verteller geeft zijn prinsessen en koningen vaak iets persoonlijks, wat zijn verhalen meer kinderverhaal en minder sprookje maakt. Net als bij Schotveld, eigenlijk. Een beetje gezellig kletsen in plaats van strak en stijlvol vertellen.
Daardoor vermindert de verhaalkracht van bepaalde sprookjesschema's, zoals dat alle beproevingen in drievoud komen, en dat er steeds nieuwe beproevingen komen voordat er een duidelijk doel wordt bereikt. 
Toeval en tover verdragen elkaar niet.
 

 
Wat meer in stijl is, is bijvoorbeeld dit begin:

Lang, lang geleden, ergens in Rusland, was er eens een weduwnaar. Hij was koopman en had een zoon en een dochter. De koopman was steenrijk, maar wel erg ziek. En op een dag was hij dood.
 
Ja, zo gaat dat in sprookjes. De plaat bij dit verhaal vind ik overigens wel prachtig, ja, Khing kan wel illustreren! Dat wist ik natuurlijk al en dat bevestigt dit boek nog eens.
Verder:

De zoon en de dochter regelden zijn begrafenis en toen dat allemaal achter de rug was, zei de zoon tegen zijn zus: 'Nu onze vader geen handel meer kan drijven, ga ik dat doen.'
Hij kocht van alles en nog wat, laadde het op een schip en voer de haven uit.
Maar vóór hij vertrok nam hij afscheid van zijn zusje. Ze wisselden portretten van elkaar uit en hij gaf haar ook nog een medaillon met een haarlok, zo zouden ze elkaar niet vergeten, want het zou best eens kunnen dat hij een hele tijd wegbleef.
 
Helaas zit ook hier een beetje van dezelfde wat tuttige kletsstijl in als in vorig fragment, met dat 'huh' en 'schrok zich een hoedje': 'toen dat allemaal achter de rug was',  'want het zou best eens kunnen dat hij een hele tijd wegbleef'. Ook lelijk om die zoon eerst de haven uit te laten varen, maar dan toch even vóór hij vertrok... Ik zou er als auteur niet tevreden mee zijn geweest en net zo lang hebben geslepen tot de tekst klinkt als een klok en dat geldt voor veel andere passages in deze verhalen.
Zoals bijvoorbeeld op p. 133 dat tuttige

Met al die spullen in haar tas ging het meisje op weg naar de andere kant van het bos, naar de valse heks Baba Jaga (maar dat wist ze zelf natuurlijk niet!)
 
Nee, nogal wiedes, daar komt ze vanzelf achter en dus is het niet nodig om dat te vermelden. Beter was geweest:

Met die spullen in haar tas ging het meisje op weg naar de andere kant van het bos.
 
Dat had ook mooi aangesloten op de volgende zinnen:
 
Na uren lopen kwam ze bij een huisje. Het stond op twee kippenpoten en eromheen stond een hek dat vanzelf openging.

En erg tongue-in-cheek is deze passage op p. 157:

Een maand later was er een grote bruiloft.
En wat denk je? Dat erf daarna veel veranderde voor het dienstmeisje? Ze was nu wel een prinses, maar dat betekende veel en hard werken: lintjes doorknippen, eten met koningen en koninginnen van andere landen, in de koets rondrijden, wuiven...
En weer werd ze er niet voor betaald. Maar dat vond ze, ook nu weer, helemaal niet erg.



Zoals gezegd hebben de meeste sprookjes een duidelijk einde en heel vaak is dat een huwelijk, dat wil zeggen, de koning of de prins krijgt de vrouw op wie hij zijn oog liet vallen. Ook in deze veertien verhalen komt dat doorgaans zo uit en wat dat trouwen precies inhoudt blijft verborgen - zoals in alle sprookjes. Er komen regelmatig kinderen van, dat is zeker. 
Het was vast niet Khings bedoeling, maar ik vond die afbeelding hierboven (p. 156, bij 'De duif in het bos') een treffende weergave: wéér zo'n prinsessewicht gevangen...
 
Het pleit voor deze oude verhalen dat ze ondanks de wat kletserige stijl nog redelijk overeind blijven als sprookje en dus ook als voorleesverhaal. Hier gebeurt tenminste nog eens wat!
 
 


Thé Tjong Khing. Russische sprookjes. Gottmer, 2020. ISBN 978 90 257 7280 2.





* Ik vermeld het URL voluit, want het 'content management system' heeft nogal moeite met zo'n mix van Latijnse en Cyrillische letters.





zondag 8 november 2020

'Ik, ik, ik...'

'Ik vlog.' (*)
Nee, ik niet, maar de denkbeeldige lezer van Het vloggershandboek wel.
Waarom? Goede vraag, die de auteur, ene Shane Birley, op p. 6 tracht te beantwoorden. Dat ziet er zo uit:




Als je er helemaal niet uitkomt, 'kun je ook je ouders of vrienden om hulp vragen'.

Tja. Je kan natuurlijk ook besluiten niet te vloggen. Zou mijn vaderlijk advies zijn, denk ik. Dat is niet aan de orde hier. Want ik, ik, ik... kennelijk moet ik, wil ik vooral gezien worden, gehoord worden. Daartoe vlog ik, ben ik op aarde. Of ik iets te melden heb, doet er minder toe. Het ego op de troon.

Veelzeggend is de tip op p. 11:

Heb je het gevoel dat je niets te zeggen hebt? Denk je dat je niet genoeg weet over een bepaald onderwerp om erover te praten? Als je niet weet wat je moet zeggen of als je je vlogaflevering nog niet gepland hebt (daar koken we later op terug), probeer dan deze simpele truc: druk op de opnameknop en kijk wat er gebeurt.

 


Kwaak kwaak... Bwûûûhhh... Ehh... Zoiets als sommige talkshows (praatvertoningen) en dan nog erger.

Toch iets anders als een lege pagina op het scherm brengen en wachten tot er woorden in je hoofd komen om op te schrijven (**). Dat vergt een soort concentratie die verschilt van het staren naar een wachtende camera. Die camera suggereert een wachtend publiek. Met die lege pagina kun je rustig wachten tot je inspiratie krijgt of in slaap valt.

Nu ja, afgezien van die lacune (een zinnig antwoord op de vraag waarom) biedt Het vloggershandboek wel wat handige praktische tips voor jonge vloggers. Denk ik.
Behalve dus die ene tip: bespaar jezelf tijd en vlog niet. Besteed die tijd nuttig en aangenaam en zoek anderen op, in het echte leven, om te onderzoeken of je samen iets kan doen. Al is het maar gedachten of ervaringen uitwisselen. Of desnoods, vooruit dan maar, samen vloggen. Maar ja, twee ego's voor de camera...

Hoe jong? Op grond van moeilijkheidsgraad en vocabulaire schat ik: 10+. 
 
 
Birley, Shane. Het vloggershandboek; ills. Audrey Malo. Gottmer, 2020, ISBN 978 90 257 7337 3. Oorspr.: The Vlogger's Handbook, Quarto Publishing, 2019.
 
* Vlog is verkorting van videoblog is afgeleid van blog afgeleid van weblog afgeleid van log afgeleid van logboek (Engels logbook of kortweg log) afgeleid van (opnieuw) log en dat was een ding.
'De gewone log wordt al eeuwen gebruikt en bestaat uit een plankje met een koord. Aan het plankje werd lood bevestigd, zodat het verticaal in het water kwam, nadat het overboord werd gegooid. De log bleef tamelijk onbeweeglijk in het water liggen, terwijl het schip doorvoer en de lijn afrolde. Door te meten hoeveel van de lijn in een bepaalde tijd afgerold werd, kon de afgelegde verheid omgerekend worden naar de vaart. Aanvankelijk werd de lijn apart opgemeten, later werden er op regelmatige afstand knopen in gelegd, zodat de afgerolde lengte eenvoudiger bepaald kon worden. Vandaar dat snelheid nu nog steeds in knopen wordt uitgedrukt.

Uiteindelijk werd de afstand van de knopen genormaliseerd op 47 voet en 3 inches, wat met een standaardglas, een zandloper, van 28 seconden rechtstreeks de snelheid in knopen gaf. De telgegevens werden vervolgens gerapporteerd aan de bootsman die ze noteerde in het logboek. De stuurman kon dan met deze gegevens navigeren.' (Bron)
 
** Deborah Levy in een interview door Persis Bekkering in NRC Next 30-10-2020. 'Ik heb een vel wit papier gepakt en schreef op: 'Politieke doeleinden". En toen keek ik wat er gebeurde. Er gebeurde een heleboel. Ik begon met een vrouwelijke verteller. Ze staat op een roltrap, ze huilt, ze weet niet waarom. Daar vond ik een nieuwe stem, waarmee ik kon beginnen om politieke onderwerpen te verkennen, filosofie, gender, reizen.'

dinsdag 3 november 2020

Wie niet sterk is...

Op 3 maart schreef ik over het eerste deeltje in een nieuwe Anansi-reeks, Anansi de spin en de gulzige tijger. In oktober verscheen deeltje 2, Anansi de spin - sterker dan olifant.

Anansi ziet lekkere bananen maar kan er niet bij. Olifant wel - die zet zijn achterste tegen de boom en schudt, en eet de bananen op voor Anansi's neus. Die beweert boos dat het zijn bananen zijn, maar Olifant lacht hem uit. 

 

 

Anansi daagt hem uit om touwtje te trekken: als Anansi wint haalt Olifant een week lang bananen uit de boom. Als Olifant wint, biedt Anansi hem een modderbad aan voor zijn achterste.

Uiteraard wint Anansi. Die had namelijk eerder een walvis hulp geboden bij het vinden van haar jong en schakelt nu moeder walvis in om stiekem aan het touw te trekken...

Een list dus. List en bedrog. Om daarmee een domme snoever te vloeren, Anansi ten voeten uit, de overlever in een wereld waar de sterksten ongegêneerd de baas spelen. Het is een heel ander perspectief dan dat van het brave middleclass-kind dat geleerd wordt zich netjes aan de regels te houden. Helaas spelen in het echt de sterksten ook vaak de baas en kan het geen kwaad een beetje streetwise te worden. Zoals Anansi, dus.

Over taal en beeld kan ik kort zijn en verwijzen naar mijn vorige recensie.


Cudogham, Iven, & Moldybyrd Studio. Anansi de spin - sterker dan Olifant. Gottmer, 2020, ISBN 978 90 257 7364 9.

maandag 2 november 2020

Jenny Smelik-IBBY prijs

Omdat persberichten over de Jenny Smelik-IBBY Prijs vrijwel nooit publicatie door de gangbare media halen, behalve de website van IBBY Nederland, zie onder:

'De shortlist van de Jenny Smelik-IBBY Prijs is bekend. De prijs heeft tot doel boeken onder de aandacht te brengen waarin culturele diversiteit een vanzelfsprekende rol speelt en waarin het beeld van de verschillende culturen opbouwend in plaats van problematiserend is. Sinds 1998 gebeurt dit elke twee jaar. Op 13 november wordt de uitslag van de Jenny Smelik-IBBY Prijs 2020 bekendgemaakt. 

De jury van de Jenny Smelik-IBBY Prijs 2020, bestaande uit Liesbeth ten Houten, Anne Klomberg, Eline Rottier, Susan Venings en Janneke van der Veer, heeft zich gebogen over 56 ingezonden boeken. Conform de doelstelling zijn de boeken vooral beoordeeld op de wijze waarop (etnisch-)culturele diversiteit een rol speelt. Daarnaast is gekeken naar het voorkomen van andere vormen van diversiteit, zoals gender en seksuele geaardheid. Literaire kwaliteiten speelden eveneens een rol bij de selectie. 

Na verschillende selectierondes bleef een shortlist van zes titels over. Stuk voor stuk kanshebbers voor de Jenny Smelik-IBBY Prijs 2020.'

Hier de titels:

Simon van der Geest, Het werkstuk of hoe ik verdween in de jungle. Ills.:

Karst-Janneke Rogaar.

Alyssa Hollingsworth, Van niets naar iets. (Oorspr.: The Eleventh Trade.)

Jessica Love, Julian is een zeemeermin. (Oorspr.: Julián is a mermaid.)

Zanib Mian, Planeet Omar: problemenmagneet. (Oorspr.: Accidental Trouble Magnet.) Ills.: Nasaya Mafaridik.

Benjamin Alire Saenz, De onverklaarbare logica van mijn leven. (Oorspr.:
The Inexplicable Logic of My Life.)

Janneke Schotveld, De kikkerbilletjes van de koning. Ills.: Kees de Boer, Linda Faas, Djenné Fila, Marijke Klompmaker, Martijn van der Linden, Marja Meijer, Marieke Nelissen, Georgien Overwater, Milja Praagman, Pyhaj, Peter-Paul Rauwerda, Annet Schaap, The Tjong-Khing en Alex de Wolf. Zie ook hier.

zaterdag 17 oktober 2020

Verhalen voor het slapen gaan

Zijn er nog kinderen die smikkelen? En weldra lezen over twee muizen die in de keuken mogen slapen 'als jullie van het eten afblijft'? (Of jelui, zoals ik De kleine kapitein vond.)
Ja, in Het sleutelkruid en ander werk van Paul Biegel. Wie met aandacht leest, vindt meer woorden die je vandaag de dag niet vaak meer hoort. Het sleutelkruid verscheen dan ook voor het eerst in 1964, twee jaar na zijn debuut met De gouden gitaar, en het was het eerste boek dat hem waardering bracht en een bekroning.
 
Het hinderde me niet, die enkele uit de mode geraakte woorden, al was het maar doordat er meer curieuze woorden in zijn verhalen voorkomen, vaak van eigen makelij. In de sprookjesachtige omgeving van Biegels verhalen komen zeer vreemde types voor en dus mag er vreemd gesproken worden. Ik kan me wel voorstellen dat niet heel oude voorlezers struikelen over met name ouderwetse woorden. Jelui hebt tegenwoordig niet meer, maar jullie hebben. Hun jonge luisteraars zullen er vermoedelijk minder moeite mee hebben.
Het was een opmerkelijk besluit van uitgeverij Gottmer om opnieuw werk van Paul Biegel te laten verschijnen, te beginnen met Het sleutelkruid, De kleine kapitein en Nachtverhalen, mooi gebonden uitgaven, De kleine kapitein zelfs met leeslint.
 
Het sleutelkruid, oorspronkelijk verschenen in 1964, met zijn verhalen in verhalen in verhalen, toont Paul Biegel meteen als verhalenverteller met een onmiskenbaar eigen stijl.
Het is die van de verteller die elke avond een verhaal vertelt voor het slapen gaan. Een licht zwabberende en improviserende maar levendige verteller met een enorm lenige verbeelding, die zijn luisteraars door dolle invallen en soms treffende beeldspraak geboeid houdt. Toe, nóg een verhaal. Hoe gaat het verder? De verteller zorgt ervoor en lijkt daarbij zoals gezegd soms lustig te improviseren.

Een citaat:
 
Gelukkig kwam op dat moment de oude dienstmeid binnen. Haar gezicht had rimpels en plooien die groter waren dan haar neus, maar dat zag je haast nooit omdat ze verschrikkelijk krom liep van de ouderdom. Om recht vooruit te kijken, moest ze gaan zitten, en de blauwe hemel had ze al heel lang niet meer gezien.
 
Nog eentje:
 
De dieren zaten aan het dessert in de keuken, en de haas droeg juist een groot stuk hageltaart met vossenbessen naar de koning, toen een angstaanjagend geloei tegelijk bij de voordeur, onder het keukenraam en bij de staldeur klonk. Iedereen schrok, zelfs de leeuw, en de haas liet de taart vallen.
'Hoei hoei hoei', ging het weer. Daarna volgde een dreunende slag, waarbij de hele koperen burcht galmde. 'Doe open!' brieste een stem.
'L-leeuw, ga eens kijken,' fluisterde de haas bevend.
'Hm,' mompelde de leeuw, maar hij sloop toch voorzichtig langs de muur naar de voordeur en probeerde onder de drempel door te kijken.
'Hé, komt er nog eens wat?' brulde de bezoeker buiten, en plotseling werd er rook door de brievenbus geblazen. De leeuw stoof achteruit, niezend van de zwavelstank.

Ja, dan trek je als jonge luisteraar in bed toch even de deken over je hoofd en wee de voorlezer die op dit moment wil ophouden.
En op zeker moment kwam de stem van Jean Dulieu terug in mijn geheugen, ook zo'n verteller, per radio (1955-1964). Ik weet niet of Het sleutelkruid ooit als radio-feuilleton is uitgezonden, zo tegen kinderbedtijd, maar het zou het goed doen.

 

(Illustratie van Linde Faes uit Het sleutelkruid.)
 
Moet ik Het sleutelkruid nog samenvatten? Dacht het niet. Het wordt beschouwd als een klassieker uit de Nederlandstalige jeugdliteratuur, met een eigen Wikipedia-pagina, net als De kleine kapitein, met dezelfde status.
 
De zwabberende verteller betrapte ik in De kleine kapitein in het land van Waan en Wijs overigens op een fout die typerend is voor een improviserende verteller - zij het dat ik hier toch een ingreep van een redacteur had verwacht. Het grote stadschip op p. 355:

Zo vaart die drijvende stad tot de dag van vandaag over zee, steeds naar het westen, om de ondergaande zon in te halen. Maar de Nooitlek vertrok naar het noorden, om de laatste telg van de grote heer van Schrik en Vreze, zijn jongste dochter, te gaan zoeken.

Dat stadsschip meert echter op p. 378 aan bij het IJskasteel om deel uit te maken van een groot feest. 
 
Met zijn vijf zeekapiteinen had de drijvende stad een wereldreis gemaakt, van het Woeste Westen langs het Diepe Zuiden en het Wazige Oosten tot hier in het Hoge Noorden.
 
Ja, ik hoor de verteller zich al verdedigen: maar daarná ging het... Toch is het zwak.

Verder blijft het echter bij details die er niet zo toe doen en als los zand door de verhalen slingeren. Zoals de 'zeshonderdveertien ijzeren treden' in de vuurtoren van de wachter in De kleine kapitein in het land van Waan en Wijs (p. 358). En, zelfde boek, waarom vijf 'zeebonken' (p. 21 en verder, zie de zeekapiteinen hierboven): waarom vijf? Geen idee. Zeven is vanouds een magisch getal, maar dat er zeven gangen volbracht moesten worden in de zeven torens van het Land van Waan en Wijs krijgt geen verdieping, evenmin als de twaalf trappen die in één van die torens naar boven leiden.
 

 
(Illustratie van Carl Hollander uit De kleine kapitein.)
 
Nachtverhaal (voor het eerst verschenen in 1993) heeft onmiskenbaar een zelfde soort verteller maar is vergeleken met die twee hierboven besproken verhalen toch van een iets ander kaliber, al was het maar omdat hier mensen en kabouters en pratende dieren tegelijk op het toneel verschijnen.

De kabouter in dit verhaal was een gewone huiskabouter. Hij woonde op de zolder van een oude villa, vlak onder het rieten dak waarin de geheimen van de bewoners werden bewaard. Als het hard waaide, was in het geknisper van het riet nog het lachen te horen, en het praten en zuchten en vloeken en het stiekeme gefluister van de mensen die in het huis hadden gewoond. De kabouter wist die dingen nog beter dan het riet; hij had zijn hele leven op zolder gewoond en al die tijd voor het huis gezorgd zoals een huiskabouter hoort te doen, zonder dat iemand het ooit merkt.

Ik vraag me af of een rieten dak knispert. 
Hier is de voorlezer weer terug:
 
Zaterdagsavonds werd daar gekaart. Pad en Rat kwamen naar boven - Pad op de rug van Rat - langs geheime sluipweggetjes achter het tengel, en klopten op de deur.
'Wie daar?' riep de kabouter, en: 'Wij!' antwoordden ze keurig, en dan mochten ze binnen.
'Mooi huisj, mooi huisj, mooi huisj,' zei Pad altijd drie keer, maar Rat ging meteen voor de spiegel van het dressoir staan om zijn snorharen te schikken. Ook rekte hij zin kin om te kijken of er nog geen kwabben onder zaten.

(Illustratie van Charlotte Dematons uit Nachtverhaal.)

In Nachtverhaal hoorde ik een zwakke echo van Hans Christian Andersen. Maar ook de verteller die almaar doorgaat en zich geen beperking oplegt. Dit verhaal is origineel, goed gevonden, met een verrassend en tegelijk heel traditioneel sprookjesachtig einde, maar te lang.
En toch: mooi huisj, mooi huisj, mooi huisj.

Biegel, Paul. Het sleutelkruid. Gottmer, 2020. ISBN 978 90 257 7371 7.
Biegel, Paul. De kleine kapitein. Gottmer, 2020. ISBN 978 90 257 7373 1.
Biegel, Paul. Nachtverhaal. Gottmer, 2020. ISBN 978 90 2577375 5.


woensdag 14 oktober 2020

Noodklok

De oorlogsmetafoor (strijd tegen, strijd voor, oprukken, overwinnen, verdediging, aanval, offensief, ...) doet het goed in veel omgevingen. War on drugs. Strijd tegen corona, desnoods met een hamer (Mark Rutte in zijn persconferentie d.d. 13-10-2020). Nu trekken ook leesbevorderaars ten strijde.

Er wordt volgens allerlei onderzoeken steeds minder gelezen in Nederland, daarover is ook in dit blog al vaak bericht. 'Achttien organisaties uit het veld van onderwijs, cultuur en jeugdgezondheid maken zich hierover al geruime tijd zorgen en luiden nu voor het eerst gezamenlijk de noodklok,' meldt een persbericht van Stichting Lezen d.d. 13-10-2020, namens de 'Leescoalitie'. Zij willen, daar komt-ie, een '#leesoffensief'.

Er lijkt me niets tegen welke poging dan ook om mensen aan het lezen te krijgen en te houden. Ik heb vrijwel mijn hele loopbaan steun geboden aan leesbevorderaars. Ze hebben afgelopen decennia enorm hun best gedaan, tegen de klippen op van grotere schoolklassen, slinkende budgetten, sluitingen van bibliotheekvestigingen, oprukkende beeldcultuur en wat niet al, tot en met onderwijsgevenden die zelf amper lezen.

Kennelijk niet offensief genoeg, want het haalde allemaal weinig uit, al zou men kunnen vermoeden dat de toestand zónder hun inspannender wellicht nog erger zou zijn. Dat valt aan te nemen, maar niet aan te tonen.

De leescoalitie heeft nu een manifest opgesteld en dat overhandigd aan minister Ingrid van Engelshoven.

Die reageerde snel, zo leek het. Persbericht d.d. 14 oktober: 'Gistermiddag verscheen een Kamerbrief over de stand van zaken van het Leesoffensief. Hierin onderkennen ministers Van Engelshoven en Slob dat het tij gekeerd moet worden als het gaat om de leesvaardigheid in Nederland. De leesvaardigheid moet omhoog, en de ministers geven prioriteit aan de verbinding van leesonderwijs met leesplezier. Zij spreken van een beweging die zij in gang willen helpen zetten.'

Die Kamerbrief vind je hier. En verwar die vooral niet met een voorgaande Kamerbrief, d.d. 3-12-2019 (!), waarin, jawel, een leesoffensief werd aangekondigd.

Dat eerste offensief (hoeveel offensieven willen we hebben?) werd 'ingegeven door een urgent advies van de Onderwijsraad en Raad voor Cultuur over leesmotivatie en leesplezier onder Nederlandse kinderen en jongeren. De raden concluderen dat Nederlandse kinderen en jongeren minder vaak lezen. Als zij lezen doen zij dat met minder plezier. Hoewel jongeren op het eerste gezicht volop gebruikmaken van tekst (met name op hun mobiele telefoon), besteden zij minder tijd aan wat de raden "diep lezen" noemen: het geconcentreerd lezen van langere teksten of boeken. "Diep lezen" is iets anders dan woorden consumeren. Het gaat om langere teksten aan één stuk door lezen, waarbij onder andere verbanden worden gelegd, de tekst wordt ingebeeld en er analyse en kritische beschouwing plaatsvindt.'

De recente Kamerbrief blijkt geen antwoord op het luiden van de noodklok, althans niet expliciet, maar 'Op 3 december 2019 hebben wij uw Kamer geïnformeerd over het Leesoffensief, dat begin 2020 van start is gegaan naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur en de Onderwijsraad. Wij hebben uw Kamer toegezegd om u na de zomer van 2020 te informeren over de stand van zaken. Met deze brief doen wij deze toezegging gestand.'

Niettemin reageerde de Leescoalitie snel (14-10):

'Gistermiddag verscheen een Kamerbrief over de stand van zaken van het Leesoffensief. Hierin onderkennen ministers Van Engelshoven en Slob dat het tij gekeerd moet worden als het gaat om de leesvaardigheid in Nederland. De leesvaardigheid moet omhoog, en de ministers geven prioriteit aan de verbinding van leesonderwijs met leesplezier. Zij spreken van een beweging die zij in gang willen helpen zetten. Dit sluit aan bij het manifest Oproep tot een ambitieus Leesoffensief, dat gisterochtend vroeg werd gepubliceerd door de Leescoalitie, ondersteund door elf organisaties uit het veld van onderwijs, cultuur en jeugdgezondheid. De initiatiefnemers van het manifest spreken de verwachting uit dat de ministers ook oog hebben voor de financiële implicaties die deze wens met zich meebrengt. Het is in het belang van onze hele bevolking dat het niet blijft bij voornemens,maar dat deze vertaald worden in een integrale aanpak,met een stevig investeringsbudget. Ook mogen (jong)volwassenen die het lezen niet of onvoldoende beheersen daarbij niet vergeten worden.'

Money makes the world go round. (Bron.) De leesbevorderaars hebben groot gelijk met hun verwachting van een stevig investeringsbudget. Anders blijft het bij mooie woorden. Zoals in die periode dat onze regering de activiteiten van Stichting Lezen en CPNB best wilde steunen, maar tegelijk bezuinigde op bibliotheekwerk en onderwijs. Wel schuim, maar op slappe koffie.

Hieronder het boodschappenlijstje van de Leescoalitie:

Hieronder staat ons boodschappenlijstje voor de komende jaren: stevige ambities met concrete doelen om ze te verwezenlijken. Daarbij huldigen we als motto:
Lezen is voor iedereen. Fors investeren in beter leesonderwijs is nu nodig. Het gaat niet vanzelf.
1. Elke leerling verlaat de school (po, vo en mbo) met voldoende leesniveau. Focus speciaal op groepen die het hardst achterblijven (jongens, vmbo, mbo, jongeren met een migratieachtergrond, laaggeletterde volwassenen). Zorg voor samenhangend beleid en extra investeringen in leesonderwijs, leesbevordering en bestrijding laaggeletterdheid en zorg voor politieke borging op rijks-, provinciaal en lokaal niveau. En toon daarbij ambitie. Weliswaar verlaten de meeste kinderen in Nederland de basisschool op het fundamentele niveau 1F, en haalt 78 % het streefniveau van 2F, we zien dat dit niet voldoende garantie isom op de middelbare school goed te kunnen blijven presteren.We streven naar een situatie waarin alle leerlingen het 1F niveau behalen en een zo hoog mogelijk percentage 2F, ook bij leerlingen die uitstromen naar het vmbo. Hiervoor zijn forse investeringen nodig.
a. Zorg dat leerlingen zonder taalachterstand aan de basisschool beginnen door te investeren in taal en voorlezen via vroeg- en voorschoolse educatie, ouderprogramma’s en door inzet op taalstimulering bij ouders en pasgeborenen door consultatiebureaus.
b. Richt extra aandacht op laaggeletterde ouders door lessen in taal- en leesvaardigheid (verbinding preventie en curatie). De SER bepleitte in haar advies in 2019 dat een verdubbeling van het budget nodig is voor een adequate aanpak van laaggeletterdheid bij volwassenen.
c. Iedere school en kinderopvanglocatie heeft een leesbeleid, waarin tijd voor (voor)lezen de basis vormt, en voert dit uit.
d. Iedere school, van po tot en met pabo, heeft een rijke leesomgeving en heeft een goede schoolbibliotheek (of voorziet in een gevarieerd boekenaanbod door structurele samenwerking met de lokale bibliotheek).
e. Het curriculum kenmerkt zich door hoge ambities voor lees- en taalbevordering.
f. Scholen versterken de leesmotivatie van leerlingen door het juiste boek op het juiste moment aan te bieden. Betrek daarbij uitgevers, festivals, bibliotheken, boekhandels, leesbevorderaars en sluit aan bij de belevingswereld van leerlingen, en betrek vooral ook de jonge lezers zelf.
2. Alle (aanstaande) leraren (van po tot pabo) en onderwijsassistenten zijn voldoende toegerustom goed en motiverend leesonderwijs te geven; pedagogisch medewerkers weten hoe ze leesbevorderend moeten werken.
a. In het leesonderwijs staan leesplezier en leesvaardigheid centraal. Leraren laten met uitdagend onderwijs leerlingen ervaren dat lezen geen plicht of verplichting is, maar een recht dat kansen biedt en leuk en spannend is.
b. Het belang van (voor)lezen moet nog hoger op de agenda van pabo’s en lerarenopleidingen. Ze leiden de leraren van de toekomst op en die moeten van dat belang doordrongen zijn en weten hoe ze leerlingen warm kunnen krijgen voor lezen.
c. Leraren verbinden het bijbrengen van tekstbegrip aan betekenisvol onderwijs: lezen met als doel iets te weten te komen over onderwerpen.
d. Ontsluit en deel effectief gebleken lesideeën en -praktijken en betrek kinderen, jongeren en leraren nadrukkelijk bij plannen om het leesplezier te vergroten, bijvoorbeeld als ambassadeurs en rolmodellen.
e. Elke leraar bezit kennis van het (actuele) boekenaanbod voor kinderen en jongeren.
3. De kunst van het lezen is een zorg voor iedereen en behoeft structurele aandacht. Het vormt de basis van een goed functionerende samenleving.
a. De kunst van het lezen moet een punt van aandacht zijn voor het kabinet, de Kamer en regionale en lokale overheden, werkgevers, vakbonden en alle mensen die verantwoordelijkheid dragen voor anderen.
b. Leesvaardigheid en een rijke leescultuur zijn belangrijke stabiliserende factoren voor een democratische samenleving. Zorg voor lezen begint van onderaf bij (groot)ouders en moet worden geschraagd door een stevig kabinetsbeleid. Uitgangspunt moet zijn dat wij ons land willen voorbereiden op de toekomst.


 


dinsdag 22 september 2020

Och, als ze nou eens een boek lazen...

Het was bijna aan me voorbijgegaan, maar dat ligt geheel aan mij, want ik heb de laatste tijd geen boekwinkel aangedaan. O.a. wegens het verzoek van onze regering om gepaste afstand te houden tot mijn niet tot mijn huishouden horende medemens.

Anders had ik me natuurlijk verbaasd over de rijen vóór en drommen jongeren tussen de boekentafels. Want het is in Nederland 'Boekenweek voor jongeren' (18-27 september) en die jongeren komen natuurlijk allemaal af op 3PAK


 

3PAK is een geschenkbundel met korte verhalen van 'vier topauteurs' (Danielle Bakhuis, Johan Fretz en Pepijn Laanen & Floor van het Nederend), tijdens deze week gratis verkrijgbaar bij boekhandels en bibliotheken, en ongetwijfeld tot hun grote vreugde krijgen leerlingen in het voortgezet onderwijs 3PAK zomaar cadeau van hun docent Nederlands.
 
Nu maken de mensen achter de Boekenweek niet duidelijk wie zij onder jongeren verstaan. Ik vermoed mensen van 12 tot 28 jaar, zoiets. Al wel geslachtsrijp maar nog niet begonnen aan een loopbaan en/of gezin. Zoiets.
Daarentegen wordt het 'Beste Boek voor Jongeren (met shortlist) ieder jaar uitgereikt om de aandacht te vestigen op goede en leuke boeken, geschikt voor jongeren van 15 t/m 18 jaar'. Dat is de echte tussen-servet-en-tafellaken-groep (kènt u deze uitdrukking nog, dames en heren?), ruimschoots geslachtsrijp maar formeel nog niet volwassen.

Het boek Nicolas en de verdwijning van de wereld (De Arbeiderspers) geschreven door Anne Eekhout is verkozen tot het Beste Boek voor Jongeren 2020 in de categorie ‘Nederlandstalig’. In de categorie ‘Vertaald’ ging deze prijs naar Darius de Grote is niet oké (Gottmer), geschreven door Adib Khorram in de vertaling van Tjalling Bos. Een vijfkoppige jury van jongeren koos deze boeken als winnaars nadat een voorselectie van vijf boeken per categorie was samengesteld door een vakjury. De bekendmaking vond plaats bij jongerenzender NPO 3FM, door dj’s Frank van der Lende en Eva Koreman. De winnaars ontvangen elk een cheque ter waarde van 2500 euro.

Het valt me op dat de organisatoren denken dat NPO 3FM een 'jongerenzender' is en dat het niet aan de jongerenjury is overgelaten om een keuze te maken uit het aanbod. De 'vakjury' (juryvoorzitter Marjolein Hordijk, projectmedewerker Educatie Voortgezet Onderwijs bij Bibliotheek Gelderland Zuid; Nelleke Groot, boekhandelaar bij Paagman; John Schrijnemakers, recensent; Paulien Sigmans, docent op het Pax Christi College in Druten en educatief auteur o.a. bij Malmberg; en Janneke van der Veer (schrijfster en literatuurwetenschapper).) stelde de shortlist samen, de jongerenjury (Lotte Groot Wesseldijk, voorzitter, Bruno Beeke,  Roos Breukel, Jeanine de Groot en Yente Zomerplaag) las deze tien titels. Konden ze niet meer aan?

Uit diverse metingen blijkt dat 'jongeren' steeds minder lezen. Zo'n boekenweek is dus een moedige poging om ze aan het lezen te krijgen. Charlotte Remarque (22 jaar) legde in de Volkskrant 19-9-2020 uit 'Waarom jongeren minder lezen (en niet omdat ze er te lui voor zijn)'.
Ze somt diverse mogelijke oorzaken op. 
Een citaat:

Daar zit het euvel. Mijn generatie is gefixeerd op het optimaliseren van tijd. Productiviteit, of op zijn minst het streven naar productiviteit, is deze cv-oppoetsende, stagelopende burn-outgeneratie eigen. Waar die mentaliteit vandaan komt, daarover kun je boeken vol speculeren. Bindend studieadvies, de wedloop die de freelancewereld met zich meebrengt, een onverbiddelijke arbeids- en woningmarkt, of toch gewoon weer smartphoneschermpjes. De druk is hoog om iedere minuut nuttig in te vullen.

De gamification die we kennen van stappentellers en productiviteitsapps is ook richting het lezen gewoekerd. Op een e-reader staat onderin hoelang het nog duurt tot je het boek uit hebt, als een routebeschrijving. ‘Tijd tot einde hoofdstuk: 12 minuten. Tijd tot einde boek: 4 uur en 28 minuten.’ Het instinct om te winnen neemt je over en je gaat jakkeren – van die 4 uur en 28 minuten kunnen we wel wat afschaven! Advertenties voor luisterboek-apps spelen in op de schaarste van tijd: luister een hoofdstuk terwijl je strijkt, forenst of hardloopt. Vergeet niet de reclames voor speed reading-cursussen die je overal tegenkomt. 70 woorden per minuut? Daar kunnen we 120 van maken.

Het lezen moet niet alleen snel, het boek zelf moet ook optimaal zijn. Aan de bestsellerlijsten kun je aflezen wat de jonge, slimme lezer nog trekt: Yuval Harari, Rutger Bregman. Aan de ene kant sterft boekensnobisme uit en aan de andere kant vinden we het belangrijk om geïnformeerd over te komen. De zucht naar het informatiefste boek dempt logischerwijs de interesse in fictie, waarvan de toegevoegde waarde niet onmiddellijk helder is. We willen niet stukje bij beetje mens worden, we willen de geschiedenis van de mensheid in één keer kunnen kopen.


Schrijven kan ze, onze Charlotte, net als moeder Sylvia Witteman en vader Philip Remarque. De voorkeur voor non-fictie herken ik bij mijn eigen (inmiddels) hoog opgeleide zoon (28). Die overigens waarachtig nu meer leest dan tien jaar geleden.

Vooruit, nog een citaat:

Deze houding tegenover leven en lezen – dat er een optimale, efficiënte manier is om het te doen – roeit veel meer uit dan alleen fictie. Het maakt van ieder boek een moetje, een kans om jezelf te verbeteren en om het meeste uit je tijd te halen. Kunst om de kunst delft het onderspit wanneer optimalisatie het hoogste doel is. Terwijl er uit lezen zo veel plezier te halen is. Ergens denk ik dat we ons dat nog kunnen herinneren. Maar dan moeten we wel eerst berusten in het idee dat niet iedere seconde telt.


maandag 14 september 2020

Zucht

Zucht. Niet alleen dat ene virus woedt almaar door, in het kielzog ook dat andere. Alternatieve waarheden. Complotten.

Twee en twee is niet alleen vier of 22. Appels mogen doorgaans min of meer rond zijn, de aarde wordt weer plat, platter dan plat. Ze zeggen dat...

Het leven is een complot, ze zijn er op uit dat je sterft. Iedereen, ja. We zijn allemaal de pineut.

Was ons niet verteld dat alles goed zou gaan? Dat we recht hebben op een fijne tijd, op geluk? En nu komen ze met die ziekte, met stikstof en andere vuiligheid, met ontslagen, de aarde warmt op zeggen ze en het was al zo heet.

''t Is toch niet wáár!!' 'Néé toch...!' Gister las ik op Facebook...

En wat doet de regering? De regering doet...

Wel fijn om just nu De begraafplaats van Praag (Il cimitero di Praga) te lezen, van Umberto Eco. Dat verhaal staat bol van de complotten en fantastische ideeën en genootschappen. Qanon a la negentiende eeuw.

Ilja Pfeiffer had gelijk: hoop is het enige dat ons van totaal cynisme afhoudt.


zondag 26 juli 2020

De Verlichten

De wereld, heb ik ontdekt, wordt in het geheim geregeerd door een geheimzinnig dus onbekend genootschap.
Toen ik ervan hoorde, klotsten hun namen me door de oren: Daamde, De Gankelaar, Finnis, Fléau, Keska, Moraatz, Neutebeum, Nittikson, Steijd, Steinhacker, Tekalopte, Wigchel, Ypsilinti... Niemand kent ze, ziet ze samen, maar iedereen weet dat ze een band hebben. Ze vertonen zich nauwelijks, baden in weelde, en de hele wereld danst naar hun pijpen. Nee, de heer Mulisch zit er niet bij, sorry, dat kwam door dat pijpen. Ach, het zouden ook anderen kunnen zijn. De naam Soros wordt ook genoemd. Maar áchter die anderen... Wij denken dat we door onze regeringen geregeerd worden, maar wij zijn te argeloos, begrijp ik.

Met rode oortjes las ik op 2 juli in de Volkskrant over 'de mensen achter het 5G-protest'. En wat aanpalende, informatieve artikelen. Zojuist nog zoiets uit 2018 gevonden, in NRC 14 september 2018, 'Wat leeft er in de wereld van Nederlandse complottheorieën?'.

Arme, eenvoudige ziel die ik ben, ternauwernood op Facebook, amper op Twitter, niet op Instagram, geen Telegram-account, bubbelloos. Ik slaap, want ik heb nog geen weet van Qanon, van vaccins die microchips bevatten waar Bill Gates achter zit, van zendmasten die ons betoveren, van de straling door 5G die ons zoiek zou maken ook al is 5G nog helemaal niet in werking. Ik lees en hoor wel eens wat, maar ik hoor er niet bij.

Kan daarom een spandoek niet bevatten dat ik 22 juli aantrof in de buurt van een protestdemonstratie door boeren in De Bilt. Dit:


De naam Demmink kon ik nog wel thuisbrengen, dat was een troebele kwestie over al dan niet vermeend seksueel misbruik en er is op internet van alles over te vinden, als ik de naam intik krijg ik meteen de zoeksuggestie doofpot erbij. Maar wat het echtpaar Gates daar nou mee te maken heeft...? En waarom een logo van schoolboekhandel Van Dijk moet dienen om daarop de naam Soros te schrijven...? En waarom ik dat spandoek vond opgehangen aan het hek van een voormalige kwekerij en niet in de demonstratie?

De complot-experts weten er vast alles van. Hier zitten Daamde c.s. achter, die hielden Demmink de hand boven het hoofd vanwege banden met Soros en Gates, die wellicht ook met hun vingers aan die jongetjes zaten. Kennelijk is er zelfs een verband tussen Demmink en het Farmers Defense Front, of breng ik nu een verband aan louter door de gelijktijdigheid en nabijheid van demonstratie en spandoek?

Mij eenvoudige ziel, onwetend van het wereldcomplot, laten ze niet delen in het geheim. Of ik laat me niet delen, dat zou ook kunnen.
 
NB. Ook uit NRC 14-9, maar dan 2020: 'QAnon springt van web over op de echte wereld'.

zaterdag 25 juli 2020

Schrijven kan bijna iedereen

maar dat houdt niet per se in dat het resultaat ook gewaardeerd wordt.

Hanneke Groenteman is een succesvolle radio- en tv-journalist, met een lange staat van dienst.
En niet te beroerd om iets nieuws te proberen: in juli 2020 debuteerde ze met een tienerroman, De Battle.

Het vertellen van het verhaal liet ze over aan de twee hoofdpersonen, Hanna en Yara, beiden meisjes van een jaar of vijftien. Ze houden beiden een dagboek bij en het boek bestaat dus uit fragmenten uit die dagboeken, aangevuld met stukjes app-berichten, maar dan wel zo dat het eerder lijkt alsof ze permanent een radioverslag leveren en om beurten de microfoon pakken.
Ze gaf hen de stijl mee die ze passend vond bij zulke meisjes, dus het is super, mega, giga, cool, vet en chill, supertof, zelfs superduper, vooral bij Hanna (maar de laatste twee supertjes zijn van Yara). Dat Yara nog moeite zou hebben met Nederlands, zoals ze op p. 15 (vrijdag 6 september) schrijft, daarvan is helemaal niets te merken, hooguit gebruikt ze iets meer Engelse woorden dan Yara, maar ik heb niet geteld, misschien klopt dat idee niet.
Dat is de bekende stijlbreuk in bijna alle verhalen voor kinderen en jongeren met een hoofdpersoon als verteller (behalve de beste): die verteller is doorgaans veel taalvaardiger dan hij of zij eigenlijk zou moeten zijn.
Lezende tieners (heerlijk hè, zo'n ouderwets woord) trekken zich er vermoedelijk doorgaans weinig van aan, maar ik vind het lastig: de meisjes wordt een dertien-in-een-dozijn-stijl in de pen gelegd, vol memes dan wel topoi, hapklare brokjes tekst die in ontelbare uitingen van vijftienjarigen voorkomen, en al snel merkte ik dat ik me begon te vervelen. Er zit geen pit in die teksten, nergens eens een formulering waarvan ik opkeek.

Aangezien het verhaal strikt chronologisch wordt verteld, is het ook een soort stijlbreuk dat het begint met stukjes dagboek van zaterdag 12 oktober. Daarin wordt Yara betrapt als ze een jurkje tracht te jatten. Ernstige gevolgen heeft dat echter niet, zo blijkt. Wat zouteloos dus, zo'n lokkertje. Zeker gedaan op aanraden van een uitgeverijredacteur?
Het verhaal verloopt van vrijdag 6 september tot en met vrijdag 20 december. Dat komt overeen met de kalender van 2019. En die van 2013, 2008 en 2002 enz. Aangezien Yara (met moeder en zus) in Nederland terechtgekomen is als vluchteling voor de Syrische burgeroorlog (2011-heden), lijkt me aannemelijk dat het verhaal zich in 2019 afspeelt. Overigens is ze van Palestijnse afkomt, maar ze woonden in Aleppo. Haar vader is met zijn gebrekkige moeder achtergebleven in Saoudi-Arabië, hun eerste vluchtbestemming.
Ik meld dit om te tonen dat er in dit verhaal over groeiende vriendschap tussen twee meisjes een extra thema zit. En nóg een, want Hanna's ouders gaan uit elkaar. En nóg een, want Hanna's oma takelt langzaam maar zeker af. En nóg een, want Hanna hoort bij een vast vriendinnengroepje (de Chicks), dat eerst wat argwanend is jegens Yara, wat kan komen doordat Yara (dat meldt ze zelf en idem Hanna), de eerste weken op haar nieuwe school heel weinig zegt. Want haar Nederlands... zie boven. Bij de klassefoto vergeet de hele klas haar zelfs.
De titel slaat op een project dat Hanna en Yara samen voor school uitvoeren, over twee filmsterren, dat ze uitvoeren als een soort wedstrijdje pardon battle: de een presenteert Audrey Hepburn, de ander Marilyn Monroe.

Het is goed bedoeld, dit verhaal met een happy end (*). Wie weet maakt het lezers in de beoogde groep iets bewuster van wat vluchtelingen ervaren. Maar het is geen hoogtepunt van woordkunst, daarvoor is het veel te doorsnee. Dit had beter gekund.



Hanneke Groenteman. De Batttle, hoe een schoolproject hun levens veranderde. Kluitman, 2020. ISBN 978 90 206 2485 4, 128 p.

* Sinds ik de Maddaddam-trilogie van Margaret Atwood heb uitgelezen kan ik het woord happy nauwelijks meer gebruiken zonder te denken aan Happycuppa en andere kreten uit dat verhaal... Dát is nog eens schrijven!