Zoeken in deze blog

donderdag 6 mei 2021

Geldkraan

Ja hoor, daar gaat weer eens een geldkraan open. Ben vergeten of het in NRC van 28 of 29 april was, maar 'de geldkraan gaat open'. Zal in dit geval wel over Biden en de VS zijn gegaan, maar in het algemeen gaat er regelmatig een geldkraan open. De metafoor past goed bij die andere: 'geld als water'. Geld als vloeibare materie. Geld stroomt. Niet te verwarren met geld dat de portemonnee uit vliegt.

Maar geld is niet vloeibaar en alleen muntgeld is materie. Ja, bankbiljetten ook, want van papier, maar het getal erop is al symbolisch en niet méér materie dan de inkt waarmee het gedrukt is.
 
Vloeibare materie wekt de indruk dat het op kan. Wij denken ook vaak dat geld op kan. Mijn en jouw eigen geld kan ook op, want wij samen kunnen geen nieuw geld maken. Maar de regering van ons land kan dat wel. De bank waar we een lening afsluiten ook. Daardoor is er al veel meer geld dan er aan munten of bankbiljetten rondgaat. De laatste decennia is er ook veel meer geld dan er aan goud in de schatkamers ligt en meer dan er aan spullen is gefabriceerd, als je die in geldwaarde taxeert. Het is virtueel geld, dat alleen 'bestaat' in de nullen en enen van de digitale systemen van banken en bankrekeningen.

Naast ruilmiddel is het een uitdrukking geworden van het vermogen om iets tot stand te brengen. Van macht, dus. Óf er iets mee tot stand gebracht wordt, dat is vers twee. En wát, vers drie.
Wie het vermogen heeft om die macht te vergroten door geld te scheppen, is machtiger dan wie dat niet heeft. Maar wát je met dat geld doet, hangt ook af van de waarde die men hecht aan dat geld en aan dat vermogen. Een evenwichtskunst die veel met taal en beeld te maken heeft.

'Spike, Capitalism is like Japanese Knotweed: nothing kills it off. If there were only two people left on the planet, one of them would find a way of making money out of the other.'
'But economics of purpose is not about making money: it's about realigning resources.'
'Isn't language wonderful?'


Jeannette Winterson, The Stone Gods

woensdag 5 mei 2021

Ik ga weg

De laconieke titel dekt het thema van alle vijftig korte verhalen in de bundel Ik ga weg van Dolf Verroen. De hoofdpersonen zijn allen jong en dat is een verrassende prestatie voor een 92-jarige auteur, maar daardoor krijgt het ook de trekjes van een project. Dolf Verroen is een ervaren en vaardige auteur, met meer dan 100 titels op zijn naam, waarvan een ruim vijftal bekroond. Onder die titels zijn er wel meer die niet direct uit innerlijke noodzaak voortgekomen lijken.
 
Het titelverhaal van de bundel, 'Ik ga weg', is zo kort dat ik het in zijn geheel kan citeren:
 
Ik blijf niet eeuwig thuis.
Ik wil een hond, een kat, een konijn en een vijver met eenden.
Maar mijn ouders houden niet van dieren. (Een vijver met vissen zou nog wel kunnen, maar wij wonen in een bovenhuis.)
Mijn ouders houden alleen van mij.
Ze vinden mij volmaakt.
Ze weten nu al dat ik zal slagen, dat ik advocaat word of dokter. Dat ik met een meisje trouw zoals mijn moeder. Dat ik net zo zuinig word als mijn vader.
Ze weten niet dat mijn cijfers steeds slechter worden.
Dat ik mijn ouders dom vind en bekrompen.
En dat ik op een dag de deur achter me dichttrek.
En voor altijd wegga.

Niet alle ouders in deze verhalen zijn zoals deze en de meeste verhalen zijn iets langer, hoewel zelden langer dan twee bladzijden. In alle verhalen is iets aan de hand en steeds iets anders. Wel zijn alle vertellers in het verhaal aanwezig als hoofdpersoon en de teneur van bijna alle verhalen is: ze begrijpen me niet. Niet alle: in een verhaal als 'Telefoon' vinden we een zorgzame moeder die ineens genoeg krijgt van het getuur op telefoontjes (ook door haar echtgenoot) tijdens een gezellig bedoeld ontbijt.
 
Het zijn niet zo heel diepgravende, maar wel zeer onderhoudende, soms schrijnende en vast ook heel herkenbare miniatuurtjes, door Charlotte Dematons voorzien van vignetten, kleine portretjes, die op de schutbladen nog eens zijn afgedrukt (zie boven).
 

Verroen, Dolf. Ik ga weg. Ills. Charlotte Dematons. Leopold, 2020. ISBN 978 90 258 8062 0, 96 p.

zondag 2 mei 2021

Ziek in je hoofd

Eerst dacht ik: daar gaan we weer. 
Zonder beschrijving, flaptekst of andere recensie te lezen begon ik vooraan in het mij als pdf toegestuurde leesexemplaar van Maar ik ben jou niet van Nadine Swagerman.
Daar gaan we weer. Als in een radioreportage of dagboek vertelt iemand over haar wedervaren, doorspekt met terugblikken. We beginnen natuurlijk medias in res, middenin het verhaal, gaandeweg komen we achter een naam (in dit geval Jamie), leeftijd (zestien), geslacht (meisje), omstandigheden (moeizaam). We worden geacht mee te gaan met de gedachtestroom van de verteller en daardoor duurt het even tot we begrijpen wat er gaande is. Vergt wat geduld van de lezer die zich niet meteen laat meeslepen.

Er zijn zoveel van dit soort dagboek-achtige verhalen, heel veel met vertellers annex hoofdpersonages in de tienerleeftijd, of young adult zoals dat tegenwoordig in het Nengelands heet, waar marketeers het vocabulaire beïnvloeden. Of het begon met The Catcher in the Rye van J.D. Salinger (1951) is niet eens zeker, The Sectre Diary of Adrian Mole, aged 13 3/4 van Sue Townsend (1982) heeft voor een vloed aan navolgers gezorgd (zoals onlangs The Extremely Embarrassing Life of Lottie Brooks van Katie Kirby) en dan hebben we in ons eigen taalgebied natuurlijk nog Het Achterhuis van Anne Frank (1947).
De beste onderscheiden zich door stijl, pakkende intrige of thematiek of alle drie, de slechtste zijn te omschrijven als nageäapt tiener-gelamenteer.
 
Voorbeeldje stijl, door Holden Caulfield, hoofdpersonage in The Catcher in the Rye:

If you really want to hear about it, the first thing you'll probably want to know is where I was born, an what my lousy childhood was like, and how my parents were occupied and all before they had me, and all that David Copperfield kind of crap, but I don't feel like going into it, if you want to know the truth. In the first place, that stuff bores me, and in the second place, my parents would have about two hemorrhages apiece if I told anything pretty personal about them.

Prachtig... Vooral dat if you really want to hear about it en de herhaald terugkerende stoplap if you want to know the truth. Deze eerste alinea geeft direct de toon aan voor het hele verhaal.

Dacht ik eerst bij Maar ik ben jou niet, daar gaan we weer, veel (melo?)drama en jammer van dat perspectief van die vertelster, aan het eind zette juist dat perspectief me op het verkeerde been. Dat was ook precies de bedoeling, begreep ik, dat ik mét Jamie zou verdwalen in haar werkelijkheid.
Er zijn enkele eindjes in het verhaal die ik iets beter uitgewerkt had willen zien, zoals het ongeluk, de afwezigheid van haar vader, haar relatie met Nena, en ik sluit niet uit dat de inzet van een verteller op afstand er een diepgaander verhaal van had kunnen maken. 
De stijl die onze verteller hanteert is ook niet echt bijzonder. Nog een eerste alinea, zij het na een cursief intro.
 
Aan de rand van de kamer met de blauwgrijze muren sta ik stil. Zwijgend. Aan de grond genageld. Er hangt een vreemde geur tussen de muren. Ik scan de ruimte op zoek naar iets wat de lucht zou kunnen verklaren. Aan de eettafel zit het meisje met het lichtroze haar onderuitgezakt op een stoel. In haar neus schittert een ringetje. Haar wang leunt in haar hand, alsof ze te moe is om rechtop te zitten. Ze trekt haar wenkbrauwen op als onze ogen elkaar ontmoeten.
 
Een reportage door een meisje dat buitengewoon zwijgzaam is, maar wel schrijft, blijkt halverwege het verhaal. De verslaggever registreert, ook haar eigen angsten, analyseert niet maar verdringt, en dat is in lijn met het verhaal. Toch verklaart dat niet voldoende dat ze in feite, al vertellend, voortdurend aan het woord is. Zo ervaren wij niet echt wat anderen tegen haar zeggen, dat ze gesloten is en niets zegt over wat er in haar omgaat. Om even aan te haken bij wat ik hierboven schreef: de verteller zet geen toon die past bij het verhaal.
 
Juist die onverwachte wending echter vond ik opmerkelijk genoeg om dit boek hier te bespreken. Alleen ga ik hier uiteraard niet verklappen waaruit die wending bestaat.
Wel kwam ik erachter dat het motto voorin het boek, een citaat van zangeres Billie Eilish, toepasselijk is. Ik zal het citeren:
 
Where did you go?
I should know, but it's cold
And I don't wanna be lonely
So show me the way home
I can't lose another life
 

En ik vul het aan met twee regels uit hetzelfde nummer (Ilomilo):

The world's a little blurry
But maybe it's my eyes


 


Swagerman, Nadine. Maar ik ben jou niet. Kluitman, 2021. ISBN 978 90 206 0961 5, 96 p.

woensdag 28 april 2021

Naar de kou

En nóg een boek over de Noordpool, na Noord. Ook vooral over de beesten die er te vinden zijn.
 
Het is een boek met een gimmick: draai het boek om en de Zuidpool is aan de beurt! En het gaat deels ook over mensen in die gebieden (en wat ze aanrichten). Planten zijn er nu eenmaal niet zo veel op de polen.
Bij beide polen melden Nic Jones (beeld) en Michael Bright (tekst) ook dat er geografische en magnetische polen zijn, maar op de Noordse stern na is dat de enige overeenkomst.
Beide boeken beginnen met een kaart die wat mij betreft iets gedetailleerder en vollediger had gemogen en zonder afbeeldingen van dieren. Per slot van rekening mikt de tekst op lezers van tien en ouder, niet op kleuters.
 

 
Op de kaart van de Noordpool ontbreekt Rusland (Siberië) en dat is raar, temeer daar er helemaal rechts wel een piepklein stukje 'Noordland (Severnaja Zemlja') (in Russische letters is dat Сéверная Земля́) is getekend. Dat had Marieke ten Berge in Noord beter gedaan. Dat kompas rechtsboven slaat trouwens (op beide kaarten) ook nergens op, afgezien van de aardigheid dat op de ene kaart de noordpijl naar het witte vlak wijst en op de andere de zuidpijl. Polen zijn immers dusdanig dat op de kaart van de Noordpool het noorden in het midden ligt en zuid alle kanten op, en op de Zuidpool net andersom.
 


Hert boek is dus zo ontworpen dat je zelf kan kiezen aan welke kant het begint, maar dat is voor de regelaars in onze boekenbranche natuurlijk ondraaglijk, dus is er slechts aan één kant een barcode op gedrukt: de Zuidpool. Het boek heet dus, beslis ik, Zuidpool Noordpool.
Dat lijkt wat tegendraads en dat komt, besefte ik, doordat ik gewend ben aan wereldbollen en -kaarten met de Noordpool boven en ook nog eens aan het lezen van gedrukte teksten van boven naar beneden.
Een traditie, maar intussen is een kaart of een bol met de Zuidpool boven best voorstelbaar. Dan krijg je zoiets:
 

 
Al is hier wel wat slordig omgesprongen met de koudste delen van de aarde. (Gevonden op reissite Mooji.)
 
De geboden informatie bestaat uit een redelijk geordende reeks weetjes met afbeeldingen. Je moet er goed voor kunnen lezen. Op pagina 5 en 6 van Zuidpool zie ik bijvoorbeeld woorden als denkbeeldig, geografisch, magnetisch, aardmagnetisch veld, ceremonieel, landroofdier, sneeuwstormvogel en zuidpooljagers. Dit tekstniveau wringt wellicht met de vormgeving: die lijkt mij afgestemd op 8+. Hoeft geen probleem te zijn, de echt nieuwsgierige achtjarige worstelt zich met wat hulp wel door de tekst heen.

Hier de inhoudsopgave van de Zuidpool:
 

 
 En hier die van de Noordpool:
 
 
 
 
Die zuidpooljagers op p. 6 in Zuidpool worden overigens niet nader verklaard, de vulkaan Erebus ligt op p. 7 op 'het eiland Ross', maar wie de kaart raadpleegt ziet 'Ross-ijsplateau' en je moet alvast weten wat een krater is. Er zijn op p. 8 oeroude meren 'ver onder de ijskap', maar hoe die zijn ontstaan staat er niet bij. De Droge Valleien van McMurdo liggen op p. 10 'in het Transantarctisch Gebergte, vlak bij de McMurdo Sound', maar op de kaart is geen Sound te bekennen, wel het gebergte en ook een 'Station McMurdo'. Dat dit en andere Stations geen treinstations zijn, zal de gemiddelde tienjarige al wel snappen, en het woord station keert op p. 27 terug in onderzoeksstation, maar wat een Sound is... De Taylorgletscher, ook op p. 10, waaruit de Bloedwaterval stroomt, is evenmin op de kaart te vinden.
Op p. 12 is 'Antarctisch krill het belangrijkste eten voor de dieren in de Zuidelijke Oceaan'. Dat mag dan zo wezen en wat krill is wordt uitgelegd, op de hierna volgende pagina's staat uitgebreid beschreven hoe deze dieren vooral elkaar opeten. (Het begrip voedselketen wordt uitgelegd in Noordpool.) Met als 'het ultieme poolroofdier' de orca (p. 17-18), waarvan er vier types bestaan, A, B, C en D. Verrassend, maar in lijn met andere vermeldingen, bijvoorbeeld Wikipedia. Het plaatje op p. 17-18 van een gevecht tussen potvis en 'kolossale inktvis' lijkt uit Jules Verne te komen maar is wetenschappelijk verantwoord.
De zuidpoolkip op p. 23 is eveneens 'echt', geen verzinsel, al gaat het niet om een kip, en vliegen kan hij ook, hij staat niet verkeerd in het hoofdstukje 'Vliegende vogels' (dus geen pinguïns, denkt de oplettende lezer inmiddels).
 

 
Aan wat homo sapiens uitspookt op de Zuidpool wordt op p 25-28 aandacht besteed, enkele ontdekkingsreizen plus onderzoek. Welke geopolitieke motieven achter dat onderzoek zouden kunnen zitten en wat precies wordt onderzocht, daarover schrijven de auteurs wijselijk niets. Al staat er wel vroom dat 54 landen een verdrag hebben getekend dat Antarctica 'aanwijst als wetenschappelijk reservaat en militaire activiteit en minerale mijnbouw verbiedt'.

In Noordpool wordt op p. 7 vermeld dat het ijs, 'waarschijnlijk door de opwarming van de aarde',  steeds sneller rond drijft. En
 
Als er veel ijs smelt, stijgt het zeeniveau, en dat is slecht nieuws voor de planeet.

Nee, dat is geen slecht nieuws voor de planeet, dat is slecht nieuws voor mensen die op laaggelegen land wonen, zoals bijvoorbeeld atollen in de Stille Zuidzee en in dichtbevolkte waterige delta's aan de Golf van Bengalen en de Noordzee. Die planeet draait heus nog wel een paar miljard jaar verder.
Pal eronder staat een afbeelding van sledehonden en die 'trekken met wel 15 tot 25 kilometer per uur een slee voort'. 
 

 
Nu is dit wel een extreem voorbeeld van twee weetjes die geen barst met elkaar te maken hebben, maar het illustreert dat dit dubbelboek wel veel weetjes biedt, maar geen samenhangend vertoog. En wat ik boven over Zuidpool aan kleinigheidjes opmerkte, toont dat er net wat zorgvuldiger geredigeerd had kunnen worden.
Jammer. Best bruikbaar voor schoolbibliotheken, dit boek, maar het had net iets beter gekund.
Wat ik dan weer wel waardeer is dat er op p. 30-31 van Noordpool aandacht wordt besteed aan wat de mens verandert aan de Arctis -  niet veel goeds, vooral vervuiling.

Jones, Nic, en Michael  Bright. Zuidpool Noordpool, op expeditie naar de extremen van onze planeet. Gottmer, 2021. ISBN 978 90 257 7485 1, 2 x 32 p. 
 

vrijdag 23 april 2021

Doordat omdat fijner is dan doordat, daardoor of daarom

Zomaar een vrijdagochtend-idee dat me gewerd door het lezen van een recensie. Ik citeer:

Maar juist omdat hij zijn voet op het gaspedaal houdt, heeft Jansen een verbluffende hoeveelheid kennis in zijn compacte overzicht weten te krijgen.

In plaats van omdat had hier doordat moeten staan, lijkt me.
Het is niet de eerste keer dat zoiets me opvalt. Volgens mij komt dit regelmatig voor.
Zou dat komen doordat (omdat?) mensen houden van zingeving en redenen veel aantrekkelijker vinden dan oorzaken? Redenen leiden naar samenhang, naar orde; oorzaken hooguit naar een keten van gebeurtenissen waarbij het een uit het ander voortkomt, met grilligheid en chaos in het verschiet.
Toch kent bijna iedereen het verschil tussen waarom (reden) en hoe (oorzaak). Maar hoe leidt kennelijk sneller naar daarom dan waarom naar daardoor.

Hoe zit dat in onze buurtalen? 
In het Engels is er niet eens een fatsoenlijk equivalent. Zowel omdat (en want) als voordat heten daar because. Wil je onderscheid maken tussen cause en reason, dan wordt het behelpen met voorzetsels (by of since versus for). (De online Cambridge dictionary wijdt erover uit. 'Because introduces clauses of cause and reason.') Toch kent ook vrijwel iedere engelstalige het verschil tussen why en how.
In het Frans idem: pourquoi en comment, dat maakt verschil. Maar parce que, puisque en car lopen lekker door elkaar. Voor een echt doordat hebben ze vier woorden nodig: par les choses que.
Zelfs onze zustertaal Duits (die van Wittgenstein e.a.) heeft er moeite mee, met Grund of Ursache. Weil of da, ze bedienen beide. Voor doordat wordt dadurch of damit geboden. Maar ook iedere Duitstalige maakt verschil tussen wie of warum.

Misschien iets voor taaljournalist Gaston Dorren?

De recensie (door Simone Peek) betrof overigens Belaagd paradijs, een geschiedenis van Georgië, geschreven door Marc Jansen.

NB. d.d. 2-5-2021. Vandaag ontdekte ik de vreemde website http://www.wrmmagazine.nl/. Een niet serieus te nemen 'magazine', dat onder 'over' niet meer vermeldt dan dertien voornamen met hun functies. Dat 'team', 'bestaande uit enkel vrijwilligers (ja echt) schrijven we over zaken waarvan we weten dat ze zo zijn, maar niet WRM ze zo zijn. Zie het als wetenschap in blogvorm, om elkaar nieuwsgierig te houden, of juist te maken.' De vraag waardoor, toch echt van belang in wetenschap, bestaat niet voor deze jongens en meisjes.






dinsdag 20 april 2021

Rap over stotteren

Rapper Typhoon ontving de Willem Wilminkprijs voor zijn rap (een lied kun je zoiets niet noemen) ‘Stotteren’, die hij maakte voor Het Klokhuis. Voor de zevende editie van deze kinderliederenwedstrijd kwamen ruim 150 inzendingen binnen. De jury (Thijs Borsten, Ageeth de Haan, Fay Lovsky, Trudie Lucardie en Jeroen Schipper) nomineerde vijf nummers. ‘Stotteren’ kreeg de prijs. 
 


Vermoedelijk zijn hier vooral de goede bedoelingen bekroond, samen met het effect dat deze troostrijke rap kan hebben. Poëtisch kun je de tekst niet noemen, vind ik. Wel duidelijk verstaanbaar en begrijpelijk.
De prijs haalde de pers wel (o.a. Trouw, RTL, nu.nl, Klokhuis), maar er was ook weer niet heel veel publiciteit. Dat verdient zo'n initiatief als een prijs voor het beste lied voor kinderen wel.

maandag 12 april 2021

'Een gemankeerde antiquaar'

In SGKJ-Berichten nr. 99 (voorjaar 2021) staat een lezenswaardig interview met emeritus-hoogleraar Piet Buijnsters door Bea Ros. Het interview is overgenomen uit de website Radboud Erfgoed van de Radboud Universiteit.

SGKJ-Berichten is het gedrukte (maar ook online te lezen) orgaan van de Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur en waarmee die zich bezighoudt is al in de naam gegeven, al blijft het veronderstelde onderscheid tussen kinder- en jeugdliteratuur rijkelijk vaag, nog vager dan dat tussen jeugdliteratuur en volwassenenliteratuur. De club is springlevend en organiseert o.a. twee keer per jaar een excursie of/en studiebijeenkomst, al heeft het coronavirus SARS-CoV-2 daar even een hindernis voor opgeworpen. Onder de begunstigers vindt men zowel antiquaars als onderzoekers.
Wie Nederlands als moedertaal heeft en zich interesseert voor de geschiedenis van kinderboeken, raad ik van harte aan zich aan te sluiten bij de SGKJ.

In de Berichten is doorgaans van alles te vinden over oude kinderboeken en verzamelaars of onderzoekers van jeugdliteratuur en in de persoon van Piet Buijnsters komt dat mooi bij elkaar. Deze specialist 18e- en 19e-eeuwse letterkunde heeft grote belangstelling voor de jeugdliteratuur uit die periode en verzamelt graag, o.a. oude kinderboeken, maar ook stuiversromannetjes als bijvoorbeeld Berigt omtrent het leven, het karakter en de laatste godsdienst-aandoeningen der beruchte vergiftigster Hester Rebekka Nepping, het soort geschriftjes dat hij zelf 'schurkenlevens' noemt, en tegenwoordig overigens alleen maar 'zestiende-eeuwse grafiek'. 
Uit het interview blijkt dat zijn huis propvol boeken staat. De interviewer krijgt vanwege corona geen rondleiding, maar 'Overal staan boeken, verzekert Buijnsters me. "Alleen op de wc niet."' Zijn vrouw, Leontine Buijnsters-Smet, deelt zijn belangstelling. Samen schreven ze Bibliografie van Nederlandse school- en kinderboeken 1700-1800 (1979), Lust en leering. Geschiedenis van het Nederlandse kinderboek in de negentiende eeuw (2001) en Papertoys. Speelprenten en papieren speelgoed in Nederland (1640-1920) (2005).

Zijn vrouw komt niet aan het woord, maar Piet Buijnsters, die zichzelf op een gegeven moment 'een gemankeerde antiquaar' noemt, lijkt me een onderhoudende verteller. Bea Ros weet in ieder geval smakelijk weer te geven hoe hij vertelt over een van zijn grote helden, de verzamelaar ('boekenjager'), Michel Buisman:

Veel van mijn collega's dachten dat hij allang dood was en schreven over 'wijlen' M. Buisman. Maar ik bezocht hem elke maand in zijn villa in Ede. Alleen, want hij was vrijgezel en bepaald niet gesteld op vrouwen. Hij woonde in een kast van een huis, helemaal vol boeken. Buisman zat daar innig vergenoegd tussen. Hij had nooit meer dan een kwartje voor een boek betaald.
Ik vroeg hem wel eens of ik er een paar mocht overnemen. Maar meer dan één tegelijk wilde hij nooit kwijt en ik moest daarna ook altijd meteen weggaan. Na jaren zei ik: meneer Buisman, er werd nooit getutoyeerd, dat snapt u wel, 'meneer  Buisman, die boeken van u, waar gaan die straks naartoe? Ik ben erin geïnteresseerd.'
Toen hij is overleden, werd ik opgebeld door de notaris. Alles overnemen kon niet, dan had ik er twee huizen bij moeten kopen. Maar ik ben er met mijn Opel Record naartoe gereden en ik heb die helemaal volgeladen. De rest is op een veiling verkocht. Ik heb ook de hele correspondentie van Buisman gekregen. Daar zaten nog briefjes bij van leerlingen nadat hij een ongeluk met de tram had gekregen. 'Lieve meester, hoe gaat het nu met uw been?'



 


woensdag 7 april 2021

Na de zondvloed

Er vindt een ramp plaats.
 
Hoeveel verhalen beginnen er, nog afgezien van het bijbelse verhaal over de zondvloed,  met een ramp? Sinds Daniel Defoe's Robinson Crusoe: honderden zo niet duizenden, denk ik. Die ramp in Robinson Crusoe was nog maar een schipbreuk. 'Op een onbewoond eiland', pappadapadipá... Kleine mars door de tijd via Lisa Tetzners Die Kinder auf der Insel (die het er nog redelijk af brachten) naar Lord of the Flies van William Golding. Op dát onbewoonde eiland ging het niet zo goed.
 
Eind 19e eeuw vindt er al een invasie van de wereld plaats. The War of the Worlds, H.G. Wells. De wereld gaat nog niet ten onder, maar de eerste, onthutsende ontmoeting van een buitenaards wezen en een groep mensen (voorzien van witte vlag en goede bedoelingen) zal me altijd bijblijven.

Een eeuw later vindt een enorme ramp plaats, grotendeels door mensen veroorzaakt, en voor lezers anno nu akelig herkenbaar. De samenleving verkruimelt, overlevers zwerven her en der, vinden een weg op de verwoeste aarde, tussen wonderlijke en door genetische experimenten soms gevaarlijke wezens, en vaak staan ze elkaar naar het leven. De MaddAdam-trilogie, Margaret Atwood. Of Memoirs of a Survivor van Doris Lessing, dat pas griezelig wordt als je de achtergrond tot je laat doordringen. Of in het exuberante The Stone Gods van Jeannette Winterson, waarin de somberheid prachtig wordt samengevat in enkele zinnen uit een dialoog:

"Billie,"said Spike, "why are you crying?"
"Because it's hopeless, because we're hopeless, the whole stupid fucking human race."
"Is that why you are crying?"
"And because I wish there was a landing place that wasn't always being torned up."

Voor wie zoiets als MaddAdam achter de kiezen heeft, blijven er weinig zwartere scenario's over. Dan laat ik de Walking Dead en andere dystopische vechtfilms nog maar buiten beschouwing.

Om dat aan kinderen voor te schotelen... 
 
Nee, dan toch maar De wind wijst de weg van Wouter Klootwijk. Dat is, ook al is de samenleving zo ongeveer verdwenen, een vederlicht, lief, bijna zoet verhaal voor pakweg achtjarigen en ouder. 

 
Acht kinderen hebben een in het vage gelaten ramp overleefd en helpen elkaar met overleven. Hier geen twisten en machtsuitoefening, het is pais en vree, van de ramp weten ze niet veel meer, het eerste personage waarmee we kennismaken weet zelfs haar eigen naam niet meer, alleen dat ze bijkwam en onder een tak lag. De enige volwassene die de kinderen ontmoeten is de schipper van een gestrande visserskotter en hij is hen ter wille met advies en voedsel (gedroogde vissen). Hij verdwijnt wel en dat is een van de kleine bittere noten in het verhaal.
Dat ontdekken ze als ze aan het eind van het verhaal zijn schip voor een tweede keer bezoeken. Hij heeft een briefje achtergelaten:

Vera pakt het briefje, kijkt er lang naar.
'Ik wist niet meer dat ik kan lezen, maar ik zie dat ik het kan. Ik geloof dat het een droevig briefje is.'
Langzaam leest ze het voor.
'Een groet van mij. Ik ben er niet meer. Neem zoveel droge vis mee als je wil. En wat ik nog eens zeggen moet, wat zijn we dom geweest, wij mensen. We hebben alle olie opgemaakt. Het ga jullie goed en wees slim. Bokkum.'

Er is ook sprake van overstroming. Maar wij lezers komen verder niets te weten over die ramp. Het verhaal begint met een jongen en een meisje, gaandeweg komen de anderen erbij, ze leren van elkaar, bouwen samen een soort houten hutten, maken een winter mee en dan houdt het verhaal op. Niet lang na dit briefje.
Het is een wonder dat ze nog leven, want ze eten niet meer dan wortels, zaden, droge vis (van dat schip) en bruine bonen - die ze zelf zaaien en oogsten. Van een auteur die toch redelijk wat met voedsel heeft (onder het pseudoniem Ben de Cocq), had ik iets meer aandacht voor hun dieet verwacht.
 
 
 
Zoals ik al schreef, een lief verhaal, maar het biedt volgens mij net iets te weinig, zelfs voor de lezers van pakweg acht en ouder voor wie het bedoeld lijkt. Het bijna collectieve geheugenverlies vind ik een misser, het gaat allemaal net iets te goed en het einde is me te abrupt.

'Hij is dood, denk ik', zegt Josje.
Ze blijven die nacht in de stuurhut en denken aan meneer Bokkum.
Dan lopen ze terug naar huis. Ze nemen de bonen weer mee. En de gedroogde vis. Voor later.
'We moeten slim zijn,' zegt Vera.
'Ja, wanneer gaan we daarmee beginnen?',  zegt Jan.
'Gewoon niet dom doen,' zegt JanJan.
Wies en Josje schateren het uit. Dan vallen ze allemaal om in het gras. Van het lachen. 'Gewoon niet dom doen.'

Einde. Tja.
 

Het is me te lief, het idee dat het ineenstorten van een samenleving alleen te maken heeft met dom doen, en niet met slechtheid. Er ontbreekt spanning in dit verhaal, drama.
Jammer. Mooi thema, ongebruikelijk, zou tot ontroering en nadenken kunnen leiden. Het begint ook veelbelovend, met dat meisje dat niet meer weet hoe ze heet, daarna Jan die haar Vera noemt, de anderen, het vlot... maar daarna zakt het in.
Gemiste kans.
 


Klootwijk, Wouter. De wind wijst de weg. Ills. Irene de Goede. Leopold, 2021. ISBN 978 90 258 80787 3, 82 p.
 
 

dinsdag 23 maart 2021

Kim vliegt!

Maar wie is Kim?
 
Kim Veenman is een meisje, zou je bijna denken, als je leest hoe ze zich voorstelt of laat voorstellen. Toegankelijk, enthousiast, ze kijkt je glimlachend aan op de een-na-laatste pagina van haar boek.
Intussen weet ze volgens mij heel goed wat ze wel en niet over zichzelf kwijt wil. Geboortejaar en -plaats, relatie, kinderen: niet. Wel: dat ze hoogtevrees heeft en zie ook hier. Let ook op de wervende cookie-tekst: 'Ik gebruik cookies om je een fijne ervaring te bieden en om deze website effectief te laten werken.'
 
Laat ik het toch maar houden op een zelfbewuste jonge vrouw, die al dan niet geholpen door publiciteitsregelaars bij uitgeverijen, weet hoe ze zich in de markt moet zetten, zoals dat in die kringen heet. Bioloog, illustrator - en sinds Ik vlieg! prentenboekenmaker.
 
In Ik vlieg! met dieren in de lucht neemt een onbekende verteller ons mee de lucht in.
Dat begint zó:

Soms lig ik in het gras. Dan kijk ik omhoog naar de lucht.
Hoe zou het zijn om te vliegen? Hoe voelt dat? Als dat toch eens kon!
Vanaf de grond zet ik me af... mijn voeten gaan los en dan...





... ga ik hoger en hoger. Ik zweef.
Maar hoe zou ik vliegen? Laag boven de grond of heel, héél hoog?
Alles kan. Er zijn heel veel vliegmanieren.

En dan volgt een reeks dubbelpagina-afbeeldingen die wat van die vliegmanieren tonen, vanuit de lucht.




Invoelbaar, leuk gedaan. Niet alleen vogels, ook hommel, libelle, vliegende vis, zwevende spin, eekhoorn en slang komen langs.

En nu jij.
Je mag kiezen: als welk dier vlieg jij?
Doe je ogen maar dicht, zet je af en...
... VLIEG!


 


Daarmee is het boek echter niet uit, want op de hiernavolgende pagina's staat uitleg over de getoonde dieren en hun 'vliegmanieren'. Dat is mooi meegenomen, al is de tekst hier voor achtjarigen nog wat moeilijk te lezen, daarvoor moet je zo'n tien of elf jaar zijn en niet schrikken van de Engelse woorden dragonfly face. ('Zoek op internet': wel een leuke tip!) Het maakt het boek wel af, zo'n toelichting. Een geslaagd debuut, dus.

Bij het boek horen doe-tips en die introduceert ze op een kenmerkende manier:
 
 

 

Let op dat kruisje. Zou ze dat van Rien Poortvliet hebben afgekeken? Voor wie dat niet kent...
 
 
 
 
De doe-tips zelf (als pdf te downloaden, inclusief kleurplaat) zijn eenvoudig, maar niet verkeerd. Probeer inderdaad maar eens te vliegen, wat natuurlijk niet lukt, en voel welke spieren je hebt gebruikt. Kim Veenman, biologe, legt keurig uit dat juist die spieren bij vogels veel beter zijn ontwikkeld. Althans, bij vliegende vogels. Vogels die niet kunnen vliegen, zoals struisvogels, hebben dan weer extreem sterke poten.
 

Veenman, Kim. Ik vlieg! met dieren in de lucht. Lemniscaat, 2021. ISBN 978 90 477 1311 1, 34 p.
 
 

 

woensdag 10 maart 2021

Lezen in nieuwe outfit

Het meest intrigerend aan Lezen 2021-1 vind ik de omslagillustratie.


 
Niet alleen omdat het een grappige afbeelding is, ook omdat ik er in dit nummer nergens iets over vermeld vond tót ik op p. 32 op twee pagina's over Margot Westerman stuitte. De eerste aflevering van een nieuwe rubriek, 'Op de cover', die de voorgaande rubriek 'Atelierbezoek' gaat vervangen. Begrijp ik. Want op p. 6-8 wordt 'teruggeblikt' op vijftien jaar 'Atelierbezoek', door acht ateliers nog eens te bezoeken. Toen en nu vergeleken. 
 
Er gaat wel eens wat mis, óf het is de bedoeling: op p. 32 staat 'Op de cover', maar in de inhoudsopgave staat '32 Atelierbezoek Margot Westerman'... En de terugblik ontbreekt. Er ging, geloof ik, meer mis, zo start de nieuwe rubriek 'Blikveld' (korte recensies en berichten) op p. 13 en niet op p 12.
 
Lezen 2021-1 is een jubileumnummer, want vijftien jaar bestaand. Tijd voor een nieuwe opmaak, dacht men kennelijk bij Stichting Lezen, de uitgever van dit kwartaalblad 'voor leesbevordering en literatuureducatie', onder hoofdredactie van de directeur van de stichting, Gerlien van Dalen, die zelf aan haar twaalfde jaar bij Stichting Lezen bezig is.
Ik herken in de opmaak het dilemma van de redactie: enerzijds veel levendigheid en kleur wensen, anderzijds veel tekst kwijt willen in de kolommen. De gekozen opmaak (van Erik olde Hanhof en Judith Schoffelen) is mooi en levendig zat, maar de broodletter is aan de kleine kant, je hebt er een goede leeslamp voor nodig.

De variatie in rubrieken toont dat de inhoudelijke opzet niet is veranderd. Stichting Lezen is van alle leesbevordering en dus vind je in Lezen aandacht voor babyboekjes als Ukkie (van Lu Fraser en Kate Hindley) tot en met Confrontaties van Simone Atangana Bekono en de P.C. Hooftprijs voor Alfred Schaffer. Ofwel, 'Blikveld' reikt van 0 tot 18 jaar en zoals we weten beperken intelligente en leesvaardige achttienjarigen zich niet tot wat in de boekwinkel en bibliotheek onder jeugdliteratuur wordt verstaan.
Het is allemaal best lezenswaardig, de redactie (ook nog Daan Beeke, Eva Gerrits, Mirjam Noorduijn, Annemarieke Terhell en Desirée van der Zanden) doet zijn best. Leuke interviews vooral, in dit nummer bv. met Jaap Friso (van Jaapleest) en Bas Maliepaard (recensent jeugdliteratuur bij Trouw) over hun Grote Vriendelijke Podcast.

Dat er inhoudelijk veel herkenbaar is sluit dan aan bij wat Gerlien van Dalen in haar redactioneel schrijft:
 
De afgelopen 59 nummers doorbladerend kunnen we wel constateren dat er veel is veranderd wat lezen en leesbevordering betreft, maar dat er één ding niet is veranderd: de noodzaak tot het stimuleren van het lezen blijft groot.

En dan verwijst ze naar het leesoffensief waarover eerder werd bericht, ook in dit blog (zie hier en hier).
 
Wat dan echter weer een beetje triest kan stemmen is de vraag of al die leesbevordering dan echt niets heeft uitgehaald. Of zou (bewijs uit het ongerijmde) het er zonder die activiteiten nog beroerder voorstaan?
Mijn dagblad vergaste me een dezer dagen weer eens met een somber bericht over de gemiddelde lees- en schrijfvaardigheden waarmee leerlingen de basisschool verlaten. Het zoveelste bericht in een reeks. Zeer benieuwd of dat leesoffensief nog iets gaat verbeteren.


Lezen 2021-1. Stichting Lezen, 2021. ISSN 1570-9698, 36 p.