Zoeken in deze blog

woensdag 8 juli 2020

Dolende Lode


Er was eens een kapitein die de duivel te hulp vroeg om zijn doel te bereiken. Voor straf moest hij eeuwig dolen met zijn schip. Zijn matrozen veranderden in dode zielen, maar bleven werken.
Heel soms zette hij een sloep uit naar een passerend schip. Als ze daar aan boord door kregen met wie ze te maken hadden, gingen ze er vandoor.

Dit oude zeemansverhaal (bekendste variant 'De Vliegende Hollander') heeft wellicht Marco Kunst voor de geest gehad toen hij begon aan Het verlangen van de prins.
Maar er zou ook een oud verhaal uit Java zijn, in de roman geciteerd door personage Arika Walyu, over een prinsje dat al veel te veel had en alles kreeg waar hij om vroeg en ook waar hij niet om vroeg, dat verlangde naar een schip: 'De prins en het schip van geluk'. Geen bron gevonden, dus allerhoogstwaarschijnlijk komt dit sage-achtige verhaal in een verhaal uit de koker van Marco Kunst.

Er klopt iets niet in dat verhaal. Dat schip zeilt op zeker moment de baai in en het was zo mooi dat

de prins werd overspoeld door een nog veel groter geluk dan anders. Geluk, maar ook verlangen: de prins wilde daarbij zijn! Daar! Aan boord van dat schip!

Maar het schip wordt aan flarden geschoten op bevel van zijn vader.
Waarom?
Dat vertelt Walya niet.
Vanaf dat moment wordt de prins verteerd door verlangen - en woede.

Het was alsof hij verjaagd was uit het paradijs. Hij voelde zich leeg, alsof iets heel belangrijks in zijn leven ontbrak. Maar hij begreep niet wat...
Zo bleef het verlangen van de prins groeien tot het hem helemaal beheerste. Het veranderde in iets monsterlijks.
[...]
Zo groeide de woede van de prins uit tot een duistere kracht die de wereld niet eerder gekend had, een vernietigende kracht die tot op heden rondzwerft over zee.

Aldus Arika Walyu in een brief aan Lode en ze schrijft erbij:

Zo eindigde het verhaal in het boek, Lode, maar jij en ik en iedereen aan boord weten dat dit alleen maar het begin van het verhaal was. Een oud verhaal dat nu hopelijk bijna ten einde loopt.

Een kort verhaal in een langer verhaal, waarbij het korte overloopt in het lange, zoiets. Die duistere kracht, de Woede noemen de schepelingen hem, heeft de trekjes van een djinn, een geest die zich in alles en nog wat kan veranderen, van minuscuul zaadje tot orkaan en zelfs (zoals in dit verhaal) in een dikke bruine wolk met omlaag hangende flarden als dikke tentakels van een kwal. Of in een witte walvis: in die episode (p. 102-108) duikt Moby Dick even (naamloos) op en neemt kapitein Troos even de gestalte van Achab aan.



Walyu? Kapitein Troos? Even samenvatten.
Het verhaal start met een proloog: een rubberbootje drijft op zee, met daarin een vader en moeder met hun peuter. Er komt een driemaster in zicht, maar tegelijk is er ook een enorme draaikolk. Om het leven van hun kind te redden, springen vader en moeder overboord.

Vervolgens maken we kennis met hoofdpersoon Lode. Die is ergens op zee opgepikt door een visser en naar een tehuis gebracht. Het regime daar is zeer streng en zijn enige troost is een kokkin van Indonesische herkomst, mevrouw Walyu, die verhalen vertelt en het karige menu aanvult. Als ze wordt gesnapt en ontslagen, besluit Lode te ontsnappen. Hij is dan tien jaar. In de haven ziet hij een driemaster. De bemanning geeft een circusvertoning en in het gewoel weet Lode aan boord te komen.
Even tussendoor: locatie en tijd blijven vaag, maar het wordt duidelijk dat het een havenstad betreft, en de tijd, tja, de kapitein heeft een laptop en er zijn (wordt één keer vermeld) zonnepanelen aan boord.
Het schip blijkt betoverd. Wie ervan tracht weg te gaan, in havens, wordt al na enkele passen verteerd door een onweerstaanbaar verlangen om terug te keren. Lode probeert het een keer uit en het klopt. Onder de bemanning leert hij vrienden kennen, maar het merendeel bestaat uit 'grijze matrozen', die met lege blik hun werk doen. Het schip is misschien wel driehonderd jaar oud, kapitein Troos dus ook!
Het schip was bestemd voor een prins, maar eenmaal gebouwd kon de kapitein het eiland van de prins niet meer vinden. Daardoor was het gedoemd tot rondzwerven en soms de woeste nukken ondergaan van 'de Woede'.
Maar daar hebben we Lode! Samen met vriendin Tulp en anderen, zoals de Woordenman en de manke Tyman, die niet kan lopen maar wel heel mooi trompet kan spelen, weten ze te vinden waar dat eiland is, in de beste traditie van het doorsnee-kinderverhaal waarin een groep kinderen een probleem oplost (Enid Blyton is er heel rijk mee geworden). Daarbij, eveneens in die beste traditie, geholpen door een of meer volwassenen, in dit geval vooral Woordenman, maar ook hypnotiseur Olek.
Ze weten kapitein Troos te overtuigen, het schip vaart naar dat eiland en daar gebeurt nog van alles en nog wat, lekker heftig, maar eind goed al goed en prins Adi (ja, dat was 'm, hij bestond echt en Lode kwam hem al tegen in zijn dromen) is na een flinke huilbui voorgoed verlost.



Dit alles wordt verteld door, ja, door wie?
Die vraag kwam des te meer bij me op doordat ik van corona-rust gebruik heb gemaakt om o.a. Alice in Wonderland en Alice through the Looking-glass weer eens te herlezen, in de meesterlijke editie van Martin Gardner, The annotated Alice (definite edition, 1999, Penguin, laatste druk 2001, het is nog steeds te koop).
In onze tijd van radio, podcast en andere klinkende stemmen is de zo duidelijk aanwezige verteller in deze verhalen eigenlijk verrassend modern. Je zou er zo een gesproken feuilleton van kunnen maken, ware het niet dat je dan de meesterlijke illustraties van John Tenniel zou missen.
Auteur Lewis Carroll had duidelijk geen hedendaagse schrijverscursus gevolgd, waarin hem verteld zou zijn over 'show, don't tell' en dat je de verteller op de achtergrond moet houden als je voor kinderen schrijft, dat je liefst medias-in-res moet beginnen, er veel dialoog en actie in moet stoppen en beschrijvingen van landschappen en andere decors zo beknopt mogelijk moet houden, en dat het niet verkeerd is als je tekst lijkt op een filmscript want natuurlijk hoop je als ambitieus modern auteur dat je werk eens wordt verfilmd. En vooral geen lange inleidingen. (Voor mooie dialogen heeft Carroll echt wel gezorgd!)
Zo'n proloog als in Het verlangen van de prins hoort helemaal bij dat moderne concept, werkt als een soort teaser, die tot verder lezen moet verlokken. De schrijver als rattenvanger van Hameln, als piper at the gates of Dawn, maar aan deze zijwegen ga ik nu even voorbij.

Maar intussen geldt volgens mij nog steeds wat György Konrád in 2009 zei: ‘The actual story of a novel is how a writer takes his subject into his possession: it is not the subject that is of interest so much as the gaze that is focused on it, and the tone in which it is told.’ (Congres 'Reading and Watching', 21 november, Amsterdam, zie verslag.)
Zo is 't maar net.

Het verlangen van de prins (ook de naam van het schip) wordt verteld door een anonieme verteller. Daarmee is niets mis, een verteller hoeft zich niet per se voor te stellen of anderszins handelend aanwezig te zijn.
Misschien moet ik hier even uitleggen dat verteller en auteur twee verschillende instanties zijn. De auteur is ooit geboren, leeft, en sterft, net als ieder mens. De verteller bestaat voor de duur van het verhaal. Soms neemt een verteller van vlees en bloed die rol over, als in een theaterstuk of radio-uitzending. Soms ook maakt de auteur de verteller een personage in het verhaal. Sommige recensenten hebben het dan over een 'ik-verhaal'. Daniel Defoe's Robinson Crusoe is een klassiek voorbeeld.

Goed, een anonieme verteller dus, maar soms laat die zich ineens zien, zoals op p.15:

De peuter knipperde met zijn grote ogen. Ze waren in de huiskamer van het tehuis: een kale zaal met stalen kasten en hoekige tafels en stoelen. Lode voelde zich eenzaam en verdrietig en begreep niet waar hij was.
Maar als je klein bent, dan vergeet je snel en wen je snel aan een nieuw leven. Lode vergat wat zijn echte naam geweest was. Hij vergat de taal van zijn ouders en het dorp in Afrika waar hij geboren was. Hij vergat de lange reis die hij met zijn ouders ondernomen had. Hij vergat zelfs hoe zijn ouders eruit hadden gezien.
Maar hij vergat niet alles.

Dit is de eerste keer dat ons wordt verteld dat Lode in Afrika is geboren. Hij kan dan wel van alles vergeten, maar de verteller brengt ons daarvan nadrukkelijk op de hoogte. Dat de zaal kaal was en de tafels en stoelen hoekig, lijkt mij ook meer een waarneming van de verteller dan van een peuter, hoe groot diens ogen ook mogen zijn. (Effectbejag!) Sowieso is 'de peuter' eigenlijk een wat afstandelijk woord.
Twee pagina's verder is het weer raak:

Zo dicht op elkaar zitten, onderworpen aan allerlei regels is ongezond. Zeker voor kinderen. Veel kinderen veranderden in Huize Landvast dan ook in gruwelijke pestkoppen. Andere waren de hele tijd bang. Lode ging vooral stil zijn eigen gangetje.

Het is niet Lode die denkt dat zo dicht op elkaar zitten ongezond is, zeker voor kinderen, maar de verteller. Een observatie van enige afstand. Eigenlijk geldt dat voor het hele verhaal: de toon is afstandelijk, soms zelfs droog. Dat is in contrast met de ons vertelde gebeurtenissen: die zijn talrijk en vaak heftig.
De oud-redacteur in mij protesteerde overigens ook tegen de plaatsing van leestekens in deze alinea en het gebruik van andere in plaats van anderen. Zij kinderen geen mensen? Hij protesteerde ook op andere plekken, maar ik heb geen zin in muggenziften.

En omdat ik geen zin heb in muggenziften, zal ik ook verder niet citeren. Ik houd het erop dat toon en stijl in dit verhaal niet geheel in balans zijn met de vertelde gebeurtenissen. Hoe ingenieus de intrige ook is, dit zal geen klassiek verhaal worden. Om Konrád te parafraseren: the gaze that is focused on it, and the tone in which it is told, ze schieten hier net wat tekort.
Eigenlijk denk ik dat Marco Kunst beter zijn Lode tot verteller had kunnen maken. Maar dan zouden grote en essentiële delen van het verhaal geschreven moeten worden, dan zou hij eigenlijk dus een nieuw verhaal moeten hebben schrijven...

Over die intrige dan. Die vind ik inderdaad ingenieus,een kunstig bouwsel op basis van een oude sage plus een zelfverzonnen sage. Of de wat vage verwijzing naar het lot van op zee dobberende vluchtelingen en de aanwezigheid van laptop en zonnepanelen op het schip zinvol zijn, valt te betwijfelen, er wordt ook niet echt iets mee gedaan. Als ik Marco's redacteur was geweest, had ik hem geadviseerd die elementen er maar uit te halen.
Sowieso zou ik hem geadviseerd hebben om te kiezen tussen een semi-autobiografisch verhaal, met Lode of het meisje Tulp of trompetspeler Tyman als verteller, óf een stijl die meer op een sage of sprookje zou lijken, à la Hans Christian Andersen.
Nu vertelt de anonieme verteller, die zich soms met commentaren in het verhaal mengt, op een wat afstandelijke manier maar met veel doorsnee ('schrijversvakschool'-kinderboekachtige) dialogen een soort sage in de stijl van een gezellig 'realistisch' verhaal à la Jacques Vriens of Mirjam Oldenhave (om twee niet de minste voorbeelden te noemen).
Dat wringt.
Het leidt me ertoe om Het verlangen van de prins ondanks alle waardering voor intrige en creativiteit een gemiste kans te noemen. Met overigens illustraties van Marieke Nelissen die talent tonen. Misschien hadden ze er een beeldverhaal van kunnen maken!



Marco Kunst. Het verlangen van de prins; met illustraties van Marieke Nelissen. Gottmer, 2020. 240 p, ISBN 978 90 257 7284 0.

NB. Het schilderij bovenaan is van Albert Pinkham Ryder.























maandag 6 juli 2020

Verhalen over de Tweede Wereldoorlog, fictie of non-fictie

Dat vond ik bij het lezen van Hoe fel de zon ook scheen van Arend van Dam een interessante vraag.
Die kwam meteen bij de eerste alinea van het eerste hoofdstuk ('De Olympische Spelen in Berlijn')

Het was Rie die begon. Luid riep ze door de trein op weg naar Duitsland:
'H-O-L-L-...'
En alle andere vielen in: '...A-N-D.
HOLLAND SPREEKT EEN WOORDJE MEE.'
En nog een keer. En nog een keer.
Tot Willy lachend uitriep: 'Je hebt er zin in, Rie!'
'Tuurlijk,' zei Rie. 'Jij toch ook? Dit is de mooiste tijd van ons leven!'
'Ik weet het niet hoor,' zei Willy.
'Ben je bang dat je van mij zult verliezen?' vroeg Rie met een grijns.
Willy schudde haar hoofd. 'Dat is het niet, 'zei ze. 'Ik ben een beetje bang voor die Adolf Hitler, die nu de baas is in Duitsland. Hij beweert dat alleen blanke mensen deugen. Alle andere mensen noemt hij "ondermensen". Hij geeft de Joden de schuld van alles wat er misgaat in Duitsland.'

En zo gaat deze dialoog nog even door.
Verhalen over de Tweede Wereldoorlog, luidt de ondertitel van het boek.
Boven geciteerde dialoog heeft vermoedelijk nooit plaatsgevonden, maar in zijn nawoord meldt Arend van Dam dat hij voor zijn 'verhalen' allerlei bronnen heeft geraadpleegd, waaronder 1936; Wij gingen naar Berlijn van Auke Kok, waarin o.a. de zwemster Rie Mastenbroek voorkomt. Een journalistiek verslag. Ik ken dat boek niet, maar het lijkt me sterk dat daarin precies deze dialoog is opgetekend, dat-ie dus historisch zou zijn, zoals we dat noemen.

Het wemelt van dit soort dialoogjes in Hoe fel de zon ook scheen. Ze maken de verhalen levendig, hoe schools ze soms ook zijn, maar ze hebben niet plaatsgevonden. Wat Arend van Dam hier doet is fictie schrijven op basis van historische gebeurtenissen, een genre waarvoor ooit de weinig gebruikte term factie in het leven werd geroepen. (De term heeft het niet echt gehaald.)
Nog één kort voorbeeld (p. 37):

Hannie Schaft was negentien jaar toen de oorlog begon. Ze woonde op kamers in Amsterdam, waar ze rechten studeerde.
'We moeten er maar proberen er het beste van te maken,' zei ze tegen haar vriendinnen Sonja en Philine.
'Je hebt gelijk, Hannie,' zeiden die. Maar het was moeilijk om een gewoon leven te leiden nu Duitse soldaten het land hadden bezet.
Gewone kranten lezen had geen zin. Die stonden vol met Duits nieuws. Of beter gezegd: met Duitse leugens. Er werden stiekem krantjes opgericht, met namen als Vrij Nederland, Trouw en De Waarheid.
Hannie begon te helpen met het verspreiden van deze illegale kranten.

Ik zie dat de auteur zijn best heeft gedaan om begrijpelijk te blijven voor de lezers van acht en ouder die hij waarschijnlijk voor ogen had. Hij vermijdt bespiegelingen over waar en onwaar, en leidt het wellicht moeilijke woord illegaal handig in.
Hannie Schaft heeft bestaan en ging inderdaad het verzet in. In het hoofdstuk waarmee dit citaat begint, 'Het meisje met het rode haar', wordt haar geschiedenis verteld. Maar ook dit hoofdstuk wemelt van de dialoogjes die vrijwel zeker nooit precies zo hebben plaatsgevonden en dat Hannie haar loopbaan als verzetsstrijder eindigde met het doden van mensen die voor de bezetter werkten, wordt ietwat verdoezeld.

Is het erg? Nou nee, Arend van Dam is niet de enige die dit genre bedrijft en al helemaal niet rond het meisje met het rode haar...
Alleen zou ik het op prijs hebben gesteld als de auteur juist voor deze leeftijdsgroep zou hebben uitgelegd wat nu precies waar en wat verzonnen is in deze teksten, die hij terecht verhalen noemt, maar die op de dialogen na redelijk de opgetekende geschiedenis volgen en dus ironisch genoeg grotendeels non-fictie zijn. We onderschatten deze lezers als we denken dat dit te ingewikkeld voor ze zou zijn.



Arend van Dam. Hoe fel de zon ook scheen. Van Holkema & Warendorf, 2020. 96 p., ISBN 9789000371136.




vrijdag 29 mei 2020

De moeizame literatuurles

Het blijft bewonderenswaardig hoe er in het secundair onderwijs getracht wordt de moeizame literatuurles aantrekkelijker te maken. In Breda deden twee leerlingen uit vwo 6 van het Newmancollege een poging. Voor hun profielwerkstuk gaven zij lessen literatuur aan hun medeleerlingen. Hun docent (is dat die man op de foto voor aanvang artikel? bijschrift ontbreekt) trok zich even terug.
Het tekent het jeugdig enthousiasme dat de twee leerlingen, Danique Seuntjes en Sam van Kuijk, in eerste instantie een nieuwe leesvaardigheidsmethode wilden ontwikkelen. Daarop kwamen ze terug toen ze de sandwich-methode ontdekten, die hebben ze toegepast.
In hun artikel in Levende Talen Magazine 2020-4 schetsen ze eerst wat er volgens hen zoal 'mis gaat' in het literatuuronderwijs:

Tegenwoordig wordt er door jongeren veel minder gelezen, door verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld het steeds toenemende media-aanbod. Hierdoor is de verleiding groot om steeds minder te lezen, met als gevolg dat de leesvaardigheid achteruitgaat en de zin om te lezen vermindert. Een ander probleem is dat niet iedere leerling thuis aan de eettafel onderwerpen bespreekt die in het examen zouden kunnen terugkomen. Hun voorkennis is hierdoor kleiner.
Zelf merkten wij tijdens onze lessen Nederlands op het vwo van klas 1 tot en met klas 6 dat de teksten lang zijn en de onderwerpen velen van ons niet aanspreken.
Zoals ook bleek uit een van de bronnen die we raadpleegden voor het profielwerkstuk, het boek Lezen met de leessandwich (Pronk & De Vos, 2017), is de opdracht 'Lees de tekst en maak de vragen' dodelijk voor de motivatie en de leesvaardigheid van leerlingen. Zij gaan hierdoor plichtmatig met een tekst aan de slag en zijn alleen gericht op het goed beantwoorden van vragen. Elke keer maar lezen en weer de bijbehorende vragen maken, het is eentonig en saai.

Zo, die zit. (De link heb ik erin geplaatst.)

Wij dachten dat dit anders kon en hebben besloten om ons voor ons profielwerkstuk bezig te houden met de lessen leesvaardigheid bij Nederlands: misschien komt zo de interesse terug en krijgen we de cijfers omhoog.

Dat hebben ze uitgeprobeerd met drie lessen in een havo 3-klas met 28 leerlingen, zoals gemeld met de sandwich-methode.  Te weinig om houdbare conclusies te trekken, zoals ze terecht schrijven (en daarvoor zelfs het jargonwoord interventie gebruiken). Maar de ervaring was positief, hun leerlingen zagen het kennelijk wel zitten.

Fijn. Want natuurlijk kan het anders. Alleen ligt dat slechts voor een deel aan een methode en voor een minstens zo groot deel aan de ervaring, mensenkennis en bevlogenheid van de docent. Je bent wel een erg beroerde docent als je niet verder komt dan je leerlingen aan het teksten-lezen-en-vragen-beantwoorden komt.
Wie weet maakte alleen al de betrokkenheid van deze twee jonge gelegenheidsdocenten al indruk op de havo-klanten.

Het blijft intussen soms modderen en dat ligt niet alleen aan de docentwn.

Hieronder een fraai citaat uit de column 'Ketchup' van Sylvia Witteman in de Volkskrant 30-5-2020:

Daar lag Steinbeck, sip en inderdaad wat dunnetjes, op de salontafel. Ruim honderd pagina's over Lennie en George, de Pooh en Piglet van de grotemensenliteratuur, Forrst Gump en Jenny, onderweg naar hun noodlot, een paar kilometer onder het ongetwijfeld slaperige stadje Soledad. ('Soledad' betekent 'eenzaamheid', jongens. Goed onthouden hoe Steinbeck hier zijn schaduwen vooruitwerpt. Hoe bedoel je, snap ik niet? Wát snap je niet? 'Je schaduw vooruit werpen' is een uitdrukking. Dat betekent dat je onheilspellende gebeurtenissen van tevoren aankondigt. Wat betekent 'onheilspellend'? Nou, Anouk, weet jij het? Max? Ook niet? (Oorverdovend lawaai van schoolbel.).)

Als het niet waargebeurd is, is het naar het leven verzonnen.

zaterdag 16 mei 2020

Onvoorstelbare prikbeestjes

Een schitterend ongeluk, noemde journalist Wim Kayzer het menselijk leven in 1984, in een legendarisch geworden reeks gesprekken met wetenschappers die zich bezighielden met de oorsprong van het leven (Daniel Dennett, Freeman Dyson, Stephen Jay Gould, Oliver Sacks, Rupert Sheldrake en Stephen Toulmin).
Het weerkaatst het idee dat wat wij waarnemen als het leven het resultaat is van een miljoenen jaren lange geschiedenis van zich door leren en voortplanten ontwikkelende vormen van leven, waarin allerlei vormen verschenen en weer verdwenen, of veranderden, onder invloed van andere levensvormen of van anorganische omstandigheden, klimaat, bodem, e.d. Wij mensen denken dan aan trial and error, maar er was niemand die bewust iets uitprobeerde. Het gebeurde. Wonderen worden niet uitgeprobeerd.

Een van die levensvormen is relatief kort geleden ontstaan en noemen we mens en een van de eigenschappen van ons mensen is dat we ons bewust zijn van onze omgeving en geschiedenis en dat we ons kunnen afvragen: hoe is dit zo gekomen? Om IJf Blokker en Wim T. Schippers aan te halen: waar gaat dit heen, hoe zal dat gaan, waar komt die rotzooi toch vandaan?
Maar ook vragen we ons af: waaróm? Heeft het leven een bedoeling? Is het ooit bedacht?
De wetenschappers in kwestie, en velen met hen, vroegen zich vooral af waardoor het leven is geworden zoals het is, maar mensen in het algemeen vragen zich geregeld af waarom dat dan zo is en zijn niet tevreden met waarom, daarom.
Ofwel, er zijn verklaringen voor het verschijnsel dat bananen krom zijn, maar die geven nog geen antwoord op de vraag, waarom zijn de bananen krom? Wel hoe dat mogelijkerwijs veroorzaakt werd. Idem, iets prangender, waartoe zijn wij op aarde? Geen idee, god mag het weten.

Er zijn, geloof ik, mensen die dit onderscheid tussen oorzaak en reden niet snappen. In hun teleologische voorstelling van de wereld hangt alles van redenen en bedoelingen aan elkaar, niet van oorzaken. Ik vermoed dat het dezelfde mensen zijn die soms beweren dat toeval niet bestaat en zich graag goden voorstellen om antwoorden op lastige vragen te vinden. Zij haten chaos en vrezen het idee dat wij een, zij het schitterend, ongeluk zijn, een toevallig doelloos rimpeltje in de kosmos. Alles moet een doel hebben, vinden ze. Een reden van bestaan. Ontbreken daarvan maakt ze ongelukkig.

Ik moest hieraan denken bij het lezen van met onderhoudende boek Insectenrijk van Aglaia Bouma (Atlas Contact, 2020).

Insecten, en andere geleedpotigen maar daarover gaat het nu even niet, zijn ons wezensvreemd. Veel mensen vinden ze monsterlijk en lastig. Niet voor niets hebben aliens in sf-films vaak insect-achtige trekjes. Hun uitwendig skelet lijkt een pantser, hun kop een helm met zonnebril. Het is allemaal hard, scherp, glanzend. Kleine snorrende of kruipende robotjes zijn het, rotbeestjes die ons bij gelegenheid steken, in de ogen vliegen of onder onze huid kruipen. Jawel, ze zijn ook nuttig, zelfs zeer noodzakelijk voor de plantenseks ('Zonder die kleine beesten zouden we zo'n 75 % van onze landbouwgewassen zelf moeten bestuiven', p. 9) en als voedsel voor andere beesten, maar het is geen aaibaar nut.

Zij gedragen zich ook heel anders dan wij en andere zoogdieren ons gedragen. Je inleven in een insect is erg moeilijk, zelfs met een flinke scheut antropomorfisme. En al vertonen sommige insecten enige zorg voor hun nakomelingen, nog veel vaker springen ze zonder enig mededogen met elkaar om. De parasiet vreet zich in een parasiet die zich in een beest vreet. Ze weten letterlijk van voren niet wat ze van achteren doen (al lijkt dat soms ook een beetje menselijk, helaas) en kunnen doorgaan met paren als hun kop eraf wordt gebeten. (Dat doen wij ze niet na.)
Er zijn tienduizenden soorten en evenzovele wonderlijke gedragingen, zo onvoorstelbaar en bizar dat je er nauwelijks oorzaken voor kan verzinnen, laat staan redenen, dus dat een of andere instantie dit allemaal met een doel heeft ontworpen.

Toch lijkt Aglaia Bouma daar soms van uit te gaan.

Eerst iets over Aglaia zelf. Als zeventienjarige werd ze gestoken door een hoornaar. En flink ook, na een kwartier verloor ze het bewustzijn en ze kwam weer bij in een ziekenhuis. Ze hield er een panische angst voor wespen en later álle insecten aan over. Zo onpraktisch werd die angst dat ze op een goed moment besloot er iets aan te doen. Ik citeer:

Ik begon me te realiseren dat ik mezelf een loer had gedraaid. Door aan de angst te willen ontsnappen, had ik hem alleen maar groter gemaakt. In mijn hoofd waren die kleine insecten uitgegroeid tot griezelige, nietsontziende monsters die erop uit waren me iets vreselijks aan te doen. Door die 'monsters' uit de weg te gaan voorkwam ik dat ik kon inzien dat het allemaal wel meeviel. En dat vermijdingsgedrag versterkte doe bovenmatige bangheid ook weer, omdat de lichamelijke paniek verdween zodra ik was gevlucht. Ik bevond me in een vicieuze cirkel waarin ik me in mijn leven liet belemmeren door angst. Ik leed aan een fobie. Toen ik dat eindelijk tegenover mezelf durfde toe te geven, besloot ik dat ik er iets aan moest doen. Maar wat? Een directe confrontatie met bijvoorbeeld bijen bij een bloeiende struik was me te gortig; ik zou de neiging om te vluchten onmogelijk kunnen bedwingen. Het leek me veiliger om eerst naar dode beesten te gaan kijken.


Ze ging naar Naturalis om dode insecten te bekijken (waaronder een hoornaar), kocht gidsen (om te beginnen een over wespen), een loep, kreeg een fototoestel met macrolens, las veel en na vele jaren studie raakte ze van de angst af. Een modelgenezing!
Ze tekende dit op in een boek dat een liefdesverklaring is aan het insect.
Geen grootse stijl hier (bijvoorbeeld bijen bij) (tegenover mezelf toegeven), maar ook geen dikdoenerij en ladingen aan wetenschappelijke termen.

Kijk, kijk toch, lijkt ze ons lezers te willen toeroepen, kijk met mij mee, hoe mooi, hoe bijzonder. Het werkt aanstekelijk, tot mijn verrassing las ik het boek achter elkaar uit. En dat terwijl er veel te weinig afbeeldingen in staan, één katerntje met kleurenfoto's terwijl ze honderden soorten de revue laat passeren. Gelukkig vermeldt ze van alle besproken insecten de wetenschappelijke naam en hebben we internet: ik las dit boek met gsm of laptop bij de hand.

Monsterlijke wezentjes zijn het - maar wel mooi.

En wat ze doen lijkt bij nadere beschouwing heel doelmatig. De levendigheid van haar beschrijving berust ongetwijfeld deels op die teleologische benadering. Ze zal ook wel weten dat het huidige leven op aarde een geschiedenis heeft die van toeval aan elkaar hangt, dat soorten blijven bestaan doordat andere soorten (of beter nog: genen) het loodje legden in een almaar voortdurende concurrentiestrijd.
Maar zo schrijf je geen liefdesverklaring.

Dus staat er (p. 31):

Daar staat tegenover dat insecten, met uitzondering van veel vlinders en enkele vliegen, roodblind zijn. Ze hebben geen receptoren voor licht met lange golflengten en nemen rode objecten waar als zwart. Dit betekent dat soorten met een rode tekening die kleur niet voor elkaar hebben. De prachtige zwartkopvuurkever, Pyrochroa coccinea, bijvoorbeeld heeft zijn fluweelachtige, helrode dekschilden niet om andere vuurkevers te verleiden, maar om vogels en zoogdieren af te schrikken.

Nee, daarom heeft die kever die dekschilden niet. Er is sowieso geen reden waarom die kever die dekschilden heeft. Wel valt achteraf te beredeneren dat die dekschildjes ertoe leidden dat deze soort minder werd opgegeten dan andere en daardoor tot op heden bestaat.

Het maakt niet uit, en ook niet dat Aglaia op p. 134 een bepaalde soort 'schattig' vindt. De aandacht en liefde spat van de bladzijden en daardoor bleef ik geboeid en geamuseerd lezen. Er zit gelukkig een opbouw in: de hoofdstukken heten 'Kennismaken', 'Flirt', 'Liefde', 'Bevrucht', 'Groei', 'Metamorfose' en 'Ontpopping'.

Een werkelijk unieke plek om eieren op te leggen, is de rug van je partner. De meeste reuzenwaterwantsen doen dit. Deze doorgaans flinke, afgeplat eivorminge zoetwaterroofdieren hebben stevige grijpvoorpoten om prooien als andere insecten, slakken, en zelfs vissen en kikkers mee te vangen. Hun achterpoten zien eruit als peddels met lange haren, waarmee ze zich vlug door het water kunnen bewegen. Of iets minder vlug, in het geval van mannen die een plakkaat eieren meedragen. Doordat ze met hun bagage duidelijk minder gestroomlijnd zijn, zullen ze snellere prooien niet zo gemakkelijk weten te vangen en zich moeten behelpen met af en toe een trage slak. Toch wil zo'n man kennelijk graag dat zijn toekomstige nageslacht op zijn lijf wordt afgezet.

Enzovoort. Dit komt natuurlijk uit het hoofdstuk 'Bevrucht' (p. 107).

Misschien moet je een beetje gek zijn om zulke boeken te lezen. Dat ben ik dan, kennelijk.




Bouma, Aglaia. Insectenrijk. Atlas Contact, 2020.264 p., ISBN 978 90 450 3801 8.


Een reuzenwaterwants - zonder eieren.

donderdag 7 mei 2020

Marit Törnqvist wint IBBY-prijs

Toch even vermelden, want dit is een bekroning die de Nederlandstalige pers zelden of nooit haalt en toch van enig belang is. Marit Törnqvist is een van de winnaars van de IBBY-iRead Outstanding Reading Promoter Award. Dat werd op 4 mei bekendgemaakt tijdens een online persconferentie van de International Bord on Books for Young people, zoals IBBY voluit heet.
En wel hierom:

She has developed reading programmes for children that focus not only the story, but also on the experience of reading itself. Her readingaloud activities strive to create a warm and joyful atmosphere that make children want to come back for more and inspire them to pick up a book and read. She encourages children to identify with the stories that they read, leading them to narrate their own stories and holds reading and illustrating activities with groups of children from different countries, resulting in a closer understanding of each other’s life and culture. She also conducts bibliotherapy programmes for children living in difficult circumstances, often helping them to face the grim realities of life by encouraging them to express their own stories.
She started a programme that provides books for refugee children in their own language so that they can read their own stories as a first step towards accepting the culture of their new home. In Iran, she has contributed, both professionally and personally, to giving support to street children, children from disadvantaged neighbourhoods, refugees and victims of natural disasters. Törnqvist’s work reaches children as well as families, caregivers and people working with children at home and around the world. She is a towering personality in reading promotion for children of the world.


Waarvan akte.
Hier een opname van de betreffende persconferentie. Hier meer over deze prijs.
Marit Törnqvist deelde de prijs met de Chinese docent en onderzoeker Zhu Yongxin.

De jury bestond uit Anastasia Arkhipova (Rusland), Carole Bloch (Zuid-Afrika), Sophie Hallam (Groot-Brittannië), Basarat Kazim (Pakistan), Ahmad Redza Khairuddin (Maleisië, voorzitter) en Nora Lía Sormani (Argentinië).
IBBY hoopte de winnaars bijeen te brengen op de aanstaande conferentie in Moskou, in september dit jaar, maar helaas:

It is with great sadness that we must announce that the 37th IBBY World Congress due to be held in Moscow, 5-7 September 2020 has been postponed. Unfortunately, the coronavirus pandemic has made it impossible to continue with the current dates. Therefore, the Congress has been postponed until September 2021. 


 
Marit Törnqvist.

.

dinsdag 28 april 2020

Dyslexie bestaat niet

'Is dyslexie een stoornis?'luidt de kop boven een artikel van Anna Bosman en Kees Torenaar in De Psycholoog april 2020, en het korte antwoord is: nee.
Dat is natuurlijk veel te kort voor een academisch artikel van 10 pagina's en er valt dus wel iets meer over te melden.
Heel origineel vergeleken de twee onderzoekers de definities van dyslexie met longontsteking - ook een aandoening.
Met die definities is iets mis, vonden ze. Ze zijn tautologieën. Zo is er een gangbare manier om alle leerlingen die tot de 10% slechtst op leestoetsen presterende leerlingen van het etiket dyslexie te voorzien. Zo houd je dus altijd kinderen die aan dyslexie lijden, want er is altijd en overal een 10 % die het slechtst presteert.
Ook ontdekten ze dat het etiket geplakt wordt op een vergaarbakje van verschijnselen, dat vooral gevormd wordt door uitsluiting van ándere zaken, zoals blind- en doofheid. Wat tot de conclusie zou leiden dat er geen blinden en doven met dyslexie bestaan. En, stellen de auteurs,

Vaststellen of iemand een stoornis heeft, zou niet afhankelijk moeten zjn van de prestaties van anderen. Als iemand onderzocht wordt op longontsteking, dan is de diagnose niet afhankelijk van de toestand van de longen van haar of zijn medemens. Bij dyslexie is dat wel het geval.

Waarvan akte.

zaterdag 25 april 2020

Loon naar geld

Nergens werd het misverstand tussen bedrijfs- en maatschappelijk denken dezer dagen mooier verwoord dan in dat ene berichtje waarvan ik nu de bron al kwijt ben, NRC of de Volkskrant 25-4-2020.
Het ging over het opperhoofd van KLM en zijn bonus gecombineerd met het verzoek om financiële ondersteuning dat KLM aan de Nederlandse regering had gedaan.
Die bonus zou Elbers krijgen omdat-ie geld had binnengehaald, zo suggereerde dat berichtje. Althans, denk ik, onder normale omstandigheden want het bedrijf keert nu even geen bonussen of dividend uit en in praktijk zou hij waarschijnlijk niets krijgen boven zijn schamele jaarsalaris van bijna een half miljoen. Maar het gaat om het principe.

Het is een herkenbare beweegreden.
Opperhoofden van grote bedrijven worden beloond als ze de bedrijfswinst weten te vergroten. KLM maakt nu even geen winst, maar dat ligt niet aan het opperhoofd en dat weet de schade toch maar mooi te beperken als hij regeringssteun weet binnen te hengelen, en dat zelfs nog tegelijk met het ontslaan van enkele duizenden personeelsleden. Chapeau, champagne, symbolisch borstgeroffel. Tenminste, zo'n soort idee moet er hebben geschuild achter het voorstel van de commissarissen om het opperhoofd in principe extra te belonen. Dat doe je toch niet voor niets?

Dat zulks veel weerstand oproept bij mensen die iets minder verdienen dan Elbers en onder loon naar werk iets anders verstaan, drong wat langzaam door tot het denkraam van leiders van bedrijven als KLM en is ook lastig uit te leggen als je uitsluitend in markttermen denkt. Eigenlijk dringt het ook niet door, want men betreurt vooral de ophef. Dat er iets raars is met zo'n ontiegelijk hoog loon voor een opperhoofd, dat wil er bij hen hoogstwaarschijnlijk niet in.

Ja, lees je krant, je blijft je verbazen. En dan op tijd een goed verhaal of gedicht.

vrijdag 24 april 2020

Miep Diekmann Thesisprijs 2020

Persbericht van IBBY Nederland:

'Winnaar Miep Diekmann Thesisprijs 2020 bekend
De Miep Diekmann Thesisprijs 2020 gaat naar Loes Reichenfeld voor haar thesis Kijk Wijzer naar prentenboeken. Naar een instrument voor een interpretatie van prentenboeken op basis van de interactie tussen tekst en beeld (Master Jeugdliteratuur, Tilburg University, 2018).

De Miep Diekmann Thesisprijs voor jeugdliterair onderzoek wordt tweejaarlijks uitgereikt aan de auteur(s) van de beste Nederlands- of Engelstalige masterthesis op het gebied van de studie van de kinder- en jeugdliteratuur. De prijs bedraagt 750 euro. De jury roemde de professionele academische schrijfstijl van de auteurs van de thesissen. Hoewel het aantal inzendingen klein was, liet de variatie aan onderwerpen en benaderingen zien hoe interdisciplinair het jeugdliteraire onderzoek kan zijn.

De prijs is een van de activiteiten van IBBY-Nederland om meer aandacht te schenken aan de wetenschappelijke studie van de jeugdliteratuur. Zij is vernoemd naar Miep Diekmann, die al vroeg het belang van wetenschappelijk onderzoek over jeugdliteratuur aan de orde stelde en daarvoor een warm pleidooi in de media hield.

De jury van de thesisprijs 2020 bestond uit:

Marloes Schrijvers – Lerarenopleider Nederlands aan de Hogeschool Rotterdam en de Hogeschool Amsterdam en winnaar van de eerste Miep Diekmann Thesisprijs in 2014.
Suzanne van der Beek – Universitair docent bij het departement Culture Studies van Tilburg University.
Jacques Dane – Historicus en hoofd Collectie en Onderzoek bij het Nationaal Onderwijsmuseum.
De feestelijke prijsuitreiking zal plaatsvinden tijdens de IBBY Vriendenmiddag op 6 november 2020.'

Waarvan akte. Aangezien de kans gering is dat dit persbericht de reguliere media haalt, plaats ik het. Wel heb ik de tautologie kinder- en jeugdliteratuur twee keer vervangen door jeugdliteratuur.

woensdag 22 april 2020

Zwerveling

Een mooi, weinig gebruikt woord  siert de voorkant van een prentenboek zonder woorden, gemaakt door Peter Van den Ende. De voorkant toont een episode uit het verhaal en loopt door over rug en achterkant. De tekst op de achterkant luidt:

Aan boord van een schip wordt een bootje gevouwen en te water gelaten. Dan vaart het schip weg en staat het bootje er alleen voor. Een lange reis over de zeeën begint.

De schutbladen tonen tweemaal een kaart. Die lijkt veel op die van onze wereld, maar Midden-Amerika vertoont gaten. Dat komt goed uit, want de tweede kaart (achterschutbladen) toont ook de reis en die voert o.a. juist door die 'Midden-Amerikaanse' gaten.
De reis begint ergens onder 'Alaska', dan door die gaten, dan ten westen van 'Zuid-Amerika' naar 'Antarctica', vandaar naar 'Kaap de Goede Hoop' en dan ten westen van 'Afrika' naar het noorden, tussen 'Ierland' en 'Engeland' door. Hij eindigt bij de kust van 'Europa'. Ik zet die namen tussen aanhalingstekens, want de kaart mag dan we bekend voorkomen, de namen worden niet vermeld en de getoonde is wereld is een droomwereld, vol vreemde wezens. Wat wel congrueert is dat het bootje bij 'Antarctica' langs ijs vaart en dat daar op enig moment ook iets van noorderlicht (nou ja, zuiderlicht dus?) te zien is.

Het bootje: maar de eerste pagina's tonen dat het aan boord van dat grote zeilschip (de Exploratio)  in elkaar wordt gevouwen door twee figuren, de een ziet eruit als een jonge man, de ander draagt een mantel en lijkt wel een soort helm in plaats van een hoofd te hebben, waaruit twee hoorns uitsteken. Ik dacht eerst: man gaat in bootje, ook al omdat er verderop ineens een hengel uit het bootje hangt (met vis aan de haak!, wat daarmee gebeurt vermeldt het verhaal niet), ...




... maar die man is verder niet te zien - behalve bij aankomst, als er een soort schim uit het bootje lijkt te komen, en de allerlaatste twee prentjes (van de enige pagina met zes prentjes, voor het overige is alles pagina- of dubbelpaginagroot) suggereren dat hij wordt opgewacht:

 

In dromen kan alles... Het bootje vergaat zelfs halverwege, maar wordt dan door een soort duikboot weer omhoog gebracht. Een andere keer loopt het vol water dat van een enorm zeebeest afstort, maar ook dat deert niet, het water stroomt er gewoon weer uit. Het wordt opgetild door een vin van een gigantische walvis (o.i.d.), en elders door een school vissen, weer elders balanceert het op de neus van een zeehond, maar geen probleem, het vaart verder.
Op allerlei momenten tonen zeebewoners zich nieuwsgierig, even neemt er een soort zeepaardje plaats in (met een hoedje als een gevouwen bootje!). Het wordt ergens bij 'Kaap de Goede Hoop' zelfs beschoten vanuit een enorm soort booreiland, er komt een gat in het zeil, maar het bootje vaart verder, met gat en al, en zelfs een enorme golf, begeleid door apocalyps-achtige ruiters, vermag het niet te verpletteren. (Hier enige congruentie met legenden, het zou immers altijd stormen in die contreien...)
Hoe lang duurt deze droom? Het bootje start bij daglicht en daarna tel ik één echte nacht, en het arriveert ook 's avonds... Voorwaar een echte droomtijd. In dromen kan alles.

Het bijzondere van dit verhaal is dat het verhaal eigenlijk niet zo belangrijk is. Wat ertoe doet is wat er onderweg te zien valt. De verteller-prentenboekenmaker heeft zich uitgeleefd in de meest fantastische wezens (inclusief mensachtigen en andere schepen) en landschappen en zeetaferelen. Waarbij, zoals dat in de meeste dromen gaat, dezelfde motieven en figuren vaak terugkeren. Zelfs de Exploratio blijkt bij aankomst in de haven te liggen en dezelfde figuur die de jonge man meehielp met vouwen, is op een van de laatste prenten ook weer te zien, in de haven van aankomst, waarin het scheepje overigens nog een lange weg moet afleggen om ...



... thuis (?) te komen.

Ik heb hopelijk genoeg beelden getoond om een indruk te geven van de stijl: minutieus, veel details, veel lichteffecten, het lijken etsen. Ze deden me denken aan die van Léon Benett in Le Tour du monde en quatre-vingts jours van Jules Verne, en aan Gustave Doré.
Een debuut, dit boek! En wat voor een...



Van den Ende, Peter. Zwerveling. Querido, 2019, ISBN 978 90 451 2006 5, 96 p.

donderdag 16 april 2020

Op safari

Wat niet in de safarigids van je ouders staat is de uitdagende titel van een recent verschenen boek van Joukje Akveld. Wordt die titel waargemaakt?

Als ik streng ben: nee. Het boek biedt een grabbelton aan informatie over Afrikaanse beesten, en ik vermoed dat die info ook is terug te vinden in de gidsen die er zijn verschenen voor mensen die zo nodig op safari willen gaan. Neem alleen al die dikke gids van Ruud Troost. Ook op internet is van alles te vinden over Afrikaanse dieren en planten. Een groot deel van wat er in Wat niet in de safarigids van je ouders staat aan informatie, staat daar dus wel in.

Voor kinderen is er aanzienlijk minder, maar dierentuinen als Artis en Blijdorp zijn ook een goede bron, en kinderen van 10 en ouder kunnen al aardig hun weg vinden op internet.
Verkrijgbare kinderboeken zijn het Safari-boek dat klanten van Matoke Tours 'cadeau' krijgen als ze een reis boeken (zie preview), het vertaalde Op safari van Barbara Taylor en Ontdek de dieren in Afrika (Ravensburger, geen auteur) - en niet in de laatste plaats het mooie fotoboekje Mijn kleine safari van Joukje Akveld zelf!
Deze titels zijn echter voor (veel) jongere kinderen dan waarop Wat niet in de safarigids van je ouders staat mikt.

Want dit boek mag dan onmiskenbaar een zeer vlotte stijl hebben, er staan wel woorden in als fake, fenomeen, live changing experience, sneaky, claim to fame, documentaire, als de situatie zich voordoet en airconditioningsysteem, kortom, je moet echt al wat jaartjes leesonderwijs en leeservaring achter de rug hebben om het te kunnen lezen.
Met 10 jaar en ouder ben ik nog vriendelijk, eerder denk ik aan 11 of 12 en ouder. Van die bijdehandse, goedgebekte kids van hoogopgeleide ouders die genoeg inkomen hebben om eens op safari te gaan in landen op de andere helft van de aardbol.

Het boek heeft ook een wat wonderlijke indeling. Een inhoudsopgave ontbreekt, je moet gewoon dóórbladeren ('op safari gaan', p. 17) langs de 'big five', de 'little five', 'roofdieren', 'bomen en planten', 'antilopen' ('er is niks anti's aan, als er iets is wat antilopen kunnen is het lopen'), enz., om dan zelfs al lezend te ontdekken dat sommige dieren wél zijdelings worden genoemd (p. 66 bv. oryx en sabelantilope) maar niet worden getoond en besproken, wat op p. 218 verontschuldigend wordt toegelicht. Een register ontbreekt eveneens.
Wat achteloos wordt bovendien duidelijk gemaakt dat het om een klein deel van Afrika gaat: precies dat deel waar vrijwel alle safaritochten worden georganiseerd. (Zuid-Afrika, Namibië, Botswana, Malawi, Zambia, Tanzania, Kenya...) Inhoudsopgave en register mogen ontbreken maar er is wel een Nederlands-Engelse lijst van dierennamen, en 'voor je ouders' zeventien uitsluitend Engelstalige boeken. Dat er in de rest van Afrika ook opmerkelijke beesten bestaan en dat Engels niet overal lingua franca is, blijft onvermeld.

Is er dan niets positief op te merken over Wat niet in de safarigids van je ouders staat?
Jazeker wel.




Het is zeer onderhoudend geschreven en bevat veel praktische tips. Achterin bevindt zich een keurige verantwoording, opdat we niet denken dat Joukje Akveld alles bij elkaar heeft verzonnen.
58 dieren, van olifant tot termiet, van leeuw tot wevervogel, van krokodil tot mestkever, kregen een mooie foto en een leuk stukje info erbij (zoals hierboven de hyena) en nog eens enkele tientallen worden kort besproken en met de tips is niks mis.
In die zin is het voor vaardige jonge lezers die door hun ouders worden meegetroond op safari inderdaad een prettige aanvulling.



Akveld, JoukjeWat niet in de safarigids van je ouders staat. Met foto's van Ariadne Van Zandbergen. Gottmer, 2020. 224 p., ISBN 978 90 257 7241 3.