Zoeken in deze blog

zaterdag 17 oktober 2020

Verhalen voor het slapen gaan

Zijn er nog kinderen die smikkelen? En weldra lezen over twee muizen die in de keuken mogen slapen 'als jullie van het eten afblijft'? (Of jelui, zoals ik De kleine kapitein vond.)
Ja, in Het sleutelkruid en ander werk van Paul Biegel. Wie met aandacht leest, vindt meer woorden die je vandaag de dag niet vaak meer hoort. Het sleutelkruid verscheen dan ook voor het eerst in 1964, twee jaar na zijn debuut met De gouden gitaar, en het was het eerste boek dat hem waardering bracht en een bekroning.
 
Het hinderde me niet, die enkele uit de mode geraakte woorden, al was het maar doordat er meer curieuze woorden in zijn verhalen voorkomen, vaak van eigen makelij. In de sprookjesachtige omgeving van Biegels verhalen komen zeer vreemde types voor en dus mag er vreemd gesproken worden. Ik kan me wel voorstellen dat niet heel oude voorlezers struikelen over met name ouderwetse woorden. Jelui hebt tegenwoordig niet meer, maar jullie hebben. Hun jonge luisteraars zullen er vermoedelijk minder moeite mee hebben.
Het was een opmerkelijk besluit van uitgeverij Gottmer om opnieuw werk van Paul Biegel te laten verschijnen, te beginnen met Het sleutelkruid, De kleine kapitein en Nachtverhalen, mooi gebonden uitgaven, De kleine kapitein zelfs met leeslint.
 
Het sleutelkruid, oorspronkelijk verschenen in 1964, met zijn verhalen in verhalen in verhalen, toont Paul Biegel meteen als verhalenverteller met een onmiskenbaar eigen stijl.
Het is die van de verteller die elke avond een verhaal vertelt voor het slapen gaan. Een licht zwabberende en improviserende maar levendige verteller met een enorm lenige verbeelding, die zijn luisteraars door dolle invallen en soms treffende beeldspraak geboeid houdt. Toe, nóg een verhaal. Hoe gaat het verder? De verteller zorgt ervoor en lijkt daarbij zoals gezegd soms lustig te improviseren.

Een citaat:
 
Gelukkig kwam op dat moment de oude dienstmeid binnen. Haar gezicht had rimpels en plooien die groter waren dan haar neus, maar dat zag je haast nooit omdat ze verschrikkelijk krom liep van de ouderdom. Om recht vooruit te kijken, moest ze gaan zitten, en de blauwe hemel had ze al heel lang niet meer gezien.
 
Nog eentje:
 
De dieren zaten aan het dessert in de keuken, en de haas droeg juist een groot stuk hageltaart net vossenbessen naar de koning, toen een angstaanjagend geloei tegelijk bij de voordeur, onder het keukenraam en bij de staldeur klonk. Iedereen schrok, zelfs de leeuw, en de haas liet de taart vallen.
'Hoei hoei hoei', ging het weer. Daarna volgde een dreunende slag, waarbij de hele koperen burcht galmde. 'Doe open!' brieste een stem.
'L-leeuw, ga eens kijken,' fluisterde de haas bevend.
'Hm,' mompelde de leeuw, maar hij sloop toch voorzichtig langs de muur naar de voordeur en probeerde onder de drempel door te kijken.
'Hé, komt er nog eens wat?' brulde de bezoeker buiten, en plotseling werd er rook door de brievenbus geblazen. De leeuw stoof achteruit, niezend van de zwavelstank.

Ja, dan trek je als jonge luisteraar in bed toch even de deken over je hoofd en wee de voorlezer die op dit moment wil ophouden.
En op zeker moment kwam de stem van Jean Dulieu terug in mijn geheugen, ook zo'n verteller, per radio (1955-1964). Ik weet niet of Het sleutelkruid ooit als radio-feuilleton is uitgezonden, zo tegen kinderbedtijd, maar het zou het goed doen.

Moet ik Het sleutelkruid nog samenvatten? Dacht het niet. Het wordt beschouwd als een klassieker uit de Nederlandstalige jeugdliteratuur, met een eigen Wikipedia-pagina, net als De kleine kapitein, met dezelfde status.
 
De zwabberende verteller betrapte ik in De kleine kapitein in het land van Waan en Wijs overigens op een fout die typerend is voor een improviserende verteller - zij het dat ik hier toch een ingreep van een redacteur had verwacht. Het grote stadschip op p. 355:

Zo vaart die drijvende stad tot de dag van vandaag over zee, steeds naar het westen, om de ondergaande zon in te halen. Maar de Nooitlek vertrok naar het noorden, om de laatste telg van de grote heer van Schrik en Vreze, zijn jongste dochter, te gaan zoeken.

Dat stadsschip meert echter op p. 378 aan bij het IJskasteel om deel uit te maken van een groot feest. 
 
Met zijn vijf zeekapiteinen had de drijvende stad een wereldreis gemaakt, van het Woeste Westen langs het Diepe Zuiden en het Wazige Oosten tot hier in het Hoge Noorden.
 
Ja, ik hoor de verteller zich al verdedigen: maar daarná ging het... Toch is het zwak.

Verder blijft het echter bij details die er niet zo toe doen en als los zand door de verhalen slingeren. Zoals de 'zeshonderdveertien ijzeren treden' in de vuurtoren van de wachter in De kleine kapitein in het land van Waan en Wijs (p. 358). En, zelfde boek, waarom vijf 'zeebonken' (p. 21 en verder, zie de zeekapiteinen hierboven): waarom vijf? Geen idee. Zeven is vanouds een magisch getal, maar dat er zeven gangen volbracht moesten worden in de zeven torens van het Land van Waan en Wijs krijgt geen verdieping, evenmin als de twaalf trappen die in één van die torens naar boven leiden.
 
Nachtverhaal (voor het eerst verschenen in 1993) heeft onmiskenbaar een zelfde soort verteller maar is vergeleken met die twee hierboven besproken verhalen toch van een iets ander kaliber, al was het maar omdat hier mensen en kabouters en pratende dieren tegelijk op het toneel verschijnen.

De kabouter in dit verhaal was een gewone huiskabouter. Hij woonde op de zolder van een oude villa, vlak onder het rieten dak waarin de geheimen van de bewoners werden bewaard. Als het hard waaide, was in het geknisper van het riet nog het lachen te horen, en het praten en zuchten en vloeken en het stiekeme gefluister van de mensen die in het huis hadden gewoond. De kabouter wist die dingen nog beter dan het riet; hij had zijn hele leven op zolder gewoond en al die tijd voor het huis gezorgd zoals een huiskabouter hoort te doen, zonder dat iemand het ooit merkt.

Ik vraag me af of een rieten dak knispert. 
Hier is de voorlezer weer terug:
 
Zaterdagsavonds werd daar gekaart. Pad en Rat kwamen naar boven - Pad op de rug van Rat - langs geheime sluipweggetjes achter het tengel, en klopten op de deur.
'Wie daar?' riep de kabouter, en: 'Wij!' antwoordden ze keurig, en dan mochten ze binnen.
'Mooi huisj, mooi huisj, mooi huisj,' zei Pad altijd drie keer, maar Rat ging meteen voor de spiegel van het dressoir staan om zijn snorharen te schikken. Ook rekte hij zin kin om te kijken of er nog geen kwabben onder zaten.

In Nachtverhaal hoorde ik een zwakke echo van Hans Christian Andersen. Maar ook de verteller die almaar doorgaat en zich geen beperking oplegt. Dit verhaal is origineel, goed gevonden, met een verrassend en tegelijk heel traditioneel sprookjesachtig einde, maar te lang.
En toch: mooi huisj, mooi huisj, mooi huisj.




woensdag 14 oktober 2020

Noodklok

De oorlogsmetafoor (strijd tegen, strijd voor, oprukken, overwinnen, verdediging, aanval, offensief, ...) doet het goed in veel omgevingen. War on drugs. Strijd tegen corona, desnoods met een hamer (Mark Rutte in zijn persconferentie d.d. 13-10-2020). Nu trekken ook leesbevorderaars ten strijde.

Er wordt volgens allerlei onderzoeken steeds minder gelezen in Nederland, daarover is ook in dit blog al vaak bericht. 'Achttien organisaties uit het veld van onderwijs, cultuur en jeugdgezondheid maken zich hierover al geruime tijd zorgen en luiden nu voor het eerst gezamenlijk de noodklok,' meldt een persbericht van Stichting Lezen d.d. 13-10-2020, namens de 'Leescoalitie'. Zij willen, daar komt-ie, een '#leesoffensief'.

Er lijkt me niets tegen welke poging dan ook om mensen aan het lezen te krijgen en te houden. Ik heb vrijwel mijn hele loopbaan steun geboden aan leesbevorderaars. Ze hebben afgelopen decennia enorm hun best gedaan, tegen de klippen op van grotere schoolklassen, slinkende budgetten, sluitingen van bibliotheekvestigingen, oprukkende beeldcultuur en wat niet al, tot en met onderwijsgevenden die zelf amper lezen.

Kennelijk niet offensief genoeg, want het haalde allemaal weinig uit, al zou men kunnen vermoeden dat de toestand zónder hun inspannender wellicht nog erger zou zijn. Dat valt aan te nemen, maar niet aan te tonen.

De leescoalitie heeft nu een manifest opgesteld en dat overhandigd aan minister Ingrid van Engelshoven.

Die reageerde snel, zo leek het. Persbericht d.d. 14 oktober: 'Gistermiddag verscheen een Kamerbrief over de stand van zaken van het Leesoffensief. Hierin onderkennen ministers Van Engelshoven en Slob dat het tij gekeerd moet worden als het gaat om de leesvaardigheid in Nederland. De leesvaardigheid moet omhoog, en de ministers geven prioriteit aan de verbinding van leesonderwijs met leesplezier. Zij spreken van een beweging die zij in gang willen helpen zetten.'

Die Kamerbrief vind je hier. En verwar die vooral niet met een voorgaande Kamerbrief, d.d. 3-12-2019 (!), waarin, jawel, een leesoffensief werd aangekondigd.

Dat eerste offensief (hoeveel offensieven willen we hebben?) werd 'ingegeven door een urgent advies van de Onderwijsraad en Raad voor Cultuur over leesmotivatie en leesplezier onder Nederlandse kinderen en jongeren. De raden concluderen dat Nederlandse kinderen en jongeren minder vaak lezen. Als zij lezen doen zij dat met minder plezier. Hoewel jongeren op het eerste gezicht volop gebruikmaken van tekst (met name op hun mobiele telefoon), besteden zij minder tijd aan wat de raden "diep lezen" noemen: het geconcentreerd lezen van langere teksten of boeken. "Diep lezen" is iets anders dan woorden consumeren. Het gaat om langere teksten aan één stuk door lezen, waarbij onder andere verbanden worden gelegd, de tekst wordt ingebeeld en er analyse en kritische beschouwing plaatsvindt.'

De recente Kamerbrief blijkt geen antwoord op het luiden van de noodklok, althans niet expliciet, maar 'Op 3 december 2019 hebben wij uw Kamer geïnformeerd over het Leesoffensief, dat begin 2020 van start is gegaan naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur en de Onderwijsraad. Wij hebben uw Kamer toegezegd om u na de zomer van 2020 te informeren over de stand van zaken. Met deze brief doen wij deze toezegging gestand.'

Niettemin reageerde de Leescoalitie snel (14-10):

'Gistermiddag verscheen een Kamerbrief over de stand van zaken van het Leesoffensief. Hierin onderkennen ministers Van Engelshoven en Slob dat het tij gekeerd moet worden als het gaat om de leesvaardigheid in Nederland. De leesvaardigheid moet omhoog, en de ministers geven prioriteit aan de verbinding van leesonderwijs met leesplezier. Zij spreken van een beweging die zij in gang willen helpen zetten. Dit sluit aan bij het manifest Oproep tot een ambitieus Leesoffensief, dat gisterochtend vroeg werd gepubliceerd door de Leescoalitie, ondersteund door elf organisaties uit het veld van onderwijs, cultuur en jeugdgezondheid. De initiatiefnemers van het manifest spreken de verwachting uit dat de ministers ook oog hebben voor de financiële implicaties die deze wens met zich meebrengt. Het is in het belang van onze hele bevolking dat het niet blijft bij voornemens,maar dat deze vertaald worden in een integrale aanpak,met een stevig investeringsbudget. Ook mogen (jong)volwassenen die het lezen niet of onvoldoende beheersen daarbij niet vergeten worden.'

Money makes the world go round. De leesbevorderaars hebben groot gelijk met hun verwachting van een stevig investeringsbudget. Anders blijft het bij mooie woorden. Zoals in die periode dat onze regering de activiteiten van Stichting Lezen en CPNB best wilde steunen, maar tegelijk bezuinigde op bibliotheekwerk en onderwijs. Wel schuim, maar op slappe koffie.

Hieronder het boodschappenlijstje van de Leescoalitie:

Hieronder staat ons boodschappenlijstje voor de komende jaren: stevige ambities met concrete doelen om ze te verwezenlijken. Daarbij huldigen we als motto:
Lezen is voor iedereen. Fors investeren in beter leesonderwijs is nu nodig. Het gaat niet vanzelf.
1. Elke leerling verlaat de school (po, vo en mbo) met voldoende leesniveau. Focus speciaal op groepen die het hardst achterblijven (jongens, vmbo, mbo, jongeren met een migratieachtergrond, laaggeletterde volwassenen). Zorg voor samenhangend beleid en extra investeringen in leesonderwijs, leesbevordering en bestrijding laaggeletterdheid en zorg voor politieke borging op rijks-, provinciaal en lokaal niveau. En toon daarbij ambitie. Weliswaar verlaten de meeste kinderen in Nederland de basisschool op het fundamentele niveau 1F, en haalt 78 % het streefniveau van 2F, we zien dat dit niet voldoende garantie isom op de middelbare school goed te kunnen blijven presteren.We streven naar een situatie waarin alle leerlingen het 1F niveau behalen en een zo hoog mogelijk percentage 2F, ook bij leerlingen die uitstromen naar het vmbo. Hiervoor zijn forse investeringen nodig.
a. Zorg dat leerlingen zonder taalachterstand aan de basisschool beginnen door te investeren in taal en voorlezen via vroeg- en voorschoolse educatie, ouderprogramma’s en door inzet op taalstimulering bij ouders en pasgeborenen door consultatiebureaus.
b. Richt extra aandacht op laaggeletterde ouders door lessen in taal- en leesvaardigheid (verbinding preventie en curatie). De SER bepleitte in haar advies in 2019 dat een verdubbeling van het budget nodig is voor een adequate aanpak van laaggeletterdheid bij volwassenen.
c. Iedere school en kinderopvanglocatie heeft een leesbeleid, waarin tijd voor (voor)lezen de basis vormt, en voert dit uit.
d. Iedere school, van po tot en met pabo, heeft een rijke leesomgeving en heeft een goede schoolbibliotheek (of voorziet in een gevarieerd boekenaanbod door structurele samenwerking met de lokale bibliotheek).
e. Het curriculum kenmerkt zich door hoge ambities voor lees- en taalbevordering.
f. Scholen versterken de leesmotivatie van leerlingen door het juiste boek op het juiste moment aan te bieden. Betrek daarbij uitgevers, festivals, bibliotheken, boekhandels, leesbevorderaars en sluit aan bij de belevingswereld van leerlingen, en betrek vooral ook de jonge lezers zelf.
2. Alle (aanstaande) leraren (van po tot pabo) en onderwijsassistenten zijn voldoende toegerustom goed en motiverend leesonderwijs te geven; pedagogisch medewerkers weten hoe ze leesbevorderend moeten werken.
a. In het leesonderwijs staan leesplezier en leesvaardigheid centraal. Leraren laten met uitdagend onderwijs leerlingen ervaren dat lezen geen plicht of verplichting is, maar een recht dat kansen biedt en leuk en spannend is.
b. Het belang van (voor)lezen moet nog hoger op de agenda van pabo’s en lerarenopleidingen. Ze leiden de leraren van de toekomst op en die moeten van dat belang doordrongen zijn en weten hoe ze leerlingen warm kunnen krijgen voor lezen.
c. Leraren verbinden het bijbrengen van tekstbegrip aan betekenisvol onderwijs: lezen met als doel iets te weten te komen over onderwerpen.
d. Ontsluit en deel effectief gebleken lesideeën en -praktijken en betrek kinderen, jongeren en leraren nadrukkelijk bij plannen om het leesplezier te vergroten, bijvoorbeeld als ambassadeurs en rolmodellen.
e. Elke leraar bezit kennis van het (actuele) boekenaanbod voor kinderen en jongeren.
3. De kunst van het lezen is een zorg voor iedereen en behoeft structurele aandacht. Het vormt de basis van een goed functionerende samenleving.
a. De kunst van het lezen moet een punt van aandacht zijn voor het kabinet, de Kamer en regionale en lokale overheden, werkgevers, vakbonden en alle mensen die verantwoordelijkheid dragen voor anderen.
b. Leesvaardigheid en een rijke leescultuur zijn belangrijke stabiliserende factoren voor een democratische samenleving. Zorg voor lezen begint van onderaf bij (groot)ouders en moet worden geschraagd door een stevig kabinetsbeleid. Uitgangspunt moet zijn dat wij ons land willen voorbereiden op de toekomst.


 


dinsdag 22 september 2020

Och, als ze nou eens een boek lazen...

Het was bijna aan me voorbijgegaan, maar dat ligt geheel aan mij, want ik heb de laatste tijd geen boekwinkel aangedaan. O.a. wegens het verzoek van onze regering om gepaste afstand te houden tot mijn niet tot mijn huishouden horende medemens.

Anders had ik me natuurlijk verbaasd over de rijen vóór en drommen jongeren tussen de boekentafels. Want het is in Nederland 'Boekenweek voor jongeren' (18-27 september) en die jongeren komen natuurlijk allemaal af op 3PAK


 

3PAK is een geschenkbundel met korte verhalen van 'vier topauteurs' (Danielle Bakhuis, Johan Fretz en Pepijn Laanen & Floor van het Nederend), tijdens deze week gratis verkrijgbaar bij boekhandels en bibliotheken, en ongetwijfeld tot hun grote vreugde krijgen leerlingen in het voortgezet onderwijs 3PAK zomaar cadeau van hun docent Nederlands.
 
Nu maken de mensen achter de Boekenweek niet duidelijk wie zij onder jongeren verstaan. Ik vermoed mensen van 12 tot 28 jaar, zoiets. Al wel geslachtsrijp maar nog niet begonnen aan een loopbaan en/of gezin. Zoiets.
Daarentegen wordt het 'Beste Boek voor Jongeren (met shortlist) ieder jaar uitgereikt om de aandacht te vestigen op goede en leuke boeken, geschikt voor jongeren van 15 t/m 18 jaar'. Dat is de echte tussen-servet-en-tafellaken-groep (kènt u deze uitdrukking nog, dames en heren?), ruimschoots geslachtsrijp maar formeel nog niet volwassen.

Het boek Nicolas en de verdwijning van de wereld (De Arbeiderspers) geschreven door Anne Eekhout is verkozen tot het Beste Boek voor Jongeren 2020 in de categorie ‘Nederlandstalig’. In de categorie ‘Vertaald’ ging deze prijs naar Darius de Grote is niet oké (Gottmer), geschreven door Adib Khorram in de vertaling van Tjalling Bos. Een vijfkoppige jury van jongeren koos deze boeken als winnaars nadat een voorselectie van vijf boeken per categorie was samengesteld door een vakjury. De bekendmaking vond plaats bij jongerenzender NPO 3FM, door dj’s Frank van der Lende en Eva Koreman. De winnaars ontvangen elk een cheque ter waarde van 2500 euro.

Het valt me op dat de organisatoren denken dat NPO 3FM een 'jongerenzender' is en dat het niet aan de jongerenjury is overgelaten om een keuze te maken uit het aanbod. De 'vakjury' (juryvoorzitter Marjolein Hordijk, projectmedewerker Educatie Voortgezet Onderwijs bij Bibliotheek Gelderland Zuid; Nelleke Groot, boekhandelaar bij Paagman; John Schrijnemakers, recensent; Paulien Sigmans, docent op het Pax Christi College in Druten en educatief auteur o.a. bij Malmberg; en Janneke van der Veer (schrijfster en literatuurwetenschapper).) stelde de shortlist samen, de jongerenjury (Lotte Groot Wesseldijk, voorzitter, Bruno Beeke,  Roos Breukel, Jeanine de Groot en Yente Zomerplaag) las deze tien titels. Konden ze niet meer aan?

Uit diverse metingen blijkt dat 'jongeren' steeds minder lezen. Zo'n boekenweek is dus een moedige poging om ze aan het lezen te krijgen. Charlotte Remarque (22 jaar) legde in de Volkskrant 19-9-2020 uit 'Waarom jongeren minder lezen (en niet omdat ze er te lui voor zijn)'.
Ze somt diverse mogelijke oorzaken op. 
Een citaat:

Daar zit het euvel. Mijn generatie is gefixeerd op het optimaliseren van tijd. Productiviteit, of op zijn minst het streven naar productiviteit, is deze cv-oppoetsende, stagelopende burn-outgeneratie eigen. Waar die mentaliteit vandaan komt, daarover kun je boeken vol speculeren. Bindend studieadvies, de wedloop die de freelancewereld met zich meebrengt, een onverbiddelijke arbeids- en woningmarkt, of toch gewoon weer smartphoneschermpjes. De druk is hoog om iedere minuut nuttig in te vullen.

De gamification die we kennen van stappentellers en productiviteitsapps is ook richting het lezen gewoekerd. Op een e-reader staat onderin hoelang het nog duurt tot je het boek uit hebt, als een routebeschrijving. ‘Tijd tot einde hoofdstuk: 12 minuten. Tijd tot einde boek: 4 uur en 28 minuten.’ Het instinct om te winnen neemt je over en je gaat jakkeren – van die 4 uur en 28 minuten kunnen we wel wat afschaven! Advertenties voor luisterboek-apps spelen in op de schaarste van tijd: luister een hoofdstuk terwijl je strijkt, forenst of hardloopt. Vergeet niet de reclames voor speed reading-cursussen die je overal tegenkomt. 70 woorden per minuut? Daar kunnen we 120 van maken.

Het lezen moet niet alleen snel, het boek zelf moet ook optimaal zijn. Aan de bestsellerlijsten kun je aflezen wat de jonge, slimme lezer nog trekt: Yuval Harari, Rutger Bregman. Aan de ene kant sterft boekensnobisme uit en aan de andere kant vinden we het belangrijk om geïnformeerd over te komen. De zucht naar het informatiefste boek dempt logischerwijs de interesse in fictie, waarvan de toegevoegde waarde niet onmiddellijk helder is. We willen niet stukje bij beetje mens worden, we willen de geschiedenis van de mensheid in één keer kunnen kopen.


Schrijven kan ze, onze Charlotte, net als moeder Sylvia Witteman en vader Philip Remarque. De voorkeur voor non-fictie herken ik bij mijn eigen (inmiddels) hoog opgeleide zoon (28). Die overigens waarachtig nu meer leest dan tien jaar geleden.

Vooruit, nog een citaat:

Deze houding tegenover leven en lezen – dat er een optimale, efficiënte manier is om het te doen – roeit veel meer uit dan alleen fictie. Het maakt van ieder boek een moetje, een kans om jezelf te verbeteren en om het meeste uit je tijd te halen. Kunst om de kunst delft het onderspit wanneer optimalisatie het hoogste doel is. Terwijl er uit lezen zo veel plezier te halen is. Ergens denk ik dat we ons dat nog kunnen herinneren. Maar dan moeten we wel eerst berusten in het idee dat niet iedere seconde telt.




 


maandag 14 september 2020

Zucht

Zucht. Niet alleen dat ene virus woedt almaar door, in het kielzog ook dat andere. Alternatieve waarheden. Complotten.

Twee en twee is niet alleen vier of 22. Appels mogen doorgaans min of meer rond zijn, de aarde wordt weer plat, platter dan plat. Ze zeggen dat...

Het leven is een complot, ze zijn er op uit dat je sterft. Iedereen, ja. We zijn allemaal de pineut.

Was ons niet verteld dat alles goed zou gaan? Dat we recht hebben op een fijne tijd, op geluk? En nu komen ze met die ziekte, met stikstof en andere vuiligheid, met ontslagen, de aarde warmt op zeggen ze en het was al zo heet.

''t Is toch niet wáár!!' 'Néé toch...!' Gister las ik op Facebook...

En wat doet de regering? De regering doet...

Wel fijn om just nu De begraafplaats van Praag (Il cimitero di Praga) te lezen, van Umberto Eco. Dat verhaal staat bol van de complotten en fantastische ideeën en genootschappen. Qanon a la negentiende eeuw.

Ilja Pfeiffer had gelijk: hoop is het enige dat ons van totaal cynisme afhoudt.


zondag 26 juli 2020

De Verlichten

De wereld, heb ik ontdekt, wordt in het geheim geregeerd door een geheimzinnig dus onbekend genootschap.
Toen ik ervan hoorde, klotsten hun namen me door de oren: Daamde, De Gankelaar, Finnis, Fléau, Keska, Moraatz, Neutebeum, Nittikson, Steijd, Steinhacker, Tekalopte, Wigchel, Ypsilinti... Niemand kent ze, ziet ze samen, maar iedereen weet dat ze een band hebben. Ze vertonen zich nauwelijks, baden in weelde, en de hele wereld danst naar hun pijpen. Nee, de heer Mulisch zit er niet bij, sorry, dat kwam door dat pijpen. Ach, het zouden ook anderen kunnen zijn. De naam Soros wordt ook genoemd. Maar áchter die anderen... Wij denken dat we door onze regeringen geregeerd worden, maar wij zijn te argeloos, begrijp ik.

Met rode oortjes las ik op 2 juli in de Volkskrant over 'de mensen achter het 5G-protest'. En wat aanpalende, informatieve artikelen. Zojuist nog zoiets uit 2018 gevonden, in NRC 14 september 2018, 'Wat leeft er in de wereld van Nederlandse complottheorieën?'.

Arme, eenvoudige ziel die ik ben, ternauwernood op Facebook, amper op Twitter, niet op Instagram, geen Telegram-account, bubbelloos. Ik slaap, want ik heb nog geen weet van Qanon, van vaccins die microchips bevatten waar Bill Gates achter zit, van zendmasten die ons betoveren, van de straling door 5G die ons zoiek zou maken ook al is 5G nog helemaal niet in werking. Ik lees en hoor wel eens wat, maar ik hoor er niet bij.

Kan daarom een spandoek niet bevatten dat ik 22 juli aantrof in de buurt van een protestdemonstratie door boeren in De Bilt. Dit:


De naam Demmink kon ik nog wel thuisbrengen, dat was een troebele kwestie over al dan niet vermeend seksueel misbruik en er is op internet van alles over te vinden, als ik de naam intik krijg ik meteen de zoeksuggestie doofpot erbij. Maar wat het echtpaar Gates daar nou mee te maken heeft...? En waarom een logo van schoolboekhandel Van Dijk moet dienen om daarop de naam Soros te schrijven...? En waarom ik dat spandoek vond opgehangen aan het hek van een voormalige kwekerij en niet in de demonstratie?

De complot-experts weten er vast alles van. Hier zitten Daamde c.s. achter, die hielden Demmink de hand boven het hoofd vanwege banden met Soros en Gates, die wellicht ook met hun vingers aan die jongetjes zaten. Kennelijk is er zelfs een verband tussen Demmink en het Farmers Defense Front, of breng ik nu een verband aan louter door de gelijktijdigheid en nabijheid van demonstratie en spandoek?

Mij eenvoudige ziel, onwetend van het wereldcomplot, laten ze niet delen in het geheim. Of ik laat me niet delen, dat zou ook kunnen.
 
NB. Ook uit NRC 14-9, maar dan 2020: 'QAnon springt van web over op de echte wereld'.

zaterdag 25 juli 2020

Schrijven kan bijna iedereen

maar dat houdt niet per se in dat het resultaat ook gewaardeerd wordt.

Hanneke Groenteman is een succesvolle radio- en tv-journalist, met een lange staat van dienst.
En niet te beroerd om iets nieuws te proberen: in juli 2020 debuteerde ze met een tienerroman, De Battle.

Het vertellen van het verhaal liet ze over aan de twee hoofdpersonen, Hanna en Yara, beiden meisjes van een jaar of vijftien. Ze houden beiden een dagboek bij en het boek bestaat dus uit fragmenten uit die dagboeken, aangevuld met stukjes app-berichten, maar dan wel zo dat het eerder lijkt alsof ze permanent een radioverslag leveren en om beurten de microfoon pakken.
Ze gaf hen de stijl mee die ze passend vond bij zulke meisjes, dus het is super, mega, giga, cool, vet en chill, supertof, zelfs superduper, vooral bij Hanna (maar de laatste twee supertjes zijn van Yara). Dat Yara nog moeite zou hebben met Nederlands, zoals ze op p. 15 (vrijdag 6 september) schrijft, daarvan is helemaal niets te merken, hooguit gebruikt ze iets meer Engelse woorden dan Yara, maar ik heb niet geteld, misschien klopt dat idee niet.
Dat is de bekende stijlbreuk in bijna alle verhalen voor kinderen en jongeren met een hoofdpersoon als verteller (behalve de beste): die verteller is doorgaans veel taalvaardiger dan hij of zij eigenlijk zou moeten zijn.
Lezende tieners (heerlijk hè, zo'n ouderwets woord) trekken zich er vermoedelijk doorgaans weinig van aan, maar ik vind het lastig: de meisjes wordt een dertien-in-een-dozijn-stijl in de pen gelegd, vol memes dan wel topoi, hapklare brokjes tekst die in ontelbare uitingen van vijftienjarigen voorkomen, en al snel merkte ik dat ik me begon te vervelen. Er zit geen pit in die teksten, nergens eens een formulering waarvan ik opkeek.

Aangezien het verhaal strikt chronologisch wordt verteld, is het ook een soort stijlbreuk dat het begint met stukjes dagboek van zaterdag 12 oktober. Daarin wordt Yara betrapt als ze een jurkje tracht te jatten. Ernstige gevolgen heeft dat echter niet, zo blijkt. Wat zouteloos dus, zo'n lokkertje. Zeker gedaan op aanraden van een uitgeverijredacteur?
Het verhaal verloopt van vrijdag 6 september tot en met vrijdag 20 december. Dat komt overeen met de kalender van 2019. En die van 2013, 2008 en 2002 enz. Aangezien Yara (met moeder en zus) in Nederland terechtgekomen is als vluchteling voor de Syrische burgeroorlog (2011-heden), lijkt me aannemelijk dat het verhaal zich in 2019 afspeelt. Overigens is ze van Palestijnse afkomt, maar ze woonden in Aleppo. Haar vader is met zijn gebrekkige moeder achtergebleven in Saoudi-Arabië, hun eerste vluchtbestemming.
Ik meld dit om te tonen dat er in dit verhaal over groeiende vriendschap tussen twee meisjes een extra thema zit. En nóg een, want Hanna's ouders gaan uit elkaar. En nóg een, want Hanna's oma takelt langzaam maar zeker af. En nóg een, want Hanna hoort bij een vast vriendinnengroepje (de Chicks), dat eerst wat argwanend is jegens Yara, wat kan komen doordat Yara (dat meldt ze zelf en idem Hanna), de eerste weken op haar nieuwe school heel weinig zegt. Want haar Nederlands... zie boven. Bij de klassefoto vergeet de hele klas haar zelfs.
De titel slaat op een project dat Hanna en Yara samen voor school uitvoeren, over twee filmsterren, dat ze uitvoeren als een soort wedstrijdje pardon battle: de een presenteert Audrey Hepburn, de ander Marilyn Monroe.

Het is goed bedoeld, dit verhaal met een happy end (*). Wie weet maakt het lezers in de beoogde groep iets bewuster van wat vluchtelingen ervaren. Maar het is geen hoogtepunt van woordkunst, daarvoor is het veel te doorsnee. Dit had beter gekund.



Hanneke Groenteman. De Batttle, hoe een schoolproject hun levens veranderde. Kluitman, 2020. ISBN 978 90 206 2485 4, 128 p.

* Sinds ik de Maddaddam-trilogie van Margaret Atwood heb uitgelezen kan ik het woord happy nauwelijks meer gebruiken zonder te denken aan Happycuppa en andere kreten uit dat verhaal... Dát is nog eens schrijven!




donderdag 23 juli 2020

Citaat tegen cynisme

Violiste Lisa Batiashvili in NRC 23-7-2020, onder de kop 'Waarom jaagt schoonheid ons angst aan?', opgetekend door journalist Joost Galema:

Geboren Europeanen beseffen vaak niet wat de harde realiteit elders is. Ik zie zo veel onnodige kritiek en negativiteit. Europa zou voor de rest van de wereld een voorbeeld kunnen – ja, moeten – zijn met alles wat het heeft bereikt na de Tweede Wereldoorlog, na de beproevingen van de twintigste eeuw. Want altijd was er die bijzondere ziel, zelfs te midden van tumult en conflicten.
Momenteel lijken mensen te denken dat de EU alleen draait om macht en geld. Maar dat is niet het wezen van de Europese ziel, die overstijgt dat politieke steekspel. Daar moeten we weer in leren geloven.

'Begin jaren negentig, op haar elfde, ontvluchtte Batiashvili met haar ouders de dreigende burgeroorlog in Georgië. Het gezin streek neer in Duitsland. Het was alsof ze op een andere planeet landde, zegt Batiashvili. Van dictatuur en chaos naar democratie en Pünktlichkeit. Als beroemd violist bereist ze nu de hele wereld. Ze is overal en nergens thuis.'

Ik help haar graag mee geloven. Zo'n citaat is goed tegen het cynisme dat me al te vaak overvalt. Net als het toespraakje dat ze hield voorafgaand aan het Prinsengrachtconcert 2014, Erbarme dich.
Na dat concert, schrijft, Joost Galema, 'moest Batiashvili enkeleweken later in Rotterdam optreden met dirigent Valery Gergiev, een Poetin-aanhanger die openlijk zijn steun betuigde aan de Russische inval op de Oekraïense Krim. De violist bedwong de aanvechting af te zeggen. In plaats daarvan bestelde ze een solotoegift bij de Georgische componist Igor Loboda, met de veelzeggende titel Requiem voor Oekraïne. Zonder er enige woorden vuil aan te maken, zette ze schoonheid en mededogen tegenover bruut geweld, en liet er intussen geen misverstand over bestaan hoe ze over Gergiev dacht.'

Die kop, overigens, kwam uit het volgende citaat:

'Op haar nieuwe album City Lights brengt ze een eerbetoon aan de wereldsteden die ze gedurende haar loopbaan leerde kennen. Het blijkt eveneens een ode aan de verwondering, die misschien wel het beste wordt verwoord in een popsong van landgenote Katie Melua. Zij beschrijft, als een chroniqueur van het kleine, de natuur, de mensen en de seizoenen in een Londens park en stelt na elk couplet vast: "There’s no better magic than this."
Het zijn bitterzoete herinneringen aan wat voorbijgaat. Batiashvili:

Maar nostalgie is niet noodzakelijkerwijs een verdriet. Ik laat iets van mezelf achter op deze plekken, en die plekken laten iets van zichzelf achter in mij. Zodoende ontstaat er een emotionele band met steden, met mensen en met melodieën, met momenten waarop ik me gelukkig voelde. Ik proef tegenwoordig in de maatschappij een tendens om de lelijkheid van het bestaan te benadrukken. Wat is het punt daarvan? Wat brengt het ons? Waarom jaagt schoonheid ons angst aan?


.

woensdag 22 juli 2020

'Blanke manke slaaf molt achterlijke roodhuid'

Wát een taal, foei!
Dat had natuurlijk anders gemoeten: witte tot slaaf gemaakte met een lichamelijke uitdaging doodt Native American met een geestelijke uitdaging.

Het zij zo. Al bekt het niet en slaat het nergens op.

Ten eerste. Je moet er maar net zin in hebben je lichamelijke gebrek doorlopend als een 'uitdaging' te zien. Het lijkt soms eerder een uitdaging voor mensen met minder gebreken om met duidelijker waarneembare gebreken van anderen om te gaan. Niemand is volmaakt.
Mensen wier geest niet helemaal toereikend is om zich in onze ingewikkelde samenleving zelfstandig te bewegen, zijn doorgaans niet eens in staat om zulks als een uitdaging te beleven. Zulke mensen hebben er vaak wel iets aan als anderen, wier geest ietsje beter werkt, het als een uitdaging zien om hen bij te staan.
Mensen die neerkijken op andermans gebreken, hebben een gebrekkig werkende geest.
We hoeven echter geen andere, verhullende of verzoetende, woorden uit te vinden voor mank, kreupel, misvormd, scheel of wat voor mismaaktheid dan ook. Volmaaktheid hoeft niet ontkend te worden als wensdroom, wel als vereiste.
'Mensen met een beperking' is niet beter: iederéén heeft beperkingen. Niemand is volmaakt.

Ten tweede. Tenzij je vader en moeder slaaf waren word je nooit als slaaf geboren en zijn slaven dus per definitie tot slaaf gemaakt, wat inhoudt dat slaaf en tot-slaaf-gemaakte hetzelfde betekenen behalve dat het tweede benadrukt dat de slaaf ooit vrij was.
De vrijheid van vrije mensen is overigens tamelijk beperkt, zoals we weten. Zullen we dat dan permanent veranderen in zich-vrij-noemenden of zich-vrij-wanenden? En zou de term lijfeigenen dan ook moeten worden veranderd in tot-lijfeigene-gemaakten? Hoe zouden onze geschiedenisboekjes moeten worden geschreven, als je deze in formules gestolde verongelijktheid tot in details wil doortrekken?
Dezer dagen lees ik de Maddaddam-trilogie van Margaret Atwood (ja, die van het zo succesvol verfilmde The Handmaid's Tale, ruim vijftien jaar voor deze trilogie geschreven), een aanrader ook als het om dit onderwerp gaat, de wereld van pleeblands en compounds staat bol van de eufemistische slogans, die steeds cynischer worden naarmate die wereld ineenstort.

Ten derde. Wit of blank, ach, waarom doen we daar moeilijk over, in het Engels heet het white en in het Frans blanc. Dat laatste hebben wij Nederlandstaligen toevallig overgenomen naast ons woord wit als kleuraanduiding. Als je zo precies wil zijn zouden wij blanken (ja, ik ben blank, het is niet anders) ons eigenlijk wij roze moeten noemen, alleen heeft roze geen meervoud. White racist pigs, las ik onlangs op een poster (KAdE, Amersfoort, tentoonstelling Afro-Amerikaanse kunst). Varkens zijn roze... (voor ze een modderbad nemen). Eigenlijk zijn er alleen mensen met de kleur van melk, melk met een scheut koffie, café-au-lait, koffie met een klein scheutje melk en pure koffie.
We hebben wel de pech dat het woord blanke ook in het Afrikaans terecht is gekomen, zodat je in Zuid-Afrika vanaf de negentiende eeuw tot nog veel te recent overal het omineuze opschrift slegs vir blankes aantrof.

Er zijn al vele stukken gewijd aan de zin en onzin, en het ongemak, van wat doorgaans politiek-correct taalgebruik wordt genoemd en wat we ook verhullend, verzoetend of corrigerend taalgebruik zouden kunnen noemen.
Medio juli kwam ik een stuk tegen over connotaties van zwart met slecht en blank of wit met goed, en of dat niet anders kon. (Ben vergeten welke krant en had geen zin de papierbak om te keren.)
De auteur koppelde dat aan de geschiedenis van de laatste eeuwen en de dominantie van de blanke, Europese blik op de wereld.

Tja.

Ik vermoed dat de tegenstelling tussen licht en donker al zo oud is als de mensen, ongeacht hun huidskleur. De eerste exemplaren homo sapiens hadden trouwens vermoedelijk allen ongeveer dezelfde huiskleur, de differentiatie kwam later.
Licht - dag - zon - warmte - leven. Donker - nacht - maan - kou - dood.
Natuurlijk, je kan spelen met dit soort associatiereeksjes.
Licht - dag - zon - hitte - droogte - dood. (Beeld: skelet in de woestijn.)
Donker - nacht - maan - vuurtje - samen - leven. (Beeld: groepje mensen rond een vuurtje.)
Maar ik vermoed dat de eerste homo sapiens 's nachts bij elkaar bescherming zochten tegen kou en onraad en de dageraad, dus het licht, iedere keer weer met blijheid hebben begroet. Zelfs als het een beetje regende.
Zonder licht tast je in het duister. Dat geldt rond de evenaar evenzeer als in koude streken. En het geldt voor mensen met een donkere huidskleur evenzo als voor mensen met een lichte huidskleur.
De associatie van licht met heil en duister met onheil ligt daardoor wereldwijd voor de hand. Licht aan de horizon...

Mensen met een donkere huidskleur hebben onder elkaar voor zover ik weet geen last van associaties van hun huidskleur met duisternis en onheil.
Integendeel: wit kan een ziekelijke of bijzondere afwijking zijn: er lopen heel wat albino's rond in sommige streken en met name in Oostelijk Afrika worden die soms als behekst beschouwd en zijn ze hun leven niet zeker.

En toen kwamen er, na de handelaars uit het Midden-Oosten en India, mensen met een lichtere huidskleur. Met grote zeilschepen, geweren en een nieuwe God. Eerst alleen om handel te drijven in spullen en voedingswaren, later breidden ze die handel uit tot mensen, slaven die bereidwillig en profijtelijk werden geleverd door donkerhuidige slavenhandelaars, en voor het gemak en gewin namen ze in Gods naam ook maar het land in beslag, soms na bloedige oorlogen.
Dat laatste hadden ze ook al elders gedaan, maar de overlevende 'roodhuiden' (ai, ook alweer zo'n door 'blanken' uitgevonden verfoeid woord, de Redskins in Washington D.C. gaan hun naam al veranderen, las ik op 19 juli) bleken slecht bestand tegen nieuwe ziektes en slavenarbeid én ze verzetten zich teveel en dus zat er handel in het verschepen van mensen van het ene continent naar het andere. Ze werden in pakweg Fort Elmina gekocht, met zovelen als mogelijk in de schepen gestouwd en pakweg in Charleston verkocht. (Zie over handel en slavernij in Charleston o.a. het lezenswaardige Leon en Juliette van Annejet van der Zijl.) Dat een aanzienlijk deel van de handelswaar de reis niet overleefde was kennelijk geen punt, de handel bracht winst op.

De lichthuiden beschouwden de donkerhuiden doorgaans als een minderwaardig soort mens. Dat strookt met de menselijke neiging om alles wat afwijkt van hun standaard als een eh, afwijking te beschouwen.
Die neiging is niet beperkt tot lichthuiden en de afwijkingen betreffen niet alleen huidskleur. Een open, nieuwsgierige houding jegens afwijkingen is slechts weinigen gegeven, verkettering, uitbuiting, uitsluiting en kleinering zijn de meest gangbare gedragingen.
Dat heeft tragische, wrede en bloedige taferelen opgeleverd, waarvan de grootscheepse slavenhandel er een is, de behandeling van slaven in de Amerikaanse katoenteelt een andere en de vernietigingskampen van het Dritte Reich een derde. Maar laten we bijvoorbeeld ook denken aan het lot van de 'troostmeisjes', van de Indiase contractarbeiders in Dubai of van de Khoikhoi in zuidelijk Afrika, eerst onder de voet gelopen door binnentrekkende Bantoe's, daarna door Europeanen. Of aan de heksenjachten in middeleeuws Europa. Die laatste vier voorbeelden hebben minder stof doen opwaaien in Europese en Amerikaanse literatuur, maar dat maakte zulke taferelen niet minder tragisch.

Bijna overal waar lichthuiden heersten over donkerhuiden ging het mis, en nu ook nog, want machthebbers zijn niet alleen vaak lichthuiden maar doorgaans ook behoudende dikhuiden met een kien oog voor eigen positie, overigens net als legio machthebbende donkerhuiden (Idi Amin was er een berucht voorbeeld van). En dan hebben we ook nog de rabiate gelovigen, zij die bereid zijn te vuur en te zwaard hun visie aan anderen op te leggen. Geweldloosheid is een schaars verschijnsel.

Hoe het zal aflopen? Niet erg goed, vrees ik, ondanks de inspanningen van goedwillende mensen. Las een citaat van Vaclav Havel (uit Verhoor op Afstand, p. 150, met dank aan SGTRS):

Is het dan niet zo, dat al deze kleine signalen wijzen op de groei van een intense innerlijke hoop, een hoop die niet op prognoses aangewezen is en die van begin af aan het uitgangspunt van deze ongelijke strijd is geweest? Zouden al deze kleine tekenen van hoop ‘buiten’ nog wel bestaan als ‘binnen’ niet de diepe hoop gloeide zonder welke men niet waardig en zinvol kan leven, en zonder welke men nog minder keer op keer aan de ‘uitzichtloze onderneming’ kan beginnen waarmee alle goede dingen gewoonlijk een aanvang nemen?

Hoop is niet streven naar verbetering, maar het juiste doen ongeacht de uitkomst. Een kwestie van geweten, meer dan van berekening. Ik vind het een wijs inzicht.

En laten we ophouden met eufemismen creëren met het idee dat het ons ook maar iets dichter bij een volmaakte wereld brengt. Wat niet wegneemt dat neerbuigend bedoelde woorden ons al helemaal niet dichter bij volmaaktheid brengen.
Sommige zeer verongelijkte mensen willen dat ook niet, geloof ik. Waardoor zou gutmensch anders een scheldwoord zijn geworden? Afijn, dat is voor een andere keer.

Ik ben toe aan de laatste hoofdstukken van Maddaddam. Ik verheug me er nu al op, maar ik denk niet dat het goed afloopt.







woensdag 8 juli 2020

Dolende Lode


Er was eens een kapitein die de duivel te hulp vroeg om zijn doel te bereiken. Voor straf moest hij eeuwig dolen met zijn schip. Zijn matrozen veranderden in dode zielen, maar bleven werken.
Heel soms zette hij een sloep uit naar een passerend schip. Als ze daar aan boord door kregen met wie ze te maken hadden, gingen ze er vandoor.

Dit oude zeemansverhaal (bekendste variant 'De Vliegende Hollander') heeft wellicht Marco Kunst voor de geest gehad toen hij begon aan Het verlangen van de prins.
Maar er zou ook een oud verhaal uit Java zijn, in de roman geciteerd door personage Arika Walyu, over een prinsje dat al veel te veel had en alles kreeg waar hij om vroeg en ook waar hij niet om vroeg, dat verlangde naar een schip: 'De prins en het schip van geluk'. Geen bron gevonden, dus allerhoogstwaarschijnlijk komt dit sage-achtige verhaal in een verhaal uit de koker van Marco Kunst.

Er klopt iets niet in dat verhaal. Dat schip zeilt op zeker moment de baai in en het was zo mooi dat

de prins werd overspoeld door een nog veel groter geluk dan anders. Geluk, maar ook verlangen: de prins wilde daarbij zijn! Daar! Aan boord van dat schip!

Maar het schip wordt aan flarden geschoten op bevel van zijn vader.
Waarom?
Dat vertelt Walya niet.
Vanaf dat moment wordt de prins verteerd door verlangen - en woede.

Het was alsof hij verjaagd was uit het paradijs. Hij voelde zich leeg, alsof iets heel belangrijks in zijn leven ontbrak. Maar hij begreep niet wat...
Zo bleef het verlangen van de prins groeien tot het hem helemaal beheerste. Het veranderde in iets monsterlijks.
[...]
Zo groeide de woede van de prins uit tot een duistere kracht die de wereld niet eerder gekend had, een vernietigende kracht die tot op heden rondzwerft over zee.

Aldus Arika Walyu in een brief aan Lode en ze schrijft erbij:

Zo eindigde het verhaal in het boek, Lode, maar jij en ik en iedereen aan boord weten dat dit alleen maar het begin van het verhaal was. Een oud verhaal dat nu hopelijk bijna ten einde loopt.

Een kort verhaal in een langer verhaal, waarbij het korte overloopt in het lange, zoiets. Die duistere kracht, de Woede noemen de schepelingen hem, heeft de trekjes van een djinn, een geest die zich in alles en nog wat kan veranderen, van minuscuul zaadje tot orkaan en zelfs (zoals in dit verhaal) in een dikke bruine wolk met omlaag hangende flarden als dikke tentakels van een kwal. Of in een witte walvis: in die episode (p. 102-108) duikt Moby Dick even (naamloos) op en neemt kapitein Troos even de gestalte van Achab aan.



Walyu? Kapitein Troos? Even samenvatten.
Het verhaal start met een proloog: een rubberbootje drijft op zee, met daarin een vader en moeder met hun peuter. Er komt een driemaster in zicht, maar tegelijk is er ook een enorme draaikolk. Om het leven van hun kind te redden, springen vader en moeder overboord.

Vervolgens maken we kennis met hoofdpersoon Lode. Die is ergens op zee opgepikt door een visser en naar een tehuis gebracht. Het regime daar is zeer streng en zijn enige troost is een kokkin van Indonesische herkomst, mevrouw Walyu, die verhalen vertelt en het karige menu aanvult. Als ze wordt gesnapt en ontslagen, besluit Lode te ontsnappen. Hij is dan tien jaar. In de haven ziet hij een driemaster. De bemanning geeft een circusvertoning en in het gewoel weet Lode aan boord te komen.
Even tussendoor: locatie en tijd blijven vaag, maar het wordt duidelijk dat het een havenstad betreft, en de tijd, tja, de kapitein heeft een laptop en er zijn (wordt één keer vermeld) zonnepanelen aan boord.
Het schip blijkt betoverd. Wie ervan tracht weg te gaan, in havens, wordt al na enkele passen verteerd door een onweerstaanbaar verlangen om terug te keren. Lode probeert het een keer uit en het klopt. Onder de bemanning leert hij vrienden kennen, maar het merendeel bestaat uit 'grijze matrozen', die met lege blik hun werk doen. Het schip is misschien wel driehonderd jaar oud, kapitein Troos dus ook!
Het schip was bestemd voor een prins, maar eenmaal gebouwd kon de kapitein het eiland van de prins niet meer vinden. Daardoor was het gedoemd tot rondzwerven en soms de woeste nukken ondergaan van 'de Woede'.
Maar daar hebben we Lode! Samen met vriendin Tulp en anderen, zoals de Woordenman en de manke Tyman, die niet kan lopen maar wel heel mooi trompet kan spelen, weten ze te vinden waar dat eiland is, in de beste traditie van het doorsnee-kinderverhaal waarin een groep kinderen een probleem oplost (Enid Blyton is er heel rijk mee geworden). Daarbij, eveneens in die beste traditie, geholpen door een of meer volwassenen, in dit geval vooral Woordenman, maar ook hypnotiseur Olek.
Ze weten kapitein Troos te overtuigen, het schip vaart naar dat eiland en daar gebeurt nog van alles en nog wat, lekker heftig, maar eind goed al goed en prins Adi (ja, dat was 'm, hij bestond echt en Lode kwam hem al tegen in zijn dromen) is na een flinke huilbui voorgoed verlost.



Dit alles wordt verteld door, ja, door wie?
Die vraag kwam des te meer bij me op doordat ik van corona-rust gebruik heb gemaakt om o.a. Alice in Wonderland en Alice through the Looking-glass weer eens te herlezen, in de meesterlijke editie van Martin Gardner, The annotated Alice (definite edition, 1999, Penguin, laatste druk 2001, het is nog steeds te koop).
In onze tijd van radio, podcast en andere klinkende stemmen is de zo zeer aanwezige verteller in deze verhalen eigenlijk verrassend modern. Je zou er zo een gesproken feuilleton van kunnen maken, ware het niet dat je dan de meesterlijke illustraties van John Tenniel zou missen.
Auteur Lewis Carroll had duidelijk geen hedendaagse schrijverscursus gevolgd, waarin hem verteld zou zijn over 'show, don't tell' en dat je de verteller op de achtergrond moet houden als je voor kinderen schrijft, dat je liefst medias-in-res moet beginnen, er veel dialoog en actie in moet stoppen en beschrijvingen van landschappen en andere decors zo beknopt mogelijk moet houden, en dat het niet verkeerd is als je tekst lijkt op een filmscript want natuurlijk hoop je als ambitieus modern auteur dat je werk eens wordt verfilmd. En vooral geen lange inleidingen. (Voor mooie dialogen heeft Carroll echt wel gezorgd!)
Zo'n proloog als in Het verlangen van de prins hoort helemaal bij dat moderne concept, werkt als een soort teaser, die tot verder lezen moet verlokken. De schrijver als rattenvanger van Hameln, als piper at the gates of Dawn, maar aan deze zijwegen ga ik nu even voorbij.

Maar intussen geldt volgens mij nog steeds wat György Konrád in 2009 zei: ‘The actual story of a novel is how a writer takes his subject into his possession: it is not the subject that is of interest so much as the gaze that is focused on it, and the tone in which it is told.’ (Congres 'Reading and Watching', 21 november, Amsterdam, zie verslag.)
Zo is 't maar net.

Het verlangen van de prins (ook de naam van het schip) wordt verteld door een anonieme verteller. Daarmee is niets mis, een verteller hoeft zich niet per se voor te stellen of anderszins handelend aanwezig te zijn.
Misschien moet ik hier even uitleggen dat verteller en auteur twee verschillende instanties zijn. De auteur is ooit geboren, leeft, en sterft, net als ieder mens. De verteller bestaat voor de duur van het verhaal. Soms neemt een verteller van vlees en bloed die rol over, als in een theaterstuk of radio-uitzending. Soms ook maakt de auteur de verteller een personage in het verhaal. Sommige recensenten hebben het dan over een 'ik-verhaal'. Daniel Defoe's Robinson Crusoe is een klassiek voorbeeld.

Goed, een anonieme verteller dus, maar soms laat die zich ineens zien, zoals op p.15:

De peuter knipperde met zijn grote ogen. Ze waren in de huiskamer van het tehuis: een kale zaal met stalen kasten en hoekige tafels en stoelen. Lode voelde zich eenzaam en verdrietig en begreep niet waar hij was.
Maar als je klein bent, dan vergeet je snel en wen je snel aan een nieuw leven. Lode vergat wat zijn echte naam geweest was. Hij vergat de taal van zijn ouders en het dorp in Afrika waar hij geboren was. Hij vergat de lange reis die hij met zijn ouders ondernomen had. Hij vergat zelfs hoe zijn ouders eruit hadden gezien.
Maar hij vergat niet alles.

Dit is de eerste keer dat ons wordt verteld dat Lode in Afrika is geboren. Hij kan dan wel van alles vergeten, maar de verteller brengt ons daarvan nadrukkelijk op de hoogte. Dat de zaal kaal was en de tafels en stoelen hoekig, lijkt mij ook meer een waarneming van de verteller dan van een peuter, hoe groot diens ogen ook mogen zijn. (Effectbejag!) Sowieso is 'de peuter' eigenlijk een wat afstandelijk woord.
Twee pagina's verder is het weer raak:

Zo dicht op elkaar zitten, onderworpen aan allerlei regels is ongezond. Zeker voor kinderen. Veel kinderen veranderden in Huize Landvast dan ook in gruwelijke pestkoppen. Andere waren de hele tijd bang. Lode ging vooral stil zijn eigen gangetje.

Het is niet Lode die denkt dat zo dicht op elkaar zitten ongezond is, zeker voor kinderen, maar de verteller. Een observatie van enige afstand. Eigenlijk geldt dat voor het hele verhaal: de toon is afstandelijk, soms zelfs droog. Dat is in contrast met de ons vertelde gebeurtenissen: die zijn talrijk en vaak heftig.
De oud-redacteur in mij protesteerde overigens ook tegen de plaatsing van leestekens in deze alinea en het gebruik van andere in plaats van anderen. Zij kinderen geen mensen? Hij protesteerde ook op andere plekken, maar ik heb geen zin in muggenziften.

En omdat ik geen zin heb in muggenziften, zal ik ook verder niet citeren. Ik houd het erop dat toon en stijl in dit verhaal niet geheel in balans zijn met de vertelde gebeurtenissen. Hoe ingenieus de intrige ook is, dit zal geen klassiek verhaal worden. Om Konrád te parafraseren: the gaze that is focused on it, and the tone in which it is told, ze schieten hier net wat tekort.
Eigenlijk denk ik dat Marco Kunst beter zijn Lode tot verteller had kunnen maken. Maar dan zouden grote en essentiële delen van het verhaal geschreven moeten worden, dan zou hij eigenlijk dus een nieuw verhaal moeten hebben schrijven...

Over die intrige dan. Die vind ik inderdaad ingenieus, een kunstig bouwsel op basis van een oude sage plus een zelfverzonnen sage. Of de wat vage verwijzing naar het lot van op zee dobberende vluchtelingen en de aanwezigheid van laptop en zonnepanelen op het schip zinvol zijn, valt te betwijfelen, er wordt ook niet echt iets mee gedaan. Als ik Marco's redacteur was geweest, had ik hem geadviseerd die elementen er maar uit te halen.
Sowieso zou ik hem geadviseerd hebben om te kiezen tussen een semi-autobiografisch verhaal, met Lode of het meisje Tulp of trompetspeler Tyman als verteller, óf een stijl die meer op een sage of sprookje zou lijken, à la Hans Christian Andersen.
Nu vertelt de anonieme verteller, die zich soms met commentaren in het verhaal mengt, op een wat afstandelijke manier maar met veel doorsnee ('schrijversvakschool'-kinderboekachtige) dialogen een soort sage in de stijl van een gezellig 'realistisch' verhaal à la Jacques Vriens of Mirjam Oldenhave (om twee niet de minste voorbeelden te noemen).
Dat wringt.
Het leidt me ertoe om Het verlangen van de prins ondanks alle waardering voor intrige en creativiteit een gemiste kans te noemen. Met overigens illustraties van Marieke Nelissen die talent tonen. Misschien hadden ze er een beeldverhaal van kunnen maken!



Marco Kunst. Het verlangen van de prins; met illustraties van Marieke Nelissen. Gottmer, 2020. 240 p, ISBN 978 90 257 7284 0.

NB. Het schilderij bovenaan is van Albert Pinkham Ryder.

maandag 6 juli 2020

Verhalen over de Tweede Wereldoorlog, fictie of non-fictie

Dat vond ik bij het lezen van Hoe fel de zon ook scheen van Arend van Dam een interessante vraag.
Die kwam meteen bij de eerste alinea van het eerste hoofdstuk ('De Olympische Spelen in Berlijn')

Het was Rie die begon. Luid riep ze door de trein op weg naar Duitsland:
'H-O-L-L-...'
En alle andere vielen in: '...A-N-D.
HOLLAND SPREEKT EEN WOORDJE MEE.'
En nog een keer. En nog een keer.
Tot Willy lachend uitriep: 'Je hebt er zin in, Rie!'
'Tuurlijk,' zei Rie. 'Jij toch ook? Dit is de mooiste tijd van ons leven!'
'Ik weet het niet hoor,' zei Willy.
'Ben je bang dat je van mij zult verliezen?' vroeg Rie met een grijns.
Willy schudde haar hoofd. 'Dat is het niet, 'zei ze. 'Ik ben een beetje bang voor die Adolf Hitler, die nu de baas is in Duitsland. Hij beweert dat alleen blanke mensen deugen. Alle andere mensen noemt hij "ondermensen". Hij geeft de Joden de schuld van alles wat er misgaat in Duitsland.'

En zo gaat deze dialoog nog even door.
Verhalen over de Tweede Wereldoorlog, luidt de ondertitel van het boek.
Boven geciteerde dialoog heeft vermoedelijk nooit plaatsgevonden, maar in zijn nawoord meldt Arend van Dam dat hij voor zijn 'verhalen' allerlei bronnen heeft geraadpleegd, waaronder 1936; Wij gingen naar Berlijn van Auke Kok, waarin o.a. de zwemster Rie Mastenbroek voorkomt. Een journalistiek verslag. Ik ken dat boek niet, maar het lijkt me sterk dat daarin precies deze dialoog is opgetekend, dat-ie dus historisch zou zijn, zoals we dat noemen.

Het wemelt van dit soort dialoogjes in Hoe fel de zon ook scheen. Ze maken de verhalen levendig, hoe schools ze soms ook zijn, maar ze hebben niet plaatsgevonden. Wat Arend van Dam hier doet is fictie schrijven op basis van historische gebeurtenissen, een genre waarvoor ooit de weinig gebruikte term factie in het leven werd geroepen. (De term heeft het niet echt gehaald.)
Nog één kort voorbeeld (p. 37):

Hannie Schaft was negentien jaar toen de oorlog begon. Ze woonde op kamers in Amsterdam, waar ze rechten studeerde.
'We moeten er maar proberen er het beste van te maken,' zei ze tegen haar vriendinnen Sonja en Philine.
'Je hebt gelijk, Hannie,' zeiden die. Maar het was moeilijk om een gewoon leven te leiden nu Duitse soldaten het land hadden bezet.
Gewone kranten lezen had geen zin. Die stonden vol met Duits nieuws. Of beter gezegd: met Duitse leugens. Er werden stiekem krantjes opgericht, met namen als Vrij Nederland, Trouw en De Waarheid.
Hannie begon te helpen met het verspreiden van deze illegale kranten.

Ik zie dat de auteur zijn best heeft gedaan om begrijpelijk te blijven voor de lezers van acht en ouder die hij waarschijnlijk voor ogen had. Hij vermijdt bespiegelingen over waar en onwaar, en leidt het wellicht moeilijke woord illegaal handig in.
Hannie Schaft heeft bestaan en ging inderdaad het verzet in. In het hoofdstuk waarmee dit citaat begint, 'Het meisje met het rode haar', wordt haar geschiedenis verteld. Maar ook dit hoofdstuk wemelt van de dialoogjes die vrijwel zeker nooit precies zo hebben plaatsgevonden en dat Hannie haar loopbaan als verzetsstrijder eindigde met het doden van mensen die voor de bezetter werkten, wordt ietwat verdoezeld.

Is het erg? Nou nee, Arend van Dam is niet de enige die dit genre bedrijft en al helemaal niet rond het meisje met het rode haar...
Alleen zou ik het op prijs hebben gesteld als de auteur juist voor deze leeftijdsgroep zou hebben uitgelegd wat nu precies waar en wat verzonnen is in deze teksten, die hij terecht verhalen noemt, maar die op de dialogen na redelijk de opgetekende geschiedenis volgen en dus ironisch genoeg grotendeels non-fictie zijn. We onderschatten deze lezers als we denken dat dit te ingewikkeld voor ze zou zijn.



Arend van Dam. Hoe fel de zon ook scheen. Van Holkema & Warendorf, 2020. 96 p., ISBN 9789000371136.