Zoeken in deze blog

vrijdag 5 juli 2019

De kleine prins

Het boek Le Petit Prince van Antoine de Saint-Exupéry is in 392 talen vertaald, volgens deze site. In een op donderdag 27 juni door de Nederlandse publieke omroep (NPO) uitgezonden documentaire van Marjoleine Boonstra kwamen vier vertalers aan het woord.

Zoals Jorge Lemus, die het boek in het Nawat vertaalde, een uitstervende inheemse taal van El Salvador. 'We zien hoe de taal woord voor woord uit de laatste sprekers van het Nawat wordt getrokken en veiliggesteld in Le Petit Prince – een schitterend beeld', schreef Arjen Fortuin in NRC 28-6-2019 in een recensie. Of Kerttu Vuolab in het Samisch. Of Tashi Kyi en Noyontsang Lamokyab in het Tibetaans.
Meer over deze documentaire is te lezen op Babel.

In ieder geval vanuit Nederland valt de documentaire nog te zien op de website van de NPO.

donderdag 4 juli 2019

Goed nieuws leesbevordering op school

Op 2 juli verschenen de resultaten van de Leesmonitor van Bibliotheek op School. Zie ook hier.
Ik vis er wat lijntjes uit:
- 'Er deden 121.449 leerlingen, 16.183 leerkrachten en 1.534 leesconsulenten mee aan de monitor basisonderwijs, waarvan 17% voor het eerst de monitor invulde.'

Basisonderwijs:
- 'Leerlingen van leerkrachten die relatief veel aan leesbevorderende activiteiten doen, lezen gemiddeld met iets meer plezier en iets vaker en komen vaker in de Bibliotheek op school of de openbare bibliotheek dan leerlingen van leerkrachten die minder aan leesbevordering doen.' Wel blijkt 'dat schoolbibliotheken minder vaak open zijn'.

Voortgezet onderwijs:
- 'In 2018 zijn leerlingen en docenten over de meeste aspecten van de mediatheek/schoolbibliotheek ongeveer even positief of negatief als in 2017.'
- 'Vmbo-leerlingen uit leerjaar 1 lezen vaker en vinden het leuker om te lezen dan leerlingen uit hogere leerjaren. Leerlingen gaan in hogere leerjaren steeds minder voor hun plezier lezen en gaan ook minder naar de bibliotheek.' Dat laatste is natuurlijk oud nieuws en er blijkt tot nog toe weinig aan te doen.
- 'Op scholen die goed scoren op de collectie van de mediatheek en op de expertise van de mediathecarissen en de medewerker van de openbare bibliotheek, is het leesplezier van de leerlingen gemiddeld iets hoger dan op scholen die minder goed scoren. Leerlingen op scholen met een relatief hoge score op expertise, lezen bovendien iets vaker thuis een boek.'

Al met al mag Bibliotheek op School tevreden zijn, maar er is dus nog genoeg werk aan de winkel.
Een goede schoolbibliotheek en actieve leerkrachten zijn de basis voor leesbevordering, evenals goede jeugdbibliotheken.
Wat dat laatste betreft: ze zijn er nog, goede jeugdbibliothecarissen. Eva Orta won deze maand de NBD Biblion Jeugdspecialist-prijs.
'Ze wist de jury te overtuigen met haar kennis over jeugdliteratuur en haar kwaliteiten om dit over te brengen op kinderen en hun ouders, verzorgers en begeleiders. Daarnaast was de jury geraakt door haar bezieling en enthousiasme. Tot slot is de jury van mening dat de functie van Kinderboekoloog officieel mag worden toegevoegd aan de vele functieprofielen binnen de bibliotheeksector. De jury van 2019 bestond uit: Tanja Wallroth (NBD Biblion), Astrid van Dam (de Bibliotheek op school) en Karen Bertrams (ProBiblio).'
Kinderboekoloog, hm.

dinsdag 11 juni 2019

Het boekenboek

Het boekenboek legt '1001 onverwachte dwarsverbanden' tussen 'onmisbare jeugdboeken uit de Lage Landen'. Het verschijnen in 2016 is me ontgaan en dat vind ik jammer, want ik had het ook toen graag besproken. Alsnog aandacht, dus. Dit is zo'n boek waarvan ik licht jaloers vind dat ik het zelf ook had kunnen of willen maken.
Maar ja, ik was ook toen al lang met pensioen en men wist me niet te vinden. Mirjam Noorduijn en Veerle Vanden Bosch hebben naar mijn idee echter goed werk geleverd. Ik zou het allicht hier en daar anders hebben gedaan, maar allerhoogstwaarschijnlijk niet beter. Per slot is iedere selectie ondanks alle min of meer intersubjectieve criteria een kwestie van smaak.

Aanleiding voor het boek vormde het 'gastlandschap' van Nederland en Vlaanderen op de Frankfurter Buchmesse 2016. Er is dan ook, zoals het colofon toont, subsidie verleend, anders had dit boek vrijwel zeker niet kunnen verschijnen. Bart Moeyaert was er artistiek intendant en hij heeft dit boek van harte ondersteund en schreef een voorwoord. Het boek werd ook in het Engel vertaald (door Laura Watkinson), wel zo handig op een internationale beurs, onder de titel The Book of Children's Books.
De titel was strikt genomen niet nieuw: in 2016 verscheen in de reeks Praxisbulletin ook een Boekenboek, gemaakt door Patsboem Educatief in samenwerking met het Kinderboekenmuseum, met lessen rond kinderboeken.



Inspiratie voor Het boekenboek (let op het lidwoord) werd geput uit de Gids voor de wereldliteratuur van Jet en Pieter Steinz. Net als deze gids is Het boekenboek een bladerboek, zoals wordt uitgelegd in de Handleiding op p. 12.
Je kan het van voor naar achter lezen: achter elkaar 50 hoofdstukken waarin doorgaans een titel wordt beschreven, aangevuld met een korte biografie van de auteur of illustrator, inspiratiebronnen, citaten uit recensies en met verwante titels. Maar je kan ook heen en weer springen, geholpen door de bladwijzertjes die aangeven dat er elders in het boek meer over te lezen is. Zo'n aanpak vraagt om een uitgebreide bibliografie en registers op naam en titel en die zijn er ook. Sommige hoofdstukken gaan niet over een titel maar heten Grabbelton, en daarin zijn beschrijvingen te vinden van titels rond een thema.

Het boekenboek zal tijdens de beurs zijn waarde hebben bewezen, neem ik aan, maar ook nu is het nog een waardevol naslagboek, onderhoudend en uitermate geschikt voor wie wil kennismaken met de Nederlandstalige jeugdliteratuur 'uit de Lage Landen'.


Noorduijn, Mirjam, en Veerle Vanden Bosch. Boekenboek. Leopold, 2016. ISBN 978 90 258 7131 4, 334 p.



zondag 9 juni 2019

Zomaar een olifant

Nog zo'n prentenboek. Een simpel verhaaltje, verteld in 14 prenten, de meeste dubbelpagina en inclusief de coverprent.
Een olifant staat te wachten bij een bushalte (cover).



De bus (volgende dubbelpagina) zit aardig vol en door de raampjes zien we naast mensenkoppen ook een honden- en een kattenkop. Daarna komen colofon en titelpagina, dus de voorlezer moet even doorbladeren en de vogeltjes die van de bushalte (een bordje aan een paal) opvliegen maar laten voor wat ze zijn.
Volgen twee enkelpaginaprenten en de eerste tekst. Die rijmt, een beetje á la Dick Bruna maar met ingewikkelder woorden (voor kleuters):

Jip zat in de bus naar school, een beetje in gedachten.
'Iek!'riep Jan de buschauffeur. 'Wat staat daar nou te wachten?'

'Het is een beest! Een vreemde snuiter met een grijze kont'
Het was een grote olifant die bij de halte stond.




Die olifant staat daar inmiddels niet alleen, door zijn poten heen tel ik zeven of acht andere wachtenden.

Jan wil hem niet toelaten, maar Jip wijst op de (kennelijk alleen reizende) hond en de olifant toont een ov-chipkaart, dus mag-ie de bus in. Maar daar komt hij klem te zitten.
Hoe dat afloopt toont de prent waarvan hier een detail (!).



Hoe moet Jip nu naar school? De uit zijn beknelling bevrijde olifant biedt hem een elegant alternatief.
En zijn juf kijkt niet op van een olifant. 'Kom binnen, Olifant, en zoek maar gauw een plek.'
Hoe het gaat met de andere passagiers vermeldt het verhaal niet, evenmin wat chauffeur Jan nu met zijn beschadigde voertuig aan moet.

Detail van de prent boven, ja, want de pagina's zijn te groot voor een A4-scanner, dus excuses aan Barbara de Wolf.
Ik wou echter toch iets tonen van haar Fiep-Westendorp-achtige, mooi-karikaturale stijl, zeer expressief, die de kleuters voor wie dit verhaal is bedoeld doorgaans beslist zal aanspreken. Het zijn haar prenten die dit verhaaltje geslaagd maken, meer dan de tekst van Marjet Huiberts.
Toch valt daar ook wel iets over te zeggen. Dat de tekst lekker bekt en rijmt, zal het voorlezen vergemakkelijken en daarop lijkt de tekst gemaakt. Zelf lezen, daar zal wat leeservaring voor nodig zijn, als eerste leesboekje is dit prentenboek niet geschikt. En misschien zal álle kleuters uitgelegd moeten worden wat een ov-chipkaart is.




Een aangenaam tussendoortje, dit prentenboek. En voor sommige (veel) jongere lezers dan ik wordt het wellicht een geliefd voorleesboek.



Huiberts, Marjet, en Barbara de Wolf. Een olifant in de bus. Gottmer, 2019. 24 p, ISBN 978 90 257 7139 3.










donderdag 6 juni 2019

Zomaar wat varen

Ha, een pakje! Er zit een groot, plat prentenboek in en ik heb het zelf aangevraagd, herinner ik me. Ik leg het op tafel en blader er even in. Er valt veel te ontdekken op die bladzijdes. Een herinnering aan de prentenboeken van Anno Mitsumasa schiet door me heen. Aan Charlotte Dematons, De gele ballon. En aan de klare lijn van Joost Swarte e.a.

Het lijkt me een volstrekt pretentieloos prentenboek. Dit zal niet meedingen naar Woutertje Pieterse of Nienke van Hichtum Prijs. Er zal waarschijnlijk geen Penseel aan worden toegekend. Niet dat die prijzen alleen aan pretentieuze werken worden toegekend, en de in vorige alinea genoemde illustratoren zijn beiden bekroond, maar ik vermoed dat de stijl van Varen! buiten de artistieke boot gaat vallen.

Maar ik vind het een leuk boek. Het verhaal begint al op het voorplat. Motorschip Louise legt aan. Op de volgende dubbelpaginaplaat gaan mensen aan boord. En een dier. Er is geen kaartje voor gekocht en het is even zoeken voor je de verstekeling vindt. Op de volgende dubbelpaginaplaat (het zijn allemaal dubbelpaginaplaten) vaart het schip door een onwaarschijnlijk nauw kanaal, daarna is er weer een aanlegplaats, waar een kudde schapen aan boord komt, en op de plaat daarna is een dwarsdoorsnede van het schip te zien. De schapen zijn overal en het opnieuw een sport om de verstekeling te vinden. Nee, het is niet de scheepspapegaai.
Vervolgens is er nog een aanlegplaats, waar sommige schapen van boord gaan, ietwat wanordelijk en tot in het zwembad toe, dan volgt een wat bredere vaart (met de schapen weer aan boord) en op de laatste plaat meert het schip aan een kade waar een havenfeest wordt gehouden. Het is dan avond. De schapen gaan nu echt aan wal - net als de verstekeling en de passagiers. Op het achterplat worden de personages voorgesteld.

Geen drama, geen verhaal met kop en staart, wel een verzameling kleine verhaaltjes, want er gebeurt van alles op die platen, met soms vervolgen. Die verstekeling is er een van, de kudde schapen een ander, de speedboot die tegen een boom eindigt is er een, net als de kinderen in de varkensmodderpoel en de varkens in het bloembed, de aangebrande gehaktballetjes en de auto die de tomatenkar aanrijdt.
De opschriften zijn in het Nederlands en het schip heeft (o.a.) een Nederlands vlaggetje aan de mast, zoals ook de politieboot die halverwege langskomt een Nederlandse vlag heeft en het opschrift 'Politie'.
Toch is het van origine een Duitstalig boek (Der Flussfahrt, verschenen bij Beltz & Gelberg, niet de minste Duitse uitgeverij) en er is dus veel zorg besteed aan de co-editie. In de Duitse editie heeft het schip bijvoorbeeld een Duits vlaggetje in top, zoals hieronder te zien is.



Sowieso is dit boek met zorg gemaakt; hoe langer je het bekijkt, hoe meer je dat ziet. Jammer dat ik niet meer prenten kan tonen, het boek is ruimschoots te groot voor mijn scanner.

Het moet een feest zijn om dit boek met kleuters te bekijken.

Overigens is het niet het eerste 'zoek- en ontdekboek' dat door Doro Göbel en Peter Knorr is gemaakt, dit boek is er een uit een reeks. Hiervoor verschenen Aan het werk! (Was machen die da?), Circus! (Im Zirkus), Een huis vol (Unser Zuhause) en Der Ausflug (niet vertaald) in dezelfde stijl.



Göbel, Doro en Peter Knorr. Varen! Een zoek- en ontdekboek. Ploegsma, 2019. 12 p., ISBN 978 90 216 7829 0.




woensdag 5 juni 2019

De lezer is niet dood

… maar wel stervende, als ik Alex Boogers mag geloven. Aan het eind van zijn ‘schotschrift’ De lezer is niet dood kreeg ik een vermoeden van de aanleiding: een ongelukkig verlopen schoolbezoek.
Daarvoor vroeg ik me verbaasd af wat-ie nu eigenlijk wou betogen.

Dat begint al met de eerste alinea, een merkwaardige opsomming.

De lezer is niet dood omdat er minder boeken worden verkocht. De lezer is niet dood omdat er minder interesse is voor literatuur of omdat de moderne uitvindingen die ons leven moeten veraangenamen het boek hebben omgebracht. De lezer is niet dood omdat er boekhandels zijn verdwenen. De lezer is niet dood omdat hij het boek heeft verruild voor iets anders. De lezer is niet dood omdat er minder verhalen zijn die gehoord moeten worden of omdat de lezer zich niet met het boek wil voeden.

Waarom is de lezer dan wel dood?

Nou, hij is niet dood. Maar er is wel van alles aan de hand met lezers en schrijvers, althans met déze schrijver.

Na die eerste alinea volgt een lang en soms warrig betoog, met steeds terugkerende onderwerpen.
De commercie krijgt er herhaaldelijk van langs, evenals schrijvers die zich voegen in het mediacircus en/of zich in hun werk willen richten op de ‘massa’.
Want dat moet niet, daar is volbloed-romanticus Boogers heel stellig in.

Ik wil geloven dat er zonder wrijving geen glas is, of dat een diamant schittert doordat hij langdurig wordt geslepen en voortdurend onder druk staat. Een meesterwerk is geen etiket dat vanuit de commercie wordt opgeplakt, maar dat door strenge lezers wordt gevoeld, omdat elke bevochten centimeter op weg naar het einde een pad is waar de lezer op getrokken wordt, omdat hij voelt dat het niet anders kan, omdat hij weet dat hij geen keus meer had zodra hij het werk opensloeg, zoals de schrijver geen keus had toen hij aan het werk begon.

Zo, die zit.

Nog zo’n citaat:

Wie het werk maakt zonder dat hij weet of er een publiek is, wordt door het verhaal voortgejaagd. Zulke waanzin is noodzakelijk. Wie het werk maakt zonder dat hij rekening houdt met zijn publiek is onbevreesd. Hij komt zichzelf tegen en durft zichzelf te vloeren, omdat hij weet dat hij ook weer opstaat. Wie het werk maakt voor de massa is van nature angstig. Een producent van content.

Ook zijn afkomst komt herhaaldelijk terug. Herhaaldelijk schetst hij een beeld van een groep schrijvers en lezers die zich allen rekenen tot een bevoorrechte, goed opgeleide klasse, die geen andere lezers en schrijvers toelaat en die het mediacircus beheerst.
Hier spreekt de underdog, die niet gehoord wordt, die zich een weg heeft moeten banen. Vechten en rammen zijn hier sleutelwoorden. De gymzaal als decor, de training als metafoor.
Bij zijn beschrijving van de schrijver die ‘in de valkuil van het mediacircus valt’  moest ik even denken aan Jep Gambardella uit de film La grande bellezza

Pas aan het eind van dit betoog komt er lijn in, als hij een vlammend pleidooi houdt voor betrokken docenten. Hear, hear...
Maar dat maakt dit 'schotschrift' helaas nog niet tot het schotschrift dat ik me als leesbevorderaar zou wensen, hoe vurig het ook is en hoe doorspekt met citabele frasen. Daarvoor verloopt de betoogvoering me te wonderlijk en gaat het me teveel over Alex Boogers.
Het verwondert me niet dat we na 2015 weinig meer hebben gehoord over dit boekje.



Boogers, Alex. De lezer is niet dood. Schotschrift. Podium, 2015. 64 p., ISBN 978 90 575 9790 9.

maandag 13 mei 2019

Illustratiebiënnale Bratislava

Vanouds zijn er banden tussen de tweejaarlijkse wereldomspannende tentoonstelling van illustraties in Bratislava (Bienále Ilustrácií Bratislava / Biennale of Illustrations Bratislava) en de International Board on Books for Young people (IBBY). Zo worden de inzendingen voor deze tentoonstelling, met bijbehorende bekroningen) geregeld door de in totaal 78 nationale secties van IBBY.
Die van Nederland regelde dus de inzending van Nederlandse illustratoren.




Uit het persbericht van de Nederlandse sectie:

De Nederlandse selectiecommissie, ingesteld door het bestuur van IBBY-Nederland, bestond dit jaar uit Toin Duijx (voorzitter), Liesbeth ten Houten, Susan Venings en Annette de Bruijn (secr.).
De selectiecommissie ontving maar liefst 81 boeken die aan de criteria voldeden. Na grondig overleg is de commissie tot een unaniem gedragen selectie van 15 illustratoren/ boeken gekomen waarmee Nederland goed vertegenwoordigd zal zijn in Bratislava. Over de werkwijze en beslissing van de selectiecommissie wordt niet gecorrespondeerd.

Waarbij deze illustratie (van Matúš Maťátko) was geplaatst. Bedoeld als toelichting op de werkwijze van de commissie...? Nou, nee, vermoedelijk niet, de afbeelding begeleidt de info over de BIB op de Slowaakse website.


De selectie:

Geertje Aalders
- met illustraties uit Arabische sprookjes (Gottmer, 2017)
Henriëtte Boerendans
- met illustraties uit Pulletje (Gottmer, 2018)
Charlotte Dematons
- met illustraties uit Van wie is die sok? (Gottmer, 2018)
Myra Emmen Riedel
- met illustraties uit De verwende prinses (Paolo, 2018)
Annemarie van Haeringen
- met illustraties uit En toen, Sheherazade, en toen? (Leopold, 2017)
Martijn van der Linden
- met illustraties uit Jij & ik en al het moois om ons heen (Davidsfonds Infodok, 2018)
Sanne te Loo
- met illustraties uit Dit is voor jou (Lemniscaat, 2017)
Merlijne Marell
- met illustraties uit Volle Muil (Loopvis, 2018)
Floor Rieder
- met illustraties uit De cycloop (Gottmer, 2017)
Ingrid en Dieter Schubert
- met illustraties uit Konijnentango (Hoogland & Van Klaveren, 2017)
Hanneke Siemensma
- met illustraties uit Kleine wijze wolf (Hoogland & Van Klaveren, 2017)
Connie Snoek
- met illustraties uit Cas de kat (Snoek i.s.m. Het KattenKabinet, 2017)
Marije en Ronald Tolman
- met illustraties uit Het boek (Querido, 2017)
Marit Törnqvist
- met illustraties uit Het gelukkige eiland (Querido, 2018)
Sylvia Weve
- met illustraties uit Jawlensky – Haar ogen (Leopold/ Gemeentemuseum Den Haag, 2018)  

Uit het persbericht:

Voorafgaand aan de opening van de BIB beoordeelt een internationale jury de illustraties die van over de hele wereld zijn ingezonden. De jury kent verschillende prijzen toe: 1 Grote Prijs, 5 Gouden Appels en 5 Medailles. De Grote Prijs werd in 2017 gewonnen door Ludwig Volbeda voor De vogels (Leopold/ Gemeentemuseum Den Haag, 2016). Als winnaar van de vorige editie mag hij tijdens de BIB 2019 een individuele expositie van zijn werk verzorgen.
We hopen van harte dat de jury ook dit jaar de hoge kwaliteit van de Nederlandse kinderboekenillustratie zal erkennen.

Waarvan akte.

Bratislava is overigens een stad met een mooi centrum, zo'n 1200 km ver, twee dagen rijden (of treinen). De tentoonstelling is te zien op de 2e verdieping van het Kasteel van Bratislava, vanaf 25 oktober 2019 tot en met 5 januari 2020 en is voor iedereen toegankelijk.
Voor symposium, prijsuitreikingen e.d. moet je je aanmelden.
De biënnale wordt georganiseerd door Bibiana International House of Art for Children (Medzinárodný dom umenia pre deti), Panská 41, Bratislava, vlakbij het centrum.

Bratislava is ook de hoofdstad van Slowakije. Een voormalig 'Oostblok'-land waar onlangs voor de verandering eens een fatsoenlijke regeringsleider werd gekozen (Zuzana Caputová), en niet zo'n eng type als Orbán of Kaczyński.
Goede redenen om er eens heen te gaan.

maandag 22 april 2019

Globish

Ik dacht dat het een 1-aprilgrap was, maar dat is het niet. Jean-Paul Nerrière meende het, toen hij in 2004 Globish beschreef. Hij was toen vice-president marketing bij IBM. Maxim Februari besteedde er in NRC 16-4-2019 een column aan, daardoor kwam ik Globish op het spoor. (Een stukje door Peter de Waard zes jaar geelden in de Volkskrant had ik kennelijk gemist.)
Steenkolen-Engels, zou ik het voordien hebben genoemd, of Creole-English. Maar gewichtige zakenlieden als Jean-Paul Nerrière spreken natuurlijk geen steenkolen-Engels of Kreools, zij willen net zo correct zijn als hun zakenkostuum. Geen misverstanden, vooral geen misverstanden. Eenduidige helderheid in vijftienhonderd Engelse woorden en een eenvoudige basisgrammatica.

Tongue-in-cheek (dat is geen Globish) schrijft Maxim Februari:

Vandaag bereiden we ons voor op de taal van de toekomst. Het staat wel vast… Nou ja… Het is hoogst waarschijnlijk… Dat wil zeggen… Ik denk dat ik in de nabije toekomst op deze plek in het Engels moet schrijven.
[...]
In die toekomst, die nabij is, zal ik niet alleen schrijven voor een wereldwijd publiek. Ik zal ook wereldwijd worden gelezen, ik zal viraal gaan en geshared worden. Om klaar te zijn voor het oordeel van de wereld moet ik me derhalve als de wiedeweerga gaan gedragen. Mensen die mij niet kennen, die zelfs ons land niet kennen, die nog nooit van Nederland hebben gehoord, zullen zich over mijn woorden buigen en ze wegen. Geen grapjes, dus, geen overdrijvingen, geen ironie, niets wat kan leiden tot misverstand en ergernis aan de andere kant van de globe.

Globish, dus, concludeert hij.

Jezelf vertalen naar de 21e eeuw vraagt om helderheid en eenduidigheid. Zodat de vertaalmachines je verstaan en de globale gemeenschap je niet misverstaat. Wil je goed Globish spreken, dan moet je niet alleen je woordenschat tot vijftienhonderd woorden indikken. Je moet je stilistische repertoire intomen. Je temperament bedwingen. En, ja, ik weet het, ik heb persoonlijk nog een lange weg te gaan; maar als het me vandaag weer niet is gelukt me verstaanbaar te maken tegenover Google en de globe, dan lukt het me morgen. Ik beloof u oprecht dat ik mijn uiterste best ga doen.

Dit is natuurlijk niet zijn hele column, hij maakt o.a. nog een omweg langs Raymond Queneau en zijn Exercices de Style. Waar Queneau een ontmoeting in een tram op 99 manieren beschreef, kan dat in Globish slechts op één manier. En geen grappen, vooral geen grappen.

Globish haalde de Engelstalige Wikipedia en daaruit leer ik dat er meer pogingen zijn gedaan om een soort standaard-versimpeld-Engels te beschrijven. Charles Kay Ogden schreef bijvoorbeeld al in 1930 zijn Basic English: A General Introduction with Rules and Grammar.

Van deze pogingen gaat Globish het verst, geholpen door internet. Op de site kun je je eigen (Engelstalige) teksten door een scanner halen om te zien of het Globish is.
Ik twijfel nog. Mijn frase

I am going to make a walk. I hope I do not find bears on my path.

bleek perfect Globish. (Mits ik I'm en don't find veranderde in I am en do not find.)
Toch kan ik mij voorstellen dat ik aan een vergadertafel in pakweg Zoetermeer, Reykjavik of Brussel wat besmuikt of verontrust zou worden aangekeken als ik dat te berde bracht.
Misschien zouden ze het in Moskou begrijpen.

vrijdag 19 april 2019

VoorleesExpres succesvol

De VoorleesExpres is een initiatief dat in 2006 te Utrecht werd gestart door Anne en Marieke Heinsbroek. Bedoeling: voorlezen aan kinderen in gezinnen waar doorgaans weinig of niet wordt (voor)gelezen. Het groeide en bloeide en nu zijn er op zo'n tachtig plekken mensen die dit doen.

Tijd om eens te onderzoeken of het ook nut heeft, vonden onderzoekers Aike Broens en Roel van Steensel (bijzonder hoogleraar van Stichting Lezen). Op 17 april verscheen een persbericht van Stichting Lezen dat de resultaten samenvatte:

In gezinnen die meedoen aan de VoorleesExpress wordt de leesomgeving thuis en de taalontwikkeling verrijkt, zo blijkt uit een effectstudie van de Erasmus Universiteit Rotterdam in opdracht van Stichting Lezen. Ouders gaan naar eigen zeggen vaker voorlezen en de boekenkennis en het verhaalbegrip van kinderen groeien. Optimalisering van het programma is wenselijk om de taalontwikkeling duurzaam te stimuleren. 

Succes, dus, maar er valt nog iets te verbeteren.

Ik citeer verder uit het persbericht:

In totaal namen 176 kinderen deel aan de effectstudie: 95 in de experimentgroep en 81 in de controlegroep (een wachtlijstgroep). De effecten van de interventie zijn tijdens, direct na, en enkele maanden na afloop in kaart gebracht. De onderzoekers keken naar woordenschat, verhaalbegrip, boekenkennis van het kind, intensiteit van voorlezen door ouders en betrokkenheid bij voorlezen door het kind.

Vooruitgang in verhaalbegrip en boekenkennis
De resultaten wijzen uit dat de VoorleesExpress werkt. De kinderen gaan niet vooruit in woordenschat, maar wel in verhaalbegrip en het aantal boeken dat ze kennen. Hun ouders gaan naar eigen zeggen bovendien intensiever voorlezen. De stijgende lijn in de boekenkennis van kinderen en het voorleesgedrag van ouders zet door nadat de interventie na twintig wekelijkse bezoeken eindigt.

Verduurzaming interventie
Onderzoekers Aike Broens en Roel van Steensel, bijzonder hoogleraar van Stichting Lezen, concluderen dat de VoorleesExpress de taalontwikkeling positief kan beïnvloeden, maar dat verbetering van de interventie wenselijk is. Het effect op het verhaalbegrip zwakt na een aantal maanden namelijk af. Mogelijk komt dit doordat het voordoen van voorlezen door de vrijwilliger aan de ouder onvoldoende van de grond komt. Een indicatie hiervoor is dat niet alle ouders tijdens de wekelijkse sessies de hele tijd aanwezig zijn. Zij kunnen hierdoor niet de ondersteuning bieden die de voorlezer biedt om het voorlezen na twintig weken op hetzelfde niveau te continueren.

De onderzoekers adviseren daarom de interventie te verrijken met aanvullende activiteiten. Anne Heinsbroek, directeur van de VoorleesExpress, ziet hierin mogelijkheden. “We zijn, met onze partners, druk bezig om te zorgen voor een ruimer meertalig aanbod. Ouders kunnen hiermee in hun moedertaal de taalontwikkeling van hun kind stimuleren. Daarnaast gaan onze vrijwilligers aan ouders meer mogelijkheden aanreiken om met drukke peuters op een speelse manier met taal bezig te zijn.

Waarvan akte. Hier is het onderzoek te downloaden.
Let ook op het modewoord interventie.



woensdag 17 april 2019

Boel taarten met Haring

De Week van het Geld is allang voorbij als dit stukje klaar is, maar dat hoeft me er niet van te weerhouden om wat aandacht te geven aan geld en die fantastische wetenschap economie.
Of die week een succes was? Geen idee, maar in 2020 is er weer een.
In de dagbladen die me onder ogen kwamen las ik er niets over.

Geld, economie en kinderen: er is doorgaans weinig spannends te beleven. Voor kinderen onder de 12 herinner ik me brave boekjes, die veel uitleggen - maar ook veel niet.
Als ik geld intoets in de catalogus van De Jeugdbibliotheek (de website die het oude Leesplein en Boekenjeugdonline heeft vervangen, een aanzienlijke verarming maar daarover misschien een andere keer) krijg ik duizenden resultaten en als ik toespits op non-fictie nog altijd een tweeduizend. Maar daarbij zit echt van alles, ook verhaaltjes waarin geld een rol speelt, en de annotaties zijn helaas miniem.
Een verschijnsel dat onlangs nog de kranten haalde, namelijk het hoge bedrag aan schulden dat wereldwijd uitstaat (243.200 miljard US$, zo'n 34.000 per wereldbewoner), wordt in dat soort boekjes en websites nooit uitgelegd.
Evenmin vind je er argumenten in waarom het goed of slecht zou zijn dat een groeiend deel van de Nederlandse kinderopvang in handen is van grote, naar winst strevende bedrijven. (Zie NRC 5-4-2019, deel Economie, 'Private equity verovert kinderopvang'.)
Of hoe het kan dat een groot Amsterdams ziekenhuis ineens wegens faillissement zijn poorten sluit. En dat een tramverbinding tussen het centraal station van Utrecht en een universiteit gebied buiten de stad heel erg veel duurder wordt dan begroot.
Toch zijn het juist zulke zaken die economie een boeiend vak maken.

Laat ik nu toevallig in een winkel voor tweedehands boeken een vondst doen die me in combinatie met de toen nog aanstaande geldweek tot kopen bracht: Waarom cola duurder is dan melk van Bas Haring, verschenen in 2016, dus nog niet zo heel erg oud, toch slechts € 5,-. En verder ligt er al een tijdje een boek op de stapel te bespreken dat me ooit ter kennisname is toegestuurd: Wat kost dat?! Wat je wilt weten over geld & economie.

Met die twee uitgaven is de kous, waaraan ik al eerder was begonnen (zie bv. hier, hier, hier en hier), natuurlijk niet af. Zo staat Immer das Geld van Hans Magnus Enzensberger nog op mijn lijstje.

Maar eerst Bas Haring.
Kaas en de evolutietheorie (2001) was zijn debuut, won de Gouden Uil categorie jeugdliteratuur en werd expliciet een boek 'voor nieuwsgierige mensen van 9 tot 99' genoemd.
In of over Waarom cola duurder is dan melk staat zoiets nergens vermeld. Dat is 'een boek over economie voor hen die het ook maar ingewikkeld vinden'. Het is echter zo toegankelijk geschreven dat dit met recht een boek 'voor nieuwsgierige mensen van 12 tot 99' genoemd zou mogen worden.

Er valt wel iets te mopperen over dit boek. Bas Haring schrijft als een babbelkous, met veel gebroken zinnetjes en onnodige woorden. Net alsof de hoofdstukken bestaan uit de weergave van opnames van colleges, zonder veel redactie.
Voorbeeld is Bas' eigenaardige synoniem voor veel, namelijk een boel. Ander voorbeeld is zijn neiging om zinnen op te knippen.

En die situatie doet zich voor tijdens een recessie. Naar het schijnt.

Of:

Maar wat is eigenlijk een ramp? In financiële zin.

Of:

Ik heb een hypotheek van tweeëneenhalve ton en in mijn hoofd heb ik nog een halve ton speelruimte. Voor het geval ik een nieuwe auto wil kopen of een keer een lange reis wil maken.

En dit is een voorbeeld van zijn wat babbelende stijl.

Gelukkig begrijp ik ondertussen genoeg van economie om te weten dat de redenering niet klopt en dat er geen beperkte, vaste hoeveelheid rijkdom op de wereld is. De wereld kan er in zijn totaliteit heus een stuk rijker op worden dan-ie nu is. Als Congolezen en Liberianen rijker worden, dan gaat dat niet ten koste van ons. Toch? Dat ziet iedereen vrij gemakkelijk in.

Nog zo'n babbelstukje (p. 159):

Geld verdienen dankzij het hebben van bezittingen is misschien minder vreemd dan ik in eerste instantie dacht en er is zelfs een woord voor: kapitalisme. Dat is grappig. Ik heb nooit geweten wat 'kapitalisme' eigenlijk precies was. Iets met een nare bijsmaak. Tijdens mijn middelbareschooltijd had ik zelfs een sticker met 'Weg met het kapitalisme' op mijn agenda. Zonder te weten wat kapitalisme was. Maar nu begrijp ik het dus. Bezittingen die je kunt gebruiken om geld mee te verdienen heten 'kapitaal'. En de negatieve klank die aan het begrip hangt is vermoedelijk een gevolg van het feit dat je via kapitaal een inkomen kunt verkrijgen zonder dat je iets hoeft te doen.

Een klank die aan een begrip hangt, hm.
Dit soort passages vind ik wel wat afdoen aan de leesbaarheid, maar anderzijds weet hij vakjargon te vermijden, vindt hij originele en effectieve vergelijkingen en is hij goed te volgen, niet alleen door mij maar ook door pientere lezers van 12 en ouder.

Van belang vind ik wat hij op p. 225 schrijft over economen, nadat hij eerst het woord verhaal heeft geïntroduceerd voor theorie:

Ze bedenken een verhaal en toetsen dat aan de hand van beschikbare gegevens. Het is dan niet zo vreemd dat economen met elkaar overhoop kunnen liggen. Er kunnen meerdere verhalen naast elkaar bestaan die stuk voor stuk, min of meer, bij de data passen. Zoals er ook meerdere verdachten passen bij de gegevens die je voorgeschoteld krijgt in een tv-detective.
Bovendien zijn veel van die verhalen stiekem gebaseerd op ideologische aannames. Er zijn economen met een diep, diep wantrouwen jegens de overheid. Zulke economen zullen eerder met verhalen komen die vertellen dat de overheid steeds vreselijke fouten maakt. Gestaafd met gegevens.
Terwijl andere economen helemaal niet zo'n wantrouwen hebben en met evenveel bewijzen laten zien dat de overheid juist goede dingen kan doen.

De distantie die hieruit blijkt had hij ook kunnen gebruiken voor wat hij op p. 233 schrijft over de veertigurige werkweek, want dat getuigt van weinig historisch inzicht.

En gaan we korter werken? Meer vakantie hebben? Dat lijkt logisch, als robots ons werk overnemen, dan kunnen wij lekker in het gras gaan liggen. Maar ook dit gaat, denk ik, niet gebeuren. Onze veertigurige werkweek heeft niets te maken met de hoeveelheid dingen die we in veertig uur voor elkaar kunnen krijgen maar is simpelweg een gevolg van het feit dat we per week ongeveer veertig uur kunnen besteden aan anderen in plaats van aan onszelf.

Nou, 'we' hebben er de afgelopen twee eeuwen toch heel hard voor moeten zwoegen om die veertig uur in de plaats te krijgen van een achtenveertigurige of nog langer durende werkweek. Daar is menige staking (en soms oproer) aan voorafgegaan.
Dan zie ik maar af van commentaar op de aanname dat de tijd die we niet werken (= aan anderen besteden) uitsluitend voor onszelf is.
Er zijn meer passages in dit boek die mij tot het idee brengen dat onze Bas weinig aandacht heeft voor geschiedenis en voor de aloude tegenstelling tussen kapitaal en arbeid. Terwijl hij toch heel relevante zaken schrijft over hen die verdienen door bezit en hen die verdienen door werk - vaak werk voor hen die bezitten.
Hij schrijft wel vaker over 'we', alsof 'wij' mensen een harmonieus samenlevend clubje zijn. Een retorisch trucje dat graag door politici gebruikt wordt.
Ook vind ik het erg naïef dat hij er het hele boek van blijft uitgaan dat wat 'we' verdienen een uitdrukking is van hoe 'de samenleving' (dat zijn wij zelf ook) ons waardeert. Al merkt hij op p. 132 terecht op dat wat we verdienen in ieder geval geen uitdrukking is van onze opleiding, als hij erop wijst dat opleidingen tot goudsmid of balletdanser minstens zo lang duren en moeilijk zijn als die van huisartsen en hoogleraren, terwijl goudsmeden of balletdansers veel minder verdienen, ongeveer zoveel als de tuinman die hij her en der laat opdraven. Gelukkig maakt hij ergens nog wel een opmerking over topmanagers die veel te zeggen hebben over hun eigen inkomen.
Minstens zo naïef vind ik zijn introductie van 'gelukspunten' als eenheid voor het meten van hoe tevreden we zijn.

Zijn aanpak was: een lijstje vragen, en daarmee aan de gang. Hij is colleges gaan volgen, en heeft tientallen boeken en artikelen tot zich genomen, opgesomd achterin het boek (waaronder Piketty). Het is een aanpak die me aanstaat: vanuit onwetendheid vertrekken en zien hoeveel inzicht je kan verwerven.
Soms is-ie me al te 'onwetend' (hij zal toch ook wel eens een krant lezen), maar deze aanpak is beter, of in ieder geval onderhoudender, dan die van de docent die ons onderwijst wat hij net heeft geleerd met het air van een allesweter.
Dat leidt tot rake observaties als bijvoorbeeld het verschil tussen lenen door een regering en lenen door een mens: een mens gaat dood, een regering niet. Dus kan een regering steeds maar doorgaan met lenen en aflossen. (Hij heeft het wel over inflatie, maar laat historische kanttekeningen met verwijzingen naar de Weimar-republiek en het huidige Venezuela achterwege.)

En waarom is cola nou duurder dan melk? Volgens Bas Haring doordat er zoveel geld wordt gestoken in de reclame voor cola.

En een mooi stukje is dat over de gewenste verdeling van inkomen. Het is een van de twee plekken waar hij grafieken te hulp roept. Op p. 154-155 staan 'een boel taarten' afgebeeld.

 

Hij gaat uitvoerig in op wat volgens hem de juiste verdeling zou zijn en daaruit blijkt dat hij niet zoveel voelt voor een enorm verschil tussen arm en rijk, maar het ook niet erg vindt als de een iets meer verdient dan de ander.

Zo zijn er meer passages die tot nadenken en een standpunt kiezen uitnodigen. Een babbelkous, o.k., maar wel een die zinnige zaken aanroert.

Maar nou nog dat boek dat zonder moeilijker te zijn toch dieper gaat.


Haring, Bas. Waarom cola duurder is dan melk, een filosoof over economische zaken. Nijgh & Van Ditmar, 2016. 240 p., ISBN 978 90 388 0192 6.

PS. Op die andere aangeroerde zaken hoop ik in volgende stukjes terug te komen.