Zoeken in deze blog

maandag 22 februari 2021

Waarom de Zwartkopzeeduif zo heet

Na de De Kleine Gids voor de niet-bestaande Vogels van Europa en De Nieuwe Gids voor de niet-bestaande Vogels van Europa (zie hier) is Baardman & boterkontje beslist het leukste boek over vogels.
Het boterkontje had zeker in de eerstgenoemde twee gidsen een plaatsje kunnen vinden, ware het niet dat deze vogel wel bestaat. Het is een andere naam voor (o.a.) de wintertaling. Ook de regenfluiter, zwartjan, stinker, pepervreter, hutketuk en het fladdergatje bestaan. En ja, ook de baardman, al hebben vogelwaarnemers het vaak wat kleinerend over baardmannetje en hebben ze er geen probleem mee dat de baardman ook een vrouw kan zijn.

Ook een boterkontje.

Deze namen en de wat algemenere namen staan keurig geïndexeerd achterin Baardman & boterkontje, de vogel en zijn naam van Toine Andernach, 'een enthousiaste vogelaar met passie voor taal' of 'een taalkundige met passie voor vogels'. Na de zwemmer, de laatste vermelding, blikt een vuurgoudhaan (ja, die bestaat ook) ons recht in de ogen.
 
Het is niet de enige mooie foto in dit boek. Want hoewel de 26 stukjes over de herkomst van een of meer vogelnamen alle vergezeld gaan van een plaat uit Nederlandsche Vogelen (Nozemann en Sepp, 18e en 19e eeuw), staan er bijna evenzoveel foto's in. Waaronder, uiteraard, die van de baardman.
 
De 'gebruikte bronnen' beslaan vier bladzijden, ik neem aan dat de geboden verklaringen en veronderstellingen (want lang niet alles is zeker) gegrond zijn. De Vlaamse gaai, tegenwoordig gewoon gaai, blijkt niet zo te heten omdat mensen hem zo Vlaams vonden, maar waarschijnlijk doordat de Fransen hem een gai flammant noemen (zoiets als een vlammende gaai), welke naam vervolgens in het naburig taalgebied tot Vlaamse gaai is verbasterd. Ik noem maar een weetje. Zoals smient (ja, dat is ook een bestaande vogel) eigenlijk 'kleine eend' betekende. Van die dingen.
Als je niets met taal hebt, val je er niet van achterover.
Maar voor taalminnaars is Baardman & boterkontje een heel amusant boek.
 
O pardon: die zwartkopzeeduif... daarvoor moeten we toch bij O.C. Hooymeijer zijn. Maar de herkomst van de naam lijkt me evident. Kun je van de aalscholver niet zeggen.


Toine Achternach. Baardman & boterkontje, de vogel en zijn naam. Noordhoek, 2021. ISBN 978 90 5615 693 0, 128 p.

maandag 15 februari 2021

Rib tand duim scheen stof hoofd graf

Of: de sleutel van de hel past op alle sloten. (Het motto!)
Of: 'niets ter wereld is zo zalig als het gevoel dat je vliegt.' (Bladzijde 12.)

Dat gevoel heeft Jongen als hij uit de appelboom valt in de boomgaard van de hofstede waar hij woont, aangeduid met het mooie woord hof.
Een pelgrim ziet hem klimmen en vallen en besluit hem mee te nemen. Dat kost weinig moeite. Kokkie, die de hele hof bestiert sinds Monsieur Jacques na dat ongeluk niet meer helemaal goed is en Madame en hun zoontje gestorven zijn, laat hem voor wat geld zo gaan.

Tot schrik van Jongen, onze verteller, gaat hij dus op stap met een aanvankelijk erg gemelijke pelgrim, Secundus, die een beetje naar rotte rapen stinkt. Of een ander luchtje, misschien wel zwavel.
Secundus heeft zich een doel gesteld: in de hemel komen, waar zijn vrouw en zoon zijn. Daartoe dient hij zes relieken te verzamelen, en dan het graf van Petrus in Rome te bereiken.

Rib tand duim scheen stof hoofd graf.

Secundus heeft een knechtje nodig dat goed kan klimmen en zijn ransel kan dragen.

Ik rende achter Secundus aan. Deze pelgrim maakte me echt bang. Maar hij schold me tenminste niet uit. Hij gooide niet met stenen. Sterker nog, hij nam het op tegen de stenengooiers. Hij had de ergste stenengooier van allemaal de stuipen op het lijf gejaagd, zo erg dat de grote, sterke Os nu als een kapotte pop op de grond lag.


Toen ik zo ver was, was ik allang gegrepen door deze verteller en dit verhaal.
Een merkwaardig tweetal: onze verteller, de kleine gebochelde verschoppeling zonder naam (Kokkie noemt hem Jongen, dat is het) en de knorrige gedreven Secundus, die ontsnapt is aan de hel waar hij duizend jaar in verbleef, met medeneming van de sleutel die op alle sloten past. Jawel, een tweede leven. (Secundus betekent Tweede.) Secundus wil naar zijn vrouw Flavia en zijn zoon Julius in de hemel.
 
Ze bereiken ieder hun eigen doel, meer zal ik niet meedelen over het verloop van gebeurtenissen.
Alleen de laatste zin van het verhaal geef ik mee:

Ik spreidde mijn vleugels en vloog.

En dat was niet Jongens eerste doel! Maar even goed, nee, beter.



Wie er nu al niets van snapt en zich afvraagt of er een steekje los is bij mij (wat ik overigens nooit zou ontkennen), maar wel geïntrigeerd is geraakt, raad ik aan het boek spoorslags bij de lokale boekhandel te bestellen.

Tot mijn verrassing is de auteur van Het boek van Jongen, Catherine Gilbert Murdock, een Amerikaanse, verbazingwekkend genoeg in 2003 gepromoveerd met een dissertatie getiteld Domesticating Drink: Women, Men and Alcohol in Prohibition America. Op de een of andere manier had ik een Engelse, Ierse of Schotse auteur verwacht. Vermoedelijk omdat het verhaal zich afspeelt in Europa, 1350 (zie p. 218). De hof, zie boven, ligt in het Franse koninkrijk, en Rome is Rome, zij het juist dan volkomen geruïneerd (ook letterlijk, door een aardbeving in ruïnes veranderd) en leeggeplunderd. Een vage, vieze schim van de prachtige, welvarende stad van duizend jaar geleden die Secundus zich herinnert.

Catherine Gilbert Murdock is erin geslaagd een verteller te creëren die ons de Middeleeuwen intrekt, door zijn ongeschokt geloof in de kennis hem met veel klappen bijgebracht door Pater Petrus en in het goede van mensen. Dat doet hij zo levendig dat het mij niet meer verwonderde dat hij op een bijna woordeloze manier met dieren kan communiceren (wat hen enkele keren uit benarde omstandigheden redt) en dat zijn bochel zich langzamerhand ontwikkelt tot een stel vleugels. En dat het mij ook niet meer verwonderde dat Secundus uit de hel wist te ontsnappen - maar dat hij daarvoor wel heel veel geduld moest hebben.
Het is een zeer kleurrijke wereld, waarin alles vanzelfsprekend op zijn plaats valt. En waarin het even vanzelf spreekt dat bochelaars ongeluk brengen als dat een engel in aanbouw vooral hebzucht opwekt. Dat mensen gevaarlijke reizen ondernemen om relieken te mogen zien is even gewoon als dat kloosters onderling elkaars relieken jatten. En de pest was overal. Na een paar bladzijde was ik compleet verhuisd.
 
Later, in Rome:
 
De schemering verduisterde de hemel. We kwamen langs huizen die uitpuilden van de pelgrims en langs kerktrappen waarop monniken brood stonden uit te delen - niet genoeg brood, kennelijk, want de pelgrims klaagden. We kwamen langs tenten van mensen die dakloos waren geworden door de aardbeving. Vrouwen stonden midden op straat bij hun kookvuurtjes, hun kinderen speelden tussen de voeten van de pelgrims.
'Loop eens rechtop, Jongen,' fluisterde Secundus. En even later: 'Wat doe je?'
'Ik... ik loop. Zo lopen mensen toch?'
Hij lachte. 'Volgens mij niet.'
Ik deed dus nog wat beter mijn best - maar hoe kun je proberen normaal te zijn? Normaal is gewoon wat je bent.
We kwamen bij een groot plein vol pelgrims en tenten. Stroverkopers leurden met slaapbedden. jammer dat ze niet met wastobbes konden leuren.
Door deuren zo hoog als een berg gingen we de Moeder van alle Kerken binnen. Dit gebouw had het zelfs nog zwaarder te verduren gehad dan de kerk van Sint-Paulus, en ook hier was door de verschrikkelijke aardbeving niets meer van het dak over. Op de muren zaten donkere vegen waar vlammen zich een weg naar de hemel hadden gebaand, en de zuilen die nog rechtop stonden waren zwart als de nacht.
'Heer, dit is vreselijk.'
'Zeg dat wel. Ik had niet gedacht dat ze met zoveel zouden zijn.'
De kerk wemelde van pelgrims in bruine pijen, die met z'n ontelbaren wachtten op hun beurt om de heiligen eer te bewijzen. Ze namen ons op in hun midden en stuwden ons naar voren.
Als door een wonder had het altaar de brand doorstaan, net als de hoofden. Daar stonden ze: het hoofd van Sint-Petrus en het hoofd van Sint-Paulus, met roze wangen van was en ogen van glas en grijs haar (Sint-Petrus) en een rode baard en een kale kruin (Sint-Paulus). De hoofden waren zo dichtbij dat uik ze bijna kon aanraken - behalve dat er dikke tralies voor het altaar zaten.


Rib tand duim scheen stof hoofd graf. En nu was het hoofd aan de beurt...
Let op het komische misverstand tussen Jongen en Secundus over wat precies vreselijk is.
Overigens wordt de verhouding tussen die twee gaandeweg steeds beter. Wat begint als een louter zakelijk geval, eindigt als innige vriendschap.

'Het graf...' fluisterde Secundus. 'Zeven ... relieken,,, moet... ik... verzamelen...'
'Heer!' Ik rukte aan het touw om mijn borst. 'Rib tand duim teen stof hoofd hof ... nee!' Ik lachte. 'Gráf, niet hóf. Die laatste zeg ik altijd verkeerd.'
'Misschien is het niet het graf dat je zoekt.' Hij glimlachte. 'Vaarwel, engel. Ik hou van je.'
'Ik houd ook van u heer. Voor altijd.'

Vanzelfsprekend zegt Jongen hof. Dat wordt zijn eindbestemming, zoals graf die van Secundus was. Meer zal ik niet meedelen over het verloop van gebeurtenissen, daaraan ga ik me nu echt houden.


De vertaling heb ik niet vergeleken met het origineel, maar de tekst lijkt zelf origineel en dat is een compliment voor vertaler Esther Ottens.
Zoals het hoort bij een verhaal dat zoveel aan de verbeelding van lezers overlaat staan er geen illustraties bij. Wel zijn alle hoofdstukken van dit prachtverhaal voorzien van vignetten door Ian Schoenherr en achterin staat een kaart, die het verhaal ineens wat wereldser maakt.



Catherine Gilbert Murdock. Het boek van Jongen. Querido, 2020. oorspr.: The Book of Boy, Greenwillow Books, 2018. Vert.: Esther Ottens. ISBN 978 90 451 2403 2, 272 p.

woensdag 10 februari 2021

Mierenhoop met Disney-oogjes

Altijd benieuwd naar goede non-fictie voor kinderen (beroeps-tic), dus toen ik de titel Mierenhoop tegenkwam in de Ploegsma-aanbieding, dacht ik: aanvragen.

Ik ontving een boekje dat bestemd lijkt voor peuters: dikke kartonnen pagina's met doorkijkvensters en uitsneden. Voorop staat naast de titel een miertje met grote Disney-ogen en een lachend mondje met een tekstballonnetje 'Hallo!'. 
 
 
 
Dat is dan waarschijnlijk voor de voorlezers bedoeld, want de meest peuters en kleuters in onze streken kunnen nog niet lezen. En zelf mogen ze het pas hanteren als ze 3 zijn, want achterop staat: 'Opgelet! Niet geschikt voor kinderen onder de 3 jaar'. Achterop staat naast een ballonnetje 'leer alles over mieren en hun leven!' óók een flaptekstje dat zich lijkt te richten tot diezelfde niet-lezende doelgroep:

Stel je voor dat je een mier bent, en een dag in een mierenhoop doorbrengt. Hoe zou dat zijn?

Enzovoort.
Nou ja, dat kun je natuurlijk ook voorlezen.

Sla je de dikke kartonnen bladzijden om, dan opent zich als het ware een mierenhoop en dat is best leuk gedaan. We zien miertjes met Disney-oogjes bezig met eitjes sjouwen en andere bezigheden, met links blokjes met tekst. 
 

 
Met die tekst is weinig mis. Eenvoudig genoeg voor de doelgroep (en voorlezers), met basale info over hoe mieren leven. Jammer dat ik vergeefs zocht naar de koningin op de pagina waarop ze wordt genoemd:

De koningin zit op haar troon in de mierenhoop en legt eitjes.

Nou, als je lang tuurt zie je bovenin de mierenhoop een vaag miertje met dichte oogjes, met eieren eromheen. Zou ze dat zijn? Dat is dan nog wel erg bezijden de werkelijkheid... De mier met dik achterlijf linksonder op p. 1 (of 3, als je de voorkant meetelt), die de eieren aanreikt, lijkt er meer op. Die zit alleen niet op een 'troon'.
 
Met de afbeeldingen is wel iets mis. Bijzonder werk is het sowieso niet en wat helemaal niet kan (maar helaas erg in is), zijn de al eerder vermelde Disney-oogjes in de wat kinderlijk-proportioneel vergrote hoofdjes. Je hoeft op een zomerse dag in het bos maar eens rond te kijken om vast te stellen dat mieren niet dit soort ogen hebben, dat de lichaamsdelen net wat andere proporties hebben ten opzichte van elkaar en dat ze altijd zes poten hebben en niet vier, vijf of soms zes, zoals in dit boekje. En kinderen hebben daar heus wel oog voor.

De makers van dit boekje zijn ten onrechte uitgegaan van de veronderstelling dat je voor jonge kijkers en luisteraars tekeningen moet maken waarbij (in dit geval) de mieren een beetje vermenselijkt worden. (De koningin reikt de werksters haar eieren aan!) Gemiste kans dus, ondanks het originele ontwerp. Ook is vreemd dat die makers in heel kleine lettertjes in het colofon staan, al staat de auteur wel op de rug. 
 

Petra Bartiková en Magdalena Takáčová. Mierenhoop. Ploegsma, 2020. ISBN 978 9 216 8075 0, 14. Oorspr.: Čo se deje v mraveništi, Albatros, Praag, 2017.
 
NB d.d. 16-2-2021. Mutatis mutandis gelden mijn opmerkingen ook voor Bijenkorf, van dezelfde auteurs en met dezelfde opzet. Inclusief Disney-oogjes.
 

dinsdag 9 februari 2021

'Boek heeft meer cognitief effect'

Op 5 februari werd bekend dat de Scriptieprijs Leesbevordering 2020 is toegekend aan Marion Schotel wegens haar scriptie  “Ordinary” from an out-group’s perspective: comparing non-affected teenagers’ attitudes towards (cranio)facial anomalies after book reading versus film watching.
'De laureaat onderzocht in haar masterscriptie of een boek lezen meer oplevert op vlak van sociale cognitie dan een film bekijken' - en dat bleek zo te zijn.
 
Marion Schotel, student aan de masteropleiding Jeugdliteratuur van Universiteit Tilburg, 'gebruikte hiervoor het boek Wonder van R.J. (Raquel Jaramillo) Palacio, dat verfilmd werd door Stephen Chbosky. In dat verhaal heeft het hoofdpersonage een zeldzame schedel- en gezichtsafwijking. Schotel ging na of de boeklezers zich breder en diepgaander identificeerden met het hoofdpersonage dan de filmkijkers. "De filmgroep kon zich net als de boekgroep verplaatsen in de gedachten en gevoelens van het hoofdpersonage, maar focusten daarbij meer op zijn anders-zijn. Deelnemers die voorgelezen werden, voelden een persoonlijker en complexere connectie met het hoofdpersonage." Schotel verklaart deze onderzoeksresultaten als volgt: "Het boek heeft meer cognitief effect, omdat het brein er haast letterlijk persoonlijker bij betrokken wordt. Het brein moet zelf ‘aan de slag’ met de tekst, bijvoorbeeld door zich zelf een voorstelling te maken van wat wordt beschreven. Bij de film wordt die voorstelling voor jou gemaakt."'
Waarvan akte. Lijkt bijna een open deur, maar het is goed als zoiets per onderzoek wordt bevestigd.

De tweejaarlijkse Scriptieprijs Leesbevordering werd dit jaar voor de twaalfde keer uitgereikt aan de beste afstudeerscriptie over leesbevordering. De Scriptieprijs Leesbevordering 2020 is een initiatief van Iedereen leest (B) en Stichting Lezen (NL). De winnaar ontvangt naast eer en roem € 1000,-.
Naast de laureate kregen nog twee scripties een eervolle vermelding: De (de)kolonisatie van kinderliteratuur van Sharité Severina (Universiteit van Amsterdam) en Lezen promoten bij beginnende leraren van Hanna Van Wambeke (Universiteit Gent).

De jury bestond uit voorzitter Annick Schramme (Universiteit Antwerpen), Jeroen Dera (Radboud Universiteit Nijmegen), Jona Hebbrecht (ODISEE Hogeschool), Wenckje Jongstra (Hogeschool KPZ) en Dennis Mathysen (Vrije Universiteit Brussel).

donderdag 4 februari 2021

Roman of reisgids, op (be)zoek in Japan

Verteller Hebe Lispector, voluit Hebe Sylvia-Jane Lispector (blijkt op p. 240) ontvangt het bericht dat haar geliefde broer Alec bij een freedive bij het eiland Ishigaki in Japan is verdronken, op 13 september 2017. Dat raakt haar dusdanig dat ze naar Japan reist om mijn of meer in zijn spoor te reizen, tot en met Ishigaki. Pas als ze zelf een duik heeft gemaakt heeft ze vrede met zijn dood.

Iets meer details graag. (Spoiler alert!)
Hebe en Alec hadden een buitengewoon diepe band en waren gefascineerd door Japan. Alec zwierf de hele wereld over als freediver. (Freediven is zo diep mogelijk duiken op eigen kracht, dus zonder zuurstof. Dat is in het Engels natuurlijk véél interessanter dan in het Nederlands.) Vanaf allerlei zeekusten stuurde hij zijn 'sissie' raadselachtige teksten, soms in het Engels. Zoals:

'Dat wat je liefhebt zul je ooit haten, sissie, maar don't worry, als je haat uiteindelijk maar weer terug smelt naar liefde.' (januari 2013 -Nieuw-Caledonië)

Ze staan boven de hoofdstukken waarin Hebe haar verhaal vertelt. Tussen het allereerste hoofdstuk, een soort proloog, 'Zeven maanden eerder', en het laatste hoofdstuk ('35. Dagboek(je) van een afscheid') zit een reisverslag dat hier en daar zo gedetailleerd is dat ik me halverwege afvroeg of ik nu een soort reisgids aan het lezen was of een roman.
Gaandeweg wordt me wel meer verteld over hun speciale relatie (nee, 'don't worry', dit verhaal gaat niet over seksueel misbruik) en wat Alec naar het water (en uit de wereld) trok. En over de ingewikkelde relatie met haar vriendin Astrid, die haar vertrek niet kon hebben. Halverwege het verhaal eindigt de vriendschap, per chatbericht. En over verteller Hebe zelf:

Mijn doel was ooit zo'n lekker makkelijk iemand te worden die je overal mee naar toe kan nemen, die onder een bartafel kan slapen en nooit zeikt, een teddybeer te worden.
Ik weet nog precies wanneer die veranderingen begonnen, er binnen in mij iets verschoof: toen ik in het vliegtuig stapte, mijn riem vastmaakte, mijn stalkerbuurmeisje groette, de ovalen deuren dichtsloegen en het vliegtuig stapvoets naar de startbaan reed. Toen besloot ik echt iemand anders te worden.

De gedetailleerdheid is kenmerkend, en soms wat vermoeiend, met name als ze Tokyo beschrijft. Vooral in die hoofdstukken dacht ik hier en daar in een al te gedetailleerd reisverslag verdwaald te zijn.
Het naïeve, tienerdagboekachtige ('ik besloot iemand anders te worden') is ook kenmerkend. Hier is een verteller aan het woord die nog maar net volwassen is geworden en een bijpassend vocabulaire hanteert, met woorden als depri, familieshit, relaxed, facebook checken, super, mega en giga. Toch kan ze goed beschrijven en heeft ze soms originele beeldspraak. Zoals wanneer ze op weg gaat naar Ishigaki (p. 166): 

Mijn herinnering aan Tokyo is nu al vervaagd en voelt als een boek dat in bad is gevallen, de bladzijdes bobbelig geworden en de letters doorgelopen en verminkt.
 
Of (p. 88):
 
Als je broer dood is, weten mensen niet wat ze met je aan moeten. Ze behandelen je alsof je van glas, ernstig ziek of achterlijk bent. Je moet verder met je leven, zeggen mensen, maar niemand die je uitlegt hoe je moet leven met de dood in je zak.

Dat vind ik fraai verwoord.
 
Heerlijk jong is ook de paniek die haar overvalt als haar mobieltje pal voor aan boord gaan kapot valt. Ze wil het eigenlijk niet geloven en probeert wel tien keer of er nog leven in zit. Het past echter bij haar gemoedstoestand dat ze besluit in Tokyo niet meteen een nieuw toestel te kopen en het digitaal contact te beperken tot incidentele bezoeken aan internetcafés.
In het vliegtuig blijkt ze te zitten naast een Amerikaanse jonge vrouw, Nina, die opdringerig nieuwsgierig is en haar in Tokyo een tijdje stalkt - dit verhaallijntje wordt slecht uitgewerkt, en ontbeert verband met het thema: afscheid van Alec. De wat raadselachtige stukjes tussen de Tokyo-hoofdstukken waarin ze met Belle wordt aangesproken, zijn vermoedelijk van deze Nina. Nadat Nina ineens opduikt in een restaurant waar Hebe zich bevindt en Hebe subtiel laat merken dat ze vermoedt dat Nina haar stalkt en haar Facebook-pagina heeft gelezen, verdwijnen Nina en de stukjes.
 
Kreeg ik bij de Tokyo-hoofdstukjes soms de neiging om te gaan bladeren, vanaf het moment dat Hebe op Ishigaki landt was dat afgelopen. Pas daar treedt de vertelster bijna letterlijk in de voetsporen van haar broer, en een voor haar achtergelaten boodschap van Alec maakt duidelijk dat hij bewust een eind aan zijn leven heeft gemaakt.
Dat ze tegelijkertijd een relatie met een medereiziger aangaat, lijkt bijzaak maar duidt op een zekere volwassenwording. Denk ik. Zelf gunt ze zich geen tijd voor dat soort nadenken, maar wel besluit ze (p. 268): 'ook van dat wat niet blijft, kan ik blijven houden.'

Geen meesterwerk, dit romandebuut van reisjournalist (!) Iris Hannema, maar niettemin interessant. Geschreven in een stijl die past bij de vertelster (en wie weet ook bij de auteur, als ik haar Instagram-account bekijk), boeiend door de bijzondere relatie tussen broer en zus, maar soms ook vermoeiend door te veel details. Schrappen (of nog meer schrappen) had er een beter verhaal van gemaakt.
Voor wie nieuwsgierig is naar Japan, is haar roman extra onderhoudend - al hebben de geboden beschrijvingen soms weinig met het thema te maken. 
De omslagillustratie daarentegen wel, die is gebaseerd op een werk van Katsushika Hokusai uit ± 1830 en brengt thema en Japan samen.
 

Hannema, Iris. Schaduwbroer. Leopold, 2020. ISBN 978 90 258 7943 3,  270 p.

donderdag 21 januari 2021

Klaus Mann en zijn zwaarmoedigheden

Als ik ooit een roman zou gaan schrijven, is het eerste wat ik me zou afvragen: wie gaat er vertellen?
 
Het antwoord kan natuurlijk heel argeloos zijn: ik. 
Maar wie ben ik? En als ik na tien jaar mijn roman herlees, ben ik dan nog dezelfde?
 
De argeloze oplossing is een verplaatsing van de vertelkring naar de geschreven tekst. In de kring ben ik de verteller, mensen luisteren (hopelijk, of ze doen alsof). Er is bijna geen twijfel mogelijk. Bijna: want ik kan mij vermommen, voordoen als een ander, doen alsof. We belanden in het theater, al dan niet digitaal.
De Ickabog, het verhaal dat ik las vóórdat ik de roman las waarover dit stukje zal gaan, is zo'n verhaal. De auteur heeft de voorleessessies waaruit het verhaal ontstond, eenvoudig verplaatst naar de geschreven tekst. Als je wil, kun je dit ook een theatertruc noemen. De verteller doet alsof hij of zij de auteur is, met de naam die op het omslag staat. Dat is dus ook zo, behalve dat de levende auteur met de tijd mee verandert en de verteller in het verhaal niet.

Het antwoord kan ook zijn: de hoofdpersoon. Of een van de hoofdpersonen. Of een ander personage. Dat is natuurlijk een variant op de verteller-die-doet-alsof zoals hierboven geschetst. De verteller maakt dat soms al in de eerste zin duidelijk: 
 
I was born in the year 1632, in the city of York, of a good family, though not of that country, my father being a foreigner of Bremen, who settled first at Hull. 
 
Op de voorkant staat echter Daniel Defoe vermeld, en lezers van The Life and Adventures of Robinson Crusoe zullen snel beseft hebben dat in die eerste zin zogenaamd niet Defoe aan het woord is. Ze zullen even snel beseft hebben dat Defoe hier een fictieve verteller schiep.
 
In de 20e eeuw kwam de onpersoonlijke verteller in zwang. Zo'n verteller die zich niet voorstelt, niets over zichzelf meldt en alleen maar beschrijft.
Neem dit begin uit een bekend verhaal, verschenen in 1924:

‘Satanse jongen, hou die bout vast!’
‘k Hou 'm toch vast, baas?’
‘Noem je dat vasthouden? Jij zult nooit een goeie smid worden!’
Peter Hajo zweeg even. ‘Wil ik ook niet,’ pruttelde hij toen.
‘W-wat zeg je? Wil jij geen smid worden?!’
‘Nee, baas. 'k Wil naar zee.’
Meester Wouter, de hoefsmid uit ‘De IJzeren Man’, liet de zware voorhamer, die
hij juist had opgeheven, van verbazing een seconde lang in de lucht zweven. Toen
dreunde een mokerslag; de vonken stoven meester en knecht om het gezicht.
‘Gekkenpraat!’ zei de hamer in zijn ijzeren taal.
Peter Hajo keek zwijgend naar het roodgloeiende bouteinde.
Hij verstond de taal van de voorhamer! Als hij in het halfdonker van de
wintermorgen de rossig-schemerende smederij binnenkwam, had hij buiten al gehoord
hoe zijn baas gemutst was.

Wie is hier aan het woord? Wie leent hier zijn of haar stem aan twee personages, wie weet wat Peter Hajo verstaat? We krijgen het niet te weten.
De argeloze lezer kijkt op de voorkant van het boek, ziet de naam Johan Fabricius en denkt: dat is 'm. Maar op De wondere avonturen van Arretje Nof (1926-1927) en Jongensspel (1965) en nog tientallen andere boeken staat ook die naam en is dat dan dezelfde verteller?

Hoe dan ook, ik kwam tot deze bespiegelingen bij het lezen van De naam van mijn vader van Rindert Kromhout. Dat is de derde en laatste roman 'over Klaus Mann voor bijna-volwassen en volwassen lezers', zoals op zijn website staat.
 
Eerder schreef hij een drietal romans over de Bloomsbury-groep (Soldaten huilen niet, April is de wreedste maand en Vertel mij wie wij waren). In 2016 verscheen Een Mann, in 2018 En ik was zijn held. In alle zes verhalen speelt homoseksualiteit een rol - ik vermoed dat dit iets was dat de auteur aantrok in de twee beschreven families.
'Beschreven families': want al hebben we te maken met romans, in wezen fictie, Rindert Kromhout heeft zich zo degelijk verdiept in de geschiedenis dat het bijna non-fictie had kunnen zijn. Wellicht was dat een betere keuze geweest, want dat had hem de kans gegeven zijn persoonlijke betrokkenheid bij deze families te tonen. Nu verschuilt hij zich achter de vertellers die hij koos.

Daar zit wel een interessant verschil. Treden er in de romans over de Bloomsbury-groep vertellers op uit die groep, in de trilogie over de familie Mann, of beter over Klaus Mann, treedt een onpersoonlijke verteller op. Ik betwijfel of dit een gelukkige keuze was. Het zou ongetwijfeld een veel grotere uitdaging zijn geweest, maar ik denk dat hij ook in deze romans beter een personage als verteller had kunnen opvoeren. Dat had uiteraard Klaus Mann kunnen zijn, waarbij het dan ingewikkeld is dat deze auteur zelf twee autobiografieën heeft geschreven, Kind dieser Zeit (1932) und Der Wendepunkt (1942), die hij zelf als 'in erster Linie als literarische Texte zu lesen'  aanbeval. Maar het had ook zus Erika kunnen zijn, die een diepe band met Klaus had, of zijn legermaat John Tewskbury, de soldaat die Klaus Mann in De naam van mijn vader in 1945 als chauffeur-fotograaf begeleidde op zijn journalistieke missie voor de krant Stars and Stripes.

Afijn, we moeten het doen met die onpersoonlijke verteller, die ons als een soort gids voorgaat in de beschrijving van dit deel van Klaus Manns leven. Want dat blijft het, ondanks de vele dialogen die wat leven moeten brengen. Het sterkste deel vond ik hoofdstuk 12, waarin de verteller Klaus laat ronddwalen door de stad van zijn jeugd en praten met diverse andere personages. Sterk vond ik ook wel het idee om die rit van Rome naar München als rode draad te nemen, waarbij Klaus dan zijn levensverhaal vertelt aan John. Jammer echter dat dit verhaal door die onpersoonlijke verteller die het dan als het ware van Klaus overneemt wat mij betreft te stijfjes wordt, ontdaan van de geur en kleur van leven, en verpieterd door het inlassen van informatie die minder met de beleving door hoofdpersoon Klaus als met ons lezers van doen heeft, alsof de verteller bezorgd is dat hij ons te weinig vertelt.

Dat begint al meteen op de eerste bladzijde. Ik citeer:

Oorlogsverslaggever Klaus Mann, sergeant in dienst van het Amerikaanse leger, pakte zijn rugzak in en verliet het kleine hotel achter het Pantheon. Te voet ging hij naar het redactiekantoor van de Stars and Stripes, de legerkrant waar hij voor werkte, om zijn instructies in ontvangst te nemen. Het was druk op straat. Huisvrouwen droegen verrassend volle boodschappentassen, magere straatverkopers prezen luidkeels hun wat armoedige ogende waren aan, oude mannen zaten op terrasjes wijn te drinken. Aan weinig was te zien dat dit een stad in oorlog was geweest. Vrijwel geen gebouw was beschadigd door bommen of kogels. Het respect voor het historische stadscentrum had de geallieerden tot terughoudendheid bewogen. Klaus passeerde het theater aan de Largo Argentina, gooide een muntstuk naar een blinde bedelaar die met een hond op een kleedje op de stoep zat en ging rechtsaf de smalle winkelstraat in die naar de Campo dei Fiori leidde. Het redactiekantoor van de Stars and Stripes bevond zich op de tweede verdieping van een licht naar voren hellend palazzo aan de zuidkant van het plein, boven een eethuis en een woning met krijsende kinderen en hun nog harder krijsende moeder. Klaus beklom de trappen en ging het kantoor binnen.

Einde eerste, lange alinea.
Ik merk dat de verteller zijn best doet om filmisch te vertellen, zodat we het tafereel voor ons zien. 
Met de beleving van de hoofdpersoon heeft dat weinig te maken, want we mogen aannemen dat die zijn verrassing over volle boodschappentassen en de geringe beschadiging allang heeft gehad en zo'n zin als dat 'het respect voor het historische stadscentrum de geallieerden tot terughoudendheid had bewogen' zou op dit moment zeker niet door hem heen zijn gegaan, al helemaal niet in die formele bewoordingen. Dat het kantoor van zijn krant licht voorover helt, heeft-ie natuurlijk ook allang waargenomen.
Dit is allemaal voor ons, lezers, en dat werkt vooral afstandelijk, alsof we worden meegenomen door een reisgids.

Dat wordt iets levendiger in de dialogen, maar soms zijn die ook erg houterig, zoals deze:

'Echt waar? Klaus Mann, volgens mij ben jij interessanter dan ik had vermoed. je maakt me nu werkelijk nieuwsgierig.'
Klaus glimlachte. 'De komende dagen zijn we tot elkaar veroordeeld, ik denk dat ik meer dan genoeg tijd zal krijgen je het een en ander te vertellen.'

Joh.

Zo valt er helaas veel houterigs te citeren. Nog een (p. 15), en daar laat ik het bij:

'Maar dit kan ik toch werkelijk niet over mijn kant laten gaan.' Fel tikte vader met zijn wijsvinger op de krant die voor hem op het bureau lag. Klaus en Erika zaten tegenover hem in zijn werkkamer in Küsnacht. De ramen boden uitzicht op het dorp onder hen en het nog lager gelegen Meer van Zürich.
'Ik zal me hier in het openbaar en met klem van moeten distantiëren,' zei vader.
Klaus was aangenaam verrast. Al sinds de dag, meer dan drie jaar geleden, waarop zowel hij als Erika Duitsland hadden verlaten om in ballingschap te gaan, Erika in Zwitserland, Klaus in Berlijn en Amsterdam, hadden ze er bij hun vader op aangedrongen zich publiekelijk uit te spreken tegen de nazi's.
Maar de tovenaar, zoals hij in familiekring werd genoemd, had gezwegen. Tot aan dit moment. Want nu, nu ze probeerden Thomas Mann en de geëmigreerde Joodse schrijvers en uitgevers tegen elkaar uit te spelen, was zelfs voor hem de absolute grens van wat hij kon verdragen overschreden.

Het ontbreekt nog maar net aan een tussen haakjes toegevoegde verwijzing naar de roman En ik was zijn held. Ook hier geldt dat er weinig beleving wordt weergegeven. Verder dan dat verrast komen we niet. De rest is informatie voor ons, lezers.

Kortom, al is dit portret niet onverdienstelijk, het pakt me niet bij de kraag, laat me niet tintelen, zet me er niet toe om het in één ruk uit te lezen. Gedegen en onderhoudend, meer lof kan ik niet geven.
 

Kromhout, Rindert. De naam van mijn vader. Leopold, 2020. 252 p., ISBN 978 90 258 8015 6.

maandag 18 januari 2021

Lesje dictatuur voor achtjarigen

En toen was daar opeens weer een verhaal voor kinderen van Joanne (J.K.) Rowling. Het verscheen deel voor deel op internet, ter ondersteuning van kinderen die wegens corona thuis zaten, en er hoorde een tekenwedstrijd bij. 
De Nederlandse uitgever (De Harmonie, in Vlaanderen Elkedag Boeken) pakte dit idee bliksemsnel op, met als resultaat dat er in de Nederlandse vertaling van The Ickabog, niet verrassend De Ickabog getiteld, tekeningen staan van kinderen uit Nederland.

Dit verklaart Rowling over het ontstaan van The Ickabog:

I had the idea for The Ickabog a long time ago and read it to my two younger children chapter by chapter each night while I was working on it. However, when the time came to publish it, I decided to put out a book for adults instead, which is how The Ickabog ended up in the attic. I became busy with other things, and even though I loved the story, over the years I came to think of it as something that was just for my own children.

Then, in the Spring of 2020, lockdown happened. It was very hard on children, in particular, so I brought The Ickabog down from the attic, read it for the first time in years, rewrote bits of it and then decided to publish it online for children stuck at home.  I also thought how wonderful it would be if children on lockdown illustrated the story for me, and so we launched the Ickabog illustration competition, run by my publishers around the world.

Het spijt mij zeer dat ik dit heb gemist. De Ickabog bereikte mij als boek, niet als reeks op internet. Aangezien ik wel bij buren en anderen heb meegekregen dat het verplicht thuis blijven voor ouders en kinderen soms behoorlijk lastig was en is, vind ik het een mooi initiatief van Joanne Rowling.
 
Het lijkt wel een beetje op een met losse hand uit de mouw geschud verhaal, ondanks die herschreven 'bits of it'. Ik zou niet geraden hebben dat deze auteur een zeven delen tellende reeks verhalen heeft geschreven waarvan er zo'n 500 miljoen over de toonbank zijn gegaan en die inmiddels is verfilmd.
 
Hoewel, in De Ickabog zitten genoeg elementen voor een rode-oortjes-verhaal, zo'n verhaal waarvan je absoluut wil weten hoe het afloopt, zeker als je een jaar of acht bent. Dat het hier en daar wel erg dik is aangezet en dat koning Fred wel erg ongeloofwaardig is, zal de meeste jonge lezers waarschijnlijk niet deren, evenmin als het happy end, dat bij menig volwassen (voor)lezer een vrolijk kriebeltje zal opwekken als-ie ontdekt dat de monarchie wordt afgeschaft. 
 
Helaas wordt de koning simpelweg vervangen door een stel raadsheren, dus een lesje in democratie is dit verhaal niet echt. Wel krijgen lezers mee dat bestuurders naar de bestuurden dienen te luisteren, dat een goede regering ervoor zorgt dat mensen zich kunnen ontplooien en uiten, en dat goede bestuurders zich niet verrijken ten koste van de bestuurden. Mensen in het gevang gooien of doden omdat hun meningen bestuurders niet aanstaan, is not done. Er moet een fatsoenlijke rechtspraak zijn.
Dat is mooi meegenomen, vind ik. Want dezer dagen wordt dat steeds minder vanzelfsprekend dan het ooit was. En hoe het mis kan gaan, wordt in dit verhaal lekker dik neergezet, Steenrijk wordt straatarm op de machthebbers na, er verdwijnen mensen, er vallen doden en de gevangenis zit vol.
Over zaken als vertegenwoordiging, inkomensverschillen e.d. wordt niet gerept, als politieke parabel is dit verhaal een tikje te simpel, maar het is wel een vrolijk, zij het wat krom lesje dictatuur voor achtjarigen.
 
Het is dan ook meer een sprookjesachtig verhaal, compleet met monster. Het speelt in een laat-Middeleeuws tot achttiende-eeuws aandoende wereld, in een land dat Steenrijk heet. 
Net als in de Potter-verhalen houdt Rowling ervan personages en landstreken een naam te geven die verband houdt met een karaktertrek, de voornaamste slechteriken van dienst heten baron Ter Sluycks en Van Bulckhoven, en de hardvochtige bazin van het weeshuis Ma Snauw, met haar trouwe hulp en oudste weesjongen Jan Lel. Er is één ironische naam: de labbekak van een koning heet Fred de Flinkerd.
Die vertalingen van Wiebe Buddingh' (ook de vertaler van de Harry Potter-reeks) zijn spitsvondig. King Fred the Fearless (het bangst van iedereen voor de Ickabog), Ma Grunter en haar Bashing John, Lord Spittleworth en lord Flapoon, in het land Cornucopia. En professor Fraudysham werd professor Ootje, heel knap, al vroeg ik me af hoeveel jonge lezers de uitdrukking 'in het ootje nemen' nog kennen.

Het hele land blaakt in voorspoed, behalve de zompige moerassen in het noorden, en daar huist de Ickabog. Pas op, de Ickabog komt je halen, waarschuwen sommige ouders hun kinderen als die niet het gewenste gedrag vertonen. Volwassenen nemen aan dat dit monster niet bestaat, zonder dat zeker te weten.
Het gerucht dat het monster wél bestaat, wordt door de twee barons gebruikt om de macht te grijpen, de koning praktisch op non-actief te stellen, hoge belastingen te heffen, zichzelf te verrijken en iedereen uit de weg te ruimen die dwarsligt.
Hoofdpersoon Roos Rondhout (jaja, dochter van de koninklijke timmerman, Engels Daisy Dovetail) moet ook vluchten, komt terecht in het weeshuis van Ma Snauw, weet daaruit na jaren te ontsnappen met drie bondgenoten, ontdekt de Ickabog, die wel degelijk bestaat en eigenlijk een heel zachtmoedig wezen is dat meer van paddenstoelen dan van kinderen houdt, rukt met de Ickabog op en zo komt er een eind aan de heerschappij van de in tirannen veranderde en altijd al vraatzuchtige en inhalige barons. Koning Fred heeft enorm berouw, wordt (net als de baronnen) gevangen gezet, maar krijgt de nobele taak om een wat ruwe nakomeling van de Ickabog op te voeden.
Wie mijn samenvatting al te beknopt vindt, bezoeke de Engelstalige Wikipedia-site: 'This article's plot summary may be too long or excessively detailed. Please help improve it by removing unnecessary details and making it more concise', meldde de Wiki-redactie daar nog op 15 januari 2021.

Roos was een slimme meid en had altijd geweten dat haar vader ervan overtuigd was dat de Ickabog niet bestond, dus dwong ze zichzelf om te geloven dat hij ergens opgesloten zat in een cel en door de tralies voor het raampje omhoog staarde naar dezelfde maan waar zij ook iedere nacht naar keek, voor ze in slaap viel.
Imme Hornby, 11 jaar, Bergen

De verteller van dienst is een naamloze, alleswetende verteller, die zich vaak direct tot zijn publiek richt: veel afstand van de vertellende moeder die haar jonge kinderen voorlas, zie boven, is er niet.
Die verteller weet echt alles. Over koning Fred, op de eerste pagina van het eerste hoofdstuk:

Koning Fred was stiekem opgelucht toen hij merkte hoe gemakkelijk het was om Steenrijk te regeren. Vrijwel iedereen had meer dan genoeg te eten, de kooplui verdienden zakken vol goud en Freds raadgevers handelden de eventuele probleempjes die zich voordeden voor hem af.

En op de tweede pagina:

Een tijdlang leek het erop dat Fred iets voelde voor freule Eslanda, die net zo donker en mooi was als Fred blond en knap, maar Ter Sluycks wist Fred ervan te overtuigen dat ze een veel te serieuze boekenwurm was en dat het volk nooit van zo'n koningin zou kunnen houden. Fred wist niet dat baron ter Sluycks een wrok koesterde tegen freule Eslanda. Hij had haar ooit zelf ten huwelijk gevraagd, maar ze had hem afgewezen.

De verteller weet dat dus wél.
Ze schroomt ook niet om zich te melden, zoals op p. 23:

Doordat Berta de gewoonte had om taarten die nét niet helemaal perfect gelukt waren mee naar huis te nemen, was Bert een mollig ventje en tot mijn spijt moet ik bekennen dat de andere kinderen hem soms 'Bolle' noemden en hem aan het huilen maakten.

En soms spreekt ze (laat ik er maar een vrouwelijke verteller van maken) haar lezers rechtstreeks aan, zoals op p. 118:

Maar hoe zat het dan, vragen jullie je misschien af, met de andere elf raadsheren die onder Visbeen hadden gediend?

(Herringbone, terzijde.) 
Of zo, bijna als een soort voice-over (p. 118-119):
 
Wat Bert niet wist was dat de komst van die koets heel belangrijke gevolgen zou hebben en hem in een gevaarlijk avontuur zou doen belanden. Daarom zullen we Bert even rustig laten doorlopen, zodat ik jullie kan vertellen over de postkoets.

Of (p. 240):

Daar konden de anderen natuurlijk geen antwoord op geven, maar ik wel. Ik zal jullie nu precies vertellen hoe het werkelijk is gegaan en ik hoop dat jullie niet boos zullen zijn dat ik dat niet eerder heb gedaan.

Het is allemaal van een heerlijke onbekommerdheid, recht tegen de regels die op moderne schrijverscursussen worden onderwezen, en het stoort niet in het minst.
Er zit geen millimeter poëzie in dit verhaal, geen dubbele bodems of diepere betekenissen, wel een voor achtjarigen behoorlijke spanningsboog en zeer bevredigend slot. Het is duidelijk het product van een ongebreidelde fantasie en dat het achtjarige lezers of luisteraars ook nog eens mogelijk aan het denken zet over rechtvaardigheid en bedrog, is mooi meegenomen.
 


Rowling, J.K. De Ickabog. Vert. Wiebe Buddingh'. De Harmonie, 2020. 304 p., ISBN 978 94 6336 117 0.

donderdag 7 januari 2021

Wie de koek krijgt, wie de gard

De onvolprezen Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur (SGKJ, de discutabele tautologie zij hen vergeven) heeft de loffelijke gewoonte haar begunstigers elk nieuwjaar een mooie brochure toe te zenden, te beginnen met Wie zou niet gaarne een koning wezen van John Landwehr in 2002 en Suja, suze, eia & nane van Jant van der Weg en Toin Duijx in 2003 tot Aan de zijlijn... drie Friese kinderboekenschrijfsters uit de negentiende en twintigste eeuw van Jant van der Weg in 2020 en nu, aanvang 2021, Wie de koek krijgt, wie de gard, beloning en straf in sinterklaaslectuur voor de jeugd van Frits Booy, dé sinterklaas-expert in ons taalgebied.

Frits Booy heeft drie eigenschappen die hem geschikt maken om zo'n brochure te schrijven: een heldere, precieze stijl, beknopt en onderkoeld; nauwkeurigheid aangaande zijn bronnen; en een enorme belezenheid in dit onderwerp. Het was een genoegen om deze brochure te lezen.
Bijzonder om te weten te komen dat de gard weliswaar al eeuwenlang in de schoen van stoute kinderen verschijnt, maar dat er vooral in de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw uitbundig werd gestraft. Na de Tweede Wereldoorlog neem dat af, de straf verdwijnt vrijwel uit de sintverhalen. Een soort geschiedenis van de pedagogie in mini-formaat.

Booy begint zijn brochure dan ook zo:

Het is algemeen bekend dat in de opvoeding van de jeugd beloning en straf al eeuwenlang zeer belangrijke aspecten zijn. Daarmee hoopten (en hopen) ouders en andere opvoeders de kneedbare jeugd tot oppassende volwassenen te vormen. Dat dat niet altijd lukt, is ook al lang gebleken. Niettemin zijn beloning en straf tot de opvoeding blijven behoren, omdat deze aanpak volgens velen meer voor- dan nadelen heeft.

Geen speld tussen te krijgen, lijkt me. Hij vervolgt:

Uit de geschiedenis van het sinterklaasfeest voor de jeugd blijkt dat beloning en straf eeuwenlang nadrukkelijk tot dit feest hebben behoord en in teksten en op afbeeldingen in  boeken en op centsprenten voor de jeugd zijn vastgelegd. Sinterklaas en later ook zijn donkere bediende(n) werden dus gebruikt als 'opvoedmiddel', al kwamen daar na circa 1750 in bepaalde kringen bezwaren tegen.

Die bepaalde kringen zijn kennelijk klein in getal, want zoals vermeld neemt bij auteurs de lust tot straffen juist toe. Booy laat dat vroege verzet verder onbesproken.

Jan Steen - Het Sint-Nicolaasfeest (rond 1666)

De eerste 'straf' mag dan vanouds het ontvangen van een gard zijn, het in de zak van Sinterklaas meegenomen worden is goede tweede. Die zak werd zelden gedragen door Sinterklaas, daarvoor had hij zijn knecht. De naam Zwarte Piet dateert pas uit de tweede helft 19e eeuw - en zal vermoedelijk in de 21e eeuw langzaam verdwijnen, ondanks verzet van een steeds kleiner wordende minderheid in min of meer dezelfde hoek als de klimaatverandering- en corona-ontkenners en andere onzekere zielen die zich vastklampen aan wat zij als vaste, zo niet eeuwige waarden beschouwen.
Frits Booy doet hierover geen uitspraak en gelijk heeft-ie. Wel bieden deze en voorgaande publicaties van zijn hand uitzicht op een traditie waarin het verschijnen van de 'donkere bediende' een relatief recent verschijnsel is, opvolger van de Bullebak en andere 'kinderschrikken', die dan toch wel mooi de gedaante van een 'Moorse page' heeft aangenomen, tot verdriet van donkerhuidige landgenoten.



Booy, Frits. Wie de koek krijgt, wie de gard, beloning en straf in sinterklaaslectuur voor de jeugd. Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur, 2021. Reeks 'De Waare Rijkdom', nr. 20.


woensdag 6 januari 2021

Dikke vriendjes

Of de twee auteurs van dit lieve prentenboek op de hoofdpersonen lijken durf ik niet te zeggen, maar eensgezind is het echtpaar Schubert altijd geweest, het heeft in artistiek opzicht een indrukwekkende staat van dienst, vanaf Er ligt een krokodil onder mijn bed! (1980) tot het in 2020 verschenen Dikke vriendjes durven alles. Hoewel er wel ontwikkeling in zit, valt de continuïteit in stijl op.
 

De dikke vriendjes gaan met zijn tweeën op stap, want 'samen durven we alles'.
Samen blijken ze ook behendig in het tot overzichtelijke proporties terugbrengen van obstakels, tot er 'iets ritselt' en ze zich 'verstoppen', zoals kleine kinderen dat kunnen doen.
 

 
Het blijkt papa te zijn en die neemt de twee op zijn rug mee naar huis.
 
Een lief, klein verhaal, fijn om voor te lezen. Het springt niet uit de band, is niet heel bijzonder, maar wel vakkundig gemaakt. Vakmanschap is meesterschap.
 
Waar ik vergeefs naar heb gezocht is welk model hamster of marmot de Schuberts als voorbeeld hebben genomen voor de hoofdpersoontjes. Mogelijk de Korenwolf, maar dan hebben ze toch iets aan de kleuren verschoven.
 

Schubert, Ingrid en Dieter. Dikke vriendjes durven alles. Leopold, 2020. ISBN 978 90 258 8058 3, 26 p.

zondag 3 januari 2021

Jenny Smelik-IBBY prijs toegekend

Als vervolg op mijn bericht van 2 november over de shortlist van de Jenny Smelik-IBBY prijs nog even melden dat de prijs werd toegekend aan Julian is een zeemeermin (Randazzo, oorspr.: Julián is a mermaid) van de Amerikaanse auteur Jessica Love, vertaald door Loes Randazzo.
Een heel bijzonder prentenboek, overigens. Maar ik heb het niet in huis, voor een bespreking verwijs ik naar Jaap Friso, wiens Jaapleest de laatste jaren is uitgegroeid tot een naslagwebsite van formaat, compleet met 'de beste 25 kinderboeken van 2020 volgens Jaapleest'. 
Dit prentenboek van Jessica Love zit er niet bij.