Zoeken in deze blog

dinsdag 22 september 2020

Och, als ze nou eens een boek lazen...

Het was bijna aan me voorbijgegaan, maar dat ligt geheel aan mij, want ik heb de laatste tijd geen boekwinkel aangedaan. O.a. wegens het verzoek van onze regering om gepaste afstand te houden tot mijn niet tot mijn huishouden horende medemens.

Anders had ik me natuurlijk verbaasd over de rijen vóór en drommen jongeren tussen de boekentafels. Want het is in Nederland 'Boekenweek voor jongeren' (18-27 september) en die jongeren komen natuurlijk allemaal af op 3PAK


 

3PAK is een geschenkbundel met korte verhalen van 'vier topauteurs' (Danielle Bakhuis, Johan Fretz en Pepijn Laanen & Floor van het Nederend), tijdens deze week gratis verkrijgbaar bij boekhandels en bibliotheken, en ongetwijfeld tot hun grote vreugde krijgen leerlingen in het voortgezet onderwijs 3PAK zomaar cadeau van hun docent Nederlands.
 
Nu maken de mensen achter de Boekenweek niet duidelijk wie zij onder jongeren verstaan. Ik vermoed mensen van 12 tot 28 jaar, zoiets. Al wel geslachtsrijp maar nog niet begonnen aan een loopbaan en/of gezin. Zoiets.
Daarentegen wordt het 'Beste Boek voor Jongeren (met shortlist) ieder jaar uitgereikt om de aandacht te vestigen op goede en leuke boeken, geschikt voor jongeren van 15 t/m 18 jaar'. Dat is de echte tussen-servet-en-tafellaken-groep (kènt u deze uitdrukking nog, dames en heren?), ruimschoots geslachtsrijp maar formeel nog niet volwassen.

Het boek Nicolas en de verdwijning van de wereld (De Arbeiderspers) geschreven door Anne Eekhout is verkozen tot het Beste Boek voor Jongeren 2020 in de categorie ‘Nederlandstalig’. In de categorie ‘Vertaald’ ging deze prijs naar Darius de Grote is niet oké (Gottmer), geschreven door Adib Khorram in de vertaling van Tjalling Bos. Een vijfkoppige jury van jongeren koos deze boeken als winnaars nadat een voorselectie van vijf boeken per categorie was samengesteld door een vakjury. De bekendmaking vond plaats bij jongerenzender NPO 3FM, door dj’s Frank van der Lende en Eva Koreman. De winnaars ontvangen elk een cheque ter waarde van 2500 euro.

Het valt me op dat de organisatoren denken dat NPO 3FM een 'jongerenzender' is en dat het niet aan de jongerenjury is overgelaten om een keuze te maken uit het aanbod. De 'vakjury' (juryvoorzitter Marjolein Hordijk, projectmedewerker Educatie Voortgezet Onderwijs bij Bibliotheek Gelderland Zuid; Nelleke Groot, boekhandelaar bij Paagman; John Schrijnemakers, recensent; Paulien Sigmans, docent op het Pax Christi College in Druten en educatief auteur o.a. bij Malmberg; en Janneke van der Veer (schrijfster en literatuurwetenschapper).) stelde de shortlist samen, de jongerenjury (Lotte Groot Wesseldijk, voorzitter, Bruno Beeke,  Roos Breukel, Jeanine de Groot en Yente Zomerplaag) las deze tien titels. Konden ze niet meer aan?

Uit diverse metingen blijkt dat 'jongeren' steeds minder lezen. Zo'n boekenweek is dus een moedige poging om ze aan het lezen te krijgen. Charlotte Remarque (22 jaar) legde in de Volkskrant 19-9-2020 uit 'Waarom jongeren minder lezen (en niet omdat ze er te lui voor zijn)'.
Ze somt diverse mogelijke oorzaken op. 
Een citaat:

Daar zit het euvel. Mijn generatie is gefixeerd op het optimaliseren van tijd. Productiviteit, of op zijn minst het streven naar productiviteit, is deze cv-oppoetsende, stagelopende burn-outgeneratie eigen. Waar die mentaliteit vandaan komt, daarover kun je boeken vol speculeren. Bindend studieadvies, de wedloop die de freelancewereld met zich meebrengt, een onverbiddelijke arbeids- en woningmarkt, of toch gewoon weer smartphoneschermpjes. De druk is hoog om iedere minuut nuttig in te vullen.

De gamification die we kennen van stappentellers en productiviteitsapps is ook richting het lezen gewoekerd. Op een e-reader staat onderin hoelang het nog duurt tot je het boek uit hebt, als een routebeschrijving. ‘Tijd tot einde hoofdstuk: 12 minuten. Tijd tot einde boek: 4 uur en 28 minuten.’ Het instinct om te winnen neemt je over en je gaat jakkeren – van die 4 uur en 28 minuten kunnen we wel wat afschaven! Advertenties voor luisterboek-apps spelen in op de schaarste van tijd: luister een hoofdstuk terwijl je strijkt, forenst of hardloopt. Vergeet niet de reclames voor speed reading-cursussen die je overal tegenkomt. 70 woorden per minuut? Daar kunnen we 120 van maken.

Het lezen moet niet alleen snel, het boek zelf moet ook optimaal zijn. Aan de bestsellerlijsten kun je aflezen wat de jonge, slimme lezer nog trekt: Yuval Harari, Rutger Bregman. Aan de ene kant sterft boekensnobisme uit en aan de andere kant vinden we het belangrijk om geïnformeerd over te komen. De zucht naar het informatiefste boek dempt logischerwijs de interesse in fictie, waarvan de toegevoegde waarde niet onmiddellijk helder is. We willen niet stukje bij beetje mens worden, we willen de geschiedenis van de mensheid in één keer kunnen kopen.


Schrijven kan ze, onze Charlotte, net als moeder Sylvia Witteman en vader Philip Remarque. De voorkeur voor non-fictie herken ik bij mijn eigen (inmiddels) hoog opgeleide zoon (28). Die overigens waarachtig nu meer leest dan tien jaar geleden.

Vooruit, nog een citaat:

Deze houding tegenover leven en lezen – dat er een optimale, efficiënte manier is om het te doen – roeit veel meer uit dan alleen fictie. Het maakt van ieder boek een moetje, een kans om jezelf te verbeteren en om het meeste uit je tijd te halen. Kunst om de kunst delft het onderspit wanneer optimalisatie het hoogste doel is. Terwijl er uit lezen zo veel plezier te halen is. Ergens denk ik dat we ons dat nog kunnen herinneren. Maar dan moeten we wel eerst berusten in het idee dat niet iedere seconde telt.




 


maandag 14 september 2020

Zucht

Zucht. Niet alleen dat ene virus woedt almaar door, in het kielzog ook dat andere. Alternatieve waarheden. Complotten.

Twee en twee is niet alleen vier of 22. Appels mogen doorgaans min of meer rond zijn, de aarde wordt weer plat, platter dan plat. Ze zeggen dat...

Het leven is een complot, ze zijn er op uit dat je sterft. Iedereen, ja. We zijn allemaal de pineut.

Was ons niet verteld dat alles goed zou gaan? Dat we recht hebben op een fijne tijd, op geluk? En nu komen ze met die ziekte, met stikstof en andere vuiligheid, met ontslagen, de aarde warmt op zeggen ze en het was al zo heet.

''t Is toch niet wáár!!' 'Néé toch...!' Gister las ik op Facebook...

En wat doet de regering? De regering doet...

Wel fijn om just nu De begraafplaats van Praag (Il cimitero di Praga) te lezen, van Umberto Eco. Dat verhaal staat bol van de complotten en fantastische ideeën en genootschappen. Qanon a la negentiende eeuw.

Ilja Pfeiffer had gelijk: hoop is het enige dat ons van totaal cynisme afhoudt.


zondag 26 juli 2020

De Verlichten

De wereld, heb ik ontdekt, wordt in het geheim geregeerd door een geheimzinnig dus onbekend genootschap.
Toen ik ervan hoorde, klotsten hun namen me door de oren: Daamde, De Gankelaar, Finnis, Fléau, Keska, Moraatz, Neutebeum, Nittikson, Steijd, Steinhacker, Tekalopte, Wigchel, Ypsilinti... Niemand kent ze, ziet ze samen, maar iedereen weet dat ze een band hebben. Ze vertonen zich nauwelijks, baden in weelde, en de hele wereld danst naar hun pijpen. Nee, de heer Mulisch zit er niet bij, sorry, dat kwam door dat pijpen. Ach, het zouden ook anderen kunnen zijn. De naam Soros wordt ook genoemd. Maar áchter die anderen... Wij denken dat we door onze regeringen geregeerd worden, maar wij zijn te argeloos, begrijp ik.

Met rode oortjes las ik op 2 juli in de Volkskrant over 'de mensen achter het 5G-protest'. En wat aanpalende, informatieve artikelen. Zojuist nog zoiets uit 2018 gevonden, in NRC 14 september 2018, 'Wat leeft er in de wereld van Nederlandse complottheorieën?'.

Arme, eenvoudige ziel die ik ben, ternauwernood op Facebook, amper op Twitter, niet op Instagram, geen Telegram-account, bubbelloos. Ik slaap, want ik heb nog geen weet van Qanon, van vaccins die microchips bevatten waar Bill Gates achter zit, van zendmasten die ons betoveren, van de straling door 5G die ons zoiek zou maken ook al is 5G nog helemaal niet in werking. Ik lees en hoor wel eens wat, maar ik hoor er niet bij.

Kan daarom een spandoek niet bevatten dat ik 22 juli aantrof in de buurt van een protestdemonstratie door boeren in De Bilt. Dit:


De naam Demmink kon ik nog wel thuisbrengen, dat was een troebele kwestie over al dan niet vermeend seksueel misbruik en er is op internet van alles over te vinden, als ik de naam intik krijg ik meteen de zoeksuggestie doofpot erbij. Maar wat het echtpaar Gates daar nou mee te maken heeft...? En waarom een logo van schoolboekhandel Van Dijk moet dienen om daarop de naam Soros te schrijven...? En waarom ik dat spandoek vond opgehangen aan het hek van een voormalige kwekerij en niet in de demonstratie?

De complot-experts weten er vast alles van. Hier zitten Daamde c.s. achter, die hielden Demmink de hand boven het hoofd vanwege banden met Soros en Gates, die wellicht ook met hun vingers aan die jongetjes zaten. Kennelijk is er zelfs een verband tussen Demmink en het Farmers Defense Front, of breng ik nu een verband aan louter door de gelijktijdigheid en nabijheid van demonstratie en spandoek?

Mij eenvoudige ziel, onwetend van het wereldcomplot, laten ze niet delen in het geheim. Of ik laat me niet delen, dat zou ook kunnen.
 
NB. Ook uit NRC 14-9, maar dan 2020: 'QAnon springt van web over op de echte wereld'.

zaterdag 25 juli 2020

Schrijven kan bijna iedereen

maar dat houdt niet per se in dat het resultaat ook gewaardeerd wordt.

Hanneke Groenteman is een succesvolle radio- en tv-journalist, met een lange staat van dienst.
En niet te beroerd om iets nieuws te proberen: in juli 2020 debuteerde ze met een tienerroman, De Battle.

Het vertellen van het verhaal liet ze over aan de twee hoofdpersonen, Hanna en Yara, beiden meisjes van een jaar of vijftien. Ze houden beiden een dagboek bij en het boek bestaat dus uit fragmenten uit die dagboeken, aangevuld met stukjes app-berichten, maar dan wel zo dat het eerder lijkt alsof ze permanent een radioverslag leveren en om beurten de microfoon pakken.
Ze gaf hen de stijl mee die ze passend vond bij zulke meisjes, dus het is super, mega, giga, cool, vet en chill, supertof, zelfs superduper, vooral bij Hanna (maar de laatste twee supertjes zijn van Yara). Dat Yara nog moeite zou hebben met Nederlands, zoals ze op p. 15 (vrijdag 6 september) schrijft, daarvan is helemaal niets te merken, hooguit gebruikt ze iets meer Engelse woorden dan Yara, maar ik heb niet geteld, misschien klopt dat idee niet.
Dat is de bekende stijlbreuk in bijna alle verhalen voor kinderen en jongeren met een hoofdpersoon als verteller (behalve de beste): die verteller is doorgaans veel taalvaardiger dan hij of zij eigenlijk zou moeten zijn.
Lezende tieners (heerlijk hè, zo'n ouderwets woord) trekken zich er vermoedelijk doorgaans weinig van aan, maar ik vind het lastig: de meisjes wordt een dertien-in-een-dozijn-stijl in de pen gelegd, vol memes dan wel topoi, hapklare brokjes tekst die in ontelbare uitingen van vijftienjarigen voorkomen, en al snel merkte ik dat ik me begon te vervelen. Er zit geen pit in die teksten, nergens eens een formulering waarvan ik opkeek.

Aangezien het verhaal strikt chronologisch wordt verteld, is het ook een soort stijlbreuk dat het begint met stukjes dagboek van zaterdag 12 oktober. Daarin wordt Yara betrapt als ze een jurkje tracht te jatten. Ernstige gevolgen heeft dat echter niet, zo blijkt. Wat zouteloos dus, zo'n lokkertje. Zeker gedaan op aanraden van een uitgeverijredacteur?
Het verhaal verloopt van vrijdag 6 september tot en met vrijdag 20 december. Dat komt overeen met de kalender van 2019. En die van 2013, 2008 en 2002 enz. Aangezien Yara (met moeder en zus) in Nederland terechtgekomen is als vluchteling voor de Syrische burgeroorlog (2011-heden), lijkt me aannemelijk dat het verhaal zich in 2019 afspeelt. Overigens is ze van Palestijnse afkomt, maar ze woonden in Aleppo. Haar vader is met zijn gebrekkige moeder achtergebleven in Saoudi-Arabië, hun eerste vluchtbestemming.
Ik meld dit om te tonen dat er in dit verhaal over groeiende vriendschap tussen twee meisjes een extra thema zit. En nóg een, want Hanna's ouders gaan uit elkaar. En nóg een, want Hanna's oma takelt langzaam maar zeker af. En nóg een, want Hanna hoort bij een vast vriendinnengroepje (de Chicks), dat eerst wat argwanend is jegens Yara, wat kan komen doordat Yara (dat meldt ze zelf en idem Hanna), de eerste weken op haar nieuwe school heel weinig zegt. Want haar Nederlands... zie boven. Bij de klassefoto vergeet de hele klas haar zelfs.
De titel slaat op een project dat Hanna en Yara samen voor school uitvoeren, over twee filmsterren, dat ze uitvoeren als een soort wedstrijdje pardon battle: de een presenteert Audrey Hepburn, de ander Marilyn Monroe.

Het is goed bedoeld, dit verhaal met een happy end (*). Wie weet maakt het lezers in de beoogde groep iets bewuster van wat vluchtelingen ervaren. Maar het is geen hoogtepunt van woordkunst, daarvoor is het veel te doorsnee. Dit had beter gekund.



Hanneke Groenteman. De Batttle, hoe een schoolproject hun levens veranderde. Kluitman, 2020. ISBN 978 90 206 2485 4, 128 p.

* Sinds ik de Maddaddam-trilogie van Margaret Atwood heb uitgelezen kan ik het woord happy nauwelijks meer gebruiken zonder te denken aan Happycuppa en andere kreten uit dat verhaal... Dát is nog eens schrijven!




donderdag 23 juli 2020

Citaat tegen cynisme

Violiste Lisa Batiashvili in NRC 23-7-2020, onder de kop 'Waarom jaagt schoonheid ons angst aan?', opgetekend door journalist Joost Galema:

Geboren Europeanen beseffen vaak niet wat de harde realiteit elders is. Ik zie zo veel onnodige kritiek en negativiteit. Europa zou voor de rest van de wereld een voorbeeld kunnen – ja, moeten – zijn met alles wat het heeft bereikt na de Tweede Wereldoorlog, na de beproevingen van de twintigste eeuw. Want altijd was er die bijzondere ziel, zelfs te midden van tumult en conflicten.
Momenteel lijken mensen te denken dat de EU alleen draait om macht en geld. Maar dat is niet het wezen van de Europese ziel, die overstijgt dat politieke steekspel. Daar moeten we weer in leren geloven.

'Begin jaren negentig, op haar elfde, ontvluchtte Batiashvili met haar ouders de dreigende burgeroorlog in Georgië. Het gezin streek neer in Duitsland. Het was alsof ze op een andere planeet landde, zegt Batiashvili. Van dictatuur en chaos naar democratie en Pünktlichkeit. Als beroemd violist bereist ze nu de hele wereld. Ze is overal en nergens thuis.'

Ik help haar graag mee geloven. Zo'n citaat is goed tegen het cynisme dat me al te vaak overvalt. Net als het toespraakje dat ze hield voorafgaand aan het Prinsengrachtconcert 2014, Erbarme dich.
Na dat concert, schrijft, Joost Galema, 'moest Batiashvili enkeleweken later in Rotterdam optreden met dirigent Valery Gergiev, een Poetin-aanhanger die openlijk zijn steun betuigde aan de Russische inval op de Oekraïense Krim. De violist bedwong de aanvechting af te zeggen. In plaats daarvan bestelde ze een solotoegift bij de Georgische componist Igor Loboda, met de veelzeggende titel Requiem voor Oekraïne. Zonder er enige woorden vuil aan te maken, zette ze schoonheid en mededogen tegenover bruut geweld, en liet er intussen geen misverstand over bestaan hoe ze over Gergiev dacht.'

Die kop, overigens, kwam uit het volgende citaat:

'Op haar nieuwe album City Lights brengt ze een eerbetoon aan de wereldsteden die ze gedurende haar loopbaan leerde kennen. Het blijkt eveneens een ode aan de verwondering, die misschien wel het beste wordt verwoord in een popsong van landgenote Katie Melua. Zij beschrijft, als een chroniqueur van het kleine, de natuur, de mensen en de seizoenen in een Londens park en stelt na elk couplet vast: "There’s no better magic than this."
Het zijn bitterzoete herinneringen aan wat voorbijgaat. Batiashvili:

Maar nostalgie is niet noodzakelijkerwijs een verdriet. Ik laat iets van mezelf achter op deze plekken, en die plekken laten iets van zichzelf achter in mij. Zodoende ontstaat er een emotionele band met steden, met mensen en met melodieën, met momenten waarop ik me gelukkig voelde. Ik proef tegenwoordig in de maatschappij een tendens om de lelijkheid van het bestaan te benadrukken. Wat is het punt daarvan? Wat brengt het ons? Waarom jaagt schoonheid ons angst aan?


.

woensdag 22 juli 2020

'Blanke manke slaaf molt achterlijke roodhuid'

Wát een taal, foei!
Dat had natuurlijk anders gemoeten: witte tot slaaf gemaakte met een lichamelijke uitdaging doodt Native American met een geestelijke uitdaging.

Het zij zo. Al bekt het niet en slaat het nergens op.

Ten eerste. Je moet er maar net zin in hebben je lichamelijke gebrek doorlopend als een 'uitdaging' te zien. Het lijkt soms eerder een uitdaging voor mensen met minder gebreken om met duidelijker waarneembare gebreken van anderen om te gaan. Niemand is volmaakt.
Mensen wier geest niet helemaal toereikend is om zich in onze ingewikkelde samenleving zelfstandig te bewegen, zijn doorgaans niet eens in staat om zulks als een uitdaging te beleven. Zulke mensen hebben er vaak wel iets aan als anderen, wier geest ietsje beter werkt, het als een uitdaging zien om hen bij te staan.
Mensen die neerkijken op andermans gebreken, hebben een gebrekkig werkende geest.
We hoeven echter geen andere, verhullende of verzoetende, woorden uit te vinden voor mank, kreupel, misvormd, scheel of wat voor mismaaktheid dan ook. Volmaaktheid hoeft niet ontkend te worden als wensdroom, wel als vereiste.
'Mensen met een beperking' is niet beter: iederéén heeft beperkingen. Niemand is volmaakt.

Ten tweede. Tenzij je vader en moeder slaaf waren word je nooit als slaaf geboren en zijn slaven dus per definitie tot slaaf gemaakt, wat inhoudt dat slaaf en tot-slaaf-gemaakte hetzelfde betekenen behalve dat het tweede benadrukt dat de slaaf ooit vrij was.
De vrijheid van vrije mensen is overigens tamelijk beperkt, zoals we weten. Zullen we dat dan permanent veranderen in zich-vrij-noemenden of zich-vrij-wanenden? En zou de term lijfeigenen dan ook moeten worden veranderd in tot-lijfeigene-gemaakten? Hoe zouden onze geschiedenisboekjes moeten worden geschreven, als je deze in formules gestolde verongelijktheid tot in details wil doortrekken?
Dezer dagen lees ik de Maddaddam-trilogie van Margaret Atwood (ja, die van het zo succesvol verfilmde The Handmaid's Tale, ruim vijftien jaar voor deze trilogie geschreven), een aanrader ook als het om dit onderwerp gaat, de wereld van pleeblands en compounds staat bol van de eufemistische slogans, die steeds cynischer worden naarmate die wereld ineenstort.

Ten derde. Wit of blank, ach, waarom doen we daar moeilijk over, in het Engels heet het white en in het Frans blanc. Dat laatste hebben wij Nederlandstaligen toevallig overgenomen naast ons woord wit als kleuraanduiding. Als je zo precies wil zijn zouden wij blanken (ja, ik ben blank, het is niet anders) ons eigenlijk wij roze moeten noemen, alleen heeft roze geen meervoud. White racist pigs, las ik onlangs op een poster (KAdE, Amersfoort, tentoonstelling Afro-Amerikaanse kunst). Varkens zijn roze... (voor ze een modderbad nemen). Eigenlijk zijn er alleen mensen met de kleur van melk, melk met een scheut koffie, café-au-lait, koffie met een klein scheutje melk en pure koffie.
We hebben wel de pech dat het woord blanke ook in het Afrikaans terecht is gekomen, zodat je in Zuid-Afrika vanaf de negentiende eeuw tot nog veel te recent overal het omineuze opschrift slegs vir blankes aantrof.

Er zijn al vele stukken gewijd aan de zin en onzin, en het ongemak, van wat doorgaans politiek-correct taalgebruik wordt genoemd en wat we ook verhullend, verzoetend of corrigerend taalgebruik zouden kunnen noemen.
Medio juli kwam ik een stuk tegen over connotaties van zwart met slecht en blank of wit met goed, en of dat niet anders kon. (Ben vergeten welke krant en had geen zin de papierbak om te keren.)
De auteur koppelde dat aan de geschiedenis van de laatste eeuwen en de dominantie van de blanke, Europese blik op de wereld.

Tja.

Ik vermoed dat de tegenstelling tussen licht en donker al zo oud is als de mensen, ongeacht hun huidskleur. De eerste exemplaren homo sapiens hadden trouwens vermoedelijk allen ongeveer dezelfde huiskleur, de differentiatie kwam later.
Licht - dag - zon - warmte - leven. Donker - nacht - maan - kou - dood.
Natuurlijk, je kan spelen met dit soort associatiereeksjes.
Licht - dag - zon - hitte - droogte - dood. (Beeld: skelet in de woestijn.)
Donker - nacht - maan - vuurtje - samen - leven. (Beeld: groepje mensen rond een vuurtje.)
Maar ik vermoed dat de eerste homo sapiens 's nachts bij elkaar bescherming zochten tegen kou en onraad en de dageraad, dus het licht, iedere keer weer met blijheid hebben begroet. Zelfs als het een beetje regende.
Zonder licht tast je in het duister. Dat geldt rond de evenaar evenzeer als in koude streken. En het geldt voor mensen met een donkere huidskleur evenzo als voor mensen met een lichte huidskleur.
De associatie van licht met heil en duister met onheil ligt daardoor wereldwijd voor de hand. Licht aan de horizon...

Mensen met een donkere huidskleur hebben onder elkaar voor zover ik weet geen last van associaties van hun huidskleur met duisternis en onheil.
Integendeel: wit kan een ziekelijke of bijzondere afwijking zijn: er lopen heel wat albino's rond in sommige streken en met name in Oostelijk Afrika worden die soms als behekst beschouwd en zijn ze hun leven niet zeker.

En toen kwamen er, na de handelaars uit het Midden-Oosten en India, mensen met een lichtere huidskleur. Met grote zeilschepen, geweren en een nieuwe God. Eerst alleen om handel te drijven in spullen en voedingswaren, later breidden ze die handel uit tot mensen, slaven die bereidwillig en profijtelijk werden geleverd door donkerhuidige slavenhandelaars, en voor het gemak en gewin namen ze in Gods naam ook maar het land in beslag, soms na bloedige oorlogen.
Dat laatste hadden ze ook al elders gedaan, maar de overlevende 'roodhuiden' (ai, ook alweer zo'n door 'blanken' uitgevonden verfoeid woord, de Redskins in Washington D.C. gaan hun naam al veranderen, las ik op 19 juli) bleken slecht bestand tegen nieuwe ziektes en slavenarbeid én ze verzetten zich teveel en dus zat er handel in het verschepen van mensen van het ene continent naar het andere. Ze werden in pakweg Fort Elmina gekocht, met zovelen als mogelijk in de schepen gestouwd en pakweg in Charleston verkocht. (Zie over handel en slavernij in Charleston o.a. het lezenswaardige Leon en Juliette van Annejet van der Zijl.) Dat een aanzienlijk deel van de handelswaar de reis niet overleefde was kennelijk geen punt, de handel bracht winst op.

De lichthuiden beschouwden de donkerhuiden doorgaans als een minderwaardig soort mens. Dat strookt met de menselijke neiging om alles wat afwijkt van hun standaard als een eh, afwijking te beschouwen.
Die neiging is niet beperkt tot lichthuiden en de afwijkingen betreffen niet alleen huidskleur. Een open, nieuwsgierige houding jegens afwijkingen is slechts weinigen gegeven, verkettering, uitbuiting, uitsluiting en kleinering zijn de meest gangbare gedragingen.
Dat heeft tragische, wrede en bloedige taferelen opgeleverd, waarvan de grootscheepse slavenhandel er een is, de behandeling van slaven in de Amerikaanse katoenteelt een andere en de vernietigingskampen van het Dritte Reich een derde. Maar laten we bijvoorbeeld ook denken aan het lot van de 'troostmeisjes', van de Indiase contractarbeiders in Dubai of van de Khoikhoi in zuidelijk Afrika, eerst onder de voet gelopen door binnentrekkende Bantoe's, daarna door Europeanen. Of aan de heksenjachten in middeleeuws Europa. Die laatste vier voorbeelden hebben minder stof doen opwaaien in Europese en Amerikaanse literatuur, maar dat maakte zulke taferelen niet minder tragisch.

Bijna overal waar lichthuiden heersten over donkerhuiden ging het mis, en nu ook nog, want machthebbers zijn niet alleen vaak lichthuiden maar doorgaans ook behoudende dikhuiden met een kien oog voor eigen positie, overigens net als legio machthebbende donkerhuiden (Idi Amin was er een berucht voorbeeld van). En dan hebben we ook nog de rabiate gelovigen, zij die bereid zijn te vuur en te zwaard hun visie aan anderen op te leggen. Geweldloosheid is een schaars verschijnsel.

Hoe het zal aflopen? Niet erg goed, vrees ik, ondanks de inspanningen van goedwillende mensen. Las een citaat van Vaclav Havel (uit Verhoor op Afstand, p. 150, met dank aan SGTRS):

Is het dan niet zo, dat al deze kleine signalen wijzen op de groei van een intense innerlijke hoop, een hoop die niet op prognoses aangewezen is en die van begin af aan het uitgangspunt van deze ongelijke strijd is geweest? Zouden al deze kleine tekenen van hoop ‘buiten’ nog wel bestaan als ‘binnen’ niet de diepe hoop gloeide zonder welke men niet waardig en zinvol kan leven, en zonder welke men nog minder keer op keer aan de ‘uitzichtloze onderneming’ kan beginnen waarmee alle goede dingen gewoonlijk een aanvang nemen?

Hoop is niet streven naar verbetering, maar het juiste doen ongeacht de uitkomst. Een kwestie van geweten, meer dan van berekening. Ik vind het een wijs inzicht.

En laten we ophouden met eufemismen creëren met het idee dat het ons ook maar iets dichter bij een volmaakte wereld brengt. Wat niet wegneemt dat neerbuigend bedoelde woorden ons al helemaal niet dichter bij volmaaktheid brengen.
Sommige zeer verongelijkte mensen willen dat ook niet, geloof ik. Waardoor zou gutmensch anders een scheldwoord zijn geworden? Afijn, dat is voor een andere keer.

Ik ben toe aan de laatste hoofdstukken van Maddaddam. Ik verheug me er nu al op, maar ik denk niet dat het goed afloopt.







woensdag 8 juli 2020

Dolende Lode


Er was eens een kapitein die de duivel te hulp vroeg om zijn doel te bereiken. Voor straf moest hij eeuwig dolen met zijn schip. Zijn matrozen veranderden in dode zielen, maar bleven werken.
Heel soms zette hij een sloep uit naar een passerend schip. Als ze daar aan boord door kregen met wie ze te maken hadden, gingen ze er vandoor.

Dit oude zeemansverhaal (bekendste variant 'De Vliegende Hollander') heeft wellicht Marco Kunst voor de geest gehad toen hij begon aan Het verlangen van de prins.
Maar er zou ook een oud verhaal uit Java zijn, in de roman geciteerd door personage Arika Walyu, over een prinsje dat al veel te veel had en alles kreeg waar hij om vroeg en ook waar hij niet om vroeg, dat verlangde naar een schip: 'De prins en het schip van geluk'. Geen bron gevonden, dus allerhoogstwaarschijnlijk komt dit sage-achtige verhaal in een verhaal uit de koker van Marco Kunst.

Er klopt iets niet in dat verhaal. Dat schip zeilt op zeker moment de baai in en het was zo mooi dat

de prins werd overspoeld door een nog veel groter geluk dan anders. Geluk, maar ook verlangen: de prins wilde daarbij zijn! Daar! Aan boord van dat schip!

Maar het schip wordt aan flarden geschoten op bevel van zijn vader.
Waarom?
Dat vertelt Walya niet.
Vanaf dat moment wordt de prins verteerd door verlangen - en woede.

Het was alsof hij verjaagd was uit het paradijs. Hij voelde zich leeg, alsof iets heel belangrijks in zijn leven ontbrak. Maar hij begreep niet wat...
Zo bleef het verlangen van de prins groeien tot het hem helemaal beheerste. Het veranderde in iets monsterlijks.
[...]
Zo groeide de woede van de prins uit tot een duistere kracht die de wereld niet eerder gekend had, een vernietigende kracht die tot op heden rondzwerft over zee.

Aldus Arika Walyu in een brief aan Lode en ze schrijft erbij:

Zo eindigde het verhaal in het boek, Lode, maar jij en ik en iedereen aan boord weten dat dit alleen maar het begin van het verhaal was. Een oud verhaal dat nu hopelijk bijna ten einde loopt.

Een kort verhaal in een langer verhaal, waarbij het korte overloopt in het lange, zoiets. Die duistere kracht, de Woede noemen de schepelingen hem, heeft de trekjes van een djinn, een geest die zich in alles en nog wat kan veranderen, van minuscuul zaadje tot orkaan en zelfs (zoals in dit verhaal) in een dikke bruine wolk met omlaag hangende flarden als dikke tentakels van een kwal. Of in een witte walvis: in die episode (p. 102-108) duikt Moby Dick even (naamloos) op en neemt kapitein Troos even de gestalte van Achab aan.



Walyu? Kapitein Troos? Even samenvatten.
Het verhaal start met een proloog: een rubberbootje drijft op zee, met daarin een vader en moeder met hun peuter. Er komt een driemaster in zicht, maar tegelijk is er ook een enorme draaikolk. Om het leven van hun kind te redden, springen vader en moeder overboord.

Vervolgens maken we kennis met hoofdpersoon Lode. Die is ergens op zee opgepikt door een visser en naar een tehuis gebracht. Het regime daar is zeer streng en zijn enige troost is een kokkin van Indonesische herkomst, mevrouw Walyu, die verhalen vertelt en het karige menu aanvult. Als ze wordt gesnapt en ontslagen, besluit Lode te ontsnappen. Hij is dan tien jaar. In de haven ziet hij een driemaster. De bemanning geeft een circusvertoning en in het gewoel weet Lode aan boord te komen.
Even tussendoor: locatie en tijd blijven vaag, maar het wordt duidelijk dat het een havenstad betreft, en de tijd, tja, de kapitein heeft een laptop en er zijn (wordt één keer vermeld) zonnepanelen aan boord.
Het schip blijkt betoverd. Wie ervan tracht weg te gaan, in havens, wordt al na enkele passen verteerd door een onweerstaanbaar verlangen om terug te keren. Lode probeert het een keer uit en het klopt. Onder de bemanning leert hij vrienden kennen, maar het merendeel bestaat uit 'grijze matrozen', die met lege blik hun werk doen. Het schip is misschien wel driehonderd jaar oud, kapitein Troos dus ook!
Het schip was bestemd voor een prins, maar eenmaal gebouwd kon de kapitein het eiland van de prins niet meer vinden. Daardoor was het gedoemd tot rondzwerven en soms de woeste nukken ondergaan van 'de Woede'.
Maar daar hebben we Lode! Samen met vriendin Tulp en anderen, zoals de Woordenman en de manke Tyman, die niet kan lopen maar wel heel mooi trompet kan spelen, weten ze te vinden waar dat eiland is, in de beste traditie van het doorsnee-kinderverhaal waarin een groep kinderen een probleem oplost (Enid Blyton is er heel rijk mee geworden). Daarbij, eveneens in die beste traditie, geholpen door een of meer volwassenen, in dit geval vooral Woordenman, maar ook hypnotiseur Olek.
Ze weten kapitein Troos te overtuigen, het schip vaart naar dat eiland en daar gebeurt nog van alles en nog wat, lekker heftig, maar eind goed al goed en prins Adi (ja, dat was 'm, hij bestond echt en Lode kwam hem al tegen in zijn dromen) is na een flinke huilbui voorgoed verlost.



Dit alles wordt verteld door, ja, door wie?
Die vraag kwam des te meer bij me op doordat ik van corona-rust gebruik heb gemaakt om o.a. Alice in Wonderland en Alice through the Looking-glass weer eens te herlezen, in de meesterlijke editie van Martin Gardner, The annotated Alice (definite edition, 1999, Penguin, laatste druk 2001, het is nog steeds te koop).
In onze tijd van radio, podcast en andere klinkende stemmen is de zo zeer aanwezige verteller in deze verhalen eigenlijk verrassend modern. Je zou er zo een gesproken feuilleton van kunnen maken, ware het niet dat je dan de meesterlijke illustraties van John Tenniel zou missen.
Auteur Lewis Carroll had duidelijk geen hedendaagse schrijverscursus gevolgd, waarin hem verteld zou zijn over 'show, don't tell' en dat je de verteller op de achtergrond moet houden als je voor kinderen schrijft, dat je liefst medias-in-res moet beginnen, er veel dialoog en actie in moet stoppen en beschrijvingen van landschappen en andere decors zo beknopt mogelijk moet houden, en dat het niet verkeerd is als je tekst lijkt op een filmscript want natuurlijk hoop je als ambitieus modern auteur dat je werk eens wordt verfilmd. En vooral geen lange inleidingen. (Voor mooie dialogen heeft Carroll echt wel gezorgd!)
Zo'n proloog als in Het verlangen van de prins hoort helemaal bij dat moderne concept, werkt als een soort teaser, die tot verder lezen moet verlokken. De schrijver als rattenvanger van Hameln, als piper at the gates of Dawn, maar aan deze zijwegen ga ik nu even voorbij.

Maar intussen geldt volgens mij nog steeds wat György Konrád in 2009 zei: ‘The actual story of a novel is how a writer takes his subject into his possession: it is not the subject that is of interest so much as the gaze that is focused on it, and the tone in which it is told.’ (Congres 'Reading and Watching', 21 november, Amsterdam, zie verslag.)
Zo is 't maar net.

Het verlangen van de prins (ook de naam van het schip) wordt verteld door een anonieme verteller. Daarmee is niets mis, een verteller hoeft zich niet per se voor te stellen of anderszins handelend aanwezig te zijn.
Misschien moet ik hier even uitleggen dat verteller en auteur twee verschillende instanties zijn. De auteur is ooit geboren, leeft, en sterft, net als ieder mens. De verteller bestaat voor de duur van het verhaal. Soms neemt een verteller van vlees en bloed die rol over, als in een theaterstuk of radio-uitzending. Soms ook maakt de auteur de verteller een personage in het verhaal. Sommige recensenten hebben het dan over een 'ik-verhaal'. Daniel Defoe's Robinson Crusoe is een klassiek voorbeeld.

Goed, een anonieme verteller dus, maar soms laat die zich ineens zien, zoals op p.15:

De peuter knipperde met zijn grote ogen. Ze waren in de huiskamer van het tehuis: een kale zaal met stalen kasten en hoekige tafels en stoelen. Lode voelde zich eenzaam en verdrietig en begreep niet waar hij was.
Maar als je klein bent, dan vergeet je snel en wen je snel aan een nieuw leven. Lode vergat wat zijn echte naam geweest was. Hij vergat de taal van zijn ouders en het dorp in Afrika waar hij geboren was. Hij vergat de lange reis die hij met zijn ouders ondernomen had. Hij vergat zelfs hoe zijn ouders eruit hadden gezien.
Maar hij vergat niet alles.

Dit is de eerste keer dat ons wordt verteld dat Lode in Afrika is geboren. Hij kan dan wel van alles vergeten, maar de verteller brengt ons daarvan nadrukkelijk op de hoogte. Dat de zaal kaal was en de tafels en stoelen hoekig, lijkt mij ook meer een waarneming van de verteller dan van een peuter, hoe groot diens ogen ook mogen zijn. (Effectbejag!) Sowieso is 'de peuter' eigenlijk een wat afstandelijk woord.
Twee pagina's verder is het weer raak:

Zo dicht op elkaar zitten, onderworpen aan allerlei regels is ongezond. Zeker voor kinderen. Veel kinderen veranderden in Huize Landvast dan ook in gruwelijke pestkoppen. Andere waren de hele tijd bang. Lode ging vooral stil zijn eigen gangetje.

Het is niet Lode die denkt dat zo dicht op elkaar zitten ongezond is, zeker voor kinderen, maar de verteller. Een observatie van enige afstand. Eigenlijk geldt dat voor het hele verhaal: de toon is afstandelijk, soms zelfs droog. Dat is in contrast met de ons vertelde gebeurtenissen: die zijn talrijk en vaak heftig.
De oud-redacteur in mij protesteerde overigens ook tegen de plaatsing van leestekens in deze alinea en het gebruik van andere in plaats van anderen. Zij kinderen geen mensen? Hij protesteerde ook op andere plekken, maar ik heb geen zin in muggenziften.

En omdat ik geen zin heb in muggenziften, zal ik ook verder niet citeren. Ik houd het erop dat toon en stijl in dit verhaal niet geheel in balans zijn met de vertelde gebeurtenissen. Hoe ingenieus de intrige ook is, dit zal geen klassiek verhaal worden. Om Konrád te parafraseren: the gaze that is focused on it, and the tone in which it is told, ze schieten hier net wat tekort.
Eigenlijk denk ik dat Marco Kunst beter zijn Lode tot verteller had kunnen maken. Maar dan zouden grote en essentiële delen van het verhaal geschreven moeten worden, dan zou hij eigenlijk dus een nieuw verhaal moeten hebben schrijven...

Over die intrige dan. Die vind ik inderdaad ingenieus, een kunstig bouwsel op basis van een oude sage plus een zelfverzonnen sage. Of de wat vage verwijzing naar het lot van op zee dobberende vluchtelingen en de aanwezigheid van laptop en zonnepanelen op het schip zinvol zijn, valt te betwijfelen, er wordt ook niet echt iets mee gedaan. Als ik Marco's redacteur was geweest, had ik hem geadviseerd die elementen er maar uit te halen.
Sowieso zou ik hem geadviseerd hebben om te kiezen tussen een semi-autobiografisch verhaal, met Lode of het meisje Tulp of trompetspeler Tyman als verteller, óf een stijl die meer op een sage of sprookje zou lijken, à la Hans Christian Andersen.
Nu vertelt de anonieme verteller, die zich soms met commentaren in het verhaal mengt, op een wat afstandelijke manier maar met veel doorsnee ('schrijversvakschool'-kinderboekachtige) dialogen een soort sage in de stijl van een gezellig 'realistisch' verhaal à la Jacques Vriens of Mirjam Oldenhave (om twee niet de minste voorbeelden te noemen).
Dat wringt.
Het leidt me ertoe om Het verlangen van de prins ondanks alle waardering voor intrige en creativiteit een gemiste kans te noemen. Met overigens illustraties van Marieke Nelissen die talent tonen. Misschien hadden ze er een beeldverhaal van kunnen maken!



Marco Kunst. Het verlangen van de prins; met illustraties van Marieke Nelissen. Gottmer, 2020. 240 p, ISBN 978 90 257 7284 0.

NB. Het schilderij bovenaan is van Albert Pinkham Ryder.

maandag 6 juli 2020

Verhalen over de Tweede Wereldoorlog, fictie of non-fictie

Dat vond ik bij het lezen van Hoe fel de zon ook scheen van Arend van Dam een interessante vraag.
Die kwam meteen bij de eerste alinea van het eerste hoofdstuk ('De Olympische Spelen in Berlijn')

Het was Rie die begon. Luid riep ze door de trein op weg naar Duitsland:
'H-O-L-L-...'
En alle andere vielen in: '...A-N-D.
HOLLAND SPREEKT EEN WOORDJE MEE.'
En nog een keer. En nog een keer.
Tot Willy lachend uitriep: 'Je hebt er zin in, Rie!'
'Tuurlijk,' zei Rie. 'Jij toch ook? Dit is de mooiste tijd van ons leven!'
'Ik weet het niet hoor,' zei Willy.
'Ben je bang dat je van mij zult verliezen?' vroeg Rie met een grijns.
Willy schudde haar hoofd. 'Dat is het niet, 'zei ze. 'Ik ben een beetje bang voor die Adolf Hitler, die nu de baas is in Duitsland. Hij beweert dat alleen blanke mensen deugen. Alle andere mensen noemt hij "ondermensen". Hij geeft de Joden de schuld van alles wat er misgaat in Duitsland.'

En zo gaat deze dialoog nog even door.
Verhalen over de Tweede Wereldoorlog, luidt de ondertitel van het boek.
Boven geciteerde dialoog heeft vermoedelijk nooit plaatsgevonden, maar in zijn nawoord meldt Arend van Dam dat hij voor zijn 'verhalen' allerlei bronnen heeft geraadpleegd, waaronder 1936; Wij gingen naar Berlijn van Auke Kok, waarin o.a. de zwemster Rie Mastenbroek voorkomt. Een journalistiek verslag. Ik ken dat boek niet, maar het lijkt me sterk dat daarin precies deze dialoog is opgetekend, dat-ie dus historisch zou zijn, zoals we dat noemen.

Het wemelt van dit soort dialoogjes in Hoe fel de zon ook scheen. Ze maken de verhalen levendig, hoe schools ze soms ook zijn, maar ze hebben niet plaatsgevonden. Wat Arend van Dam hier doet is fictie schrijven op basis van historische gebeurtenissen, een genre waarvoor ooit de weinig gebruikte term factie in het leven werd geroepen. (De term heeft het niet echt gehaald.)
Nog één kort voorbeeld (p. 37):

Hannie Schaft was negentien jaar toen de oorlog begon. Ze woonde op kamers in Amsterdam, waar ze rechten studeerde.
'We moeten er maar proberen er het beste van te maken,' zei ze tegen haar vriendinnen Sonja en Philine.
'Je hebt gelijk, Hannie,' zeiden die. Maar het was moeilijk om een gewoon leven te leiden nu Duitse soldaten het land hadden bezet.
Gewone kranten lezen had geen zin. Die stonden vol met Duits nieuws. Of beter gezegd: met Duitse leugens. Er werden stiekem krantjes opgericht, met namen als Vrij Nederland, Trouw en De Waarheid.
Hannie begon te helpen met het verspreiden van deze illegale kranten.

Ik zie dat de auteur zijn best heeft gedaan om begrijpelijk te blijven voor de lezers van acht en ouder die hij waarschijnlijk voor ogen had. Hij vermijdt bespiegelingen over waar en onwaar, en leidt het wellicht moeilijke woord illegaal handig in.
Hannie Schaft heeft bestaan en ging inderdaad het verzet in. In het hoofdstuk waarmee dit citaat begint, 'Het meisje met het rode haar', wordt haar geschiedenis verteld. Maar ook dit hoofdstuk wemelt van de dialoogjes die vrijwel zeker nooit precies zo hebben plaatsgevonden en dat Hannie haar loopbaan als verzetsstrijder eindigde met het doden van mensen die voor de bezetter werkten, wordt ietwat verdoezeld.

Is het erg? Nou nee, Arend van Dam is niet de enige die dit genre bedrijft en al helemaal niet rond het meisje met het rode haar...
Alleen zou ik het op prijs hebben gesteld als de auteur juist voor deze leeftijdsgroep zou hebben uitgelegd wat nu precies waar en wat verzonnen is in deze teksten, die hij terecht verhalen noemt, maar die op de dialogen na redelijk de opgetekende geschiedenis volgen en dus ironisch genoeg grotendeels non-fictie zijn. We onderschatten deze lezers als we denken dat dit te ingewikkeld voor ze zou zijn.



Arend van Dam. Hoe fel de zon ook scheen. Van Holkema & Warendorf, 2020. 96 p., ISBN 9789000371136.




vrijdag 29 mei 2020

De moeizame literatuurles

Het blijft bewonderenswaardig hoe er in het secundair onderwijs getracht wordt de moeizame literatuurles aantrekkelijker te maken. In Breda deden twee leerlingen uit vwo 6 van het Newmancollege een poging. Voor hun profielwerkstuk gaven zij lessen literatuur aan hun medeleerlingen. Hun docent (is dat die man op de foto voor aanvang artikel? bijschrift ontbreekt) trok zich even terug.
Het tekent het jeugdig enthousiasme dat de twee leerlingen, Danique Seuntjes en Sam van Kuijk, in eerste instantie een nieuwe leesvaardigheidsmethode wilden ontwikkelen. Daarop kwamen ze terug toen ze de sandwich-methode ontdekten, die hebben ze toegepast.
In hun artikel in Levende Talen Magazine 2020-4 schetsen ze eerst wat er volgens hen zoal 'mis gaat' in het literatuuronderwijs:

Tegenwoordig wordt er door jongeren veel minder gelezen, door verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld het steeds toenemende media-aanbod. Hierdoor is de verleiding groot om steeds minder te lezen, met als gevolg dat de leesvaardigheid achteruitgaat en de zin om te lezen vermindert. Een ander probleem is dat niet iedere leerling thuis aan de eettafel onderwerpen bespreekt die in het examen zouden kunnen terugkomen. Hun voorkennis is hierdoor kleiner.
Zelf merkten wij tijdens onze lessen Nederlands op het vwo van klas 1 tot en met klas 6 dat de teksten lang zijn en de onderwerpen velen van ons niet aanspreken.
Zoals ook bleek uit een van de bronnen die we raadpleegden voor het profielwerkstuk, het boek Lezen met de leessandwich (Pronk & De Vos, 2017), is de opdracht 'Lees de tekst en maak de vragen' dodelijk voor de motivatie en de leesvaardigheid van leerlingen. Zij gaan hierdoor plichtmatig met een tekst aan de slag en zijn alleen gericht op het goed beantwoorden van vragen. Elke keer maar lezen en weer de bijbehorende vragen maken, het is eentonig en saai.

Zo, die zit. (De link heb ik erin geplaatst.)

Wij dachten dat dit anders kon en hebben besloten om ons voor ons profielwerkstuk bezig te houden met de lessen leesvaardigheid bij Nederlands: misschien komt zo de interesse terug en krijgen we de cijfers omhoog.

Dat hebben ze uitgeprobeerd met drie lessen in een havo 3-klas met 28 leerlingen, zoals gemeld met de sandwich-methode.  Te weinig om houdbare conclusies te trekken, zoals ze terecht schrijven (en daarvoor zelfs het jargonwoord interventie gebruiken). Maar de ervaring was positief, hun leerlingen zagen het kennelijk wel zitten.

Fijn. Want natuurlijk kan het anders. Alleen ligt dat slechts voor een deel aan een methode en voor een minstens zo groot deel aan de ervaring, mensenkennis en bevlogenheid van de docent. Je bent wel een erg beroerde docent als je niet verder komt dan je leerlingen aan het teksten-lezen-en-vragen-beantwoorden komt.
Wie weet maakte alleen al de betrokkenheid van deze twee jonge gelegenheidsdocenten al indruk op de havo-klanten.

Het blijft intussen soms modderen en dat ligt niet alleen aan de docentwn.

Hieronder een fraai citaat uit de column 'Ketchup' van Sylvia Witteman in de Volkskrant 30-5-2020:

Daar lag Steinbeck, sip en inderdaad wat dunnetjes, op de salontafel. Ruim honderd pagina's over Lennie en George, de Pooh en Piglet van de grotemensenliteratuur, Forrst Gump en Jenny, onderweg naar hun noodlot, een paar kilometer onder het ongetwijfeld slaperige stadje Soledad. ('Soledad' betekent 'eenzaamheid', jongens. Goed onthouden hoe Steinbeck hier zijn schaduwen vooruitwerpt. Hoe bedoel je, snap ik niet? Wát snap je niet? 'Je schaduw vooruit werpen' is een uitdrukking. Dat betekent dat je onheilspellende gebeurtenissen van tevoren aankondigt. Wat betekent 'onheilspellend'? Nou, Anouk, weet jij het? Max? Ook niet? (Oorverdovend lawaai van schoolbel.).)

Als het niet waargebeurd is, is het naar het leven verzonnen.

zaterdag 16 mei 2020

Onvoorstelbare prikbeestjes

Een schitterend ongeluk, noemde journalist Wim Kayzer het menselijk leven in 1984, in een legendarisch geworden reeks gesprekken met wetenschappers die zich bezighielden met de oorsprong van het leven (Daniel Dennett, Freeman Dyson, Stephen Jay Gould, Oliver Sacks, Rupert Sheldrake en Stephen Toulmin).
Het weerkaatst het idee dat wat wij waarnemen als het leven het resultaat is van een miljoenen jaren lange geschiedenis van zich door leren en voortplanten ontwikkelende vormen van leven, waarin allerlei vormen verschenen en weer verdwenen, of veranderden, onder invloed van andere levensvormen of van anorganische omstandigheden, klimaat, bodem, e.d. Wij mensen denken dan aan trial and error, maar er was niemand die bewust iets uitprobeerde. Het gebeurde. Wonderen worden niet uitgeprobeerd.

Een van die levensvormen is relatief kort geleden ontstaan en noemen we mens en een van de eigenschappen van ons mensen is dat we ons bewust zijn van onze omgeving en geschiedenis en dat we ons kunnen afvragen: hoe is dit zo gekomen? Om IJf Blokker en Wim T. Schippers aan te halen: waar gaat dit heen, hoe zal dat gaan, waar komt die rotzooi toch vandaan?
Maar ook vragen we ons af: waaróm? Heeft het leven een bedoeling? Is het ooit bedacht?
De wetenschappers in kwestie, en velen met hen, vroegen zich vooral af waardoor het leven is geworden zoals het is, maar mensen in het algemeen vragen zich geregeld af waarom dat dan zo is en zijn niet tevreden met waarom, daarom.
Ofwel, er zijn verklaringen voor het verschijnsel dat bananen krom zijn, maar die geven nog geen antwoord op de vraag, waarom zijn de bananen krom? Wel hoe dat mogelijkerwijs veroorzaakt werd. Idem, iets prangender, waartoe zijn wij op aarde? Geen idee, god mag het weten.

Er zijn, geloof ik, mensen die dit onderscheid tussen oorzaak en reden niet snappen. In hun teleologische voorstelling van de wereld hangt alles van redenen en bedoelingen aan elkaar, niet van oorzaken. Ik vermoed dat het dezelfde mensen zijn die soms beweren dat toeval niet bestaat en zich graag goden voorstellen om antwoorden op lastige vragen te vinden. Zij haten chaos en vrezen het idee dat wij een, zij het schitterend, ongeluk zijn, een toevallig doelloos rimpeltje in de kosmos. Alles moet een doel hebben, vinden ze. Een reden van bestaan. Ontbreken daarvan maakt ze ongelukkig.

Ik moest hieraan denken bij het lezen van met onderhoudende boek Insectenrijk van Aglaia Bouma (Atlas Contact, 2020).

Insecten, en andere geleedpotigen maar daarover gaat het nu even niet, zijn ons wezensvreemd. Veel mensen vinden ze monsterlijk en lastig. Niet voor niets hebben aliens in sf-films vaak insect-achtige trekjes. Hun uitwendig skelet lijkt een pantser, hun kop een helm met zonnebril. Het is allemaal hard, scherp, glanzend. Kleine snorrende of kruipende robotjes zijn het, rotbeestjes die ons bij gelegenheid steken, in de ogen vliegen of onder onze huid kruipen. Jawel, ze zijn ook nuttig, zelfs zeer noodzakelijk voor de plantenseks ('Zonder die kleine beesten zouden we zo'n 75 % van onze landbouwgewassen zelf moeten bestuiven', p. 9) en als voedsel voor andere beesten, maar het is geen aaibaar nut.

Zij gedragen zich ook heel anders dan wij en andere zoogdieren ons gedragen. Je inleven in een insect is erg moeilijk, zelfs met een flinke scheut antropomorfisme. En al vertonen sommige insecten enige zorg voor hun nakomelingen, nog veel vaker springen ze zonder enig mededogen met elkaar om. De parasiet vreet zich in een parasiet die zich in een beest vreet. Ze weten letterlijk van voren niet wat ze van achteren doen (al lijkt dat soms ook een beetje menselijk, helaas) en kunnen doorgaan met paren als hun kop eraf wordt gebeten. (Dat doen wij ze niet na.)
Er zijn tienduizenden soorten en evenzovele wonderlijke gedragingen, zo onvoorstelbaar en bizar dat je er nauwelijks oorzaken voor kan verzinnen, laat staan redenen, dus dat een of andere instantie dit allemaal met een doel heeft ontworpen.

Toch lijkt Aglaia Bouma daar soms van uit te gaan.

Eerst iets over Aglaia zelf. Als zeventienjarige werd ze gestoken door een hoornaar. En flink ook, na een kwartier verloor ze het bewustzijn en ze kwam weer bij in een ziekenhuis. Ze hield er een panische angst voor wespen en later álle insecten aan over. Zo onpraktisch werd die angst dat ze op een goed moment besloot er iets aan te doen. Ik citeer:

Ik begon me te realiseren dat ik mezelf een loer had gedraaid. Door aan de angst te willen ontsnappen, had ik hem alleen maar groter gemaakt. In mijn hoofd waren die kleine insecten uitgegroeid tot griezelige, nietsontziende monsters die erop uit waren me iets vreselijks aan te doen. Door die 'monsters' uit de weg te gaan voorkwam ik dat ik kon inzien dat het allemaal wel meeviel. En dat vermijdingsgedrag versterkte doe bovenmatige bangheid ook weer, omdat de lichamelijke paniek verdween zodra ik was gevlucht. Ik bevond me in een vicieuze cirkel waarin ik me in mijn leven liet belemmeren door angst. Ik leed aan een fobie. Toen ik dat eindelijk tegenover mezelf durfde toe te geven, besloot ik dat ik er iets aan moest doen. Maar wat? Een directe confrontatie met bijvoorbeeld bijen bij een bloeiende struik was me te gortig; ik zou de neiging om te vluchten onmogelijk kunnen bedwingen. Het leek me veiliger om eerst naar dode beesten te gaan kijken.


Ze ging naar Naturalis om dode insecten te bekijken (waaronder een hoornaar), kocht gidsen (om te beginnen een over wespen), een loep, kreeg een fototoestel met macrolens, las veel en na vele jaren studie raakte ze van de angst af. Een modelgenezing!
Ze tekende dit op in een boek dat een liefdesverklaring is aan het insect.
Geen grootse stijl hier (bijvoorbeeld bijen bij) (tegenover mezelf toegeven), maar ook geen dikdoenerij en ladingen aan wetenschappelijke termen.

Kijk, kijk toch, lijkt ze ons lezers te willen toeroepen, kijk met mij mee, hoe mooi, hoe bijzonder. Het werkt aanstekelijk, tot mijn verrassing las ik het boek achter elkaar uit. En dat terwijl er veel te weinig afbeeldingen in staan, één katerntje met kleurenfoto's terwijl ze honderden soorten de revue laat passeren. Gelukkig vermeldt ze van alle besproken insecten de wetenschappelijke naam en hebben we internet: ik las dit boek met gsm of laptop bij de hand.

Monsterlijke wezentjes zijn het - maar wel mooi.

En wat ze doen lijkt bij nadere beschouwing heel doelmatig. De levendigheid van haar beschrijving berust ongetwijfeld deels op die teleologische benadering. Ze zal ook wel weten dat het huidige leven op aarde een geschiedenis heeft die van toeval aan elkaar hangt, dat soorten blijven bestaan doordat andere soorten (of beter nog: genen) het loodje legden in een almaar voortdurende concurrentiestrijd.
Maar zo schrijf je geen liefdesverklaring.

Dus staat er (p. 31):

Daar staat tegenover dat insecten, met uitzondering van veel vlinders en enkele vliegen, roodblind zijn. Ze hebben geen receptoren voor licht met lange golflengten en nemen rode objecten waar als zwart. Dit betekent dat soorten met een rode tekening die kleur niet voor elkaar hebben. De prachtige zwartkopvuurkever, Pyrochroa coccinea, bijvoorbeeld heeft zijn fluweelachtige, helrode dekschilden niet om andere vuurkevers te verleiden, maar om vogels en zoogdieren af te schrikken.

Nee, daarom heeft die kever die dekschilden niet. Er is sowieso geen reden waarom die kever die dekschilden heeft. Wel valt achteraf te beredeneren dat die dekschildjes ertoe leidden dat deze soort minder werd opgegeten dan andere en daardoor tot op heden bestaat.

Het maakt niet uit, en ook niet dat Aglaia op p. 134 een bepaalde soort 'schattig' vindt. De aandacht en liefde spat van de bladzijden en daardoor bleef ik geboeid en geamuseerd lezen. Er zit gelukkig een opbouw in: de hoofdstukken heten 'Kennismaken', 'Flirt', 'Liefde', 'Bevrucht', 'Groei', 'Metamorfose' en 'Ontpopping'.

Een werkelijk unieke plek om eieren op te leggen, is de rug van je partner. De meeste reuzenwaterwantsen doen dit. Deze doorgaans flinke, afgeplat eivorminge zoetwaterroofdieren hebben stevige grijpvoorpoten om prooien als andere insecten, slakken, en zelfs vissen en kikkers mee te vangen. Hun achterpoten zien eruit als peddels met lange haren, waarmee ze zich vlug door het water kunnen bewegen. Of iets minder vlug, in het geval van mannen die een plakkaat eieren meedragen. Doordat ze met hun bagage duidelijk minder gestroomlijnd zijn, zullen ze snellere prooien niet zo gemakkelijk weten te vangen en zich moeten behelpen met af en toe een trage slak. Toch wil zo'n man kennelijk graag dat zijn toekomstige nageslacht op zijn lijf wordt afgezet.

Enzovoort. Dit komt natuurlijk uit het hoofdstuk 'Bevrucht' (p. 107).

Misschien moet je een beetje gek zijn om zulke boeken te lezen. Dat ben ik dan, kennelijk.




Bouma, Aglaia. Insectenrijk. Atlas Contact, 2020.264 p., ISBN 978 90 450 3801 8.


Een reuzenwaterwants - zonder eieren.