Zoeken in deze blog

vrijdag 22 oktober 2021

Wat een slechte flaptekst...

... heeft De nacht van Ronke. Welke jongste bediende op de uitgeverij verzint het om in de tweede zin te verklappen wat de verteller zorgvuldig langzaam laat doorschemeren. En wat moet een jonge lezer met zo'n oubollig

Wat volgt is een verrassend en spannend avontuur, waarin fantasie en wetenschap voortdurend haasje-over spelen.

Lijkt op een haastige recensie want het verhaal speelt zich af in 'onze' werkelijkheid, aangevuld met een flinke scheut digitalia, en die fantasie zou dan moeten slaan op wat de hoofdpersoon zich voor de geest haalt, als ze zogenaamd rent terwijl ze eigenlijk stilstaat.
Die zin zal hoe dan ook geen jonge lezer overhalen, denk ik.


Zonder dat wat achterop wordt prijsgegeven, is De nacht van Ronke een tamelijk doorsnee kinderboek, verteld door de hoofdpersoon, met een ietwat vergezochte intrige. Ronke verkeert tegen haar zin op een schoolkamp en krijgt wegens haar handicap een 'buddy' toegewezen, Nouri. Die is helemaal niet tegen zijn zin op kamp, want eigenlijk zou hij met zijn moeder naar zijn nooit geziene zwaar zieke grootvader in Kroatië moeten gaan en daar heeft hij geen zin in. Hij speelt liever een game op zijn telefoontje, met een onbekende die gaandeweg zijn digitale vriend wordt, en je raadt het niet, die digitale vriend blijkt (spoiler alert!) zijn al nooit geziene zwaar zieke grootvader, die naar Nederland is gekomen en daar uiteindelijk in het ziekenhuis belandt. Intussen leert Nouri Ronke echt rennen, in de duinen en op het strand, en dat levert wat spanning op als blijkt dat Nouri daar die onbekende zou ontmoeten.
 
Dat leren rennen valt niet mee, want Ronke is blind.
Ja, dat wisten we dus al door die achterflapdrol. Hadden we de flaptekst maar niet moeten lezen.
De voorkant is ook al niet fijn, want daar zien we een lichthuidig en een donkerhuidig kind door de branding rennen, terwijl nergens in het verhaal huidskleur een rol speelt en mensen van Kroatische herkomst weliswaar vaker bruine ogen en donker haar hebben dan melkboerenhondenmensen uit onze streken, maar beslist niet vaker een donkere huid. Cliché, cliché..., sorry Marit.

Het verhaal mag dan niet slecht maar wel tamelijk doorsnee zijn, Jef Aerts verdient een compliment omdat hij zijn verteller Ronke niet meteen laat mededelen dat ze blind is. Integendeel, de lezer krijgt dat heel langzaam door, nota bene terwijl de eerste aanwijzing al in de zesde alinea te vinden is, want Ronke is bezig met astronomie en bewondert Kent Cullers:
 
Kent Cullers is geweldig. Als wetenschapper ging hij bij het Amerikaanse SETI op zoek naar buitenaards leven, ook al was hij helemaal blind. Om signalen op te pikken uit verre zonnestelsels had hij geen ogen nodig. Misschien zouden ze hem zelfs nog meer in de war hebben gebracht.
 
Overigens blijkt nergens dat Kent Cullers ooit in de war is geweest... van die kleine stijldingetjes.
Intussen maakt dit het verhaal dus minder doorsnee. Zoveel blinde hoofdpersonen zijn er niet in de Nederlandstalige jeugdliteratuur, wat heet, in de literatuur in het algemeen. 
Ja, ik herinner me nog Het wereldje van Beer Ligthart van Jaap ter Haar (1973), tegenwoordig in zijn geheel te lezen op De Bibliotheek der Nederlandse Letteren. De vreselijke titel is trouwens veelzeggend. In dit verhaal staan zinnen als:

Want: als je blind was, hoefde de wereld niet kleiner te worden. In gedachten kon je hem net zo groot, net zo mooi of lelijk maken als je zelf wou.
 
En:
 
Ja, dát was het. Wat je in het leven niet kon missen, waren de mensen waarvan je hield. En àl het andere - de fijnste en rottigste dingen - kwam op een tweede plaats.

‘Gossie,’ zei Beer met een gevoel van opluchting. Al was hij nu blind, het belangrijkste was toch niet verloren gegaan. Want je kon van mensen houden met je ogen dicht.
 
Een heel ander verhaal, om het maar wat laconiek te stellen.
De enige overeenkomst, naast die blindheid, is dat beide verhalen optimistisch eindigen - zoals heel veel verhalen voor kinderen. Die Beer komt er wel. Ronke ook. Nouri ook, trouwens.
 
Verfrissend aan De nacht van Ronke is dat Ronkes blindheid geen ramp is. Nouri heeft een probleem, Ronke niet. Verfrissend is ook, ik schreef het al, dat de lezer pas geleidelijk snapt dat Ronke blind is. Ja, dat brengt beperkingen met zich mee, dat snappen we ook wel en Nouri snapt het ook. Stilstaand rennen en je verbeelden dat je over het strand rent is toch iets anders als écht over het strand rennen - zoals ze uiteindelijk doen. En natuurlijk speelt het soms een rol, zoals in deze mooie passage:

Voor ik het zelf goed en wel in de gaten had floepte de vraag eruit: 'Mag ik je gezicht aanraken?'
Ik had er meteen spijt van, want zoiets vraag je natuurlijk niet aan een jongen. Ik durf het wel eens bij mijn vriendinnen op school of ik vraag het aan de buurvrouw omdat die zo'n grappig kuiltje in haar wang heeft, het topje van mijn pink past er precies in. Maar aan een jongen die je nog nauwelijks kent?
'Aanraken?'
Ik hoorde dat Nouri stiekem een stukje van me weg schoof. Maar de vraag was gesteld, dus ik kon niet meer terug.
'Ik wil de vorm van je gezicht voelen,' zei ik en stak mijn hand uit tot bij Nouri's kin. 'Mag dat?'
'Pff,' proestte Nouri. 'Wat doet dat ertoe?'
'Volgens mij ben je niet alleen blauw, maar heb je ook puntige oren en een knobbel op je neus.'
'En wat dan nog?'
Mijn vingers raakten  Nouri's wang aan. Mijn duim gleed langs zijn mond naar zijn kin. 'Je voelt zacht. Veel zachter dan ik had verwacht.'
Ik pakte Nouri's hand en drukte hem tegen mijn wang, net zoals ik het bij hem deed.
'En?' vroeg ik.
Nouri trok snel zijn hand terug. 'Wat en?'
'Doe je ogen dicht. Hoe voel ik?'
Mijn wang aanraken wilde Nouri niet. Zijn vingers gleden onbeholpen van mijn schouder naar mijn elleboog.
'Sportief,' stamelde hij. 'Je voelt gespierder dan ik dacht...'
Het bloed trok naar mijn wangen. Iedereen zei voortdurend van alles over mij. Wat ik kon en wat ik niet kon. Maar dat iemand met zijn ogen dicht kon voelen dat ik sportief was?
'Dank je wel,' mompelde ik.
Niet alleen mijn wangen, maar ook mijn handen gloeiden. Alsof ik vandaag pas voor het eerst iemand écht had aangeraakt.

Ja, ontluikende liefde, zo jong als ze zijn. Vakkundig verwoord, eigenlijk te vakkundig voor zo'n jonge verteller, de volwassen auteur schemert erin door.
Blindheid speelt dus een rol, maar het verhaal draait om Nouri, zijn weigeren om mee naar Kroatië te gaan, zijn grootvader die hém komt zoeken. Spannend, maar het komt allemaal goed.

'Misschien reist mama van de zomer weer terug naar Zagreb,' zei Nouri. 'En dan wil ik wél mee. Er is nog zoveel dat ik nog niet over mezelf weet.'
'Maar eerst gaan we rennen!'zei ik. 'We kunnen samen naar het strand van Zeezicht-aan-Zee, wil je dat?'
En toen ging ik gloeien, harder dan ik ooit had gegloeid.



Aerts, Jef. De nacht van Ronke. Ills. Marit Törnqvist. Querido, 2021. ISBN 978 90 451 2525 1, 166 p.

woensdag 6 oktober 2021

Kistje tijd

Amper 200 à 250 woorden schat ik, langer is het verhaal De hele tijd niet.
Je kan het in minder dan een half uurtje uit hebben, maar dan doe je woord (van Toon Tellegen) en beeld (van Geerten Ten Bosch, zie ook hier) wel tekort.

De tekst is helemaal Toon Tellegen. Het bos met zijn dieren is ons bekend uit ander werk.
De egel 

woonde in een klein huis tussen het struikgewas onder de linde, niet ver van de open plek in het bos.

Hij krijgt de mier op bezoek.

Ze dronken thee en hadden het over de tijd. De mier zei dat de tijd geen geheimen voor hem had.
De egel vroeg waarom hij, de tijd, altijd maar doorging en alleen maar vooruit, nooit opzij of achteruit.
De mier keek in zijn kopje en zei: 'Dat moet.'
'Van wie moet dat?' vroeg de egel.
De mier dacht even na en zei: 'Van niemand.'
De egel vond dat raar. 'Als het van niemand moet, dan moet het toch niet?'
De mier haalde zijn schouders op, keek opnieuw in zijn kopje en likte zijn lepeltje af.
'De tijd is een uitzondering,' zei hij.

Dat is al genoeg voor veel andere vragen. Mochten oudere lezertjes denken dat zulke vragen niet geschikt zijn voor jongere lezertjes, dan vergissen zij zich.
Hoe dan ook, de egel krijgt de hele tijd op bezoek, seconden, minuten, uren, dagen en jaren.
 
Hij had nog nooit zoiets bijzonders meegemaakt en hij wist zeker dat niemand ooit de tijd had gezien, de hele tijd, alle tijd. Dan had hij dat vast wel verteld. Ik heb de tijd gezien, egel... welke tijd... de hele tijd... o ja?... ja...
 
De tijd tuimelt en maakt veel  lawaai, maar viert geen feest. 
 
De egel wilde ze wel eens van dichtbij bekijken en klom uit zijn raam naar buiten.
'Ho,' zeiden de minuten, met volle mond. 'Wat moet je van ons? Je stoort.'
'Maar wat doen jullie hier?'
'Wij brengen de tijd door. Onze tijd.' 

Daar hebben ze het heel druk mee. Maar ineens is er een kist en daar kruipt de tijd in, alle seconden, minuten, uren, dagen en jaren.
 
Het werd stil en de wind ging liggen.
'Is iedereen er?' riepen de jaren. 'Het is de hoogste tijd! We moeten opschieten! Anders duren we te lang!'
 
Als zelfs de laatste minuten, met de kruimels nog net afgeveegd, in de kist verdwijnen, is die ineens weer weg. De egel kruipt terug in zijn huis.

Ik ga nog maar een uurtje slapen, dacht hij. Een klein uurtje. Hij stapte in bed en sliep.

Einde verhaal. Ik citeer het natuurlijk lang niet volledig, want dan krijg ik problemen met het kopieerrecht, en ik vertel het ook niet na, want er moet nog iets te ontdekken overblijven.
Het laat zich uitstekend voorlezen en ik vermoed dat er daarna nog best wat over de tijd kan worden gesproken. En dan is het tijd om nog eens uitvoerig de platen te bekijken (dubbelpagina, te breed om te scannen), want die laten zich niet in één ogenblik begrijpen, die vergen aandacht... en tijd.
Welbestede tijd.



Tellegen, Toon, en Geerten ten Bosch. De hele tijd. Querido, 2021. ISBN 978 90 214 1489 8.

zondag 3 oktober 2021

Er was eens

... een illustratrice die goed kan tekenen en schilderen. Correctie: ze ís er nog en kan het nog steeds, en kan ook websites maken - in ieder geval haar eigen.
 
Maar op een keer ontdekte ze dat ze ook kan schrijven. Dat bracht ons in 2017 Lampje.
 
Ik citeer mezelf. Lampje
 
is zo'n verhaal dat zich afspeelt in de schemerwereld tussen hier en ginds, tussen wat wij 'onze wereld' plegen te noemen (zij het dan een eeuw of wat geleden) en een wereld die daarop lijkt maar toch net iets anders is. Zo'n wereld waarin schijn en wezen door elkaar lopen. Geen fantasy, alsjeblieft niet, ook geen sprookje, geen koningen, prinsessen, elven en trollen e.d. Wel een vuurtoren waarvan het licht met de hand wordt bediend, een schip met oude piraten, een kermis met gedrochten en een admiraal die zich te paard voortbeweegt. En zeemeerminnen.
Niet alleen daarom moest ik aan Hans Christian Andersen denken, aan zijn zeemeermin die uit liefde de zee verliet - en daarvoor een standbeeld kreeg in de haven van Kopenhagen. 

Voor de Meisjes baseerde ze zich op verhalen uit de sprookjesverzameling van de gebroeders Grimm.

Anders dan Andersen schreven Jacob en Wilhelm Grimm hun verhalen op grond van wat ze van hun informanten hoorden. Ze beschouwden hun Kinder- und Hausmärchen als wetenschappelijk werk, zij verzamelden Hessisch erfgoed. Niettemin noteerden ze niet letterlijk, veel bronnen hadden ze evenmin (minder dan tien), en 18 verhalen in de eerste verzameling (de 'Urfassung', gepubliceerd 1812) kwamen uit andere literaire bronnen.
Niet alleen anderen gingen op de loop met die oude verhalen (ik noem slechts ene Walt Disney), zij zelf konden er ook wat van en schrapten al snel bijvoorbeeld alle verwijzingen naar seks, want die gaven aanstoot.
De werkwijze van de Grimms zou tegenwoordig niet heel wetenschappelijk worden gevonden, maar is evenmin afkeurenswaardig. Zoals Vanessa Joosen het op p. 91 formuleert in Een land van waan en wijs. Geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur, verschenen in 2016 en nu al in zijn geheel te vinden in de onvolprezen Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (DBNL):

De onbekende oorsprong gaat hand in hand met de anonimiteit van volksverhalen. Originaliteit en auteursrecht zijn in deze context relatieve begrippen; de verhalen worden beschouwd als gemeengoed. Namen van vertellers, auteurs of vertalers zijn vaak niet meer te achterhalen, en zelfs wanneer die gegevens bekend zijn, blijven ze regelmatig onvermeld. In veel sprookjesboeken wordt zowel met de inhoud als met de verwijzingen naar de bron losjes omgesprongen. Bij sommige oudere sprookjesverzamelingen is het zelfs de vraag of ze wel gebaseerd zijn op mondelinge verhalen. 
 
De oude verhalen werden verzoet, verbraafd, geromantiseerd, verdraaid, personages kregen soms karakterdiepte of werden juist volstrekt cliché, in de jaren '70 kwam er een scheut klassenstrijd en/of vrouwenstrijd in, de seks kwam er soms juist weer in terug, religieuze motieven (bv. Naema Tahir, Roodkapje en de bekeerde wolf); afijn, er werd en wordt heel wat gesleuteld en de resultaten zijn vaak allerbelabberdst en soms erg mooi, maar ze lijken zeer waarschijnlijk van geen kanten op hoe men ze vroeger vertelde, vroeger, toen er nog geen massamedia bestonden waarin men elkaar nadeed en vertellers op de markt hooguit de kunst van elkaar afkeken.
 
Wie een beeld wil krijgen welke thema's en verhaallijnen die oude verhalen hadden, doet er goed aan om de Aarne-Thompson-Uther-index te raadplegen, na lezen van het grondige wiki-artikel hierover, en evenzo de Thompson Motiv-index. Met alle onvolkomenheden (o.a. genoemd in dat wiki-artikel) toch twee goede instrumenten, alom gerespecteerd, zelfs door de criticus Vladimir Propp, die zijn eigen lijst van 31 functies in oude verhalen samenstelde.
Die ATU-index is trouwens zelf een motiefje in een verhaal geworden:

This page is a mirror of the ATU Index page of the Multilingual Folk Tale Database, a rich library of curated world folktales, most of which are not indexed yet. All links target the MFTD.
Unfortunately, the MFTD was hacked in late December, 2019. The data is still intact on back-up images and the MFTD curators are looking for a secure means to host the MFTD again.
The index here is just a list of ATU Tale Types until the MFTD is recovered.
Thank you to the many institutions, professionals and amateurs, who rely on and use the MFTD for their research and as a source of folktales, who contacted me inquiring about the status of the MFTD.

Een sprookjesverzameling gekaapt, wie verzint het... misschien zit er een kwaadaardige stiefmoeder achter, een djinn of wie weet een trol, een boreale trol.

Je hoeft niet zo heel ver in die indexen te bladeren om er achter te komen dat magie en werkelijkheid één zijn, het noodlot vaak toeslaat en het geluk soms hard bevochten moet worden, en dat personages (mensen, dieren, reuzen, dwergen, ...) in onze ogen doorgaans nogal hardhandig met elkaar omspringen. Het zijn resten van oude, heel oude verhalen - en dat fascineert velen, mij ook. Er gaan onbekende verten achter schuil, ongekend verleden, de wereld was nog onbegrensd en overleven een kunst.
 
Kennelijk fascineerde het ook Annet Schaap. School er al iets sprookjesachtig in Lampje, in de Meisjes, zeven sprookjes zet ze het woord in de titel en neemt ze zoals gemeld zeven verhalen uit de verzameling van Jacob en Wilhelm, waarmee ze vrolijk aan de haal gaat.
Het zijn:
Repelsteeltje (ATU 500), ofwel 'Meneer Pelsteel'.
Roodkapje (ATU 333), ofwel 'Wolf'.
Hans en Grietje (327a), ofwel 'Koekjes'.
De prinses en de kikker (440), ofwel 'Kikker'.
Blauwbaard (312), ofwel 'Blauw'.
Doornroosje (410), ofwel 'Slaapster'.
Het mooie meisje en het monster (088), ofwel 'Monstermeisje'.
 
Al haar sprookjes verlopen anders dan de bekende versies. De hoofdpersonen zijn meisjes en ze redden het aardig. De andere figuren lijken soms slechts heel in de verte op de bekende personages, hoewel bijvoorbeeld de kikker wel degelijk een kikker is...



... en blijft!
 
'Dan droog ik wel af.' Haar kikker sprong op haar arm en vlijde zich in het hoekje van haar elleboog. 'Zullen we het dan voor het eten nog even proberen?' kwaakte hij zachtjes. 'Ik heb zo'n gevoel dat het vandaag misschien wel lukt, denk je ook niet?'
Het meisje keek naar zijn groene lijfje, zijn brede bekje. Nee, ze dacht eigenlijk van niet. Maar ze glimlachte.
'Laten we dat doen,'zei ze.
 
Waarna het aan de lezer of luisteraar wordt overgelaten om een vervolg te bedenken.
 
In de andere verhalen is de afloop iets eenduidiger. In 'Blauw' vallen de zusjes Anna en Lize de man aan die Lize wil ombrengen nadat ze al vloeren dweilend de geheime kamer met dode meisjes heeft ontdekt.

En terwijl hij valt kijkt hij verbaasd van het ene zusje naar het andere, van het mooie naar het lelijke, en hij laat het mooie los en het lelijke haalt uit met haar voet en het is maar een meisje natuurlijk, en even lijkt hij verbaasd dat zoiets zo hard kan schoppen, maar dan stappen zijn eigen voeten al in de lege lucht, proberen zijn handen de leuning nog vast te grijpen maar de zwaartekracht is hem voor, en daar gaat hij al. Bonkend en krakend, zijn hoofd op alle traptreden, één voor één. Na de laatste bonk is het stil.

Nu is het Anna die begint te huilen. Lize staat op en pakt haar bij de hand.
Tree voor tree klimmen ze de trap af. Eerst langzaam, omdat ze niet willen kijken naar wat daarbeneden ligt, en dan heel snel omdat ze er vlak langs moeten, en het zal toch niet dat er opeens een hand uitsteekt die een enkel grijpt... Maar dat gebeurt niet. Er beweegt hier niets meer dan zijzelf.
Ze rennen klepperend de lange gang door naar de voordeur. Alleen Anne kijkt nog heel even om.
De man in de donkere jas ligt daar nog steeds, half op de onderste tree. In de schaduw van de trap is zijn gezicht alleen te zien als een lichte vlek tegen zijn baard die zo zwart is. Blauw, bijna.

Einde van 'Blauw'.
 
'Monstermeisje'  begint zó:

Storm

Het meisje zit te borduren in de torenkamer. Met kleine kruissteekjes werkt ze aan de D, de D middenin: GEDULD IS EEN SCHONE ZAAK.

Dat meisje zit daar opgesloten met de 'brave dame Morsegat', en borduurt al onafzienbaar lang aan zulke werkjes. Ze is een prinses en ooit zou er een prins moeten komen. Ze is echter onflatteus groot, grof en harig uitgevallen, er heeft zich nog geen prins aangediend en haar ouders, vooral haar moeder, willen haar niet zien.
Wel spoelt er met die storm een zeeman aan - zijn schip is vergaan. De prinses (ze heet trouwens Belle) ontfermt zich over de zeebonk en die leert haar schaken en ze hebben het eigenlijk best aardig met elkaar, vooral nadat de prinses zijn kist uit de golven haalt. Voorbode van verandering:

En voordat ze weet wat ze doet, schopt ze haar altijd te kleine schoenen uit (prinsessen hebben kleine zoete voetjes) en loopt een paar stappen het water in. De golven omspoelen haar kuiten. Het zand is zacht en de zee is fijn koud aan haar tenen.
'Prinses!' klinkt een stem van het strand. 'Wat doet u! U gaat toch niet zwémmen?!'
Ze hoeft niet te zwemmen. Ze steekt nog ver boven water uit als ze een paar stappen verder door de branding loopt. Ze zee rukt aan haar rokken en maakt ze zwaar. Maar zelf voelt ze zich wonderlijk lichter dan anders, alsof het water helpt om haar te dragen. Nog een klein stukje, dan is ze er.
'Hojo prinses!' roept de matroos haar na. 'Ja, daar! pak 'm!'

Natuurlijk verdwijnt hij als hij is opgeknapt, maar hij nodigt haar uit om mee te gaan. Dat doet ze eerst niet. Ze mist hem wel. En op een dag gooit ze uit woede de schaakstukken in zee, maar wil die dan toch weer terughalen en loopt de zee in.
 
Ze zwemt, en hoe verder ze zwemt, hoe minder het haar kan schelen.
 
Als ze omkijkt lijkt alles achter haar opeens klein, bijna nietig. Zelfs de hoge toren. Zelfs al roept iemand daar: 'Prinses, wat doet u? Prinses, kom terug!' Het verwaait met de wind. 
Is ze wel een prinses?
Ze weet eigenlijk niet wat ze is. Een meisje, een monster, misschien is ze een zeedier, een boot of een vis. Iets dat altijd maar door kan zwemmen zonder moe te worden.
Ze laat zich deinen op en onder de golven, stroopt zwemmend haar rok af, wat absoluut verboden is, en knoopt jaar korset los, wat ook volstrekt niet mag. Als een grote roze kwal met knoopjes drijft het weg.
Ze zuigt haar longen vol lucht, strekt zich uit. Het water is wijd, ze botst nergens tegenaan.
Nog even, denkt ze. Nog een klein stukje. Ze gaat straks wel weer terug. Vast nog wel op tijd voor de thee.
Meeuwen zeilen boven haar, vissen zwemmen onder haar. Er is ruimte voor alles.
De Grote, de Grote, zingt de matroos in haar hoofd. De Grote is zo wijd.

In de glinstering van de zon op het water lijkt het alsof ze iets ziet. Alsof in de verte een boot aan komt varen. Verbeelding natuurlijk, maar ze ziet het toch: steeds even wel, dan weer niet, dan weer wel.
Daar is hij dan, denkt ze. Eindelijk. Dan is het vandaag, die blijde dag. Een zeil zo wit als zijn gebit. Zal ze zwaaien? Hierheen, prins!
Maar zij is nat en ontoonbaar. En nog steeds veel te groot en te behaard. En half bloot ook nog. Ze zwaait niet.
Laat maar, denkt ze. Ik hoef niet, ik hoef geen prins meer.
'Hojo prinses!' roept een stem over het water. De boot stuurt haar kant op, het is een vrachtboot, ziet ze, met een flinke ijzeren boeg. iemand buigt zich over de reling en zwaait.
Ze ziet dat er een vlaggetje hoog in de mast is geknoopt.
Als de boot dichterbij vaart kan ze lezen wat erop geborduurd staat:
GEDULD IS EEN SCHONE ZAAK.

Met opzet een lang citaat. Want ik hoop eigenlijk dat ik zo niet hoef uit te leggen hoe prachtig dit is geschreven. Prinses, meisje of monster. Een korset 'als een grote roze kwal met knoopjes'. 'Het water is wijd, ze botst nergens tegenaan.' 'Laat maar', 'ik hoef geen prins meer'.
Op de connotatie (suïcide) hoef ik hopelijk ook niet te wijzen, evenmin op het schrijnende zelfbeeld en de wrange humor ('geduld is een schone zaak').
Over die andere citaten maar even niets, zo al mooi genoeg en je moet van mij maar aannemen dat 'Blauw' ook nog eens een fijne studie in zusterschap is. Het is overigens niet allemaal zo tragisch, 'Pelsteel' bijvoorbeeld is vooral grappig en ook 'Wolf' bevat prettige hedendaagse ironie over beschermzucht.

Hoe ze het doet valt best een beetje uit te leggen, dat moet een andere keer misschien.

Dit is meesterschap, daar neem ik mijn pet voor af.


Schaap, Annet. de Meisjes, zeven sprookjes. Querido, 2021. ISBN 978 90 451 2669 2.

zaterdag 2 oktober 2021

Derde persoon

Vaak wijs ik er in recensies op dat er soms iets mis lijkt met de verteller in een verhaal, met name als die verteller een kind is. Zo'n verteller drukt zich welsprekend uit, terwijl dat niet past bij zijn of haar leeftijd en karakter.
Was dan ook blij toen ik het volgende tegenkwam in een interview door Hans Bouman met Jonathan Frantzen in de Volkskrant 2-10-2021:

Ik ben van mening dat je dichter bij een personage komt wanneer die in de derde persoon tot je komt, dan via de ik-vorm. In de regel schept de eerste persoon juist afstand, omdat er verwarring bestaat tussen auteur en personage. In de derde persoon is het duidelijk: er is een auteur, maar die is totaal onzichtbaar, dus word je als lezer op een directe wijze in contact gebracht met het bewustzijn van iemand anders. Ik denk dat vertellen in de derde persoon een van de geweldigste artistieke uitvindingen is in de geschiedenis van de mensheid.
 
Zou graag willen weten wat Jonathan Frantzen echt zei of schreef, want dit is natuurlijk een vertaling door Hans Bouman. 
Toch steunt het me in mijn idee dat auteurs van jeugdliteratuur te vaak kiezen voor een vertellend hoofdpersonage in plaats van een anonieme verteller.
Of dat 'vertellen in de derde persoon een van de geweldigste artistieke uitvindingen in de geschiedenis van de mensheid' is, ach, dat vind ik wat overdreven. Maar helaas gaat de interviewer daarop niet in.


maandag 20 september 2021

Week van Lezen en Schrijven

Het zou me bijna zijn ontgaan, maar er kwam een Week van Lezen en Schrijven voorbij, uitgeroepen door de Stichting Lezen en Schrijven.
'In Nederland hebben 2,5 miljoen mensen moeite met lezen en schrijven', claimt deze stichting, die zich beschouwt als 'dé organisatie die ervoor zorgt dat iedereen in Nederland kan lezen en schrijven. Want onze samenleving is sterker als iedereen kan meedoen.'
Dat laatste lijkt me onweerlegbaar, maar het kan natuurlijk zijn dat je geen sterke samenleving wil, bijvoorbeeld omdat in een minder sterke samenleving meer winst voor je handel valt te halen, al was het maar doordat je personeel niet zo mondig is. Het streven om iedereen vaardigheid in lezen en schrijven te willen bijbrengen is, hoe neutraal je het ook formuleert, een politieke keuze. Wat mij betreft zeer verdedigbaar.

Aan die week draagt de welbekende columnist Japke-D bij in NRC 8-9-2021 met haar stukje '23 woorden die het werk onnodig ingewikkeld maken'.
 
Toen ik Mark Rutte laatst een vaag verhaal over een ‘geplaceerd evenement’ hoorde afsteken dacht ik: ‘je zal maar laaggeletterd zijn in dit land’. Niet dat hooggeletterden het snapten hoor, dat Lowlands niet mocht doorgaan maar de Formule 1 wel omdat dat een ‘geplaceerd evenement’ was – tuurlijk joh. Maar als laaggeletterde denk je misschien dat ‘geplaceerd evenement’ een prima argument is en hoor je niet dat onze premier, met alle respect uiteraard, enorm uit z’n nek stond te kletsen. 

Enzovoort. Heerlijk. Overigens heb ik ook geen idee wat een geplaceerd evenement is.

woensdag 8 september 2021

Leve de ingezonden-brieven-schrijver

Sla nooit de rubriek ingezonden brieven over. Er staat weliswaar heel wat gezeik in, maar soms ook pareltjes. Zoals de brief van Piet de Rooij te Haarlem in NRC 8-9-2021, onder de kop 'Testresultaten laten zien dat aard kennis is veranderd'. 
Die brief is een reactie op het artikel 'Iedereen een master: is er sprake van een diploma-inflatie?' in NRC 6-9-2021. Daarin werd verwezen naar R.I. Flynn, What Is Intelligence (2007). Flynn toont dat mensen steeds beter scoren op de meest gebruikte IQ-test, de WISC.
Men zou kunnen denken dat mensen dus steeds intelligenter worden, maar volgens Piet de Rooij én volgens Flynn is dat niet zo. 'De testresultaten laten vooral zien dat de aard van de kennis is veranderd.'

Blij werd ik echter van het slot van de ingezonden brief:

Over de beperkingen van IQ-testen merkt Flynn op: 'Our obsession with IQ is one indication that rising wisdom has not characerized our time.' Dat valt slechts van harte te onderschrijven.

Waarvan akte!

donderdag 15 juli 2021

Praten tegen de maan

Leen een nog te bespreken boek liever niet uit. Voordat je het weet, ben je vergeten dat je het nog zou bespreken.
Dat overkwam me met Het verloren meisje van S.E. Durrant en ik had het uitgeleend omdat ik het lezenswaardig vond.
 
Verteller is Iris, een meisje van elf dat tijdelijk woont bij oma Mimi.

Ik heb mams oude slaapkamer helemaal voor mezelf en er is geen spoor van vocht of langs de muren omhoogkruipende zwarte schimmel, zoals in mijn kamertje thuis. Er sijpelt ook geen water naar binnen bij de boeken. Het staat er alleen vol met Mimi's spullen, maar dat vind ik helemaal niet erg.

[...]
 
En ik hoef mam niet met een stuk toast in haar hand de deur uit te zien rennen omdat ze te laat is voor haar werk. Zodat ik ook niet meer bang hoef te zijn dat ze erin stikt op weg naar het ziekenhuis (ze is dokter) terwijl er niemand in de buurt is om haar te redden met de Heimlichgreep. (Voor het geval het je interesseert: de Heimlichgreep pas je toe als iemand bijna stikt. Ik heb hem geleerd nadat een van de tweeling een kerstbal probeerde door te slikken.)
 
Aldus hoofdstukje 2, 'Foute dingen, fijne dingen'. Ze mist haar lawaaiige tweelingbroertjes ook niet (op p. 93 legt ze nog eens haarfijn uit waarom) en

We eten als we honger krijgen, we praten wanneer we daar zin in hebben, we luisteren naar elkaar. We bakken taarten. We maken rommel. En we zitten op de bank om de miljoenen foto's te bekijken die ze heeft gemaakt toen ze nog fotograaf was. Het is maar tien minuten lopen naar het strand.
Dat zijn de fijne dingen.
De foute dingen zijn: de douche is koud, ik krijg niet altijd ontbijt en soms raakt er iets kwijt. Maar dat is het wel zo'n beetje. Meer fijn dus dan fout.

Ik liet wat fijne dingen ongeciteerd.
Er is ook een zeemeeuw waarmee de praat, en een buurjongen, Mason, die ze eerst niet zo mag maar met wie ze later toch bevriend raakt, al wil ze het zelf niet zo noemen. Ze kende hem al.

Het is de jongen die twee weken geleden bij ons op school kwam, de jongen die papieren vliegtuigjes door de klas gooit als juf Sharma niet kijkt, die grapjes maakt waar niemand om lacht, die altijd alleen naar huis gaat.
 
We zijn dan op p. 11, in het vierde hoofdstukje (van de vele tientallen, ik heb ze niet geteld maar schat rond 150)  en weten al heel wat.
Verder zagen we dat deze verteller niet schroomt om haar lezers af en toe rechtstreeks aan te spreken. Ze schrijft bewust voor een onbekende lezer, dus ook voor ons, wat dit verhaal een beetje dagboek-achtig maakt, zonder dat het als zodanig wordt benoemd. Ze verstrekt ons van tijd tot tijd ook een lijst 'weetjes', zoals op p. 14-15 over Mimi.
Dat ze voor een elfjarige wel heel vaardig en levendig schrijft, hebben we dan al op de koop toe genomen. Dat mag dan wat ongeloofwaardig zijn, het maakt het lezen wel prettig. Ze maakt ons bondgenoot.

Die rommeligheid en Mimi's gewoonte om overal lintjes aan te binden en briefjes op te plakken zijn voortekenen van naderend onheil. Ook dat ze al op p. 20 even de weg kwijt is als ze naar het strand lopen. Dit soort incidentjes, zoals zout in de chocolademelk in plaats van suiker (p. 55) neemt gaandeweg toe, er is zelfs een moment waarop Mimi Iris even niet meer herkent. Ook praat ze tegen de maan, bijvoorbeeld op p. 101.

'Lieve maan,' zegt Mimi, 'Wat fijn om je weer eens te zien.'
Dit is zo pijnlijk. Ik verberg mijn gezicht in mijn handen en Mason doet hetzelfde. Het enige verschil is dat ik me probeer te verstoppen, terwijl hij zit te grinniken. Tusen mijn vingers door werp ik hem woedende blikken toe. Ik vraag me af of hij er ooit nog mee ophoudt.
Mimi blijft maar tegen de maan praten terwijl de kou zich als een bankschroef om ons heen klemt. Ze vertelt de maan over Corals armband en over het strand en onze meeuw en over Lola en Bonnie, en dat ze begonnen is aan de grote schoonmaak. Mason is uitgelachen. Hij heeft er genoeg van. Hij wil terug naar zijn slaapkamer.

Boven de haard hangt een foto van een meisje dat erg lijkt op Iris. Mimi noemt haar Coral, 'het verloren meisje' en ze zou op zee verdronken zijn. Legt Mimi uit op p. 31-32. 
Dat is niet zo, maar het zou zonde zijn als ik uit de doeken deed hoe het dan wel zit. Dat zoeken Iris en Mason namelijk uit en het leidt tot een prachtig en ontroerend laatste hoofdstukje. De beste samenvatting biedt Iris als die haar moeder vertelt hoe de zaak zit (p. 224-225).
Intussen is dan natuurlijk duidelijk dat Mimi licht aan het dementeren is. Niet heel erg, wel zo dat ze wat toezicht nodig heeft. Het verhaal biedt zeker jonge lezers een buitengewoon goed zicht op hoe dat gaat. Vooruit, nog één citaat, een heel hoofdstukje getiteld 'Erwten' (p. 93-94).

We maken een chocoladecake voor Mason. Mimi weegt de ingrediënten af en ik meng ze in een kom.
Mimi draagt een schort met gele linten aan de zakken en af en toe doet ze een dansje. Het gaat allemaal gesmeerd, tot ze een handje diepvrieserwten bij de eieren mikt. Kleine, groene balletjes zingen weg in het geel.
'Kijk eens hoe leuk,' zegt ze.
Het is verwarrend. Het ene moment sta ik eieren te kloppen voor een cake en het volgende moment ben ik een omelet aan het maken.
'Moeten er erwten in?' zeg ik.
Mimi knikt.
'Absoluut. Waarom zouden die er niet in gaan?'
'Omdat het een chocoladecake moet worden,' zeg ik. 'En daar doe je normaal gesproken geen erwten in.'
'O,' zegt ze.
We zijn eeuwen bezig om de erwten er weer uit te vissen en Mimi zegt al die tijd geen woord.

Zo heeft het verhaal als het ware twee thema's, twee rode draden. De een is weergegeven in de oorspronkelijke titel, Talking to the Moon. De ander in de titel van de Nederlandse vertaling: Het verloren meisje. Al zou dat eigenlijk Het gevonden meisje moeten zijn. Of die vertaling (door Margaretha van Andel) de oorspronkelijke tekst recht doet kan ik niet beoordelen, maar hij liet zich in ieder geval goed lezen.
 
 
S.E. Durrant. Het verloren meisje. Vertaling Margaretha van Andel. Lemniscaat, 2021. ISBN 978 90 477 1252 7, 236 p. Oorspr. titel: Talking to the Moon, 2020.

donderdag 8 juli 2021

Zwartwit

Vroeger kochten we zwartwit in papieren puntzakjes in het snoepwinkeltje op weg naar school. We aten het door er een vinger in te steken en die af te likken. Het poeder was overigens niet zwartwit, maar lichtbruin. Van zwartwit denken hadden we nog niet gehoord.

Dat kwam later, en de laatste jaren heviger dan ooit. Want nu verdeelt men alle mensen in zwart en wit, alsof tussentinten niet bestaan.
De witten zijn de daders, de zwarten de slachtoffers. Alsof er geen lichthuidige slachtoffers en donkerhuidige daders bestaan. Daders van wát, slachtoffers van wát? Onderdrukking, slavernij...
 
Ooit werden er mensen verhandeld aan de West-Afrikaanse kunst. Menselijke koopwaar, doorgaans donkerhuidig, aangeboden door donkerhuidige handelaren, gekocht door lichthuidige. 
De koopwaar die daar in West-Afrika werd gekocht, behandelde men niet zachtzinnig en hoewel het doel van de aanschaf wederom handel was, nu aan een andere kust, stierf een groot deel van de koopwaar. Hup, overboord.
De nieuwe eigenaars sprongen doorgaans al even grof om met hun bezit. Als je niet flink ranselde en ijselijk streng strafte, zou zijn bezit in opstand komen, vreesde de gemiddelde plantage-eigenaar.
Alle reden om van slachtoffers te spreken. En dat tot in de zoveelste generatie, kennelijk. Waardige slachtoffers, die het leed van voorouders met zich meedragen als een spandoek.
 
Niettemin: mensen in slavernij brengen is bijna zo oud als het mensdom zelf, vrees ik. In ieder geval zo oud als de Bijbelverhalen. Aan de Barbarijse kusten handelde men tot in de 19e eeuw in slaven - zowel licht- als donkerhuidige. Menig Europees zeeman eindigde daar als slaaf zijn leven, als hij niet werd teruggekocht.
 
Het verschijnsel slavernij is niet zo zwartwit als hier en daar wordt verkondigd.
Dus word ik wat triestig van de meningen en neigingen zoals beschreven in 'Jouw huis is mijn huis', onderkop 'Diversiteit op kunstacademies', in De Groene Amsterdammer 1-7-2021, door Rory de Groot. Wat een slachtofferdom spreekt er uit. Wat een omzichtigheid. Zo'n 'eindexamenstuk' als dat van Nagaré Willemsen, tja, de lezing mag indruk maken maar waar is de kunst? O pardon, het was een performance... Enfin, ze is 'optimistisch':

'Er is iets in beweging gezet en die beweging is niet meer terug te draaien. We zullen geduld moeten hebben als we het echt goed willen aanpakken. Stap voor stap, of we nu willen of niet. Het heeft honderden jaren geduurd voordat we op het punt zijn gekomen waar we nu staan. Nu verwachten dat we alles binnen een jaar veranderen, is een illusie. En dat hoeft ook niet. Ik bedoel: wat is tien jaar op eeuwen van onderdrukking?'

Dit gaat dan over institutioneel racisme en inclusiviteit. Niet over de vraag wat kunst is en wat goede kunst is. De huidskleur van de kunstenaar (in spe, het is een academie) lijkt belangrijker geworden dan haar of zijn kunst. Was het zo erg aan die academie?
Ja, zo erg kan het soms zijn als je er last van hebt dat je er anders uitziet dan het merendeel. Rory de Groot citeert nog een student:

'Ik was dat jaar de enige student van kleur binnen de hele opleiding. Ik voelde me in die periode vaak eenzaam en worstelde heel erg met mijn plek binnen de academie. Wie was ik als student op ArtEZ? In Rotterdam was ik me ook wel bewust van mijn huidskleur, maar in Arnhem voelde het alsof dat het enige was dat telde. Mijn anders-zijn werd constant benadrukt, in alles.'
 
Ja, dat voelt vast net zo apart als wanneer je als enige lichthuidige over een markt vol donkerhuidigen loopt, in een land waar mensen doorgaans een donkere huid hebben. Dat valt op, zeker. 'Hé blanc, hé, venez ici, ici!' hoorde ik de marktkooplieden in Parakou roepen, in 1991, om mijn aandacht te vestigen op hun koopwaar.
'Mijn anders-zijn werd constant benadrukt, in alles', lijdende vorm, maar wie was de actor? Wie waren de actoren? Nog afgezien overigens van de vraag of je met een plek kunt worstelen.
 
Citaat van Arnon Grunberg, uit 'De witte jood' (kop in papieren krant) of 'De identiteit "mens" blijft een utopie' (online), NRC 8-7-2021:
 
Het waarlijk universalisme, of het nu afkomstig is van het christendom, het humanisme of het communisme, stuit altijd weer op de grenzen van de reëel bestaande burger, die dikwijls niet zo vreselijk zit te wachten op ongebreidelde en ongelimiteerde solidariteit.
 
Maar dan heeft hij het nog over universalisme, een term die hij niet verder uitlegt maar ik zo wel denk te begrijpen: het idee dat je met alle mensen samen de wereld deelt en het daarmee dus zodanig moet zien te rooien dat iedereen een beetje prettig leven heeft, bijvoorbeeld door de Gulden Leefregel toe te passen.
Dat gaat voor veel slachtoffers kennelijk iets te ver. Voor daders ging het a priori te ver.

Nog een fraai citaat van Grunberg, uit hetzelfde artikel:
 
Wat is dat rare ding eigenlijk dat we identiteit noemen? Dat ding is een mechanisme dat vijanden en vijandbeelden produceert. Identiteit sluit namelijk altijd uit. Wie het een is kan niet, of slechts met grote moeite, het tegenovergestelde zijn.
En in een cultuur die slachtofferschap beloont, wat begrijpelijk is maar wat ook perverterende neveneffecten heeft, wordt slachtofferschap aantrekkelijk. 

En gaat zelfs iets als slachtoffercompetitie plaatsvinden: wie heeft het ergste geleden...

Wie staat er wel eens bij stil dat er heel weinig echt witte of zwarte mensen zijn? Verreweg de meeste mensen hebben een huidskleur die varieert van chocola puur tot koffie met heel veel melk (soms met roze varianten). Ook ogen, neuzen en lippen zijn er in vele variaties.

Neemt niet weg dat je er, denk ik, knap mee kan zitten als je uiterlijk erg afwijkt van de mensen om je heen, vooral als je eigenlijk niet zo wil opvallen. Ook roodharigen kunnen daarover meepraten. En nog meer als aan zo'n uiterlijk allerlei eigenschappen worden toegekend, ook al raakt dat kant noch wal. Wijdheid en de Gulden regel kunnen uitkomst bieden, maar helaas zijn veel mensen bang, hechten daardoor aan vastigheden waaronder vooroordelen, en soms zijn ze niet goed wijs.
Het blijft tobben.

maandag 5 juli 2021

Het meisje van Sené

Een wetenschapsboek dat zich laat lezen als een boeiend verslag of vertoog: het gebeurt niet vaak. Eerder kwam ik Insectenrijk van Aglaia Bouma tegen: dat is zo'n boek. Niets meer of minder dan een liefdesverklaring aan het insect. Ik las het achter elkaar uit.

Nu kwam Sinagote op mijn weg. Een mooie vrouw met een kuifje, ...
... en ook witte veren en een snavel die aan een stel lepels doet denken. De ene helft van het jaar woont ze op de Wadden, de andere in Bretagne, vaak bij het dorpje Séné. Vandaar de naam, want in het Bretons betekent Sinagote het meisje van Séné. (De inwoners noemen zich Senagot of Sinagot, vandaar. Ook leuk trouwens om te weten dat een sinagot ook een scheepsmodel was, een zeilschip dat zijn oorsprong vond in Séné.)
Tenminste, ze woont daar als ze nog leeft. 
Ze werd geboren in 2006 en voor iemand van haar soort is ze dus niet zo jong meer. Maar ze leefde nog in 2020. Dat meldt de verteller in het gelijknamige boek, het product van een viertal auteurs.
 
Even ter zake voor wie niet zo thuis is in vogels: Sinagote is een lepelaar. De meeste lepelaars overwinteren in Zuid-Spanje of West-Afrika. Sinagote werd in 2006 geboren en zoals meer jonge lepelaars geringd. In 2013 kreeg ze bovendien een zendertje op haar rug. Dat was een experiment: zou ze er last van hebben? Slotsom: niet te merken, er waren zelfs mannelijke lepelaars die haar aantrekkelijk genoeg vonden om mee te paren. 
Door dat zendertje konden onderzoekers haar gangen goed volgen en zo deden ze verrassende ontdekkingen, bijvoorbeeld dat ze ieder jaar vaste kennissen opzocht, niet noodzakelijk partners. Ze had of heeft haar vaste gewoonten, maar wijkt daarvan regelmatig af. 
Ook durven de auteurs te stellen dat o.a. dit onderzoek toont dat vogels kunnen leren - van elkaar, van hun ouders. Dat bijvoorbeeld het vinden van de weg tijdens de trek niet louter berust op aangeboren maar ook op verworven kennis en vaardigheden.

Bijzonder aan dit boek is dat het zeer toegankelijk en levendig is geschreven. Wetenschapsjournalistiek van de bovenste plank.
 

Piersma, Theunis, Petra de Goeij, Willem Bouten & Carl Zuhorn. Sinagote, het levensverhaal van een lepelaar. Noordboek, 2021. ISBN 978 90 5615 722 7, 224 p.


vrijdag 25 juni 2021

Twee leesproblemen

Nederland heeft niet één maar twee problemen met lezen, betoogde Bibi Dumon Tak in haar jongstleden Albert Verwey-lezing, een hartekreet die vooral (aanstaande) onderwijzers zich ter harte zouden kunnen nemen. De lezing is dankzij NRC (verkort) hier te vinden, onder de kop 'Jonge ouders, er is méér dan Tonke Dragt of Pietje Bell'. Bekijk trouwens even de url (uniform resource locator ofwel webadres) van de link en geniet even van 'wipneus-en-zijn-schimmelige-vriendje-pim'.
De gedrukte versie stond in NRC 25-6-2021.

Ik citeer het begin:
 
Ik las verschillende oproepen op de sociale media waarin werd gevraagd naar goede boeken. Eén oproep sprong eruit. ‘Wie weet er nog een boek voor mij om samen met mijn achtjarige dochter te lezen? Geen klassiekers, want die kennen we al.’

Ik zag dat er tweehonderdachtenzestig reacties op de vraag van deze vader waren gekomen. Ik besloot ze allemaal te lezen om er eventueel ook mijn voordeel mee te kunnen doen. Ik was geen acht meer, maar wel acht geweest, en om mijn achtjarige te voeden, lees ik graag nog weleens een kinderboek. Ik zette een potje thee en installeerde me op de bank. Er joeg een verheuggolf door mijn lichaam heen.

De eerste tien boeken die door de volgers van de betreffende twitteraar werden geopperd waren, houdt u vast: 1. Matilda. 2. Harry Potter. 3. Lord of the Rings. 4. Kruistocht in spijkerbroek. 5. De vijf. Zit u nog? 6. De brief voor de koning. 7. De kleine kapitein. 8. De Grote Vriendelijke Reus. 9. Animal Farm en 10. De kleine Johannes.

Natuurlijk waren er nog tweehonderdachtenvijftig reacties te gaan, maar toch was mijn surfersgeluk reeds te pletter geslagen tegen een stel scherpe rotsen van teleurstelling. Hoe kon het dat deze enthousiaste volgers alleen maar klassiekers noemden terwijl daar expliciet niet om werd gevraagd? Ik scrolde nog even verder, houdt u zich maar weer goed vast: Pinkeltje, Dik Trom, W.G. van de Hulst, Wipneus en dat rotvriendje Pim, Het kleine huis op die eindeloze pleuris prairie, zal ik nog even doorgaan? Als je het op zijn tweeduizendeenentwintigst zou moeten zeggen klonk het in mijn hoofd telkens: Hoe dan!

Nederland heeft een leesprobleem, dat wisten we al, maar sinds die dag kon ik het ook aantonen. En ik zal nog meer vertellen: Nederland heeft er twee.


Die twee problemen zitten al verscholen in dit citaat. Ik gun je even een witregel om ze te ontdekken.

Het eerste probleem is dat al die reageerders niet goed kunnen lezen. Er stond duidelijk 'Geen klassiekers, want die kennen we al', toch komen ze met louter klassiekers aanzetten. Bibi noemt het 'een begrijpend-lezenprobleem'.
Ik citeer haar wederom: 
 
Waarschijnlijk omdat de lezers van de oproep de concentratie voor de rest van het bericht al niet meer konden opbrengen. Je kan de situatie vergelijken met: kent iemand nog een leuk restaurant? Geen vleesrestaurants, want we zijn al jaren vegetariër. En dat er vervolgens driehonderdvijfenveertig reacties komen met voorstellen als: The Meatclub, El gaucho, The Rodeo Grill all you can eat en The ribsfactory en niet te vergeten Boro’s Balkan Grill. 
 
Het tweede probleem is dat er na en naast die klassiekers zoveel mooie kinderboeken zijn verschenen en die worden niet genoemd.
Bibi:

De reageerders noemden boeken die tenminste een halve eeuw oud zijn. Alsof er nadien niets nieuws meer is verschenen. Je wilt voor je kinderen naast klassiekers toch ook actuele boeken die antwoord geven op actuele vragen?

Weet iemand nog een leuk cadeau voor mijn achtjarige nichtje? Ja hoor: een springtouw, een tol, klikklaks, een punnikpaddenstoel, sillyputty, Electro of een viewmaster.

Deze twee zaken: niet begrijpend kunnen lezen én niet op de hoogte zijn van nieuwe kinderboeken, hebben denk ik met elkaar te maken.


En dan komt het venijn. Want Bibi Dumon Tak legt een verband tussen dit gebrek aan kennis en sowieso de afnemende leeslust in Nederland en het brave, treurige en vooral saaie leesonderwijs, grotendeels aan de hand van een methode die ook nog eens Veilig leren lezen heet. (Bibi: 'kun je dan ook onveilig lezen?')
Ze pleit voor een avontuurlijker leesonderwijs, dat ruimte laat voor verdwalen en ontdekken.

Zoals deze verkorte versie van haar lezing afsluit:

Intussen wijzen de statistieken uit dat we er juist harder op achteruit gaan. We moeten ons losmaken uit de greep van de huidige leesdictatuur. Weg met de bedenkers van lesjes en codes. Daarnaast zouden al die leerkrachten zelf leesonderwijs moeten gaan volgen, want ook zij zijn besmet met het veiligheidsvirus.

We vergeten dat een vangrail een functie heeft. En wij volwassenen moeten een vangrail zijn voor kinderen die leren lezen. Misschien lopen we allemaal wat butsen op, misschien zijn er kinderen die onderuitgaan en die we weer op weg moeten helpen, maar dat doen we met mooie verhalen, dat doen we door ze telkens weer opnieuw op pad te sturen. Door te schragen. Terug het avontuur in waar een onbekende wereld op hen wacht. De wereld van toen, maar ook de wereld van nu. Daar is alleen maar een beetje durf voor nodig en een beetje avontuurlijkheid.

Waarvan akte, met enige instemming. Enige, want er is niets tegen stap voor stap leren lezen en dat vergt een goede aanpak, maar het is de basis en op zich dus niet genoeg.
Een goede school heeft een uitgebreide, up-to-date gehouden bibliotheek of/en een goede werkrelatie met de plaatselijke openbare bibliotheek, en leerkrachten die er de weg in kennen.
 

De gehele lezing is 'in beperkte oplage' uitgegeven door Querido onder de titel Wipneus en zijn schimmelige vriendje Pim en kost € 7,50. De tekst daarvan heb ik gekregen en dus ga ik eerstdaags lezen of er belangrijke verschillen zijn met de in de krant gepubliceerde tekst.
NB. 13-7-2021. Er zijn verschillen - en die doen niets af aan de strekking van het vertoog, maar maken het net wat scherper.