Zoeken in deze blog

woensdag 12 december 2018

Lezers op de Titanic?

Eergisteren zat Lezen 2018-4 bij de post.
Er lagen al wat voorgaande nummers op het stapeltje te bespreken. Ik kwam er niet toe, misschien ook doordat die nummers een beetje op elkaar leken. Wat nieuws (vooral jeugdliteratuur), wat prettig  enthousiasmerende interviews en artikelen, kijkjes in het atelier van illustratoren (zoals dit nummer Leo Timmers)...
Maar nummer 4 is toch bijzonder, want daaruit klinkt weer eens het geluid van een noodklok.

Associaties dienden zich aan met de ondergang van de Titanic (al lezend verglijden in de golven), met een bekende boektitel (De laatste der Mohikanen) en met een bekend stripverhaal, dat altijd begint en eindigt in dat ene dorp in Gallië dat nog niet bezet is.

Hoofdredacteur Gerlien van Dalen, tevens directeur-bestuurder Stichting Lezen, in haar redactioneel:

In veel gesprekken en beleidsstukken neemt de dalende leestijd en de lage leesmotivatie een prominente plaats in. De situatie is zorgelijk en er moet iets gebeuren, is de boodschap. Terecht, er is alle aanleiding voor zorg. En er gebeurt ook al veel: u en ik werken dagelijks aan leesbevordering; er zijn effectieve leesbevorderingsprogramma's opgezet zoals Boekstart en de Bibliotheek op school en er zijn leesbevorderende campagnes. Maar in ons volle, drukke leven is leesbevordering steeds meer leestijdbevordering.


(Ill. Karst-Janneke Rogaar.)

Mirjam Noorduyn vraagt in een artikel onder de kop 'We moeten alles doen om tieners aan het lezen te krijgen' aandacht voor het initiatief van auteurs Hans Hagen en Ted van Lieshout om samen met BruuTAAL de Gouden Lijst overeind te houden, nadat de CPNB besloot die prijs niet langer uit te reiken. Vechten tegen de bierkaai? Of toch de Asterix en Obelix van de leesbevordering, die moedig en succesvol standhouden tegen de oprukkende legers der niet-lezers?
Ze verwijst naar een rapport van het SCP, waaruit blijkt dat het aantal lezers onder dertien- tot negentienjarigen daalde van 65 procent in 2006 naar 40 procent in 2016. Noch hoogleraar Roel van Steensel, noch Ted van Lieshout laten zich in het artikel optimistisch uit.

In een interview door Eva Gerrits met auteur Alex Boogers, die de twee schotschriften De lezer is niet dood en Lang leven de lezer schreef, laat die zich ook al wat zorgelijk uit. 'Ongeïnteresseerde leerlingen bereiken is een gevecht dat Boogers vaak voert.' En hij zegt:

Tijdens schoolbezoeken ontmoet ik steeds dezelfde auteurs: een Jaap Robben, Maartje Wortel, Özcan Akyol en nog een handvol. Wie ik er nooit tref: journalisten en auteurs die kranten vullen met artikelen over jongeren die niet meer lezen. [...]

Preek een keer niet voor eigen parochie, maar ga op een school met jongeren in gesprek, vertel waarom je bent gaan schrijven, waarom je leest;  bedrijf literatuur met ze. Als later een van hen op zoek gaat naar een boek, heb jij daarvoor de kiem helpen planten. Wat plant je nou met cultuurpessimistische geluiden in een krant?

Waarvan akte.
Met natuurlijk de aantekening dat het deze bezorgde lezers en schrijvers gaat om boeken, liefst met een ruime woordenschat, om verhalen die de verbeelding prikkelen. Die ruim drie uur die tieners tegenwoordig volgens het SCP doorbrengen met hun mobieltje, bestaat natuurlijk voor een flink deel uit lezen en schrijven: al die berichtjes die worden uitgewisseld. Heel gezellig, maar hun woordenschat wordt er niet door verrijkt, noch maken ze kennis met andere geesten dan het vriendenkringetje.


dinsdag 11 december 2018

Haa, ik lach

Bianca Castafiore is een van mijn favoriete personages uit de verhalen over Kuifje (Tintin). Daarin ben ik niet uniek, ze bracht de gemeente Amsterdam zelfs tot het tooien van een speeltuin met haar naam, hartje centrum en in Wikipedia heeft ze in diverse talen (waaronder Nederlands, Frans en Engels) een eigen lemma.



Hier staat ze te zingen, begeleid door haar trouwe pianist Igor Wagner.

Maar pas zeer onlangs en per toeval (dank aan Moors Magazine) kwam ik er achter dat haar favoriete aria, 'Haa, ik lach



een bestaande aria is, uit de opera Faust van Charles Gounod.
Dat ligt geheel aan mij, want de ware kenners waren natuurlijk allang op de hoogte, daar kwam ik snel achter. Afijn, beter laat dan nooit.
Met plezier beluisterde ik die aria eerst hier, welke opname met de diva in beeld helaas wordt onderbroken door gepraat, en vervolgens hier (Roxana Kostka met pianobegeleiding én spiegeltje), hier (Hei-Kyung Hong met een Koreaans orkest) en zo is er meer te vinden op Youtube.
In de taxi waar Kuifje voor het eerst met haar zangkunst kennismaakt (in De scepter van Ottokar), kijkt Kuifje naar de merknaam op de autoruit, hopend dat de ruit niet zal breken. Later zullen andere ruiten wel bezwijken door de kracht van Castafiore's stem. Het lied en het breken van glaswerk zijn waarschijnlijk een verwijzing door Hergé naar de film The phantom of the opera uit 1925, waarin dit lied voorkomt en een kroonluchter naar beneden komt op het moment dat een operadiva het lied zingt.

De tekst:
Ah! je ris de me voir,
Si belle en ce miroir!
Est-ce toi, Marguerite?
Réponds-moi, réponds vite! -
Non! non! - ce n'est plus toi!
Non! non! - ce n'est plus ton visage!
C'est la fille d'un roi,
Qu'on salue au passage! -

Ah, s'il était ici! ...
S'il me voyait ainsi!
Comme une demoiselle,
Il me trouverait belle.
Elle se pare du collier.
Achevons la métamorphose!
Il me tarde encor d'essayer
Le bracelet et le collier!
Elle se pare du bracelet et se lève.
Dieu! c'est comme une main qui sur mon bras se pose!
Ah! je ris de me voir
Si belle en ce miroir!
Est-ce toi, Marguerite?
Reponds-moi, reponds vite! -

Ah, s'il était ici! ...
S'il me voyait ainsi!
Comme une demoiselle,
Il me trouverait belle.
Marguerite, ce n'est plus toi,
Ce n'est plus ton visage,
Non! c'est la fille d'un roi,
Qu'on salue au passage.




maandag 10 december 2018

Inschrijving Willem Wilminkprijs voor het beste kinderlied geopend

Omdat deze aankondiging de pers nauwelijks haalde, plaats ik hem hier:

'De inschrijvingstermijn voor de zesde editie van de Willem Wilminkprijs voor het beste kinderlied is geopend. Componisten, tekstschrijvers en producenten kunnen tot 15 januari 2019 hun bijdrage insturen. De uitreiking is op zaterdag
14 april 2019 in theater ‘Kleine Willem’ in Enschede. De nominaties worden begin maart bekend gemaakt.

Met deze prijs vraagt het Wilminktheater aandacht voor het Nederlandse kinderlied en met name de plaats die het kinderlied inneemt in het jeugdtheater. Tevens willen zij eer bewijzen aan de Enschedese dichter en tekstschrijver Willem Wilmink, die aan de basis heeft gestaan van een groot aantal bekende Nederlandse kinderliedjes.
Voor de eerdere edities van de Wilminkprijs bestond grote belangstelling. De jury mocht zich verheugen op een groot aantal inzendingen.
Eerdere winnaars zijn:
2010: Ted van Lieshout met ‘Onberispelijk’ uit de musical ‘Ik en de Koningin’
2012: Koos Meinderts met ‘Maite Maria’ van de Cd ‘Het regent zonlicht’
2014: Floortje Schoevaart met ‘Op de markt’, muziek Henny Vrienten
2017: Jan Beuving met ‘Optellen van Breuken’, muziek Akwasi
2018: Katinka Polderman met ‘Kilo, pond en ons’, muziek Kenny B.

De prijs bestaat uit een kunstwerk, vervaardigd door de kunstenaar Helga Kock am Brink en een geldbedrag van € 3000,- voor de tekstschrijver en € 1000,- voor de componist. Alle oorspronkelijk in het Nederlands geschreven kinderliedjes die niet ouder zijn dan twee jaar kunnen meedingen naar de onderscheiding. Ze moeten dus in de periode 2017-2018 voor het eerst zijn uitgekomen op Cd of dvd of voor het eerst ten gehore zijn gebracht in het theater of op tv. Ook jonge aankomende tekstschrijvers en componisten worden uitgenodigd hun liedjes in te zenden, al is hun lied mogelijk nog niet officieel verschenen.

Deelnemers kunnen hun inzendingen sturen naar Wilminktheater, t.a.v. Trudie Lucardie,  Wenninkgaarde 40-42, 7511 PH Enschede. Kijk voor de voorwaarden op www.willemwilmink.nu
Een vakjury, bestaande uit Thijs Borsten, Katinka Polderman, Ageeth de Haan, Fay Lovsky en Trudie Lucardie beoordeelt de inzendingen.

De Willem Wilminkprijs is een initiatief van het Wilminktheater Enschede en wordt mede mogelijk gemaakt door Buma Cultuur.'

De relatie tussen woordkunst en muziek kan niet genoeg benadrukt worden, aangezien die in het onderwijs nauwelijks aan bod komt.





zondag 9 december 2018

Woutertje Pieterse Prijs blijft nog even

Op 27 november 2018 ontving ik dit blije persbericht:

De Woutertje Pieterse Prijs voor kinder- en jeugdliteratuur is uit de gevarenzone. De komende twee jaar kan de prijs rekenen op de financiële steun van de Brook Foundation, die zich tot doel stelt organisaties te ondersteunen op het gebied van onder andere kinderen en cultuur. Door deze bijdrage en die van Stichting De Versterking (die de prijs al langer ondersteunt), is de uitreiking van de Woutertje Pieterse Prijs in 2019 en 2020 gegarandeerd. 

Bestuursvoorzitter Hans Smit: ‘Geweldig dat we door kunnen en ook de komende jaren weer een stimulans kunnen vormen voor talentvolle makers en zo de kwaliteit van het Nederlandstalig kinder- en jeugdboek kunnen bevorderen. We zijn deze twee fondsen zeer dankbaar voor hun steun.’

Woutertje Pieterse Prijs
De Woutertje Pieterse Prijs is een prijs voor het beste oorspronkelijk Nederlandstalige jeugd- of kinderboek. De jury onder leiding van Noraly Beyer bekroont kinderboeken die uitzonderlijk zijn voor wat betreft taal, genre, thema, illustratie, vorm en/of vormgeving. De prijs bestaat uit een oorkonde en een geldbedrag van 15.000 euro. De prijs bestaat inmiddels ruim dertig jaar. Vorig jaar werd Lampje van Annet Schaap bekroond. 

De jury, naast Noraly Beyer bestaande uit vormgever Peter de Kan, recensent Veerle Vanden Bosch, schrijver Anne-Gine Goemans en bibliothecaris Juan Khalaf, nomineert maximaal zes titels, verschenen in 2018. Welk boek de Woutertje Pieterse Prijs 2019 wint, wordt bekendgemaakt tijdens de uitreiking op donderdagmiddag 11 april in Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond te Amsterdam. 

Het is fijn dat de Woutertje Pieterse Prijs weer twee jaar verder kan. Hoe meer prijzen, hoe meer vreugd.
Ook wordt de traditie voortgezet dat de jury grotendeels bestaat uit mensen van wie niet meteen duidelijk is of ze een ruime ervaring hebben in het lezen van jeugdliteratuur. (Er is natuurlijk geen verschil tussen jeugd- en kinderboek. Onze jeugd begint immers bij de geboorte.) En dat de voorzitter iemand is die veel in de publiciteit is geweest.
Je hoeft geen 'jeugdliteratuurexpert' te zijn om te kunnen oordelen over jeugdliteratuur. Leeservaring op dat gebied helpt wel, soms.



woensdag 28 november 2018

Van oude journalisten die niet voorbijgaan

Sinds kort ben ik geabonneerd op Argus.
Voor jonge lezers die op dit elke twee weken verschijnend krantje stuiten, is het wellicht een curieus verschijnsel, geschrijf in de marge. De namen onder de artikelen zal hen weinig zeggen. Hopelijk spreken de artikelen hen aan.

Maar ik ben geen jonge lezer, ik ben 71 en mij zeggen de namen wel iets. Een feest der herkenning. Namen van een oude VPRO-garde, uit de hoek van Vrij Nederland en Het Parool. De naam Argus: die van de ijverige speurder uit de verhalen over Ollie B. Bommel, een creatie van Marten Toonder. Zijn portret (dat van Argus) prijkt voor op de krant en de website.




Hoofdredacteur Paul Arnoldussen kwam ik een eeuwigheid geleden tegen in het kantoortje van uitgeverij Sjaloom, toen men daar net begon met het uitgeven van linksige kinderboeken. Hij heeft heel lang bij Het Parool gewerkt. Medehoofdredacteur Rudie Kagie: die naam ken ik uit de kolommen van Vrij Nederland. Theo Bouwman: 'uitgever'. Ja, en vroeger van Vrij Nederland.
Ook andere namen onder artikelen roepen herinneringen in me op.

Het was tot nu toe aan me voorbijgegaan, een hint van een oud Leesgoed-redactiegenote bracht me op het spoor. Dat ene artikel in de Volkskrant op 30 november 2016 was me niet opgevallen. Het draagt de kop 'Lekker een krantje maken, net als vroeger', en de eerste alinea's luiden aldus:

Een grijze golf stroomt over drie maanden terug in de journalistiek. Gepensioneerde journalisten van Vrij Nederland en Het Parool, aangevuld met onder anderen oud-collega's van de Haagse Post, Opzij en De Telegraaf, brengen op 1 maart Argus op de markt.

Het tweewekelijkse 'auteursblad' presenteert zichzelf als 'dwars met een glimlach'. Het nieuws wordt bekend in de week dat Vrij Nederland voor de laatste maal als weekblad verschijnt. Dat zal geen toeval zijn.

Er staat een mooie foto bij, van Caroline Torenbeek, Rudie Kagie, Paul Arnoldussen en Bas Lubberhuizen in café Scheltema (foto Aurélie Geurts).



Ja, en hoe bevalt het?
Goed, dank je. Ik blijf lezen, dat is een goed teken. Zelf omschrijven ze de inhoud als 'smakelijke opiniekrant, zo’n blad dat we zelf graag zouden lezen, ingaand op het nieuws, maar ook met al dan niet actuele grotere verhalen waar het schrijfplezier vanaf spat', en tot nu toe, na twee nummers, kan ik dat onderschrijven. Ik hoop dat ze nog even volhouden.

Het blad kost twee euro per nummer ofwel € 50,- per jaar. Abonneren kan hier.


woensdag 21 november 2018

Aantal bezoekers Literatuurmuseum/Kinderboekenmuseum stijgt vooral door Kinderboekenmuseum

Op basis van een trots persbericht d.d. 20-11-2018:

100.000e bezoeker voor Literatuurmuseum/Kinderboekenmuseum!


Dinsdag 20 november kwam bij het Literatuurmuseum / Kinderboekenmuseum de 100.000e bezoeker binnenlopen. Wie van de leerlingen van de Shri Vishnu-school uit de Haagse Schilderswijk precies de gelukkige was, is onduidelijk,  maar dat mocht de pret niet drukken. De hele klas werd in het zonnetje gezet, zo was er voor iedereen een leuk presentje en kreeg de klas een schrijversbezoek cadeau.

Wat een mooie dag is het vandaag,’ aldus directeur Aad Meinderts. ‘Omdat wij er zijn?’ vroeg een van de vierdeklassers. ‘Precies!’ Meinderts benadrukt dat het museum van mening is dat elk kind recht heeft op mooie verhalen. 
Dankzij de vele schoolklassen die we ontvangen, brengen we heel veel kinderen in aanraking met verhalen en de kracht van verbeelding. Daar zijn we trots op en zien we als een belangrijke taak. We staan voor leesbevordering en het op speelse wijze stimuleren van de eigen talenten en creativiteit.’ 
Het Literatuurmuseum/Kinderboekenmuseum is onder meer een van de partners van de Leescoalitie en participeert sinds begin dit jaar in het taaltraject De Schoolschrijver.

Ook in 2017 wist het Literatuurmuseum/Kinderboekenmuseum de magische grens van 100.000 bezoekers te halen; dat was echter op 30 december. 
De steeds stijgende bezoekersaantallen zijn vooral te danken aan het Kinderboekenmuseum, dat onlangs nog genomineerd was voor de prestigieuze Children in Museums Award en dat van kinderen via Museumkids een rapportcijfer van 8,8 krijgt. 
Naast een museale functie heeft het Literatuurmuseum / Kinderboekenmuseum ook een archieffunctie: het is de literaire schatkamer van Nederland. Afgelopen jaar verwierf het museum enkele prachtige collecties, waaronder het archief van de Toonder Studio’s, en verschenen er enkele belangrijke schrijversbiografieën op basis van de museumcollectie.

Overigens zoekt het Kinderboekenmuseum nog ambassadeurs.


zondag 18 november 2018

Sprookjes van The

Sprookjes van overal is niet het eerste sprookjesboek van The Tjong-Khing, wel het eerste dat ik bespreek. Het is net als De dertig mooiste verhalen van de sprookjesverteller en Sprookjes van Andersen (van The Tjong-Khing 'de sprookjesverteller') een kloek boek, gebonden en met leeslint. En ook dit boek is uiteraard geïllustreerd door The Tjong-Khing zelf, met veel paginagrote platen, maar ook kleinere illustraties.



Bronnen van de dertien verhalen ontbreken, verantwoording van de selectie eveneens. Jammer, want het is een interessant allegaartje, met zowel 'De tweede reis van Sindbad de zeeman' als 'Belle en het monster' en 'Jaap en de bonenstaak' en een hier relatief onbekend sprookje als 'Zout op de ekster' uit Zweden. 'Sprookjes van overal', inderdaad. Lijkt het meest op een greep in een sprookjestrommel met blindendoek om.



Khing hanteert een makkelijke, losse vertelstijl, bijna spreekstijl, als een (groot)vader die aan de rand van het bed zijn kinderen voorleest. Hij begint steevast met 'Lang, lang geleden, heel ver hier vandaan', gevolgd door 'was er eens', 'waren er eens' of 'leefde er eens' o.i.d., en eindigt vaak met een moraal, soms refererend aan een vermeend genrekenmerk, zoals in

In sprookjes zijn stiefmoeders bijna altijd jaloers en gemeen.
Nou ja, daarvoor zijn het dan ook sprookjes.

(Eind van 'Prinses Hase) Of:

Jaap heeft een boon aangenomen van een vreemde en het is heel goed voor hem afgelopen. Maar hé, dit is een sprookje! In het echt moet je nóóit iets aannemen van iemand die je niet kent.
Maar dat wist je natuurlijk al.

(Eind van 'Jaap en de bonenstaak'.) Of:

Pfff, wat een verhaal. Maar in sprookjes kan alles, dat blijkt maar weer. Wees maar blij dat jouw leven geen sprookjes is.

(Eind van 'Rosa'.) Zoals hier spreekt hij vaker het veronderstelde publiek aan, en soms voert hij zichzelf op, zij het niet vaak en heel onnadrukkelijk.
Het valt nog mee dat hij zijn verhalen niet eindigt met 'en ze leefden nog lang en gelukkig', anders zouden ze met hun rituele begin perfect in het sprookjescliché passen. Dat geldt ook voor het veelvuldig voorkomen van koningen, prinsen en prinsessen e.d.
Ze lijken soms wat onlogisch, voor ons soort lezers, en daar breit de verteller soms een mouw aan door een verklaring te verzinnen, zoals in 'Jaap en de bonenstaak':

Weer klopte hij op de poort van het kasteel en weer deed de reuzenvrouw open. Ze had slechte ogen, dus gelukkig herkende ze hem niet.

Sprookjes zoals deze, gebaseerd op oude verhalen, zou je ook toververhalen kunnen noemen. Plaats en tijd zijn (anders dan in sagen en legenden) onbestemd. Er komen vrijwel altijd magische elementen in voor, die doorgaans ook een rol spelen in de intrige. Er komen soms mensachtigen in voor die duidelijk niet homo sapiens zijn: elfen, dwergen, trollen, feeën, reuzen. Met de hoofdpersoon loopt het vrijwel altijd goed af, in tegenstelling tot stiefmoeders.



Er is een grote variatie aan intriges - maar niet oneindig, ze zijn door Anti Aarne en Stith Thompsom, later nog aangevuld door Hans-Jörg Uther (zie de zogenoemde Aarne-Thompson-Uther-index) en Vladimir Propp (Владимир Яковлевич Пропп) keurig in beeld gebracht.
Hieronder vallen niet de zogenoemde cultuursprookjes, sprookjesachtige verhalen die in de 19e eeuw en later werden geschreven. Verreweg de bekendste zijn die van Hans Christian Andersen - die zijn verhalen overigens geen sprookjes noemde. Deze verhalen hebben een aanwijsbare auteur, maar dat heeft vele bewerkers er niet van verhinderd ze lustig om te spitten. Dat past dan weer wel in de sprookjestraditie, want ook die oude verhalen zijn vele malen bewerkt.



The Tjong-Khing heeft daar nu zijn bewerkingen aan toegevoegd. Geen opmerkelijke bewerkingen, maar ze laten zich goed voorlezen en de oude meester maakt nog steeds prachtige platen.



The Tjong-Khing de sprookjesverteller. Sprookjes van overal. Gottmer, 2018, ISBN 978 90 257 7013 6, 168 p.



dinsdag 9 oktober 2018

Vriendschap is alles

van Stine Jensen is uitgevoerd in dezelfde stijl als Lieve Stine, weet jij het?
Het richt zich tot hetzelfde publiek: kinderen van 9 en ouder. Je moet vlot kunnen lezen en woorden als egoïstisch, vriendschapsduo, vriendschapsprofessorkarakterontwikkeling of knuffelvrienden kunnen begrijpen, maar moeilijk is het niet en sex blijft buiten beeld. (Het hoofdstuk over knuffelvrienden gaat over knuffeldieren als vriend.)

Het is wel anders van opzet. Lieve Stine, weet jij het? wekte de indruk gebaseerd te zijn op brieven en de bijbehorende website waar kinderen hun vragen konden of kunnen stellen is er nog steeds, zij het onbeveiligd, wat met zo'n type website eigenlijk wat riskant is.
Vriendschap is alles is ingedeeld in hoofdstukjes:




Ieder hoofdstukje na de 'Inleiding', waarin ik word aangespoord om een vriendschapspaspoort zoals dat van Stine Jensen te maken, ...



... begint met een pagina in kleur met enkele antwoorden van bij voornaam genoemde kinderen (hun leeftijd staat er ook bij) op vragen over het onderwerp van dat hoofdstuk.
Hier bijvoorbeeld die over 'Dierenvriendschappen':




Of die antwoorden en kinderen echt zijn, staat er niet bij, maar op p. 119 dankt de auteur o.a. 'alle kinderen en volwassenen die vragen over vriendschap wilden beantwoorden'. Ik wil wel aannemen dat de antwoorden niet verzonnen zijn.



Ook illustratrice Karst-Janneke Rogaar wordt daar bedankt: zij kwam met het idee voor dit boek.

Zou ik het cadeau willen geven aan een pakweg tienjarige?
Ja, dat denk ik wel.

Op zijn minst zet het de lezer aan tot nadenken over vriendschap en eigen vrienden. Dat is het doel van dit boek en daarin is het geslaagd.
Paar opmerkingen.
Op p. 19 staat

Echte vrienden ben je met iemand omdat je die persoon aardig en leuk vindt. Omdat je het gezellig hebt en samen kunt spelen. Niet omdat je iets nodig hebt van diegene of omdat hij of zij zo handig is of veel spullen heeft.

Is dat niet ietwat in tegenspraak met p. 49:

Ten tweede is er de nuttige vriendschap: dat zijn vrienden die een klusje doen voor jou en jij voor hen. Bijvoorbeeld als je iemand nodig hebt om je band te plakken, of iemand die slim is en met wie je samen huiswerk kunt maken..

En op p. 27 wordt ene Robin Duncar genoemd.

Hij zegt dat je maximaal 150 contacten kunt onderhouden. Daaronder vallen natuurlijk je vrienden, maar ook je familie, buren, klasgenoten en bekenden. Dat noemen we 'Dunbars getal'.

Wie die Dunbar is, legt ze helaas niet uit en dat geldt ook voor de 'Griekse filosoof Aristoteles' op p. 20.
Maar op p. 113 beweert ze enthousiast dat je 'online veel meer mensen aan kan dan in het echt. Online hebben sommige mensen wel duizenden volgers of vrienden.'
Dat relativeert ze dan weer wel op p. 114.







Stine Jensen. Vriendschap is alles; met illustraties van Karst-Janneke Rogaar. Kluitman, 2017. ISBN 978 90 206 2234 8, 124 p.







zondag 7 oktober 2018

40 jaar werk voor IBBY Nederland

Een opmerkelijke mededeling in het laatste papieren bulletin van IBBY Nederland: secretaris en penningmeester Toin Duijx gaat uit het bestuur.



Dat vindt die mededeling belangrijk genoeg om er een aparte brief aan te besteden en gelijk heeft het, want Toin Duijx was zo ongeveer het boegbeeld van de Nederlandse sectie van de International Board on Books for Young people (IBBY). Een markant boegbeeld, dat ook nog eens.
Toin Duijx kon bergen werk verzetten en het is tekenend dat boven het bericht van zijn afscheid op de website van IBBY Nederland staat: 'Geplaatst door Toin Duijx'.
Hij kón heel diplomatiek zijn, maar nam soms geen blad voor de mond als iets of iemand hem niet beviel. Een afspraak was een afspraak en als die niet werd nagekomen, dan liet hij zijn ontstemming daarover in duidelijke bewoordingen weten.
Ze gaan hem zeker missen, die bestuursleden.
Er zijn twee nieuwe: Annette de Bruijn wordt secretaris en Liselotte Dessauvagie, die al een jaar in het bestuur zit, is nu penningmeester.

De foto is overigens niet van zijn afscheid, maar van de toekenning aan hem van de VvL-penning in 2011, met dank aan Annemarie Bon.

zaterdag 29 september 2018

De heks in het woud

Soms vind ik het lastig om te beschrijven waarom een verhaal het nèt niet is.

Dat lukt dan niet door samen te vatten wat er in dat verhaal gebeurt.
Neem Het meisje dat de maan dronk van Kelly Barnhill, dat in 2016 als The Girl Who Drank The Moon verscheen bij Algonquin Books of Chapel Hill, VS, en het jaar daarop prompt een Newbery Medal won.
Maar wacht even: samenvatten is interpreteren, hoe ogenschijnlijk neutraal ook. Laat me een poging doen.

Een gemeenschap, genaamd het Protectoraat of ook wel de Stad der Verdrietigen, is permanent in rouw omdat er ieder jaar een pasgeboren kind moet worden geofferd, volgens de ouderlingen en de wachters.
Dat kind wordt meegenomen door een heks, wordt gefluisterd.

Op een dag wordt een baby geofferd, die inderdaad wordt meegenomen door een heks. Die stelt haar per ongeluk zo lang bloot aan maanlicht dat het kind magische krachten krijgt en de heks besluit haar niet naar de Vrije Steden te brengen maar zelf groot te brengen.

Dat meisje bevrijdt dertien jaar later de Stad der Verdrietigen van de oorzaak van hun verdriet.

Kan het anders? Natuurlijk kan het anders.

Een door maanlicht betoverd meisje bevrijdt haar moeder en dorpsgenoten van een slechte vrouw, die leeft van het verdriet van anderen.

Even laten zien dat ik maar enkele woorden hoef toe te voegen om deze korte samenvatting een andere lading te geven:

Een door een overdosis maanlicht betoverd meisje, dat uiteraard Luna heet, redt haar moeder en dorpsgenoten uit de klauwen van een slechte vrouw, die leeft van het verdriet van anderen.

Ik zou ook nog wat details toe kunnen voegen, maar zoals veel recensenten wil ik de intrige niet geheel verklappen.
Wel kan ik de tekst op de achterkant van het boek nog toevoegen als samenvatting, die dus niet van mij is:

Elk jaar laten de dorpelingen een baby achter als offer voor de heks in het woud. Niemand weet dat Xan, de gevreesde heks, de achtergelaten kinderen juist liefdevol naar families aan de andere kant van het woud brengt. Dit keer voedt ze het achtergelaten kind per ongeluk met maanlicht, waardoor het meisje vervuld raakt van magie. Xan besluit Luna op te voeden als haar eigen dochter. Met de jaren worden Luna's magische krachten sterker. 
Wanneer haar dertiende verjaardag nadert, besluiten de dorpelingen eindelijk jacht te maken op de heks die hun leven al jaren overschaduwt. Zij weten niet dat Xan en Luna hun magie goed gebruiken en dat het echte kwaad veel dichterbij is...

Kan ik met zulke samenvattingen tonen dat dit verhaal het nèt niet is? Zeker niet, tenzij mijn lezers bij voorbaat ieder verhaal met magie en in onze wereld beslist niet voorkomende zaken afwijzen. Maar dat doe ik zelf niet, ik ben niet vies van wat magie en fantasiewerelden. De intrige is juist de sterke kant van het verhaal. Relatief dan, want er zitten net wat teveel toevalligheden in en die verzwakken de boel een beetje.

De oude Grieken wisten het al: onontkoombaarheid versterkt een verhaal tót de grens dat het geheel voorspelbaar wordt. Bij hun oude onontkoombaarheid hoorde ook steevast een tragisch dilemma - en dat ontbreekt in dit verhaal, op een klein (en daardoor interessant) zijlijntje na, dat van de jongen Anteen - broer van Luna en neef van de belangrijkste ouderling.
Hoe meer een verhaal van toevalligheden aan elkaar hangt, hoe zwakker ik het vind. Voor alle duidelijkheid: Het meisje dat de maan verdronk hangt niet (geheel) van toevalligheden aan elkaar, er zit opbouw en logica in en ook verrassingen zoals het feit dat de wachters vrouwen zijn en de volstrekte onnadrukkelijkheid van de huidskleur van de personages: de kleur van barnsteen.
En ook dit zou de auteur ontleend kunnen hebben aan de oude Griekse tragedies: het echte drama speelt zich af in familieverband.
Luna's moeder wordt als gek opgesloten (bij de wachters), ouderling Gerland is toegeeflijker voor leerling-ouderling Anteen omdat die zijn neef is. Anteen deinst terug voor ouderlingtaken maar blijft juist nog even volhouden omdat Gerland zijn oom is - en de broer van zijn moeder. In het woud worden Xan en Luna vanzelf ook een familie, samen met het moerasmonster Zwomp en het aandoenlijke minidraakje Vurian, dat trouwens door dit verhaal dartelt zoals ook de scenaristen van Disney's studio's graag van die kleine lieve beestjes in hun verhaal stoppen. Het drama is daar dat Luna's magische krachten groeien ten koste van haar pleegmoeder Xan. Met die krachten redt ze allereerst haar moeder!

De intrige had wat mij betreft iets strakker, iets minder ingewikkeld gemogen, maar er zitten beslist sterke kanten aan, inclusief het tragisch moment dat Anteen bijna zijn zus doodt, omdat hij haar aanziet voor de heks. (Ja, want uiteraard is híj uiteindelijk degene die het woud intrekt om de vermeend kwade heks te doden.)

Wat me minder bevalt, is de verteller. Die weet te veel, is me te uitbundig, en kiest soms ook rare woorden. Zo'n uitdrukking (p. 10) als

een breed scala aan medicinale en mogelijk magische planten

past niet in het register van de omringende tekst. Idem (p. 193) dat ze (de moeder)

ook moest zorgen dat ze terug was in haar cel voordat de nieuwe atoomverbindingen knapten en uit elkaar vlogen.

Het is de enige keer dat atomen een rol spelen in het verhaal en het past niet. Slordig, raar.
Zo ook de steenvlakte (p. 257) die

duidelijk in de hens

stond. Had gewoon in brand gekozen: had veel beter gepast in de rest van de tekst.
Het zijn maar enkele voorbeelden.
Mogelijk is aan zo'n laatste uitglijder de voornaamloze vertaler H.C. Kaspersma debet, dat weet ik niet.

De verteller weet te veel (en dat kan de vertaler niet helpen). Twee voorbeelden.
Op p. 17 verklaart ze uitvoerig waarom de Ouderlingen zo handelden, veel te uitvoerig, om dan als klap op de vuurpijl nog mee te delen:

Maar ze hadden het mis, helemaal mis.

Jammer, overbodig. Daar komen we als lezer zelf wel achter. Ook op p. 275 staat bijvoorbeeld zo'n uitweiding, die niet geheel overbodig is maar wel veel te lang. Deze verteller wil teveel verklaren. En dat Xan's lippen gerimpeld zijn, lees ik ook net te vaak.
Verder bevalt me niet dat het toontje dat van een alledaags verhaal is, terwijl het gaat over beslist onalledaagse verschijnselen. Lees p. 19 als voorbeeld van wat ik bedoel. Hier spreekt een bijna vijfhonderjarige heks met een enorm moerasmonster alsof er aan de keukentafel van een gezinnetje om de hoek wordt gesproken. Een vreemd register, met soms ook vreemde uitdrukkingen, zoals

het grote hoofd van het moerasmonster slobberde boven het blauwgroenige water uit.

Slobberen? Hm.

Nou ja, zo zou ik door kunnen gaan.
Een betere verteller had met deze intrige een véél beter verhaal kunnen maken.



Kelly Barnhill. Het meisje dat de maan dronk. Leopold, 2018. ISBN 978 90 258 7446 9, 344 p. Oorspr.: The Girl Who Drunk The Moon, 2016. Vert.: H.C. Kaspersma.