Zoeken in deze blog

donderdag 21 januari 2021

Klaus Mann en zijn zwaarmoedigheden

Als ik ooit een roman zou gaan schrijven, is het eerste wat ik me zou afvragen: wie gaat er vertellen?
 
Het antwoord kan natuurlijk heel argeloos zijn: ik. 
Maar wie ben ik? En als ik na tien jaar mijn roman herlees, ben ik dan nog dezelfde?
 
De argeloze oplossing is een verplaatsing van de vertelkring naar de geschreven tekst. In de kring ben ik de verteller, mensen luisteren (hopelijk, of ze doen alsof). Er is bijna geen twijfel mogelijk. Bijna: want ik kan mij vermommen, voordoen als een ander, doen alsof. We belanden in het theater, al dan niet digitaal.
De Ickabog, het verhaal dat ik las vóórdat ik de roman las waarover dit stukje zal gaan, is zo'n verhaal. De auteur heeft de voorleessessies waaruit het verhaal ontstond, eenvoudig verplaatst naar de geschreven tekst. Als je wil, kun je dit ook een theatertruc noemen. De verteller doet alsof hij of zij de auteur is, met de naam die op het omslag staat. Dat is dus ook zo, behalve dat de levende auteur met de tijd mee verandert en de verteller in het verhaal niet.

Het antwoord kan ook zijn: de hoofdpersoon. Of een van de hoofdpersonen. Of een ander personage. Dat is natuurlijk een variant op de verteller-die-doet-alsof zoals hierboven geschetst. De verteller maakt dat soms al in de eerste zin duidelijk: 
 
I was born in the year 1632, in the city of York, of a good family, though not of that country, my father being a foreigner of Bremen, who settled first at Hull. 
 
Op de voorkant staat echter Daniel Defoe vermeld, en lezers van The Life and Adventures of Robinson Crusoe zullen snel beseft hebben dat in die eerste zin zogenaamd niet Defoe aan het woord is. Ze zullen even snel beseft hebben dat Defoe hier een fictieve verteller schiep.
 
In de 20e eeuw kwam de onpersoonlijke verteller in zwang. Zo'n verteller die zich niet voorstelt, niets over zichzelf meldt en alleen maar beschrijft.
Neem dit begin uit een bekend verhaal, verschenen in 1924:

‘Satanse jongen, hou die bout vast!’
‘k Hou 'm toch vast, baas?’
‘Noem je dat vasthouden? Jij zult nooit een goeie smid worden!’
Peter Hajo zweeg even. ‘Wil ik ook niet,’ pruttelde hij toen.
‘W-wat zeg je? Wil jij geen smid worden?!’
‘Nee, baas. 'k Wil naar zee.’
Meester Wouter, de hoefsmid uit ‘De IJzeren Man’, liet de zware voorhamer, die
hij juist had opgeheven, van verbazing een seconde lang in de lucht zweven. Toen
dreunde een mokerslag; de vonken stoven meester en knecht om het gezicht.
‘Gekkenpraat!’ zei de hamer in zijn ijzeren taal.
Peter Hajo keek zwijgend naar het roodgloeiende bouteinde.
Hij verstond de taal van de voorhamer! Als hij in het halfdonker van de
wintermorgen de rossig-schemerende smederij binnenkwam, had hij buiten al gehoord
hoe zijn baas gemutst was.

Wie is hier aan het woord? Wie leent hier zijn of haar stem aan twee personages, wie weet wat Peter Hajo verstaat? We krijgen het niet te weten.
De argeloze lezer kijkt op de voorkant van het boek, ziet de naam Johan Fabricius en denkt: dat is 'm. Maar op De wondere avonturen van Arretje Nof (1926-1927) en Jongensspel (1965) en nog tientallen andere boeken staat ook die naam en is dat dan dezelfde verteller?

Hoe dan ook, ik kwam tot deze bespiegelingen bij het lezen van De naam van mijn vader van Rindert Kromhout. Dat is de derde en laatste roman 'over Klaus Mann voor bijna-volwassen en volwassen lezers', zoals op zijn website staat.
 
Eerder schreef hij een drietal romans over de Bloomsbury-groep (Soldaten huilen niet, April is de wreedste maand en Vertel mij wie wij waren). In 2016 verscheen Een Mann, in 2018 En ik was zijn held. In alle zes verhalen speelt homoseksualiteit een rol - ik vermoed dat dit iets was dat de auteur aantrok in de twee beschreven families.
'Beschreven families': want al hebben we te maken met romans, in wezen fictie, Rindert Kromhout heeft zich zo degelijk verdiept in de geschiedenis dat het bijna non-fictie had kunnen zijn. Wellicht was dat een betere keuze geweest, want dat had hem de kans gegeven zijn persoonlijke betrokkenheid bij deze families te tonen. Nu verschuilt hij zich achter de vertellers die hij koos.

Daar zit wel een interessant verschil. Treden er in de romans over de Bloomsbury-groep vertellers op uit die groep, in de trilogie over de familie Mann, of beter over Klaus Mann, treedt een onpersoonlijke verteller op. Ik betwijfel of dit een gelukkige keuze was. Het zou ongetwijfeld een veel grotere uitdaging zijn geweest, maar ik denk dat hij ook in deze romans beter een personage als verteller had kunnen opvoeren. Dat had uiteraard Klaus Mann kunnen zijn, waarbij het dan ingewikkeld is dat deze auteur zelf twee autobiografieën heeft geschreven, Kind dieser Zeit (1932) und Der Wendepunkt (1942), die hij zelf als 'in erster Linie als literarische Texte zu lesen'  aanbeval. Maar het had ook zus Erika kunnen zijn, die een diepe band met Klaus had, of zijn legermaat John Tewskbury, de soldaat die Klaus Mann in De naam van mijn vader in 1945 als chauffeur-fotograaf begeleidde op zijn journalistieke missie voor de krant Stars and Stripes.

Afijn, we moeten het doen met die onpersoonlijke verteller, die ons als een soort gids voorgaat in de beschrijving van dit deel van Klaus Manns leven. Want dat blijft het, ondanks de vele dialogen die wat leven moeten brengen. Het sterkste deel vond ik hoofdstuk 12, waarin de verteller Klaus laat ronddwalen door de stad van zijn jeugd en praten met diverse andere personages. Sterk vond ik ook wel het idee om die rit van Rome naar München als rode draad te nemen, waarbij Klaus dan zijn levensverhaal vertelt aan John. Jammer echter dat dit verhaal door die onpersoonlijke verteller die het dan als het ware van Klaus overneemt wat mij betreft te stijfjes wordt, ontdaan van de geur en kleur van leven, en verpieterd door het inlassen van informatie die minder met de beleving door hoofdpersoon Klaus als met ons lezers van doen heeft, alsof de verteller bezorgd is dat hij ons te weinig vertelt.

Dat begint al meteen op de eerste bladzijde. Ik citeer:

Oorlogsverslaggever Klaus Mann, sergeant in dienst van het Amerikaanse leger, pakte zijn rugzak in en verliet het kleine hotel achter het Pantheon. Te voet ging hij naar het redactiekantoor van de Stars and Stripes, de legerkrant waar hij voor werkte, om zijn instructies in ontvangst te nemen. Het was druk op straat. Huisvrouwen droegen verrassend volle boodschappentassen, magere straatverkopers prezen luidkeels hun wat armoedige ogende waren aan, oude mannen zaten op terrasjes wijn te drinken. Aan weinig was te zien dat dit een stad in oorlog was geweest. Vrijwel geen gebouw was beschadigd door bommen of kogels. Het respect voor het historische stadscentrum had de geallieerden tot terughoudendheid bewogen. Klaus passeerde het theater aan de Largo Argentina, gooide een muntstuk naar een blinde bedelaar die met een hond op een kleedje op de stoep zat en ging rechtsaf de smalle winkelstraat in die naar de Campo dei Fiori leidde. Het redactiekantoor van de Stars and Stripes bevond zich op de tweede verdieping van een licht naar voren hellend palazzo aan de zuidkant van het plein, boven een eethuis en een woning met krijsende kinderen en hun nog harder krijsende moeder. Klaus beklom de trappen en ging het kantoor binnen.

Einde eerste, lange alinea.
Ik merk dat de verteller zijn best doet om filmisch te vertellen, zodat we het tafereel voor ons zien. 
Met de beleving van de hoofdpersoon heeft dat weinig te maken, want we mogen aannemen dat die zijn verrassing over volle boodschappentassen en de geringe beschadiging allang heeft gehad en zo'n zin als dat 'het respect voor het historische stadscentrum de geallieerden tot terughoudendheid had bewogen' zou op dit moment zeker niet door hem heen zijn gegaan, al helemaal niet in die formele bewoordingen. Dat het kantoor van zijn krant licht voorover helt, heeft-ie natuurlijk ook allang waargenomen.
Dit is allemaal voor ons, lezers, en dat werkt vooral afstandelijk, alsof we worden meegenomen door een reisgids.

Dat wordt iets levendiger in de dialogen, maar soms zijn die ook erg houterig, zoals deze:

'Echt waar? Klaus Mann, volgens mij ben jij interessanter dan ik had vermoed. je maakt me nu werkelijk nieuwsgierig.'
Klaus glimlachte. 'De komende dagen zijn we tot elkaar veroordeeld, ik denk dat ik meer dan genoeg tijd zal krijgen je het een en ander te vertellen.'

Joh.

Zo valt er helaas veel houterigs te citeren. Nog een (p. 15), en daar laat ik het bij:

'Maar dit kan ik toch werkelijk niet over mijn kant laten gaan.' Fel tikte vader met zijn wijsvinger op de krant die voor hem op het bureau lag. Klaus en Erika zaten tegenover hem in zijn werkkamer in Küsnacht. De ramen boden uitzicht op het dorp onder hen en het nog lager gelegen Meer van Zürich.
'Ik zal me hier in het openbaar en met klem van moeten distantiëren,' zei vader.
Klaus was aangenaam verrast. Al sinds de dag, meer dan drie jaar geleden, waarop zowel hij als Erika Duitsland hadden verlaten om in ballingschap te gaan, Erika in Zwitserland, Klaus in Berlijn en Amsterdam, hadden ze er bij hun vader op aangedrongen zich publiekelijk uit te spreken tegen de nazi's.
Maar de tovenaar, zoals hij in familiekring werd genoemd, had gezwegen. Tot aan dit moment. Want nu, nu ze probeerden Thomas Mann en de geëmigreerde Joodse schrijvers en uitgevers tegen elkaar uit te spelen, was zelfs voor hem de absolute grens van wat hij kon verdragen overschreden.

Het ontbreekt nog maar net aan een tussen haakjes toegevoegde verwijzing naar de roman En ik was zijn held. Ook hier geldt dat er weinig beleving wordt weergegeven. Verder dan dat verrast komen we niet. De rest is informatie voor ons, lezers.

Kortom, al is dit portret niet onverdienstelijk, het pakt me niet bij de kraag, laat me niet tintelen, zet me er niet toe om het in één ruk uit te lezen. Gedegen en onderhoudend, meer lof kan ik niet geven.
 

Kromhout, Rindert. De naam van mijn vader. Leopold, 2020. 252 p., ISBN 978 90 258 8015 6.


maandag 18 januari 2021

Lesje dictatuur voor achtjarigen

En toen was daar opeens weer een verhaal voor kinderen van Joanne (J.K.) Rowling. Het verscheen deel voor deel op internet, ter ondersteuning van kinderen die wegens corona thuis zaten, en er hoorde een tekenwedstrijd bij. 
De Nederlandse uitgever (De Harmonie, in Vlaanderen Elkedag Boeken) pakte dit idee bliksemsnel op, met als resultaat dat er in de Nederlandse vertaling van The Ickabog, niet verrassend De Ickabog getiteld, tekeningen staan van kinderen uit Nederland.

Dit verklaart Rowling over het ontstaan van The Ickabog:

I had the idea for The Ickabog a long time ago and read it to my two younger children chapter by chapter each night while I was working on it. However, when the time came to publish it, I decided to put out a book for adults instead, which is how The Ickabog ended up in the attic. I became busy with other things, and even though I loved the story, over the years I came to think of it as something that was just for my own children.

Then, in the Spring of 2020, lockdown happened. It was very hard on children, in particular, so I brought The Ickabog down from the attic, read it for the first time in years, rewrote bits of it and then decided to publish it online for children stuck at home.  I also thought how wonderful it would be if children on lockdown illustrated the story for me, and so we launched the Ickabog illustration competition, run by my publishers around the world.

Het spijt mij zeer dat ik dit heb gemist. De Ickabog bereikte mij als boek, niet als reeks op internet. Aangezien ik wel bij buren en anderen heb meegekregen dat het verplicht thuis blijven voor ouders en kinderen soms behoorlijk lastig was en is, vind ik het een mooi initiatief van Joanne Rowling.
 
Het lijkt wel een beetje op een met losse hand uit de mouw geschud verhaal, ondanks die herschreven 'bits of it'. Ik zou niet geraden hebben dat deze auteur een zeven delen tellende reeks verhalen heeft geschreven waarvan er zo'n 500 miljoen over de toonbank zijn gegaan en die inmiddels is verfilmd.
 
Hoewel, in De Ickabog zitten genoeg elementen voor een rode-oortjes-verhaal, zo'n verhaal waarvan je absoluut wil weten hoe het afloopt, zeker als je een jaar of acht bent. Dat het hier en daar wel erg dik is aangezet en dat koning Fred wel erg ongeloofwaardig is, zal de meeste jonge lezers waarschijnlijk niet deren, evenmin als het happy end, dat bij menig volwassen (voor)lezer een vrolijk kriebeltje zal opwekken als-ie ontdekt dat de monarchie wordt afgeschaft. 
 
Helaas wordt de koning simpelweg vervangen door een stel raadsheren, dus een lesje in democratie is dit verhaal niet echt. Wel krijgen lezers mee dat bestuurders naar de bestuurden dienen te luisteren, dat een goede regering ervoor zorgt dat mensen zich kunnen ontplooien en uiten, en dat goede bestuurders zich niet verrijken ten koste van de bestuurden. Mensen in het gevang gooien of doden omdat hun meningen bestuurders niet aanstaan, is not done. Er moet een fatsoenlijke rechtspraak zijn.
Dat is mooi meegenomen, vind ik. Want dezer dagen wordt dat steeds minder vanzelfsprekend dan het ooit was. En hoe het mis kan gaan, wordt in dit verhaal lekker dik neergezet, Steenrijk wordt straatarm op de machthebbers na, er verdwijnen mensen, er vallen doden en de gevangenis zit vol.
Over zaken als vertegenwoordiging, inkomensverschillen e.d. wordt niet gerept, als politieke parabel is dit verhaal een tikje te simpel, maar het is wel een vrolijk, zij het wat krom lesje dictatuur voor achtjarigen.
 
Het is dan ook meer een sprookjesachtig verhaal, compleet met monster. Het speelt in een laat-Middeleeuws tot achttiende-eeuws aandoende wereld, in een land dat Steenrijk heet. 
Net als in de Potter-verhalen houdt Rowling ervan personages en landstreken een naam te geven die verband houdt met een karaktertrek, de voornaamste slechteriken van dienst heten baron Ter Sluycks en Van Bulckhoven, en de hardvochtige bazin van het weeshuis Ma Snauw, met haar trouwe hulp en oudste weesjongen Jan Lel. Er is één ironische naam: de labbekak van een koning heet Fred de Flinkerd.
Die vertalingen van Wiebe Buddingh' (ook de vertaler van de Harry Potter-reeks) zijn spitsvondig. King Fred the Fearless (het bangst van iedereen voor de Ickabog), Ma Grunter en haar Bashing John, Lord Spittleworth en lord Flapoon, in het land Cornucopia. En professor Fraudysham werd professor Ootje, heel knap, al vroeg ik me af hoeveel jonge lezers de uitdrukking 'in het ootje nemen' nog kennen.

Het hele land blaakt in voorspoed, behalve de zompige moerassen in het noorden, en daar huist de Ickabog. Pas op, de Ickabog komt je halen, waarschuwen sommige ouders hun kinderen als die niet het gewenste gedrag vertonen. Volwassenen nemen aan dat dit monster niet bestaat, zonder dat zeker te weten.
Het gerucht dat het monster wél bestaat, wordt door de twee barons gebruikt om de macht te grijpen, de koning praktisch op non-actief te stellen, hoge belastingen te heffen, zichzelf te verrijken en iedereen uit de weg te ruimen die dwarsligt.
Hoofdpersoon Roos Rondhout (jaja, dochter van de koninklijke timmerman, Engels Daisy Dovetail) moet ook vluchten, komt terecht in het weeshuis van Ma Snauw, weet daaruit na jaren te ontsnappen met drie bondgenoten, ontdekt de Ickabog, die wel degelijk bestaat en eigenlijk een heel zachtmoedig wezen is dat meer van paddenstoelen dan van kinderen houdt, rukt met de Ickabog op en zo komt er een eind aan de heerschappij van de in tirannen veranderde en altijd al vraatzuchtige en inhalige barons. Koning Fred heeft enorm berouw, wordt (net als de baronnen) gevangen gezet, maar krijgt de nobele taak om een wat ruwe nakomeling van de Ickabog op te voeden.
Wie mijn samenvatting al te beknopt vindt, bezoeke de Engelstalige Wikipedia-site: 'This article's plot summary may be too long or excessively detailed. Please help improve it by removing unnecessary details and making it more concise', meldde de Wiki-redactie daar nog op 15 januari 2021.

Roos was een slimme meid en had altijd geweten dat haar vader ervan overtuigd was dat de Ickabog niet bestond, dus dwong ze zichzelf om te geloven dat hij ergens opgesloten zat in een cel en door de tralies voor het raampje omhoog staarde naar dezelfde maan waar zij ook iedere nacht naar keek, voor ze in slaap viel.
Imme Hornby, 11 jaar, Bergen

De verteller van dienst is een naamloze, alleswetende verteller, die zich vaak direct tot zijn publiek richt: veel afstand van de vertellende moeder die haar jonge kinderen voorlas, zie boven, is er niet.
Die verteller weet echt alles. Over koning Fred, op de eerste pagina van het eerste hoofdstuk:

Koning Fred was stiekem opgelucht toen hij merkte hoe gemakkelijk het was om Steenrijk te regeren. Vrijwel iedereen had meer dan genoeg te eten, de kooplui verdienden zakken vol goud en Freds raadgevers handelden de eventuele probleempjes die zich voordeden voor hem af.

En op de tweede pagina:

Een tijdlang leek het erop dat Fred iets voelde voor freule Eslanda, die net zo donker en mooi was als Fred blond en knap, maar Ter Sluycks wist Fred ervan te overtuigen dat ze een veel te serieuze boekenwurm was en dat het volk nooit van zo'n koningin zou kunnen houden. Fred wist niet dat baron ter Sluycks een wrok koesterde tegen freule Eslanda. Hij had haar ooit zelf ten huwelijk gevraagd, maar ze had hem afgewezen.

De verteller weet dat dus wél.
Ze schroomt ook niet om zich te melden, zoals op p. 23:

Doordat Berta de gewoonte had om taarten die nét niet helemaal perfect gelukt waren mee naar huis te nemen, was Bert een mollig ventje en tot mijn spijt moet ik bekennen dat de andere kinderen hem soms 'Bolle' noemden en hem aan het huilen maakten.

En soms spreekt ze (laat ik er maar een vrouwelijke verteller van maken) haar lezers rechtstreeks aan, zoals op p. 118:

Maar hoe zat het dan, vragen jullie je misschien af, met de andere elf raadsheren die onder Visbeen hadden gediend?

(Herringbone, terzijde.) 
Of zo, bijna als een soort voice-over (p. 118-119):
 
Wat Bert niet wist was dat de komst van die koets heel belangrijke gevolgen zou hebben en hem in een gevaarlijk avontuur zou doen belanden. Daarom zullen we Bert even rustig laten doorlopen, zodat ik jullie kan vertellen over de postkoets.

Of (p. 240):

Daar konden de anderen natuurlijk geen antwoord op geven, maar ik wel. Ik zal jullie nu precies vertellen hoe het werkelijk is gegaan en ik hoop dat jullie niet boos zullen zijn dat ik dat niet eerder heb gedaan.

Het is allemaal van een heerlijke onbekommerdheid, recht tegen de regels die op moderne schrijverscursussen worden onderwezen, en het stoort niet in het minst.
Er zit geen millimeter poëzie in dit verhaal, geen dubbele bodems of diepere betekenissen, wel een voor achtjarigen behoorlijke spanningsboog en zeer bevredigend slot. Het is duidelijk het product van een ongebreidelde fantasie en dat het achtjarige lezers of luisteraars ook nog eens mogelijk aan het denken zet over rechtvaardigheid en bedrog, is mooi meegenomen.
 


Rowling, J.K. De Ickabog. Vert. Wiebe Buddingh'. De Harmonie, 2020. 304 p., ISBN 978 94 6336 117 0.

donderdag 7 januari 2021

Wie de koek krijgt, wie de gard

De onvolprezen Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur (SGKJ, de discutabele tautologie zij hen vergeven) heeft de loffelijke gewoonte haar begunstigers elk nieuwjaar een mooie brochure toe te zenden, te beginnen met Wie zou niet gaarne een koning wezen van John Landwehr in 2002 en Suja, suze, eia & nane van Jant van der Weg en Toin Duijx in 2003 tot Aan de zijlijn... drie Friese kinderboekenschrijfsters uit de negentiende en twintigste eeuw van Jant van der Weg in 2020 en nu, aanvang 2021, Wie de koek krijgt, wie de gard, beloning en straf in sinterklaaslectuur voor de jeugd van Frits Booy, dé sinterklaas-expert in ons taalgebied.

Frits Booy heeft drie eigenschappen die hem geschikt maken om zo'n brochure te schrijven: een heldere, precieze stijl, beknopt en onderkoeld; nauwkeurigheid aangaande zijn bronnen; en een enorme belezenheid in dit onderwerp. Het was een genoegen om deze brochure te lezen.
Bijzonder om te weten te komen dat de gard weliswaar al eeuwenlang in de schoen van stoute kinderen verschijnt, maar dat er vooral in de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw uitbundig werd gestraft. Na de Tweede Wereldoorlog neem dat af, de straf verdwijnt vrijwel uit de sintverhalen. Een soort geschiedenis van de pedagogie in mini-formaat.

Booy begint zijn brochure dan ook zo:

Het is algemeen bekend dat in de opvoeding van de jeugd beloning en straf al eeuwenlang zeer belangrijke aspecten zijn. Daarmee hoopten (en hopen) ouders en andere opvoeders de kneedbare jeugd tot oppassende volwassenen te vormen. Dat dat niet altijd lukt, is ook al lang gebleken. Niettemin zijn beloning en straf tot de opvoeding blijven behoren, omdat deze aanpak volgens velen meer voor- dan nadelen heeft.

Geen speld tussen te krijgen, lijkt me. Hij vervolgt:

Uit de geschiedenis van het sinterklaasfeest voor de jeugd blijkt dat beloning en straf eeuwenlang nadrukkelijk tot dit feest hebben behoord en in teksten en op afbeeldingen in  boeken en op centsprenten voor de jeugd zijn vastgelegd. Sinterklaas en later ook zijn donkere bediende(n) werden dus gebruikt als 'opvoedmiddel', al kwamen daar na circa 1750 in bepaalde kringen bezwaren tegen.

Die bepaalde kringen zijn kennelijk klein in getal, want zoals vermeld neemt bij auteurs de lust tot straffen juist toe. Booy laat dat vroege verzet verder onbesproken.

Jan Steen - Het Sint-Nicolaasfeest (rond 1666)

De eerste 'straf' mag dan vanouds het ontvangen van een gard zijn, het in de zak van Sinterklaas meegenomen worden is goede tweede. Die zak werd zelden gedragen door Sinterklaas, daarvoor had hij zijn knecht. De naam Zwarte Piet dateert pas uit de tweede helft 19e eeuw - en zal vermoedelijk in de 21e eeuw langzaam verdwijnen, ondanks verzet van een steeds kleiner wordende minderheid in min of meer dezelfde hoek als de klimaatverandering- en corona-ontkenners en andere onzekere zielen die zich vastklampen aan wat zij als vaste, zo niet eeuwige waarden beschouwen.
Frits Booy doet hierover geen uitspraak en gelijk heeft-ie. Wel bieden deze en voorgaande publicaties van zijn hand uitzicht op een traditie waarin het verschijnen van de 'donkere bediende' een relatief recent verschijnsel is, opvolger van de Bullebak en andere 'kinderschrikken', die dan toch wel mooi de gedaante van een 'Moorse page' heeft aangenomen, tot verdriet van donkerhuidige landgenoten.



Booy, Frits. Wie de koek krijgt, wie de gard, beloning en straf in sinterklaaslectuur voor de jeugd. Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur, 2021. Reeks 'De Waare Rijkdom', nr. 20.


woensdag 6 januari 2021

Dikke vriendjes

Of de twee auteurs van dit lieve prentenboek op de hoofdpersonen lijken durf ik niet te zeggen, maar eensgezind is het echtpaar Schubert altijd geweest, het heeft in artistiek opzicht een indrukwekkende staat van dienst, vanaf Er ligt een krokodil onder mijn bed! (1980) tot het in 2020 verschenen Dikke vriendjes durven alles. Hoewel er wel ontwikkeling in zit, valt de continuïteit in stijl op.
 

De dikke vriendjes gaan met zijn tweeën op stap, want 'samen durven we alles'.
Samen blijken ze ook behendig in het tot overzichtelijke proporties terugbrengen van obstakels, tot er 'iets ritselt' en ze zich 'verstoppen', zoals kleine kinderen dat kunnen doen.
 

 
Het blijkt papa te zijn en die neemt de twee op zijn rug mee naar huis.
 
Een lief, klein verhaal, fijn om voor te lezen. Het springt niet uit de band, is niet heel bijzonder, maar wel vakkundig gemaakt. Vakmanschap is meesterschap.
 
Waar ik vergeefs naar heb gezocht is welk model hamster of marmot de Schuberts als voorbeeld hebben genomen voor de hoofdpersoontjes. Mogelijk de Korenwolf, maar dan hebben ze toch iets aan de kleuren verschoven.
 

Schubert, Ingrid en Dieter. Dikke vriendjes durven alles. Leopold, 2020. ISBN 978 90 258 8058 3, 26 p.

zondag 3 januari 2021

Jenny Smelik-IBBY prijs toegekend

Als vervolg op mijn bericht van 2 november over de shortlist van de Jenny Smelik-IBBY prijs nog even melden dat de prijs werd toegekend aan Julian is een zeemeermin (Randazzo, oorspr.: Julián is a mermaid) van de Amerikaanse auteur Jessica Love, vertaald door Loes Randazzo.
Een heel bijzonder prentenboek, overigens. Maar ik heb het niet in huis, voor een bespreking verwijs ik naar Jaap Friso, wiens Jaapleest de laatste jaren is uitgegroeid tot een naslagwebsite van formaat, compleet met 'de beste 25 kinderboeken van 2020 volgens Jaapleest'. 
Dit prentenboek van Jessica Love zit er niet bij.

dinsdag 29 december 2020

Nieuwe burgers

Had gedacht een tijdje niets over burgers te schrijven, maar de laatste tijd duiken twee nieuwe burgers zo vaak op dat ik ze even welkom wil heten: de burgerjournalist en de burgeronderzoeker.
Die laatste was er al lang, maar in een andere rol: onderzoeker van burgers
Een firma als Eva doet dat bijvoorbeeld voor gemeentes: 'Hoe tevreden zijn uw burgers over het gemeentebestuur, de communicatie en de gemeentelijke dienstverlening?'. Het SCP is er een ander voorbeeld van, dat onderzocht onlangs nog hoe het in 2020 zat met 'het vertrouwen in de politiek'.
Dat is de bekende onofficiële betekenis van burger: iemand die vooral iets niet is, in dit geval gemeentebestuurder, gemeentewoordvoerder en in het algemeen iemand die bij de gemeente werkt. En waarschijnlijk ook geen onderzoeker, want anders onderzoekt die onderzoeker o.a. zichzelf.
Wat ze overigens bij het SCP wellicht ook zouden beamen, in voornoemd rapport hebben de onderzoekers het over mensen, niet over burgers.

Maar sinds kort is de burgeronderzoeker ook iemand die niet in dienst is van een onderzoeksinstituut of -bedrijf.
In een ander verband heten zulke mensen ook wel vrijwilligers. Je zou ze ook onbetaalde onderzoekers kunnen noemen. Beide benamingen zijn treffender dan het sukkelige burgeronderzoeker dat, nogmaals, impliceert dat betaalde onderzoekers geen burgers zouden zijn. 
De politie lanceerde zelfs een 'app' 'waarmee burgers zelf onderzoek kunnen doen als zij slachtoffer zijn geworden van een misdrijf'. Zo kun je bezuiniging ook vermommen.

Mutatis mutandis geldt dit ook voor burgerjournalisten zoals de arme Zhang Zhan, die op 28 december in China veroordeeld werd tot vier jaar gevangenis wegens haar verslag van de lockdown in Wuhan.
 
Het hele concept van burgerjournalistiek is de Communistische Partij van China wezensvreemd: journalistiek staat altijd in dienst van de partij en vindt altijd plaats onder leiding van de partij. Xi Jinping heeft journalisten expliciet opgedragen om de spreekbuis van de CPC te zijn. 
 
Aldus correspondent Garrie van Pinxteren in NRC next 29-12-2020.
 
Hier in Europa beland je doorgaans niet in het gevang als je onbetaald verslag doet van gebeurtenissen, ook niet als dat verslag zaken betreft die bestuurders liever in de doofpot hadden gestopt.
Maar het 'concept burgerjournalist' van Garrie van Pinxteren toont dat ook zij onderscheid maakt tussen journalist en burgerjournalist - alsof de journalist geen burger is.
De onbekende auteur van Wikipedia schrijft: 'burgerjournalistiek of amateurjournalistiek is nieuws dat buiten de gevestigde media verzameld, geschreven en gepubliceerd wordt, door niet-vakmatige journalisten.' 
Beroepsjournalisten of amateurs: burgers zijn ze allemaal!

donderdag 24 december 2020

Waar ligt de letter?

alfabet van Charlotte Dematons is een vermakelijk prentenboek en al lijkt het op eerste gezicht anders, het is een echt abecedarium want de letters zijn er wel degelijk.
Je moet alleen goed zoeken.
 
Het is een soort verhaal zonder woorden, maar toch met een heleboel woorden. Dat klinkt raadselachtig, maar het is geen raadsel.
 
Op het schutblad voorin zie je een reeks spelden en de hoofdpersoon van het verhaal rent net de bladzijde af. Op het schutblad achterin staat hij trots te kijken naar zijn oogst: alle letters van het (Nederlandse) alfabet. 
Hieronder (detail!) zie je hem de a pakken.
 

 
Dit is echt een klein detail van de heerlijk overvolle a-dubbelpagina! 
Op de de g-dubbelpagina staat hij links onderin te kijken, de letter moet hij nog vinden. Wij kijkers hebben hem na enig speuren natuurlijk gevonden, links bovenin, bij de geit en het gat waar de glijbaan begint, met in de verte een goederentrein, en op de glijbaan een geep en een grondel. (De garnalen zien we hier net niet meer.)
 

 
Maar hij verzamelt niet alleen letters, hij verzamelt ook een reeks voorwerpen.
Prijkt hij op de titelpagina nog met niks aan, alleen een rugzak,
 
 
 
bij de y zit-ie op een yeti, beladen met spullen, en met de z verdrinkt hij bijna in zee.
 
 
(Ook details, uiteraard.) Van elke letterdubbelpagina één voorwerp, en na de z-dubbelpagina volgt er een dubbelpagina waarop alle voorwerpen aan een lijntje hangen, terwijl onze hoofdpersoon zonder deze spullen de bladzijde uitwandelt. Tot zover het verhaal.

Mijn aandachtige lezer heeft het al begrepen, dit boek bevat dubbelpagina's die elk aan één letter is besteed. Het zijn echte zoekplaten. Hier bijvoorbeeld de i:
 

 
Dat is dan nog één van de minst volle! De bedoeling is alle woorden met een i te vinden.
Het zijn er 39. Ja, ook woorden die met ij beginnen. Charlotte maakt keurig verschil tussen ij en y.

Laat ik maar bekennen dat ik ze niet allemaal vond. 
Er zijn twee hulpjes beschikbaar:
1. Een website waarop ze allemaal staan. Als je bijvoorbeeld de i aanklinkt, krijg je links de lijst en rechts de pagina, waarop een handje de voorwerpen aanwijst.
 


 2. Een programma'tje (app heten die tegenwoordig) voor op je gsm, zowel voor Android als Ios. Als je daarmee boven de bladzijden van het boek zweeft, verschijnen de woorden.
 
Met mijn geliefde, bijna even oud als ik, was het al een leuk spel om woorden te vinden. Met kinderen in de schoolgaande leeftijd, pakweg vanaf zes, moet het helemaal een feestje zijn.
En nog een leerzaam feestje ook, want zo'n zoekboek vergroot hun vocabulaire.
En de mijne ook. Want een Xantus' alk (bij de x, een van de drie woorden) was mij tot nu toe onbekend, evenals een gerenoek.

Dat Charlotte Dematons vaardig en mooi kan illustreren, daarmee vertel ik niets nieuws. Let ook in dit boek op de zorgvuldige afwerking van de vele details. De strepen op het lijf van de hoofdpersoon komen mooi terug in de zwartwitte blokjes van de letters onderaan de webpagina's.




Dematons, Charlotte. alfabet. Hoogland & Van Klaveren, 2020. 60 p., ISBN 978 90 8967 327 5.

woensdag 23 december 2020

Andere woorden

De AlfabetBeter van Ronald Snijders en Fedor van Eldijk staat vol ongebruikelijke en veelal nauwelijks gebruikte want zelf gefabriceerde woorden, net als in De AlfabetWeter (2013). 'De 1000 nieuwste, gegarandeerd kansloze woorden' staat er op de voorkant. 
De volgorde noemen ze de 'ENA-beste volgorde: E N A T I R O D S L G V H K M U B P W J Z C F X Y Q. Inderdaad, geen touw aan vast te knopen, ook niet bij omgekeerd lezen. De ratio vind ik hier: dit is de frequentievolgorde, de in het Nederlands meest voorkomende letter voorop en dan aflopend tot de minst voorkomende.

De AlfabetWeter werd op de achterkant aangeprezen met deze drie woorden:
benefietkeeper, (m) -s, keeper die voor het goede doel staat.
dwergtijd, (m) -en, de tijd die men reserveert voor discussies met kleine mensen.
mozeseend, (v) -en, - eendensoort die niet kan zwemmen omdat het water steeds opzij gaat.

De AlfabetBeter wordt op de achterkant aangeprezen met deze drie woorden:
lepelstrekker, (m) -s, iem. die zijn mes wil trekken, maar het verkeerde bestek heeft meegenomen.
mugneet, (m) -neten, persoon die, als er meerdere mensen in een ruimte slapen, als enige door de mug wordt geprikt: 'ik was vannacht weer de ~ '.
pestafette, (m) -s, dat je het stokje niet doorgeeft.
 
Wat mij betreft is de score grappig-melig ongeveer hetzelfde, 1-2 of 1-3, met de vermelding dat het spelling-controleprogramma van dit blog twee van de zes woorden herkent: benefietkeeper en dwergtijd, wat ik op zich wel grappig vind.  
Mozeseend en mugneet scoren bij mij hoog. Lepelstrekker vind ik uitgesproken melig, en dwergtijd doet me aan Randy Newman denken ('Short People').
 
Dit is ook mijn oordeel na enige keren bladeren: meer melig dan grappig, heel vaak een mengsel, want melig kan ook grappig zijn.
Van etterbak (container voor vervelende mannetjes) (vind ik grappig) tot staafmixer (mixapparaat om loden staven mee te mengen, gaat meestal na één keer kapot) (vooral melig); van natuurtennis (open tennis met twee ballen in een netje, of tennis waarbij je na het serveren de bal zo lang mogelijk nakijkt) (melig) tot fantaziek (geveinsd ziekteverzuim) (best grappig), er is voor ieder wat wils. Het ENA-alfabet wordt overigens ook per letter aangehouden. Gelukkig, voor wie er nog niet zo mee overweg kan, is er achterin een 'Oud-alfabetisch register'.

Voor liefhebbers van rare woorden een heerlijk boekje om in de wc te hangen of naast het bed te leggen.



Snijders, Ronald, en Fedor van Eldijk. De AlfabetBeter. De Harmonie, 2020.

zondag 20 december 2020

Kunst

Of het nu last of lust is: er zijn gedrukte teksten die met een stem klinken.
 
Een brief van mijn moeder klinkt zoals mijn moeder klonk. Een gedicht van Gerrit Komrij klinkt, als ik het lees, met de stem van Gerrit Komrij, zoals ik me die herinner van tv. Een tekst van Jules Deelder klinkt als Jules Deelder. De geest moet waaien klinkt met de stem van Johnny van Doorn ofwel de Selfkicker. Een tekst van Adriaan van Dis? Hier is... Adriaan van Dis! ('Wat kan ik u inschenken?') Aan Under Milk Wood (van Dylan Thomas) is de stem van Richard Burton verbonden (hier).
Een plaatje en/of tekstje van Paulus de Boskabouter of Eucalypta? Tatatata tatatata tata táttáttaaa... het introdeuntje en dan de stem van Jean Dulieu. (Voor jongere luisteraars: nee, niet die tv-intro, maar de Dance of an Ostracised Imp van Frederic Curzon. Voor de radio, ja.)

De kunstenaar Ted van Lieshout ken ik onder meer van vele optredens waarbij hij met verve zijn eigen of andermans (v/m) kunst voor het voetlicht bracht en brengt. Ted heeft een heel kenmerkende stem. Dat heeft tot gevolg dat ik zijn stem hoor als ik woorden van hem lees, bijvoorbeeld in Kunst? Marcel Duchamps Fontein 1917-2017Driedelig paardZe gaan er met je neus vandoor, Onder mijn matras de erwt of nu in Wat is kunst?

Het lijken onmiskenbaar zijn woorden:


Hallo! Is daar iemand?
                            Ja, ik.
Wie?
                            Ik, de schrijver van dit boek.
Achterop dit boek staat dat er een meisje binnenkomt.
                            Dat klopt. Ik wacht op haar.
Om wat te doen?
                            Ik ga haar vertellen over kunst.
Dat komt goed uit. Ik ben dat meisje en ik heb een vraag.
                            Wat wil je weten?
Wat is kunst?

Dat schept buitengewoon weinig ruimte voor getheoretiseer over het verschil tussen werkelijkheid en waan, non-fictie en fictie, de schrijver en de verteller. 
Toch krijgt dat meisje verder geen naam en besluit ik als lezer snel dat het een verzonnen meisje is. Maar dan is de verteller ('ik, de schrijver van dit boek') toch ook een beetje fictie, al klinkt-ie nog zo met Teds stem. En ook het eiland is dubbelfictie, fictie in fictie, want



Over eilanden gesproken. In 1983 omringde het kunstenaarsechtpaar Christo en Jeanne-Claude elf eilanden bij de Amerikaanse stad Miami.

En zo beginnen, 'rechts van het water', op het 'vasteland', de korte inleidingen bij zo'n 135 zeer diverse kunstwerken. Er wordt steeds aangehaakt bij één woord uit de doorlopende dialoog, links van het water. Soepel zwenkt de verteller, laten we hem voor het gemak 'Ted' noemen, van het ene genre naar het andere, zelfs de bikini en de telefoon komen voorbij, net als een Stradivarius en de Toren van Babel, en de termen cultuur en kitsch.
 
Die inleidingen zijn zinnig en onderhoudend, maar verrassender is wat op het eiland gebeurt.
Het meisje wil weten wat kunst is voor een schoolwerkstuk. 'Ted' vraagt haar zich voor te stellen dat ze op een onbewoond tropisch eiland aanspoelt. Dat moet wel, want zijn eerste antwoord


snapt ze niet. Dat pepert 'Ted' haar aardig in. Ze kan niet ontsnappen, want op zijn vraag
 
  Je merkt dat je bent aangespoeld.
  Wat is het eerste wat je doet? 

antwoordt ze

  Mijn moeder bellen en zeggen
  dat ze me moet komen halen

maar



Over aanspoelen gesproken. Vanuit een zee met goudkleurige golfjes spoelt een mevrouw aan op een sint-jacobsschelp.

Enzovoort, over Botticelli's Geboorte van Venus. 'Ted's toelichting is veel leuker dan de droge tekst van Wikipedia.

Dat meisje maakt zo een hele ontwikkeling door, halverwege verhuist ze ook nog even naar een koud eiland in het noorden en aan het eind, terug op dat tropische eiland, spoelen er nog meer mensen aan en na een feestelijk begin ontaardt het uiteraard in vechten. Zo zijn mensen, dat zag 'Ted' goed.
Het meisje mag naar huis en schrijft 'Ted' een brief:



Maar ja, ze bleef zitten met de vraag

wat het belang is van kunst. Het is wel een vraag, maar als ik er weer voor terug moet naar het eiland, laat het antwoord dan maar zitten. Een 8,5 is ook heel mooi.

Ze hoeft niet terug.

Fijn dat je nog een keer langs wilde komen. Ik was toch in de buurt. Ik wil proberen om je vraag waarom kunst belangrijk is te beantwoorden. Hoef ik dan niet terug naar het eiland? Nee, ik wil je een paar kunstwerken laten zien.

Terwijl 'links van het water' (dat echter nu land wordt) al in koeienletters met nu witte achtergrond het antwoord staat dat ook al op p. 6 prijkte (zie boven) (maar ja, zo'n meisje heeft wat ervaring nodig), ontspint zich een dialoog die aldus eindigt:

Kennis zorgt dat je geest dingen begrijpt, kunst zorgt dat je geest verruimt, dat je inzicht krijgt. Denk maar aan muziek die je mooi vindt. Je steekt er niet per se iets van op, maar het verrijkt je wel. Dat is de zin van kunst. Kunst krabbelt als het ware met een nagel een gaatje in je hoofd zodat er licht door naar binnen valt. Maar wat als je dat hoofd in een donkere kast zet? Dan kan er geen licht meer bij. Dan gaat het hoofd dood. Van verveling. Juist.

Zo eindigt deze dubbele dialoog (de eiland-episode is ook een dialoog) in een fraaie verdediging van de kunst. En alsof dat nog niet genoeg is, haalt 'Ted' op p. 134 en 136 nog een grapje uit met die boodschap van p. 6 en 132.
Pag. 134:

Kunst is alles
 wat je doet
 om niet
 dood te gaan.

Pag. 136:

Kunst is alles
 wat je doet
 om niet.

Dat laatste mag (o.a.) Jef Koons (p. 103) in zijn zak steken.
Dat licht in het hoofd vind ik een mooie manier om te zeggen dat kunst verlicht.

There is a crack, a crack in everything
That's how the light gets in

 
(Leonard Cohen, beetje uit verband hier maar zijn muziek kwam toevallig langs en ik vond het te mooi om niet te citeren.) (Als je hem kent, hoor je 't hem zingen.)
 
En dan vergeet ik haast nog te melden dat Ted (nu zonder aanhalingstekens) van Lieshout naast auteur, beeldend kunstenaar en grafisch vormgever ook nog boekontwerper is, zoals voornoemde uitgaven ook al toonden.
Resultaat: Wat is kunst? is niet alleen een zinnig en onderhoudend boek, het is ook een mooi boek, waarvan de vormgeving bovendien de inhoud ondersteunt, nee, deel van de inhoud is.
Het is kunst.




 
Lieshout, Ted van. Wat is kunst? Begin een eiland... Leopold, 2020. 140 p., ISBN 978 90 258 8009 5.
 
 


donderdag 17 december 2020

Een drama in de bronstijd

Excuses, Offerkind van Rob Ruggenberg begon ik van de verkeerde kant te lezen: eerst de wervende tekst op het achterblad, en de Epiloog, Verantwoording, Woordenlijst en Dankwoord achterin.
Hier is een onderwijzer aan het woord, dacht ik. Dat is niet zo, maar hij had wel een verwant beroep: Rob Ruggenberg was journalist voordat hij in 2006 voltijds auteur werd. 
Tragisch detail: 'Op 23 oktober 2019 stuurde Rob het manuscript van zijn laatste boek Offerkind naar zijn redacteur bij de uitgeverij Querido, helaas is hij drie dagen later overleden.'
Wie na 26 oktober de aan hem gewijde website onderhoudt en dus dit detail toevoegde, staat er niet bij.
Ik wist al wel dat hij onlangs was overleden - dat maakte het wellicht spannend om zijn laatste verhaal te bespreken, daarom vroeg ik het aan.
 
Hij mag dan geen leraar zijn geweest, hij zou er vast talent voor hebben gehad. Hij ging als auteur graag en veel op schoolbezoek.
Ruggenberg schreef dramatische verhalen met een in het verleden liggend decor, vanaf Het verraad van Waterduinen (2006) tot, 6 titels later, Piratenzoon (2017) en nu dus het postuum verschenen Offerkind. Hij stond erom bekend zich grondig te oriënteren in de gekozen periode. De Verantwoording achterin Offerkind getuigt inderdaad van een gedegen voorbereiding.
Eigenlijk zijn zijn verhalen een soort vermomde geschiedenislessen. De vermomming bestaat uit een knappe intrige, met veel dramatische ontwikkeling en spanning.
 
Neem eerste de beste pagina, die van de Proloog. 
Hier is al de verteller aan het woord die het hele verhaal op dezelfde  manier zal vertellen. Een alwetende, onpersoonlijke verteller die niets over zichzelf loslaat maar wel alles weet over zijn personages. Hij tracht zich in te leven, maar ter wille van de lezer en de les kan hij het niet laten soms wat uit te weiden, zodat we alles goed snappen.

De eerste alinea wordt beeldend en inlevend gebracht.

Geen vogel zong, geen windvlaag suisde door de bomen. Bij iedere stap die de jongen deed spatte stinkende modder om zijn oren en zoog het moeras zich vast aan zijn voeten. De hele omgeving straalde afkeer en vijandigheid uit: een eindeloze modderzee, met overal dode en omgevallen bomen met grijsbemoste stammen. De halfvergane takken hingen vol slierten wier, als spinnenwebben aan een rottend dak. Hij wist dat Mhoa, de moerasgodin, hem gadesloeg en hem minachtte om zijn onbeholpen geploeter.

Zo, dat staat. De film is begonnen. Doorgaans een zwaktebod, zo'n aandachttrekkende proloog, maar hier valt het mee. In dit geval is het geen dramatische scène uit het verhaal als lokkertje, maar echt iets wat voorafgaat. 
Zonder had ook gekund, maar Ruggenbergs verteller houdt meer van duidelijkheid en uitleg dan van beknoptheid en deze proloog verklaart hoe het kan dat zijn hoofdpersonen Aïn en Kraai later in het verhaal op een belangrijk moment een tas in het moeras vinden.

Waar het me nu even om gaat is dat die jongen overduidelijk vertrouwd is met de godin Mhoa. Toch vindt de verteller het nodig om er nog een langere alinea aan vast te knopen om ons te vertellen wat die Mhoa kon doen, terwijl die jongen er natuurlijk liever niet aan denkt, die verhalen heeft hij al duizend keer gehoord. Die alinea is duidelijk bedoeld om ons iets te leren over haar.

Het schemerde al, de warmte verdween, het werd kil. De jongen huiverde. (Daar had de verteller het bij kunnen laten, maar nee:) Nog even en dan zou Mhoa haar helpsters weer op pad sturen, dode meisjes en vrouwen zonder gezichten die zich verborgen achter grijze mistflarden. Met blauwe dwaallichtjes lokten ze reizigers verder het donkere moeras in. Zo loodste Mhoa je in haar val, meestal via een kronkelig zijpad waar de grond ineens onder je voeten wegzakte en je in een peilloos diep gat verdween. Beneden, in het koude water, wachtte zij je op, met haar grijze haren, haar lange, dunne armen en naar zwarte, gekrulde staart die ze strak om je lijf sloeg om te voorkomen dat je ooit nog bovenkwam.

Zo, nu zijn wij lezers tenminste ook op de hoogte. Ook van de tijd: 'een zomeravond in Nederland, vierduizend jaar geleden', staat er onder 'Proloog'. En de schutbladen beelden een kaart af...



...met diezelfde sprong in de tijd, zie de namen Falwa (Veluwe) en Rheie (Rijn). 
Voor de goede orde: 'Nederland' bestond vierduizend jaar geleden helemaal niet. Ook hier klinkt de onderwijzer, die voor zijn jonge lezers géén misverstanden wil hebben over de locatie. 

Nog een voorbeeldje, uit een sleutelpassage wat betreft de intrige.

Na de andere ochtendwerkzaamheden ging ze op zoek naar een mand. In het familiehuis vond ze een wilgentenen mand die aan een balk in de vrouwenhoek hing. Zich uitrekkend trok ze hem van de balk. Daarna pakte ze de oude bezem met de kapotte steel die naast het weefgetouw stond, bukte zich en verdween door het lage deurtje.

Wat ons hier allemaal wordt medegedeeld! Dat er een vrouwenhoek in het familiehuis was met een balk waaraan manden werden gehangen, en een weefgetouw, dat de deur laag was en dat de mand van wilgentenen was gemaakt, dat er een bezem was. Dit alles was voor dit personage (Aïn) zo vanzelfsprekend dat dit geen weergave van haar gedachten of zelfs maar bewustzijn was. Dit is allemaal voor ons, lezer, dat we het maar weten en voor ons zien, en voor een toekomstige filmregisseur is het ook handig.
Maar fijn vertellen is het niet. Het wordt er houterig en traag van. (Alleen al dat stijve formele woord ochtendwerkzaamheden!)
Ze pakte dus een mand en een bezem.
Dat die bezem kapot was lijkt ook al van geen belang, maar let op, dat is het wél.
Want met die bezem doodt Aïn even later de brute broer die haar wil verkrachten.
 
Ze verbergt het lijk onder een boom. Al gauw blijkt dat halfbroer Kraai het heeft gezien. Hij helpt haar met het begraven van het lijk. Maar natuurlijk wordt broer Aab gemist, de familie gaat speuren en uit angst voor wat zou kunnen volgen slaan Aïn en Kraai op de vlucht.
Op die vlucht komen ze de Jonge Wolven tegen, een gezelschap jonge mannen die Aïn vooral een lekker stuk vinden (waar haar broer Aab dus ook al last van had) en onderling besloot dat hun reusachtige aanvoerder haar het eerst mocht hebben. Ze ontsnappen en komen na een hachelijke tocht door het moeras (waarbij ze op p. 93 die tas van die jongeman uit de Proloog vinden) bij mensen van het Oude Volk, die donkerhuidig en bruin-ogig zijn, niet zoals Aïns familie. Wel een beetje zoals Kraai, want zijn vader was zo'n donkerhuidige, verdwenen. Daarom hoorde hij, de 'tweebloed', er bij Aïns familie maar half bij. Hij mocht de poep scheppen en verder niet veel.
Die mensen van het Oude Volk zien wel iets in Aïn als zieneres ('spakona') en Kraai als slaaf - tijd om te ontsnappen en daarbij nemen ze de baby mee die al op een tableau lag om geofferd te worden ter wille van haar. Kraai raakt erbij gewond.

In het lege, verlaten rivierlandschap om hen heen groeide hier en daar heelkruid. Als Aïn dat vond groef ze de wortels uit, raspte die tussen een paar keien en legde de smurrie op Kraais wond. Veel hielp het niet. De wond bleef zweren en kloppen.
Soms vond Aïn op de vaste wal wat onrijpe emmertarwe en eenkoorn en ook wel eens gerst of wilde spelt. Ze plukte de aren, wreef de korrels fijn en maakte er met rivierwater een papje van. De baby schrokte het naar binnen.
Een enkele keer vond ze huttentut. Uit de zaadjes kon ze zachte olie persen, waarmee ze de verbrande huid van de baby insmeerde. Het hele lijfje was aan het vervellen. Toen het kindje naakt op de hoge offerstellage lag had de zon haar tere huid verbrand, al was die dan zwart.

Ja, ook dit citaat om de onderwijzer weer even te tonen. Hij legt ons nauwkeurig uit hoe Aïn de wond verzorgt, de baby voedt (vier soorten graan noemt hij! alsjeblieft) en de huid van 'het kindje' verzorgt. Het lijkt wel een handleiding! Huttentut klinkt vreemd, maar de plant bestaat echt, net als die granen.

Alweer op de vlucht, dus. Ze komen nog bij vissermensen en bewoners van de kust en tweemaal hebben ze ondanks vriendelijke ontvangst de nare ervaring dat Aïn door buren als heks wordt gezien wegens het 'zwarte' kind. De tweede keer wordt ze gedood. Kraai vertrekt met Freye (zo hebben ze 'het kindje' inmiddels genoemd) met mensen naar 'de overkant'.
Dit vat ik hier wat laconiek samen, met weglating van wat sub-intriges (bv. de barnsteenvrouw in het begin, de wat moeilijke, scheve relatie van Aïn en Kraai), maar er is spektakel en spanning genoeg en er vloeit heel wat bloed en soms ook tranen.
Geen enkel moment laat de onderwijzer ons echter in de steek en zo komen we dus heel wat te weten over hoe mensen in onze streken vierduizend jaar geleden geleefd zouden kunnen hebben. (Website: 'Bij het schrijven van zijn historische jeugdroman gebruikt Rob Ruggenberg de nieuwste wetenschappelijke inzichten en theorieën.')
Dat is heel mooi van die onderwijzer - maar zo laat de verteller wel kansen glippen om ons echt als verteller bij de kladden te grijpen. Dat is jammer.
 

Ruggenberg, Rob. Offerkind. Querido, 2020. 296 p., ISBN 978 90 451 2440 7.