Zoeken in deze blog

dinsdag 19 juni 2018

Betutteling

Met dank aan Onze taal (Taalpost) opgepikt uit www.independent.ie:

A best-selling British author criticised political correctness and the dumbing down of language in children’s literature as she won a major book prize.
Geraldine McCaughrean, who has penned more than 160 books, spoke out as she was awarded the UK’s oldest children’s book award.
She said that words such as “valiant” and “superb” had been rejected in books for primary school readers.
The author, who won the CILIP Carnegie Medal for Where The World Ends, a true survival story of boys marooned at sea, told the Press Association: “They (publishers) will question difficult words, certainly if you’re doing picture books or younger fiction.
A fellow author was saying the other day that ‘superb’ had to be changed because no child will understand it. But they never will understand it if they don’t read it.
She added: “It used to be free range. I used to get away with murder with complexity of sentences and complex vocabulary and it was never questioned… Now it feels policed against political correctness and difficult language. With a book that’s going to be sold into schools you get a list of things that are unacceptable – no witches, no demons, no alcohol, no death, no religion. It really does cut down what you can write about.
McCaughrean, who is known for her official Peter Pan book sequel, said: “It’s extraordinary because in pre-school you can read fairy tales in their original form and some of them are really scary and dark.
But you go to junior school and all of a sudden the fairy tales that you read in school have been sanitised and cleaned up. And then you go into secondary school and fall off into the deep end of vampire books. It must be like falling off a cliff.
She said that while writing for teenagers, words like “mellifluous” had been knocked back.
McCaughrean, whose books have been published in 61 countries and translated into more than 45 languages, said research has shown that secondary school pupils have “a diminishing vocabulary”.
She said the amount of time teenagers spend online could be to blame, as “on the internet you have a great paucity of vocabulary. (People) get by on an ever diminishing pool of words”.
The author cited Beatrix Potter’s The Tale Of The Flopsy Bunnies as an example of complex language.
She writes that the lettuce is soporific. That’s a perfect example. Who knew soporific before they read it? But it’s obvious from the context and you can pick it up and you’ve got a lovely word under your belt.
McCaughrean, who wins the award for the second time after picking up the medal 30 years ago for A Pack Of Lies, said: “You can only think with the words you’ve got. You can’t think with a diminished vocabulary. You can’t construct abstract thought. You can only process what’s happening to you and what you see throughout the day in terms of words.
She added: “Diary Of A Wimpy Kid (by Jeff Kinney) is supposed to be the most popular book with secondary school children now. I’ve got nothing against Diary Of A Wimpy Kid… but by the time you’re 15 you should be at ease with reading something on a more advanced level.
McCaughrean said she was delighted to win the prize again, admitting: “I’m quite ashamed about how pleased I am.
I really wanted to do it again before I die. I won 30 years ago and I’ve been trying ever since. It feels like affirmation.
The ceremony, at the British Library, also saw illustrator Sydney Smith win the CILIP Kate Greenaway Medal for his illustrations in Joanne Schwartz’s Town Is By The Sea.
Waarvan akte.
Zo erg is het in Nederland en Vlaanderen nog niet, dacht ik. Of toch wel?


donderdag 14 juni 2018

Alfie

Doorgaans vraag ik alleen titels ter bespreking aan waarvan ik verwacht dat ze net anders zijn dan het doorsnee kinderboek. Dat is natuurlijk geen helder criterium, want hoe ziet het doorsnee kinderboek er dan uit?
Daaraan kan ik misschien eens een stukje wijden. Maar niet nu.

Toen ik Toen Alfie verdween van Gerda De Preter ontving, was ik even vergeten waarom ik het had aangevraagd en ik weet het nog niet.
Misschien omdat ik in een ver verleden eens deel uitmaakte van een manuscriptenjury. Dat was uitdagend beoordelen: alleen een tekst, geen naam van de auteur. Bij een van de rondes hoorde een verhaal van haar (bleek dus achteraf) tot de winnende teksten. Het was, moet ik bekennen, de eerste keer dat ik van haar hoorde. De naam is blijven hangen.

Hoe dan ook, toen ik begon te lezen dacht ik eerst: doorsnee. Maar dat veranderde gaandeweg in: misschien doorsnee, maar wel goede doorsnee. En tenslotte: beter dan dat.
Ja, daar ga ik met mijn criterium. Dus toch maar wat opmerkingen.

Toen Alfie verdween is wat veel recensenten een 'ik-boek' noemen. De fictieve verteller is de hoofdpersoon, vertelt in de tegenwoordige tijd een verhaal, alsof ze met een microfoon in naar hand rondloopt, of alsof ze aan een tafel een lange anekdote vertelt aan een luisteraar. Een veel toegepast procédé in de jeugdliteratuur. Men schijnt te denken dat dit aantrekkelijk is voor jonge lezers. In sommige verhalen is het een excuus voor oeverloos puberaal getater.
Niet hier. Voor een tien- of elfjarig meisje (schat ik) is Ciel (haar naam valt op p. 14) tamelijk helder, beknopt en goed van de tongriem gesneden. Dat leest prettig weg.
Toen Alfie verdween begint niet medias-in-res, zoals de truc onder literatuurwetenschappers heet, dus middenin het verhaal, liefst met een dialoogje. Ook dat is een veel toegepast procédé in de jeugdliteratuur. Men schijnt te denken dat dit aantrekkelijk is voor jonge lezers. Meteen de aandacht trekken en zo.
Toen Alfie verdween begint net wat anders:

Op een dag zei mama dat ik er een broertje of zusje bij zou krijgen,
'O, God,' zei ze met een stralende glimlach, 'wat ben ik gelukkig!'
Het was dus Zijn schuld.
Mama vond het geweldig. Remco ook.
Ik niet. Ik moest die baby niet.

Ik belde mijn vader op. Hij had maar eventjes tijd. Een belangrijke vergadering, zei hij. Papa moest dus veel koffie uit een automaat drinken en aan een tafel zitten waar iedereen dingen zei die niemand wou horen. Daar wordt hij erg nerveus van en ook een beetje doof. Dat weet hij zelf ook wel.

'Ik neem je zaterdag mee naar de speeltuin,' zei hij, 'met ijs en hamburger toe.'
'Ik ben al groot, papa,' zei ik.
Het was even stil aan de andere kant van de lijn.
'Bedenk jij maar wat,' zei papa toen. 'Alles wat je maar wilt, prinses.'
Ik hapte naar adem. 'Jij en mama...' begon ik.
Er klonk een raar geluid.
'Ik moet weer weg,' zei papa. 'Ik bel je nog. Goed, liefje?'
'Maar...'
Een klik. Gezoen.
'Dat kan God niet helpen,' zei Alfie. 'Toen Hij de wereld schiep, was er nog geen telefoon. Anders had Hij vast de blijf-voor-eeuwig-aan-de-lijn-knop bedacht.
Ik knikte. Alfie had zoals altijd gelijk.

Expres een lang citaat. Ook daarna geen 'medias-in-res'-start, verteller Ciel neemt pagina's ruimte om haar vriend Alfie te beschrijven. (In de tegenwoordige tijd.)
Alfie

zit naast me in de klas. Hij is een jaar ouder en komt uit een ander land. Daar was het oorlog. Alfie vluchtte weg, samen met zijn vader.

Hiermee zijn van de belangrijkste rode draden wel de beginnetjes getoond. Er komt een wat Ciel betreft ongewenst broetje of zusje; er is een scheiding; er is een vriendje over wie de titel al vertelt dat hij gaat verdwijnen en die vol aparte uitspraken zit. En er is een God.
Om met die God te beginnen, zijn rol valt wel mee. Als argeloos lezer kreeg ik de indruk dat Ciel en Alfie kennelijk op een katholieke school zitten en/of ouders hebben die iets met een God hebben, maar een belangrijke rol heeft hij niet, het is meer een vage instantie die soms ter verantwoording wordt geroepen. Als Ciel of anderen naar God verwijzen, is dat vaak op een grappige, ongerijmde manier.
Alfie

wil de slimste mens ter wereld worden. Hij stelt vragen waarop niemand het antwoord weet. Waarom de aarde rond is, bijvoorbeeld. En of God zichzelf heeft bedacht. Zelfs juf Emma weet dan niet wat ze moet zeggen.

Zo dus.
Alfie (de naam deed me denken aan de seriefiguur Alf) geeft een aparte draai aan het verhaal, dat daardoor net iets anders dan anders wordt. Hij zorgt ook voor de humor, met zijfiguur meneer Podovski als goede tweede.
Ciel blijkt nogal te lijden onder het vertrek van haar vader, heeft zich eigenlijk nog niet verzoend met haar moeders nieuwe liefde (Remco) en dus al helemaal niet met de baby op komst. Die komst brengt bovendien met zich mee dat ze tijdelijk bij haar nieuwe oma (Remco's moeder) wordt gestald.
Nieuw kind in huis, een oma of opa als vluchtheuvel: het zijn veel voorkomende thema's in de jeugdliteratuur. Nog zo'n topos: een fantasiefiguur die de hoofdpersoon gezelschap houdt. Astrid Lindgrens Karllson is wereldberoemd geworden. Hier is het Elias, die Ciel aanzet tot destructief, rebels gedrag.

Elias, die alles deed wat ik niet durfde. En meer. Ik kon hem niet tegenhouden, ook al had ik hem zelf bedacht.

Rebels gedrag, eerder in huis, maar nu gericht tegen oma. Op p. 102 is hij echter definitief overwonnen, uitgedreven. (Ironisch, de naam Elias betekent ongeveer: hij is mijn god.)
Alfie, Ciels vriend 'uit een ander land', lijkt op p. 70 al verdwenen (ze mogen niet blijven, op zich goed voor een mooie episode), maar duikt (ná de verdwijning van Elias) nog op, eigenlijk om afscheid te nemen en zijn, hun, hond Laika (eerbetoon aan Bibi Dumon Tak? Aan Laika zelf?) bij haar achter te laten, zodat hij niet naar het asiel hoeft. Hun afscheid (p. 114-115) is beslist niet doorsnee en ronduit roerend.
Dat geldt ook voor het einde van dit verhaal, dat daarmee toch beslist boven de middelmaat wordt verheven, wat mij betreft.
Al zou ik Afscheid van Alfie een betere titel hebben gevonden. Of: Een naam om te onthouden. Om dat te snappen, moet je het boek lezen.
De fraaie omslag is van Sylvia Weve (ill.) en Herman Houbrechts (ontw.).



De Preter, Gerda. Toen Alfie verdween. Querido, 2018. ISBN 978 90 451 2161 1, 128 p.




dinsdag 12 juni 2018

Karen Woets

kende ik vooral als onderzoeker van jeugdliteratuur. Ze schreef artikelen voor diverse websites (waaronder NieuwWij) en periodieken, waaronder Leesgoed en Literatuur zonder leeftijd en was ook enige tijd (2010-2012) lid van de redactie van dat laatstgenoemde tijdschrift-in-boekvorm. Bovendien was ze lid van de redactie van Verborgen talenten, jeugdliteratuur op school, het vakboek waaraan ik ook als redacteur meewerkte.



In januari 2016 stapte ze uit het leven, 49 jaar oud. (Op 2 juni 2016 zou ze vijftig zijn geworden.) Ze liet drie kinderen na.

Binnen de wereld van het onderzoek naar jeugdliteratuur was Karen Woets (eerder: Karen Ghonem-Woets) welbekend. Ze schreef niet alleen, maar gaf ook lezingen en was anderszins actief, zie boven. Een vriendelijke, zachtaardige, gewetensvolle en ietwat zwaarmoedige vrouw, die haar werk altijd zorgvuldig voorbereidde en afleverde.
Ik kende haar niet goed genoeg om te begrijpen waarom ze haar leven beëindigde. Het was voor ons al een grote schok, laat staan voor haar kinderen en ex.

Een goed idee van de redactie van Literatuur zonder leeftijd (LZL) om een aflevering aan haar te wijden. Het is aflevering 105, voorjaar 2018.
En helemaal een goed idee om het openingsartikel ('Veelzijdig en geëngageerd, de persoonlijke en academische drijfveren van Karen Woets) te vragen aan collega Coosje van der Pol, die haar sporen vooral in onderzoek naar de rol van prentenboeken bij leren lezen heeft verdiend. Een portret van de onderzoeker Karen Woets, gelardeerd met herinneringen van vakgenoten.
Ze gaat niet in op de persoonlijke achtergrond van Karens betrokkenheid bij religie en filosofie. Karen had zich bekeerd tot de Islam. Of dat vóór of in verband met haar huwelijk met een Egyptenaar was, is mij niet bekend. Het weerhield haar zeker niet van onderzoek naar de rol van andere religies in de jeugdliteratuur. Zo verscheen van haar in 2011 Boeken voor de katholieke jeugd, verzuiling en ontzuiling in de geschiedenis van Zwijsen en Malmberg. Een handelseditie van de dissertatie waarop ze in 2005 promoveerde. Ze had toen inmiddels al meegewerkt aan Woord zoekt Woord, Joden, Christenen en Moslims in gesprekken over teksten en tradities (Ankh-Hermes, 2010).
Het verklaart natuurlijk wel Coosje's observatie dat Karens bibliotheek (ze had enorm veel boeken) 'nauwelijks klassieke Nederlandse romans bevat. We zagen er wel enkele, maar hun aantal staat in geen verhouding tot het aantal romans uit het Midden-Oosten, in het bijzonder Egypte en de Maghreb-landen.' Natuurlijk, denk ik. Daar lag haar belangstelling.

Het daaropvolgend artikel is geschreven door Karen Woets, ook een mooie greep: ' Over een ongelovige dichter en haar moslimprins, over Polleke van Guus Kuijer'. Het verscheen eerder in Eeuwige jeugd, boeken voor Rita Ghesquiere, Leuven, 2007.)
Dan volgt een reeks artikelen die alle een aspect van haar onderzoek en recensiewerk belichten. Met tot slot herinneringen aan Karen Woets door Piet Mooren, ooit haar docent aan de Universiteit van Tilburg en hoofdredacteur van Verborgen talenten.

Zoals gebruikelijk eindigt de aflevering met enkele recensies.
Literatuur zonder leeftijd verschijnt drie keer per jaar in de vorm van een boekje van rond 140 pagina’s en wordt uitgegeven onder auspiciën van de Stichting IBBY-sectie Nederland.
De abonnementsprijzen: instellingen 47,50; particulieren 34,50; studenten 24,50 (bewijs van inschrijving meesturen; moet elk jaar vernieuwd worden). Abonnementen gaan in per volledig kalenderjaar (reeds verschenen nummers worden toegezonden).
Bestellingen voor losse nummers (19,95 euro per stuk) en abonnementen kunnen gericht worden aan het secretariaat van IBBY-Nederland.

Men kan zich als abonnee aanmelden via het secretariaat: IBBY-Nederland@planet.nl. Wie zich aanmeldt krijgt als welkomstgeschenk alle afleveringen van jaargang 2017.














maandag 11 juni 2018

... dat zijn de anderen

Bijzonder kopje boven de redactionele inleiding van Literatuur zonder leeftijd 103 (zomer 2017). Inleidster Sanne Parlevliet laat het onverklaard en neemt kennelijk aan dat alle lezers het kunnen thuisbrengen als het eind van de beroemde zin uit de eenakter Huis clos (Gesloten deuren) van Jean-Paul Sartre: 'L'enfer c'est les autres', de hel dat zijn de anderen.
Mooi staaltje lezersverwachting: LZL is een tijdschrift voor o.a. literatuurwetenschappers en dan vooral gespecialiseerd in jeugdliteratuur.
Of zoals op de website staat: LZL 'is grensverleggend en probeert in verschillende artikelen de traditionele grenzen van de kinder- en jeugdliteratuur te verkennen, waarbij gedacht kan worden aan de grenzen tussen:

– Literatuur voor kinderen en voor volwassenen
– Literatuurwetenschap en pedagogiek – Literatuur en andere kunstuitingen voor kinderen – Informatieve en verhalende boeken
– Literatuur en lectuur '
Nou, dan ken je je Sartre ook wel... Verklaring overbodig, dacht Sanne kennelijk.

Het is een wat cynisch motto voor een aflevering die gewijd is aan 'diversiteit in de jeugdliteratuur'!
En dat terwijl uit de bijdragen blijkt dat auteurs van jeugdliteratuur doorgaans heel goed met die diversiteit overweg kunnen. Hooguit zijn er gemeten naar de samenstelling van de bevolking hier te lande opvallend weinig auteurs en hoofdpersonen met een kleurtje of anderszins verschillend van wat sommige Nederlandse politieke leiders plegen aan te duiden als de 'gewone Nederlander'.
Wat dat ook moge zijn. Ik citeer graag de Nederlandse koningin: dé Nederlander bestaat niet.
Nederlander zijn is een predikaat dat eerst en vooral te maken heeft met het recht om een Nederlands paspoort te hebben of opgenomen te worden in het dito paspoort van zijn of haar ouders. De rest is mythevorming of jurisdictie. Idem België.

Natuurlijk speelt rond dit thema het dilemma dat fraai is verwoord door Rindert Kromhout, in zijn Annie M.G. Schmidtlezing, die integraal in deze aflevering is opgenomen.
Op p. 173:
'Wie een boek schrijft, denkt niet aan hoe nuttig dat voor de lezers zou kunnen zijn, hij of zij denkt slechts aan het verhaal dat hij wil vertellen en hoe dat zo mooi mogelijk op papier te krijgen. Verhalen die zijn bedoeld om nuttig te zijn, zijn zonder uitzondering oninteressant.'
Op p. 164:
'Een bekende uitspraak van Jella Lepman, de oprichtster van IBBY, luidt: "Boeken bouwen bruggen." En zo is het, boeken en verhalen en al die andere cultuuruitingen bouwen bruggen en verbinden.'

De paradox is, als we Rindert Kromhout even volgen, dat juist verhalen die idealiter niet geschreven zijn om nuttig te zijn, van nut zijn voor de samenleving.
Het is een overbrugbare paradox, want schrijvers van het type dat Rindert bedoelt, hoeven zich helemaal niet bezig te houden met bruggen bouwen. Laat ze lekker schrijven.
Bruggen bouwen, dat doen dan de lezers en bemiddelaars, de vele volwassenen die kinderboeken inzetten voor dit doel. Een internationale vereniging als IBBY is hiervoor al zo'n zestig jaar bezig.

De scheiding hoeft niet zo strikt: dat bewijst (o.a.) Marit Törnqvist. Zij maakt mooie prentenboeken, mooi genoeg om ook door Rindert Kromhout interessant gevonden te worden (neem ik aan). En ze zet die vervolgens in om bruggen te bouwen. Ik doel op haar project Een boek voor jou. Eline Rottier interviewde haar hierover voor LZL.

Schrijvers kunnen, Rindert nogmaals volgend, vooral schrijven om dat wat ze in hun hoofd hebben zo goed mogelijk te verwoorden, voor lezers, en dan vooral jonge lezers, maakt het uit welk type hoofdpersonen ze tegenkomen in hun boeken. 'Een Surinaamse moeder vertelde aan [Bas] Maliepaard dat haar dochter lang heeft gedacht dat alleen blonde meisjes prinsesjes konden zijn totdat ze de prentenboeken over het zwarte prinsesje Arabella van de Nederlands-Amerikaanse schrijfster Mylo Freeman in handen kreeg.'

Interessante aflevering dus, zomer 2017. Er staat natuurlijk nog meer in dan ik boven noemde. Enkele lange besprekingen (o.a. van de biografie over Cissy van Marxveldt), de Woutertje Pieterse-lezing van Nasim Miradi, een onderzoek 'vanuit een postkoloniaal perspectief' naar de vraag 'hoe politiek correct zijn Pippi, Kuifje en Babar?', een interview met vier wannaars van de Jenny Smelik IBBY-prijs, en meer.

Literatuur zonder leeftijd verschijnt drie keer per jaar in de vorm van een boekje van rond 140 pagina’s en wordt uitgegeven onder auspiciën van de Stichting IBBY-sectie Nederland.
De abonnementsprijzen zijn in 2018: instellingen 47,50; particulieren 34,50; studenten 24,50 (bewijs van inschrijving meesturen; moet elk jaar vernieuwd worden). Abonnementen gaan in per volledig kalenderjaar (reeds verschenen nummers worden toegezonden).
Bestellingen voor losse nummers (19,95 euro per stuk) en abonnementen kunnen gericht worden aan het secretariaat van IBBY-Nederland.

Men kan zich als abonnee aanmelden via het secretariaat: IBBY-Nederland@planet.nl. Wie zich aanmeldt krijgt als welkomstgeschenk alle afleveringen van jaargang 2017.







zondag 27 mei 2018

Meneer Swart

is een lange man, of een man met lange benen, in een bruin pak.
Hij is docent op een school voor voortgezet of secundair onderwijs, zoals dat tegenwoordig heet, en dook al eerder op in Grote gedachten - verhalen over filosofie (2014). Hij had succes, dus liet Janny van der Molen hem ook opdraven in Grote gevoelens - verhalen over psychologie (2017).

De boeken hebben hetzelfde stramien. Zelfs twee leerlingen duiken weer op (Loubna en Wouter). Ze hebben goede herinneringen aan de filosofielessen 'vorig jaar' (p. 10). Meneer Swart kondigt een speciale lessenreeks aan. In iedere les behandelt hij een figuur (filosoof) of onderwerp (psychologie). Hij gaat zeer socratisch te werk. In plaats van een monoloog af te steken probeert hij in dialoog met zijn leerlingen tot inzichten te komen. Bij die leerlingen thuis gebeurt er dan soms ook nog iets dat toevallig die inzichten onderstreept. Maar alles komt op zijn pootjes terecht.
Grappig, in de drie jaar verschil tussen de boeken zijn de denkbeeldige leerlingen dus één jaar gegroeid, idem uiteraard meneer Swart.

Die meneer Swart is gebaseerd op een docent die de auteur op de middelbare school had. Die was 'inspirerend en origineel' en gaf haar 'op een cruciaal moment een belangrijke levensles mee'.
Het boek is niet bedoeld als 'zelfhulpboek' en is 'ook geen naslagwerk'. Het is 'niet meer dan een kennismaking met een heel boeiend onderwerp'.
Aldus de auteur in haar inleiding ('Voor je begint met lezen') (vreemde titel, want die inleiding is toch ook om te lezen?), en die bescheidenheid siert haar.

Die kennismaking voert langs Stanley Milgram en zijn experimenten, Adler, Jung, Freud, oude theorieën over lichaamssappen en humeuren, Descartes, Albert Ellis, gedragstherapieën, Martin Seligman, verdringen en geheugen, Elizabeth Loftus, trauma's, Francine Shapiro, EMDR, Douwe Draaisma, Alois Alzheimer, Philip Zimbardo, Solomon Asch e.a.: de namen staan achterin (p. 206-209) opgesomd.

Ik weet wel iets van psychologie, maar niet voldoende om een uitgewogen oordeel te geven over deze fictieve lessenreeks van meneer Swart. Uit de inleiding blijkt dat de auteur zes deskundigen van naam en faam heeft geraadpleegd en laten meelezen en 'tot slot las de "echte" meneer Swart het manuscript helemaal mee. Zijn zeer positieve beoordeling betekent veel voor me.'
In ieder geval hebben de fictieve leerlingen een grondige en ingrijpende inleiding gehad in ideeën over de werking van de geest, of, zoals leerling Jasper het omschrijft: 'bestuderen wat mensen voelen en denken'. Petje af voor meneer Swart - de fictieve dus.
En ja, zoals ik hierboven schreef: bij die leerlingen thuis gebeurt er dan soms ook nog iets dat toevallig die inzichten onderstreept. Maar alles komt op zijn pootjes terecht en sommige leerlingen groeien in hun zelfbewustzijn. Ik ga dat niet allemaal opsommen en samenvatten. Wel mooi dat meneer Swart aan het eind van zijn lessen al zijn leerlingen een cadeau geeft: een t-shirt met Superman. Geestig gevonden.

Belangrijk vind ik dat dit verhaalstramien het boek iets heel ouderwets geeft, een beetje à la Oom Jan leert zijn neefje schaken, of de vele verhandelingen voor kinderen die in de 19e eeuw verschenen waarin een wijze volwassene een dialoog voert met een leergierig kind.
De dialogen in dit boek zijn echter redelijk natuurlijk, in ieder geval veel natuurlijker dan die van Max Euwe, laat staan al die 19e-eeuwse wijsneuzen. Ik begon die meneer Swart en zijn leerlingen wel voor me te zien en ik kon de manier waarderen waarop de verteller de huiselijke en andere (soms tamelijk heftige) problemen van die leerlingen handig met de lessen van meneer Swart vervlocht. Ik kon ook zijn (meneer Swart) dialogen met zijn leerlingen wel waarderen.
Het mag een ouderwets concept zijn, het werkt wel in dit boek.

Ik schreef 'redelijk natuurlijk'. Poëzie is het niet. De werking van een echt verhaal schuilt in de zeggingskracht van de woorden. Het is fijn dat er wat drama in en om deze lessenreeks is geschapen, maar het blijft bij de verteller uiteindelijk draaien om de opgediste wetenswaardigheden, dat is heel duidelijk.
Ofwel, het mag dan het stramien van een verhaal hebben, een goed verhaal is het niet. Wel een goede inleiding in de psychologie voor lezers van 12 en ouder.



Molen, van der, Janny. Grote gevoelens, verhalen over psychologie. Ploegsma, 2017. ISBN 978 90 216 7802 3, 224 p.











woensdag 23 mei 2018

25 jaar Voorleeswedstrijd

Woensdag 22 mei vond in Amstelveen de finale plaats van de 25e (Nederlandse) Nationale Voorleeswedstrijd. Memorabel, vond ook organisator Stichting Lezen. Om het te vieren nodigde ze voor een feestelijke lunch een ruim 25-tal mensen uit die allen te maken hebben of hadden met leesbevordering. Waaronder ondergetekende.
En hoewel ik het fenomeen voorleeswedstrijdfinales het laatste decennium aan me voorbij heb laten gaan, besloot ik dit mee te vieren.

De Nationale Voorleeswedstrijd mag gerust zo niet het paradepaardje, dan toch wel een van de succesprojecten van Stichting Lezen worden genoemd. Bijna de helft van de Nederlandse basisscholen doet mee en blijkens divers onderzoek is meedoen gunstig voor het aanzien van lezen en dus het leesklimaat op school, al het effect moeilijk in cijfertjes onder te brengen. Er is terechte trots bij Stichting Lezen.
Daarbij dient aangetekend dat er nóg een paradepaardje is, dat weliswaar niet zo in de kijkcijfers loopt maar zeer waarschijnlijk wel effectiever is voor het aan het lezen krijgen en houden van kinderen: Bibliotheek-op-School. Benieuwd of daarvan het 10-jarig bestaan in 2018 nog gevierd gaat worden.

 

En terwijl in de entree de eerste kampioenen en hun aanvang arriveerden, was in een kleine theaterzaal gedekt voor een aangeklede lunch, met sprekers.



Tussen de (lekkere) gerechtjes door spraken, ingeleid door 'dagvoorzitter' Aleid Truijens, achtereenvolgens Kees Broekhof, Jacques Vriens en Esmeralda Akdag (leerkracht basisschool Het Element, Middelburg, heette tot februari 2018 De Vossenburcht).
Jacques Vriens las voor uit Smokkelkinderen en kreeg van gastvrouw Gerlien van Dalen (directeur Stichting Lezen) een oorkonde omdat hij in 25 jaar Voorleeswedstrijd de meest voorgelezen auteur is.
Esmeralda Akdag vertelde hoe op haar basisschool  in Middelburg het lezen wordt bevorderd. Door veel aan lezen te doen, inderdaad, compleet met bibliotheek, deelname aan Bibliotheek-op-School en voorleeswedstrijd, taalcoördinator enz. Mooi: juf als voorbeeld. Vertellen wat je zelf leest, wat je fijn vindt om je lezen, het helpt. 'Je bent als juf een voorbeeld voor de kinderen.'
Kees Broekhof verwees naar divers onderzoek (Bol-Bus; 'Nijmegen') om te kunnen stellen: heus, het werkt. En prees de Leesmonitor van Bibliotheek-op-School omdat die scholen in staat stelt om zelf vorderingen in kaart te brengen. Maar hij vond dat er ook nog wel iets te verbeteren viel, met name in de kwaliteit van de uitvoering. Daarover, en over de opleiding tot leerkracht, werden voor het toetje nog enige ideeën geuit.

Het blijft natuurlijk wel werken tegen de klippen op.
Er is nog steeds een groot, zelfs groeiend aanbod aan tekst, ook digitaal, ook mooie kinderboeken, maar daarnaast een nog meer toenemend aanbod van bewegend beeld met gesproken of gezongen tekst, film, video/tv, vlog, youtube, wat niet al.
Dat kan heel onderhoudend zijn, maar je gaat er niet door lezen en een etmaal duurt slechts 24 uur.
Er is volgens Kees Broekhof een stijgend aantal leerlingen dat ook aan het eind van het basisonderwijs nog als 'zwak in lezen'  kan gelden. En het aantal leesbeesten-boekenverslinders neemt af.
Er is bovendien, merkten diverse deelnemers op, een stijgend aantal leerkrachten-in-spe die zelf ternauwernood lezen.
Werk aan de winkel, nog altijd! Het taalonderwijs moet beter, en dat is dan één pijler naast die andere: leesbevordering, ofwel zorgen voor een ruim aanbod van boeken en tijdschriften en veel activiteiten om lezen aantrekkelijk te maken en te houden.
Meedoen aan de Nationale Voorleeswedstrijd is er slechts een van.
Wie weet wordt het beter. Om Gerlien van Dalen te parafraseren: zonder optimisme red je het niet.









vrijdag 18 mei 2018

De dosse hook glommert op de hieme zeek

Gat neep of d'n zuisterd? Gorgezat lekelt d'n hepperdiem se mavelzat in. Korredaag, se kremerd lit sluk! Klarremons zuut krijzel en devert d'n moop in. Kleert ne rolledaat, koepert ne zopermaat!
Gekremerd zilt men d'n grave laagbaarheden in d'n mopen. Grol!
Mor zanten vroopt mon zelemaats...
Vreks, gonter moolt d'n vlerestroker.

Gedderie, doer vroopt ne krakezat. Heilhol gedaver! Zoe koepert grezig d'n rolledaat, navens d'n grope greniling. Zuks bobert Klarremons deer zolle groven. De haggel verplovert d'n verdavering...

Gamenie ziezoekig veer Hongels?
Zok hoer...

Gries! M'r gaast d'n grovver oor d'n kraddeman. Se stoert plikkert d'n hepperdiem tok navens him vroopt. Rolledaat en greneling kwivveren. Doer takkert ne meewoert en slonks bewikkeren two vakkelakken. Stokkers krokken en d'n boemde donkt. Heier! Nachtens zookt hiel woenog ne dosse hook! H't blokert noor zwundel. Gorgels zwieveren doer sloond, rimmelriest zukende en schorgels bemiedende. Hinne kriks het ne bloeuwe bil, o gee! Zaandree: 'Kei ze flin de grond, d'n baarten greten u. Gebreid het droet.'
Growels drokken ne fliert se koppert inne sloet.

Zaas klaakt ne hepperdiem zerig oer se mavelzat. Prienterzat, se mavelzat. Rurg... Gebreid het droet, djaja... Koklenen zwieveren dergens klanklanderend ne newet ech woenog noor dievers ne klovers. Doer dievers krieg tenover tillens griebels ne glokkers, zenne zilt zopermaat te klillens. Vriet veur d/n hepperdiem.

Mier te kam?



dinsdag 15 mei 2018

Vanaf de zijlijn

Heerlijk, vanaf de zijlijn commentaar leveren. Prototypes zo niet iconen: Waldorf & Statler, belangrijke bewoners van de Muppet Show (zie ook hier).



Statler: 'Deze show is vreselijk.'
Waldorf: 'Verschrikkelijk.'
Statler: 'Afschuwelijk!'
Waldorf: 'Volgende week weer?'
Statler: 'Natuurlijk.'



Heel herkenbaar, voor een blogger. Hier zijn ze op Youtube.

zondag 13 mei 2018

Blokje om

Ik ga graag een blokje om. Zo ook het gele blokje (vierkantje) in Blokje om van Judith Vanistendael. Of is het een mannetje met een druipneus? Nee, een theepot! Pardon, een fluitketel...
Het gele blokje van p. 3 verandert iedere bladzijde in iets anders, door toevoeging van een of meer andere vormen. Er komt van alles langs, van genoemde theepot tot een driehoek, van die driehoek via rollende balletjes en een rups (lijkt verdacht op die van Eric Carle). En zo door.

Voorbeeld: van aapje naar egeltje in 6 pagina's:

 

 

 
Het eindigt tenslotte met hetzelfde gele vierkantje als waarmee het begon.

Typisch een boek om met je kleuter op schoot te bekijken. Wat is dit? En dit? Een blokje om vol verrassingen.
Maar ook een fijn spelletje met figuratief en abstract en als zodanig te gebruiken in een lesje over kunst in de bovenbouw basisonderwijs.
Een klein juweeltje, dit boek van Judith Vanistendael.



Vanistendael, Judith. Blokje om. Querido Kinderboeken, 2018, ISBN 978 90 451 2173 4.








zondag 29 april 2018

Je leest een boek

Je ontvangt een boek ter recensie van Tamara Bach, Veertien, en gaat lezen.

Op eenderde denk je: waar gáát dit over. Je bladert nog eens terug. Echt, alleen maar de gedachtestroom van een veertienjarig meisje (nèt veertien geworden) voor wie niets belangrijker lijkt dan andere veertienjarige meisjes en hun muizenissen en vooral: ze mag niet achterlopen! Ze wil, nee, je moet meetellen, erbij horen.

Zucht. Je leest toch maar verder.

Je komt er achter dat ze een tijd ziek is geweest. Ze heeft daardoor een schooluitstapje naar Polen gemist en nog wat. Heel belangrijk dus om haar positie in de vriendinnengroep (nou ja, vriendinnen) weer te vinden op zo'n eerste schooldag na de vakantie. Want ja, je merkt dat het hele verhaal zich afspeelt in één dag, wat je op zich wel bijzonder vindt. Die dag is dus de eerste schooldag.

Je komt er ook achter dat haar vader en moeder zijn gescheiden en dat ze weinig aandacht voor haar hebben en hun scheiding ook nog niet goed hebben verwerkt.

Dat zou het verhaal wat diepte kunnen geven, maar helaas merk je dat het perspectief strikt beperkt blijft tot wat zich afspeelt in het veertienjarige hoofd. Er komt nog een liefje bij en een kus.

Net als je denkt, een mooie start voor een verhaal, is het al afgelopen.
Nou ja, dat was het dan, denk je. Een dag uit het leven van een prille veertienjarige. De school, de vriendinnen, de eerste kus en de gescheiden ouders. Beetje verdriet,  nogal wat spanning, soms wat pret. Weergegeven in staccato proza, waarvan hier een, toegegeven, extreem maar toch wel representatief voorbeeld:

Je staat nog een tijdje voor de deur. Anton en Juul zijn allang om de hoek verdwenen.
Je ademt uit en in, duwt de deur open en loopt drie trappen op naar jullie flat.
Bij het opendoen merk je dat je moeder thuis is.
Je laat horen dat je er bent, maakt geluid.
Trekt je sandalen uit, gaat naar de spiegel en bekijkt jezelf.
Zo zie je er dus uit als je gekust bent.
Zo zou je er altijd uit moeten zien.
Je moeder roept dat het etenstijd is.
Dat ze boodschappen heeft gedaan.
Je gaat naar de badkamer, gaat naar de WC, wast je handen.
De spiegel weer.
Nog steeds zoenlippen.
Nog steeds een vleugje vanille.
Je moeder staat bij de keukentafel, komt op je af, knuffel, kus op je voorhoofd, ga zitten.
Ze heeft allemaal lekkere dingen gekocht. (P. 96)

Heel filmisch en het toont ook wat je tot nu toe nog niet hebt genoemd: de hoofdpersoon wordt aangesproken door de (anonieme) verteller, die daarmee tegelijk ook de lezer aanspreekt. Het effect is wat jou betreft maximale vereenzelviging, maar dat roept ook weerstand op, want je bént geen veertienjarige. Mogelijk ligt dit anders voor veertienjarige lezers!
Vergelijk met deze bespreking. Je denkt dat het irritant kan zijn voor lezers, dat je. Daarom doe je het juist.

Wat zijn gangbare taalsituaties waarin je het over je hebt? Als je sporter bent en een journalist vraagt naar je ervaring en je denkt dat wat voor jou geldt een algemeenheid is. Je staat daar niet bij stil hè...
Je staat er ook niet bij stil dat je zelf algemeenheden soms zo verwoordt. Je als vervanger van men.
Als je instructie geeft en de gebiedende wijs wil vermijden. Je mag je jas in de hal ophangen.
Of als je iemand iets vraagt. Vind je het heel erg, dat je?
Maar nooit als je een verhaal vertelt.

Het is wat dwingend. Er zijn passages die vragen oproepen. Pagina 69:

Je bent opeens weer wakker. Je wangen beginnen te gloeien.
Je legt de andere post lukraak ergens neer, waardoor je moeder er later naar moet zoeken.

Ja, denkt ze dat nou? Of is dit een vertellerstoevoeging? Net zo op p. 93:

Jullie lopen verder.
'Ze kent de weg naar de ijswinkel,' zegt hij.
En hij vraagt of je ook een ijsje wilt. Of hij je op een ijsje mag trakteren.
'Ja graag.'
Je bent dol op ijs.

Ook hier: vertellerscommentaar, of een weergegeven gedachte? Ik denk: vertellerscommentaar.

Hoe dan ook geldt voor deze stijl dat je je zonder veel veranderingen door ik zou kunnen vervangen. Dat zou minder dwingend zijn geweest en verder minstens dezelfde wijdlopigheid hebben behouden. Wat gewoner wel, want zulke verhalen zijn er zat, dit is bijzonder. Enkele passages zouden van betekenis verschieten. Zoals dat over 'dol op ijs', hierboven. Probeer maar.
Je denkt ineens: zou de verteller willen suggereren dat de hoofdpersoon zichzelf voortdurend observeert en aanspreekt? Uit de hand gelopen sportersstijl, zie boven: je loopt het veld op en denkt dáár ligt de bal. Of juist extreem zelfbewustzijn, alsof ze voortdurend in de spiegel kijkt: wat doe je nu?

Zou je je zoor ze vervangen, dan krijg je een iets ander verhaal.
Daardoor zou de verteller ineens wat meer in beeld komen, door de afstand die de derde persoon veroorzaakt. Zo'n opsomming als in het eerste citaat wordt dan wel heel erg observeerderig.
Proef maar:

Ze staat nog een tijdje voor de deur. Anton en Juul zijn allang om de hoek verdwenen.
Ze ademt uit en in, duwt de deur open en loopt drie trappen op naar hun flat.
Bij het opendoen merkt ze dat haar moeder thuis is.
Ze laat horen dat ze er is, maakt geluid.
Trekt haar sandalen uit, gaat naar de spiegel en bekijkt zichzelf.
Zo zie ze er dus uit als ze gekust is.
Zo zou ze er altijd uit moeten zien.
Haar moeder roept dat het etenstijd is.
Dat ze boodschappen heeft gedaan.
Ze gaat naar de badkamer, gaat naar de WC, wast haar handen.
De spiegel weer.
Nog steeds zoenlippen.
Nog steeds een vleugje vanille.
Haar moeder staat bij de keukentafel, komt op haar af, knuffel, kus op haar voorhoofd, ga zitten.
Ze heeft allemaal lekkere dingen gekocht.

Alsof hier een verdacht subject wordt gadegeslagen, en dat knuffel, kus op haar voorhoofd, ga zitten komt wat raar over en zou dus anders moeten. De derde persoon zou de mogelijkheid hebben geboden die moeder meer reliëf te geven.

Afijn, ik houd het op deze stijloefening en verlaat hierbij de je-stand. Het bijzondere van dit verhaal is vooral die aanspreekvorm. Heel apart, soms irritant. Verder las ik een gave schets van een dag uit het leven van een veertienjarige. Niet minder, vooral niet meer.



Bach, Tamara. Veertien; vert. Esther Ottens. Querido, 2018. ISBN 978 90 451 2126 0. Orig.: Vierzehn, 2016.