Zoeken in deze blog

zondag 26 juni 2022

Griffels en penselen in overvloed

Onlangs zijn de Griffels en Penselen bekendgemaakt.
Voor het eerst werden dit jaar Bronzen Griffels en Penselen uitgereikt, in plaats van Vlag-en-Wimpels, zodat we nu 45 titels hebben die met zo'n etiket zijn beloond.
Dat zijn er rijkelijk veel - te veel wellicht. Hier is een handig lijstje met afbeeldingen van de boeken. Hier is de officiële lijst van de CPNB.
De oorspronkelijk Nederlandstalige Zilveren Griffels en Penselen zijn automatisch genomineerd voor de Gouden Griffel en Gouden Penseel, die bij de start van de Kinderboekenweek (5-16 oktober, anderhalve week dus) bekendgemaakt worden. 
Tegen die tijd kom ik er op terug, denk ik.

De Griffeljury bestaat dit jaar uit Ernestine Comvalius (voorzitter), Kim Blackburn, Emma Eigenraam, Thomas Hardie, Rubén Rodriguez da Silva, Susan Venings en Joan Windzak. De Penseeljury: Peggy Brandon (voorzitter), Rozemarijn Blankestein, Kirsten König, Loes Reichenfeld en Ilona van Tuinen.

Boeken op vakantie

In juli sluiten de scholen. Vakantie! Zes weken zonder lessen, zonder schoolboeken, dus ook zonder schoolbibliotheek en vaak ook zonder leesboeken.
 
Al decennia geleden vonden bibliotheken daar iets op: lijstjes met titels van aantrekkelijk geachte boeken, en kinderen die ze allemaal lazen kregen een prijsje. Daaromheen allerlei activiteiten. Zomerleesprogramma, Zomerboekenplan, Zomerlezen, Leesprogramma... en dat aanbod bestaat nog steeds in diverse Nederlandse bibliotheken, bijvoorbeeld in Dordrecht, al biedt hun centrale dienstverlener NBD Biblion hiervoor geen materialen meer aan. De CPNB wel, overigens, zie hier. Ook kinderboekwinkels spannen zich hier en daar in om jonge klanten te verlokken tot het kopen van een boek voor op vakantie, zie bijvoorbeeld de nieuwsbrief van de Utrechtse Kinderboekwinkel. En er is zelfs een educatieve uitgeverij die een soort zomerleesprogramma heeft opgestart, Blink, die ook aan de weg timmert met een leesmethode waarin veel plaats zou zijn voor 'lezen uit nieuwsgierigheid', Blink Lezen.
 
Alle beetjes helpen.
 
Een fijn boek lezen is een prettige en soms verrijkende ervaring. 
Daarnaast is er inmiddels een berg onderzoek waaruit blijkt dat er veel positieve bij-effecten zijn. (Heel recent (23 juni) werd in Nederland nog zo'n onderzoek gepresenteerd: Verrijkt vrij lezen; Een meta-analyse van de effecten van toevoegingen aan vrij lezen.) 
Lezen vergroot je woordenschat, je leert er beter door lezen, je leert je verplaatsen in anderen, je leert wat meer over de wereld. Enzovoort. Geldt voor iedereen, jong en oud.

Vraag het directeur Sylvie Dhaene van Iedereenleest (B) of directeur Gerlien van Dalen van Stichting Lezen (NL).
In Lezen, het kwartaaltijdschrift van Stichting Lezen, hamert Gerlien van Dalen er in het redactioneel ieder nummer weer opnieuw op. Ook in het meest recente nummer, 2022-2, waarin ze aandacht vraagt voor de 'aarzelende lezer'. Die moet over de streep getrokken worden.
Als ze al haar stukjes van de afgelopen jaren achter elkaar zou lezen, zou zij wellicht bevangen worden door een zekere treurnis. Er zit een repeterende factor in.

Want uit diverse metingen (waarover in dit blog regelmatig is bericht en zie ook hier) blijkt dat ondanks alle inspanningen van leesbevorderaars en leerkrachten kinderen steeds minder en steeds slechter lezen - en ja, daar is verband tussen. Erger, ook leerkrachten lezen steeds minder en steeds slechter, vooral de jongere garde. 
Het Nederlandse leesonderwijs is uitgehold, rapport na rapport toont dat aan. Ligt niet alleen aan die onderbetaalde en soms te weinig geschoolde leerkrachten, ook aan grotere en steeds diversere groepen, soms wat doorgeschoten regel- en administratietucht en saaie leesmethodes met zouteloze tekstjes.

Of het recente Masterplan Basisvaardigheden daaraan iets gaat veranderen, dat weet ik nog niet zo zeker.
 
De oplossingen voor dalende onderwijsprestaties en andere grote vraagstukken zijn afgelopen jaren te veel overgelaten aan de onderwijssector zelf, die bovendien met grote tekorten kampt. Ik heb hoge verwachtingen van het onderwijs, maar zij mogen ook iets van mij verwachten. 
Het kabinet stelt in het coalitieakkoord structureel € 1 miljard beschikbaar voor onderwijskwaliteit, waarmee de basis op orde moet komen. Ik vind het belangrijk dat we deze middelen zo investeren, dat we schoolleiders en leraren beter faciliteren zodat zij hun werk goed kunnen doen, focus kunnen aanbrengen in hun curriculum en hun ambities waar kunnen maken. Daarom wil ik niet alleen financiële middelen ter beschikking stellen, maar leraren daadwerkelijk helpen met kennis en mogelijkheden voor hulp en ondersteuning.

Aldus in mei 2022 het jonge broekie Dennis Wiersma ('minister voor primair en voortgezet onderwijs', VVD). Het is niet de eerste keer dat een Nederlandse regering meldt dat er iets loos is met het 'voorwerp van aanhoudende zorg'. Het zal waarschijnlijk ook niet de laatste keer zijn. Als iets de huidige en direct voorgaande regeringen kenmerkt, dan wel een grote mate van bestuurlijk onvermogen.

Bovenstaand ministerieel citaat verdient een oefeningetje close reading.
- 'De oplossingen voor dalende onderwijsprestaties en andere grote vraagstukken zijn afgelopen jaren te veel overgelaten aan de onderwijssector zelf.' 
Bewijs? Ik zou juist denken dat er buiten het onderwijs teveel oplossingen zijn bedacht, die vervolgens niet bleken te werken. Of de minister moet al die adviseurs en andere stuurlui aan de wal tot 'de onderwijssector' rekenen.
- 'Ik heb hoge verwachtingen van het onderwijs, maar zij mogen ook iets van mij verwachten.'
'Van mij'? Alsof een minister in zijn eentje regeert. En 'zij mogen' verwijst naar 'het onderwijs'?
- 'Het kabinet stelt in het coalitieakkoord structureel € 1 miljard beschikbaar voor onderwijskwaliteit, waarmee de basis op orde moet komen.'
Wat heet 'structureel'? Ieder jaar? Wat betekent dat 'de basis op orde' moet komen? Klinkt flink, zegt niets.
- 'Ik vind het belangrijk dat we deze middelen zo investeren, dat we schoolleiders en leraren beter faciliteren zodat zij hun werk goed kunnen doen, focus kunnen aanbrengen in hun curriculum en hun ambities waar kunnen maken.'
Nu is er ineens 'we'. Wie? Wij 'met zijn allen', om eens een erg versleten politiek cliché van de plank te halen? Dat 'beter faciliteren', zou dat inhouden dat eindelijk de groepen kleiner worden, dat de lonen stijgen zodat jonge leerkrachten een woning kunnen kopen, dat die leerkrachten overdag tijd krijgen om lessen voor te bereiden?
Over de komma achter 'investeren' heb ik het maar even niet. (Die maakt de daarop volgende bijzon uitbreidend in plaats van definiërend.)
'Focus aanbrengen in hun curriculum en hun ambities waar maken': wie hoor ik hier hol lachen? Wat een modieus gezwets.
 
Afijn, laten we de moed er inhouden en stug doorgaan met het onder de aandacht brengen van manieren om vooral kinderen aan het lezen te brengen en te houden.
De Nederlandse Talunie heeft daartoe kort geleden ook een instrument gemaakt, de website Rijke teksten. De term is in en dat is verklaarbaar, iedereen begrijpt wat ermee wordt bedoeld, zie ook hier en hier.

Alle beetjes helpen...


zaterdag 18 juni 2022

Weg die prefab leesmethode

Merel van Vroonhoven schrijft al enige tijd stukjes voor de Volkskrant waarin ze verslag doet van haar ervaring als docent basisonderwijs, ofwel juf. Over haar stap van bedrijfsleven (Nationale-Nederlanden, ING, Nederlandse Spoorwegen en de Autoriteit Financiële Markten) naar onderwijs heeft ze inmiddels een boek gepubliceerd, De stap, hoe mijn weg naar de top me naar het klaslokaal bracht.
Vast heel lezenswaardig, want dat zijn haar stukjes (bijna elke zaterdag) ook.
 
Op 18 juni verscheen er een onder de kop 'Samen lezen doet de waakvlam van grenzeloze kindernieuwsgierigheid moeiteloos oplaaien'.
Haar school heeft de 'prefab leesmethode'  afgedankt en is overgestapt op 'bezielende verhalen'.

Lezen? Zie hier, maar voor de zekerheid ook hieronder.

'Samen lezen doet de waakvlam van grenzeloze kindernieuwsgierigheid moeiteloos oplaaien' 17 juni 2022

‘Vanmiddag even bellen?’, app ik Nadia, mijn collega van de parallelklas. Ik zit met een kopje thee achter mijn laptop in de bibliotheek. Het is mijn columnschrijfdag. Maar eerst nog even wat laatste actiepunten wegwerken. Zonder zeurende to-dolijst in mijn kop, dat schrijft beter. Even later appt Nadia terug: ‘Prima! P.S. Gisteren het hoofdstuk Vluchten gelezen. Was weer top!’

Ik glimlach. Wat een feest om te merken dat het leesplezier in de klas binnen enkele maanden zo is toegenomen. Op dit moment lezen we een boek over kinderarbeid in de 19e eeuw. Met hart en ziel leven de kinderen mee met hoofdrolspeler Pier, een 9-jarige jongen, die dag en nacht in een vieze, donkere fabriek werkt.

Eind vorig jaar staken Nadia en ik ons licht op bij verschillende scholen met hoopgevende resultaten op het gebied van effectief leesonderwijs. Daarop besloten we met steun van onze schooldirecteur – zelf een boekenverslinder – de prefab leesmethode naar het grofvuil te verwijzen. Sindsdien komen bloedeloze teksten zonder diepgang ons klaslokaal niet meer in! We lezen uitsluitend nog bezielende verhalen die kinderen nieuwe kennis bijbrengen over de wereld waarin ze leven.

Wekelijks speuren Nadia en ik bibliotheken, kranten en het internet af naar mooie, rijke teksten en boeken passend bij thema’s zoals het ontstaan van de aarde, de werking van het menselijk lichaam, de wereldoorlogen en de slavernij. De kinderen vinden het allemaal even boeiend. Samen lezen doet de waakvlam van hun grenzeloze kindernieuwsgierigheid moeiteloos oplaaien in een fel vlammend vuur. Stap voor stap verdwijnt hun angst voor langere teksten-zonder-plaatjes en moeilijke, onbekende woorden.

Nadat ik Nadia een fijne schooldag heb gewenst, zet ik mijn telefoon uit. Op zoek naar inspiratie voor mijn column scan ik de dagbladen en blader in mijn aantekeningenboekje. ‘Kabinet wil prestatiedruk in samenleving aanpakken’, lees ik in een van mijn vele, vluchtige krabbels. Hè, hè, eindelijk goed nieuws voor kinderen. Als érgens het idee leeft dat succes een keuze is en het leven maakbaar, dan is het wel in onze houding jegens kinderen. Kinderen zijn in onze maatschappij verworden tot een product dat maximaal moet presteren. En als dat product de verwachting niet waarmaakt, grijpen we naar medicatie, een psychiater of naar dure bijlessen. Met als gevolg: steeds meer mentale klachten onder jongeren, een groeiende kansenongelijkheid en een exploderende geestelijke gezondheidszorg.

Fanatiek tik ik op mijn toetsenbord de dag weg. Ik kijk op de klok, vijf uur alweer. Tijd om Nadia te bellen. ‘En, hoe was jouw schooldag?’, vraag ik.

‘Breek me de bek niet open’, zegt ze. ‘Ik ben bijna bezweken aan een hartverlamming.’ Na het buitenspelen bleken drie 9-jarige meisjes uit haar klas opeens zoek. Toen ze nergens op het schoolterrein te vinden waren en maar niet terugkwamen, rinkelden alle alarmbellen. Er ging een politie-alert uit, een batterij politiemannen met speurhonden kamde de bosrijke omgeving van de school uit. Alles zonder succes. Pas twee uur later, vlak voor het opstijgen van een politiehelikopter, waren de meisjes weer terecht.

Zich ogenschijnlijk van geen kwaad bewust vertelden ze: ‘We wilden alleen vluchten, net als Pier. Ons verstoppen tot de Cito’s voorbij waren.’ En toen, net wat feller: ‘Want juf, ook wíj willen geen kinderarbeid.’

vrijdag 17 juni 2022

Schuld en nieuw leven

Patroon, de meest recente roman van Marco Kunst, geeft aanleiding tot enkele bespiegelingen.

Maar laat ik eerst even het verhaal samenvatten. Het verhaal speelt in onze contreien, min of meer in het hier en nu, verder niet omschreven. Twee vrienden, Mylo en Mees, spelen met een patroon, die Mylo van zijn opa heeft gekregen. Patroon ontploft, Mees dodelijk getroffen. Mylo voelt zich zwaar schuldig, en en zijn omgeving ziet dat ook zo. Alleen zijn moeder en opa hebben begrip, het blijft namelijk wel een ongeluk, al is het niet echt verstandig om met een hamer op een patroon te tikken. Dat schuldgevoel leidt tot een vruchteloze behandeling door psycholoog Bastiaan, en tot een dringend idee om zijn vader, Ben Caustner, te willen vinden. Die is er namelijk lang geleden vandoor gegaan en woont in dezelfde plaats in Californië waar Vietnam-veteraan opa vandaan komt. En hoewel opa zijn zoon beslist niet wil ontmoeten, gaat hij wel met Mylo mee naar Californië om hem te zoeken. Dat lukt, maar een vreugdevol weerzien wordt het niet. Het brengt Mylo letterlijk en figuurlijk aan de rand van de afgrond.

De titel slaat natuurlijk op de patroon, maar ook op het patroon waarin eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven, waardoor je gedoemd zou zijn je volgens vaste patronen te gedragen. Psychologen gespecialiseerd in familie-opstellingen kunnen er heel wat over melden, maar auteurs ook.
Opa uit het lood, vader uit het lood, jij uit het lood, zoiets. Aan dat idee is het verhaal opgehangen, maar dan wel met uitzicht op doorbreken van het patroon. Daarvoor is een 'kaboutermeisje' nodig, maar om dat te snappen kun je beter het verhaal lezen. In ieder geval redt zij min of meer indirect Mylo, als hij, zoals gezegd, letterlijk en figuurlijk aan de rand van de afgrond staat.
Dat gaat aan het eind ineens wel wat snel, namelijk in één laatste dagboekaantekening, gevolgd door een terugblik jaren later. Had wat mij betreft wel ietsje uitgediept mogen worden, zeker na al die voorafgaande loodzware dagboekstukjes. Het is allemaal heel ernstig en dan gaat het eind ineens de positieve kant op. Heel therapeutisch, en ja, je kunt zo'n voor jongeren bedoelde roman toch niet echt slecht laten aflopen? Of wel? In die zin past dit verhaal in een gangbaar stramien - of patroon.

Het is zoals gezegd allemaal heel erg, heel ernstig. Tenzij je als lezer zit te grinniken om de stilistische fratsen en anekdotes van de verteller. Dat is namelijk Mylo - tot, ineens, het op-een-na laatste stukje (p. 177-184), hoewel hij daar mogelijk over zichzelf in de derde persoon schrijft, althans, dat zou dan de suggestie zijn.
Mylo houdt een dagboek bij, want dat is hem aanbevolen. Die lijn wordt nauwgezet volgehouden, meer dan eens twijfelt hij aan het nut, hij heeft het ergens over 'mijn schrift' en hij schrijft in een wat kortademige stijl die, denk ik, door zijn schepper wordt beschouwd als typische jongerentaal, met bijpassende vocabulaire.
Zoals altijd met dit soort verhalen hebben we dus te maken met de tegenstelling tussen een goedgebekte verteller, die (kortademig of niet) vlot kan schrijven, en dezelfde figuur als hoofdpersoon die in die richting geen enkele ambitie toont, het is dat-ie het moet, anders schreef hij niet. Hier en daar wringt het, vooral als hij als verteller ook nog eens zijn opa vertellend opvoert, waarbij de doorgaans zwijgzame oude man zich ook al ineens heel goed kan uitdrukken. Ja zeg, wonderen zijn de wereld niet uit. Als opa spreekt, is het ook meteen goed verwoord en lekker heftig. Tijd voor een citaat (p. 130-131).
 
'Weet je,' fluistert hij dan. 'Ik kroop weg. Weg van dat pad door de jungle, weg van die banyan tree. Op handen en knieën. Als een dier. Kon niet meer op mijn benen staan. Dieper en dieper het struikgewas in. Ik voelde me geen mens meer, maar ongedierte. Ik kroop tussen prachtige witte bloemen door die naar verrotting roken... door dikke lagen dode bladeren en kwam bij een poel... er klonk nog een salvo, om het af te maken, misschien had iemand die eerste schoten overleefd, misschien had ik een van mijn maats nog kunnen redden als ik na dat eerste salvo alsnog geschoten had... En daar, in die poel, rolde ik mezelf tussen riet, in de modder. De rest van mijn leven heb ik daar doorgebracht.'Hij schraapt zijn keel, haalt zijn neus op.
'Een mens zou zichzelf recht in de ogen moeten kunenn kijken,' ging hij verder, 'maar ik kan dat niet meer en... Anyway... Ze vonden me de volgende dag. Ze trokken me uit de modder, maar konden niets meer voor me doen, ik werd teruggestuurd naar Saigon. Ze gaven me pillen, praatten op me in, schreeuwden, maar ik zei niets meer, volgde geen bevelen meer op, zweeg als het graf, en uiteindelijk stuurden ze me terug naar huis.
Niemand vond de patroon die ik bij me had gestopt: de kogel die ik niet had afgevuurd, en die alles bepaalde wat daarna kwam... Ik veranderde, ik bewaarde die patroon, al die jaren. En toen nam jij hem mee.'
In het dal roept de uil opnieuw. Zacht. Oneindig ver weg. Oneindig verdrietig.

Nogal welsprekend... Hier kiert een andere verteller (laten we zeggen, de auteur) heen door Mylo als verteller-dagboekschrijver die zijn opa citeert.
 
Zo ook hier, opa over zijn zoon (p. 140):

Alweer een bekentenis. Het wordt tijd dat opa stopt. Veel meer kan ik er niet bij hebben.
'Ik wilde dat hij sterker zou worden dan ik. Moediger. Tough. Ik liet hem bij spelletjes niet winnen, zei nooit dat hij iets goed gedaan had. Zelfs niet toen hij heel klein was. Hij moest hard worden, vond ik. Keihard. Hij zou goedmaken wat ik had verpest. Hij zou wél schieten als hij moest schieten. Ik liet hem lopen tot hij huilde van vermoeidheid. Maar nooit droeg ik hem terug naar huis en... ik zong geen slaapliedjes voor hem... Ik kon het niet... Ik... Pas toen jij er was, zag ik wat ik gedaan had. Toen het te laat was. Ik wilde het goedmaken... met jou... er voor jou zijn...' Opa laat zijn hoofd op het stuur rusten. Fluisterend gaat hij verder. 'Maar Ben... ik sloeg hem. Ik... ik weet niet wat ik wilde, misschien wilde ik de oorlog uit mezelf slaan, maar ik sloeg hém...'
 
Gelukkig blijft Mylo's tekst zelf iets dichter bij de puber die hij is, die soms overdrijft en ook lekker sarcastisch over zijn psycholoog Bastiaan (met zijn 'worstvingertjes') kan zijn. Mylo ís tenslotte een puber en mag zich dus zo uitdrukken, al zou ik me als auteur wel zorgen maken of dat stijltje over tien of twintig jaar nog werkt. Maar ach, tegenwoordig zijn de omlooptijden van boeken zo hijgend kort dat Marco Kunst er wellicht niet eens over durft te dromen een klassieker te hebben gemaakt.

Mylo over verdriet (p. 38), bijzonder omdat hij de lezer aanspreekt.

Ik vroeg je al of je ooit verliefd was geweest.
Nu wil ik je vragen of je weleens echt verdriet hebt gekend.
Vast wel zo'n beetje. Je bent ongetwijfeld een keer verliefd geweest en je hebt ook verdriet gekend in je leven.
Maar verdriet dat te groot is, ken je dat ook? Verdriet dat als zo'n blobmonster uit een Japanse manga helemaal om je heen slobbert, zwart en slijmerig.
Verdriet om je beste vriend die dood is: verdriet dat voelt als een zwart gat in je lijf. Zo'n zwart gat als in het heelal, dat alles opslokt en waar niets uit kan ontsnappen. Nooit meer.

Maar ook (p. 98):

Het begon allemaal geweldig. Inchecken, boarden. Ik vond het spannend, voor het eerst in tijden voelde ik me goed. Klein rotstemmetje nog wel in mijn hoofd dat zei dat ik het niet geweldig mocht vinden omdat blablabla, maar ik voelde daar niet veel bij. Daar wel weer schuldgevoel bij. Maar goed. Zei niet iedereen dat ik verder moest met mijn leven?
Even was ik gewoon Mylo die op avontuur ging en op zoek naar zijn vader. Met zijn Amerikaanse opa. Familiedingen.
Het was de eerste keer dat ik vloog. Mam wilde nooit op vakantie, kon volgens haar niet met haar zaak, dus ik had nog nooit gevlogen. Supervet: de versnelling, loskomen van de grond... Ik zat aan het raam.

Het is niet het enige super. De auteur heeft zoals gemeld zijn best gedaan zijn verteller een stijl mee te geven die past bij zijn leeftijd. Het al eerder genoemde op-een-na-laatste stukje, waarin Mylo naar de afgrond (een klif) loopt, is prompt geloofwaardiger. Ik dacht even: had het hele verhaal zo geschreven.

Mogelijk zijn er jonge lezers die ervan smullen. Wie weet. Mij lijkt het een zwaktebod. Een betere auteur voert een al dan niet anonieme verteller op met net zoveel afstand en betrokkenheid dat die de personages zowel in hun beweegredenen, gedachten en gevoelend kan volgen als hen van een afstandje beschrijven. Óf hij of zij maakt van de verteller een echt interessant personage. Dat levert op zijn best een prangende tekst op, waar geen woord gemist kan worden, waar je als lezer wil dóórlezen omdat je wil doorgronden en ook wil weten hoe het afloopt. Tekst die het gegarandeerd over twintig jaar ook nog doet, zo niet nog langer.

Dat is met Patroon volgens mij niet het geval. Maar al is het voor mij als doorgewinterde lezer hier en daar te larmoyant en woordrijk, het blijft een stevig en onderhoudend verhaal en wie weet, wie weet hoeveel lezers van veertien en (niet veel) ouder zich lekker laten inpakken door verteller Mylo.

Wat me ineens invalt: wat voor stem zou je voor een luisterboek-versie willen horen?
 

Kunst, Marco. Patroon. Gottmer, 2022. ISBN 978 90 257 7598 8, 190 p.

dinsdag 14 juni 2022

Kindercanon van de natuur

Het is een verrassend en ambitieus idee, een boek te maken met beschrijvingen van soorten die kinderen (en volwassenen) in ieder geval zouden moeten kennen. Geïnspireerd door de Canon van Nederland, denk ik, waarbij meteen dient opgemerkt dat in Soortenschat rekening wordt gehouden met Belgische lezers, zie bijvoorbeeld op p. 13 de Iep, die volgens auteur Geert-Jan Roebers in België vaak Olm wordt genoemd. En zie ook de titel.
Voluit heet het boek Soortenschat, kindercanon van de Natuur in de Lage Landen
Het is mooi uitgevoerd, mede dankzij de tekeningen van Pieter Fannes.
 
 
De rond honderd soorten zijn verdeeld over zeventien hoofdstukjes: 'Buurtbomen', 'Buurtvogels', 'Buurtplanten', 'Insecten', 'Tuinbloemen', 'Veel- en nulpoters', 'Groene sprieten', 'Plattelandsvogels', 'Paddenstoel & co', 'Slootdieren', 'Gewassen', 'Watervogels', 'Wilde bomen', 'Zoogdieren', 'Struiken & klimmers', 'Strandvondsten' en 'Schatten'. Dat laatste wonderlijke hoofdstukje bevat een allegaartje aan soorten, die je zou moeten vinden 'als je iets anders zoekt', en dat zijn volgens de auteur Reuzenbovist, Vos, IJsvogel, Grijze zeehond, Passiebloem en Ringslang. Ze hadden stuk voor stuk in een van de voorgaande hoofdstukjes gekund.
 
Over de keuze van soorten valt te twisten, maar de gekozen soorten zijn wel algemeen genoeg om te passen in het idee van een canon. Daarover dus niet gezeurd, er zijn nu eenmaal grenzen te respecteren als je zo'n boek maakt en de gepresenteerde soorten worden mooi in beeld gebracht en beschreven in een vast stramien, dat op p. 8 wordt toegelicht.



Er zijn niettemin wat kanttekeningen te plaatsen.
Nergens wordt de grootte vermeld. Dat hindert niet als de soorten erg bekend zijn, zoals de Merel, maar het blijft merkwaardig dat bijvoorbeeld Ree en Egel ongeveer even groot worden afgebeeld (p. 116 en 117) en idem Boerenzwaluw en Kievit (p. 68 en 69). Ook mis ik bij de meeste soorten wat ze eten en als er iets essentieels is aan natuur, dan wel eten en gegeten worden. Ja, geldt ook voor planten, zie Briljante planten, van dezelfde auteur.
Aangezien alle soorten worden geïntroduceerd met een kort tekstje en daaronder 'waar?' en 'het jaar', zou daaronder 'hoe groot?' en 'voedsel' niet misstaan hebben.
Verder staat er bijna overal een tekstje 'niet verwarren met'. Verklaarbaar, maar soms juist verwarrend... Zeker als bijvoorbeeld op p. 21 die 'snelle test' voor de Gierzwaluw wordt gepresenteerd:



'Zwaluw' is een verzamelnaam voor diverse soorten. We zinden in onze streken bijvoorbeeld de Boerenzwaluw, de Oeverzwaluw en de Huiszwaluw... en die verschillen nogal van elkaar. Zoals wordt uitgelegd op p. 68! Had daarnaar verwezen...
Voorts wordt op p. 89 niet uitgelegd wat paren is, en op p. 115 moet je weten wat zoogdieren zijn. De wolkjes met 'onthouden' ('breinlijmklemmen'), bedoeld als ezelsbruggetjes, zijn vaak nogal vergezocht, wat de auteur ook lijkt te beseffen want op p. 8 meldt hij: 'Vind je die ezelsbrug raar of kinderachtig? Dan werkt hij juist! Verzin je een betere? gebruik die!'.
 

 
Kortom, mooi initiatief, leuk boek, bijna helemaal geslaagd.
 
 
Roebers, Geert-Jan. Soortenschat.Kindercanon van de natuur in de Lage Landen. Met illustraties van Pieter Fannes. Gottmer, 2022. ISBN 978 90 257 7363 2, 152 p.

dinsdag 31 mei 2022

Moeraskoning

Vroeger waren er nog wat dorpen voorbij het moeras, ergens ver weg was misschien een stad en dan hield de wereld vrijwel op, de rest was mysterie. Soms doken er mensen op van nog verder weg, in het circus op de kermis of zo. Creëer je zo'n idee in een verhaal, dan schep je een gemeenschap van mensen die op elkaar aangewezen zijn. Saamhorigheid, jawel, maar ook benauwdheid waarin men elkaar voortdurend de maat meet, en wee degene die zich daaraan tracht te onttrekken.
Ziedaar de achtergrond van De zusjes uit het Verzonken Moeras van Lucy Strange.
 
 
Wij hadden vroeger de witte wieven, die je het moeras in lokten. In het moeras bij het dorp van De zusjes uit het Verzonken Moeras heerst de Moeraskoning. Ook die lokt je het moeras in. Of houdt mensen gevangen, zoals Grace.

Verteller Willa is een van de zes zusjes. Ze woont met Freya en Grace, en haar later geboren zusjes, de drieling Dolly, Didi en Darcy (bij wier geboorte moeder stierf), Opoe en hun vader ('Papper', benieuwd hoe hij in het Engelse origineel heet) op de boerderij. 
Die is van Opoe, maar Papper tiranniseert het stel. 
Er rust een vloek op hem, denkt hij, en die kennen ze allemaal uit hun hoofd, de Vloek van de Zes Dochters: 
zorg dat de eerste meid goed trouwt, 
de tweede 't huis op orde houdt, 
een derde kan maar weinig kwaad 
als 't boerenwerk naar haar toe gaat. 
Help vier en vijf aan 'n echtgenoot, 
of zes legt jou in het graf - morsdood.
 
Die vloek komt uit, want de 'eerste meid' (Grace) heeft geen zin in de voorbestemde echtgenoot, de onbehouwen Silas Kirby die haar in ruil voor het paard Flint door Papper toegewezen heeft gekregen, en verdwijnt. De derde (verteller Willa) gaat haar zoeken, met Flint. Ze denkt dat Grace met het Vollemaanscircus is meegegaan.
Waarop boze vader en bedrogen aanstaande echtgenoot weer achter Willa aan gaan, wat leidt tot de dood van Silas en de terugkeer van Willa met haar doodzieke vader (moeraskoorts).
De intrige zit knap in elkaar, rijk aan kleurrijke details, met veel drama en spanning. Ik ga er niet teveel over melden, maar wil nog enkele kanttekeningen kwijt.
 
 
Het verhaal speelt in een onbestemd verleden, waarin magie nog deel van de werkelijkheid was. Er is een episode waarin Opoe door dorpelingen én door Papper van hekserij wordt verdacht, de dronkelap Papper kijkt bovendien met een scheef oog naar zijn jongste dochter Darcy met haar donkere haar, het onverwachte nakomertje dat van de verwachte tweeling een onverwachte drieling maakte. De Moeraskoning bestáát en Willa weet hem te overwinnen, met hulp van haar overleden tweelingbroer, wiens hand ze in de hare meent te voelen, waarmee de magie meer dan suggestie wordt, een aparte ervaring voor de volwassen lezer die een rigide scheiding wenst tussen werkelijkheid (al is die fictief) en magie. Ongeveer zoals in bijvoorbeeld Skellig van David Almond, om eens een ander bijzonder verhaal te memoreren. (De Nederlandse vertaling is helaas alleen tweedehands te krijgen.)
Willa krijgt hulp als ze gaat zoeken naar haar zus, vrienden geven haar twee heel speciale zaken mee, waarvan eigenlijk niet bekend mag worden dat ze bestaan: een kaart en een kompas

Zoiets heb ik weleens gezien, met een ketting aan de jas van dorpsoudste Warren vastgemaakt. 'Een zakklokje.' 
'Geen zakklokje,', zegt meneer Moss. 'Een kompas. Je hebt niet altijd een deurstopper in de buurt om je te vertellen aan welke kant het oosten ligt...' hij glimlacht '... maar dit naaldje weet waar het noorden is, en dan...'
Hij laat me zien hoe het werkt. Ik kijk gefascineerd toe hoe het metalen wijzertje heen en weer schiet en zijn richting zoekt. Dan legt meneer Moss het op de kaart.
'Dat is toverij,' fluister ik.
'Een soort toverij, ja, 'zegt meneer Moss. 'Veel dingen lijken toverij, hè? Dingen in de natuur, slimme dingen zoals dit. Volgens mij is toverij een manier om dingen te verklaren die we niet begrijpen. Sommige mensen zien 't wonderbaarlijke ervan, maar anderen maakt 't bevreesd. Pas er goed op. Hou het verborgen.'

De familieverhoudingen zijn intrigerend en spelen een belangrijke rol. De dood van moeder bij de geboorte van de drieling maakte vader een verbitterde man. Later in het verhaal blijkt Willa ook nog een overleden tweelingbroer te hebben, wat zijn bitterheid nog versterkte. 
In het dorp wordt jaarlijks een feest gehouden waarbij aanstaande koppels verkleed dansen, wat tot grimmigheden leidt omdat immers één koppel ontbreekt. Iedereen kent iedereen, iedereen houdt iedereen in de gaten. Nee, idyllisch is het niet.
De ontknoping is, na dit beklemmende verhaal, bepaald spectaculair. 


De vertaling kan ik (nog) niet beoordelen. Soms bekroop me de hoop dat het origineel net wat soepeler zou zijn dan de Nederlandstalige tekst, maar in het algemeen las het prima. Ik vond het irritant dat er zo vaak 'n staat in plaats van een en 't in plaats van het. In het citaat hierboven heb ik dat deels gecorrigeerd. 
Interessant is dat deel 1 ('Midwinter') in de onvoltooid verleden tijd wordt verteld, en deel 2 ('Voorjaar') en 3 ('Midzomer') in de tegenwoordige tijd. Valt haast niet op. Vrij naar Cruijff: je hebt het pas door als je het ziet

Natuurlijk lijdt ook dit verhaal eraan, als zovele moderne verhalen voor kinderen, dat er een vreemd soort ongerijmdheid zit tussen verteller en vertelling. De verteller doet verslag als een soort radioverslaggever, die ons meeneemt in een live reportage, met deel 1 dan als een soort wat-vooraf-ging. Voor een weliswaar intelligent dorpsmeisje is Willa een wel heel erg begenadigd verteller. Maar het deert niet, ze neemt de lezer snel genoeg mee in de maalstroom om die ongerijmdheid te doen vergeten.
Een auteur om op te letten, die Lucy Strange.
 
 
Strange, Lucy. De zusjes uit het Verzonken Moeras. Vertaling Aleid van Eekelen Benders.  Gottmer, 2022. ISBN 978 90 257 7591 9. 180 p.

maandag 30 mei 2022

Boer Boris is tien


... maar krijgt het toch.
 

Dat er nu al tien jaar boekjes verschijnen over Boer Boris ligt vooral aan de goede samenwerking tussen auteur (Ted van Lieshout) en illustrator (Philip Hopman). Die begon met het vierjarige zoontje van Philip, lees ik in het feestinterview in de flyer die uitgeverij Gottmer uitbracht ter gelegenheid van de verjaardag. 
Die zoon moet inmiddels dus veertien zijn en ik hoop voor zijn vader dat zijn zoon trots is op zijn fictieve afsplitsing. Hij zal inmiddels, neem ik aan, niet meer 'in zijn overall met rode laarsjes' 'rondbanjeren' en verkondigen dat hij boer wil worden.

Boer Boris... daar moet ik iets mee, dacht ik. Maar ik kreeg het niet op papier. Omdat ik beter kan tekenen dan schrijven, legde ik het voor aan mijn goede vriend Ted: kunnen we iets met Boer Boris? Aanvankelijk dacht ik aan een leuk cadeautje voor mijn zoon, maar Ted werkte het personage uit en zag al snel dat er meer in zat.
 
Dat bleek raak. 
 'Inmiddels zijn er 15 delen, kartonboekjes, een toneelstuk door toneelgroep Heer Otto, liedjes, animaties, een poppetje, een kalender en er komt nog veel meer....'. Boer Boris was meteen boer en bleef dat tien jaar en een ruim vijftiental boekjes lang.
 
Naar aanleiding van Boer Boris' verjaardag kreeg ik Boer Boris en het bootje toegestuurd en dat verschilt niet echt erg van andere verhalen met Boer Boris in de hoofdrol. In dit geval gaat het over een bootje dat eerst niet, en na wat lieve kunstgrepen (het krijgt bandjes om) wél wil varen.
Magisch, een bootje met een wil. Net zo vanzelfsprekend als in alle andere Boer Boris-boekjes en in vele andere verhalen voor jonge luisteraars en kijkers die zelf nog nét niet toe zijn aan lezen en zich nog in een fase bevinden waarin het gewoon is dat een ding iets kan willen - of niet willen.
Is niet zo ver weg, hoor. Veel grote mensen roepen ook 'Hij wil vandaag niet', als de auto niet direct start. Ik wel, in ieder geval.

De Boer Boris-boekjes zijn zo vanzelfsprekend dat het haast niet opvalt dat ze goed in elkaar steken. Gewoon, fijne en mooie boekjes om uit voor te lezen en samen prenten te bekijken. Jubelientje, maar dan toch weer anders. Jubelientje werd 25. Ben benieuwd of Boer Boris dat ook haalt.
 
 
Lieshout, Ted van, en Philip Hopman. Boer Boris en het bootje. Gottmer, 2022. ISBN 798 90 257 7632 9, 32 p.

Niet meer de laatste titel, dat is Boer Boris en de luchtballon.

donderdag 26 mei 2022

Non plus ultra

Soms heeft een boek me geroepen - denk ik. 
Ik stond voor een van de beste ijswinkels van de stad en keek naar de overkant. Daar hing een kastje van plexiglas aan de muur, met boeken erin die meegenomen mochten worden. Ik stak over. Lees mij, riep er een. Het heette Het eiland van de vorige dag. Bekende auteur, maar van deze titel had ik nooit gehoord. Ik nam het mee.
In dat verhaal is een naamloze verteller aan het woord die een gevonden manuscript opvoert. De verteller lijkt niet echt van deze tijd. Hij, zij? Ik denk: hij. 
De schrijver van het manuscript heeft wel een naam, Roberto de la Grive, en het is een soort dagboek, of verzameling brieven aan zijn Dame, en dateert uit de 17e eeuw. Onze verteller citeert er stukjes uit, maar vooral vertelt hij het verhaal dat hij eruit distilleert, waarbij hij lustig door de tijd springt en soms even wijdlopig en bloemrijk wordt als Roberto.
De schepper van onze verteller houdt wel van dit soort verdichtsels. Zijn achternaam betekent niet voor niets echo.
Het boek slingert nu door mijn huis en soms lees ik een stuk en verdwaal dan in de 17e eeuw, met uitzicht op een (tot nu toe) onbekend eiland.
 


Zo'n zelfde procedé vond ik terug in een pas bekroond geïllustreerd verhaal over 'de ontdekking van een onbekend continent'. Er is een opgetogen verteller geheten Noah J. Stern, 'erelid van het Koninklijk Genootschap der Wetenschappen, lid van de expeditie naar Terra Australis' en ontdekker van de fantoompoot van de Anguis fragilis. Hij is uitgenodigd om mee te werken aan een boek over een andere ontdekking, door een andere reiziger, ene Raoul Deleo.
Deze mooie mystificatie zorgde er al voor dat in minstens één website het betreffende boek vermeld wordt (of werd, d.d. 7 april 2022) met Noah J. Stern als auteur. Terecht, want dat wordt volgehouden tot in het colofon, dat helemaal achterin staat. Op de voorkant en titelpagina wordt hij opgevoerd als samensteller en inleider.
 


Dit boek had me niet geroepen. Het is me toegestuurd. Maar ik zou staande kunnen houden dat de titel me vanuit de aanbiedingsbrochure toeriep: vraag mij aan! Terra Ultima, alleen de naam al roept toch onmiddellijk verlangen op!
Die Stern vertelt in zijn inleiding:
 
Wat voor een archief ik aantrof, beschrijf ik een paar bladzijden verderop. Voor nu is het voldoende om te weten dat ik me uit de naad heb moeten werken om orde te scheppen en een boek te maken van al dat materiaal.

Dat 'archief' kwam tot hem in 

vijf kloeke hutkoffers uit een krakkemikkige verhuiswagen. Ze waren voorzien van stevig ijzerbeslag en zaten onder de stempels, zegels en etiketten.
 
Aha, een verhuiswagen. Wat voor vermeldt onze verteller niet en over tijd valt evenmin iets te concluderen aangezien verhuiswagens er al eeuwenlang zijn, zij het niet van die grote, met een motor aangedreven exemplaren als tegenwoordig.
Dat maakt zijn relaas even tijdloos als dat van de verteller in Het eiland van de vorige dag en een andere vage overeenkomst is dat laatstgenoemd verhaal start op een ogenschijnlijk net verlaten schip voor een eiland vol tropische begroeiing en zonder enig teken van mensen, terwijl Terra Ultima het al even onbekende land is waarnaar drie keer Deleo afreist - eveneens zonder enig teken van mensen.
Puur toeval. En zo tijdloos is verteller Stern ook weer niet, want hij noemt wel allerlei ontdekkingsreizigers uit de 19e eeuw.
In een nawoord laat hij weten nu wel iets wijzer te zijn, maar nog steeds met veel vragen te zitten en

Ik kan er niet langer omheen, vrees ik: het archief dat ik kreeg was niet alleen chaotisch, het was ook nog eens incompleet.
De chaos heb ik overwonnen. Kijk maar naar dit boek. Zal het me dan ook niet lukken om Deleo te helpen een volledig beeld te schetsen?
Diep in zijn hart weet hij dat het ervan moet komen. Dus waarom die uitvluchten? Waarom afwachten? Ik maak alvast ruimte in mijn agenda, geen bezwaar. Als Deleo terug is van expeditie vier, kunnen we meteen aan de slag.

Fraai staaltje mystificatie! En dat ook gevolgd door een fylogenetische stamboom en een register van apicula canaria ofwel kanariebij tot zoïcophytus anemophorus ofwel windwalser
 
 
 
Dat brengt me naar de afbeeldingen. Want al die ontdekte wezens, ook de gehoornde harpij, het koningshoen, de zeepadkwal , de toekantweelingkrab (zie boven) en de honingbekstiefelaar (zie onder), bij elkaar 45, staan afgebeeld, zoals dat hoort in een verslag van een 'de ontdekking van een onbekend continent', en ook vinden we indrukken van landschappen en oude zeekaarten. Hier heeft iemand zich uitgeleefd, dat is duidelijk, en het is een groot genoegen om de resultaten te bekijken. Ze deden me denken aan het werk van de onvolprezen O.C. Hooymeijer en zijn prachtige gidsen voor niet-bestaande vogels, met afbeeldingen die ook nog eens te bewonderen zijn in een wel degelijk bestaande kijkhut in Friesland.
 


Ik kon me helemaal voorstellen dat een jury dit werk, ik bedoel nu Terra Ultima, bekroonde. Het boek won in 2022 de Woutertje Pieterse Prijs
 

Deleo, Raoul. Terra Ultima, de ontdekking van een continent; samengesteld en ingeleid door Noah J. Stern. Lannoo, 2021. ISBN 978 94 014 6594 6, 76 p.


 
PS. Raoul Deleo is een pseudoniem van Raoul de Leeuw.

maandag 23 mei 2022

Miep Diekmann Thesisprijs 2022

Een persbericht dat de reguliere pers zeer waarschijnlijk niet haalt. Dus wel dit blog.
 
De Miep Diekmann Thesisprijs voor onderzoek op het gebied van de jeugdliteratuur wordt tweejaarlijks uitgereikt aan de auteur(s) van de volgens een jury van deskundigen beste Nederlands- of Engelstalige masterthesis op dat gebied, onder auspiciën van IBBY Nederland.
In 2022 was dat Sonali Kulkarni wegens haar thesis “Bilingual Synergies. A Semiotically-framed Inquiry into the Iconotextual Complexities of Bilingual Picturebooks”. De uitreiking vond op 20 mei plaats, tijdens een studiemiddag.

De jury bestond uit Suzanne van der Beek (Tilburg University), Vera Veldhuizen (Rijksuniversiteit Groningen) en Alix Wassing (Stichting Lezen).
Sonali Kulkarni volgde in 2020-2021 de Erasmus Mundus internationale master Children’s Literature, Media and Culture aan Tilburg University. 

Uit het juryrapport:

Sonali Kulkarni verkent in deze scriptie de integratie van woorden en beelden in tweetalige prentenboeken. De jury is onder de indruk van de moed die Sonali toont met de keuze voor dit complexe en nieuwe onderwerp en van de theoretische diepgang en doeltreffendheid waarmee ze het thema behandelt. Het is een wetenschappelijk zeer grondige, maar tegelijkertijd toegankelijke scriptie, waarin Sonali theoretische observaties aanvult met haar persoonlijke ervaring met meertaligheid.
 
Fijn dat er nog onderzoek wordt verricht naar jeugdliteratuur. 

vrijdag 20 mei 2022

Op eieren lopen

De Annie M.G. Schmidtlezing die Marit Törnqvist hield op woensdag 18 mei en het uitkomen van Schildpad en ik leidden tot een interview door Mirjam Noorduyn in NRC 20-5-2022.
Omineuze kop erboven: ‘Door de diversiteitsdiscussie lopen wij als makers op eieren’.

De titel van de lezing was 'Waar ligt de grens?' en meteen uit de eerste alinea van het interview blijkt Marit Törnqvists grote betrokkenheid bij mensen op drift.
 
De grens van de verbeelding, waar ligt die? Toen ik eind vorig jaar werd gevraagd of ik de Annie M.G. Schmidtlezing wilde verzorgen, wist ik direct dat die vraag mijn vertrekpunt zou zijn. De discussie over het belang van culturele diversiteit in kinderboeken, in een tijd waarin zo ongelofelijk veel verschillende mensen met zoveel verschillende achtergronden opeens bij elkaar komen, is momenteel de allerbelangrijkste in ons vakgebied, maar hij wordt letterlijk te zwart-wit gevoerd. Het idee dat iedereen zich gerepresenteerd moet voelen in de literatuur is natuurlijk een prachtig streven. Maar ja, wie gaat al die verhalen dan vertellen, als tegelijkertijd velen van ons ervaren dat we geen verhalen kunnen maken over mensen uit een cultuur waartoe we zelf niet behoren? 

Men kan zich over andere zaken druk maken. De negentiende-eeuwse beweegredenen van de leider van een groot land om een verwoestende oorlog te beginnen, de naderende teloorgang van 's werelds soortenrijkdom en de gevolgen daarvan, het langzaam maar zeker smelten van de poolkappen, ik noem maar wat puntjes vergeleken waarbij het sms-gebruik door een premier van een (in economisch opzicht) middelgroot land verbleekt.
Niettemin, ook de 80 miljoen mensen die op drift zijn geraakt door oorlog, tirannie, honger en armoede tonen een wezenlijk probleem, ver uitstijgend boven dat sms-gebruik of de corruptie in de FIFA.

Het is licht ironisch dat Marit zélf in haar werk helemaal niet doet aan die volgens haar gewenste inclusiviteit, want 

Voor mijzelf geldt: ik vertel altijd mijn eigen verhaal, vanuit wat ik voel of denk. Ik kan niet anders.

En dat vind ik een waarachtig kunstenaarsantwoord. Maar
 
ik ken collega’s die vinden dat ze dat niet langer kunnen maken, dat die verhalen, vanuit hun geprivilegieerde witte perspectief verteld, niet meer van deze tijd zijn. Tegelijkertijd achten ze zich onvoldoende in staat om het verhaal van de ander te vertellen, door het oprechte respect dat ze voelen voor een cultuur die niet de hunne is. En degenen die dit wel aandurven, worstelen met de vrees voor het verwijt van culturele toe-eigening. We lopen als makers op eieren en sommigen van ons zitten klem. De diversiteitsdiscussie dreigt de creativiteit te verstikken.

Tja. Ik zou wel willen weten wie er dan momenteel 'klem zitten'. Doe als Marit, zou ik ze aanraden, vertel je eigen verhaal. Maar zo eenvoudig is dat wellicht niet, want 'je eigen verhaal' kan best uitmonden bij een heel andere hoofdpersoon, uit een heel andere wereld. Of van een ander geslacht. En dat kan toch best een overtuigend verhaal worden.

Zo 'geprivilegieerd' is dat 'witte perspectief' overigens niet per se, lees bijvoorbeeld de verhalen van Douglas Stuart uit de sloppen van Glasgow, zoals het net verschenen Mungo, of de vele vele andere verhalen waarin iets minder 'geprivilegieerde' maar wel bleekhuidige personages een rol spelen. Te veel om in een mensenleven te lezen, zeker als we beginnen bij Charles Dickens.

Kom maar van die eieren af... en probeer vooral geen verhalen te vertellen waarin 'iedereen zich gerepresenteerd' zou moeten voelen. Dat worden doorgaans flutverhalen.