Vergeet Transsylvanië, vergeet Loch Ness, laat Ierland met zijn venijnige elfen maar zitten. Hier is waar de engerds sluimeren. Dit is het gebied waar de ware monsters wonen: de Lage Landen. Onze Lage Landen.
Hier verschuilen wezens zich niet tussen de bergen of in de diepte, eeuwenoude meren. Hier zijn geen grote, donkere bossen om in te verstoppen. Overal is licht, overal is zicht. De enige bult in het landschap is een verkeersheuvel. Weiland na weiland, met alleen hier en daar een koe om zich achter te verbergen.
Toch zijn ze hier te vinden. Net over de horizon. In de platte polders en achter de duinen. De venen, de vennen, de enkeldiepe moerassen en schouderhoge heuvels zijn het leefgebied van wezens. Echte monsters. Het zijn de gruwels die uit ons blikveld verdwenen zijn.
Bijna waren we hen vergeten. Bijna dachten we nooit meer aan hen. Maar echt vergeten zou onverstandig zijn. Want de monsters vergeten ons niet. Nooit.
Nogal een inleiding in deze tijden van oeverloos veel loze beweringen en beelden. De geachte inleidster zwakt dit een alinea of wat later in haar 'Voorwoord' wel af, want dan gaat het over oude verhalen. 'Vertellingen uit de tijd dat monsters om ons heen woonden.' Nachtmares, Weerwolven, Bullebakken, Aardmannen... de 'monsters van de Lage Landen'.
Hét voorbeeld op dat gebied blijft Alle Sprookjes van de Lange Landen van Eelke de Jong en Hans Sleutelaar, nu helaas alleen tweedehands te koop en te vinden in de goede bibliotheek, eerste druk 1985. Dat bevatte niet alleen sprookjes maar ook sagen en legenden. Mooie, soepele, onopgesmukte stijl, tamelijk rechttoe-rechtaan. Mooie tekeningen van Peter Vos. Moeilijk te overtreffen en dat is Floor Bal niet gelukt.
Dat ligt vooral aan haar aanpak en stijl. Monsters van de Lage Landen bevat tien verhalen met veelbelovende titels: 'De Kludde', 'De Schoverik', 'Aardmannetjes', 'De heks', 'De basilisk', 'Witte Wieven', 'Lange Wapper', 'De weerwolf', 'Bullebak' en 'Nachtmares'.
Maar de verteller die de ouderwetse griezelspanning moet brengen bij ouderwetse verhalen waarin van alles kan gebeuren is afwezig. De verhalen zijn allemaal opgesteld volgens het recept van het moderne standaard-kinderverhaal. Begin 'medias-in-res', dus middenin een handeling, daarna vooral veel dialoog in vooral niet te lange zinnetjes en personages als herkenbare kinderen tegen een herkenbare achtergrond - en dan duikt ineens, in zo'n alledaags ogend verhaal, het magische wezen op. Je moet het allemaal zo veel mogelijk vóór je zien, alsof het hier en nu en om de hoek zou kunnen gebeuren. Maar dat is soms lastig met rare monsters.
Neem 'De Basilisk', op basis van een oude Utrechtse stadssage over een monster in één van die typisch Utrechtse grachtkelders. Dat begint met een dialoog tussen twee jongens, Ludwig en Havik genaamd, die een poster over een aanstaande huurverhoging staan te bekijken.
Ludwig pulkte aan de hoek van de poster. 'Dan moeten we verhuizen. Weer.' Hij wreef de stukjes papier tussen zijn vingers tot kleine balletjes. 'En het gaat hier juist zo goed. In wijk C in Utrecht doet niemand moeilijk.'
Havik vulde hem aan: 'Want hier heeft iedereen het al moeilijk genoeg.'
Achter hem hoorde Ludwig een flink scheldwoord. Zijn zus Edith stond achter hem. Hij keek naar de voordeur. Die was nog steeds dicht. Waar was zijn moeder als je haar nodig had?
Haar vriendin Adinda, die een straat verderop woonde, las de tekst nu ook. 'Dat is veel geld. En nu?'
Soms verbaasde Ludwig zichzelf met de dingen die hij zei. 'Havik en ik gaan geld verdienen. Na schooltijd.'
Genoeg zo. Zie hoe de verteller het verhaal in een tijd plaatst ('wijk C', nog steeds een bekende wijk in Utrecht), de lezer tussendoor informatie verschaft over personages ('zijn zus', 'die een straat verderop woonde') en omstandigheden ('moeilijk genoeg'), en het citaatwoordje zei vermijdt. Zo dichtbij mogelijk, streven naar maximale inleefbaarheid. In onvoltooid verleden tijd, dat wel, gelukkig.
Even later:
De man greep nog een glas. 'Hoe dan ook: ik heb geen werk voor jullie. Niemand hier op de gracht. Zijn mondhoeken schoten omhoog. 'Misschien mijn buurman... Die heeft een monster in de kelder dat hij verjagen moet.' Hij zette het glas met een klap op de toog. 'Ik denk dat jouw gezicht voldoende moet zijn.'
Een monster als huishoudelijk probleem. Pak een harde bezem, of de stofzuiger, zou je haast denken. En dan blijkt het om een basilisk te gaan en weet zus Edith (die wel eens een boek leest) ineens wat dat is en zelfs die uitleg komt in een dialoog, al lopend op weg naar huis.
Het verslaan van de basilisk duurt zeven pagina's inclusief twee paginagrote afbeeldingen (van Marieke Nelissen). Het kost Havik zijn bril, maar dat brengt hen wel op het winnende idee: een spiegel.
De doek om zijn ogen werd koeler. De ondraaglijke stank in de kelder lichter. Hij schoof de blinddoek van zijn hoofd. Daar lag het. In het donker. Aan zijn voeten. De Basilisk. Verslagen door zijn eigen blik.
Rillingen liepen over Ludwigs lichaam. Zijn handen trilden zo hard dat hij er telkens mee tegen de muurtjes sloeg. Buiten, in het zonlicht, zakte hij naar de grond. De brouwer ving hem net op tijd op. 'Jochie toch. Je hebt het overleefd.' Hoorde hij bewondering in de stem van de man?
Zo verdienden ze geld voor een nieuwe bril en nog wat erbij en het levert Ludwig een bijnaam op. Van Ludwig de Basiliskbrader is in de oude verhalen natuurlijk geen sprake, maar de spiegel is essentieel.
Alleen: gaat dit verhaal nou over de basilisk of over het stel kinderen? Treffend maakte Marike Nelissen een prent van de kinderen, niet van het monster.
Dat past nog steeds een beetje vreemd in dit zo realistisch aandoende verhaal...
Zo gaat het ook in de andere verhalen. Zeer leesbaar, beetje standaard-stijl, en het magisch effect schuurt.
Bal, Floor. Monsters van de Lage Landen. Met illustraties van Marike Nelissen. Volt, 2026. ISBN 978 90 622 2667 2, 142 p.













