Zoeken in deze blog

woensdag 22 juli 2026

Monsters in de Lage Landen

Vergeet Transsylvanië, vergeet Loch Ness, laat Ierland met zijn venijnige elfen maar zitten. Hier is waar de engerds sluimeren. Dit is het gebied waar de ware monsters wonen: de Lage Landen. Onze Lage Landen.
Hier verschuilen wezens zich niet tussen de bergen of in de diepte, eeuwenoude meren. Hier zijn geen grote, donkere bossen om in te verstoppen. Overal is licht, overal is zicht. De enige bult in het landschap is een verkeersheuvel. Weiland na weiland, met alleen hier en daar een koe om zich achter te verbergen.
Toch zijn ze hier te vinden. Net over de horizon. In de platte polders en achter de duinen. De venen, de vennen, de enkeldiepe moerassen en schouderhoge heuvels zijn het leefgebied van wezens. Echte monsters. Het zijn de gruwels die uit ons blikveld verdwenen zijn.
Bijna waren we hen vergeten. Bijna dachten we nooit meer aan hen. Maar echt vergeten zou onverstandig zijn. Want de monsters vergeten ons niet. Nooit.
 
Nogal een inleiding in deze tijden van oeverloos veel loze beweringen en beelden. De geachte inleidster zwakt dit een alinea of wat later in haar 'Voorwoord' wel af, want dan gaat het over oude verhalen. 'Vertellingen uit de tijd dat monsters om ons heen woonden.' Nachtmares, Weerwolven, Bullebakken, Aardmannen... de 'monsters van de Lage Landen'.
Hét voorbeeld op dat gebied blijft Alle Sprookjes van de Lange Landen van Eelke de Jong en Hans Sleutelaar, nu helaas alleen tweedehands te koop en te vinden in de goede bibliotheek, eerste druk 1985. Dat bevatte niet alleen sprookjes maar ook sagen en legenden. Mooie, soepele, onopgesmukte stijl, tamelijk rechttoe-rechtaan. Mooie tekeningen van Peter Vos. Moeilijk te overtreffen en dat is Floor Bal niet gelukt.
 
Dat ligt vooral aan haar aanpak en stijl. Monsters van de Lage Landen bevat tien verhalen met veelbelovende titels: 'De Kludde', 'De Schoverik', 'Aardmannetjes', 'De heks', 'De basilisk', 'Witte Wieven', 'Lange Wapper', 'De weerwolf', 'Bullebak' en 'Nachtmares'.
Maar de verteller die de ouderwetse griezelspanning moet brengen bij ouderwetse verhalen waarin van alles kan gebeuren is afwezig. De verhalen zijn allemaal opgesteld volgens het recept van het moderne standaard-kinderverhaal. Begin 'medias-in-res', dus middenin een handeling, daarna vooral veel dialoog in vooral niet te lange zinnetjes en personages als herkenbare kinderen tegen een herkenbare achtergrond - en dan duikt ineens, in zo'n alledaags ogend verhaal, het magische wezen op. Je moet het allemaal zo veel mogelijk vóór je zien, alsof het hier en nu en om de hoek zou kunnen gebeuren. Maar dat is soms lastig met rare monsters.
Neem 'De Basilisk', op basis van een oude Utrechtse stadssage over een monster in één van die typisch Utrechtse grachtkelders. Dat begint met een dialoog tussen twee jongens, Ludwig en Havik genaamd, die een poster over een aanstaande huurverhoging staan te bekijken.
 
Ludwig pulkte aan de hoek van de poster. 'Dan moeten we verhuizen. Weer.' Hij wreef de stukjes papier tussen zijn vingers tot kleine balletjes. 'En het gaat hier juist zo goed. In wijk C in Utrecht doet niemand moeilijk.'
Havik vulde hem aan: 'Want hier heeft iedereen het al moeilijk genoeg.'
Achter hem hoorde Ludwig een flink scheldwoord. Zijn zus Edith stond achter hem. Hij keek naar de voordeur. Die was nog steeds dicht. Waar was zijn  moeder als je haar nodig had?
Haar vriendin Adinda, die een straat verderop woonde, las de tekst nu ook. 'Dat is veel geld. En nu?'
Soms verbaasde Ludwig zichzelf met de dingen die hij zei. 'Havik en ik gaan geld verdienen. Na schooltijd.'
 
Genoeg zo. Zie hoe de verteller het verhaal in een tijd plaatst ('wijk C', nog steeds een bekende wijk in Utrecht), de lezer tussendoor informatie verschaft over personages ('zijn zus', 'die een straat verderop woonde') en omstandigheden ('moeilijk genoeg'), en het citaatwoordje zei vermijdt. Zo dichtbij mogelijk, streven naar maximale inleefbaarheid. In onvoltooid verleden tijd, dat wel, gelukkig.
Even later:
 
De man greep nog een glas. 'Hoe dan ook: ik heb geen werk voor jullie. Niemand hier op de gracht. Zijn mondhoeken schoten omhoog. 'Misschien mijn buurman... Die heeft een monster in de kelder dat hij verjagen moet.' Hij zette het glas met een klap op de toog. 'Ik denk dat jouw gezicht voldoende moet zijn.'
 
Een monster als huishoudelijk probleem. Pak een harde bezem, of de stofzuiger, zou je haast denken. En dan blijkt het om een basilisk te gaan en weet zus Edith (die wel eens een boek leest) ineens wat dat is en zelfs die uitleg komt in een dialoog, al lopend op weg naar huis.



Het verslaan van de basilisk duurt zeven pagina's inclusief twee paginagrote afbeeldingen (van Marieke Nelissen). Het kost Havik zijn bril, maar dat brengt hen wel het winnende idee: een spiegel.
 
De doek om zijn ogen werd koeler. De ondraaglijke stank in de kelder lichter. Hij schoof de blinddoek van zijn hoofd. Daar lag het. In het donker. Aan zijn voeten. De Basilisk. Verslagen door zijn eigen blik.
Rillingen liepen over Ludwigs lichaam. Zijn handen trilden zo hard dat hij er telkens mee tegen de muurtjes sloeg. Buiten, in het zonlicht, zakte hij naar de grond. De brouwer ving hem net op tijd op. 'Jochie toch. Je hebt het overleefd.' Hoorde hij bewondering in de stem van de man?
 
Zo verdienden ze geld voor een nieuwe bril en nog wat erbij en het levert Ludwig een bijnaam op. Van Ludwig de Basiliskbrader is in de oude verhalen natuurlijk geen sprake, maar de spiegel is essentieel.
Alleen: gaat dit verhaal nou over de basilisk of over het stel kinderen? Treffend maakte Marike Nelissen een prent van de kinderen, niet van het monster.
Dat past nog steeds een beetje vreemd in dit zo realistisch aandoende verhaal...
 
Zo gaat het ook in de andere verhalen. Zeer leesbaar, beetje standaard-stijl, en het magisch effect schuurt.
 
 
Bal, Floor. Monsters van de Lage Landen. Met illustraties van Marike Nelissen. Volt, 2026. ISBN 978 90 622 2667 2, 142 p.   
 

dinsdag 21 juli 2026

Pragmatisme betekent tegenwoordig: goed opletten, er gaat gelogen worden

Prachtig, een van de felste en meest cynische stukjes van Sheila Sitalsing ooit. Het verscheen in de Volkskrant 18-7-2026 en draagt de kop 'Pragmatisme betekent tegenwoordig: goed opletten, er gaat gelogen worden'. Retorica-pareltje.
 
Er moet een tijd zijn geweest dat je niet op je hoede hoefde te zijn als iemand pragmatisme predikte. Prima woord moet het zijn geweest in het Land van Ooit. Goedbedoeld ook, een woord dat om moeilijkheden en gedoetjes slalomt op zoek naar een uitweg. Kool, geit, dat werk. Hier en daar een principe laten vallen zonder dat het superveel pijn gaat doen. Dekmanteltje voor alledaagse kleine lafheid want we hebben geen tijd om de godganse dag de principiële held uit te hangen of met eieren naar elkaar te gooien, en sneuvelen voor de goede zaak kun je maar één keer doen. Polderwoord.

In het Land van Nu betekent pragmatisme: goed opletten, want er gaat gelogen worden. Zegt iemand dat hij iets pragmatisch wil oplossen, dan zegt hij: met cynisme. En met kwaadaardigheid, meedogenloosheid en zielloosheid bovendien, kruipend voor potentaten, buigend voor het grote geld, walsend over de belangen van de stilste mensen, rekenmachine bij de hand waarop kleine levens tegen stapels dollars worden afgestreept. Het hulpwoord daarbij is ‘realistisch’.

 
[...]

Pragmatisme is zeggen dat je óók vindt dat de CO2-uitstoot van de Europese industrie omlaag moet, omdat je óók ziet dat het hier droogkookt en spontaan ontbrandt en dat het land onleefbaar wordt voor mens en dier. Daar ben je president van Frankrijk voor, of bondskanselier van Duitsland, of regeringsleider van Italië, Hongarije, Polen. Maar dat we wel ‘realistisch’ moeten blijven. En pragmatisch. Want de rekenmachines wijzen het uit: er zijn stapels euro’s, er is veel industrie en er zijn belangen waar we geen weet van hebben, terwijl niemand de hittedoden telt.

Daarom zwakte Wopke Hoekstra de Europese plannen voor minder CO2-uitstoot af en smeerde hij verplichtingen uit over de tijd. In De Telegraaf lees ik dat dit een hele geruststelling is, omdat de pragmatisch afgezwakte groene plannen van de Europese Commissie, uitonderhandeld door Frans Timmermans en Diederik Samsom, te ‘radicaal’ waren.

Radicaal: nog zo’n woord dat wordt verkracht om te verhullen en verdraaien. Verlos ons van de liegtaal.


Waarvan acte.
 
Voor de hele column: zie de Volkskrant, zoek op haar naam en de kop van dit stukje. 

maandag 20 juli 2026

Werkgroep is geen werkgroep meer

Sinds 1955 verenigde de Arbeitskreis für Jugendliteratur iedereen die zich in de Bondsrepubliek Duitsland met kinderboeken bezighield. Na de vereniging met de DDR breidde de Arbeitskreis zich zonder veel moeite uit. Onwennigheid was het grootste probleem tijdens het eerste internationale congres over jeugdliteratuur na de val van de muur in 1989: dat was het IBBY-congres in 1992, nog gepland vóór de 'Wende', uitgevoerd erna, in een locatie in voormalig Oost-Berlijn. Ik had een hotel in West en laveerde elke dag door niemandsland langs de brokken van de muur - de eerste keer om de tulpenbollen af te leveren bedoeld om reclame te maken voor het IBBY-congres in Groningen (1996).

 
Nu is het gedaan met de Arbeitskreis. Althans, met de naam.
Vanaf heden luidt de nieuwe naam Dachverband Jugendliteratur (DJL). Het blijft een vereniging, een 'eingetragener Verein'. De website blijft hetzelfde: jugendliteratur.org. Ook verder gaat alles als vanouds, inclusief de uitreiking van de Deutsche Jugendliteraturpreis tijdens de Frankfurter Buchmesse op 9 oktober 2026. 

zondag 19 juli 2026

Autoriteiten: hup, de boom in

Bijna over het hoofd gezien: een mooi portret van Astrid Lindgren in De Groene Amsterdammer 9-7-2026. Aanleiding: het is een 'dubbeldik zomernummer' met jeugd als thema en kennelijk vond de redactie dat er dan iets over de schepper van Pippi in moest.
Irene van der Linde, lid van de redactie, kweet zich voortreffelijk van haar taak. (Heerlijk oud woord, kwijten.) Astrids jeugd in Vimmerby, haar moeizaam bestaan als alleenstaande moeder, haar huwelijken, het komt allemaal voorbij. Pippi als droom van vooral de auteur zelf, die in 1974 nog zou hebben gezegd: 'Ik ben pessimistisch maar probeer dat eronder te houden. Hoe meer je ziet wat er in de wereld gebeurt, hoe pessimistischer je wordt.'
Ook een mooie uitspraak, uit 1952, in Perspektiv: 'Niets is zekerder dan dat het lot van de wereld in de kinderkamers wordt beslist'. 
Wereldwijd zijn er niet zoveel kinderkamers, dus of het nog iets wordt met dat lot... Nog afgezien van wat er in kinderkamers gebeurt.
 
Volgens Irene van er Linde had Astrid Lindgren vooral oog voor de 'eenzaamheid van kinderen'. Dat kón te maken hebben met de wederwaardigheden van haar eigen zoon Lasse, die de eerste drie jaar van zijn leven bij pleegouders in Kopenhagen doorbracht. Pippi woont helemaal alleen. Dat lijkt haar niet te deren, maar toch. En niet voor niets (mijn toevoeging, Irene noemt hem niet) vond Lindgren ook het troostrijke kereltje Karlsson van het dak uit.
 
Ze eindigt met deze anekdote, inclusief citaat:
 
Als je macht hebt, moet je lief zijn, vindt Pippi, hoe boos ze ook is, ze blijft vriendelijk glimlachen. Dus als ze boer Bloemveld zijn uitgemergelde paard dat met kar en al in een greppel is beland, met een zweep ziet slaan, gooit ze hem vier, vijf, zes keer de lucht in, laat hem dan zelf met een zware zak lopen en trekt de kar met de andere zakken naar zijn boerderij.
 
'Ja, lief voor Bloemveld ben ik in ieder geval wel geweest,' zei ze. 'Helemaal gratis vliegen!' 
'Daarvoor zijn we op de wereld,' ging de juffrouw verder. 'Om lief en vriendelijk tegen andere mensen te zijn.'
'O, en waarom zijn die andere mensen dan op de wereld?', zei Pippi terwijl ze op de rug van haar paard ging staan en met haar benen zwaaide.'

woensdag 15 juli 2026

Kiezen wie je naast je wil hebben

Eindelijk weer eens een (kinder)boek dat geheel afwijkt van de standaardformule volgens welke zoveel (soms lijkt het: steeds meer) kinderboeken gemaakt lijken te zijn: middenin het verhaal beginnen (actie! aandacht trekken!), terugblik, herpakken, tien à vijftien hoofdstukjes met korte, soms uit een woord bestaande titels, onvoltooid tegenwoordige tijd (reportagestijl), veel dialoog, verborgen verteller of dagboekstijl (ik-verteller), beetje karakterontwikkeling, niet al te veel of geen schokkende gebeurtenissen, goede afloop.
Je zou soms denken: verzin een mooie plot, gooi die in ChatGPT, Claude of een vergelijkbaar programma, beetje bijschaven en hoepla, weer een verhaal. Scheelt een cursus aan de Schrijversvakschool. De uitgever denkt aan de jaaromzet (de seizoensaanbieding moet toch wat voorstellen), voegt wat beeld en cover toe, en doet het boek wellicht na een jaar in de ramsj. Hoge doorloopsnelheid tegenwoordig, wordt verzucht.
 
Nee, dan de negentiende eeuw. 
Toen zagen boeken er heel anders uit en waren verhalen anders opgebouwd, vaak met veel omhaal van woorden, een duidelijk aanwezige verteller die zich soms rechtstreeks tot de lezer wendt, en uitvoerige beschrijvingen. Als het ging om boeken voor kinderen waren pedagogische bedoelingen geen bezwaar. Veel van die verhalen worden tegenwoordig al dan niet terecht als onleesbaar bestempeld, maar sommige haalden met gemak de volgende en zelfs deze eeuw, hoewel soms ingekort, 'bewerkt'. Ik noem bijvoorbeeld Sans famille (Alleen op de wereld) van Hector Malot of Notre-Dame de Paris van Victor Hugo, hier bekender als De klokkenluider van de Notre Dame, Treasure Island (Schateiland) van Robert Louis Stevenson, de sprookjes van Grimm, de verhalen van Andersen, werk van Charles Dickens, Frederick Marryat, Anton Tsjechov, Louis Couperus enzovoort en zo verder. 
 
Neem nou Jules Verne. De overwegend blauwe bandjes van zijn verzameld werk zijn bekend, onlangs werd nog een complete reeks op Marktplaats aangeboden. Een van zijn bekendste verhalen is Le tour du monde en quatre-vingts jours (1873), de reis om de wereld in tachtig dagen. De eerste vertaling in het Nederlands verscheen 1874, de laatste (Reis om de wereld in tachtig dagen door Kiki Coumans) in 2004. De integrale Franse tekst is op internet te vinden, bijvoorbeeld bij Project Gutenberg of Wikisource. Het verhaal is vaak bewerkt, ook als film.
 
Nu verscheen onlangs bij Lemniscaat een verhaal dat erop is gebaseerd, maar met de perspectieven van de personages Passepartout en Aouda. Bovendien voegde auteur Adwin de Kluyver een belangrijk personage toe, Eleanor Fogg, zus van hoofdpersoon Phileas Fogg. Zo werd het een heel ander verhaal, terwijl het toch verloopt volgens de contouren en het reisschema van Verne's versie. 
Het heeft hoofdstukken met een beschrijving, zoals bijvoorbeeld
 
VI - dag 25
 
waarin de reizigers voor een rechtbank moeten verschijnen en een man met een mes het op Aouda heeft gemunt
 
Wel een modernisering: twee terugblikken, een op het leven van Passepartout en een op dat van Aouda. Verder laat de anonieme verteller deze personages soms herinneringen beleven. Maar afgezien daarvan verloopt het verhaal chronologisch, van dag 1 tot en met dag 80, inclusief de vergissing van dag 81, dat Fogg aanvankelijk denkt dat hij zijn weddenschap verloren heeft maar dan blijkt dat hij vergat dat hij op de Grote Oceaan de tijdsgrens passeerde. Ook hier wint Fogg dus de weddenschap en een flink fortuin. En eveneens wekt hij de indruk dat geld helemaal niet nodig te hebben, sterker nog, hij schenkt het weg: aan Aouda om in India een meisjesschool te stichten en aan Passepartout om in Parijs een drukkerij op te zetten.

  
Ook in De reis naar de vrijheid in tachtig dagen achtervolgt inspecteur Fix (hierboven in 19e-eeuwse versie) het gezelschap in de waan (argwaan) dat Fogg de dief is van een enorme som uit de kluis van een Britse bank. Maar in tegenstelling tot het basisverhaal wordt Fix zelf uiteindelijk gearresteerd, door een handigheidje van de reizigers.
En ook in De reis naar de vrijheid in tachtig dagen wordt de treinrit door de VS onderbroken door een kudde bizons, en als die met geweerschoten verdreven zijn door een groep indianen die wraak willen nemen wegens het doden van hún bizons. In de basisversie zijn het Sioux, in de vrijheid Ponca's. Maar waar de Sioux Passepartout gevangennemen en Fogg hem bevrijdt, voegt de andere Passepartout zich bij de Ponca's en duikt hij later op met hun opperhoofd, waarop Fogg zijn excuses aanbiedt voor het deelnemen aan de schietpartij en de Ponca's een vergoeding aanbiedt.
 
Zo zijn er meer verschillen, al speelt geld wat Phileas betreft in beide verhalen (vrij naar Marten Toonder) geen rol.  
 
Fogg blijkt in de vrijheid dus een zus te hebben, Eleanor, die zich sterk maakt voor vrouwen en als ze daarvoor in Engeland veroordeeld wordt (waarbij haar broer wegkijkt) naar de VS gaat om de strijd voort te zetten, onder een schuilnaam, Red Elk. Aouda en Passepartout zoeken haar op en als Fogg hen komt halen (tijd dringt!) levert dat een unieke ontmoeting op tussen broer en zus:
 
Daar stond hij: strak in het pak, met het hoge boord dat zijn hals leek te verstikken. Zijn ogen dwaalden over de prairie. Zijn horloge glansde in zijn hand.
'Phileas,' zei ze zonder aarzeling.
'Eleanor?' antwoordde hij verbaasd.
Ze keken elkaar aan als twee schaakspelers die aan een spannend eindspel beginnen. Geen omhelzing, geen handdruk.
'Je loopt achter op schema,' zei Eleanor koeltjes. 'Dat had ik van jou nooit verwacht.'
Fogg knipperde even met zijn ogen. 'Een bezoek aan jou stond inderdaad niet op het programma.'
'Maar hier ben ik dan toch,' zei ze uitdagend. 'Is er nog iets wat je tegen me wilde zeggen?'
Hij zweeg. Zijn vingers speelden even met de ketting van zijn horloge. 'Ik heb je geschreven,' mompelde hij. 
'Maar je hebt de brief nooit gepost. Zoals je ook nooit sprak toen ik voor de rechter stond. Zoals je zweeg, terwijl ik in de gevangenis zat.'
Hij haalde adem, maar Eleanor stak haar hand op. 'Je hoeft niets te zeggen. Je reisgenoten weten wie ik ben. En jij weet wie jij bent. Meer is niet nodig.' 
 


Dat de verteller consequent kiest voor de perspectieven van Aouda en Passepartout en hun inzet om de samenleving te verbeteren maakt De reis naar de vrijheid in tachtig dagen een heel ander verhaal en dat verklaart de titel. Aouda, de jonge weduwe die met haar oude echtgenoot verbrand zou worden (sati), wordt door Passepartout van de brandstapel gered (zie onder, versie Verne) en ze vergezelt daarna Fogg en Passepartout op hun reis. 

 
Maar Aouda heeft een goede basisopleiding, leest veel en komt steeds meer tot de overtuiging dat ze iets wil doen voor een betere positie van vrouwen in de samenleving.
Passepartout was actief in de Parijse commune van 1871 en moest vluchten toen die werd vernietigd, waarbij zijn geliefde Clémence omkwam onder het puin van de Tuilerieën. Zijn ideeën over een rechtvaardiger samenleving nam hij mee. Vandaar zijn dromen over een drukkerij waar hij pleidooien voor zo'n samenleving kan drukken.
Beiden krijgen in dit verhaal de kans om iets aan hun idealen in praktijk te brengen - wel dankzij giften van Phileas Fogg. Die blijft de geheimzinnige rijkaard die hij was, maar verandert een beetje van houding. Menig doorgewinterde marxist zou hier kanttekeningen bij plaatsen, maar het verhaal houdt hierdoor wel iets negentiende-eeuws, de tijd waarin het zich afspeelt.
 
Vrijheid, dat is hun toverwoord. Aouda daarover:
 
Ze legde haar hand op de zijne. 'Weet je wat vrijheid voor mij betekent?'
Hij schudde zijn hoofd.
'Ik heb geleerd dat vrijheid niet alleen betekent dat ik mag gaan waar ik wil, maar dat ik mag kiezen wie ik naast me wil hebben.
Hij keek op. In haar ogen zag hij iets waar hij geen woorden aan kon geven. 
 
De verteller blijft op de achtergrond maar valt wel op door soms originele beeldspraak. 
Een extreem voorbeeldje (p. 107):
 
Een golf sloeg over het dek alsof de zeegod Neptunus zelf een emmer leeggooide. Lady Griggs kwam naar buiten in een gele regenmantel die haar deed lijken op een verwarde kanarie. 'Dit is barbaars!' schreeuwde ze, terwijl haar paraplu uit haar handen werd gerukt en de lucht invloog als een hysterische vlinder. 
 
Nog een (p. 141):
 
Zwijgend liepen ze verder tot ze Bush Street bereikten. Boven de deur hing een bord: Pounce & zonen – vrije drukpers sinds 1867. Onder de naam was met rode inkt geschreven: & dochter, als u blieft.
Ze openden de deur na een ferme klop van Passepartout. De geur van inkt en heet ijzer sloeg hen onmiddellijk in het gezicht - als de adem van een mechanische draak.  
 
Nog een (p. 202):
 
'Mijnheer Fogg!' bulderde de voorzitter, een imposante man met een buik die vooruitliep als een scheepsboeg en een stem die elk glaasje sherry deed trillen. Zijn bakkebaarden leken wel bezems waarmee hij de vloer kon schrobben. Hij zwaaide met zijn armen alsof hij het applaus persoonlijk dirigeerde. 

Hoewel een hysterische vlinder wellicht erg exotisch is, zijn de meeste vergelijkingen wel mooi gevonden. Die voorzitter (op de club waar Fogg zijn overwinning viert) zie je meteen voor je.
 
Er vallen kanttekeningen te plaatsen bij die vrijheid. Die komt wel erg snel in beeld en het is prettig voor Passepartout en Aouda dat ze kansen krijgen en dat ze die blijkens een soort epiloog ook benutten, maar de lezer blijft wellicht ondanks dit heerlijk gelukkig einde achter met de vraag 'en toen?'. Onwaarschijnlijk ook, maar dat geeft niet want dat was Verne's verhaal ook al, het is beter om beide versies te scharen onder de categorie sterke verhalen (visserslatijn), waar ook sommige sagen en cultuursprookjes te vinden zijn. 
Al met al is dit een verfrissend verhaal, al was het maar (zie aanhef) dat het lekker afwijkt van de trend, zoals bijvoorbeeld eerder Hele verhalen voor een halve soldaat van Benny Lindelauf. Dat getuigt van een onafhankelijke geest en daar houden we van. Graag meer van dit soort werk.
 
 
Kluyver, Adwin de. Reis naar de vrijheid in tachtig dagen. Lemniscaat, 2026. ISBN 978 90 477 1805 5, 216 p. inclusief literatuurlijst (!).  

maandag 13 juli 2026

Jacht op de sneer



Het Lewis Carroll Genootschap houdt op 26 september zijn jaarlijkse symposium en is er deze (tiende!) keer in geslaagd een interessante spreker aan te trekken: vertaler Robbert-Jan Henkes zal een toelichting geven op zijn vertaling van The Hunting of the Snark van Lewis Carroll.
Het symposium vindt plaats in het Logegebouw te Deventer, Rijkmanstraat 10. Deelname is gratis maar het Genootschap stelt het uiteraard op prijs als je begunstiger wordt en aanmelden is nodig: uiterlijk 19 september via info@lewiscarrollgenootschap.nl.
Zie hier voor het hele programma.  
 

zondag 12 juli 2026

Biografie als klaroenstoot

Een biografie over Thea Beckman (1923-2004), toch nog. Natuurlijk, de auteur van Kruistocht in spijkerbroek, Geef me de ruimte en nog veel meer bestsellers is een geëigend onderwerp voor een biografie. Ze verdient het, als het ware.
Maar Dora (Theodora) Beckmann-Petie leidde een leven dat zich ogenschijnlijk in niet heel opmerkelijke fasen voltrok. Ze trouwde op jonge leeftijd (met Dick Beckmann), kreeg kinderen, voedde die op, genoot nog een tijd van grootmoederschap en stierf. 
Maar ze schreef ook, dagelijks. En ze haalde na haar vijftigste alsnog de diploma's die ze als kind al wou (maar niet mocht) halen: vwo, universiteit. Zat in de banken tussen de studenten toen Ria Bauer-van Wechem en haar assistent Toin Duijx colleges over jeugdliteratuur gaven aan de Leidse universiteit - en toen was ze al bestseller-auteur.
Een doorzetter, die Dora. Dat blijkt ook uit haar optreden als voorzitter van de Werkboek Jeugdboekenschrijvers van de Vereniging van Letterkundigen (VvL, sinds 2027 Auteursbond).
 
Het valt niet mee om een biografie te schrijven over een auteur die weinig persoonlijke gegevens naliet en niet de indruk wekte een wild leven te leiden. Notities voor boeken gooide ze weg na gebruik, veel brieven zijn verdwenen, interviews idem. Biografie-auteur Vivian de Gier moest het doen met enkele interviews en toch nog nagelaten brieven en columns, en gesprekken met kinderen en kleinkinderen.
 
Ze heeft het klaargespeeld en is er zelfs mee gepromoveerd aan de Maastrichtse universiteit, op 5 december 2024. Best verwonderlijk, want zo heel erg wetenschappelijk is deze biografie niet, in die zin dat er weinig onderzoeksresultaten in te vinden zijn, en de uitvoerige besprekingen van Beckmans boeken redelijk wat eigen oordelen bevatten en meer recensie zijn dan wetenschappelijke verhandeling - al citeert ze ook een keur aan andere recensenten en al valt te relativeren dat de grens tussen verhandeling en recensie vaag is en dat beschrijvende wetenschap ook bestaansrecht heeft. 
 
Een interessant deel van de biografie vormen de kanttekeningen (opnieuw: van anderen en haarzelf) bij Thea Beckmans stijl, met name haar verklaring voor die stijl.
Er is nogal wat te doen geweest over Beckmans stijl. Kinderen stoorden zich er niet aan maar recensenten vielen er vaak over: 'stijf', 'clichématig', 'vlak' enzovoort. Je zou kunnen zeggen (mijn woorden) dat Thea Beckman zich er kennelijk nooit van bewust is geweest dat elk verhaal een verteller heeft en dat die niet noodzakelijkerwijs identiek is aan de auteur. Een kundige auteur speelt daarmee. Veelbetekenend is het relletje dat ontstond rond haar kinderboekenweekgeschenk Het wonder van Frieswijck (1991), zie ook Wikipedia. Volgens Vivian de Gier verdedigde Thea Beckman zich door erop te wijzen dat stereotypen in de mond van argeloze, niet beter-wetende vijftiende-eeuwers werd gelegd en dat Alijt (het 'Beckmanmeisje' van dienst) nou juist opkwam voor Danga, maar was ze slordig met perspectieven, waardoor het soms lijkt alsof de verteller die stereotypen bezigt.
Om Beckmans stilistische tekortkomingen te verklaren wijst Vivian de Gier op haar eenvoudige, weinig geletterde komaf en haar neiging zich weinig gelegen te laten liggen aan commentaar. Tja. Die relatieve koppigheid contrasteert dan wel met haar leergierigheid op andere gebieden.
 
Het ontbreken van academische formuleringen maakt deze biografie beslist prettig om te lezen. Vivian de Gier geeft een geloofwaardig en levendig portret van Thea Beckman en lardeert dat met uitvoerige beschrijvingen van maatschappelijke ontwikkelingen. Daardoor wordt Thea's leven tóch minder saai dan op eerste gezicht lijkt. Een en ander knap samengevat in een epiloog als een klaroenstoot. Thea Beckman heeft de biografie die haar toekomt.
 
 
Gier, Vivian de. 'Geef me de ruimte.' Het eigenzinnige leven van Thea Beckman. Balans, 2004. ISBN 978 94 6382 357 9, 448 p.  
 
 

woensdag 17 juni 2026

Boeken in de prullenbak

Een  bijzonder berichtje op het platform Biebtobieb:
 
Je vindt een stapel boeken in de prullenbak. Wat doe je?

Het klinkt als een hypothetische situatie. Maar voor steeds meer leesmediaconsulenten en educatiemedewerkers is het de realiteit. Scholen maken bezwaar tegen titels over genderidentiteit of diversiteit. Medewerkers schuiven boeken stilletjes door de shredder. Of een school weigert de collectie simpelweg van tevoren al.
En dan? Houd je voet bij stuk? Of beweeg je mee om betrokken te blijven?

Op 24 september gaat Ingrid van Osch samen met Esther Erdtsieck-Blaaser, Arjanne Mastenbroek en theoloog Janneke Stegeman dit gesprek aan: het gesprek dat je in jouw bibliotheek ook een keer gaat voeren. Want de signalen zijn er al.
Na deze sessie ga je naar huis met iets wat je meteen kunt gebruiken: de woorden om je eigen standpunt te verwoorden en te verdedigen. Naar scholen, naar samenwerkingspartners en naar jezelf.
 
Deze sessie is er speciaal voor leesmediaconsulenten, educatiemedewerkers en managers die werken aan de schoolbibliotheek of jeugdcollectie.
 
Het Kennisfestival Democratie & Burgerschap op 24 september 2026, Prodentfabriek, Amersfoort, 'is er voor bibliotheekprofessionals die merken dat hun werk verandert en die daar niet alleen over willen praten, maar mee aan de slag willen'.
Tickets hier.
 
Sympathiek: men gaat er op voorhand vanuit dat bibliotheekmedewerkers tegen het verwijderen van boeken 'over genderidentiteit of diversiteit' zijn. Kennelijk zijn er geen bibliotheekmedewerkers van ultraconservatieve annex zwaargelovige snit, of die zijn niet aangesloten bij Biebtobieb, platform voor bibliothecarissen.
Waarbij zij aangetekend dat een goed verhaal nooit over 'over genderidentiteit of diversiteit' gaat, maar over het wel en wee van personages, over vreugde en verlies, leven en dood. Maar als motief kan het wel meespelen, natuurlijk. En goede non-fictie over seksualiteit, identiteitsbeleving of huidskleur verwijderen, tja... dan zijn we ver van huis.
Of zulke zeer conservatieve dan wel zeer nationalistische onderwijsgevenden dan ook het nieuwe 'bouwstenenpakket' voor werken met het nieuwkomersonderwijs van Bibliotheek op school afwijzen...? Wie weet.

maandag 15 juni 2026

Ode aan Pluk

Citaat uit 'Hoe verdedig je een plek waar niets is?' van Arjen van Veelen, NRC 13-6-2026:
 
Ik was toen allang weer thuis in Nederland. Ik had de kinderen op bed gelegd, op mijn telefoon kwamen foto’s binnen van een ravage alsof een tornado was gepasseerd. Wat bleek: toen Bob even weg was om boodschappen te doen, hadden bulldozers zijn huis verwoest, inclusief al zijn persoonlijke bezittingen en foto’s. En Rusty was kwijt.

Op Facebook las ik boze berichten van buren. 'Hebben die mensen zwarte harten en geen ziel?', vroeg er een (een vraag die ik ook aan het bedrijf heb voorgelegd, vooralsnog geen reactie). Ik voelde een machteloze kwaadheid opkomen, alsof alle vernietiging op aarde zich geconcentreerd had op de trailer van Bob. Ik dacht aan zijn dolende kat en aan het stukje plant – en toen aan een boek dat in de kamer van de kinderen rondslingerde.

Het gaat over een kraker die een heilig grondje redt met behulp van een kluizenaar die hem softdrugs geeft. De held rijdt eerst als een nomade door de stad, dakloos, „want alle huizen waren vol” – aldus Pluk van de Petteflet uit 1971 van Annie M.G. Schmidt. Uit pure noodzaak overweegt hij om maar in het park te overnachten. Daar fluistert een duif hem in dat er bovenin een woontoren van twintig verdiepingen nog een kamertje leeg staat.

„Denk je dat ik hier zomaar mag wonen?”, vraagt Pluk.

„Ja hoor”, zegt die duif, „Het staat leeg.”

Dus hij trekt er in, samen met een „intelligente” en „beleefde” kakkerlak. Die duif woont in de Torteltuin, een „echt, wild, woest bos” met varens, mos en bomen –  in feite gewoon een verwilderde tuin, „de struiken groeien er maar raak”. Dit slordige wildernisje wordt bedreigd: het moet een tegelpleintje worden „met een keurig bloemperk”. Pluk gaat hulp zoeken bij de „kluizenaar”, een soort hippie die off grid leeft in het bos. Een lange reis, hij neemt liefst 24 boterhammen mee.

De tocht lijkt uit te lopen op een echec: hij krijgt van de kluizenaar enkel een zielig plantje mee. Maar dat blijken Hasselbramen te zijn, een magische plant die volwassen mensen spelplezier geeft: „zodra je ervan eet wil je spelen in plaats van werken”.  De foute types eten van de bramen en vergeten de Torteltuin te betegelen. Eind goed, al goed.

Datacenter in de Torteltuin

Ik vond het schokkend om terug te lezen. Een historische spiegel. Want het boek mag nog steeds razend populair zijn; wat die lieve Pluk deed – een leeg huis betrekken – hebben we als maatschappij een halve eeuw later gebrandmerkt als crimineel gedrag (zie de Wet kraken en leegstand uit 2010). En op lsd of hasj in kinderboeken zijn we ook niet meer zo happig. Het verhaal zou sowieso heel anders gaan. In de Torteltuin zou een datacenter komen, Pluk zou in een participatietraject belanden waarin hij mocht co-creëren over de kleur van de nieuwe bloembakken. Hij zou eindeloos handhavingsverzoeken pennen en quick scans laten uitvoeren om de waarde in euro’s van de zogeheten ‘ecosysteemdiensten’ te berekenen – net op tijd zou hij beseffen dat wat op het spel stond niet dat wildernisje was, maar zijn ziel. Het vermogen om in wat struweel een magisch woud te zien en in een mondje bramen een lsd-trip.

Toen begreep ik waarom Bob de kluizenaar die twinkeling had in een hopeloze situatie. Hij had ook gegeten van de hasselbramen. Hij bezat dat magische voorstellingsvermogen. Hij kon een scheepskerkhof aanzien voor een luxe marina en een caravan voor een kasteel. Hij had die wildheid van hart, die geen bulldozer kan pletten, althans dat hoop ik maar; in ieder geval begreep ik nu welk plantje hij me had meegegeven, dat moesten dan ook vast hasselbramen zijn. En ik wist nu hoe je een heilig grondje redt. Namelijk: niet. Landjes waar je niets hoeft, hoef je zelfs niet te redden. Het enige wat je met je leven moet bevechten is het vermogen om ze te blijven zien.
 
Einde citaat. Het is ook online te vinden, officieel alleen voor abonnees van NRC, maar misschien gunt de krant je een gratis download. Wie weet.
Die Bob de kluizenaar kwam hij tegen op een bijna (helaas) vergeten stukje Londen.
 

zaterdag 13 juni 2026

Goud voor Goudrijder?

Aan het getal zeven worden vanouds magische eigenschappen toegekend. De zevende hemel, de zeven dagen van de week, de zeven geitjes, de zeven raven, de zeven dwergen, de zes zwanen plus Elisa en in de literatuur hebben we nu naast de zeven zussen van Lucinda Riley en de zeven broers van Alexis Kivi ook de zeven broers van Maya, die zo graag goudrijder hadden willen worden.

Ze werden het niet. Maya, de tengere jongste, moet het worden, zij werd gehaald. Zij moest met de goudvogel naar de bergen om goud voor de koning te halen. Tot zover maakt De Goudrijder van Maren Stoffels een sprookjesachtige indruk, met een motief dat ook te vinden is in Krekel, van Annet Schaap, waar we ook de zes broers en Eliza van de gebroeders Grimm tegenkomen.
Maar waar Krekel het hele verhaal door prachtig balanceert op de rand tussen sprookje en werkelijkheid, is in De Goudrijder het sprookjesachtige alleen in het begin aanwezig.
Dat is deels een gevolg van de stijl, die vanaf het begin niet echt sprookjesachtig is, dus niet die van een achteraf verteld verhaal ('er was eens'), maar die van een live radioverslag, bijna een hoorspel als je zelf de beschreven geluiden toevoegt. Dat suggereert een hoog werkelijkheidsgehalte, alsof het verhaal zich hier en nu afspeelt.
Het begint (hoofdstukje 'De nacht van de keuze') zo: 
 
Vier harde klappen op de voordeur.
Maya's hart staat even stil.
Dit was hún voordeur.
Op het bed onder haar hoort ze Carlos naar adem happen.
Haar andere zes broers schieten overeind.
En er klinkt een gil. Hard en schel door de nacht.
Dat is haar moeder...
Maya heeft haar weleens vaker horen gillen, zoals die keer toen Luis uit de boom viel tijdens het klimmen en een paar tellen lang knockout was.
Maar deze gil is nog veel harder.
Er wordt nog viermaal op de voordeur geklopt. Vier doffe bonzen.
Hun moeder moet opendoen, anders krijgt ze een boete. Die is zo hoog dat ze het nooit zal kunnen betalen.
Dat doet de koning van Terwin expres.
Op die manier doet elke moeder uiteindelijk open.
Ook Maya's moeder. 
 
We horen de gil, het bonzen op de deur. Tegelijk zorgt de verslaggever (let ook op de onvoltooid tegenwoordige tijd) voor wat achtergrondinformatie, zo natuurlijk mogelijk, maar toch. Zeven broers, ja. Interessante namen als Maya, Carlos en Luis. En een koning.
Het bijna-hoorspel gaat verder.
 
Maya hoort voetstappen naar de deur gaan en het slot wordt eraf gehaald.
'Hij komt voor mij,' fluistert Luis. 'Ik weet het zeker.'
'Echt niet,' zegt Benjamin. 'Hij komt voor mij!'
'Ík mag mee,' zegt Carlos.
 'Stil nou!' Doordat haar broers allemaal door elkaar praten, kan Maya de stem van de man niet goed horen. Wat zegt hij? Voor wie komt hij?!
 'Nee!' hoort Maya haar moeder huilend zeggen. 'Nee, nee, nee...'
Heeft hij al iemand genoemd?
De zware voetstappen komen richting de slaapkamer. Dan gaat de deur open.
Maya ziet een man staan, helemaal in het goud gekleed.
In zijn hand houdt hij een ouderwetse lantaarn, waar een vlammetje in brandt.
 
Nou ja, zo gaat het verder. Excuses voor het onderbreken van het hoorspel. Je hóórt het slot dat 'eraf wordt gehaald'.
Het is verleidelijk om wat close-reading op zo'n passage los te laten. Drie broers zeggen iets en niet tegelijkertijd want ze reageren op elkaar, dat is niet 'allemaal door elkaar praten' en ook de typografie wekt niet die indruk want elk zinnetje begint op een nieuwe regel. De verteller kruipt even in Maya's hoofd: 'heeft hij al iemand genoemd?'. 'In het goud gekleed' of 'in goud gekleed'? 'Met gouden kleren aan' of 'in een goudkleurig pak' was misschien handiger geweest. 'Ouderwetse lantaarn'? Dat suggereert dat het gewone licht daar met een knop aan en uit gaat, of is het bedoeld voor de luisteraar-lezer die zulke knopjes gewend is?
 
Dit hoorspeldrama gaat zo nog even door. Vijf pagina's, 105 zinnen in 121 regels, gebruikt de verteller om ons te vertellen dat Maya als goudrijder is uitgekozen. Geschat zo'n 1000 woorden, een kwartiertje voorlezen, 't is een mooie aflevering. En nu naar bed, morgen de volgende. Er zijn 19 hoofdstukjes, 19 afleveringen, maar het idee van een hoorspel wordt op p. 100 e.d. wel doorbroken doordat daar een berichtje en een brief opduiken, in een ander lettertype...
 
 
 
Goudrijder? Nadere uitleg in de tweede aflevering. 
 
Elk jaar moet een kind de nieuwe Goudvogel over de bergen vliegen.
Een levensgevaarlijke opdracht, die alleen een kind kan uitvoeren. Als een volwassene op de rug van de Goudvogel gaat zitten, gebeurt er namelijk niets.
 
Die Goudvogel groeit op in een buis in het reusachtige Goudgebouw. Ieder jaar wordt een ei uitgebroed. Daarna 'vliegt de eenjarige vogel met een kind op zijn rug terug naar de bergen om goud te zoeken'. 
Hier in de tweede aflevering krijgen we op p. 17 te horen waarom: dat goud gaat naar de koning. Wat die met dat goud moet wordt niet verteld. Zo gaat dat in sprookjes. We horen ook dat die goudvogels tamelijk gevaarlijk kunnen zijn. En ettelijke afleveringen verder komen we erachter dat ze kunnen praten, althans op hun manier. Sommige goudrijders hebben geleerd hoe, Maya zal dat ook leren. En er zijn goudrovers die het gemunt hebben op goudrijders en hun vogels.


 
Misschien is de Engelse term fantasy geschikter voor wat ons wordt voorgeschoteld dan sprookje. In oude sprookjes is meestal weinig aandacht voor de zieleroerselen van personages, hier volop, zo niet teveel. En er is een onverwachte wending die maakt dat onze hoofdpersoon iets leert, zich ontwikkelt. Haar vlucht met de goudvogel verloopt niet volgens plan. Er duikt ook nog een kind op dat als vermist werd beschouwd, haar buurjongen Tomas, broer van haar hartsvriendin Lia, en na de nodige verwikkelingen samen leren ze de volwassenen een lesje: goudvogels zijn helemaal niet zo gevaarlijk, maar worden wel uitgebuit en slecht behandeld. Ja, er is zelfs een Goudvogel-bevrijdingsfront! Toe maar. En de goudrovers blijken zich, heel eigentijds, met pickup-trucks te verplaatsen. We zijn nu echt aangeland in een rasecht modern verhaal voor kinderen, met 'avonturen' (p. 134)! Dus loopt het ook onwaarschijnlijk goed af. Hoe precies, dat blijft hier in het midden.


 
Jammer. 
Met het originele idee van de goudvogels en goudrijders had auteur Maren Stoffels een prachtig cultuursprookje kunnen schrijven, à la Hans Christian Andersen. Met motieven als de nog immer actuele tegenstelling tussen arm en rijk, de vertroebelende werking van goud, en ouder-kind-relatie.
Door de gekozen stijl, die van de live verslaggeving met de vele vele dialogen, verzandt het in een gewoon doorsnee verhaal waarvan er al zoveel zijn. Niets mis mee hoor, en wellicht spannend genoeg voor de negenjarige lezer, maar niet opvallend. Leuk hoor, dat het zo goed komt met mens en goudvogel dankzij Maya en Tomas, maar kinderen die volwassenen een lesje leren is echt een afgekloven motief en dan gaat het verhaal nog niet eens in op de prangende vraag wat de koning (of de roversbende) met al dat goud moet. En dan die stijl...
Gemiste kans.
Temeer daar de illustraties van illustrator Jeska Verstegen dat sprookjesachtige wel hebben. Mooi gedaan, die dubbelpagina-platen. 
 
 
Stoffels, Maren. De Goudrijder. Illustraties Jeska Verstegen. Leopold, 2026. ISBN 978 90 258 8954 8, 142 p.