Aan het getal zeven worden vanouds magische eigenschappen toegekend. De zevende hemel, de zeven dagen van de week, de zeven geitjes, de zeven raven, de zeven dwergen, de zes zwanen plus Elisa en in de literatuur hebben we nu naast de zeven zussen van Lucinda Riley en de zeven broers van Alexis Kivi ook de zeven broers van Maya, die zo graag goudrijder hadden willen worden.
Ze werden het niet. Maya, de tengere jongste, moet het worden, zij werd gehaald. Zij moest met de goudvogel naar de bergen om goud voor de koning te halen. Tot zover maakt
De Goudrijder van Maren Stoffels een sprookjesachtige indruk, met een motief dat ook te vinden is in
Krekel, van Annet Schaap, waar we ook de zes broers en Eliza van de gebroeders Grimm tegenkomen.
Maar waar Krekel het hele verhaal door prachtig balanceert op de rand tussen sprookje en werkelijkheid, is in De Goudrijder het sprookjesachtige alleen in het begin aanwezig.
Dat is deels een gevolg van de stijl, die vanaf het begin niet echt sprookjesachtig is, dus niet die van een achteraf verteld verhaal ('er was eens'), maar die van een live radioverslag, bijna een hoorspel als je zelf de beschreven geluiden toevoegt. Dat suggereert een hoog werkelijkheidsgehalte, alsof het verhaal zich hier en nu afspeelt.
Het begint (hoofdstukje 'De nacht van de keuze') zo:
Vier harde klappen op de voordeur.
Maya's hart staat even stil.
Dit was hún voordeur.
Op het bed onder haar hoort ze Carlos naar adem happen.
Haar andere zes broers schieten overeind.
En er klinkt een gil. Hard en schel door de nacht.
Dat is haar moeder...
Maya heeft haar weleens vaker horen gillen, zoals die keer toen Luis uit de boom viel tijdens het klimmen en een paar tellen lang knockout was.
Maar deze gil is nog veel harder.
Er wordt nog viermaal op de voordeur geklopt. Vier doffe bonzen.
Hun moeder moet opendoen, anders krijgt ze een boete. Die is zo hoog dat ze het nooit zal kunnen betalen.
Dat doet de koning van Terwin expres.
Op die manier doet elke moeder uiteindelijk open.
Ook Maya's moeder.
We horen de gil, het bonzen op de deur. Tegelijk zorgt de verslaggever (let ook op de onvoltooid tegenwoordige tijd) voor wat achtergrondinformatie, zo natuurlijk mogelijk, maar toch. Zeven broers, ja. Interessante namen als Maya, Carlos en Luis. En een koning.
Het bijna-hoorspel gaat verder.
Maya hoort voetstappen naar de deur gaan en het slot wordt eraf gehaald.
'Hij komt voor mij,' fluistert Luis. 'Ik weet het zeker.'
'Echt niet,' zegt Benjamin. 'Hij komt voor mij!'
'Ík mag mee,' zegt Carlos.
'Stil nou!' Doordat haar broers allemaal door elkaar praten, kan Maya de stem van de man niet goed horen. Wat zegt hij? Voor wie komt hij?!
'Nee!' hoort Maya haar moeder huilend zeggen. 'Nee, nee, nee...'
Heeft hij al iemand genoemd?
De zware voetstappen komen richting de slaapkamer. Dan gaat de deur open.
Maya ziet een man staan, helemaal in het goud gekleed.
In zijn hand houdt hij een ouderwetse lantaarn, waar een vlammetje in brandt.
Nou ja, zo gaat het verder. Excuses voor het onderbreken van het hoorspel. Je hóórt het slot dat 'eraf wordt gehaald'.
Het is verleidelijk om wat close-reading op zo'n passage los te laten. Drie broers zeggen iets en niet tegelijkertijd want ze reageren op elkaar, dat is niet 'allemaal door elkaar praten' en ook de typografie wekt niet die indruk want elk zinnetje begint op een nieuwe regel. De verteller kruipt even in Maya's hoofd: 'heeft hij al iemand genoemd?'. 'In het goud gekleed' of 'in goud gekleed'? 'Met gouden kleren aan' of 'in een goudkleurig pak' was misschien handiger geweest. 'Ouderwetse lantaarn'? Dat suggereert dat het gewone licht daar met een knop aan en uit gaat, of is het bedoeld voor de luisteraar-lezer die zulke knopjes gewend is?
Dit hoorspeldrama gaat zo nog even door. Vijf pagina's, 105 zinnen in 121 regels, gebruikt de verteller om ons te vertellen dat Maya als goudrijder is uitgekozen. Geschat zo'n 1000 woorden, een kwartiertje voorlezen, 't is een mooie aflevering. En nu naar bed, morgen de volgende. Er zijn 19 hoofdstukjes, 19 afleveringen, maar het idee van een hoorspel wordt op p. 100 e.d. wel doorbroken doordat daar een berichtje en een brief opduiken, in een ander lettertype...
Goudrijder? Nadere uitleg in de tweede aflevering.
Elk jaar moet een kind de nieuwe Goudvogel over de bergen vliegen.
Een levensgevaarlijke opdracht, die alleen een kind kan uitvoeren. Als een volwassene op de rug van de Goudvogel gaat zitten, gebeurt er namelijk niets.
Die Goudvogel groeit op in een buis in het reusachtige Goudgebouw. Ieder jaar wordt een ei uitgebroed. Daarna 'vliegt de eenjarige vogel met een kind op zijn rug terug naar de bergen om goud te zoeken'.
Hier in de tweede aflevering krijgen we op p. 17 te horen waarom: dat goud gaat naar de koning. Wat die met dat goud moet wordt niet verteld. Zo gaat dat in sprookjes. We horen ook dat die goudvogels tamelijk gevaarlijk kunnen zijn. En ettelijke afleveringen verder komen we erachter dat ze kunnen praten, althans op hun manier. Sommige goudrijders hebben geleerd hoe, Maya zal dat ook leren. En er zijn goudrovers die het gemunt hebben op goudrijders en hun vogels.

Misschien is de Engelse term fantasy geschikter voor wat ons wordt voorgeschoteld dan sprookje. In oude sprookjes is meestal weinig aandacht voor de zieleroerselen van personages, hier volop, zo niet teveel. En er is een onverwachte wending die maakt dat onze hoofdpersoon iets leert, zich ontwikkelt. Haar vlucht met de goudvogel verloopt niet volgens plan. Er duikt ook nog een kind op dat als vermist werd beschouwd, haar buurjongen Tomas, broer van haar hartsvriendin Lia, en na de nodige verwikkelingen samen leren ze de volwassenen een lesje: goudvogels zijn helemaal niet zo gevaarlijk, maar worden wel uitgebuit en slecht behandeld. Ja, er is zelfs een Goudvogel-bevrijdingsfront! Toe maar. En de goudrovers blijken zich, heel eigentijds, met pickup-trucks te verplaatsen. We zijn nu echt aangeland in een rasecht modern verhaal voor kinderen, met 'avonturen' (p. 134)! Dus loopt het ook onwaarschijnlijk goed af. Hoe precies, dat blijft hier in het midden.
Jammer.
Met het originele idee van de goudvogels en goudrijders had auteur
Maren Stoffels een prachtig cultuursprookje kunnen schrijven, à la Hans Christian Andersen. Met motieven als de nog immer actuele tegenstelling tussen arm en rijk, de vertroebelende werking van goud, en ouder-kind-relatie.
Door de gekozen stijl, die van de live verslaggeving met de vele vele dialogen, verzandt het in een gewoon doorsnee verhaal waarvan er al zoveel zijn. Niets mis mee hoor, en wellicht spannend genoeg voor de negenjarige lezer, maar niet opvallend. Leuk hoor, dat het zo goed komt met mens en goudvogel dankzij Maya en Tomas, maar kinderen die volwassenen een lesje leren is echt een afgekloven motief en dan gaat het verhaal nog niet eens in op de prangende vraag wat de koning (of de roversbende) met al dat goud moet. En dan die stijl...
Gemiste kans.
Temeer daar de illustraties van illustrator
Jeska Verstegen dat sprookjesachtige wel hebben. Mooi gedaan, die dubbelpagina-platen.
Stoffels, Maren. De Goudrijder. Illustraties Jeska Verstegen. Leopold, 2026. ISBN 978 90 258 8954 8, 142 p.