Zoeken in deze blog

dinsdag 20 april 2021

Rap over stotteren

Rapper Typhoon ontving de Willem Wilminkprijs voor zijn rap (een lied kun je zoiets niet noemen) ‘Stotteren’, die hij maakte voor Het Klokhuis. Voor de zevende editie van deze kinderliederenwedstrijd kwamen ruim 150 inzendingen binnen. De jury (Thijs Borsten, Ageeth de Haan, Fay Lovsky, Trudie Lucardie en Jeroen Schipper) nomineerde vijf nummers. ‘Stotteren’ kreeg de prijs. 
 


Vermoedelijk zijn hier vooral de goede bedoelingen bekroond, samen met het effect dat deze troostrijke rap kan hebben. Poëtisch kun je de tekst niet noemen. Wel duidelijk verstaanbaar en begrijpelijk.
De prijs haalde de pers wel (o.a. Trouw, RTL, nu.nl, Klokhuis), maar er was ook weer niet heel veel publiciteit. Dat verdient zo'n initiatief als een prijs voor het beste lied voor kinderen wel.



maandag 12 april 2021

'Een gemankeerde antiquaar'

In SGKJ-Berichten nr. 99 (voorjaar 2021) staat een lezenswaardig interview met emeritus-hoogleraar Piet Buijnsters door Bea Ros. Het interview is overgenomen uit de website Radboud Erfgoed van de Radboud Universiteit.

SGKJ-Berichten is het gedrukte (maar ook online te lezen) orgaan van de Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur en waarmee die zich bezighoudt is al in de naam gegeven, al blijft het veronderstelde onderscheid tussen kinder- en jeugdliteratuur rijkelijk vaag, nog vager dan dat tussen jeugdliteratuur en volwassenenliteratuur. De club is springlevend en organiseert o.a. twee keer per jaar een excursie of/en studiebijeenkomst, al heeft het coronavirus SARS-CoV-2 daar even een hindernis voor opgeworpen. Onder de begunstigers vindt men zowel antiquaars als onderzoekers.
Wie Nederlands als moedertaal heeft en zich interesseert voor de geschiedenis van kinderboeken, raad ik van harte aan zich aan te sluiten bij de SGKJ.

In de Berichten is doorgaans van alles te vinden over oude kinderboeken en verzamelaars of onderzoekers van jeugdliteratuur en in de persoon van Piet Buijnsters komt dat mooi bij elkaar. Deze specialist 18e- en 19e-eeuwse letterkunde heeft grote belangstelling voor de jeugdliteratuur uit die periode en verzamelt graag, o.a. oude kinderboeken, maar ook stuiversromannetjes als bijvoorbeeld Berigt omtrent het leven, het karakter en de laatste godsdienst-aandoeningen der beruchte vergiftigster Hester Rebekka Nepping, het soort geschriftjes dat hij zelf 'schurkenlevens' noemt, en tegenwoordig overigens alleen maar 'zestiende-eeuwse grafiek'. 
Uit het interview blijkt dat zijn huis propvol boeken staat. De interviewer krijgt vanwege corona geen rondleiding, maar 'Overal staan boeken, verzekert Buijnsters me. "Alleen op de wc niet."' Zijn vrouw, Leontine Buijnsters-Smet, deelt zijn belangstelling. Samen schreven ze Bibliografie van Nederlandse school- en kinderboeken 1700-1800 (1979), Lust en leering. Geschiedenis van het Nederlandse kinderboek in de negentiende eeuw (2001) en Papertoys. Speelprenten en papieren speelgoed in Nederland (1640-1920) (2005).

Zijn vrouw komt niet aan het woord, maar Piet Buijnsters, die zichzelf op een gegeven moment 'een gemankeerde antiquaar' noemt, lijkt me een onderhoudende verteller. Bea Ros weet in ieder geval smakelijk weer te geven hoe hij vertelt over een van zijn grote helden, de verzamelaar ('boekenjager'), Michel Buisman:

Veel van mijn collega's dachten dat hij allang dood was en schreven over 'wijlen' M. Buisman. Maar ik bezocht hem elke maand in zijn villa in Ede. Alleen, want hij was vrijgezel en bepaald niet gesteld op vrouwen. Hij woonde in een kast van een huis, helemaal vol boeken. Buisman zat daar innig vergenoegd tussen. Hij had nooit meer dan een kwartje voor een boek betaald.
Ik vroeg hem wel eens of ik er een paar mocht overnemen. Maar meer dan één tegelijk wilde hij nooit kwijt en ik moest daarna ook altijd meteen weggaan. Na jaren zei ik: meneer Buisman, er werd nooit getutoyeerd, dat snapt u wel, 'meneer  Buisman, die boeken van u, waar gaan die straks naartoe? Ik ben erin geïnteresseerd.'
Toen hij is overleden, werd ik opgebeld door de notaris. Alles overnemen kon niet, dan had ik er twee huizen bij moeten kopen. Maar ik ben er met mijn Opel record naartoe gereden en ik heb die helemaal volgeladen. De rest is op een veiling verkocht. Ik heb ook de hele correspondentie van Buisman gekregen. Daar zaten nog briefjes bij van leerlingen nadat hij een ongeluk met de tram had gekregen. 'Lieve meester, hoe gaat het nu met uw been?'



 


woensdag 7 april 2021

Na de zondvloed

Er vindt een ramp plaats.
 
Hoeveel verhalen beginnen er, nog afgezien van het bijbelse verhaal over de zondvloed,  met een ramp? Sinds Daniel Defoe's Robinson Crusoe: honderden zo niet duizenden, denk ik. Die ramp in Robinson Crusoe was nog maar een schipbreuk. 'Op een onbewoond eiland', pappadapadipá... Kleine mars door de tijd via Lisa Tetzners Die Kinder auf der Insel (die het er nog redelijk af brachten) naar Lord of the Flies van William Golding. Op dát onbewoonde eiland ging het niet zo goed.
 
Eind 19e eeuw vindt er al een invasie van de wereld plaats. The War of the Worlds, H.G. Wells. De wereld gaat nog niet ten onder.

Een eeuw later vindt een enorme ramp plaats, grotendeels door mensen veroorzaakt, en voor lezers anno nu akelig herkenbaar. De samenleving verkruimelt, overlevers zwerven her en der, vinden een weg op de verwoeste aarde, tussen wonderlijke en door genetische experimenten soms gevaarlijke wezens, en vaak staan ze elkaar naar het leven. De MaddAdam-trilogie, Margaret Atwood. Of Memoirs of a Survivor van Doris Lessing, dat pas griezelig wordt als je de achtergrond tot je laat doordringen. Of in het exuberante The Stone Gods van Jeannette Winterson, waarin de somberheid prachtig wordt samengevat in enkele zinnen uit een dialoog:

"Billie,"said Spike, "why are you crying?"
"Because it's hopeless, because we're hopeless, the whole stupid fucking human race."
"Is that why you are crying?"
"And because I wish there was a landing place that wasn't always being torned up."

Voor wie zoiets als MaddAdam achter de kiezen heeft, blijven er weinig zwartere scenario's over. Dan laat ik de Walking Dead en andere dystopische vechtfilms nog maar buiten beschouwing.

Om dat aan kinderen voor te schotelen... 
 
Nee, dan toch maar De wind wijst de weg van Wouter Klootwijk. Dat is, ook al is de samenleving zo ongeveer verdwenen, een vederlicht, lief, bijna zoet verhaal voor pakweg achtjarigen en ouder. 

 
Acht kinderen hebben een in het vage gelaten ramp overleefd en helpen elkaar met overleven. Hier geen twisten en machtsuitoefening, het is pais en vree, van de ramp weten ze niet veel meer, het eerste personage waarmee we kennismaken weet zelfs haar eigen naam niet meer, alleen dat ze bijkwam en onder een tak lag. De enige volwassene die de kinderen ontmoeten is de schipper van een gestrande visserskotter en hij is hen ter wille met advies en voedsel (gedroogde vissen). Hij verdwijnt wel en dat is een van de kleine bittere noten in het verhaal.
Dat ontdekken ze als ze aan het eind van het verhaal zijn schip voor een tweede keer bezoeken. Hij heeft een briefje achtergelaten:

Vera pakt het briefje, kijkt er lang naar.
'Ik wist niet meer dat ik kan lezen, maar ik zie dat ik het kan. Ik geloof dat het een droevig briefje is.'
Langzaam leest ze het voor.
'Een groet van mij. Ik ben er niet meer. Neem zoveel droge vis mee als je wil. En wat ik nog eens zeggen moet, wat zijn we dom geweest, wij mensen. We hebben alle olie opgemaakt. Het ga jullie goed en wees slim. Bokkum.'

Er is ook sprake van overstroming. Maar wij lezers komen verder niets te weten over die ramp. Het verhaal begint met een jongen en een meisje, gaandeweg komen de anderen erbij, ze leren van elkaar, bouwen samen een soort houten hutten, maken een winter mee en dan houdt het op. Niet lang na dit briefje.
Het is een wonder dat ze nog leven, want ze eten niet meer dan wortels, zaden, droge vis (van dat schip) en bruine bonen - die ze zelf zaaien en oogsten. Van een auteur die toch redelijk wat met voedsel heeft (onder het pseudoniem Ben de Cocq), had ik iets meer aandacht voor hun dieet verwacht.
 
 
 
Zoals ik al schreef, een lief verhaal, maar het biedt volgens mij net iets te weinig, zelfs voor de lezers van pakweg acht en ouder voor wie het bedoeld lijkt. Het bijna collectieve geheugenverlies vind ik een misser, het gaat allemaal net iets te goed en het einde is me te abrupt.

'Hij is dood, denk ik', zegt Josje.
Ze blijven die nacht in de stuurhut en denken aan meneer Bokkum.
Dan lopen ze terug naar huis. Ze nemen de bonen weer mee. En de gedroogde vis. Voor later.
'We moeten slim zijn,' zegt Vera.
'Ja, wanneer gaan we daarmee beginnen?',  zegt Jan.
'Gewoon niet dom doen,' zegt JanJan.
Wies en Josje schateren het uit. Dan vallen ze allemaal om in het gras. Van het lachen. 'Gewoon niet dom doen.'

Einde. Tja.
 

Het is me te lief, het idee dat het ineenstorten van een samenleving alleen te maken heeft met dom doen, en niet met slechtheid. Er ontbreekt spanning in dit verhaal, drama.
Jammer. Mooi thema, ongebruikelijk, zou tot ontroering en nadenken kunnen leiden. Het begint ook veelbelovend, met dat meisje dat niet meer weet hoe ze heet, daarna Jan die haar Vera noemt, de anderen, het vlot... maar daarna zakt het in.
Gemiste kans.
 


Klootwijk, Wouter. De wind wijst de weg. Ills. Irene de Goede. Leopold, 2021. ISBN 978 90 258 80787 3, 82 p.
 
 

dinsdag 23 maart 2021

Kim vliegt!

Maar wie is Kim?
 
Kim Veenman is een meisje, zou je bijna denken, als je leest hoe ze zich voorstelt of laat voorstellen. Toegankelijk, enthousiast, ze kijkt je glimlachend aan op de een-na-laatste pagina van haar boek.
Intussen weet ze volgens mij heel goed wat ze wel en niet over zichzelf kwijt wil. Geboortejaar en -plaats, relatie, kinderen: niet. Wel: dat ze hoogtevrees heeft en zie ook hier. Let ook op de wervende cookie-tekst: 'Ik gebruik cookies om je een fijne ervaring te bieden en om deze website effectief te laten werken.'
 
Laat ik het toch maar houden op een zelfbewuste jonge vrouw, die al dan niet geholpen door publiciteitsregelaars bij uitgeverijen, weet hoe ze zich in de markt moet zetten, zoals dat in die kringen heet. Bioloog, illustrator - en sinds Ik vlieg! prentenboekenmaker.
 
In Ik vlieg! met dieren in de lucht neemt een onbekende verteller ons mee de lucht in.
Dat begint zó:

Soms lig ik in het gras. Dan kijk ik omhoog naar de lucht.
Hoe zou het zijn om te vliegen? Hoe voelt dat? Als dat toch eens kon!
Vanaf de grond zet ik me af... mijn voeten gaan los en dan...





... ga ik hoger en hoger. Ik zweef.
Maar hoe zou ik vliegen? Laag boven de grond of heel, héél hoog?
Alles kan. Er zijn heel veel vliegmanieren.

En dan volgt een reeks dubbelpagina-afbeeldingen die wat van die vliegmanieren tonen, vanuit de lucht.




Invoelbaar, leuk gedaan. Niet alleen vogels, ook hommel, libelle, vliegende vis, zwevende spin, eekhoorn en slang komen langs.

En nu jij.
Je mag kiezen: als welk dier vlieg jij?
Doe je ogen maar dicht, zet je af en...
... VLIEG!


 


Daarmee is het boek echter niet uit, want op de hiernavolgende pagina's staat uitleg over de getoonde dieren en hun 'vliegmanieren'. Dat is mooi meegenomen, al is de tekst hier voor achtjarigen nog wat moeilijk te lezen, daarvoor moet je zo'n tien of elf jaar zijn en niet schrikken van de Engelse woorden dragonfly face. ('Zoek op internet': wel een leuke tip!) Het maakt het boek wel af, zo'n toelichting. Een geslaagd debuut, dus.

Bij het boek horen doe-tips en die introduceert ze op een kenmerkende manier:
 
 

 

Let op dat kruisje. Zou ze dat van Rien Poortvliet hebben afgekeken? Voor wie dat niet kent...
 
 
 
 
De doe-tips zelf (als pdf te downloaden, inclusief kleurplaat) zijn eenvoudig, maar niet verkeerd. Probeer inderdaad maar eens te vliegen, wat natuurlijk niet lukt, en voel welke spieren je hebt gebruikt. Kim Veenman, biologe, legt keurig uit dat juist die spieren bij vogels veel beter zijn ontwikkeld. Althans, bij vliegende vogels. Vogels die niet kunnen vliegen, zoals struisvogels, hebben dan weer extreem sterke poten.
 

Veenman, Kim. Ik vlieg! met dieren in de lucht. Lemniscaat, 2021. ISBN 978 90 477 1311 1, 34 p.
 
 

 

woensdag 10 maart 2021

Lezen in nieuwe outfit

Het meest intrigerend aan Lezen 2021-1 vind ik de omslagillustratie.


 
Niet alleen omdat het een grappige afbeelding is, ook omdat ik er in dit nummer nergens iets over vermeld vond tót ik op p. 32 op twee pagina's over Margot Westerman stuitte. De eerste aflevering van een nieuwe rubriek, 'Op de cover', die de voorgaande rubriek 'Atelierbezoek' gaat vervangen. Begrijp ik. Want op p. 6-8 wordt 'teruggeblikt' op vijftien jaar 'Atelierbezoek', door acht ateliers nog eens te bezoeken. Toen en nu vergeleken. 
 
Er gaat wel eens wat mis, óf het is de bedoeling: op p. 32 staat 'Op de cover', maar in de inhoudsopgave staat '32 Atelierbezoek Margot Westerman'... En de terugblik ontbreekt. Er ging, geloof ik, meer mis, zo start de nieuwe rubriek 'Blikveld' (korte recensies en berichten) op p. 13 en niet op p 12.
 
Lezen 2021-1 is een jubileumnummer, want vijftien jaar bestaand. Tijd voor een nieuwe opmaak, dacht men kennelijk bij Stichting Lezen, de uitgever van dit kwartaalblad 'voor leesbevordering en literatuureducatie', onder hoofdredactie van de directeur van de stichting, Gerlien van Dalen, die zelf aan haar twaalfde jaar bij Stichting Lezen bezig is.
Ik herken in de opmaak het dilemma van de redactie: enerzijds veel levendigheid en kleur wensen, anderzijds veel tekst kwijt willen in de kolommen. De gekozen opmaak (van Erik olde Hanhof en Judith Schoffelen) is mooi en levendig zat, maar de broodletter is aan de kleine kant, je hebt er een goede leeslamp voor nodig.

De variatie in rubrieken toont dat de inhoudelijke opzet niet is veranderd. Stichting Lezen is van alle leesbevordering en dus vind je in Lezen aandacht voor babyboekjes als Ukkie (van Lu Fraser en Kate Hindley) tot en met Confrontaties van Simone Atangana Bekono en de P.C. Hooftprijs voor Alfred Schaffer. Ofwel, 'Blikveld' reikt van 0 tot 18 jaar en zoals we weten beperken intelligente en leesvaardige achttienjarigen zich niet tot wat in de boekwinkel en bibliotheek onder jeugdliteratuur wordt verstaan.
Het is allemaal best lezenswaardig, de redactie (ook nog Daan Beeke, Eva Gerrits, Mirjam Noorduijn, Annemarieke Terhell en Desirée van der Zanden) doet zijn best. Leuke interviews vooral, in dit nummer bv. met Jaap Friso (van Jaapleest) en Bas Maliepaard (recensent jeugdliteratuur bij Trouw) over hun Grote Vriendelijke Podcast.

Dat er inhoudelijk veel herkenbaar is sluit dan aan bij wat Gerlien van Dalen in haar redactioneel schrijft:
 
De afgelopen 59 nummers doorbladerend kunnen we wel constateren dat er veel is veranderd wat lezen en leesbevordering betreft, maar dat er één ding niet is veranderd: de noodzaak tot het stimuleren van het lezen blijft groot.

En dan verwijst ze naar het leesoffensief waarover eerder werd bericht, ook in dit blog (zie hier en hier).
 
Wat dan echter weer een beetje triest kan stemmen is de vraag of al die leesbevordering dan echt niets heeft uitgehaald. Of zou (bewijs uit het ongerijmde) het er zonder die activiteiten nog beroerder voorstaan?
Mijn dagblad vergaste me een dezer dagen weer eens met een somber bericht over de gemiddelde lees- en schrijfvaardigheden waarmee leerlingen de basisschool verlaten. Het zoveelste bericht in een reeks. Zeer benieuwd of dat leesoffensief nog iets gaat verbeteren.


Lezen 2021-1. Stichting Lezen, 2021. ISSN 1570-9698, 36 p.

vrijdag 5 maart 2021

We vertrekken voordat het licht is

Rond mijn vijftiende merkte ik dat mijn rechterschoen altijd het eerst kapotging. Het begon met een zacht piepen. De schoen maakte dan een klagend en zielig geluid als ik liep. Daarna ging de zool langzaam maar zeker los.

Zou een mooie vraag zijn voor een literaire quiz: van wie is dit citaat?
 

Geen idee? Nog een:

Bij de vloedlijn ontelbare pantsertjes van schelpdieren, krabbenpoten, tengels en meterslange, holle stengels van stierkelp, het snelst groeiende wier van de wereld. Een eind verder een dode zeeleeuw, grijs en glad, het lichaam opgezwollen, alsof het gevuld is met water. Zijn bek met scherpe witte tanden in een afstotende grijns. Geen vliegen, geen meeuwen, geen geur. Het beest is waarschijnlijk nog niet lang dood en pas aangespoeld. Er liggen ook oude boomstammen, gebleekt door het zoute oceaanwater.

Mijn oud-redactiegenoten van Leesgoed zouden de vraag nu al goed hebben beantwoord. Maar ja, die zijn er vandaag niet bij.


Nog eentje dan:
 
Op de stoep in de Slijkstraat stond een stoel en toen ik erop zat kon ik alles eens rustig bekijken. Er was een handkar waarop met witte letters KOLENHANDE geschilderd was. Maar die hing scheef en was leeg en er ontbrak een wiel en blijkbaar ook een letter. Ik was zes en kon al lezen.
 
Hint: deze Slijkstraat is in Vlissingen. Zee en overstroming zijn belangrijke motieven.
Iets meer verbeelding?
 
Er is geen kleur ter wereld of hij zit op deze vogel; bek en poten zijn langer dan van welke vogel ook en van een buitensporig formaat in verhouding tot het lichaam, en het geluid dat hij maakt is het gezang van tientallen zwermen vogels tegelijk.
Het ei van deze vogel heeft een flink volume, is groter dan welk ei dat wij kennen, zelfs groter dan dat van de struis. 
 
Nou ja, zo blijven we bezig.


Misschien een plaatje, want daarvan staan er best veel in dit boek.


Of in kleur, zoal dit.


Of dit, dat is toch een echte Hofman:


Daarmee heb ik de naam al genoemd.
Het gaat hier over We vertrekken voordat het licht is, een bundel verhalen en afbeeldingen van Wim Hofman.

Wim Hofman is een fantastische waarnemer. Fantastisch ook letterlijk: hij kan observeren wat er in de vloedlijn of een overstroomde straat aanspoelt, maar evengoed een eiland verzinnen met bizarre wezens, of een rare vogel. Soms lijkt het alsof hij de hele wereld beziet als een aanspoelsel, vol wonderlijke zaken en gebeurtenissen.
Dat vinden we terug in zijn werk, zowel beeldend als geschreven. Hij is kien op details.
Natuurlijk is hij in principe niet zelf aan het woord, maar zijn vertellers lijken wel erg veel op hem - en op elkaar, logischerwijs.
Nog een citaat, wegens die details, dat opsommerige.

De rotssteen waar ik op ging zitten voelde koel aan.
Dat kwam goed uit, want het was zomer en ik had urenlang gelopen over een ruw pad dat voortdurend slingerde en klom en ik had het erg warm gekregen. Het stuk graniet lag langs het bergpad in de schaduw van wat donkere sparrenbomen en vormde een goede plek om even te rusten en een pijpje te roken. De steen lag bij een kruispunt van enkele paden en er stond een meer dan manshoog houten kruis, waarop verschillende figuren waren gekerfd en daarna een beetje ingekleurd. Ik zag een eenvoudig laddertje, een beker met dobbelstenen, drie flinke spijkers en een hamer, bovenaan een haan, en dan iets waarvan ik wist dat het een wond moest voorstellen, maar meer op een gekanteld mondje leek of op een vrouwelijk geslachtsdeel; een speer, een stok met een bolletje eraan, dat een spons met azijn moest voorstellen. Ik verbaasde me erover om hier, in de wildernis, van die afbeeldingen aan te treffen en ik tekende het kruis zo'n beetje na in mijn notitieboekje.

Ja, dat notitieboekje! Er komen veel notitieboekjes voorbij in die verhalen. En er wordt veel in genoteerd. Sommige verhalen lijken ook op notities uit zo'n boekje.

Het verhaal waaruit het laatste citaat komt (het begint ermee) loopt trouwens mooi af, met een echt einde. Een verhaal met kop en staart, al bestaat de staart min of meer uit een giechelend meisje en een zwaaiende moeder. Priester tegen wil en dank vindt meisje in zijn bed.

Sommige verhalen echter lopen ineens af, alsof de verteller aan het eind van zijn boekje was, of geen zin meer had:

Zo, dit is meer dan genoeg over onze oppasser.

... staat er dan en daarmee moeten we het als lezer maar doen.
Ook het sterke openingsverhaal 'Natuurhistorisch Museum of De stagiaire' eindigt min of meer zo.

                         Hoofdstuk 14
 
Slot, omdat wij niet weten hoe het verderging.

Het laatst verschenen boek van Wim Hofman stamt uit 2014, Puzemuze, of op weg naar Rothko. Ik was verrast door deze nieuwe uitgave, maar de verantwoording achterin leerde me dat het gaat om een bundel eerder verschenen verhalen. Alleen het verhaal 'Peperkoek' 'werd speciaal voor deze bundel uitgebreid'. Ik vermoed dat de bundel een soort cadeau is: Wim Hofman werd op 2 februari 2021 tachtig jaar.

Wie verhalen met veel actie en ingewikkelde intriges met dramatische ontknopingen verwacht, kan deze bundel beter laten liggen, al zijn sommige ontknopingen beslist onverwacht.
Voor wie houdt van Borges-achtige bizarre vondsten, zéér onderkoelde en soms macabere humor en al even ingehouden melancholie verscholen onder (ik schreef het al) vondsten aan de vloedlijn, is in deze bundel beslist iets moois te vinden.


Wim Hofman. We vertrekken voordat het licht is; Hofmans vertellingen. Querido, 2021. ISBN 978 90 214 2542 9, 240 p.
 

NB. De titel zou ontleend zijn aan een door Wim Hofman vertaalde tekst van ene Henriette d'Ouissant, geciteerd op p. 35.
Opdracht: zoek uit wie Henriette d'Ouissant is. Kijk niet raar op als je eerder in Vlissingen uitkomt dan in Wissant.

woensdag 3 maart 2021

Beestenspul

Toevallig passeerden er ongeveer tegelijk twee boeken waarin een reeks dieren wordt gepresenteerd.

Dat was meteen ook vrijwel de enige overeenkomst, naast de taal (Nederlands) en de bindwijze (hardcover).
 
Het ene boek biedt een reeks weetjes over dieren, zonder bronnen te noemen. In enkele gevallen gaat het om individuele dieren, zoals de kaketoe Snowball of de Californische zeeleeuw Ronan. Enig thematisch verband is er niet, behalve dat 'dieren geweldig zijn', dan wel 'erg schattig en grappig', 'gekke trucjes' kennen en dat sommige dieren 'zó slim en handig zijn dat je het bijna niet kunt geloven'. De afbeeldingen zijn grappig bedoeld, en zetten argeloze jonge lezers soms op het verkeerde been want bijvoorbeeld wasberen zien er echt niet zo uit als op de cartoon in het boek.



Het is vertaald uit het Engels (door Jan Paul Schutten) en is geschreven door Liz Marvin en getekend door Greg McLeod. De afbeeldingen zijn zoals gemeld grappig bedoeld en cartoon-achtig, ze tonen de dieren niet helemaal zoals ze zijn.



En de teksten zijn ook grappig bedoeld.

 
De dieren worden in volstrekt willekeurige volgorde gepresenteerd, met weetjes die nauwelijks beklijven en niets met elkaar te maken hebben, en de cartoons tonen niet of onvoldoende hoe het werkelijk zit. 
Leuke titel hoor, Het geheime leven van dieren, van pientere pythons tot geniale gekko's, met dat binnenrijm, maar geheim is het niet en of je in voorkomende gevallen van pienter dan wel geniaal kan spreken valt ook te betwijfelen. Ik vraag me in gemoede af welke jonge lezer iets heeft aan dit boek. In ieder geval niet de lezer die echt iets wil weten over stokstaartjes, wasberen, pythons of gekko's. Die index achterin heeft dus niet heel veel zin.

Maar o.k., als je het uit hebt weet je dat paarden staand kunnen slapen. En dat vleermuizen ondersteboven hangend bevallen. En zo.
 
 
 

Het andere boek heet Noord en presenteert een reeks dieren die leven op en rond de Noordpool, preciezer gezegd het Arctisch gebied. Ieder dier stelt zich zelf voor en die tekst wordt vergezeld door een linoleumsnede-achtige illustratie. Die afbeeldingen zijn gemaakt door Marieke ten Berge, die in een voorwoord verklaart 'Waarom dit boek?' Nou, 'vanuit een passie voor het hoge Noorden - met name de poolgebieden - en een liefde voor illustraties en beeld'. Die passie voor het hoge Noorden deed me vermoeden dat Marieke nabije familie zou kunnen zijn van H.C. ten Berge.
De platen zijn de essentie van dit boek. Hoewel ook hier eventueel te miereneuken valt over beeld en werkelijkheid, geven ze markante trekken van de dieren goed weer. Kijk maar naar deze rendieren.



Of de zeearend.



Iedere plaat is paginagroot en ertegenover staat een pagina met tekst: hier stelt het beest zich als het ware voor, met woorden die hen in de bek zijn gelegd door Jesse Goossens, die niet alleen auteur is maar sinds eind 2020 ook uitgever is van het kinderboekenfonds van Lemniscaat en zo dus haar eigen boek uitgeeft. 

Ook hier ontbreken bronnen en verwijzingen, jammer. Maar elk portret bevat wel een kadertje met informatie over soort, wetenschappelijke naam, 'waar', afmeting, gewicht, leeftijd, aantal en beschermingsstatus. Achterin is een index. En een oproep tot natuurbescherming, helaas zonder verwijzingen dus nogal gratuit.



De opmaak is opmerkelijk maar niet helemaal geslaagd. Die woorden in kleur en ander lettertype, het verlevendigt de pagina maar wekte bij mij even de verwachting dat er iets met die woorden was. Maar nee, er lijken afgezien van begininitialen en beginwoorden willekeurig woorden uitverkoren te zijn. Jammer.

Niettemin valt deze onbedoelde ontmoeting op de bespreektafel in het voordeel uit van Noord. Het is informatiever en ik vind het mooier.


Liz Marvin & Greg McLeod. Het geheime leven van dieren, van pientere pythons tot geniale gekko's. Vertaald door Jan Paul Schutten. Kluitman, 2021. ISBN 978 90 206 1907 2, 128 p.


Marieke ten Berge & Jesse Goossens. Noord. Lemniscaat, 2021. ISBN 978 90 477 1203 9, 84 p. 

dinsdag 2 maart 2021

Pulletje

Er kwam een schattig prentenboek langs van een auteur die zich tot nog toe niet aan prentenboeken waagde. Wel schreef Marco Kunst verhalen voor lezers van zes jaar en ouder, plus kinderen die aan het leren lezen zijn.
Pulletje is een schattig, maar verder niet bijzonder verhaal over de eerste levensdagen van een eendenkuikentje. Wat voor eend, dat valt niet af te leiden uit de verder wél bijzonder mooie platen (houtsneden) van Henriëtte Boerendans. Het is een grondeleend, blijkt uit de allerlaatste prent, maar daarvan zijn er diverse soorten. En mama eend 'kwaakt' met haar kinderen, wat aan wilde eend of soepeend doet denken.
Zoals zo vaak gebeurt in verhalen voor jonge kinderen worden de dieren vermenselijkt. 


Alsof een eend dat zo kan beleven... al valt zeker aan te nemen dat een ongeboren kuiken zich prettig voelt in een ei.
Maar zoiets...


... is wel erg menselijk, dat een gaatje in het 'mooie ronde ei' 'zonde' zou zijn.
 
Mama eend blijkt in woorden te kwaken.



Moedereenden hebben een hele reeks geluidjes om te communiceren met hun kinderen, al gaat het wat ver om dat 'praten' te noemen.

Het doet er ook niet toe. Dit is een verhaaltje, geen lesje over eenden. Pulletje is, afgezien van een wat benauwde droom, alleen maar blij en nieuwsgierig en ziet zich einde verhaal al zelf moeder worden.
Mooie, stijlvolle prenten die een lief, ja schattig verhaal uitbeelden. Ideaal om voor te lezen.
 

Marco Kunst en Henriette Boerendans. Pulletje. Gottmer, 2018. ISBN 978 90 257 6861 4, 16 p.

maandag 1 maart 2021

King Corn

Eind jaren '60 lag er een geweldig vies brood in de supermarkten. Het was wit en sponsachtig, smaakte bijna nergens naar, zat vol vet en suiker en werd heel goed verkocht als 'origineel Zweeds wittebrood', al zat er niets origineels of Zweeds aan. Veel mensen hielden van wit en sponsachtig brood, dat bovendien (gemak!) voorgesneden was, enkele dagen goed bleef en dat de smaak van het beleg voorrang gaf. Het heette King Corn.
De broodfabriek had een goed reclamebureau ingehuurd. Het maakte een filmpje voor tv over een jongetje dat naar zijn vriendje Japie wil verhuizen omdat ze daar King Corn eten.

Aan die Japie moest ik denken toen er een prentenboek op de bespreektafel belandde met de titel Ik ga bij Japie wonen, van Rindert Kromhout & Sandra Klaassen. Ondertitel: want hij mag álles.
De tijden zijn veranderd. Nu wil er geen jochie naar Japie, maar een meisje, geheten Ietje. En niet omdat ze bij Japie King Corn eten, maar omdat hij een mooie trein heeft en alles mag (zegt hij):

'Ik vind jou niet zo lief,' zegt Ietje. 'Ik vind de mama van Japie veel liever.'
'Zo,' zegt papa, 'en waarom dan wel?'
'Japie heeft een speelgoedtrein.'
'Lieverd, je krijgt geen speelgoedtrein.'
'Maar ik wil het zo graag, papa.'
'Misschien als je jarig bent.'
'Japie heeft een heleboel rails en wagons en een station. En hij mag elke avond net zo lang opblijven als hij wil. Japie mag álles van zijn moeder. Heeft hij zelf gezegd.'
'Je krijgt een pannenkoek!'

En dan moet je de bladzijde omslaan. Op de volgende bladzijde kijkt papa, omgeven door kunstschildersspullen (je vermoedt meteen dat Ietjes papa niet veel geld heeft) naar zijn dochter op de andere bladzijde, die aankondigt dat ze bij Japie gaat wonen.



'Waar ga jij naartoe?'
'Ik ga bij Japie wonen.'
'Bij Japie wonen?' vraagt papa. 'Maar wat moet ik dan? Als jij bij Japie gaat wonen, ben ik helemaal alleen.'
Hier moet Ietje even over nadenken.
'Je mag wel een keertje op visite komen,' zegt ze.
 
Ze mag van Japie's mama een paar dagen blijven. Het is even dikke pret bij Japie, die inderdaad een hele mooie lange spoorbaan door het huis heeft liggen. Al gauw blijkt echter dat er ook bij Japie regeltjes zijn, speelgoed opruimen en zo, en dat hij niet zolang mag opblijven als hij wil.



Het eindigt ('spoiler alert') voor de volwassen voorlezer bijna voorspelbaar:


Aldus een weinig bijzonder, maar wel lief en blijmoedig voorleesverhaal met sprekende prenten. Let ook op de wat donkere huidskleur van Ietje, fijn voor voorgelezen kinderen die ook zo'n kleurtje hebben.
 

Rindert Kromhout en Sandra Klaassen. Ik ga bij Japie wonen. Leopold, 2021. ISBN 978 90 258 8014 9, 26 p.

maandag 22 februari 2021

Waarom de Zwartkopzeeduif zo heet

Na de De Kleine Gids voor de niet-bestaande Vogels van Europa en De Nieuwe Gids voor de niet-bestaande Vogels van Europa (zie hier) is Baardman & boterkontje beslist het leukste boek over vogels.
Het boterkontje had zeker in de eerstgenoemde twee gidsen een plaatsje kunnen vinden, ware het niet dat deze vogel wel bestaat. Het is een andere naam voor (o.a.) de wintertaling. Ook de regenfluiter, zwartjan, stinker, pepervreter, hutketuk en het fladdergatje bestaan. En ja, ook de baardman, al hebben vogelwaarnemers het vaak wat kleinerend over baardmannetje en hebben ze er geen probleem mee dat de baardman ook een vrouw kan zijn.

Ook een boterkontje.

Deze namen en de wat algemenere namen staan keurig geïndexeerd achterin Baardman & boterkontje, de vogel en zijn naam van Toine Andernach, 'een enthousiaste vogelaar met passie voor taal' of 'een taalkundige met passie voor vogels'. Na de zwemmer, de laatste vermelding, blikt een vuurgoudhaan (ja, die bestaat ook) ons recht in de ogen.
 
Het is niet de enige mooie foto in dit boek. Want hoewel de 26 stukjes over de herkomst van een of meer vogelnamen alle vergezeld gaan van een plaat uit Nederlandsche Vogelen (Nozemann en Sepp, 18e en 19e eeuw), staan er bijna evenzoveel foto's in. Waaronder, uiteraard, die van de baardman.
 
De 'gebruikte bronnen' beslaan vier bladzijden, ik neem aan dat de geboden verklaringen en veronderstellingen (want lang niet alles is zeker) gegrond zijn. De Vlaamse gaai, tegenwoordig gewoon gaai, blijkt niet zo te heten omdat mensen hem zo Vlaams vonden, maar waarschijnlijk doordat de Fransen hem een gai flammant noemen (zoiets als een vlammende gaai), welke naam vervolgens in het naburig taalgebied tot Vlaamse gaai is verbasterd. Ik noem maar een weetje. Zoals smient (ja, dat is ook een bestaande vogel) eigenlijk 'kleine eend' betekende. Van die dingen.
Als je niets met taal hebt, val je er niet van achterover.
Maar voor taalminnaars is Baardman & boterkontje een heel amusant boek.
 
O pardon: die zwartkopzeeduif... daarvoor moeten we toch bij O.C. Hooymeijer zijn. Maar de herkomst van de naam lijkt me evident. Kun je van de aalscholver niet zeggen.


Toine Achternach. Baardman & boterkontje, de vogel en zijn naam. Noordhoek, 2021. ISBN 978 90 5615 693 0, 128 p.