Zoeken in deze blog

zondag 2 augustus 2026

Sita

Het idee voor een verhaal: het moeilijke jaar 1948 in Indonesië in de ogen en geest van een twaalfjarige jongen.
Waarom nu? Zou er een antwoord te horen zijn in aflevering 157 van de zo gul gesubsidieerde De Grote Vriendelijke Podcast, een uur durend gesprek met Robin Raven over zijn recente boek De Lotus en de Waringinboom door Bas Maliepaard en Jaap Friso? Helaas. 
Wel levert het op dat de naam van de hoofdpersoon, Jaap Klein, gebaseerd is op de naam van Ravens vader Jack Groot en dat auteur Robin Raven het boek ook ziet als 'een soort wake-up call', 'praat er eens over'. Er hoort een lessenserie bij. Die belandde helaas niet op de recensietafel.
 
Dat Robin Raven iets heeft met Indonesië is bekend en verklaarbaar en heeft zich geuit in vrijwel al zijn eerdere boeken, vanaf zijn debuut De vloek van Pak in 2006.

In De Lotus en de Waringinboom vertelt de twaalfjarige Jaap over een periode in 1948 op en rond de suikerfabriek die zijn vader beheert in het land waar in 1945 al de onafhankelijkheid was uitgeroepen maar Nederland in 1948 nog dacht te regeren. Verteller Jaap weet niet veel over het land waar hij naar toegaat en dat past in die tijd. In hoog tempo krijgt hij (en krijgen wij) tijdens de reis per schip meer te horen, niet van zijn vader (die er al is)  en moeder maar van medereiziger 'meneer Quist', een arts. Die dialogen hebben een hoog Oom Jan leert zijn neefje schaken-gehalte. Leerzaam, niet echt spannend. Dat gaat op voor het hele verhaal, ondanks enkele spannende passages, o.a. met aanvallen door pemuda's. 
Ook het meisje Sita, waar Jaap een beetje verliefd op wordt maar met wie hij van zijn vader niet mag omgaan, leert hem van alles, net als Gus, de zoon van een collega van zijn vader, met wie hij ook al niet mag omgaan. Sita is, in de Nederlandse termen van die tijd, een 'inlander' en Gus een 'indo' en dat wordt hem door zijn vader wel ingepeperd. Sadder and wiser vertrekt Jaap einde verhaal terug naar Nederland, opnieuw met moeder en 'meneer Quist'.
 
Een citaat. Ze zijn per trein op weg naar de plantage:
 
Beneden aan de spoordijk staan weer blote kinderen. Ze lachen en zwaaien. Een jongetje gooit een steen naar ons, maar de afstand tussen hem en de trein is veel te groot, waardoor de steen in het water belandt. Het maakt de gooier blijkbaar niks uit, want hij slaat op zijn knie van de pret.
'Moeten zij niet naar school?' vraag ik.
Meneer Quist schudt zijn hoofd. 'Indonesische kinderen gaan niet naar school, Jaap. Als ze oud genoeg zijn, moeten ze werken op de rijst- en rietvelden. Sommige kampongs hebben een dessaschool, maar daar leer je niet zoveel.'
'Ze hoeven toch ook niets te weten?' zegt mama. 'Voor het planten van rijst heb je geen rekenen of lezen nodig, lijkt me. Als je maar weet wanneer de tijd rijp is om te oogsten. Ja, toch? Gewoon doen wat je vader ook doet. Tenminste, dat schrijft mijn man altijd in zijn brieven.'
De arts gaat rechtop zitten, alsof mama's woorden iets in hem wakker maken. 'En als ze advocaat willen worden? Of leraar? Of rechter?'
Mama haalt haar schouders op. 'Daar hebben ze ons toch voor?'
'Die tijd is voorbij, mevrouw Klein. Weet u, Indonesië is eeuwenlang een winstkolonie van Nederland geweest. Deze mensen' - de arts tikt tegen het raam, hoewel er niemand te zien is - 'hebben ons schatrijk gemaakt. En wat hebben ze ervoor teruggekregen? Niets. [...]'
 
Dit bedoel ik met een Oom Jan leert zijn neefje schaken-gehalte. Omdat de wat naïeve en heel oprechte Jaap nu eenmaal als verteller dienstdoet, in de onvoltooid tegenwoordige tijd nog wel, als een soort verslaggever, moet dit soort noodzakelijk geachte informatie per dialoog tot ons komen. Het is nog een hele kunst om zulke dialogen zo natuurlijk mogelijk te maken. Raven slaagt daar niet altijd in.
 
De verschillende opvattingen in die tijd over het land zijn keurig verdeeld. Vader Klein en collega Willems zijn ervan overtuigd dat die 'inlanders' niet zonder hen kunnen en dat met 'die Soekarna en Hatta' korte metten zal worden gemaakt. Moeder Klein houdt zich op de vlakte. 'Meneer Quist' de arts vindt dat de mensen recht hebben op onafhankelijkheid. Klein en Willems noemen hem achter zijn rug 'Quist communist'. Sita heeft een mooie vergelijking met een hand (Nederland) en de krekel erin (Indiërs). De krekel kan zingen wat hij wil, maar de hand knijpt hem zó fijn.
Quist blijkt contacten te hebben in de kampong waar Sita woont, ontdekt Jaap, die zich niet veel aantrekt van zijn vaders verbod en regelmatig met Gus op pad gaat en ook contact zoekt met Sita. Deze Sita ontmoet hij als ze hem redt uit een netelige situatie als hij met een mes wordt bedreigd door een jongen omdat hij op een ongepaste wijze zou omgaan met de lotus en de waringinboom vlakbij huis.
Daarbij raakt hij zijn bril kwijt maar zowaar - ineens kan hij scherp zien. Bril niet meer nodig. Eerder was door de aanraking met dit water ook al een lelijke wrat op zijn duim verdwenen en later verdwijnt de pijn in het oor waaraan schoolmeester Li zo hard trok. Magie! Die verder in het verhaal helaas hoegenaamd geen rol speelt, dus die magie bungelt er een beetje bij. De lotus en de waringin zelf bungelen overigens niet, die vertegenwoordigen de aantrekkingskracht van het vreemde, het onbekende. Dat wordt mooi beschreven.
 
De heftigste aanval van pemuda's is die op de plantage en het ouderlijk huis. Bij de verdediging worden ze bijgestaan door soldaten van het KNIL, Molukkers. Zo komen die ook nog het verhaal in.
Die aanval is wel de opmaat tot het vertrek van Jaap, zijn moeder en 'meneer Quist'. Onderweg naar het schip worden ze opnieuw aangevallen en het is te danken aan Quist en vooral Sita, die tot de aanvallers blijkt te horen, dat ze het er levend vanaf brengen, al reizen ze verder met zwaar gehavende Molukse soldaten, hun begeleiders. Schrale troost voor Jaap: op het schip blijkt dat Sita aan Quist een liefdevolle boodschap voor hem heeft meegegeven.
 
Als je niets wist van de geschiedenis van Indonesië c.q. Nederlands-Indië dan ben je door dit verhaal wel het een en ander te weten gekomen. Dat lijkt ook eigenlijk het hoofddoel en daardoor is het meer een leerzaam verhaal dan een echt sterk verhaal. Doordat je als jonge lezer kan meeleven met de verteller blijft er wellicht meer hangen dan na lezen van Het begon met peper, de geschiedenis van Indonesië en Nederland. Dat is non-fictie en wellicht komt het daardoor dat Jaap Friso en Bas Maliepaard het niet eens noemen. Jammer, want het is een heel goed boek.
 
Robin Raven heeft een prima verhaal geschreven, maar het had sterker kunnen zijn als hij voor een andere verteller had gekozen, met een eigen stijl. Dat had zomaar Sita kunnen zijn, maar ook (of misschien beter) een anonieme verteller met iets meer afstand tot de hoofdpersonen en de vrijheid om niet uitsluitend die Jaap te volgen en ook iets meer te doen met de magie van de lotus en de waringinboom die nota bene de titel van het verhaal hebben geleverd en Eva Verburg inspireerden voor de omslagillustratie. 
Fijn dat er een kaart van Java is opgenomen met de namen van plaatsen die in het verhaal voorkomen. 
 
 

Raven, Robin. De Lotus en de waringinboom. Lemniscaat, 2026. ISBN 978 90 477 1857 4, 462 p.   

vrijdag 31 juli 2026

Wat stond daar?

Na een ruim half jaar Poëziekalender een vervolg op de eerste recensie, d.d. 29 januari dit jaar.
 
Eén gedicht is me dierbaar geworden:
 
mijn lied

dit is mijn taal
mijn last, mijn lied

ik kan het wel
ik kan het niet

dit is mijn taal
mijn muur, mijn spel

ik kan het wel
ik kan het niet

dit is mijn taal
mijn wil, mijn stem

hoor hoe ik zing
ik ben, ik ben

 
Joke van Leeuwen, Poëziekalender 2026, 26 mei. Een tekst om een lied van te maken.
Het blinde lot wou dat enkele dagen later, op 4 juni, het overlijden van Lieke Marsman bekend werd gemaakt. 
 
Er stonden tot nu toe zeker meer citabele teksten in de Poëziekalender 2026, zoals dit simpele liedje van Jos van Hest (9 juni),
 
Gevonden liedje voor aardrijkskunde
 
Tarwe vlas en haver
bonen peulen klaver
suikerbieten en karwij
groeien op de malse klei
 
zomerdijk slaperdijk
waker dromer winterdijk 
 
of dit tekstje van Wim Hofman (18 mei)
 
Tafel / stoel

We verzagen de tafel
Maken een stoel.
Het hout is hard en oud.

Wij maken een stoel
Met een stevige leuning
En een gladde zitting.

We zetten de zelfgemaakte stoel
Voor het raam.
We gaan zitten.

Eindelijk zitten we.
We missen de tafel.

 
Of dit grappige versje van Bette Westera (19 juni):
 
Vandaag
 
Hoera, het is vandaag!
Dat moet gevierd.
Mijn vader heeft het hele huis versierd
en appeltaart gehaald voor hem en mij.
Met slagroom, want vandaag is zo voorbij.
De appeltaart gaat op,
er wordt geen kruimel van bewaard,
want morgen is het weer vandaag,
maar dan met mokkataart. 

 
... maar het eindoordeel blijft dat de opmaak niet geslaagd was. 'Alleen wc's met een flinke felle leeslamp bieden voldoende licht om dit te lezen, want de lettertjes zijn ook al niet zo groot en duidelijk en helaas schreefloos.' Citaat van 29 januari, maar zo is het ook nu. Het geldt voor de meeste blaadjes, zoals bijvoorbeeld dat van 27 juli, hierboven, met een tekst van Liz Ditters, treffend 'In de nacht' getiteld. Jammer! 
Tip voor de makers van de Poëziekalender 2027: maak de teksten goed leesbaar. En een iets kritischer selectie mag ook wel.
 
 

In iets mindere mate geldt dat ook voor de reeks Dichter. gedichten voor kinderen van 6 tot 106, bijvoorbeeld nummer 37, Op avontuur, het thema van Kinderboekenweek 2025. 
Ook hierin pareltjes, maar ook veel mwah, en nogal wat gedichten die geen gedichten zijn maar stukjes proza met veel wit eromheen. En een wat moeilijk lettertype, zeker tegen een donkere achtergrond, ook al wordt de kleur van de letter dan soms wit. 

dinsdag 28 juli 2026

Luchthaven 1

Voorin Sterren verpakt in huid staat een 'Trigger warning'. 
 
Dit boek gaat over zelfdoding. Je bent zeker niet de enige die daar soms aan denkt. Gelukkig zijn er ook heel veel mensen die naar je willen luisteren. Bijvoorbeeld bij 0800-0113.
 
Dat vooronderstelt dat iedere potentiële lezer van deze roman wel eens aan zelfdoding denkt! En aangezien iedereen van 12 en ouder tot de potentiële lezers hoort, gaat de uitgever annex auteur er kennelijk van uit dat iedereen van die leeftijd wel eens zelfdoding overweegt... (Het vermelde telefoonnummer werkt overigens alleen in Nederland, niet in Vlaanderen, daar kun je 1813 bellen.)
 
Ook is die potentiële lezer thuis in Engels. Zie de 'trigger warning', maar ook het citaat tegenover het colofon:
 
Through early morning fog I see
Visions of the things to be
The pains that are withheld for me
I realize and I can see
That suicide is painless
It brings on many changes
And I can take or leave it 
if I please  
 
M.A.S.H. 
 
Eigenlijk ook een soort 'trigger warning', dit citaat uit een liedje van Johnny Mandel.
 
Er zou best nog zo'n waarschuwing bij kunnen staan: dit verhaal gaat over liefde en verdriet.
 
Verdriet. Liefde. Gek hoe die twee op elkaar lijken, een soort tweeling zijn. Dubbele Lotje.
 
In ieder goed verhaal zit een sprankje van die tweeling, en ook een sprankje vergankelijkheid. In Sterren verpakt in huid zijn ze ruimschoots aanwezig.
Dat begint al met een ander citaat, ook al vóór het verhaal begint:
 
Over de liefde
hebben we het vanavond.
Morgen trouwens ook.
 
Hafez van Shiraz 
 
Dan bedoelen we uiteraard niet de voor het vermaak van kijkers (en aandacht voor advertenties) bedoelde 'liefde' van B&B vol liefde of andere 'reality'-soaps. Helaas, het woord liefde wordt nogal eens misbruikt.
 
En nóg een waarschuwing: ouderwets-gelovige lezers zouden geschokt kunnen raken. Goden spelen geen enkele rol, het lot wel. Een moderne katholieke gelovige zou kunnen opmerken dat het verhaal een mooie beschrijving van het voorgeborchte is. (Dat overigens officieel niet meer bestaat.)
 
Als ik mijn leven eens zou mogen overdoen... wat dan?
Het is een belangrijke gedachteoefening in dit verhaal. Het einde laat open of die ook wordt uitgevoerd.
 
'Wat?'
Ik zucht. 'Als we zo meteen in dat vliegtuig stappen, gaan we dan dood of juist niet?'
'De bedoeling is leven,' Ik voel zijn hart razen tegen het mijne.
'Ja,' fluister ik, 'de bedoeling is leven.' 
 
Verteller-hoofdpersoon is de zeventienjarige Aïsha, die verslag doet van wat haar overkomt nadat ze onder de trein stapt. Dat laatste wordt in een soort cursief vooraf beschreven door een verteller (Aïsha?) die haar en/of ons met 'je' aanspreekt. Dat eindigt zo:
 
Het lijkt alsof het geluid van de spoorwegovergang steeds luider wordt, je hoort nu ook de trein al aan komen razen.
Het gaat nu, deze keer, om jou.
Stoep af, straat op.
Nog dertig stappen.
Auto's. Mensen.
Nog twintig stappen.
 
En dan wordt ze wakker.
 
Licht!
Niet licht van een lamp, maar alsof ik net een enorme rugzak van me af heb laten glijden, mijn armen trillen nog helemaal. Een rugzak van zeker vijfentwintig kilo waar ik al dagen, weken, nee maanden mee liep te sjouwen, ook in bed ging-ie niet weg.
Ik strek mijn armen, laat mijn spieren werken. Het tintelt.
 
Ze is in Luchthaven 1 en komt vrijwel tegelijk aan met 'een jongen, ongeveer mijn leeftijd', die woest tegen een kast staat te trappen.
 
'O, jij bent het maar,' zegt hij dan, 'ik dacht even dat je een engel was,'
'Dat dacht ik ook van... Hoezo jij bent het maar?' 
'Ik heb jou al gezien,' zegt hij vaag. Hij heeft een fijne stem. Zacht, hij praat een beetje slordig.
Ik kijk weer naar de kast. 'Wilde je hem slopen?' 
Hij haalt zijn schouders op. 'Sorry,' zegt hij weer. 'Ik was een beetje opgefokt.'
'Ja,' zeg ik. 'Ze hebben hier verrassend lekkere thee.' Nu ben ik geen leraar, maar een verpleegster.
'Thee?' Hij kijkt me weer zo aan.
'Wat is er?'
'Je ogen.'
'O.' Ik ben nog steeds een beetje misselijk, dus ik ga op de hoek van zijn bed zitten. 'We zijn dus dood?'
Zijn gezicht betrekt. 'Dat was niet helemaal de bedoeling.'
'Van mij wel.'
Hij negeert me. 'Ik liep gewoon met mijn telefoon over straat. Ik was kwaad op mijn vader, een of andere stomme ruzie, ik lette niet op...'  Hij geeft weer een ram tegen de arme kast.
 'Die vrachtwagen,' zeg ik langzaam.
'Ja.' Weer een schop. En nog een.
Ik laat me van het bed glijden en loop de kamer weer uit.
 
Luchthaven 1 blijkt een verblijf voor wie nog niet helemaal klaar is met leven. Aïsha en Armin (die jongen) verblijven er voor het idee van de lezer heel lang, laten we zeggen zo'n 247 pagina's of 36 hoofdstukjes. Een precieze tijdsaanduiding is er niet.
Aïsha en Armin blijken enkele tellen voor hun overlijden vlakbij elkaar te zijn geweest. Een vrachtwagen, een dode hoek, een spoorwegovergang... Ze hebben elkaar even in beeld gehad, zonder aandacht.
Mét aandacht zouden ze elkaar gered kunnen hebben, ontdekken ze.
Ze ontwikkelen langzaam maar zeker een diepe liefde voor elkaar. Ja, ze willen het nog eens overdoen. Met het risico dat het niet lukt.
 
Er is een bekende van Aïsha in Luchthaven 1: haar oma, moeder van haar bekende moeder de actrice Audrey Adelaar (wat een mooie naam!). En er zijn mensen die een kleine rol in haar leven hebben gespeeld. Grote troost is de immer hartelijke Lotta, met haar lichte Zweedse accent, zachte armen en taarten. (Genoemd naar Lotta uit de Kabaalstraat, eerbetoon aan Astrid Lindgren?)
Een belangrijke plek in Luchtgaven 1 is de Toren. Daar kun je heen om beelden uit je leven terug te zien en niet alleen dat, ook je begrafenis en Aïsha maakt zelfs mee hoe maar moeder om haar rouwt. Aïsha en Armin gaan er regelmatig naar toe en houden soms stevig hun handen vast, want pijnlijk is het soms wel. Zo worden ze sadder and wiser, om het ook maar eens in het Engels uit te drukken. 
 
Het is hier niet de plek om de gehele intrige van dit rijke verhaal uit de doeken te doen, met alle zijlijntjes en details, noch om een toelichting te geven over Aïsha's motieven om een einde aan haar leven te maken. Dat komt ruim voldoende aan bod. Hints: verwaarlozing, afwijzing.
Dat Aïsha de verteller is, deert niet, is nauwelijks ongeloofwaardig. Een redelijk begaafde zeventienjarige die verslag doet van haar wedervaren, inzichten en ontluikende liefde: het kan. Dat Armin van Iraanse afkomst is, speelt een rol in die zin dat hij heel andere familietaferelen ziet en zo nu en dan regeltjes mompelt van Perzische dichters (zoals Hafez van Shiraz) - van zijn vader geleerd. 'Sterren verpakt in huid' komt uit zo'n Perzisch gedicht. En Serendip komt langs, uit het Perzische sprookje De drie prinsen van Serendip.
Dat de uitgebreide beschrijving van haar moeders (overigens oprechte) rouw theatraal lijkt, op het larmoyante af, klopt keurig: haar moeder is een beroemde actrice die een doorlopende podcast over zichzelf maakt. Hun bespiegelingen over leven, déjà vu's, serendipiteit, het lot, werkelijkheid of droom in de laatste hoofdstukken zijn mooi uitgewerkt.
 
Achter ons gaat de deur dicht. Armin en ik pakken weer elkaars hand en beginnen te lopen. Zijn vingers zijn nat, ik pak zijn arm en houd hem stevig vast. Kijk nou. Deze fijne jongen naast me, onze stappen die precies gelijkgaan, zijn warmte. Beter kan het niet worden. 
 
Eindelijk. 
 
Een heel bijzonder verhaal, verpakt in een door Eef Verburg mooi vormgegeven boek!
 
 
Praag, Anna van. Sterren verpakt in huid. Lemniscaat, 2026. ISBN 978 90 477 1776 8, 268 p.   

maandag 27 juli 2026

Iris

'Juffie Iris' heeft geen website (zoals ex-'Juffrouw Femke' 1 en ex-juf Femke 2) - wel een Facebookpagina, die ze 'de enige officiële pagina van mij' noemt, een Instagram-account, een Snapchat-account, een Youtube-account ('Hi! Welkom op mijn kanaal! Een kanaal met voornamelijk video's over mijn avonturen en belevingen als juf van groep 4. Enjoy!') - en een TikTok-account, aldus aangeprezen: 'Doe mee met 315.6K volgers op TikTok voor meer content over teacher, sixseven, lerenoptiktok.' Die 'content' (officieel een Engels woord voor inhoud, tegenwoordig jargon voor inhoudsloze inhoud waarmee je inkomen en aandacht kan voortbrengen) bestaat vooral uit filmpjes, met veel grappen en raadsels.
 
Hemeltjelief, je moet ervan houden om zo voortdurend met je gezicht op schermpjes te verschijnen. Geen wonder dat ze op haar Facebookpagina op 27 mei klaagde over grollen die men met behulp van kunstmatige intelligentie met haar plaatjes uithaalt. Kon je op wachten, Iris.

 
In het echt bestaat ze ook. Ze heet Iris Posthuma en geeft les aan groep 6/7/8 op de openbare basisschool Ollie B. Bommel in Den Bommel, een plaatsje op Goeree-Overflakkee. Kennelijk kan ze goed overweg met haar leerlingen want toen ze het plan opvatte om zelf eens een kinderboek te schrijven riep ze hun hulp in.
Het resultaat: een vrolijk en redelijk spannend niemendalletje getiteld Juffie Iris - Escape uit de school
Gezien haar onstuitbare verlangen om heel veel in beeld te zijn mag het geen verrassing heten dat ze zelf als verteller optreedt. Tussen de episodes door staan pagina's met raadseltjes en moppen. En die escape, ja, ook daarin spelen raadsels een rol. Een onbekende belaagt haar met 'DM's' - ik moest het opzoeken maar dat zijn TikTok-berichten - met het doel (blijkt later) een hindernis op te werpen voor komende sportdag, zodat de ándere deelnemende school zou winnen. Een sportdag voor twee scholen! Uiteraard loopt alles goed af. 
Grappig, laat Den Bommel nu net twee basisscholen tellen... 
 
We mogen hopen dat in de bibliotheken van beide scholen naast dit gezellige middle-of-the-road niemendalletje nog wat betere boeken te vinden zijn ... al zijn het maar die van goede oude Thea Beckman, wier Thule-trilogie net opnieuw is uitgebracht, of die van Tonke Dragt of Imme Dros, wier werk ook nog steeds wordt herdrukt. Maar die van jongere talenten als Anna van Praag, Annet Schaap of Mireille Geus mogen ook. O, enkel vrouwen. Dan voegen we Paul Biegel, Guus Kuijer, Ted van Lieshout en naamgenoot Sieb Posthuma toe.
Zomaar wat voorbeelden waar Iris Posthuma, als ze serieus werk van schrijven wil maken, iets aan zou kunnen hebben. 
 
 
Posthuma, Iris ('Juffie Iris'). Juffie Iris. Escape uit de school! Met illustraties van Hester van de Grift. Witte Leeuw, 2026. ISBN 978 94 933 5490 6, 132 p.   

zondag 26 juli 2026

Wat je niet hoort...

... in het boek van Nicola Davies en Britta Teckentrup over Het lied van de walvis is precies dat lied. 
Dat is opmerkelijk: een prentenboek met mooie platen over het zingen door bultruggen, zonder geluid.
Op de Nederlandstalige Wikipedia-pagina over de bultrug staat gelukkig een opname, op de website Sound Dino is meer te horen.
 
En dat terwijl er na de titelpagina meteen een dubbelpagina-prent verschijnt met de uitnodiging 'Luister!'.


Wat we zouden moeten horen wordt beschreven:
 
Hoepen en 
    jammeren,
knorren en
    grommen... 
 
kreunen en
    brullen en
fluiten


Het is heel suggestief, de platen zijn prachtig en de uitleg klopt. Het is geen prentenboek om voor te lezen, eerder een beeldrijk uitgevoerd naslagwerkje. Eventueel een goed uitgangspunt voor een spreekbeurt over het lied van de walvis. Met geluid.




Davies, Nicola. Het lied van de walvis. Met tekeningen van Britta Teckentrup. Vert. Steven Blaas. Lemniscaat, 2026. ISBN 978 90 477 1802 4, 32 p. Oorspr.: Whale Song, Walker Books Ltd., 2026.  

donderdag 23 juli 2026

'Dat lezen een ziekte is, besefte ik nog niet'

Die zin om op te kauwen staat in de bijdrage die Kees 't Hart leverde voor het reeksje herinneringen aan in pubertijd gelezen boeken door recensenten van De Groene Amsterdammer, in De Groene Amsterdammer 6-7-2026, datzelfde nummer waarin ook dat mooie portret van Astrid Lindgren stond.
 
Het volledig citaat:
 
Ik las natuurlijk op mijn zestiende alles door elkaar, niet in deze volgorde: Arendsoog, Dostojevski,  Vicky Baum, Nietzsche ('Also sprach...'), Dick Bos, Eeuwig zingen de bossen, Jan de Hartog, Sartre, Arthur van Schendel, Moby Dick (strip), Kapitein Rob, Hella Haasse, Graham Greene, Don Quichotte (helemaal) en honderden andere boeken. Duizenden. Ze gingen altijd over anderen, wat ik een sterk voordeel van lezen vond, dan kon ik fijn over mezelf blijven dromen. Dat lezen een ziekte was, besefte ik nog niet. Helemaal niet waar die mee te maken had. Ik dacht toen nog dat boeken verhalen bevatten, die toevallig uit zinnen bestonden.
Toen was er ineens Bint (1934) van Bordewijk, waar ik zowel alles als niets van snapte.
 
En wie wil weten hoe dit verder gaat, kope het weekblad. (Leuk ouderwets, zo'n aanvoegende wijs.) (Gebruikten reclamemakers die maar wat vaker, in plaats van al die gebiedende aansporingen.)
 
De elf recensenten komen met zeer uitleenlopende titels aanzetten. Georges Bataille, De geschiedenis van het oog; Édouard Levé, Zelfmoord; Wissily Kandinski, Het abstracte in de kunst; Annelies Jorna, Tarantella; Franz Kafka, Het Proces; Donna Tartt, De verborgen geschiedenis; Christinae F., Felscherinov; Yukio Mishima, Forbidden Colours; Tonke Dragt, Ogen van tijgers; Anaïs Nin, Dagboek 1931-1934 en dus Bordewijks Bint.
En hun verhalen erbij zijn al even uiteenlopend en daardoor een feestje om te lezen.
 

 

woensdag 22 juli 2026

Monsters in de Lage Landen

Vergeet Transsylvanië, vergeet Loch Ness, laat Ierland met zijn venijnige elfen maar zitten. Hier is waar de engerds sluimeren. Dit is het gebied waar de ware monsters wonen: de Lage Landen. Onze Lage Landen.
Hier verschuilen wezens zich niet tussen de bergen of in de diepte, eeuwenoude meren. Hier zijn geen grote, donkere bossen om in te verstoppen. Overal is licht, overal is zicht. De enige bult in het landschap is een verkeersheuvel. Weiland na weiland, met alleen hier en daar een koe om zich achter te verbergen.
Toch zijn ze hier te vinden. Net over de horizon. In de platte polders en achter de duinen. De venen, de vennen, de enkeldiepe moerassen en schouderhoge heuvels zijn het leefgebied van wezens. Echte monsters. Het zijn de gruwels die uit ons blikveld verdwenen zijn.
Bijna waren we hen vergeten. Bijna dachten we nooit meer aan hen. Maar echt vergeten zou onverstandig zijn. Want de monsters vergeten ons niet. Nooit.
 
Nogal een inleiding in deze tijden van oeverloos veel loze beweringen en beelden. De geachte inleidster zwakt dit een alinea of wat later in haar 'Voorwoord' wel af, want dan gaat het over oude verhalen. 'Vertellingen uit de tijd dat monsters om ons heen woonden.' Nachtmares, Weerwolven, Bullebakken, Aardmannen... de 'monsters van de Lage Landen'.
Hét voorbeeld op dat gebied blijft Alle Sprookjes van de Lange Landen van Eelke de Jong en Hans Sleutelaar, nu helaas alleen tweedehands te koop en te vinden in de goede bibliotheek, eerste druk 1985. Dat bevatte niet alleen sprookjes maar ook sagen en legenden. Mooie, soepele, onopgesmukte stijl, tamelijk rechttoe-rechtaan. Mooie tekeningen van Peter Vos. Moeilijk te overtreffen en dat is Floor Bal niet gelukt.
 
Dat ligt vooral aan haar aanpak en stijl. Monsters van de Lage Landen bevat tien verhalen met veelbelovende titels: 'De Kludde', 'De Schoverik', 'Aardmannetjes', 'De heks', 'De basilisk', 'Witte Wieven', 'Lange Wapper', 'De weerwolf', 'Bullebak' en 'Nachtmares'.
Maar de verteller die de ouderwetse griezelspanning moet brengen bij ouderwetse verhalen waarin van alles kan gebeuren is afwezig. De verhalen zijn allemaal opgesteld volgens het recept van het moderne standaard-kinderverhaal. Begin 'medias-in-res', dus middenin een handeling, daarna vooral veel dialoog in vooral niet te lange zinnetjes en personages als herkenbare kinderen tegen een herkenbare achtergrond - en dan duikt ineens, in zo'n alledaags ogend verhaal, het magische wezen op. Je moet het allemaal zo veel mogelijk vóór je zien, alsof het hier en nu en om de hoek zou kunnen gebeuren. Maar dat is soms lastig met rare monsters.
Neem 'De Basilisk', op basis van een oude Utrechtse stadssage over een monster in één van die typisch Utrechtse grachtkelders. Dat begint met een dialoog tussen twee jongens, Ludwig en Havik genaamd, die een poster over een aanstaande huurverhoging staan te bekijken.
 
Ludwig pulkte aan de hoek van de poster. 'Dan moeten we verhuizen. Weer.' Hij wreef de stukjes papier tussen zijn vingers tot kleine balletjes. 'En het gaat hier juist zo goed. In wijk C in Utrecht doet niemand moeilijk.'
Havik vulde hem aan: 'Want hier heeft iedereen het al moeilijk genoeg.'
Achter hem hoorde Ludwig een flink scheldwoord. Zijn zus Edith stond achter hem. Hij keek naar de voordeur. Die was nog steeds dicht. Waar was zijn moeder als je haar nodig had?
Haar vriendin Adinda, die een straat verderop woonde, las de tekst nu ook. 'Dat is veel geld. En nu?'
Soms verbaasde Ludwig zichzelf met de dingen die hij zei. 'Havik en ik gaan geld verdienen. Na schooltijd.'
 
Genoeg zo. Zie hoe de verteller het verhaal in een tijd plaatst ('wijk C', nog steeds een bekende wijk in Utrecht), de lezer tussendoor informatie verschaft over personages ('zijn zus', 'die een straat verderop woonde') en omstandigheden ('moeilijk genoeg'), en het citaatwoordje zei vermijdt. Zo dichtbij mogelijk, streven naar maximale inleefbaarheid. In onvoltooid verleden tijd, dat wel, gelukkig.
Even later:
 
De man greep nog een glas. 'Hoe dan ook: ik heb geen werk voor jullie. Niemand hier op de gracht. Zijn mondhoeken schoten omhoog. 'Misschien mijn buurman... Die heeft een monster in de kelder dat hij verjagen moet.' Hij zette het glas met een klap op de toog. 'Ik denk dat jouw gezicht voldoende moet zijn.'
 
Een monster als huishoudelijk probleem. Pak een harde bezem, of de stofzuiger, zou je haast denken. En dan blijkt het om een basilisk te gaan en weet zus Edith (die wel eens een boek leest) ineens wat dat is en zelfs die uitleg komt in een dialoog, al lopend op weg naar huis.



Het verslaan van de basilisk duurt zeven pagina's inclusief twee paginagrote afbeeldingen (van Marieke Nelissen). Het kost Havik zijn bril, maar dat brengt hen wel op het winnende idee: een spiegel.
 
De doek om zijn ogen werd koeler. De ondraaglijke stank in de kelder lichter. Hij schoof de blinddoek van zijn hoofd. Daar lag het. In het donker. Aan zijn voeten. De Basilisk. Verslagen door zijn eigen blik.
Rillingen liepen over Ludwigs lichaam. Zijn handen trilden zo hard dat hij er telkens mee tegen de muurtjes sloeg. Buiten, in het zonlicht, zakte hij naar de grond. De brouwer ving hem net op tijd op. 'Jochie toch. Je hebt het overleefd.' Hoorde hij bewondering in de stem van de man?
 
Zo verdienden ze geld voor een nieuwe bril en nog wat erbij en het levert Ludwig een bijnaam op. Van Ludwig de Basiliskbrader is in de oude verhalen natuurlijk geen sprake, maar de spiegel is essentieel.
Alleen: gaat dit verhaal nou over de basilisk of over het stel kinderen? Treffend maakte Marike Nelissen een prent van de kinderen, niet van het monster.
Dat past nog steeds een beetje vreemd in dit zo realistisch aandoende verhaal...
 
Zo gaat het ook in de andere verhalen. Zeer leesbaar, beetje standaard-stijl, en het magisch effect schuurt.
 
 
Bal, Floor. Monsters van de Lage Landen. Met illustraties van Marike Nelissen. Volt, 2026. ISBN 978 90 622 2667 2, 142 p.   
 

dinsdag 21 juli 2026

Pragmatisme betekent tegenwoordig: goed opletten, er gaat gelogen worden

Prachtig, een van de felste en meest cynische stukjes van Sheila Sitalsing ooit. Het verscheen in de Volkskrant 18-7-2026 en draagt de kop 'Pragmatisme betekent tegenwoordig: goed opletten, er gaat gelogen worden'. Retorica-pareltje.
 
Er moet een tijd zijn geweest dat je niet op je hoede hoefde te zijn als iemand pragmatisme predikte. Prima woord moet het zijn geweest in het Land van Ooit. Goedbedoeld ook, een woord dat om moeilijkheden en gedoetjes slalomt op zoek naar een uitweg. Kool, geit, dat werk. Hier en daar een principe laten vallen zonder dat het superveel pijn gaat doen. Dekmanteltje voor alledaagse kleine lafheid want we hebben geen tijd om de godganse dag de principiële held uit te hangen of met eieren naar elkaar te gooien, en sneuvelen voor de goede zaak kun je maar één keer doen. Polderwoord.

In het Land van Nu betekent pragmatisme: goed opletten, want er gaat gelogen worden. Zegt iemand dat hij iets pragmatisch wil oplossen, dan zegt hij: met cynisme. En met kwaadaardigheid, meedogenloosheid en zielloosheid bovendien, kruipend voor potentaten, buigend voor het grote geld, walsend over de belangen van de stilste mensen, rekenmachine bij de hand waarop kleine levens tegen stapels dollars worden afgestreept. Het hulpwoord daarbij is ‘realistisch’.

 
[...]

Pragmatisme is zeggen dat je óók vindt dat de CO2-uitstoot van de Europese industrie omlaag moet, omdat je óók ziet dat het hier droogkookt en spontaan ontbrandt en dat het land onleefbaar wordt voor mens en dier. Daar ben je president van Frankrijk voor, of bondskanselier van Duitsland, of regeringsleider van Italië, Hongarije, Polen. Maar dat we wel ‘realistisch’ moeten blijven. En pragmatisch. Want de rekenmachines wijzen het uit: er zijn stapels euro’s, er is veel industrie en er zijn belangen waar we geen weet van hebben, terwijl niemand de hittedoden telt.

Daarom zwakte Wopke Hoekstra de Europese plannen voor minder CO2-uitstoot af en smeerde hij verplichtingen uit over de tijd. In De Telegraaf lees ik dat dit een hele geruststelling is, omdat de pragmatisch afgezwakte groene plannen van de Europese Commissie, uitonderhandeld door Frans Timmermans en Diederik Samsom, te ‘radicaal’ waren.

Radicaal: nog zo’n woord dat wordt verkracht om te verhullen en verdraaien. Verlos ons van de liegtaal.


Waarvan acte.
 
Voor de hele column: zie de Volkskrant, zoek op haar naam en de kop van dit stukje. 

maandag 20 juli 2026

Werkgroep is geen werkgroep meer

Sinds 1955 verenigde de Arbeitskreis für Jugendliteratur iedereen die zich in de Bondsrepubliek Duitsland met kinderboeken bezighield. Na de vereniging met de DDR breidde de Arbeitskreis zich zonder veel moeite uit. Onwennigheid was het grootste probleem tijdens het eerste internationale congres over jeugdliteratuur na de val van de muur in 1989: dat was het IBBY-congres in 1992, nog gepland vóór de 'Wende', uitgevoerd erna, in een locatie in voormalig Oost-Berlijn. Ik had een hotel in West en laveerde elke dag door niemandsland langs de brokken van de muur - de eerste keer om de tulpenbollen af te leveren bedoeld om reclame te maken voor het IBBY-congres in Groningen (1996).

 
Nu is het gedaan met de Arbeitskreis. Althans, met de naam.
Vanaf heden luidt de nieuwe naam Dachverband Jugendliteratur (DJL). Het blijft een vereniging, een 'eingetragener Verein'. De website blijft hetzelfde: jugendliteratur.org. Ook verder gaat alles als vanouds, inclusief de uitreiking van de Deutsche Jugendliteraturpreis tijdens de Frankfurter Buchmesse op 9 oktober 2026. Genomineerd o.a.: Regenwurm und Anakonda, Was Tiere über sich erzählen van Bibi Dumo Tak, categorie Sachbuch (nonfictie).

zondag 19 juli 2026

Autoriteiten: hup, de boom in

Bijna over het hoofd gezien: een mooi portret van Astrid Lindgren in De Groene Amsterdammer 9-7-2026. Aanleiding: het is een 'dubbeldik zomernummer' met jeugd als thema en kennelijk vond de redactie dat er dan iets over de schepper van Pippi in moest.
Irene van der Linde, lid van de redactie, kweet zich voortreffelijk van haar taak. (Heerlijk oud woord, kwijten.) Astrids jeugd in Vimmerby, haar moeizaam bestaan als alleenstaande moeder, haar huwelijken, het komt allemaal voorbij. Pippi als droom van vooral de auteur zelf, die in 1974 nog zou hebben gezegd: 'Ik ben pessimistisch maar probeer dat eronder te houden. Hoe meer je ziet wat er in de wereld gebeurt, hoe pessimistischer je wordt.'
Ook een mooie uitspraak, uit 1952, in Perspektiv: 'Niets is zekerder dan dat het lot van de wereld in de kinderkamers wordt beslist'. 
Wereldwijd zijn er niet zoveel kinderkamers, dus of het nog iets wordt met dat lot... Nog afgezien van wat er in kinderkamers gebeurt.
 
Volgens Irene van er Linde had Astrid Lindgren vooral oog voor de 'eenzaamheid van kinderen'. Dat kón te maken hebben met de wederwaardigheden van haar eigen zoon Lasse, die de eerste drie jaar van zijn leven bij pleegouders in Kopenhagen doorbracht. Pippi woont helemaal alleen. Dat lijkt haar niet te deren, maar toch. En niet voor niets (mijn toevoeging, Irene noemt hem niet) vond Lindgren ook het troostrijke kereltje Karlsson van het dak uit.
 
Ze eindigt met deze anekdote, inclusief citaat:
 
Als je macht hebt, moet je lief zijn, vindt Pippi, hoe boos ze ook is, ze blijft vriendelijk glimlachen. Dus als ze boer Bloemveld zijn uitgemergelde paard dat met kar en al in een greppel is beland, met een zweep ziet slaan, gooit ze hem vier, vijf, zes keer de lucht in, laat hem dan zelf met een zware zak lopen en trekt de kar met de andere zakken naar zijn boerderij.
 
'Ja, lief voor Bloemveld ben ik in ieder geval wel geweest,' zei ze. 'Helemaal gratis vliegen!' 
'Daarvoor zijn we op de wereld,' ging de juffrouw verder. 'Om lief en vriendelijk tegen andere mensen te zijn.'
'O, en waarom zijn die andere mensen dan op de wereld?', zei Pippi terwijl ze op de rug van haar paard ging staan en met haar benen zwaaide.'