Zoeken in deze blog

dinsdag 23 mei 2017

De vuurtorenwachter en zijn dochter

Een prettig wondertje: bekende en ervaren illustratrice waagt zich aan het schrijven van een verhaal - en het is meteen bijzonder.

Annet Schaap debuteerde in 1988 met illustraties voor Christine NöstlingerJoppe, Julia en Jericho (oorspr. Jokel, Julia und Jericho, 1983). De rest van haar imposante werk hoef ik niet op te sommen, dat doet ze zelf, of zoek anders in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek, die 325 titels vermeldt.

Van haar website valt te leren dat Lampje niet haar eerste schrijfsel is. Zie deze notitie uit 2015:

'Van 1996 tot 1999 studeerde ik aan de Schrijversvakschool ‘t Colofon in Amsterdam. In die tijd maakte ik een aantal jeugdtheaterstukken, liedjes en schreef het libretto van een kinderopera.

Om allerlei redenen schreef ik daarna een hele tijd niet, of alleen in m’n dagboek. Sinds dit jaar ben ik weer begonnen met dichten en schrijven. Als opsteker won ik meteen de Willem Wilmink Gedichtenprijs!'



Terzijde. Die Willem Wilminkprijs (voluit Willem Wilmink Beste Kinderlied Prijs) kent opmerkelijke winnaars en juryleden. Verbazingwekkend dat deze prijs niet is opgenomen in de prijzenlijst van Leesplein. Als die redacteurs vinden dat liederen geen literatuur zijn, vergissen ze zich. Poëzie, ook gezongen poëzie, is vermoedelijk de oudste vorm van literatuur.
Helaas wordt de website van de in 2010 voor het eerst uitgereikte prijs slordig bijgehouden, o.a. ontbreekt een lijst winnaars.



Annet Schaap schreef een verslag van de reis die ze met man en kind door Noord-Amerika maakte. Dat toont enige schrijflust, maar het lijkt me vooral van persoonlijk belang en foto's domineren.



Toch een verrassing dus dat ineens Lampje in de winkels lag. Een verhaal - en meteen een sterk verhaal.
Het is zo'n verhaal dat zich afspeelt in de schemerwereld tussen hier en ginds, tussen wat wij 'onze wereld' plegen te noemen (zij het dan een eeuw of wat geleden) en een wereld die daarop lijkt maar toch net iets anders is. Zo'n wereld waarin schijn en wezen door elkaar lopen. Geen fantasy, alsjeblieft niet, ook geen sprookje, geen koningen, prinsessen, elven en trollen e.d. Wel een vuurtoren waarvan het licht met de hand wordt bediend, een schip met oude piraten, een kermis met gedrochten en een admiraal die zich te paard voortbeweegt. En zeemeerminnen.
Niet alleen daarom moest ik aan Hans Christian Andersen denken, aan zijn zeemeermin die uit liefde de zee verliet - en daarvoor een standbeeld kreeg in de haven van Kopenhagen.
Zijn eventyr lijken vaak ook in 'onze wereld' te spelen, toch gebeuren er zaken die een groot beroep doen op de verbeelding van de lezer - en soms van personages in zijn verhalen, neem bijvoorbeeld 'De nieuwe kleren van de keizer', waarin iedereen uit alle macht zijn best doet om zich de keizer aangekleed voor te stellen, op die paar kinderen na. Of 'Het meisje met de zwavelstokjes', dat zich warmend aan lucifers een mooie wereld voorstelt - en sterft. Of 'De tinnen soldaat', dat een beroep doet op het verbeeldingsvermogen van de lezer - speelgoed komt tot leven, maar blijft toch speelgoed en de soldaat eindigt met zijn liefde (de ballerina) in het haardvuur.



Terug naar die zeemeermin (uit 'De kleine zeemeermin'), want er zijn parallellen. Ook in Lampje verlaat een zeemeermin uit liefde de zee - en wordt verstoten. Ook deze zeemeermin heeft grote moeite met lopen. Maar deze zeemeermin raakt zwanger! (Hoe dat in zijn werk ging wordt niet verteld.) Ze baart een zoon met zeemeermin-trekjes.
Lampje komt die zoon tegen als ze gaat werken in het Zwarte Huis. Daar komt ze terecht als haar vader Augustus moet boeten voor een falend vuurtorenlicht, waardoor een schip vergaat. Bij de confrontatie met de sheriff (!) wordt Augustus zo kwaad dat hij met een stok om zich heen mept. Eigenlijk wil hij de sheriff slaan, maar als Lampje 'Hou op!' roept ('met de stem van haar moeder' - twee jaar eerder overleden) slaat hij haar.

Lampje houdt haar hand tegen haar wang. Die gaat straks heel erg zeer doen, dat kan ze al voelen. Maar nu gloeit alles in haar nog van schrik. Ze heeft helemaal het verkeerde gedaan en het verkeerde gezegd. Haar ogen zoeken die van haar vader. Ze wil 'Ik wou juist helpen' zeggen en ze wil dat hij haar aankijkt en haar weer ziet, zoals dat altijd gebeurt, na een uitbarsting. Het kan een half uur duren, of soms een paar dagen. Maar dan heeft hij altijd spijt. Hij zegt het niet hardop, dat gaat nou eenmaal niet. Maar wel met zijn ogen.
Maar voor hij naar haar kan kijken, voelt Lampje een koude hand in haar nek die haar vooruitduwt, haar eigen kamertje in. Juffrouw Amalia. Zo heet ze, ze weet het weer.

Vader wordt opgesloten in zijn eigen vuurtoren, dochter wordt uit huis geplaatst en moet geld verdienen. Ze komt in het Zwarte Huis van de Admiraal, zie zelf op reis is. Het Zwarte Huis herbergt een monster, zegt men - en zegt huishoudster Martha, die haar verbiedt naar de kamer van het monster te gaan.



Het is niet zozeer de intrige die dit een sterk verhaal maakt. Het is vooral de zorgvuldige stijl die de anonieme verteller hanteert. Sober, rustig, filmisch, en soms alsof ze in het hoofd van de personages zit. Maar intussen verschaft ze de lezer wel precies de juiste details om een sterk beeld te creëren.

Nog een staaltje, van Lampje die voor het eerst in haar kamertje in het Zwarte Huis komt.

De hoge houten trap kraakt, de derde deur links kraakt ook. Lampje staat in haar kamertje en kijkt om zich heen. Het is er koud en het ruikt een beetje naar schimmel. Een stoel staat er, een tafeltje, een kast.
Hier moet ze dus wonen. In haar eentje. Zeven jaar. Ze schudt haar hoofd een beetje. Ze kan de gedachte wel denken, maar ze begrijpt hem niet.
Een raam zonder gordijn kijkt uit over de tuin. Een groot overwoekerd bordes ziet ze en daarachter een ontploffing van heggen, struiken, brandnetels en knoestige bomen, die hun takken naar alle kanten uitstrekken. Lampje kan net een klein stukje van de lucht zien. Geen verte, geen zee. Het begint te regenen, eerst zachtjes, dan harder.
Maar er staat ook een bed, een bed van glimmend koper met een zachte witte sprei. Veel zachter en witter dan thuis. Lampje aait erover en slaat hem een eindje open. Voor het eerst sinds ze hier is glimlacht ze een beetje. Zo smetteloos! Zo schoon!
'Ik zal mijn voeten wassen straks,' fluistert ze tegen het bed. 'Dan maak ik je niet vies.'

Let op de details: het kraken, die paar meubels, de 'ontploffing', de takken die zich 'naar alle kanen uitstrekken'; 'geen verte, geen zee', de regen. En dan die 'zachte witte sprei'. Dit is schrijftalent. Ik moet me ervan weerhouden om nog veel meer te citeren.

De verteller volgt doorgaans Lampje, maar soms ook andere personages. Op p. 76 voor het eerst het monster.

Uit zijn torenkamer ziet het monster haar lopen, een wit vlekje tegen het donkere gras. Hij kijkt naar haar tot ze het huis binnengaat en laat zich dan weer op de grond glijden. Wie dat was, weet hij niet, en het kan hem niet schelen ook. Hij heeft honger.

Natuurlijk gaat Lampje op zoek naar dat monster in de torenkamer (een verre echo van Perrault's Blauwbaard-verhaal) en dat levert de kern van het verhaal op. Ga ik dus niet uit de doeken doen.
Zou ik iets van thema's aan het verhaal moeten geven, dan zijn dat 'vaders' (net als Lampje op dat moment heeft het monster een schier onbereikbare en moeilijke vader) en 'gedrochten' of 'afwijkingen'.
Want het monster is niet het enige wezen in dit rijke verhaal dat, om met Mark Rutte te spreken, 'niet normaal' is. Zo heeft Martha een zoon, Lennie, die een forse gestalte paart aan de geest van een hele lieve kleuter en als enige goed kan omgaan met de twee reusachtige honden.

En later in het verhaal komen Lampje en het monster nog  terecht in een kermisattractie, de tent met 'wereldschokkende gedrochten', waar ze een dwerg ontmoeten, een Siamese tweeling, een vrouw met een baard en een zeemeermin in een aquarium.



De clou van wat volgt is dat deze gedrochten eigenlijk geen gedrochten zijn - zoals het monster eigenlijk geen monster is.

Het verhaal eindigt met een ontsnapping en een redding, en hoewel de timing misschien wat rammelt, levert dat een spannende episode op.
Eén citaat er uit, net te weinig om de intrige prijs te geven:

Ze komt hem tegemoet zinken en Vis haast zich erheen. Hij is net op tijd. Toch? Natuurlijk, zo razendsnel, zo razendsnel kan hij zwemmen. Net op tijd grijpt hij de zoom van haar jurk en sjouwt haar naar boven, tilt haar hoofd boven de golven om lucht te happen. Maar ze hapt niet, ze beweegt niet en ziet bleek als een dode.
'Ademhalen, stom kind! Haal nou adem!' sist Vis, en hij schudt haar door elkaar. Maar ze doet gewoon niet wat hij zegt.
Hij bijt haar, hij weet niks anders, en als ook dat niet helpt, sleurt hij haar door het water naar de rots, waar hij haar neer kan leggen en even nadenken. Hij schaaft haar knieën en haar ellebogen als hij haar over de ruwe steen trekt, maar als ze dood is maakt dat ook niks meer uit, natuurlijk.
'Lampje!' gilt hij in haar oor. 'Lampje! Lamje, word toch wakker alsjeblieft!'
Hij kijkt om zich heen of iemand iets kan doen, of iemand hem, haar kan helpen, maar hij kent niemand, in de hele zee niet.



Wees gerust, ze leeft.
Dan heb ik nog de andere rode draadjes in dit verhaal niet beschreven: haar overleden moeder, wier stem ze vaak hoort; Lennie, in wiens hoofd de verteller soms ook kruipt (essentieel op p. 297); Augustus (wat een prachtnaam, clown en keizer) en zijn worstelingen met zichzelf en de rouw om zijn vrouw; juffrouw Amalia (heel in verte ontwaarde ik verre achternicht Mevrouw Helderder); Buck en de 'piraten'; en meer.

Staan er plaatjes in? Niet veel! Vignetten boven de hoofdstukjes, en ieder van de zes delen wordt voorafgegaan door een dubbelpaginaprent. (Aan een van de prenten is bovenstaande illustratie ontleend.) Uiteraard alle van Annet Schaap, evenals de illustratie die de voorkant siert.

Een prachtverhaal.
Voor lezers van tien en ouder, voorlezen vanaf acht.



Annet Schaap. Lampje. Querido, 2017. ISBN 978 90 2037 9, 324 p.




NB. Voorin staan twee citaten. Een uit Die Dreigroschenoper van Bertold Brecht en een uit, jawel, 'De kleine zeemeermin' van Hans Christian Andersen. Dat laatste:

'Ik wil het,' zei de kleine zeemeermin en ze was bleek als een dode.
'Maar mij moet je ook nog betalen,' zei de zeeheks, 'En het is niet weinig wat ik verlang.'

Geen opmerkingen:

Een reactie posten