Zoeken in deze blog

vrijdag 9 juni 2017

Te paard naar het Zwarte Woud

Wouter Klootwijk maakt tv-programma's (o.a. De wilde keuken) en schrijft. Hij schrijft vaak over voedsel en aanverwante zaken, maar soms (en vooral voor kinderen) vertelt hij andere verhalen, zie bijvoorbeeld Ik denk dat wij nu vrienden zijn (Leopold, 2010), waarin zijn eerder verschenen verhalen over Adri zijn gebundeld, of De uitvinding van de zeekoek (2002) en Mogen wij u ophijsen, mevrouw? (1997, en wat een prachtige titel).

Hij houdt het graag simpel en is goed in het onderuithalen van dikdoenerij.

Zo'n simpel idee ligt ook ten grondslag aan Anne, het paard en de rivier, dat onlangs verscheen bij Leopold.
Teun woont aan zee en houdt werkpaarden. Broer Theo woont in het Zwarte Woud en heeft een werkpaard nodig.
Nou, dan ga je dat toch gewoon brengen? Dochter Anne doet dat wel even. Ze volgt gewoon de rivier.

Maar met deze ultrakorte inleiding doe ik het verhaal tekort, en ook het boek.
Het boek ziet er namelijk feestelijk uit en dat komt door de bijzondere illustraties door Enzo Pérès-Labourette, in Oost-Europese stijl zou ik haast zeggen, want die stijl deed me denken aan oude prentenboeken uit Polen, Rusland en Tsjechoslowakije. Het omslag is bovendien met goudspettertjes bespikkeld.
Deze stijl heeft iets sprookjesachtig en dat kan dit verhaal goed gebruiken. Dat speelt namelijk in het hier-en-nu en tegelijk ook niet, want al rijden er een ijscokar en een auto in rond en zitten er 'buitenlandse dingetjes in een potje', er zijn verder buitengewoon weinig details die naar een datering wijzen. De kleren van de mensen lijken uit een kleurbewust circus te komen en de reis voert eenvoudig van 'de zee' langs 'de rivier' naar 'het Zwarte Woud'. En telefoneren vanaf een paard, daar doet Anne niet aan.
Het echte Zwarte Woud ligt ruim 700 km van de Nederlandse kust. Per paard doe je daar beduidend langer over dan drie of vier dagen, zelfs al zou het de hele dag draven.

Een sprookjesachtig verhaal dus, dat wordt verteld door een anonieme verteller die dicht op de huid van de personages zit, bijna filmisch. Het zou zich goed lenen voor een tekenfilm.
En het zit vol zinswendingen die ik typisch Klootwijkiaans zou noemen:

Vader houdt van uien.
Anne houdt van alles waar je alleen een vorm bij nodig hebt of wat je met je handen kan eten.
Moeder houdt van buitenlandse dingetjes uit een potje.

Zit er iets van Klootwijk in Anne? Ik vermoed het. Überhaupt is het waarschijnlijk typisch Klootwijkiaans dat het eerste hoofdstukje 'Wat je eet en weer vergeet' heet.

Over de paarden van Teun, Anne's vader:

Het zijn werkpaarden, ze zijn sterk.
Je hebt ook paarden voor plezier. Niet de paarden zijn het die plezier hebben, maar mensen die erop rijden. Op de werkpaarden van vader kun je ook goed rijden. Mensen die dat graag willen, vinden werkpaarden niet mooi. Ze vinden dat zo'n paard niet bij ze past. Ze willen een mooi paard dat past bij de kleren die ze dragen en dat ze, als ze erop rijden, nog mooier zijn dan als ze ernaast lopen.

Teuns paarden trekken reddingsboten naar en uit het water. Die van broer Theo in het Zwarte Woud trekken omgezaagde bomen. Theo komt er een tekort, Anne gaat het brengen. Vindt moeder Maria, balletdanseres, dat goed?

'Natuurlijk vind ik het goed,' zei mama Maria. 'Wat zou ik dat zelf graag hebben willen doen toen.'
'Toen?'
'Toen ik nog zo jong was als Anne. Ik zou avonturen beleven maar wist niet waar een avontuur begint en hoe het verder moet. Toen ging ik maar dansen in mijn kamer. En dromen van avonturen.'
'Wat droomde je dan als je danste?'
'Dat mensen kunnen vliegen.'
Vader Teun lacht.




Het lot wijst paard Wilma aan. En al kijkend naar de paarden denkt Anne iets wat ik ook wel eens heb gedacht:

Anne kijkt naar de paarden. Ze heeft op allemaal wel eens door de duinen gereden. Wat gek eigenlijk dat je het rijden noemt. Ze lopen. Je zit erop. Wielen hebben paarden niet.

Ze gaat op pad met een rugzakje en een rol touw. Dat touw komt nog goed van pas als een ijscokar te water raakt. Wilma trekt hem eruit.



Zo zijn er meer avonturen onderweg.

Ze doet er drie dagen over. De eerste nacht brengt ze door bij Wilma in de stal van de vader van een jongen die ze onderweg tegenkomt. Hij fietst naast haar, net als Anne in de verte tuurt op zoek naar een slaapplaats. Ze ontdekt de jongen.




'Wat doe jij nou?'
Anne ziet het lachende gezicht van de jongen.
'Ik sta op mijn paard,' zegt ze.
'Ja, dat zie ik,' zegt de jongen. Hij schatert. 'Ik ken iemand en die heeft een paard, maar die gaat er altijd op zitten. Nooit staan.'
'Meestal ik ook,' zegt Anne. 'Weet je of er verderop nog iets is?'
Ze laat zich naar beneden ploffen met haar benen uit elkaar en ze zit weer.

De tweede nacht brengt ze in een bos door. Bijna raakt ze daar Wilma kwijt. En dan komt ze aan waar ze moet zijn. Een feestelijk slot van een mooi verhaal in een feestelijk ogend boek.




Op de laatste pagina's houdt de verteller de mogelijkheid open van een nieuw verhaal, een soort vervolg: terugvaren over de rivier.

Al gebeurt er nog redelijk veel in dit verhaal, het moet het vooral hebben van de verteller, de dialoogjes. Zoals het gesprekje met poetsvrouw Greetje op p. 50-51, en dat over broer Willem van Jan, die jongen van hierboven:

'Waar is je broer die Willem heet?' vraagt Anne.
'Die zit in het leger.'
'O, gaat hij naar de oorlog?' zegt Anne.
'Nee, dat niet,' zegt Jan, 'maar als de oorlog hiernaartoe komt, houdt hij hem tegen.'

Of wacht, nog eentje, want poetsvrouw Greet krijgt een lift van Anne en dan komen ze de agent tegen.

'Halt,' zegt de politieagent. Hij steekt een hand omhoog.
'We zijn bij de stad,' zegt Greet, 'ik moet die kant op, de brug over, jij moet rechtdoor, naar het Zwarte Woud. Dank je wel dat ik mee mocht rijden.'
Ze laat zich van het paard glijden.
'Dag agent,' zegt ze, 'wat kan ik voor u doen?'
'Dat weet ik niet, maar ik dacht, mag dat wel, twee mensen op een paard,' zegt de agent. 'Ik weet niet of het mag van de wet. Maar nu het nog maar één mens is, hoef ik niet meer te weten of het mag, want u bent er afgestapt.'

Een voorbeeld voor andere agenten! Die agent haalt overigens nog wel iets uit zijn borstzak dat verdacht eind 20e-eeuws voorkomt, namelijk:

een zwart kastje. Hij drukt op een knop. Dan praat hij in het kastje.
'Het Zwarte Woud ja, van hier af, hoe ver is dat?
Ja, maar met een paard, nee, niet fietsen.
O, dank je wel, ik geef het door, sluiten maar.'

Dat gesprekje over de worst en de zuurkool (en meer) laat ik maar zitten. Lees het zelf maar. Het is te begrijpen voor alle mensen vanaf zo'n 8 jaar, met voorlezen vanaf 6 jaar.



Wouter Klootwijk & Enzo Pérès-Labourdette. Anne, het paard en de rivier. Leopold, 2017, 78 p., ISBN 978 90 258 7220 5.
















Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen