Zoeken in deze blog

zaterdag 17 oktober 2020

Verhalen voor het slapen gaan

Zijn er nog kinderen die smikkelen? En weldra lezen over twee muizen die in de keuken mogen slapen 'als jullie van het eten afblijft'? (Of jelui, zoals ik De kleine kapitein vond.)
Ja, in Het sleutelkruid en ander werk van Paul Biegel. Wie met aandacht leest, vindt meer woorden die je vandaag de dag niet vaak meer hoort. Het sleutelkruid verscheen dan ook voor het eerst in 1964, twee jaar na zijn debuut met De gouden gitaar, en het was het eerste boek dat hem waardering bracht en een bekroning.
 
Het hinderde me niet, die enkele uit de mode geraakte woorden, al was het maar doordat er meer curieuze woorden in zijn verhalen voorkomen, vaak van eigen makelij. In de sprookjesachtige omgeving van Biegels verhalen komen zeer vreemde types voor en dus mag er vreemd gesproken worden. Ik kan me wel voorstellen dat niet heel oude voorlezers struikelen over met name ouderwetse woorden. Jelui hebt tegenwoordig niet meer, maar jullie hebben. Hun jonge luisteraars zullen er vermoedelijk minder moeite mee hebben.
Het was een opmerkelijk besluit van uitgeverij Gottmer om opnieuw werk van Paul Biegel te laten verschijnen, te beginnen met Het sleutelkruid, De kleine kapitein en Nachtverhalen, mooi gebonden uitgaven, De kleine kapitein zelfs met leeslint.
 
Het sleutelkruid, oorspronkelijk verschenen in 1964, met zijn verhalen in verhalen in verhalen, toont Paul Biegel meteen als verhalenverteller met een onmiskenbaar eigen stijl.
Het is die van de verteller die elke avond een verhaal vertelt voor het slapen gaan. Een licht zwabberende en improviserende maar levendige verteller met een enorm lenige verbeelding, die zijn luisteraars door dolle invallen en soms treffende beeldspraak geboeid houdt. Toe, nóg een verhaal. Hoe gaat het verder? De verteller zorgt ervoor en lijkt daarbij zoals gezegd soms lustig te improviseren.

Een citaat:
 
Gelukkig kwam op dat moment de oude dienstmeid binnen. Haar gezicht had rimpels en plooien die groter waren dan haar neus, maar dat zag je haast nooit omdat ze verschrikkelijk krom liep van de ouderdom. Om recht vooruit te kijken, moest ze gaan zitten, en de blauwe hemel had ze al heel lang niet meer gezien.
 
Nog eentje:
 
De dieren zaten aan het dessert in de keuken, en de haas droeg juist een groot stuk hageltaart net vossenbessen naar de koning, toen een angstaanjagend geloei tegelijk bij de voordeur, onder het keukenraam en bij de staldeur klonk. Iedereen schrok, zelfs de leeuw, en de haas liet de taart vallen.
'Hoei hoei hoei', ging het weer. Daarna volgde een dreunende slag, waarbij de hele koperen burcht galmde. 'Doe open!' brieste een stem.
'L-leeuw, ga eens kijken,' fluisterde de haas bevend.
'Hm,' mompelde de leeuw, maar hij sloop toch voorzichtig langs de muur naar de voordeur en probeerde onder de drempel door te kijken.
'Hé, komt er nog eens wat?' brulde de bezoeker buiten, en plotseling werd er rook door de brievenbus geblazen. De leeuw stoof achteruit, niezend van de zwavelstank.

Ja, dan trek je als jonge luisteraar in bed toch even de deken over je hoofd en wee de voorlezer die op dit moment wil ophouden.
En op zeker moment kwam de stem van Jean Dulieu terug in mijn geheugen, ook zo'n verteller, per radio (1955-1964). Ik weet niet of Het sleutelkruid ooit als radio-feuilleton is uitgezonden, zo tegen kinderbedtijd, maar het zou het goed doen.

Moet ik Het sleutelkruid nog samenvatten? Dacht het niet. Het wordt beschouwd als een klassieker uit de Nederlandstalige jeugdliteratuur, met een eigen Wikipedia-pagina, net als De kleine kapitein, met dezelfde status.
 
De zwabberende verteller betrapte ik in De kleine kapitein in het land van Waan en Wijs overigens op een fout die typerend is voor een improviserende verteller - zij het dat ik hier toch een ingreep van een redacteur had verwacht. Het grote stadschip op p. 355:

Zo vaart die drijvende stad tot de dag van vandaag over zee, steeds naar het westen, om de ondergaande zon in te halen. Maar de Nooitlek vertrok naar het noorden, om de laatste telg van de grote heer van Schrik en Vreze, zijn jongste dochter, te gaan zoeken.

Dat stadsschip meert echter op p. 378 aan bij het IJskasteel om deel uit te maken van een groot feest. 
 
Met zijn vijf zeekapiteinen had de drijvende stad een wereldreis gemaakt, van het Woeste Westen langs het Diepe Zuiden en het Wazige Oosten tot hier in het Hoge Noorden.
 
Ja, ik hoor de verteller zich al verdedigen: maar daarná ging het... Toch is het zwak.

Verder blijft het echter bij details die er niet zo toe doen en als los zand door de verhalen slingeren. Zoals de 'zeshonderdveertien ijzeren treden' in de vuurtoren van de wachter in De kleine kapitein in het land van Waan en Wijs (p. 358). En, zelfde boek, waarom vijf 'zeebonken' (p. 21 en verder, zie de zeekapiteinen hierboven): waarom vijf? Geen idee. Zeven is vanouds een magisch getal, maar dat er zeven gangen volbracht moesten worden in de zeven torens van het Land van Waan en Wijs krijgt geen verdieping, evenmin als de twaalf trappen die in één van die torens naar boven leiden.
 
Nachtverhaal (voor het eerst verschenen in 1993) heeft onmiskenbaar een zelfde soort verteller maar is vergeleken met die twee hierboven besproken verhalen toch van een iets ander kaliber, al was het maar omdat hier mensen en kabouters en pratende dieren tegelijk op het toneel verschijnen.

De kabouter in dit verhaal was een gewone huiskabouter. Hij woonde op de zolder van een oude villa, vlak onder het rieten dak waarin de geheimen van de bewoners werden bewaard. Als het hard waaide, was in het geknisper van het riet nog het lachen te horen, en het praten en zuchten en vloeken en het stiekeme gefluister van de mensen die in het huis hadden gewoond. De kabouter wist die dingen nog beter dan het riet; hij had zijn hele leven op zolder gewoond en al die tijd voor het huis gezorgd zoals een huiskabouter hoort te doen, zonder dat iemand het ooit merkt.

Ik vraag me af of een rieten dak knispert. 
Hier is de voorlezer weer terug:
 
Zaterdagsavonds werd daar gekaart. Pad en Rat kwamen naar boven - Pad op de rug van Rat - langs geheime sluipweggetjes achter het tengel, en klopten op de deur.
'Wie daar?' riep de kabouter, en: 'Wij!' antwoordden ze keurig, en dan mochten ze binnen.
'Mooi huisj, mooi huisj, mooi huisj,' zei Pad altijd drie keer, maar Rat ging meteen voor de spiegel van het dressoir staan om zijn snorharen te schikken. Ook rekte hij zin kin om te kijken of er nog geen kwabben onder zaten.

In Nachtverhaal hoorde ik een zwakke echo van Hans Christian Andersen. Maar ook de verteller die almaar doorgaat en zich geen beperking oplegt. Dit verhaal is origineel, goed gevonden, met een verrassend en tegelijk heel traditioneel sprookjesachtig einde, maar te lang.
En toch: mooi huisj, mooi huisj, mooi huisj.




Geen opmerkingen:

Een reactie posten