Zoeken in deze blog

vrijdag 11 november 2011

Prentenboeken, het kleine verschil

De promotie waarover ik op 3 november berichtte en die op 10 oktober plaatsvond, ging vooraf door een minisymposium op woensdag 9 oktober: 'Met prentenboeken kun je alles'.
Dat bleek een citaat van een oude kleuterleidster die promovenda Aletta Kwant sprak. Blijkens de inleidingen op het symposium kun je kleuters met prentenboeken in ieder geval inzicht geven in rekenen, in de opbouw van verhalen en emoties leren herkennen. Dat is al heel wat.
Het onderzoek van Aletta Kwant maakt deel uit van een drieluik, een samenwerkingsproject van drie universiteiten met de duistere afkorting PICOD, dat staat voor Picturebook Concept Development. Leesplein meldde er al op 1 januari 2009 iets over middels een stukje van Coosje van der Pol, een van de inleiders: 'Dit onderzoek maakt deel uit van een groter project waarbinnen ook wordt onderzocht hoe prentenboeken de ontwikkeling van kleuters kunnen ondersteunen op sociaal-emotioneel vlak en op wiskundig gebied.' Coosje van der Pol promoveerde 17 december 2010 op het eerste deel van het drieluik, Prentenboeken lezen als literatuur. Een structuralistische benadering van het concept 'literaire competentie' voor kleuters (Eburon), zie ook het persbericht op NWO en mijn bericht op 9 december 2010.

In het kader van de letterenstudies is bijzonder dat in dit onderzoek metingen worden verricht. Veel academische publicaties op het gebied van de (jeugd)literatuur bestaan uit theoretische vertogen, op de rand van essayistiek, zonder exact gekwantificeerde waarnemingen. Voor dat soort veldwerk moet je naar aanpalende disciplines. Nee, ik noem even geen voorbeelden.
In het licht van recente nieuwsberichten (ik laat even de naam Stapel vallen) mag bovendien even opgemerkt worden dat de betrokken onderzoekers in dit project hun data geheel zelf verzamelden. En dat ze hun bevindingen tamelijk voorzichtig formuleren. Ik citeer de samenvatting van Kwants onderzoek: 'De conclusie die op basis van deze resultaten getrokken mag worden is dat het gebruik van prentenboeken inderdaad een positief effect kan sorteren op de sociaal-emotionele ontwikkeling van kleuters en dan met name waar het de complexere emoties betreft.'

Aletta Kwant beet de spits af, tijdens dat minisymposium, net een uiteenzetting van het onderzoek waarop ze de dag daarop hoopte te promoveren, Geraakt door prentenboeken. Effecten van het gebruik van prentenboeken op de sociaal-emotionele ontwikkeling van kleuters. (Zie voor online samenvattingen Leesplein en RUG.)
Coosje van der Pol volgde met een vertoog over haar onderzoek, zie boven, daarna kwam Marja van den Heuvel (Universiteit Utrecht, Freudenthal-Instituut) met een verslag van haar onderzoek naar de inzet van prentenboeken bij het rekenonderwijs. Ik citeer de samenvatting van dit nog lopend onderzoek van het FI:  'In dit onderzoeksproject wordt bekeken hoe de wiskundige begripsontwikkeling bij kleuters te ondersteunen is door prentenboeken.
Hoewel prentenboeken in Nederlandse kleuterklassen een belangrijke rol spelen, worden ze meestal niet ingezet voor het leren van wiskunde. Toch komen er met name uit het buitenland steeds meer aanwijzingen dat prentenboeken de wiskundige begripsontwikkeling van kleuters ondersteunen. 
De theoretische basis voor hoe prentenboeken bijvoorbeeld de informele ervaringsbasis bieden om wiskundige concepten en vaardigheden te exploreren en te ontwikkelen is echter beperkt. Dit onderzoek wil de aanzetten die hiertoe in Nederland zijn gedaan verder uitbouwen.' Voorlopige titel: Developing a framework for the evaluation of picturebooks that support kindergartners'learning of mathematics.
Mijn oude redactiegenoot Piet Mooren zal dit zeer interesseren.










Na deze drie inleiders van het project volgde Adriana Bus met een vertoog over de (aangetoonde) ondersteuning van prenten bij het onthouden van tekst. Dat sluit aan bij een oud inzicht, dat visualiseren van taal helpt bij onthouden. Ze startte haar inleiding dan ook met een verwijzing naar Orbis Sensualium Pictus van Johannes Amos Comenius, om via Allan Paivio en Joshua Foer's Moonwalking with Einstein (Het geheugenpaleis) uit te komen bij het onderzoek dat zij samen met Marianne Verhallen verrichtte.

Uit de discussie en gesprekken na afloop bleek dat Kwants onderzoek veel belangstellende reacties uit het onderwijs heeft opgeleverd. Natuurlijk werd ook opgemerkt dat aandacht voor het literaire aspect van prentenboeken en het nut dat ze kunnen hebben voor sociaal-emotionele ontwikkeling of rekenvaardigheid twee verschillende zaken zijn. Vlot kwam men echter tot de conclusie dat het een het ander niet uitsluit.
En de discussie werd mooi afgesloten met een aanbod uit de zaal om de bevindingen uit deze trits onderzoeken te vertalen in handreikingen voor de onderwijspraktijk.
Het vermoeden van ondergetekende, o.a. gebaseerd op onderzoeken van Margriet Chorus (2007) en Martha Otter & Harry Paus (1998), dat het met de jeugdliteratuur op de pabo's niet zo best is gesteld, werd weersproken door minstens twee enthousiaste docenten.
Zou er een opgaande lijn zijn?
Hoe dan ook, het kleine verschil zit 'm in juist dat ietsje meer aandacht voor de mogelijkheden van prentenboeken en kleuters. Een klein verschil, met mogelijk toch iets minder kleine gevolgen voor de kwaliteit van het onderwijs.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen