Zoeken in deze blog

dinsdag 21 augustus 2012

Jeugdliteratuur bestaat!


Kijk maar om je heen: boekwinkels hebben kasten vol kinderboeken, er zijn zelfs speciale kinderboekwinkels. Wat zouden die verkopen als er geen kinderboeken waren? Bibliotheken hebben aparte afdelingen voor kinderen, en die staan grotendeels vol kinderboeken.
De GAU heeft een Werkgroep Kinderboekenuitgevers, de Leidse universiteit heeft een bijzondere leerstoel jeugdliteratuur, bezet door hoogleraar Helma van Lierop-Debrauwer, ook de Tilburgse universiteit heeft een leerstoel jeugdliteratuur (ook Helma van Lierop-Debrauwer) en er zijn drie vaktijdschriften die zich speciaal met jeugdliteratuur bezighouden: De Leeswelp, Leesgoed en Literatuur zonder leeftijd.

Ho.

Die laatste titel, Literatuur zonder leeftijd, suggereert juist het tegendeel. Alsof het niet over kinderboeken zou gaan. Wie bladert door de afleveringen, leert het tegendeel. Het gaat er wel over, maar de teneur is: kinderboeken, in ieder geval de beste kinderboeken, zijn ook voor volwassen lezers de moeite waard.
Dat vind ik ook. En ik citeer graag Sjoerd Kuyper: 'Het mag zo zijn dat tien procent van de literatuur voor volwassenen beter is dan negentig procent van de literatuur voor kinderen, ook het omgekeerde geldt: tien procent van de jeugdliteratuur is beter dan negentig procent van de literatuur voor volwassenen' (Annie M.G. Schmidtlezing 2009).
Maar als kinderboeken ook interessant blijken voor volwassenen is dat volgens mij nog geen reden om ze geen jeugdliteratuur te noemen. Wie ervoor ijvert om de beste verhalen, poëzie en opstellen voor kinderen de Parnassus op te slepen in de hoop erkenning en waardering te krijgen, doet iets vreemds als-ie vervolgens die kinderen het liefst lijkt te vergeten. 'Het is maar voor kinderen', die te vaak gehoorde uitspraak tracht de ijveraar te weerleggen door te wijzen op de voortreffelijkheden van tekst en beeld, maar hij vergeet het dedain te weerleggen waarmee de kinderen worden genoemd.
Dus hoe kom je erbij om een boek te schrijven met de titel Jeugdliteratuur bestaat niet? Door te betogen dat jeugdliteratuur die ook volwassenen aanspreekt geen jeugdliteratuur is, maar literatuur.



Jeugdliteratuur bestaat niet verscheen in 2011 bij Lannoo Campus en Biblion en is geschreven door Peter van den Hoven.
Van Jacqueline Rose verscheen in 1984 The Case of Peter Pan, or the Impossibility of Children's Fiction (Londen, Macmillan, New Cultural Studies, 1984). Haar argumenten hadden te maken met de leeftijd van de auteurs (doorgaans volwassenen), de gemiddelde beoordelaar en andere bemiddelaars (volwassen). (Zie een recensie.)
Maar in Jeugdliteratuur bestaat niet is iets anders aan de hand.

Hoofdstuk 7 van Jeugdliteratuur bestaat niet heeft dezelfde titel en dezelfde ondertitel (De voort-durende strijd om het kinderboek) als het boek. Na passages over Jan Blokker ('Er bestaan geen kinderboeken. Er bestaan alleen maar goede boeken en slechte boeken') en uitspraken van Henri van Daele ('Ik ben een schrijver. Punt.') en Joke van Leeuwen volgen lange uitweidingen over termen als kinderlectuur, jeugdliteratuur, kinderboeken, kinder- en jeugdboeken, kinderliteratuur, adolescentenliteratuur, cross-overliteratuur, dubbelgeadresseerde literatuur: 'het zijn allemaal termen (de benaming jongens- en meisjesboek is lange tijd uit de gratie geweest, maar lijkt weer terug te komen, of is ingewisseld voor een nieuwe variant: zie de chicklit) die ook dit boek bij gebrek aan beter door elkaar hanteert.  Zo ongeveer weten we wel wat we ermee bedoelen en dat moet maar genoeg zijn.' (p. 165)
Het is kennelijk niet genoeg, want even verder (p. 165) staat er:
'In tegenstelling tot de innerlijke tegenstrijdigheid in de benaming kinderliteratuur of jeugdliteratuur is de term kinderboeken (tot tien a elf jaar) of jeugdboeken (tot zeventien a achttien jaar) helder en duidelijk. We bedoelen er boeken mee die voor kinderen en jongeren van een bepaalde leeftijd, en niet voor volwassenen, geschikt zijn: de doelgroep is in de term gegeven. Belangrijke vraag is daarbij wel: wie bepaalt of een boek een kinderboek of literatuur is?'

Hier bleef mijn leesoog (niet voor het eerst) haken. Ten eerste had de auteur volgens mij nog niet vastgesteld dat een kinderboek geen literatuur zou zijn, hij verklaarde dat nu juist discutabel. Ten tweede: wanneer begint de jeugd? Met 'tien a elf jaar' of bij geboorte? Houdt de kindertijd op waar de jeugd begint? (Wanneer word je dan jongere, nog zo'n te pas en te onpas gehanteerde term?)
Ten derde: suggereert hij nu met die 'innerlijke tegenstrijdigheid' dat er geen literatuur voor kinderen of jongeren zou kunnen bestaan? Dat lijkt me sterk. Dat geldt ten vierde ook voor de stelligheid waarmee hij verklaart dat kinderboeken voor kinderen en dus niet voor volwassenen geschikt zouden zijn. Zijn hele boek is ondanks de titel juist een pleidooi voor het tegendeel, zie zijn amusante inleiding, waarin hij vertelt eens in de trein door een jongetje als het ware betrapt te zijn op het lezen van wat ik, net als dat jongetje, een kinderboek zou noemen (Olle, van Guus Kuijer). ('Mama, die meneer leest een kinderboek!')
Daarmee wordt (ten vijfde) ook die vraag wie bepaalt of iets 'kinderboek of literatuur' is heel interessant. Want daarmee suggereert hij andermaal dat kinderboek en literatuur kennelijk een onmogelijke combi is, wat me zoals gezegd in tegenspraak lijkt met de bedoeling van zijn boek.

Toch wil hij die kant uit.
'Winterijs is geen kinderboek, omdat het niet voor een bepaalde jonge doelgroep is geschreven. Het verhaal richt zich tot een leeftijdloze lezer, omdat de auteur de thematiek en de karakters benadert vanuit een onafhankelijke, waarschijnlijk ook autobiografische positie. Je zou ook kunnen zeggen dat de impliciete lezer - niet de in de realiteit bestaande lezer, maar een abstract soort lezer die in de tekst vervat is - van Winterijs geen specifieke leeftijd heeft en dus niet tot een specifieke leeftijdsgroep hoort. Van Gestel schrijft vanuit en voor zichzelf om iets op het spoor te komen, te onderzoeken, bloot te leggen.' (p. 169)
Auteurs, opgelet. Als je wil dat recensenten à la Peter van den Hoven je werk het statusverhogende stempel literatuur verlenen, dien je te verklaren dat je niet voor kinderen schreef. Joke van Leeuwen, je bent te eerlijk (of dat stempel kan je gestolen worden). Op p. 162 word je geciteerd:
"in essentie is er geen verschil of je voor volwassenen of kinderen schrijft, noch in hoe een boek groeit noch in hoe je het schrijft. Maar ik schrijf wel vanuit het perspectief van een mens dat nog iet zo lang leeft, van iemand die dingen voor het eerst meemaakt, voor het eerst ziet."
Lewis Carroll is, helaas, ook niet toegelaten tot de Parnassus: hij schreef voor een zeer bepaald, jong publiek. Zo zou ik een Bibelebontse Berg kunnen vullen met niet tot de Parnassus toegelaten auteurs, als ik de redenering van Peter van den Hoven zou volgen.
Wellicht zou hij me tegenwerpen (verdrietig genoeg kan dat niet meer) dat auteurs als Lewis Carroll en Joke van Leeuwen 'wel degelijk' (typisch Hovense stopwoordjes) ook een ouder publiek voor ogen hadden. We komen dan terecht bij de 'dubbelpublieksboeken' en verzuipen in het termenmoeras en vragen als wie dan vaststelt wie voor wie schreef en wat literatuur is.
Dat laatste:
'inhoudelijk en vormelijk kwalitatief goede verhalen, niet voor niks bellettrie of de schone letteren genoemd. Er zijn veel boeken voor volwassenen, maar lang niet alles is literatuur. Genres als de streekroman, de chick lit, de thriller en andere pulpfictie horen daar niet bij', aldus Peter van den Hoven op p. 163.
Even niet zeuren over de teloorgang van poëzie, drama en essayistiek, want dat maakt hij later in zijn boek weer goed.
De essentie is, begrijp ik, dat literatuur bestaat uit teksten die door volwassenen hoog gewaardeerd worden, nee, door volwassenen als waardevol ('kwalitatief goed') bestempeld worden - want sommige bewoners van de Parnassus weten hun oordeel zo te formuleren dat het een vaststelling lijkt, zij nemen afstand van eigen persoon en smaak en besluiten op grond van tal van argumenten dat een de berg opgedragen kunstwerk waardevol is, niet dat zij dat zo vinden. Een soort kwaliteitsbewakers in dienst van de muzen.
Daartoe wil ik Peter van den Hoven overigens niet meteen rekenen, maar het lijkt er soms wel op, wat dat betreft is hij een echte docent, die zijn opvattingen met overtuiging en veel aplomb brengt. Hij staat er 'volop' (nog zo'n Hovens stopwoordje) achter, dat merk je.
Dat reken ik hem niet aan, want juist als recensent vind ik hem op zijn best. Daarover later meer.

In dit theoretische hoofdstuk vind ik hem echter minder op dreef. Hij zwalkt me teveel. Neem bijvoorbeeld dit citaat, op p. 169:
'het resultaat is literatuur die ertoe doet, die de gedachten en gevoelens van de lezer op scherp zet en bezinning toelaat over allerlei existentiële, morele en andere (ambigue) kwesties.'
Is er dan ook literatuur die er niet toe doet? Ik dacht nu juist dat hij de term literatuur had toegewezen aan 'goede verhalen', zie boven. En wat moeten we met zo'n vage omschrijving als 'allerlei existentiële, morele en andere (ambigue) kwesties'?
En dan zo'n voetnoot. Heeft-ie net thrillers 'en andere pulpfictie' afgeserveerd, komt hij met dit voetnootje: 'Het is overigens heel wel denkbaar dat in andere tijden verhalen die eerst geen deel uitmaakten van de literatuur, daar later wel bij kunnen horen. Die verandering in historische en culturele context maakt bijvoorbeeld dat sommige thrillerschrijvers (John Le Carré, James Elroy) wel degelijk als literaire auteurs worden gezien en (op de literatuurpagina's) besproken.' Zeker, Peter, maar had je dan in je hoofdtekst misschien iets minder apodictisch moeten zijn?

Stel dat we welwillend voor deze gelegenheid een deel van zijn definitie van literatuur overnemen. Literatuur is dan de verzameling teksten die gedachten en gevoelens van lezers op scherp zetten. Een definitie met waargenomen of te voorspellen reacties van lezers als criterium, daar kunnen we wel iets mee.
Dan hoort daarbij toch zeker een verzameling teksten die gedachten en gevoelens van jonge lezers op scherp zetten. Jeugdliteratuur dus, zou ik denken, volgens Peters definitie. En binnen die verzamelingen weer een verzameling teksten die gedachten en gevoelens van zowel jonge als volwassen lezers op scherp zetten. Je maakt mij (en Peter) niet wijs dat zulke teksten niet bestaan, zijn boek toont het tegendeel.
Hoe we dan al die teksten noemen die niet onze gedachten en gevoelens op scherp zetten, laat ik even los, de term pulpfictie vind ik veel te scherp. En ook waar we de grens trekken en wat we doen met al die teksten die we hooguit een beetje interessant vinden.
En lees voor teksten vooral ook combinaties van tekst en beeld of beeldreeksen.

Aan het slot van dit hoofdstuk, p. 176, keert Peter van den Hoven terug naar 1896, toen van Heinrich Wolgast Das Elend der Jugendliteratur verscheen. Wolgast vond dat kinderen recht hadden op meer dan de moralistische en slecht geschreven Schundliteratur die ze voorgezet kregen, en pleitte voor 'boeken die geen expliciete moraal bevatten, literaire kwaliteit bieden en een kunstzinnige smaak bevorderen', aldus Peter van den Hoven. Daartoe steunde Wolgast o.a. de Kunsterziehungssbewegung. Bij zijn werk zijn veel kanttekeningen te plaatsen, aldus Peter van den Hoven, maar 'zeer herkenbaar is en blijft zijn gemotiveerde afkeer van de commerciële massaliteratuur, de gemakzucht van epigonisme en populisme, van moralistische (probleem)boeken evenals zijn hartstochtelijk pleidooi voor de literaire verbeelding van auteurs die schrijven over wat hen werkelijk, van binnenuit, bezighoudt.'
Hij 'betoogt dat waarachtigheid in de literatuur voor grote en kleine mensen eenzelfde bron vindt in de authentieke auteursstem. Daarmee is zijn meer dan een eeuw oude studie nog springlevend. Ze onderstreept op overtuigende wijze de vaststelling dat jeugdliteratuur niet bestaat en dat - ja dat ook - de ellende van, of de strijd om het kinderboek voortduurt.'
Einde hoofdstuk 7.

Een einde als een klaroenstoot.

Maar wel wat schril.
Ten eerste is daar de valkuil van de bedoelingen van de auteur, de intentional phallacy zoals dat in het jargon van de literatuurwetenschap heet. Over waarneming van authenticiteit valt nog veel te zeggen en in de tegenstelling tussen vorm en vent valt de verteller soms overboord, met een mandje vol ambachtelijkheid.
Ten tweede wordt hier volgens mij helemaal niet onderstreept dat jeugdliteratuur niet bestaat, al was het maar omdat in dat geval de 'strijd om het kinderboek' niet zou kunnen voortduren. Tenzij je à la Peter (soms) het kinderboek niet tot de literatuur rekent, maar dan hoef je er ook geen strijd om te leveren.
Er wordt hier hooguit onderstreept dat het de moeite loont om te streven naar betere kinderboeken.
Dat lijkt me ook wel genoeg.

Hoven, Peter van den. Jeugdliteratuur bestaat niet, of de voort-durende strijd om het kinderboek. Tielt /Leidschendam, Lannoo Campus / Biblion, f. 407 p., ISBN 978 90 807 9330 9.

NB.
Ter kennismaking met het boek volgen hier de hoofdstuktitels:

Inleiding. Waarom leest die meneer een kinderboek?
Hoofdstuk 1. Zestig jaar jeugdliteratuur, vernieuwing en stagnatie
Hoofdstuk 2. Status aparte, een fijn afgeschermd wereldje
Hoofdstuk 3. Een restauratieve tendens, tegenbeweging en herstel
Hoofdstuk 4. Dichter naar de literatuur, recente ontwikkelingen
Hoofdstuk 5. Van feitenrelaas naar jeugdliterair essay, non-fictie en biografie
Hoofdstuk 6. Tegen de verdrukking, jeugdliteratuur in het nauw
Hoofdstuk 7. Jeugdliteratuur bestaat niet, of de voort-durende strijd om het kinderboek
Hoofdstuk 8. Bij de zaligverklaring van de Kameleon, of werum wiene dy sijkerts no nooit ris slecht
Hoofdstuk 9. Tegen het misverstand, jeugdliteratuur en leesbevordering
Hoofdstuk 10. Een discriminerende wig tussen kinderen en volwassenen, gesprek met Wim Hofman
Hoofdstuk 11. Potters paradox, de boeken van J.K. Rowling
Hoofdstuk 12. Tussen waar en waan, de boeken van David Almond
Hoofdstuk 13. In verhalen bewaard, de autofictie van Henri van Daele
Hoofdstuk 14. De afgrond in, Spiegeljongen van Floortje Zwigtman
Hoofdstuk 15. Een duivelse verleiding, Mariken van Peter van Gestel
Hoofdstuk 16. Uit Friese klei, Gezworen woorden van Akky van der Veer
Hoofdstuk 17. Soms moet je je engageren, anders ben je een lor, gesprek met Edward van de Vendel
Hoofdstuk 18. Ongehoorzaam, maar met mate, de schrijfopvartingen van Annie M.G. Schmidt
Hoofdstuk 19. Grootmoeder van het kinderboek, biografie over Nynke van Hichtum
Hoofdstuk 20. De grote gelijkenis, gesprek met Helma van Lierop-Debrauwer
Hoofdstuk 21. WiZiWik, teksten van kinderen
Bibliografie
Verantwoording en dank
Register


3 opmerkingen:

  1. Een gloedvol betoog! Het zit je hoog! Herkenbaar ook. Met Peter van den Hoven is ons een jeugdliterair criticus ontvallen die ons vak geen steek verder heeft geholpen. Je legt de vinger op de zere plek: de strijd om het kinderboek speelt zich volledig af in zijn hoofd. En dat van een groot deel van zijn tijdgenoten. We kijken hier naar een generatie critici en schrijvers die zich geneert om kunst voor kinderen te maken en dus hele ingewikkelde constructies verzint om maar te kunnen blijven volhouden dat het allemaal heel belangwekkend is. Het is geen strijd om het kinderboek, maar een strijd om als schrijver of criticus serieus genomen te worden. De vraag of kinderen hier iets aan hebben, wordt niet gesteld.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. De wil om serieus genomen te worden kan ik me voorstellen. Schrijven voor kinderen is niet makkelijker dan schrijven voor volwassenen of voor 'iedereen', wat sommige auteurs pas ontdekken als ze het doen. De status van critici blijkt samen te hangen met de status van wat ze beoordelen.
    Een oordeel vellen over iets dat minstens voor een deel niet is gemaakt voor de beoordelaar maar voor zijn of haar kinderen, blijkt ongemakkelijk voor sommige critici. O jee, voordat je het weet komt opvoeding in zicht!
    Dat geldt kennelijk vooral voor sommige (jeugd) literaire recensenten.
    Voor de kunst in het algemeen (ja, literatuur is ook kunst) geldt volgens mij dat zeer weinigen moeite hebben met de term kunsteducatie en met bijbehorende activiteiten.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Bedankt voor uw eerlijke recensie. Als student Jeugdliteratuur (inderdaad bij mw. Van Lierop) kan ik zulke artikelen erg waarderen. Bovendien zet u leuke uitspraken tegenover elkaar en stelt u goede vragen. Bedankt!

    BeantwoordenVerwijderen