Zoeken in deze blog

dinsdag 4 juli 2017

Tessa in Albanië

Dit wordt een rare recensie, sorry.
Omdat ik dit voorjaar in Albanië was, gaf iemand me Een varken in het paleis van Tessa de Loo (De Arbeiderspers, 1998).
Dat is een reisverslag. De auteur deed een poging in de voetstappen te treden van Lord Byron, die in 1809 door het gebied reisde dat nu Zuid-Albanië is.
Het boek lag een tijdje op een stapel, maar onlangs begon ik toch te lezen.

Ik weet niet hoe het kwam, maar na een tiental bladzijden moest ik onweerstaanbaar denken aan de wekelijkse Volkskrant-columns van Annemarie Oster. Eigenlijk weet ik wel hoe het kwam: het trof me dat beide vrouwen vaak eigenlijk ironisch over zichzelf schrijven terwijl ze formeel over iets of iemand anders schrijven. Twee vertellers die zichzelf graag bij het verhaal betrekken, anders dan (bijvoorbeeld) Carmiggelt deed, die zich juist zo onzichtbaar mogelijk maakte in zijn stukjes.

Ik ken ze geen van beiden (behalve dan van hun teksten en enkele foto's), maar zag twee slanke, fijnbesnaarde (of zichzelf fijnbesnaard achtend), cultureel onderlegde (idem) vrouwen voor me die graag op hakken en in bijpassende dameskleding gaan, een damestas dragen, er graag verzorgd uitzien, twee tuthola's eigenlijk, maar niet onsympathiek en soms bereid tot ondamesachtig gedrag buiten de lijntjes.
Later zocht ik hun websites op en verdomd, ze vertonen uiterlijk enige overeenkomst. Maar dat zegt niet veel, natuurlijk.

Laat ik wat citeren.

Annemarie Oster begint haar stuk (toevallig het laatste van haar in de reeks 'Doorlezen of afhaken') in de Volkskrant 1-7-2017 zo:

'Zoals elke week luisterde ik zaterdagochtend naar de TROS Nieuwsshow, en met extra gespitst gehoorapparaat, naar de boekenrubriek.'

Ze deelt ons in één zin al twee zaken mee die er voor het boek dat ze bespreekt niet toe doen: dat ze iedere zaterdagochtend naar dat programma luistert en dat ze een gehoorapparaat heeft (en dat is ook een mooi staaltje ironie).
Nou ja, ze heeft dat programma nodig als opmaatje voor een brievenboek dat ze wil vermelden (hoewel ook dat niet het boek is dat ze bespreekt), want ze hoorde een bespreking van Amos Oz'  Zwarte doos en 'tot mijn vreugde en nieuwsgierigheid schijnt het brievenboek waarmee de schrijver eind jaren tachtig bekendheid verwierf, over een haat-liefdeverhouding te gaan en, volgens Hoogervorst, vernuftig in elkaar te zitten.'
Fijn voor haar. En voor ons, we weten nu ook dat ze van haat-liefdeverhoudingen houdt en van vernuftigheid.
En passant blijkt dat haar gehoorapparaat kennelijk heel goed werkt want 'ook zonder dit hulpstuk zijn de recensies van Ingrid Hoogervorst door het hele huis te horen. Ditmaal beschreeuwde zij het in vertaling verschenen Zwarte doos van de onvolprezen Amos Oz.' (Ik dacht: je kan ook het volume van de radio wat lager zetten.)
Ze heeft ons inmiddels ook getoond cultureel helemaal bij te zijn. Wie heeft er nu nooit van Amos Oz gehoord? (Overigens ging de bespreking over Dát is nu handel, meisjelief! van Vera Funke. Een brievenboek, inderdaad.)
Let wel, dit was een aflevering uit de reeks 'Doorlezen of afhaken', waarin diverse mensen 'op verzoek van de boekenredactie' hun eerste indrukken van boeken geven.
Dat ze het in haar andere teksten, o.a. de columns die ze tot 2016 voor dezelfde krant schreef (zie Mooi geweest), vaak over zichzelf had, werd nog eens mooi belicht in het interview dat journalist Wim de Jong op 18 oktober 2012 met haar had:
Met veel zelfspot en de gepaste afstand van een grande dame beschrijft Oster in Mooi geweest ook wat ze op haar bijna-70ste allemaal aan kleine en grotere avonturen achter zich heeft liggen. Het brengt het gesprek op het wereldse, het wuft-mondaine, het frivole, het oh-la-la dat ze als 'vrouw van de wereld' in haar boeken en columns door de jaren heen met verve heeft uitgedragen. Er kon in de hoofdstad bij wijze van spreken geen tentoonstelling, toneelpremière, receptie, nazit of ander ons-kent-ons-partijtje worden georganiseerd, of diva Oster was erbij in die journalistieke feestvermomming. '

Dan Tessa de Loo.
Die schreef heel weinig columns, voor zover ik weet, maar romans en reisverhalen. En ze blijkt op haar website in het geheel niet gedistantieerd, maar unverfroren reclame voor zichzelf te maken. Of iemand anders, want de webtekst gaat over haar in de derde persoon. Een diva is ze evenmin.
Echter, Een varken in het paleis gaat evenzeer over de vertelster als over Lord Byron, en dat begint al met een bijzondere stijlvorm die ze met grote regelmaat toepast: de briefvorm. Ze schrijft in die passages direct aan 'beste George', ofwel George Gordon Byron, Lord Byron.

Uit die weinige columns, waarvan er één op haar website is te vinden (Nostalgie) citeer ik:

'Nuno is erg gevoelig. Hij is historicus en voelt zich ontheemd in de tijd waarin wij leven. Het heden is voor hem een monstrueuze constructie van beton en staal, volgestouwd met elektronica. Hij verlangt met hart en ziel naar de tijd dat zijn grootvader nog leefde en diens landgoed, zo’n tachtig kilometer ten noordoosten van Coimbra gelegen, nog van de familie was.

Natuurlijk heeft Nuno geen rijbewijs en verplaatst hij zich uitsluitend, zij het met tegenzin, per trein of bus. Hij vertelde me dat hij sinds de dood van zijn grootvader, twintig jaar geleden, niet meer in het dorp was geweest waar hij als kind zijn vakanties doorbracht. Toen ik voorstelde er op een mooie zondag heen te rijden viel hij me van pure dankbaarheid om de hals.'

Kijk, zo'n laatste zin, dat is typerend.

Nog een stukje:

'Nuno was opgewonden. Kijk, dat is de quinta van de buren! Daar was ieder jaar een geweldig oogstfeest, waar alle mensen uit het dorp welkom waren. Er speelde een accordeonist en er werd gezongen en gedanst… En dat was de boomgaard van mijn opa en daarnaast, in dat gebouw, werd de olijfolie geperst… Knoestige olijfbomen stonden knorrig in het gelid, in geen tijden meer gesnoeid. Bij de toegangspoort tot de quinta riep Nuno: ‘Stop, stop!’ Hij viel bijna uit de auto, zoveel haast had hij toen hij het portier openduwde. De poort, gedecoreerd met barokke krullen, was zo groot dat je het huis niet kon zien. Vergeefs rammelde Nuno aan de zware deuren. Die gaven geen millimeter mee. Toen tot Nuno doordrong dat hem de toegang tot zijn verleden resoluut geweigerd werd brak hij in tranen uit. Met zijn voorhoofd tegen het verveloze hout leunend stond hij te snikken, en zijn schouders schokten mee.

Ik liep maar een beetje op en neer, hem op eerbiedige afstand aan zijn verdriet overlatend. Het rook er verrukkelijk, naar eucalyptus, mimosa en sinaasappelbloesem. De hemel was strakblauw, in de verte schemerden de bergen. Ze wisten wel wat het goede leven was, vroeger… Those were the days.

Nadat Nuno zijn tranen had gedroogd reden we verder. Hij raakte maar niet uitgepraat over het verval der tijden. De mensen wisten niet meer hoe het leven eruit hoorde te zien. Toen hij als kleine jongen aan de hand van zijn grootvader over diens landerijen wandelde was hij gelukkig geweest, puur gelukkig. Zo eenvoudig kon het zijn…'

De tweede alinea is typerend. Daar wandelt Tessa ons beeld binnen!

Op die manier zou ik ook ruim kunnen citeren uit Een varken in het paleis.
Eén stukje (p. 11):

'Ik raakte onder de betovering van het exotische decor, de mengelmoes van volkeren in hun kleurige kostuums, de Pasja in wie wreedheid en zachtheid elkaar luchtig afwisselden, de oproep tot gebed van de moëddzin, de dreunende oorlogstrommen, de vermenging van barbaarsheid en verfijning... En hoe jullie je te midden van dat alles als twee onschuldige kinderen lieten verwennen! Het was bijna niet te geloven dat het de werkelijkheid was waarvan je in je brief verslag deed en niet een oosterse Macbeth, waarin jullie een figutantenrol hadden gespeeld.
Daartegen moest het leven in een stroeve Hollandse straat aan het eind van de twintigste eeuw het afleggen. Ik wilde nog maar één ding: met je mee. Ook ik wilde bij Ali Pasja op bezoek, als schim uit een toekomstig tijdperk, als voyeur, als nostalgicus.'

Daar is ze weer, in die tweede alinea.

Begrijp me goed, ik ben er niet tegen.
Het is even wennen, een verteller van een reisverslag die zich zo nadrukkelijk in beeld plaatst. Maar het kán iets van waarde toevoegen.
Het voordeel is in dit geval dat we begrijpen waarom ze die reis ondernam, en een deel ook per se te paard wou afleggen, net als Byron en zijn gevolg.
Het is een hilarisch verslag, waarin ze en passant een mooi beeld van Byron schetst. Hoewel ze haar reis in 1996 maakte, is het voor lezers die overwegen naar Albanië te gaan nauwelijks een goede voorbereiding. Er is sinds die tijd alweer het nodige veranderd daar. En zoals gezegd gaat haar verslag meer over haar en Byron dan over Albanië.
Het nadeel is dat het verslag nogal breedvoerig is. Als boekredacteur zou ik met moeite de neiging bedwingen om hier en daar fors te schrappen. En als ik streng ben zou ik zeggen: de verteller die zich hier zo nadrukkelijk in beeld brengt, is nauwelijks interessant.
Maar zo streng ben ik niet, want hier en daar voegt ze wel degelijk iets van waarde toe. neem deze rake, melancholische passage (p. 36) waarmee ik deze rare recensie afsluit:

'Jij, in jouw tijd, reisde nog gewoon met jezelf mee, maar bij de snelle verplaatsingen in onze tijd worden eigenlijk alleen onze lichamen, samen met de bagage, van A naar B gebracht. Onze prehistorische geest, die niet sneller kan reizen dan te voet, of hooguit te paard, komt ons traag en onwillig achterna. Soms weigert hij gewoon mee te gaan, vooral bij korte, spectaculaire vakanties. Bij thuiskomst vinden we hem terug bij de haard; zodra we weer met hem samenvallen lijkt de reis een vage droom te zijn geweest en ons gedrag in verre streken dat van een vreemde.'

Waarvan akte.
Het verbaast me niets dat Tesssa de Loo tegenwoordig in Portugal woont.













Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen