Zoeken in deze blog

donderdag 19 november 2015

Lettersoep

Een tijdje geleden verscheen er van Joke van Leeuwen een prentenboek: Mooi boek. Helemaal Joke van Leeuwen, en passend in de lange reeks abecedaria die de jeugdliteratuur rijk is.
Het is dus wat flauw om Lettersoep van Harriët van Reek hiermee te vergelijken. Maar het gebeurde vanzelf, Mooi boek lag nog te vers in mijn herinnering om dat te vermijden.

Lettersoep van Harriët van Reek is een heel ander boek. Het bevat één verhaal, over de Letterel en de Letterpoes. De Letterel is gek op letters.



Hij ziet ze overal en stelt woorden samen uit van alles.
Zelfs als hij niets ziet, ziet hij een woord: NIETS. En dat verknipt hij tot FIETS en hij zegt dat hij er nog veel meer van kan maken: 'een HOK, een HEK, een PAN, een KIP. Te veel om op te noemen.'

En als Letterpoes trek heeft en zegt; 'Ik zou best iets lusten, maar er is geen ene M te eten', dan maakt Letterel een pan lettersoep. Hij 'gaat naar de letterkast. Hij pakt een potje inkt, het inktlapje, een kroontjespen en een vel papier en gaat aan tafel zitten.'

'Geschreven soep? zegt letterpoes. Met geschreven balletjes, geschreven sliertjes en geschreven brood erbij?
Jazeker, zegt Letterel. Lust je dat niet?
Ik wel, zegt letterpoes, maar jij? Heb jij geen trek in witte puntjes en soep met verse groenten? En wat dacht je van echte balletjes?'




We zijn nog maar tien pagina's ver, maar hier begon het bij mij te wringen. Er zit iets gekunstelds in dit verhaal. Dat ik het niet zo spannend vind, o.k., maar er klopt iets niet. Hier bewegen zich twee wezens die wel of niet uit letters bestaan door een wereld die wel of niet (of deels) uit letters bestaat. 'In het gras bloeien schuine gele en scheve witte letterbloempjes.' En dat gras dan?

Sommige woordspelingen ('witte puntjes'; 'bruine puntjes';  'de peeën zijn dik', letterpoes schrijft 'een kattebelletje') zijn grappig, maar ja, de jeetjes en geetjes minder, net als de combi van witte puntjes met soep en echte balletjes en het is even zoeken naar de overeenkomsten en verschillen in 'U-worst, IJ-worst, gehakt van de Vee, L-koteletten, gebraden Kaa-filet, Pee-staart, Bee-brei, Tee-bot-stuk en zure Zet'.

Afijn, ze zijn dus de deur uitgegaan met een boodschappentas, komen langs de bakker ('T, lekker voor bij de thee'), de slager ('lust je dat, letterpoes, een echt hanepootje?'), de smid (voor een soeplepel) en gaan weer naar huis, waar ze 'letterig uit het raam' kijken. 'Een grote Z vliegt door de lucht. Een V zit te fluiten op een tak.' Er wordt lettersoep gemaakt, een brief geschreven, een eindje gewandeld en uiteindelijk komen alle letters de lettersoep eten. Daartussen gebeurt er ook nog het een en ander, maar echt spannend wil het niet worden en het lettergetetter gaat maar door. Zelfs met een los eindje, want hoe komt Letterel nou uit de P?  Of houdt de droom ineens op?




Het verhaal is heel letterig, zit vol woordspelletjes met letters, in woord en beeld. De spelletjes zijn heel divers, ongelijksoortig, spelletjes met klankovereenkomsten ('T, lekker voor bij de thee'), vormen ('U-worst'), afkortingen ('Bee-brei' voor balkenbrij, "V zit te fluiten op een tak') en meer.
Veel hiervan komt terug in de beschrijving van de feestmaaltijd, naast een mooie plaat.



'Alle letters hebben lettersoep gegeten. Alle borden zijn schoongeschreven.
Hoe het was?
De K's wilden kaas. De IJ's riepen is er ijs toe? De W's wisten allemaal weetjes en wezen naar de H's, die achter een stelletje andere H's aanliepen, die zeiden dat ze geen Haas heetten en de L'en liefkoosden ene Ellie, die geen peeën lustte en met lange tanden naar de kop thee van de T keek, die tegen de F aanleunde, die riep, ik ga effe de O in het Ootje nemen en de X en de Y zaten samen met A en B aan de lettersommen. De M'en mummelden mmmmmmmm en een paar Zetten kwamen op het laatst ook nog aanzetten.
Zo was het.'

Tja. Gezellig rommelig dus, maar dit citaat toont (en is daarmee representatief) ook een zekere willekeur in de vondsten, tot en met de peeën, die kennelijk als enige letters gegeten wérden in plaats van te eten, zoals dat de T eerder overkwam (bij de thee). Met meer inspanning had deze maaltijd een prachtig abc kunnen worden, nu is het een b'tje een z'tje. Met nog meer inspanning had het verhaal een spitsvondig lettervind- en/of letterherkenverhaal kunnen worden. De prenten zijn bijzonder, heel stijlvol en mooi en soms heel doorwrocht, maar ze helpen het verhaal niet overeind.
Op zijn best levert het inspiratie om anders naar dingen te kijken (welke letter zie je er in?) of te luisteren (welke letter hoor je er in?). Maar dat herkennen van letters in voorwerpen doet Mooi boek toch echt beter.
Het kan voor kinderen die net hebben leren lezen een feestje zijn om alle letters te herkennen in de platen, en mee te grinniken om woordlettergrapjes.
Dat neemt niet weg dat ik teleurgesteld ben. Er had met dit idee zoveel meer gekund.



Harriët van Reek. Lettersoep. Querido, 2015. ISBN 978 90 451 1871 0.

NB. De Penseeljury 2016 was zo enthousiast over de illustraties dat ze een Gouden Penseel aan Lettersoep toekende. Fijn voor Harriët van Reek. (21-09-2016)


vrijdag 30 oktober 2015

Muziek is geen taal (maar heeft er wel mee te maken)

Iedereen is muzikaal is zowel een uitdagende stelling als een interessant boek. De auteur, Henkjan Honing, is hoogleraar muziekcognitie aan de Universiteit van Amsterdam. Het boek biedt een antwoord op de lang niet eenvoudige vraag wat muziek is en hoe we ernaar luisteren.
Daarbij gaat hij ook in op de vergelijking van taal en muziek, na eerst al beschreven te hebben hoe moeilijk het is om muziek te beschrijven zonder metaforen te gebruiken die ontleend zijn aan andere disciplines.

Ik moest onmiddellijk denken aan het aloude klassieke muziek-programma 'Discotabel', tegenwoordig iedere zondag, met zijn 'opname A', 'B' en 'C' en de experts die zich daarover uitlaten. Ze maken gebruik van een groot arsenaal aan termen en metaforen om duidelijk te maken dat de ene opname toch net iets geslaagder is dan de andere. Overigens verschillen ze soms in hun voorkeuren, gelukkig.
Benieuwd wat ze zouden denken van Cory Arcangel's 'Drie Klavierstücke', een ingenieuze collage van fragmenten uit films van katten die over piano's lopen en samen muziek van Schönberg uitvoeren.
En dat kunstwerk haal ik dan weer uit een boek dat ik aan het lezen was toen ik Iedereen is muzikaal kreeg: Ways of looking, how to experience contemporary art van Ossian Ward. Gekregen voor mijn verjaardag, in Venetië, waar de 56e Biennale woedde, dus heel toepasselijk.

Toeval bestaat, het is aan mij om verband te leggen.

Het verband is natuurlijk dat hedendaagse muziek óók contemporary art is, al heeft Ward het alleen over beeldende kunst. En dat voor beeldende kunst ook opgaat, zij het misschien in mindere mate, wat Honing over muziek schrijft, namelijk dat-ie in principe 'onverwoordbaar' zou zijn. In beide boeken komt een variant van een bekend gezegde voor: waar Ward schrijft 'beauty is in the eyes of the beholder', schrijft Honing (p. 71) 'music is in the mind of the beholder'. Een uitgangspunt dat al is terug te vinden bij William Shakespeare (Love's Labours Lost, 1588)...

Good Lord Boyet, my beauty, though but mean,
Needs not the painted flourish of your praise:
Beauty is bought by judgement of the eye,
Not utter'd by base sale of chapmen's tongues

... en David Hume (Moral and Political, 1742).

Beauty in things exists merely in the mind which contemplates them. (Bron)

Het lenen van metaforen uit andere disciplines gaat eigenlijk voor veel kunstbeschrijvingen op, ook voor literaire kritiek. Geen poëzierecensie of er komt wel een metafoor voorbij uit een andere categorie - bijvoorbeeld muziek. Zo beschrijven en beoordelen we dus muziek met poëtische en poëzie met muzikale termen. Ja, een vergelijking helpt, zou een retoricus zeggen.
Ik noem muziek en poëzie niet voor niets naast elkaar. Beide kennen klank en ritme. Honing weet me ervan te overtuigen dat muziek geen taal is (en ook geen geluid, muziek is 'luisteren naar geluid'), maar dat neemt die overeenkomst niet weg.
Henkjan Honing schreef ook boeiende en overtuigende hoofdstukken over het waarschijnlijk aangeboren maatgevoel. Dat vermogen om verschillen in maat en ritme te onderkennen kon echter ook wel eens te maken hebben met ons vermogen om woorden en zinnen te onderscheiden, zoals hij ook ergens opmerkt.

Iedereen is muzikaal gaat uitdrukkelijk over luisteren naar muziek, niet over het maken van muziek, waarin heel wat musicologen in verzanden als ik hem mag geloven. Een intelligent uitgangspunt, want je kan zoveel muziek maken als je wil, als niemand het als muziek herkent ben je erg alleen op de wereld. Dat geldt voor alle kunst. Kunst is wat wij kunst vinden en met opzet schrijf ik wij, niet ik, want hier heersen veel conventies. Dat is niet erg, zolang we ons dat realiseren en niet denken te praten als vertegenwoordiger van een Groot Gelijk.

Hier kan ik even inhaken op discussies die zich met enige regelmaat afspelen onder recensenten van jeugdliteratuur. Meer nog dan onder literatuurrecensenten i.h.a. bestaat daar de neiging om een oordeel te verabsoluteren. Een kinderboek wordt dan niet goed gevonden, maar ís domweg goed. Kinderboekrecensenten als keuringsdienst van waren, meer dan van waarden.
Iets meer bescheidenheid zou hier passen.

Terug naar Henkjan Honing.
Laat ik, voordat ik verder inga op zijn argumenten en wat leuke citaten plaats, wat complimenten maken.
Het boek is licht (dus een goed reisboek), ondanks de 207 pagina's, gedrukt in een goed leesbaar lettertype en helder geschreven. Waarmee ik bedoel dat ik het kan volgen, terwijl ik nog nooit een musicologisch werk heb gelezen. Het is wetenschapsjournalistiek van de bovenste plank (mooie, veelgebruikte metafoor), maar intussen is er wel een register, vermeldt hij zijn bronnen (honderden titels) en vat hij voorgaande opvattingen knap samen.
Er zijn QR-links naar de website Iedereenismuzikaal.nl met luistervoorbeelden. Handig! Je leest, hij noemt een voorbeeld, je zoekt achterin de QR-link op, scant hem met je slimme telefoon en voilà, een geluidsfragment. Ideaal als je op reis bent (zoals ik toen ik begon te lezen) en geen laptop o.i.d. in de buurt hebt. (Je moet wel verbinding met internet hebben.)

En voor ik het vergeet: hij mag dan met verve duidelijk maken dat bijna iedereen muzikaal is, hij vergeet niet te benadrukken dat muziek maken niet zo makkelijk is en veel oefenen vergt.
Bijna iedereen. Ergens vermeldt hij dat je zijn titel 'natuurlijk' met een korreltje zout moet nemen, en hij gaat ook in op het verschijnsel toondoofheid. Niettemin is de essentie dat maatgevoel aangeboren is en dat bovendien vrijwel iedereen tonen kan onderscheiden. Maar let wel: verschillen tussen tonen kunnen horen is nog heel iets anders dan ze kunnen nazingen.

In het hoofdstuk 'Muziek als taal' beschrijft hij hoe enthousiast de theorie van Noam Chomsky werd losgelaten op muziek - dat wil zeggen, op partituren. Er verscheen in 1983 zelfs een complete Generative Theory of Tonal Music. Zoals Chomsky met 'boomstructuren' werkte, probeerden zij ook diagrammen te maken die zouden moeten 'aangeven hoe een luisteraar losse noten interpreteert en daar een geheel van melodische, harmonische en metrische structuren uit opbouwt' (Honing, p. 46).
Honing: 'Het is natuurlijk zeer de vraag of, en in hoeverre, een partituur een perceptuele realiteit is: een afbeelding van wat de luisteraar hoort.'
Hoe je zo precies mogelijk in kaart kan brengen hoe luisteraars muziek horen, daarvan heeft hij rijkelijk veel voorbeelden uit eigen en andermans onderzoek.

Op p. 56 vat hij de verschillen tussen taal en muziek samen. Heel kort:
- muziek heeft geen syntaxis, geen grammatica zoals taal die kent.
- muziek heeft geen semantiek, 'de betekenis zit in het toonhoogteverloop, het ritme en de timing. De afzonderlijke noten zelf zijn betekenisloos'.
- muziek lijkt veel directer aan emoties te appelleren dan taal.
- muziek laat zich niet vangen in een alfabet. 'Een compositie, vastgelegd in een partituur, is in het gunstigste geval als een kookboek: het bevat instructies over het wat en hoe, maar heeft geen invloed op het savoureren, het proeven en genieten, van de bereide (muzikale) gerechten.'
En op de volgende pagina:
- muziek is niet na te vertellen.

Er mag dan geen taal in muziek zitten, er zit wel muziek in taal. Daarop gaat Honing niet in, daarover gaat zijn boek ook niet.
Het zou erg interessant zijn om de proefjes die hij op p. 105 e.v. beschrijft, over het 'geheim van de "luide rust"', op gesproken zinnen los te laten, en daarvoor dan bij voorkeur nonsenstaal te nemen zoals in 'De Blauwbilgorgel' van Kees Buddingh', 'Jabberwocky' van Lewis Carroll of desnoods 'De mus' van Jan Hanlo, hier op muziek.




Henkjan Honing. Iedereen is muzikaal, wat we weten over het luisteren naar muziek; nieuwe, uitgebreide editie. Nieuw Amsterdam, 2014, 6e druk. (1e bijdruk van de 5e, herziene druk, 2012.)

NB d.d. 1-11-2015:
Leuk berichtje in de Volkskrant van 31-10-2015:

Zingen kalmeert

Wat menig ouder al aanvoelde, is nu wetenschappelijk aangetoond: zingen werkt beter om een baby te kalmeren dan praten. Na een liedje bleven de jonge kinderen gemiddeld twee keer zo lang rustig. Bij het experiment, gepubliceerd in Infancy, zaten ouders achter hun kinderen. Zo voorkwamen de onderzoekers dat ook oogcontact of gezichtsuitdrukkingen de baby's konden kalmeren. De Canadese proefpersoontjes luisterden bovendien naar bandopnames van een pratende of zingende vrouw in een voor hen onbekende taal: het Turks. Ook het herkennen van het liedje of de stem van de zangeres speelde dus geen rol. Volgens de onderzoekers doen ouders er goed aan meer te zingen voor hun baby's.
Bron helaas niet nader benoemd.



woensdag 28 oktober 2015

Burgers laatste keer

Daar gaan we weer even.

In de Volkskrant 6-8-2015 een verslag door journalist Jeroen Visser over de 'vrijspraak voor agent die Stok neerschoot'.
'Het OM en de rechters zeggen dat burgers mondiger zijn geworden.' Dat OM en die rechters zijn dus zelf kennelijk geen burgers.

En op 8 september was er een bericht omtrent de Overdiepse Polder, waar acht boeren wonen in splinternieuwe boerderijen op splinternieuwe terpen. Een initiatief van boeren, omdat deze polder bij heel hoog water onder mag lopen. Geciteerd wordt ene Peter van Rooy, die 'intermediair was tussen bewoners en overheid'. "Iedereen heeft de mond vol over burgerparticipatie. Maar het is vooral de overheid die beter moet participeren. Die meer zijn best moet doen, sneller moet opereren en beter moet luisteren naar de burgers."
Hier telt de overheid eerst al geen bewoners (ambtenaren en bestuurders wonen niet, kennelijk), en vervolgens ook geen burgers, waaruit we zouden mogen afleiden dat burgers nooit bij de overheid werken. Of ze zijn ambtenaar van negen tot vijf en daarna burger, of zo.
Boeren worden hier overigens bij burgers gerekend.

Op Prinsjesdag ging het natuurlijk ook weer over burgers, aan wie de regering, volgens de Volkskrant 14-9-2015, iets 'geeft'. En 'ook is het goed voor de consumptie, als mensen meer geld in de portemonnee overhouden.' Begrijp ik het goed en bestaat de regering niet uit mensen? En is het goed voor 'de consumptie' als mensen geen geld uitgeven? (Want 'in de portemonnee overhouden'.) En is 'de consumptie' een na te streven doel? O ja, de 'belastingbetaler' duikt natuurlijk ook weer op, want die 'mag wel eens wat terugkrijgen'. (Waarom eigenlijk?)

In Duitse berichten komen Gutbürger en Wutbürger langs, mooi gevonden, en in eigen land hebben we tijdens de instroom van extra vluchtelingen veel 'boze burgers', en in De Groene Amsterdammer van 22-10-2015 kwamen 'pleinburgers' langs, een term van Herman van Gunsteren die slaat op mensen die liever op het plein democratie bedrijven als in het stemhokje, en enkele bladzijden verder 'betrokken burgers', die mee zouden moeten denken over wat universiteiten onderzoeken en ook 'bedrijven en burgers' kwamen langs.
Waaruit ik opmaak dat universitaire onderzoekers en bedrijfsmedewerkers geen burgers zijn.

Ik kan zo eindeloos doorgaan en dat lijkt me vervelend.

Afrondend concludeer ik dat burgers vooral die anderen zijn, voor wie we werken. Bestuurders, rechters, politici, militairen, politiemensen en andere ambtenaren, onderzoekers, bedrijfsmedewerkers, allemaal hebben ze het over burgers alsof zij dat zelf niet zijn. Of alleen in hun vrije tijd.
De burger is het functieloze, amorfe wezen tot wie je je richt.
De burger is niks.
Of we zijn het allemaal. Op de koning na, misschien.

NB d.d. 23-5-2016. Deze kon ik niet laten schieten: in De Groene Amsterdammer van 19-5-2016 maakt recensent Loek Zonneveld onderscheid tussen bons en burger.





maandag 26 oktober 2015

Een persbericht van IBBY Nederland, ik neem het integraal over:

'Om degenen die erg veel aan beheer, voorlichting, onderzoek en publicaties betreffende de geschiedenis van de Nederlandstalige kinder- en jeugdliteratuur hebben gedaan, te eren en anderen te stimuleren om ook tot bijzondere resultaten op dit terrein te komen, heeft de Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur in 2000 de Hieronymus van Alphen Prijs ingesteld, thans bestaande uit een toepasselijk beeldje van de beeldend kunstenaar Marion Ruting en een oorkonde. De prijs wordt sinds 2008 eens in de twee jaar uitgereikt. Op vrijdag 22 oktober werd de prijs voor de twaalfde keer uitgereikt en wel aan prof. dr Rita Ghesquière.

Enkele passages uit het juryrapport:

De laureaat heeft in Vlaanderen  de basis gelegd voor het academisch onderzoek naar de jeugdliteratuur, zowel die uit Nederland en Vlaanderen als uit andere landen. Als hoogleraar literatuurwetenschap in Leuven gaf zij, want zij is al enkele jaren met emeritaat, vanaf 1980 colleges over jeugdliteratuur en dat was in die tijd nog niet echt heel gebruikelijk binnen de universiteiten. Daarmee droeg ze in belangrijke mate bij aan de emancipatie van het onderzoek naar de Nederlandstalige jeugdliteratuur.

‘Talrijk zijn haar publicaties over jeugdliteratuur. Bij elkaar geven ze blijk van haar brede en veelzijdige deskundigheid op dit terrein. Of het nu gaat om het benaderen van kinder- en jeugdboeken vanuit een receptie-theoretische invalshoek, of over het recenseren ervan, de verhouding jeugdliteratuur – volwassenenliteratuur, leesbevordering, uitgeverijgeschiedenis, filosofische aspecten van jeugdliteratuur, jeugdliteratuurhistorische thema’s – de laureaat heeft er haar licht over laten schijnen. Geen onderzoeker of docent jeugdliteratuur kan om haar publicaties heen. Het verschijnsel jeugdliteratuur (in 2000 verscheen een zevende druk onder de titel Jeugdliteratuur in perspectief) kan inmiddels een standaardwerk genoemd worden.’

‘En als laatste wapenfeit noemen we de vorig jaar verschenen geschiedenis van de Nederlandstalige kinder- en jeugdliteratuur, Een land van waan en wijs, dat zij samen met Helma van Lierop-Debrauwer en Vanessa Joosen mogelijk heeft gemaakt en waaraan zij ook meerdere hoofdstukken heeft bijgedragen. Kortom, een veelheid aan activiteiten en indrukwekkende publicaties om het onderzoek naar de kinder- en jeugdliteratuur te verdiepen en te verbreden, te stimuleren en onder de aandacht te brengen.’

‘Dit veelzijdige werk vraagt om waardering. Bij haar afscheid als hoogleraar in Leuven werd een vriendenboek met de mooie titel Eeuwige jeugd gepubliceerd, een vriendenboek waarin een groot aantal onderzoekers, auteurs, uitgevers en recensenten een bijdrage over een favoriet jeugdboek leverde. Deze bijdragen laten nog eens zien welk een grote invloed de laureaat op generaties jeugdliteratuuronderzoekers en -schrijvers heeft gehad. Wij willen deze hulde graag uitbreiden met een prijs. En we zijn ervan overtuigd dat iedereen in de zaal nu wel weet dat de Hieronymus van Alphenprijs 2015 alleen maar kan gaan naar prof. dr Rita Ghesquière.’

Meer informatie is te verkregen bij de Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur'




Afgezien van de treurige tautologie kinder- en jeugdliteratuur gun ik Rita Ghesquiere deze beloning van harte. Zij was en is een constante factor in de bestudering van jeugdliteratuur en verleende ook graag haar medewerking aan allerlei activiteiten op dat gebied.
Ze komt vaak over als een wat traditionele dame, maar je kan je vergissen, getuige haar uitlating over de universiteit als mannenbolwerk in haar afscheidscollege toe ze met emeritaat ging (2010). Ik citeer uit een interview (Mededelingenblad van de Leuvense Germanisten 2010/1):

'Professor Ghesquière beschreef in haar afscheidscollege de academische wereld als “eerder een jongens- dan een meisjesboek”. Al zijn er de laatste jaren meer vrouwelijke collega’s dan toen zij benoemd werd, de academische wereld is toch nog steeds voor een groot stuk een mannencultuur. “Als je kijkt naar de algemeen beheerder en de mensen die de reële macht hebben, of naar de manier waarop de universiteit wordt bestuurd, dan is het inderdaad een mannelijke wereld.'
Waaraan ze volgens de interviewers toevoegde
'Ook bij de studenten die talen studeren, is de situatie nu wat evenwichtiger verdeeld dan vroeger. Hoewel meisjes daar nog steeds de bovenhand halen, zijn er opnieuw meer jongens die voor een studie talen kiezen dan pakweg twintig jaar geleden.'


zaterdag 10 oktober 2015

Verhalen lezen: goed voor inlevingsvermogen?

In 2013 publiceerden D.C. Kidd en E. Castiano een artikel in Science (342, p.377-380) met de conclusie al in de titel: 'Reading literary fiction improves theory of mind'. Volgens de summary: 'Understanding others' mental states is a crucial skill that enables the complex social relationships that characterize human societies. Yet little research has investigated what fosters this skill, which is known as Theory of Mind (ToM), in adults.' [...] 'Specifically, these results show that reading literary fiction temporarily enhances ToM. More broadly, they suggest that ToM may be influenced by engagement with works of art.'
Vreemd om dat (tijdelijke) vermogen 'theory of mind' te noemen. Het is toch geen theorie? Enfin.
Zulk onderzoek is natuurlijk koren op de molen van leesbevorderaars. Ha, lezen heeft Nut!

Twee onderzoekers van de VU dachten: dit gaan we nog eens doen. Het resultaat publiceerden ze in De psycholoog oktober 2015. Het resultaat is teleurstellend: 'hoe robuust de resultaten van Kidd en Castano in eerste instantie ook leken, uit deze replicatiestudie en de effectenanalyses blijkt dat lezen van literaire fictie niet zonde rmeer en zelfs niet tijdelijk bijdraagt aan een verbetering Theory of Mind. Verdere replicatiestudies van experimenten uit de oorspronkelijke studie moeten uitwijzen of het effect überhaupt repliceerbaar is.
Hoe dan ook lijkt het nogal voorbarig om mensen aan te zetten tot het lezen van literaire fictie met als doel het inlevingsvermogen in anderen te verhogen. Hoe mooi dit idee in principe ook klinkt, het blijkt in een onafhankelijke meting empirisch niet robuust te zijn.'

Wat jammer nou...

De moeilijkheid zit 'm wellicht in de toegepaste onderzoeksmethode. (De VU-auteurs stellen daarbij relevante vragen.)
Want oefening baart kunst, en je regelmatig verplaatsen in een ander, ook in een fictieve ander, zou toch enig effect kunnen hebben. Anderzijds, hier hebben we de kip-of-het-ei-vraag, misschien lezen mensen die toch al een goed inlevingsvermogen hebben juist daardoor graag verhalen...
En waarom dat ietwat kunstmatige onderscheid tussen literaire en andere fictie?

woensdag 23 september 2015

Debutant?

Jaap Robben won de ANV Debutantenprijs 2015 met Birk.
Dat is natuurlijk fijn voor hem en ik misgun hem deze prijs zeker niet. Birk is ook formeel zijn eerste roman voor volwassenen.
Maar Jaap Robben debuteerde als schrijver in 2004 met Twee vliegen, een bundel gedichten en columns. Daarna volgden De nacht krekelt, Zullen we een bos beginnen?, De zuurtjes, Als iemand ooit mijn botjes vindt, Josephina, een naam als een piano en in 2014, dus tien jaar na zijn 'debuut', Birk.

De hoofdpersoon in Birk is een jongen, Mikael, die worstelt met de manier waarop zijn vader in zee verdween.
Ik heb de roman (nog) niet gelezen, maar uit de omschrijving maak ik op dat dit werk heel wel gelezen zou kunnen worden voor tieners. Het lijkt een strategische keuze van uitgeverij De Geus om het als een roman in het algemeen, dus impliciet voor volwassenen, te presenteren. Daar is niets op tegen! Als het gaat om lezers van veertien en ouder is er geen enkele scherpe scheidslijn te trekken tussen 'adolescenenliteratuur', 'young adult' en werk zonder etiket (dus voor iedereen, 'literatuur zonder leeftijd'). Dus misschien was het niet alleen een strategische, maar ook een principiële keuze van de uitgever.

Toch lijkt het hier alsof je pas echt schrijver bent als je niet (meer) voor kinderen en/of adolescenten schrijft en Jaap Robben nu pas meetelt in de wereld van de knetterende letteren.
En dat terwijl bijvoorbeeld de gedichten in Als iemand ooit mijn botjes vindt toch echt ook voor grote mensen zeer genietbaar zijn.
Gezegd dient te worden dat de jury dit werk wel noemt.
'Jaap Robben (Oosterhout, 1984) schrijft sinds 2000 gedichten en korte verhalen voor zowel kinderen als volwassenen. Hij publiceerde vier dichtbundels, waarvan Zullen we een bos beginnen? in 2008 op de shortlist voor de Gouden Uil voor jeugdliteratuur stond.
In april 2014 verscheen zijn debuutroman Birk, die zeer lovend werd ontvangen. Het boek ontving al de Boekhandelsprijs en de Dioraphte Literatour Publieksprijs. Birk wordt in een aantal talen vertaald en wordt verfilmd.'

En 'de ANV Debutantenprijs is een literaire prijs voor debuterende auteurs van een oorspronkelijk Nederlandstalige roman of verhalenbundel'. Dus misschien is hier niet zozeer sprake van het negeren van jeugdliteratuur als wel van het overwaarderen van een literair genre.
Vreemd, want de moeder van alle literatuur is natuurlijk de poëzie, niet de roman.

dinsdag 22 september 2015

Zwaan laat het waaien

Marjolein Hof en Ceseli Josephus Jitta maakten samen een bijzonder poëtisch prentenboek over zwangerschap.
Nee, geen voorlichting en zo. Hier is een moeder, Zwaan, die wacht op haar man, want pas als hij er is wil ze het kind baren. Dat kind spreekt ze toe in witte letters. Maar het kind wil eruit! Dat wordt verteld in zwarte letters, door een anonieme verteller.
Zoals in ieder goed prentenboek zijn het de prenten die er toe doen.




Bekijk de voorkant. We zien een figuur die iets lijkt te roepen door een heel grote toeter, vanaf een bult in dezelfde kleur als de toeter. De toeter doet me denken aan het toetertje (de hartjeshoorn) waarmee verloskundigen luisteren naar geluiden in de buik van de zwangere vrouw. De bult - wel, de buik van een hoogzwangere vrouw!

Zo komt de weg vrij voor meer associaties. Het kuipje waarin Zwaan bij aanvang van het verhaal zit - een halve eierdop, de visjes in zee, de wind...

Het verhaal begint zo:
Iedere dag kijkt Zwaan naar de zee. Soms ziet ze een meeuw en soms ziet ze een wolk.
Dat is alles. Heel soms ziet Zwaan in de verte iets wits.
Ze hoopt op een boot, maar het is weer een meeuw.

En in witte letters eronder:
Luister goed, kleine: Je zit in mijn buik en je mag er niet uit. Nu nog niet.

Die wind komt er. Maar voordat die opsteekt, doet Zwaan moeite om wind te maken. Met een föhn, een scheet,..



..., met een fietspomp, een grote turbine aan twee slagroomkloppers en allerlei andere werktuigen. Het verhaal (ook de titel!) suggereert effect: 'De wind begint te loeien.'
Het huis zucht en steunt.
En Zwaan zucht en steunt.

En roept tot twee keer toe: 'Wacht nog even!'.

Het kind gaat er uit als vader Leon aan land komt.



En na het omslaan van de bladzijde neemt Leon  de kleine in zijn armen.

Hier ben ik dan.
Bijna te laat, maar de wind hielp niet mee. Eerst bleef hij weg. Toen kwam hij van de verkeerde kant. Snap jij daar iets van? Ik moest helemaal om en wat duurde dat lang!

Ik kan mij voorstellen dat sommige kleuters dit een prachtig en spannend verhaal vinden, als ze worden voorgelezen. Kleuters met een vader en een moeder zullen goed snappen dat moeder vader erbij wil. In een gelukkig gezin is uitleg overbodig. Verder is het grappig (die machinerie om het te laten waaien) en spannend - hoe loopt dit af.
Veel volwassenen zullen terugdenken aan hun eigen ervaringen. Inderdaad, wat duurde het lang... En dat zuchten en steunen als een huis is zeker herkenbaar.
Het zijn de woorden, de kleuren en vormen en het ritme die dit in harmonische samenwerking een mooi verhaal maken. Om te beschrijven en te tonen hoe dat gaat, is het nodig om alle prenten te tonen. Dat ga ik niet doen, is meer iets voor een lezing, dus laat ik het hier bij.
Het is een voorbeeldig prentenboek voor fijnproevers.

Marjolein Hof & Ceseli Josephus Jitta. Zwaan laat het waaien. Querido, 2011. ISBN 978 90 451 1281 7.

Eh, ja, uit 2011. In 2015 ontvangen in verband met de update van de website bij Verborgen talenten. En ik vond het de moeite van het bespreken waard. Vandaar.




woensdag 9 september 2015

50 jaar Revue des livres pour enfants

In 1962 werd La Joie par les livres opgericht, een vereniging met als doel het bouwen van een moderne jeugdbibliotheek in een volkswijk. Die bibliotheek verrees in 1965 in Clamart, een voorstad van Parijs, en staat daar nog steeds: de Petite Bibliothèque Ronde (zie ook hier).
Tegelijk werd ook een tijdschrift gestart, althans, een reeks brochures, La revue des livres pour enfants, met artikelen (ieder nummer een dossier), nieuws en recensies.
Dat tijdschrift bestaat nog steeds, net als La Joie par les livres (sinds 2008 onder de hoede van de Bibliothèque nationale de France), en het vijftigjarig bestaan wordt gevierd in nummer 284 (september 2015).




Men zou een terugblik verwachten, maar de redactie besloot juist vooruit te kijken, onder de titel '50 ans... et après?' (50 jaar... en daarna?).
Boekhistoricus Roger Chartier voorspelt groei van het e-lezen, zij het langzaam, want veel lezers, ook jonge lezers, blijken nog gehecht aan het livre-papier, het papieren boek. Hij cmaakt daarbij gebruik van gegevens uit een doctoraalthesis ('thèse de doctorat') van Domenico Chiappe, waarvan hij helaas geen titel vermeldt. Hij denkt dat het papieren boek nog lang naast het e-boek zal bestaan, maar natuurlijk wordt de jongste generatie beïnvloed door de digitale media.
Bij dat academische vertoog blijft het, want de overige bijdragen zijn vooral interviews.
Bijvoorbeeld met Colline Faure-Poirée (Gallimard / Giboulées Jeunesse) en Julien Magnani (Editions Magnani), die beiden nog een hartstochtelijk pleidooi voor goede jeugdliteratuur houden, of zoals Colline zegt: 'C'est une vocation, c ést une passion. Elle sollicite les enfants et leur dit des choses qui ne peuvent pas être dites autrement. De cela j'en suis sûre.' (Het is een roeping, een passie. Jeugdliteratuur daagt kinderen uit en spreekt ze aan op een manier die niet anders zou kunnen. Daarvan ben ik zeker.)
Of met Clementine Beauvais, naar aanleiding van haar roman Les petites reines. Interessant, maar wat het met de toekomst te maken heeft wordt me niet duidelijk. Misschien omdat ze blogt? Dat is in ieder geval (ook) de aanleiding voor het interview met Marion Montaigne, en met Tom en Nathan Lévèque, beiden 18 jaar en beiden bloggend over jeugdliteratuur (zie hier en hier).
Wel over de toekomst gaat 'Ma médiathèque dans dix ans...' en natuurlijk kon zo'n artikel in La revue niet ontbreken want 'c'est par, pour, avec les bibliothécaires que ces 284 numéros de La Revue des livres pour enfants ont pu exister'. De redactie (auteur niet vermeld) sprak met drie jonge bibliothecarissen.
En dan is er ook nog een zich in 2065 afspelend verhaal van Johan Heliot, 'Suis-je une légende?', een 'nostalgique incursion dans le futur quotidien de la dernière bibliothécaire jeunesse sur Terre, année 2065'. Merk op dat de bibliothecaris een vrouw is!

Voor het overige bevat dit nummer (van 200 p.) de vertrouwde berg recensies en nieuws. Voor wie een abonnement wil: zie hier.




donderdag 3 september 2015

Onderzoek jeugdliteratuur

De International Board on Books for Young people (IBBY) is een internationale vereniging die zich ten doel stelt:
- to promote international understanding through children's books
- to give children everywhere the opportunity to have access to books with high literary and artistic standards
- to encourage the publication and distribution of quality children's books, especially in developing countries
- to provide support and training for those involved with children and children's literature
- to stimulate research and scholarly works in the field of children's literature
- to protect and uphold the Rights of the Child according to the UN Convention on the Rights of the Child.

Allemaal behartenswaardige doelen, vind ik. IBBY is een vereniging van op dit moment 77 nationale verenigingen en instellingen, die ze nationale secties noemt.
De Nederlandse sectie is actief met diverse projecten en het uitgeven van Literatuur zonder leeftijd, een academisch vaktijdschrift in boekvorm.
Een van die projecten is het uitloven van prijzen, onder meer voor onderzoek naar jeugdliteratuur. En omdat die sectie niet heel erg veel begunstigers telt, citeer ik voor deze prijs de oproep die secretaris Toin Duijx onlangs verstuurde.

De Miep Diekmann prijs voor jeugdliterair onderzoek wordt tweejaarlijks uitgereikt aan de auteur(s) van de beste Nederlands- of Engelstalige masterthesis op het gebied van de studie van de kinder- en jeugdliteratuur. Onderwerpen kunnen zowel literatuurtheoretisch als -historisch van aard zijn. Onderzoek expliciet naar leesvaardigheid, functies van lezen, leesattitude of lezen in relatie tot audio-visuele en/of digitale media komt niet in aanmerking voor deze prijs.

De Miep Diekmann prijs voor jeugdliterair onderzoek bedraagt 750 euro. Naast het toekennen van de prijs, zijn twee eervolle vermeldingen mogelijk. Gestreefd wordt naar het publiceren van een artikel n.a.v. de bekroonde thesis in de publicatiereeks over de studie van de kinder- en jeugdliteratuur: Literatuur zonder leeftijd.

De Miep Diekmann prijs voor jeugdliterair onderzoek is een voortzetting van de LM Boerlage-prijs, die tot 2007 werd uitgereikt door het Letterkundig Museum en in goed overleg is overgedragen aan de stichting IBBY-Nederland. In 2014 ging de prijs naar Marloes Schrijvers voor haar masterthesis  Life writing through text and image in children’s literature. A multimodal analysis of authenticity and dual address in autobiographical picture books.

Reglement voor 2016

De Miep Diekmann prijs voor jeugdliterair onderzoek wordt in het voorjaar 2016 uitgereikt voor een masterthesis die aan een Nederlandse of Vlaamse universiteit is voltooid in de academische jaren 2013-2014 en 2014-2015
De masterthesis dient vóór 15 oktober 2015 in viervoud te zijn ingediend bij het secretariaat van de stichting IBBY-Sectie Nederland.
Het bestuur van de stichting IBBY-sectie Nederland stelt een deskundige jury in die de inzendingen zullen beoordelen op onder meer de volgende aspecten: de mate waarin de thesis belangwekkende nieuwe informatie bevat, de methodologische kwaliteit, de wetenschappelijke waarde en de helderheid van de argumentatie/onderbouwing.
De beraadslagingen van de jury zijn geheim en zullen uitmonden in een rapport, waarin duidelijk de keuze van de winnaar wordt gemotiveerd. Als de jury tot het besluit komt dat niet één van de ingezonden theses aan de verwachtingen voldoet, kan zij beslissen de prijs niet toe te kennen.

De masterthesis dient vóór 15 oktober 2015 in viervoud te worden gestuurd naar:

Fac. FSW, afd. AGP
IBBY-Nederland
t.a.v. Toin Duijx
Wassenaarsweg 52
2333 AK Leiden

zondag 16 augustus 2015

Engels lezen

Ik was eind juli en begin augustus op reis.
In mijn bagage zaten de verhalenbundel van Alice Munro, Dear Life (2012), en de roman Stoner van John Williams. In mijn tablet zit de verhalenbundel Stone Mattress van Margaret Atwood, en de roman Lucky Us van Amy Bloom. Meegenomen omdat ik verwachte op Europa Cantat veel Engels te praten - Hongaars is me een stap te ver. Aan Stoner kwam ik niet toe en Lucky Us las ik thuis verder.

Omdat ik de twee verhalenbundels door elkaar las (Dear Life overdag, 's avonds Stone Mattress) kreeg ik de neiging de twee met elkaar te verwarren. Ik vermoed dat dat vooral kwam door de taal. Engels lezen vind ik anders dan Nederlands lezen. Meer daarover hieronder. Ook speelde een rol dat in beide bundels de locaties in Canada zijn, de tijd vlak na de oorlog en dat in beide bundels verhalen zitten waarin ouder worden een thema is. Beide auteurs zijn Canadees en ook nog eens generatiegenoten. En ook zal een rol hebben gespeeld dat ik de verhalen tussendoor las en verder bezig was met zingen - zelf of als luisteraar, en het verkennen van een vreemde stad (Pécs).

In Dear Life van Alice Munro komen opvallend veel kinderen hoofdpersonen voor, meestal als vertellers die terugblikken op hun kindertijd.
In 'To reach Japan' is de hoofdpersoon Greta volwassen, maar ze heeft een dochter, Katy.
In 'Leaving Maverley' draait het om het tienermeisje Leah.
In 'Gravel' gaat het om jeugdherinneringen en de onopgeloste dood van de oudere zus van de vertelster. Ook 'Haven' bestaat uit jeugdherinneringen, van een vertelster die door haar ouders bij een orthodox-gelovige oom en zijn volgzame vrouw is geparkeerd. Zelf zijn ze in Afrika. En 'Pride' begint eveneens uit jeugdherinneringen, al reikt het verhaal tot in de ouderdom. Idem 'The Eye', en 'Night'. Zeven verhalen uit tien. In twee verhalen, daarentegen, zijn de hoofdpersonen juist heel oud: 'In sight of the lake' en 'Dolly'. En in 'Corrie' worden ze oud, net als in 'Pride', dat een heel leven beschrijft.
Het zijn prachtige verhalen, vind ik. (En ik besef dat ik niet de enige ben, Munro is overladen met prijzen, tot en met de Nobelprijs in 2013.) Flinke tik melancholie, levens die net iets anders verlopen dan gehoopt. Misverstanden. Het kale leven op het platteland en in de kleine stadjes van Ontario.

De 'finale' bestaat uit vier verhalen die worden gepresenteerd als 'not quite stories. They form a separate unit, one that is autobiographical in feeling, though not, sometimes, entirely so in fact. I believe they are the first and the last - and the closest - things I have to say about my own life.' Ook deze vier verhalen staan vol jeugdherinneringen.
Ga er maar aan staan: fictie of niet?
Op p. 292 staat de intrigerende zin:

I think that if I was writing fiction instead of remembering something that happened, I would never have given her that dress. A kind of advertisement she didn't need.

Ook laat ze de vertelster (p. 307) opmerken:

My mother had two miscarriages before she had me, so when I was born, in 1931, there must have been some satisfaction.

Alice Munro is geboren in 1931.

En op p. 309:

You would think that this was just too much. The business gone, my mother's health going. It wouldn't do in fiction.

Kortom, Munro over Munro, is de suggestie. Maar wat moeten we dan met 'autobiographical in feeling, though not, sometimes, entirely so in fact'? Wellicht zijn ze niet meer dan een experiment, een schrijfoefening - hoe zou het zijn om verhalen te presenteren als autobiografisch. Ze voert een verteller op met haar eigen naam, kiest de stijl van memoires - en laat het aan de lezer over om te beslissen wat fictie is en wat niet. En ja, wat is fictie? Is alle navertelde werkelijkheid al niet een beetje fictie?
Munro's verhalen zijn levensverhalen - autobiografisch of niet. (Ook in de andere verhalen zit veel eigen ervaring.)

De verhalen van Margaret Atwood zijn wat grilliger, wat wreder, ze deden me denken aan de verhalen van Roald Dahl, met name 'The freeze-dried groom' en 'Stone mattress', het titelverhaal met een mooie moord annex wraak.
Ook 'Lusus naturae' mag er zijn: een meisje verandert na haar zevende (ze had mazelen) in een soort zombie, vampierachtig, met gele ogen, roze tanden, rode nagels en overal groeiend haar, mauwend meer dan sprekend. Ze sterft, tot opluchting van haar familie, en wordt spook, eindelijk vrij. Ze leeft 's nachts van aardappelen, maar vergaloppeert zich bij het zien van een vrijend stel.
De eerste drie verhalen vertonen een samenhang: zelfde personages, ander perspectief, een boeiend drieluik.
Ze raakten me minder dan de verhalen van Alice Munro, maar waren intussen toch heerlijk om te lezen.

Lucky Us van Amy Bloom begon ik nog in Pécs te lezen toen ik Stone Mattress uithad, en dat zorgde even voor een andere verwarring met Munro, want ook dit verhaal betreft jeugdherinneringen. Die verwarring duurde erg kort, Lucky Us is heel andere koek.
Het begint zo.

My father's wife died. My mother said we should drive down to his place and see what might be in it for us.

Eva vertelt hoe ze op haar twaalfde werd afgeleverd bij haar vader en haar vier jaar oudere halfzus Iris. Halverwege dat eerste hoofdstuk ('I'd know you anywhere') vertelt ze:

I was thirteen before I understood that my mother wasn't coming back to get me.

En aan het eind van datzelfde hoofdstuk lopen ze weg naar Hollywood, waar Iris een glanzende carrière hoopt te maken. Vanaf dat moment begint, met Eva als terugblikkende laconieke verteller, een soort road trip door de VS en het leven die tien jaar later eindigt in 220 Old Tree Lane, Great Neck, New York, verrassend met een soort happy end.
Die tien jaar gebeurtenissen lijken wel een soort cakewalk, waarin de hoofdpersonen steeds haastig op een andere band moeten springen om niet te worden vermalen. En hoe gelukkig het eind ook mag lijken, twee hoofdpersonen halen dat eind niet en sterven, een aan de gevolgen van een brand, de ander aan kanker. Liefde en dood, verraad en trouw, de lach en de traan, het zit allemaal in dit meesterlijke verhaal. Lezen! Desnoods in vertaling. Ik ga er hier niets meer over vertellen.

Engels lezen

Dat Engels anders leest dan Nederlands ligt niet alleen aan onbekende woorden, die het lezen vertragen doordat ik ze wil opzoeken. (Zodat ik nu weet wat climbing up and down the honeysucker trellis betekent, en dat moest ik echt weten om het verhaal te volgen, want daarover klimmen Eva en Iris het raam uit. En het vervelende is dat ik dan ook wil weten wat honeysucker voor plant is al doet dat er voor het verhaal niet toe. Kamperfoelie dus. Ook weet ik nu wat een teeter-totter en een dyke zijn: een wipwap en een pot, niet zo een waarin je kookt. Maar Iris, zoals Francisco zegt: 'You've officially become the most boring dyke in America'. Enzovoort.)

Hoe leg ik dat uit, met een muzikale metafoor of in lexicale termen. Om met dat laatste te beginnen, ik kan een woord wel opzoeken in het woordenboek, maar dan mis ik nog de vele connotaties en de geschiedenis van het woord en dat geldt in meer of mindere mate ook voor de woorden die ik wel ken. (De meeste, gelukkig, zoveel hoef ik nu ook weer niet niet op te zoeken.)
De muzikale metafoor: alsof je een langgerekte toon hoort maar de bijtonen mist. De toon wordt een beetje die van een dwarsfluit in plaats van een viool of cello.
De uitdaging voor een vertaler is een versie te maken die de Nederlandse lezer ongeveer dezelfde connotaties (bijtonen) levert als de Amerikaanse lezer. Ik ben benieuwd hoe Paul Syrier het heeft gedaan in Wij geluksvogels (Nijgh & Van Ditmar), dus ik ga dat boek t.z.t. lenen.
Voorlopig stemt de titel al tot vergelijken. Mooi gevonden, 'Wij geluksvogels', toch vind ik 'Lucky Us' rijker aan connotaties en mooier want laconieker.

Er zijn natuurlijk woorden die me in beide talen niet genoeg zeggen. 'Mother's sorority sisters' roept even weinig in me op als haar moeders sororitas-vriendinnen of -zusters, want met die club heb ik nooit van doen gehad, behalve dat een mij vertrouwde Amsterdamse kinderboekrecensente me ooit toevertrouwde lid te zijn van die club. Hier begrijp ik dus direct wat er bedoeld werd, ik hoef niets op te zoeken, maar toch mis ik wat connotaties. Ik weet nog dat het op me overkwam als een wat sjieke club voor, om eens een Engelse term te gebruiken, well-to-do vrouwen (dames).

Dit klinkt allemaal alsof Engels lezen in het algemeen trager zou gaan. Dat is niet zo. Met name de verhalen van Alice Munro laten zich zo makkelijk lezen dat ik het idee krijg dat Engels me geheel vertrouwd is en soms kom ik ineens een zin tegen waarbij ik me afvraag hoe ik dat in het Nederlands zou vertalen, bijvoorbeeld (in 'Pride'):

There was still that strange hesitation and lightness about her, as if she were waiting for life to begin.
She went away on trips of course, and maybe she thought it would begin there. No such luck.

No such luck.
Uiteindelijk kwam ik op:

Ze maakte natuurlijk uitstapjes, en misschien dacht ze dat het daar zou beginnen. Pech voor haar.

Maar dat is eigenlijk te sterk voor het laconieke 'no such luck' (dat heel erg correspondeert met het even laconieke 'just my luck'), dus misschien kan het ook zo:

Ze maakte natuurlijk uitstapjes, en misschien dacht ze dat het daar zou beginnen. Nee dus.

Net zo'n zinnetje (uit Lucky Us) dat ik meteen begrijp, zonder dat meteen een mooie vertaling weet:

For Iris, Mrs Gruber was very much yesterday's egg sandwich.

Maar er blijven dingen die ik moet opzoeken en soms gaat er een wereld voor me open, bijvoorbeeld bij het zoeken naar info over Emily Post, de Amerikaanse Amy Groskamp-ten Have. Er blijkt dan een heel Emily Post-instituut te zijn, met diverse nazaten. De boekjes van Emily Post dienen als voorbereiding op sollicitatierondes, na Iris' (en dus ook Eva's) vertrek uit Hollywood. (Ja, want die glanzende carrière wordt helaas in de kiem gesmoord.)
Of wanneer ik er in Hongarije pas enkele hoofdstukken Lucky Us achter kom dat elke hoofdstuktitel een oud Amerikaans liedje is, wat me natuurlijk prompt aan het youtuben zet want ik wil ze allemaal horen. En dat A tisket a tasket een oud Amerikaans wiegeliedje is, opnieuw populair gemaakt door Ella Fitzgerald. En eggplant parm leverde me een recept op dat ik prompt heb toegepast.
Die liedjes in Lucky Us leveren overigens soms ironisch commentaar - het loont de moeite ze op te zoeken. Zie hier de tekst van 'I'd know you anywhere', bij dat eerste hoofdstuk waarin Eva door haar moeder gedumpt wordt bij haar onbekende vader:

I'd know you anywhere, I'd know that grin,
I'd know you anywhere when you walked in,
I would tingle with a single glance in your eye,
Watching the starlight dance in your eye.

You saw my vacant stare, you understood,
I'd love you anywhere, honest I would,
I was certain this would happen, strange as it seems,
I'd know you anywhere from my dreams.


  


Margaret Atwood. Stone Mattress. Nanatalese / Doubleday, New York, 2014. ISBN 978 0 385 53913 5 (e-boek).
Amy Bloom. Lucky Us. Random House, New York, 2014. ISBN 978 0 8129 9600 5 (e-boek).
Alice MunroDear Life. Vintage International / Random House, New York, 2012. ISBN 978 0 8041 6891 5.