Zoeken in deze blog

zaterdag 1 februari 2014

Van zoenen blijf je dun

Het dagboekverhaal mag gerust een apart genre in de jeugdliteratuur genoemd worden. Ik heb er zoveel zien langskomen dat ik de tel kwijt ben en de titels heb ik niet genoteerd. Wellicht komt het fictieve dagboek percentsgewijs in de jeugdliteratuur nog vaker voor dan in de literatuur in het algemeen.
Sue Townsends Adrian Mole, die voor het eerst opdook in The Secret Diary of Adrian Mole, Aged 13¾ (1982), is een bekend voorbeeld van zo'n quasi-dagboekanier. The Catcher in the Rye (1951), van J.D. Salinger, niet eens bedoeld als jeugdliteratuur, is wellicht het klassieke model, dat veel auteurs inspireerde.



Of Sjoerd Kuyper met Hotel de Grote L zijn 40-jarig schrijverschap wou vieren, dat weet ik niet. Maar het is een gaaf voorbeeld van zo'n dagboekverhaal, met alle voor- en nadelen.
Résumé:
Verteller is Kos, een jongen van dertien. Hij vertelt met terugwerkende kracht over een bijzondere periode in zijn leven. Het relaas zou de geschreven versie zijn van een geluidsopname. Tussendoor staat hier en daar cursief gedrukt commentaar. Op de duur wordt duidelijk dat dit van vriendin Isabel is, op wie Kos wanhopig verliefd is.
Kos' moeder is drie jaar geleden overleden en zijn vader krijgt een hartaanval op het moment dat Kos het winnende doelpunt maakt in een voetbalwedstrijd. Terwijl vader in het ziekenhuis ligt, proberen Kos en zijn drie zussen Libbie, Briek en Pel het hotel in stand te houden. Ze worden belaagd door boze gasten en schuldeisers, maar krijgen steun van o.a. een Tuvalees voetbalelftal (zie hier!, ook Foppe de Haan wandelt in dit verhaal rond). Uiteindelijk komt alles op zijn pootjes terecht, kunnen Isabel en Kos elkaar eindelijk zoenen, en vindt ook vader weer een liefde.

De voordelen. Sjoerd Kuyper ging onder het mom van zijn jonge verteller lekker los. Het verhaal heeft een hoog variété-gehalte, vol slapstick en zelfs met verkleedpartij. De zussen veranderen lichtjes in karikaturen, zoals dat aannemelijk is in het perspectief van een dertienjarige broer: Libbie, de oudste, moedert dat het een aard heeft en papt aan met stamgast Felix, gothic Briek verdwijnt het liefst in haar muziek en weigert op de meest ongelukkige momenten te helpen, nakomertje Pel zwiert rond in moeders jurken en doet vreemde dingen met eten. In Kos' visie zou alles in de soep lopen als hij er niet was, maar uit zijn relaas blijkt wel dat zijn zussen daar heel anders over denken.
Hun vader houden ze voor dat de zaakwaarnemer fantastisch werk levert. Die zaakwaarnemer is er echter niet, ze houden de boel al improviserend en blunderend zelf overeind en weren een brutale schuldeiser en andere boze elementen af. Fraai weet Kos te beredeneren dat dit jokken voor vaders welzijn is, even fraai verwoordt hij zijn gevoelens voor Isabel, die zoals gezegd zelf ook hier en daar aan het woord komt. (Waardoor de lezer al weet dat het uiteindelijk goed zal komen.)
Dat Kos op een gegeven moment verkleed als Briek aan een Miss-verkiezing deelneemt, is ook pure noodzaak in zijn perspectief. Dat er op een gegeven moment elf voetballers uit Tuvalu arriveren, is de normaalste zaak van de wereld. Sjoerd Kuyper heeft hier leuk wat onalledaagse werkelijkheid in het verhaal gestopt, en en passant een Ajax-jeugdscout met zijn eigen achternaam getooid. (Of-ie daarbij heeft gedacht aan sporttalentscout Ed Kuijper is me niet bekend.)
Kortom, een verhaal vol wilde wendingen en vondsten, dat absoluut veel jonge lezers zal bevallen. Het leest, zoals dat heet, als een trein, werkt op de lachspieren en bevat ook nog een vleugje romantiek en een vleugje tragiek.

De nadelen. Die jongensstijl, die verteller die would-be leegloopt voor een opnamemicrofoon (van de bandrecorder van kok Walput, ook al zo'n slapstickfiguur), die verteller ratelt soms maar door.
Waar een verteller op afstand karig met woorden zou zijn omgesprongen (zoals bijvoorbeeld in de verhalen over Robin, van Sjoerd Kuyper), daar buitelen ze hier over elkaar heen.

Voorbeeld (p. 164-165).
'Jongens zijn graag alleen, Meisjes kunnen dat niet. Jongens hebben genoeg aan denken, meisjes willen wat ze denken ook nog zeggen. Hardop. Tegen andere meisjes. We kregen toen er nog gasten kwamen vaak vriendinnenclubjes in ons hotel. Nooit vriendenclubjes. Vrouwen roddelen graag over mannen, dat weet ik want ik heb ze gehoord. Mannen roddelen nooit over vrouwen. Want we komen allemaal uit een vrouw, uit je moeder, en over je moeder spreek je geen kwaad. Misschien zou het beter zijn als jongens uit hun vader werden geboren. Maar dan lig je meteen, hallo wereld, na je geboorte in een struik borsthaar aan een lege tepel. Ik denk dat er over honderd jaar geen mannen meer zijn. We zijn er niet meer nodig met al dat DNA. Als je een wolharige neushoorn wilt in plaats van een Kos, kan dat. Dara heb je geen man voor nodig. Onthouden voor mijn volgende spreekbeurt: "De man als bedreigde diersoort". Daarom gaan mannen zich steeds meer gedragen als vrouwen. En eruitzien als vrouwen. Ik ben er een goed voorbeeld van. Mannen gaan minder werken en schattig voor de kindjes zorgen en overhemden strijken. Want op de dag dat ze de mannen afschaften, moet je zorgen dat ze denken dat je een vrouw bent.
Ik ben echt een meisje aan het worden. Ik kan niet slapen omdat ik bloedzenuwachtig ben voor morgen maar ik heb alles over vandaag al verteld en dus ga ik dingen liggen verzinnen. Ik zei in het begin toch al dat meisjes zo hun dagboek vol krijgen? Ongeveer net zoals ze hun bh vol krijgen. Ik ben zenuwachtig omdat ik voor meisje moet spelen maar ik ben nog zenuwachtiger omdat ik Isabel weer zie. En dan vergeet ik de talentendag nog. Expres. Shit. Isabel. Ze zal denken dat ik Briek ben. Ze moet denken dat ik Briek ben. Als ze me dan omhelst zoals ze Briek omhelsde. "Het leek wel seks," zei die vriendin. En als ik dan hetzelfde krijg als bij het dansen. Dat zal gek staan met een jurk aan. Ik wou dat papa er was. Als papa thuiskomt, gaan we voetballen en vissen op zee en vanaf het balkon naar mensen kijken en ontzettend lachen om vrouwen. Klik.'

Nog een voorbeeld (p. 155).
'Stom dat ik dat zei: Ik was op Isabel. Alsof dat haar kon troosten. Maar ze nam het me niet kalijk. Want ik aaide haar arm en ze duwde mijn hand niet weg. Ik heb niet gehuild om Isabel. Ik huil gewoon niet. Dat heb ik al eens verteld, dat is een beslissing van me. Maar ik snap heel goed dat zij huilde. Dat ik gisteren huilde, toen alles goed was met papa en ik de hele tijd aan mama moest denken, dat was echt maar voor één keer. Ik ga niet huilen om Isabel. En omdat Briek wel huilde om Akelei vond ik het voor haar veel erger dan voor mij. Terwijl dat eigenlijk andersom is. Zij ziet Akelei nooit meer gterug, en dat klinkt heel dramatisch, maar ik moet Isabel nog zeker vijf jaar lang iedere schooldag zien. Kan ik fijn kijken met welke jongen ze wel gaat. Of jongens. Dat is erger volgens mij. Hoewel, Briek raakte iemand kwijt die veel van haar houdt, ik raakte iemand kwijt die mij haat. Dan is dat van Briek toch weer erger.' Ratelderatel.

Een laatste voorbeeld (p. 109-110).
'Maar ik was niet jaloers op mijn zussen die opeens alle drie wel iemand hebben. Nu ik dit vertel, twee dagen later, bedenk ik opeens: ik ben wel jaloers op mijn zussen. Niet op Pel maar op Libbie en Briek. Want als jonger kind maak je minder vader en moeder mee dan als oudste. Veel minder. Libbie heeft zes jaar langer een moeder gehad als ik en ze heeft pap gekend toen hij nog jong was. Dun ook. Dan snap ik niet maar je hoort vaak dat het zo gaat. Ze zoenden zich suf, mama en papa, en als je dan opeens geen zoenen meer krijgt en je neemt voor iedere zoen die je mist een slok bier, dan ben je algauw honderd kilo. Van zoenen blijf je dun. Een gast in het hotel, een vrouw die met haar man en acht kinderen aan de grote tafel zat, zei: "Het maakt niet uit of je acht kinderen hebt of één, je geeft je kinderen alle liefde die je hebt. Daat stop je al je energie in. In die acht of in die ene. Je bent aan het einde van de dag net zo uitgeput. En net zo blij." Dus eerst was alle liefde van papa en mama helemaal alleen voor Libbie.' Enzovoort.
Vermakelijk, maar vermoeiend.

Edoch dient vermeld dat deze overdadige stijl wel past bij een wat onbesuisd karakter, en dat klopt en past in het verhaal.
Dit verhaal is onvervalst variététheater met hier en daar wat ernstigs. Bij dat genre is enig behulpzaam toeval niet storend, en komische overdrijving is de toon. Daar is Sjoerd Kuyper in geslaagd. Maar wat mij betreft had hij zijn jonge verteller iets meer in toom mogen houden.

Een (ander) voorproefje is hier te vinden.

De omslagillustratie, overigens, past bij een boek voor 9+. Nu is het ook best te lezen voor die leeftijdsgroep, toch zou ik een omslag hebben gemaakt dat ook oudere lezers trok.

Sjoerd Kuyper. Hotel de grote L. Lemniscaat, 2014. ISBN 978 90 477 0542 0.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen