Zoeken in deze blog

woensdag 17 juni 2026

Boeken in de prullenbak

Een  bijzonder berichtje op het platform Biebtobieb:
 
Je vindt een stapel boeken in de prullenbak. Wat doe je?

Het klinkt als een hypothetische situatie. Maar voor steeds meer leesmediaconsulenten en educatiemedewerkers is het de realiteit. Scholen maken bezwaar tegen titels over genderidentiteit of diversiteit. Medewerkers schuiven boeken stilletjes door de shredder. Of een school weigert de collectie simpelweg van tevoren al.
En dan? Houd je voet bij stuk? Of beweeg je mee om betrokken te blijven?

Op 24 september gaat Ingrid van Osch samen met Esther Erdtsieck-Blaaser, Arjanne Mastenbroek en theoloog Janneke Stegeman dit gesprek aan: het gesprek dat je in jouw bibliotheek ook een keer gaat voeren. Want de signalen zijn er al.
Na deze sessie ga je naar huis met iets wat je meteen kunt gebruiken: de woorden om je eigen standpunt te verwoorden en te verdedigen. Naar scholen, naar samenwerkingspartners en naar jezelf.
 
Deze sessie is er speciaal voor leesmediaconsulenten, educatiemedewerkers en managers die werken aan de schoolbibliotheek of jeugdcollectie.
 
Het Kennisfestival Democratie & Burgerschap op 24 september 2026, Prodentfabriek, Amersfoort, 'is er voor bibliotheekprofessionals die merken dat hun werk verandert en die daar niet alleen over willen praten, maar mee aan de slag willen'.
Tickets hier.
 
Sympathiek: men gaat er op voorhand vanuit dat bibliotheekmedewerkers tegen het verwijderen van boeken 'over genderidentiteit of diversiteit' zijn. Kennelijk zijn er geen bibliotheekmedewerkers van ultraconservatieve annex zwaargelovige snit, of die zijn niet aangesloten bij Biebtobieb, platform voor bibliothecarissen.
Waarbij zij aangetekend dat een goed verhaal nooit over 'over genderidentiteit of diversiteit' gaat, maar over het wel en wee van personages, over vreugde en verlies, leven en dood. Maar als motief kan het wel meespelen, natuurlijk. En goede non-fictie over seksualiteit, identiteitsbeleving of huidskleur verwijderen, tja... dan zijn we ver van huis.
Of zulke zeer conservatieve dan wel zeer nationalistische onderwijsgevenden dan ook het nieuwe 'bouwstenenpakket' voor werken met het nieuwkomersonderwijs van Bibliotheek op school afwijzen...? Wie weet.

maandag 15 juni 2026

Ode aan Pluk

Citaat uit 'Hoe verdedig je een plek waar niets is?' van Arjen van Veelen, NRC 13-6-2026:
 
Ik was toen allang weer thuis in Nederland. Ik had de kinderen op bed gelegd, op mijn telefoon kwamen foto’s binnen van een ravage alsof een tornado was gepasseerd. Wat bleek: toen Bob even weg was om boodschappen te doen, hadden bulldozers zijn huis verwoest, inclusief al zijn persoonlijke bezittingen en foto’s. En Rusty was kwijt.

Op Facebook las ik boze berichten van buren. 'Hebben die mensen zwarte harten en geen ziel?', vroeg er een (een vraag die ik ook aan het bedrijf heb voorgelegd, vooralsnog geen reactie). Ik voelde een machteloze kwaadheid opkomen, alsof alle vernietiging op aarde zich geconcentreerd had op de trailer van Bob. Ik dacht aan zijn dolende kat en aan het stukje plant – en toen aan een boek dat in de kamer van de kinderen rondslingerde.

Het gaat over een kraker die een heilig grondje redt met behulp van een kluizenaar die hem softdrugs geeft. De held rijdt eerst als een nomade door de stad, dakloos, „want alle huizen waren vol” – aldus Pluk van de Petteflet uit 1971 van Annie M.G. Schmidt. Uit pure noodzaak overweegt hij om maar in het park te overnachten. Daar fluistert een duif hem in dat er bovenin een woontoren van twintig verdiepingen nog een kamertje leeg staat.

„Denk je dat ik hier zomaar mag wonen?”, vraagt Pluk.

„Ja hoor”, zegt die duif, „Het staat leeg.”

Dus hij trekt er in, samen met een „intelligente” en „beleefde” kakkerlak. Die duif woont in de Torteltuin, een „echt, wild, woest bos” met varens, mos en bomen –  in feite gewoon een verwilderde tuin, „de struiken groeien er maar raak”. Dit slordige wildernisje wordt bedreigd: het moet een tegelpleintje worden „met een keurig bloemperk”. Pluk gaat hulp zoeken bij de „kluizenaar”, een soort hippie die off grid leeft in het bos. Een lange reis, hij neemt liefst 24 boterhammen mee.

De tocht lijkt uit te lopen op een echec: hij krijgt van de kluizenaar enkel een zielig plantje mee. Maar dat blijken Hasselbramen te zijn, een magische plant die volwassen mensen spelplezier geeft: „zodra je ervan eet wil je spelen in plaats van werken”.  De foute types eten van de bramen en vergeten de Torteltuin te betegelen. Eind goed, al goed.

Datacenter in de Torteltuin

Ik vond het schokkend om terug te lezen. Een historische spiegel. Want het boek mag nog steeds razend populair zijn; wat die lieve Pluk deed – een leeg huis betrekken – hebben we als maatschappij een halve eeuw later gebrandmerkt als crimineel gedrag (zie de Wet kraken en leegstand uit 2010). En op lsd of hasj in kinderboeken zijn we ook niet meer zo happig. Het verhaal zou sowieso heel anders gaan. In de Torteltuin zou een datacenter komen, Pluk zou in een participatietraject belanden waarin hij mocht co-creëren over de kleur van de nieuwe bloembakken. Hij zou eindeloos handhavingsverzoeken pennen en quick scans laten uitvoeren om de waarde in euro’s van de zogeheten ‘ecosysteemdiensten’ te berekenen – net op tijd zou hij beseffen dat wat op het spel stond niet dat wildernisje was, maar zijn ziel. Het vermogen om in wat struweel een magisch woud te zien en in een mondje bramen een lsd-trip.

Toen begreep ik waarom Bob de kluizenaar die twinkeling had in een hopeloze situatie. Hij had ook gegeten van de hasselbramen. Hij bezat dat magische voorstellingsvermogen. Hij kon een scheepskerkhof aanzien voor een luxe marina en een caravan voor een kasteel. Hij had die wildheid van hart, die geen bulldozer kan pletten, althans dat hoop ik maar; in ieder geval begreep ik nu welk plantje hij me had meegegeven, dat moesten dan ook vast hasselbramen zijn. En ik wist nu hoe je een heilig grondje redt. Namelijk: niet. Landjes waar je niets hoeft, hoef je zelfs niet te redden. Het enige wat je met je leven moet bevechten is het vermogen om ze te blijven zien.
 
Einde citaat. Het is ook online te vinden, officieel alleen voor abonnees van NRC, maar misschien gunt de krant je een gratis download. Wie weet.
Die Bob de kluizenaar kwam hij tegen op een bijna (helaas) vergeten stukje Londen.
 

zaterdag 13 juni 2026

Goud voor Goudrijder?

Aan het getal zeven worden vanouds magische eigenschappen toegekend. De zevende hemel, de zeven dagen van de week, de zeven geitjes, de zeven raven, de zeven dwergen, de zes zwanen plus Elisa en in de literatuur hebben we nu naast de zeven zussen van Lucinda Riley en de zeven broers van Alexis Kivi ook de zeven broers van Maya, die zo graag goudrijder hadden willen worden.

Ze werden het niet. Maya, de tengere jongste, moet het worden, zij werd gehaald. Zij moest met de goudvogel naar de bergen om goud voor de koning te halen. Tot zover maakt De Goudrijder van Maren Stoffels een sprookjesachtige indruk, met een motief dat ook te vinden is in Krekel, van Annet Schaap, waar we ook de zes broers en Eliza van de gebroeders Grimm tegenkomen.
Maar waar Krekel het hele verhaal door prachtig balanceert op de rand tussen sprookje en werkelijkheid, is in De Goudrijder het sprookjesachtige alleen in het begin aanwezig.
Dat is deels een gevolg van de stijl, die vanaf het begin niet echt sprookjesachtig is, dus niet die van een achteraf verteld verhaal ('er was eens'), maar die van een live radioverslag, bijna een hoorspel als je zelf de beschreven geluiden toevoegt. Dat suggereert een hoog werkelijkheidsgehalte, alsof het verhaal zich hier en nu afspeelt.
Het begint (hoofdstukje 'De nacht van de keuze') zo: 
 
Vier harde klappen op de voordeur.
Maya's hart staat even stil.
Dit was hún voordeur.
Op het bed onder haar hoort ze Carlos naar adem happen.
Haar andere zes broers schieten overeind.
En er klinkt een gil. Hard en schel door de nacht.
Dat is haar moeder...
Maya heeft haar weleens vaker horen gillen, zoals die keer toen Luis uit de boom viel tijdens het klimmen en een paar tellen lang knockout was.
Maar deze gil is nog veel harder.
Er wordt nog viermaal op de voordeur geklopt. Vier doffe bonzen.
Hun moeder moet opendoen, anders krijgt ze een boete. Die is zo hoog dat ze het nooit zal kunnen betalen.
Dat doet de koning van Terwin expres.
Op die manier doet elke moeder uiteindelijk open.
Ook Maya's moeder. 
 
We horen de gil, het bonzen op de deur. Tegelijk zorgt de verslaggever (let ook op de onvoltooid tegenwoordige tijd) voor wat achtergrondinformatie, zo natuurlijk mogelijk, maar toch. Zeven broers, ja. Interessante namen als Maya, Carlos en Luis. En een koning.
Het bijna-hoorspel gaat verder.
 
Maya hoort voetstappen naar de deur gaan en het slot wordt eraf gehaald.
'Hij komt voor mij,' fluistert Luis. 'Ik weet het zeker.'
'Echt niet,' zegt Benjamin. 'Hij komt voor mij!'
'Ík mag mee,' zegt Carlos.
 'Stil nou!' Doordat haar broers allemaal door elkaar praten, kan Maya de stem van de man niet goed horen. Wat zegt hij? Voor wie komt hij?!
 'Nee!' hoort Maya haar moeder huilend zeggen. 'Nee, nee, nee...'
Heeft hij al iemand genoemd?
De zware voetstappen komen richting de slaapkamer. Dan gaat de deur open.
Maya ziet een man staan, helemaal in het goud gekleed.
In zijn hand houdt hij een ouderwetse lantaarn, waar een vlammetje in brandt.
 
Nou ja, zo gaat het verder. Excuses voor het onderbreken van het hoorspel. Je hóórt het slot dat 'eraf wordt gehaald'.
Het is verleidelijk om wat close-reading op zo'n passage los te laten. Drie broers zeggen iets en niet tegelijkertijd want ze reageren op elkaar, dat is niet 'allemaal door elkaar praten' en ook de typografie wekt niet die indruk want elk zinnetje begint op een nieuwe regel. De verteller kruipt even in Maya's hoofd: 'heeft hij al iemand genoemd?'. 'In het goud gekleed' of 'in goud gekleed'? 'Met gouden kleren aan' of 'in een goudkleurig pak' was misschien handiger geweest. 'Ouderwetse lantaarn'? Dat suggereert dat het gewone licht daar met een knop aan en uit gaat, of is het bedoeld voor de luisteraar-lezer die zulke knopjes gewend is?
 
Dit hoorspeldrama gaat zo nog even door. Vijf pagina's, 105 zinnen in 121 regels, gebruikt de verteller om ons te vertellen dat Maya als goudrijder is uitgekozen. Geschat zo'n 1000 woorden, een kwartiertje voorlezen, 't is een mooie aflevering. En nu naar bed, morgen de volgende. Er zijn 19 hoofdstukjes, 19 afleveringen, maar het idee van een hoorspel wordt op p. 100 e.d. wel doorbroken doordat daar een berichtje en een brief opduiken, in een ander lettertype...
 
 
 
Goudrijder? Nadere uitleg in de tweede aflevering. 
 
Elk jaar moet een kind de nieuwe Goudvogel over de bergen vliegen.
Een levensgevaarlijke opdracht, die alleen een kind kan uitvoeren. Als een volwassene op de rug van de Goudvogel gaat zitten, gebeurt er namelijk niets.
 
Die Goudvogel groeit op in een buis in het reusachtige Goudgebouw. Ieder jaar wordt een ei uitgebroed. Daarna 'vliegt de eenjarige vogel met een kind op zijn rug terug naar de bergen om goud te zoeken'. 
Hier in de tweede aflevering krijgen we op p. 17 te horen waarom: dat goud gaat naar de koning. Wat die met dat goud moet wordt niet verteld. Zo gaat dat in sprookjes. We horen ook dat die goudvogels tamelijk gevaarlijk kunnen zijn. En ettelijke afleveringen verder komen we erachter dat ze kunnen praten, althans op hun manier. Sommige goudrijders hebben geleerd hoe, Maya zal dat ook leren. En er zijn goudrovers die het gemunt hebben op goudrijders en hun vogels.


 
Misschien is de Engelse term fantasy geschikter voor wat ons wordt voorgeschoteld dan sprookje. In oude sprookjes is meestal weinig aandacht voor de zieleroerselen van personages, hier volop, zo niet teveel. En er is een onverwachte wending die maakt dat onze hoofdpersoon iets leert, zich ontwikkelt. Haar vlucht met de goudvogel verloopt niet volgens plan. Er duikt ook nog een kind op dat als vermist werd beschouwd, haar buurjongen Tomas, broer van haar hartsvriendin Lia, en na de nodige verwikkelingen samen leren ze de volwassenen een lesje: goudvogels zijn helemaal niet zo gevaarlijk, maar worden wel uitgebuit en slecht behandeld. Ja, er is zelfs een Goudvogel-bevrijdingsfront! Toe maar. En de goudrovers blijken zich, heel eigentijds, met pickup-trucks te verplaatsen. We zijn nu echt aangeland in een rasecht modern verhaal voor kinderen, met 'avonturen' (p. 134)! Dus loopt het ook onwaarschijnlijk goed af. Hoe precies, dat blijft hier in het midden.


 
Jammer. 
Met het originele idee van de goudvogels en goudrijders had auteur Maren Stoffels een prachtig cultuursprookje kunnen schrijven, à la Hans Christian Andersen. Met motieven als de nog immer actuele tegenstelling tussen arm en rijk, de vertroebelende werking van goud, en ouder-kind-relatie.
Door de gekozen stijl, die van de live verslaggeving met de vele vele dialogen, verzandt het in een gewoon doorsnee verhaal waarvan er al zoveel zijn. Niets mis mee hoor, en wellicht spannend genoeg voor de negenjarige lezer, maar niet opvallend. Leuk hoor, dat het zo goed komt met mens en goudvogel dankzij Maya en Tomas, maar kinderen die volwassenen een lesje leren is echt een afgekloven motief en dan gaat het verhaal nog niet eens in op de prangende vraag wat de koning (of de roversbende) met al dat goud moet. En dan die stijl...
Gemiste kans.
Temeer daar de illustraties van illustrator Jeska Verstegen dat sprookjesachtige wel hebben. Mooi gedaan, die dubbelpagina-platen. 
 
 
Stoffels, Maren. De Goudrijder. Illustraties Jeska Verstegen. Leopold, 2026. ISBN 978 90 258 8954 8, 142 p.    

zaterdag 6 juni 2026

Europa is best wel groot

Floris had een avontuurlijk leven.
Hij veroverde allerlei gebieden.
Hij veranderde regels,
zodat boeren baas werden over hun eigen land.
Hij moordde een heel dorp uit,
op zoek naar het lichaam van zijn vader.
Hij zorgde dat er dijken kwamen,
om het lage land te beschermen tegen de zee.
Hij bouwde kastelen, zoals het beroemde Muiderslot.
Hij werd bondgenoot van Engeland en later van de Fransen.
Floris maakte vrienden van vijanden en vijanden van vrienden.

 
Dit is een citaat uit ABC van de MIDDELEEUWEN, hoofdstuk 'Floris de Vijfde', met authentieke regelindeling. 
 
Dat van die bondgenootschappen wordt niet verder toegelicht, 'allerlei gebieden' ook niet en waarom hij zo nodig een heel dorp uit moest moorden om het lichaam van zijn vader te vinden evenmin.
Voor welke lezer is dit bedoeld?
 
Nog een citaat, nu uit ABC van de AARDE, hoofdstukje 'Aardbeving'.
 
De aarde is een planeet: een grote bol die om de zon draait.
Wij leven op planeet aarde.
Kijk maar onder je voeten.
Daar is ze: planeet aarde.
 
Onder je voeten beweegt de grond..
Net zo snel als je nagels groeien.
Heel langzaam dus.
Daar merk je helemaal niks van.
Of toch wel?
 
De aarde lijkt wel op een leren voetbal. 
De buitenkant bestaat uit losse stukken.
Die stukken noem je platen.



En nog een, uit het hoofdstuk Uitbarsting.
 
Teken eens een vulkaan. Ik wacht wel even.
Je mag ook kleur gebruiken. Rood, oranje, geel...
 
Klaar?
Dan ga ik raden hoe hij eruitziet.
Is het een soort driehoek?
Komt er rook uit je vulkaan?
 
Dat laatste citaat als voorbeeld van een verteller die zich hier en daar manifesteert, een 'ik' die zich verder niet voorstelt en zo nu en dan de lezer aanspreekt.
 
In ABC van de MIDDELEEUWEN onder 'Jong' is een antwoord te vinden op de vraag voor wie dit boek is bedoeld.
 
Hoe oud ben jij?
Zo! Gefeliciteerd!
In de middeleeuwen haalden veel kinderen die leeftijd niet.
Vooral bij de geboorte ging het vaak mis.
Zo'n bevalling is natuurlijk ook niet niks.
Vraag maar aan je moeder.
En die had tenminste nog een schoon bed en schone handen.
Dat had in de middeleeuwen heel wat levens kunnen redden.
 
Kinderen van jouw leeftijd gingen meestal niet naar school.
Meisjes sowieso niet.
Nergens voor nodig, zei de kerk.
 
Mochten we even denken dat deze boekjes bedoeld waren voor volwassenen die moeite met lezen hebben, dan worden we hier gecorrigeerd. 
Vermoedelijk zijn ze bedoeld voor kinderen die moeite met lezen hebben.
Waarom begin anders elke zin op een nieuwe regel,
soms zelfs een bijzin?
In veel oude boekjes voor het eerste leesonderwijs zien we dat ook.
Men dacht dat kinderen dat makkelijk vonden.
Maar dat is een misverstand.
Er zijn allerlei manieren om te schrijven voor mensen(kinderen) die moeite met lezen hebben.
Iedere zin op een nieuwe regel beginnen hoort bij geen enkele manier.
Dus houden wij er ook maar mee op.

Grosso modo zijn er twee categorieën leesproblemen. De ene heeft te maken met een gebrek aan vaardigheid om letters te kunnen onderscheiden, een baaierd aan ernstige leesproblemen die vaak met het containerbegrip dyslexie worden aangeduid. De andere heeft te maken met te weinig kennis van woorden en beeldspraak. In deze laatste categorie bevinden zich relatief veel mensen (jonge mensen) met een andere moedertaal dan Nederlands, maar niet uitsluitend want er zijn ook mensen met Nederlands als moedertaal (of een dialect ervan) die van huis uit weinig taalkennis meekrijgen.
 
Het is niet direct duidelijk welke categorie kinderen baat zou hebben met de teksten in zowel ABC van de AARDE als ABC van de MIDDELEEUWEN.
Voor beide categorieën moet je vooral eenduidig schrijven. 'Onder je voeten beweegt de grond', hoezo? Staan we op een cakewalk? Doorgaans beweegt de grond onder je voeten niet, tenzij bij een aardbeving. Als de bedoeling was iets over platentektoniek te vertellen: wij bewegen mee met de grond, dus die 'beweegt' niet 'onder onze voeten'. En wat moeten we met een platitude als 'Zo'n bevalling is natuurlijk ook niet niks'?
Laten we aannemen dat deze reeks (als het er een wordt...) voor beide categorieën zijn bedoeld. Preciezer: weetgierige maar niet heel leesvaardige kinderen vanaf een jaar of negen.  
 
Voor komende deeltjes dus alvast drie adviezen voor auteur Marc ter Horst
Ten eerste, laat taal vloeien en begin niet iedere zin op een nieuwe regel. Bouw mooie, korte alinea's.
Ten tweede, vermijd beeldspraak die misverstand teweeg kan brengen. Dit advies voor alle zekerheid, hij heeft er zich al goed aan gehouden.
Ten derde, schrijf geen onzin, zie die grond die onder onze voeten zou bewegen. 
O ja, en bedenk dat niet ieder lezertje in de Randstad woont, en CO2 dus niet als seejootwee maar mogelijk gewoon als seotwee uitspreekt. Wellicht wordt het dan nog wat met deze reeks. 
 
Dat klinkt wat zuur, dus toch nog een compliment. Leuk idee onder Berg in ABC van de AARDE om de lezer het boek te laten 'omdraaien' (met de omslag naar boven leggen bedoelde hij) en tegen de zijkanten te duwen, om te tonen hoe bergen ontstonden. 
 
 
 
Horst, Marc ter, & Tjarko van der Pol. ABC van de AARDE en ABC van de MIDDELEEUWEN. Gottmer, 2025. ISBN 978 90 257 8143 9 en 978 90 257 8144 6, 60 p.