... en nu lijkt het wel definitief, zie ook mijn vorig bericht, vooral als u geen licht opgaat.
Hoewel, Hanneke Koene schrijft in haar redactioneel
' Tot en met juni zullen er onderwerpen aan het blad worden toegevoegd. Op het moment dat ik dit schrijf, kan ik nog niet precies alle onderwerpen benoemen, omdat de opnames nog gemaakt moeten worden. '
Dus ze blijft ons nog even verrassen met bijdragen over jeugdliteratuur. Zoals deze keer een flink deel Annie M.G. Schmidtlezing door Els Beerten, doorschoten met stukjes interview óver die lezing, die vooral ging over het schrijverschap en leraarschap van Els Beerten, begrijp ik nu. (Ik heb de lezing niet bijgewoond.)
Overigens wordt die lezing naar ik aanneem want zoals gewoonlijk ook afgedrukt in het tijdschrift-in-boekvorm Literatuur zonder leeftijd.
Dat wordt uitgegeven door de Nederlandse sectie van de International Board on Books for Young people (IBBY). Die sectie heeft zowel een website als een Facebook-pagina. Het meest recente bericht op die pagina dateert van 19 februari en kondigt een aflevering van Literatuur zonder leeftijd die inmiddels verschenen is (binnenkort bespreking in dit blog). De website is iets meer bij de tijd, op dit moment, maar wekt toch eveneens de indruk dat de sectie tijd of energie ontbeert om aan communicatie te werken. Jammer, want die sectie is nog steeds actief en nog altijd verdient jeugdliteratuur meer aandacht dan ze nu krijgt,
Jammer dus dat Licht op lezen stopt.
Dit blog meandert uit over allerlei zaken die (soms wat losjes) met lezen en schrijven te maken hebben. Rode draad: jeugdliteratuur verdient aandacht.
Zoeken in deze blog
dinsdag 23 juni 2015
dinsdag 9 juni 2015
Kuifje!
Ik citeer uit Rechtspraak:
'Het gebruik van de werken van Hergé – de geestelijk vader van Kuifje – door het Hergé Genootschap in de periode van 2009 tot 2012 is door de rechtbank Den Haag niet verboden. Het Belgische bedrijf Moulinsart, dat om een dergelijk verbod vroeg, heeft onvoldoende aangetoond dat het Hergé Genootschap inbreuk heeft gemaakt op haar auteursrechten door Kuifje-tekeningen in haar eigen publicaties te gebruiken.
De rechtbank oordeelt dat er sinds 2000 een overeenkomst tussen Moulinsart en het Hergé Genootschap bestond die nooit is opgezegd en op grond waarvan Moulinsart toestemming voor dergelijk gebruik heeft gegeven. Moulinsart stelde dat opzegging van de overeenkomst niet nodig was, omdat deze in haar ogen niet bestond.
De rechtbank oordeelt verder dat door Moulisart onvoldoende is aangevoerd om te kunnen aannemen dat het Hergé Genootschap met het gebruik van de domeinnaam kuifje.nl inbreuk maakt op een woord/beeldmerk van Moulisart waarin het bestanddeel “Kuifje” is opgenomen.'
Er ging grondig speurwerk aan vooraf en er zal na afloop ongetwijfeld een fles champagne geopend zijn.
Ik citeer nog even:
'Eerst was dat niet zo, zegt Jan Aarnout Boer, voorzitter van het Hergé Genootschap. De verhouding met Moulinsart was vriendschappelijk en informeel. Er was ooit een overeenkomst getekend over het gebruik, en het Genootschap hoefde niets te betalen. Dat gold ook voor de vele andere fanclubs en genootschappen die wereldwijd zijn gewijd aan het werk van Hergé.
Maar dat veranderde in 2009.
„Toen was er een wisseling van de wacht bij Moulinsart. Al het contact moest opeens lopen via twee nieuwe juridische medewerkers, en we moesten een nieuwe overeenkomst tekenen.” Alle genootschappen moesten tekenen, en forse bedragen betalen voor het gebruik van de afbeeldingen uit de albums. Boer: „Er zijn meer genootschappen geweest die advies hebben gevraagd van advocaten. Maar niemand heeft het aangedurfd om het op een procedure te laten aankomen, behalve wij. Ze hebben allemaal getekend, of ze zijn gestopt.”
Moulinsart heeft een stevige reputatie op het gebied van het beschermen van de Kuifje-rechten. Het vehikel van de intussen hertrouwde Hergé-weduwe Fanny Rodwell procedeert tegen iedereen die zonder toestemming afbeeldingen van Kuifje gebruikt, ook als dat in parodieën of spotprenten is.' (Link van mij)
Juist die hebberige, gulzige opstelling veroorzaakt vrolijk leedvermaak na deze uitspraak van de rechtbank.
Zoals NRC Handelsblad schreef: 'Het past wel bij een rechtszaak over een stripverhaal: een kapitaalkrachtige, grote partij, die genadeloos procedeert tegen een nietige Kuifje-hobbyclub, maar de zaak als een boemerang terugkrijgt en nu ineens met lege handen staat. Boem. Op alle punten verslagen. Na een lang proces met verborgen overeenkomsten, plotselinge eiswijzigingen en geïrriteerde rechters.'

Ook Sylvia Witteman had het bericht gelezen. In 'Witteman heeft iets gelezen', haar rubriek in de Volkskrant, d.d. 6-6, beschrijft ze onderhoudend hoe haar liefde voor Kuifje in haar puberteit verminderde.
'Toen ging ik me natuurlijk ook die dingen afvragen die je als kind voor kennisgeving aanneemt. Kuifje was 'reporter' maar je zag hem nooit een stuk tikken. En waarom zag hij eruit als een 14-jarige jongen, met die malle plusfours? Waarom had hij geen ouders, vrouw, kinderen? Waarom moest hij nooit naar de wc?
Rond die tijd, het zal in de jaren tachtig geweest zijn, verscheen ook de eerste seksparodie. Kuifje in Zwitserland heette die, meen ik. Een naakte, hijgende Kuifje, Bianca Castafiore als sm-meesteres; het was helemaal niet leuk. Het was verschrikkelijke heiligschennis.
Vanaf toen ging het alleen maar verder bergafwaarts. Mijn oma stierf en de hemel weet wat er met die oude albums gebeurd is: ík heb ze niet. In de nieuwste drukken werden de geheimzinnig-oubollige Vlaamse dialogen uit de originele strip hertaald naar 'gewoon' Nederlands. Postuum kreeg Hergé allemaal politiek-correct gezeur over zich heen omdat Kuifje zich nogal bazig had opgesteld tegen krom pratende negertjes en ook weleens een neushoorn had opgeblazen.
De betovering was verbroken.'

Voor sommigen duurt die betovering nog voort.
zondag 7 juni 2015
Heimwee naar een taal
Talen, ze zijn er langer dan ons geheugen reikt, dus weten we niet precies hoe ze ontstonden. Geleerden trachtten verwantschappen aan te tonen en verdeelden ze in families. Daarnaast fabriceerden mensen nieuwe talen, geheimtalen, gebarentalen, piepjestalen, wat niet al. Idealisten maakten talen bedoeld voor universeel gebruik (Esperanto, Volapük), wat nooit lukte.
Heimwee brengt mensen ertoe een taal te blijven spreken, vaak om een bijbehorend wij-idee in stand te houden. 'Wij Friezen spreken Fries.' Wij Bretonnen, wij Welshmen, wij Ieren, wij, enfin, vul maar in.
Wij Tapeba, bijvoorbeeld. Uit een stuk door Mieke Zijlmans in de Volkskrant 6-6-2015 begreep ik dat er ten noorden van Fortaleza in Brazilië mensen wonen die graag zo over zichzelf en hun familie, vrienden en buren denken. 'Wij Taleba.' 'Een Indianenvolk dat zo'n zevenduizend zielen telt.' Ongeveer evenveel dus als er inwoners zijn van de plaatsen Heino en Den Burg (Texel).
'Deze Tapeba hebben een droom: ze willen hun oorspronkelijke moedertaal leren.' [...] 'Ze hebben die taal nodig: als onderdeel van een eigen identiteit, waarmee ze aanspraak kunnen maken op landrechten in Brazilië.' Het is dus een droom met praktische consequenties. 'Wij Tapeba' willen ons land terug. Het is nu van de Brazilaanse deelstaat Ceará, de aanpalende stad Fortaleza rukt op en daar hebben 'wij Tapeba' geen zin in.
Om die droom te verwerkelijken hebben 'wij Tapeba' de hulp ingeroepen van de taalgeleerde Leo Wetzels. Daarover ging dat stuk, over het reconstrueren van hun taal. Een soort Esperanto voor zevenduizend mensen, maar dan niet gebaseerd op Indo-Europese talen maar op het Tupinambá, de op Amazone-Indiaanse talen gebaseerde lingua franca die eeuwenlang gangbaar was aan de Braziliaanse noordkust, ook wel Nheengatú genoemd (spreek uit: Njeëngatóe met de g van goal).
Hierachter schuilt natuurlijk een botsing tussen wereldbeelden, verwachtingen, tradities, arm en rijk en nog zo wat. Niet tussen talen: op dit moment spreken 'wij Tapeba' allen Braziliaans-Portugees, dezelfde taal als de inwoners van Fortaleza spreken, en die andere rond 200 miljoen inwoners van Brazilië.
Het is een heimwee die verder gaat dan die van sommige Ieren naar het Iers en Bretonnen naar het Bretons. Tenslotte bestonden die talen nog toen actievelingen ervoor zorgden dat ze een kontje mee kregen, met cursussen, radiostations, tweetalige plaatsnaamborden enzovoort. Maar nu las ik dus voor het eerst over een groep die uit heimwee een verdwenen, maar toch als 'eigen' ervaren taal opnieuw wil leren. Nou ja, nieuw, het Nheengatú schijnt nog hier en daar gesproken te worden. Maar ja, is dat de taal van 'ons Tapeba'? Hij is nota bene mede door missionarissen in stand gehouden.
'Jawe jasu ja muña kwa muraki!' '"Vast en zeker zal het ons lukken dit project tot een goed einde te brengen"'.
Succes!
Heimwee brengt mensen ertoe een taal te blijven spreken, vaak om een bijbehorend wij-idee in stand te houden. 'Wij Friezen spreken Fries.' Wij Bretonnen, wij Welshmen, wij Ieren, wij, enfin, vul maar in.
Wij Tapeba, bijvoorbeeld. Uit een stuk door Mieke Zijlmans in de Volkskrant 6-6-2015 begreep ik dat er ten noorden van Fortaleza in Brazilië mensen wonen die graag zo over zichzelf en hun familie, vrienden en buren denken. 'Wij Taleba.' 'Een Indianenvolk dat zo'n zevenduizend zielen telt.' Ongeveer evenveel dus als er inwoners zijn van de plaatsen Heino en Den Burg (Texel).
'Deze Tapeba hebben een droom: ze willen hun oorspronkelijke moedertaal leren.' [...] 'Ze hebben die taal nodig: als onderdeel van een eigen identiteit, waarmee ze aanspraak kunnen maken op landrechten in Brazilië.' Het is dus een droom met praktische consequenties. 'Wij Tapeba' willen ons land terug. Het is nu van de Brazilaanse deelstaat Ceará, de aanpalende stad Fortaleza rukt op en daar hebben 'wij Tapeba' geen zin in.
Om die droom te verwerkelijken hebben 'wij Tapeba' de hulp ingeroepen van de taalgeleerde Leo Wetzels. Daarover ging dat stuk, over het reconstrueren van hun taal. Een soort Esperanto voor zevenduizend mensen, maar dan niet gebaseerd op Indo-Europese talen maar op het Tupinambá, de op Amazone-Indiaanse talen gebaseerde lingua franca die eeuwenlang gangbaar was aan de Braziliaanse noordkust, ook wel Nheengatú genoemd (spreek uit: Njeëngatóe met de g van goal).
Hierachter schuilt natuurlijk een botsing tussen wereldbeelden, verwachtingen, tradities, arm en rijk en nog zo wat. Niet tussen talen: op dit moment spreken 'wij Tapeba' allen Braziliaans-Portugees, dezelfde taal als de inwoners van Fortaleza spreken, en die andere rond 200 miljoen inwoners van Brazilië.
Het is een heimwee die verder gaat dan die van sommige Ieren naar het Iers en Bretonnen naar het Bretons. Tenslotte bestonden die talen nog toen actievelingen ervoor zorgden dat ze een kontje mee kregen, met cursussen, radiostations, tweetalige plaatsnaamborden enzovoort. Maar nu las ik dus voor het eerst over een groep die uit heimwee een verdwenen, maar toch als 'eigen' ervaren taal opnieuw wil leren. Nou ja, nieuw, het Nheengatú schijnt nog hier en daar gesproken te worden. Maar ja, is dat de taal van 'ons Tapeba'? Hij is nota bene mede door missionarissen in stand gehouden.
'Jawe jasu ja muña kwa muraki!' '"Vast en zeker zal het ons lukken dit project tot een goed einde te brengen"'.
Succes!
donderdag 4 juni 2015
Burgers en anderen
Ik kan het niet laten, dus na mijn meest recente aflevering over burgers (6-1-2015) ging ik door.
In de Volkskrant 3-2-2015 was het weer raak, in een artikel onder de kop 'Wordt hypotheek echt weer duurder?'. 'Toezichthouders stellen hoge buffers verplicht om de banken veiliger te maken, zodat het risico op een nieuwe bankencrisis - waarbij de burger de rekening betaalt - afneemt.'
Het gaat me niet om de boodschap, hoewel daarover ook fijne dingen te zeggen zouden zijn (hoezo 'hoge' buffers, wie vindt ze hoog?), maar om de vaststelling dat er bij banken kennelijk geen burgers werken.
Aanleiding voor het stuk waren uitspraken van RABO-baas Bert Bruggink (zie ook hier), en volgens de journalist (Yvonne Hofs) 'waarschuwt' die 'diezelfde burger nu dat hoge buffers de banken veel geld kosten.'
Want daaruit blijkt dat Bruggink zelf wellicht géén burger is. Maar wat is-ie dan wel?
Raak was het ook in een bijdrage van Marjan Slob in de Volkskrant 5-3-2015, over het beoordelen van politici. Interessant, omdat hier meerdere groepen worden gepresenteerd: politici, wij, burgers, het volk en gewone mensen. Die vier laatste groepen blijken min of meer synoniem, de politici staan apart, maar waar ze vandaan komen verklaart ze niet. Ze verwijst naar een boek van Jeffrey Green, The Eyes of the People:Democracy in an Age of Spectatorship (Oxford University Press, 2009), na eerst geciteerd te hebben uit het VVD-rapport over integriteit, waarin over declaratiegedrag wordt geschreven 'dat men een en ander moet beschouwen vanuit de burger/de kiezer. Een politicus wordt geacht dit als geen ander te beseffen.' Ook in dat rapport wordt kennelijk de politicus zelf niet als burger gezien, maar ik heb het niet gelezen, dus zeker daarvan ben ik niet.
Wij, aldus Slob, 'mogen op rituele momenten "onze stem uitbrengen" op politici'. En: 'Je wordt als politicus bekeken door het volk, en als het volk je niet moet, heeft dat consequenties voor jouw persoon. Dit maakt het enige verschil uit met een (al dan niet goedbedoelde) dictatuur.'
Een relatief nieuwe variant vond ik in een ingezonden brief in de Volkskrant 31-3-2015 van Eric Smit (Follow the Money) en vijf anderen, met het idee om van ABN Amro een 'nutsbank' te maken.
'Nederland', schreven ze plechtig, 'heeft behoefte aan een bank die financiering zoekende klanten op een geavanceerde en klantvriendelijke wijze bedient. Een bank die visie toont en innoveert ten dienste van ons, Nederlanders. Een bank die zich maatschappelijk opstelt en niet voor aandeelhouders werkt.'
Ons Nederlanders! Arme Belg die bij die ideale bank een rekening wil openen... Trouwens, die aandeelhouders zijn volgens deze formulering dus per definitie géén Nederlanders, en de bank zelf ook niet. Dat is vermoedelijk niet wat ze bedoelden, maar zo staat het er wel.
Een mooie zat in een bericht van Kees Broere over de aanslag op studenten in Garissa in Kenia, ergens in april. 'Het patroon van islamistisch geweld tegen Keniaanse burgers'[...] en 'de vijand komt van binnen'. Ofwel: burgers doden burgers. Inderdaad.
Interessant was ook de impliciete vaststelling door Sanne Bloemink in De Groene Amsterdammer 28-5-2015, in een modderig stuk over modderige onderzoekers die ineens het individuele verhaal ontdekken ('Niemand is gemiddeld', nee, dat dankt je de koekoek), dat wetenschappers geen burgers zijn, althans volgens wetenschapper Marlieke Kieboom. 'Daarnaast ontstaat in de nieuwe wetenschap het ideaal van "transdisciplinariteit"waarbij samenwerking met niet-academici centraal staat. Marlieke Kieboom, onderzoeksadviseur bij Kennisland, een onafhankelijke denktank voor maatschappelijke vernieuwing, bepleitte onlangs in Het Parool om burgers een stem te geven in de wetenschap. "Onze kennisproductie wordt in belangrijke mate bepaald door de maatschappelijke top. De meeste politici, wetenschappers en NWO-beleidmedewerkers zijn nooit asielzoeker in een AZC geweest en vast ook geen bejaarde in een verzorgingstehuis. Je positie bepaalt nog steeds in hoge mate met wie je samenwerkt en welke vraagstukken je interesseren."'
Wordt vervolgd.
In de Volkskrant 3-2-2015 was het weer raak, in een artikel onder de kop 'Wordt hypotheek echt weer duurder?'. 'Toezichthouders stellen hoge buffers verplicht om de banken veiliger te maken, zodat het risico op een nieuwe bankencrisis - waarbij de burger de rekening betaalt - afneemt.'
Het gaat me niet om de boodschap, hoewel daarover ook fijne dingen te zeggen zouden zijn (hoezo 'hoge' buffers, wie vindt ze hoog?), maar om de vaststelling dat er bij banken kennelijk geen burgers werken.
Aanleiding voor het stuk waren uitspraken van RABO-baas Bert Bruggink (zie ook hier), en volgens de journalist (Yvonne Hofs) 'waarschuwt' die 'diezelfde burger nu dat hoge buffers de banken veel geld kosten.'
Want daaruit blijkt dat Bruggink zelf wellicht géén burger is. Maar wat is-ie dan wel?
Raak was het ook in een bijdrage van Marjan Slob in de Volkskrant 5-3-2015, over het beoordelen van politici. Interessant, omdat hier meerdere groepen worden gepresenteerd: politici, wij, burgers, het volk en gewone mensen. Die vier laatste groepen blijken min of meer synoniem, de politici staan apart, maar waar ze vandaan komen verklaart ze niet. Ze verwijst naar een boek van Jeffrey Green, The Eyes of the People:Democracy in an Age of Spectatorship (Oxford University Press, 2009), na eerst geciteerd te hebben uit het VVD-rapport over integriteit, waarin over declaratiegedrag wordt geschreven 'dat men een en ander moet beschouwen vanuit de burger/de kiezer. Een politicus wordt geacht dit als geen ander te beseffen.' Ook in dat rapport wordt kennelijk de politicus zelf niet als burger gezien, maar ik heb het niet gelezen, dus zeker daarvan ben ik niet.
Wij, aldus Slob, 'mogen op rituele momenten "onze stem uitbrengen" op politici'. En: 'Je wordt als politicus bekeken door het volk, en als het volk je niet moet, heeft dat consequenties voor jouw persoon. Dit maakt het enige verschil uit met een (al dan niet goedbedoelde) dictatuur.'
Een relatief nieuwe variant vond ik in een ingezonden brief in de Volkskrant 31-3-2015 van Eric Smit (Follow the Money) en vijf anderen, met het idee om van ABN Amro een 'nutsbank' te maken.
'Nederland', schreven ze plechtig, 'heeft behoefte aan een bank die financiering zoekende klanten op een geavanceerde en klantvriendelijke wijze bedient. Een bank die visie toont en innoveert ten dienste van ons, Nederlanders. Een bank die zich maatschappelijk opstelt en niet voor aandeelhouders werkt.'
Ons Nederlanders! Arme Belg die bij die ideale bank een rekening wil openen... Trouwens, die aandeelhouders zijn volgens deze formulering dus per definitie géén Nederlanders, en de bank zelf ook niet. Dat is vermoedelijk niet wat ze bedoelden, maar zo staat het er wel.
Een mooie zat in een bericht van Kees Broere over de aanslag op studenten in Garissa in Kenia, ergens in april. 'Het patroon van islamistisch geweld tegen Keniaanse burgers'[...] en 'de vijand komt van binnen'. Ofwel: burgers doden burgers. Inderdaad.
Interessant was ook de impliciete vaststelling door Sanne Bloemink in De Groene Amsterdammer 28-5-2015, in een modderig stuk over modderige onderzoekers die ineens het individuele verhaal ontdekken ('Niemand is gemiddeld', nee, dat dankt je de koekoek), dat wetenschappers geen burgers zijn, althans volgens wetenschapper Marlieke Kieboom. 'Daarnaast ontstaat in de nieuwe wetenschap het ideaal van "transdisciplinariteit"waarbij samenwerking met niet-academici centraal staat. Marlieke Kieboom, onderzoeksadviseur bij Kennisland, een onafhankelijke denktank voor maatschappelijke vernieuwing, bepleitte onlangs in Het Parool om burgers een stem te geven in de wetenschap. "Onze kennisproductie wordt in belangrijke mate bepaald door de maatschappelijke top. De meeste politici, wetenschappers en NWO-beleidmedewerkers zijn nooit asielzoeker in een AZC geweest en vast ook geen bejaarde in een verzorgingstehuis. Je positie bepaalt nog steeds in hoge mate met wie je samenwerkt en welke vraagstukken je interesseren."'
Wordt vervolgd.
maandag 1 juni 2015
Poëzie: stilte
Een mooi stukje van Remco Campert in de Volkskrant 30-5-2015, 'Poëzie'.
Het eindigt zo:
'Stilte is het hoogst bereikbare in de poëzie, maar om die stilte te benaderen, heb je woorden nodig. Pas als je je laatste woord heb gesproken is de rest silence. De dood volmaakt het gedicht.'
Afgezien van de overblijvende vraag of silence iets anders is dan stilte, is dit een prachtig citaat, en heel erg Remco Campert.
Vooruit, ik citeer ook de alinea die eraan vooraf ging.
'Wat is waar? Voor de maker blijft poëzie een geheim waarvan hij de ontraadseling zoekt en tegelijkertijd hoopt dat die zoektocht tot meer poëzie leidt. Dit geldt voor kunst in het algemeen en voor muziek in het bijzonder. John Cage liet in zijn minimal music pure stilte klinken. Auden schrijft dat er over muziek niets gezegd kan worden, je kunt alleen maar luisteren en dankbaar zijn. Ik schreef over poëzie, die het dichtst in de buurt is van muziek:
"Woorden eenmaal gesproken, geschreven
zijn anders alleen verzwegen onuitgesproken
bezitten ze een schijn van gelijk
van geluk."'
In alle bescheidenheid niets meer of minder dan een poëtica.
Het eindigt zo:
'Stilte is het hoogst bereikbare in de poëzie, maar om die stilte te benaderen, heb je woorden nodig. Pas als je je laatste woord heb gesproken is de rest silence. De dood volmaakt het gedicht.'
Afgezien van de overblijvende vraag of silence iets anders is dan stilte, is dit een prachtig citaat, en heel erg Remco Campert.
Vooruit, ik citeer ook de alinea die eraan vooraf ging.
'Wat is waar? Voor de maker blijft poëzie een geheim waarvan hij de ontraadseling zoekt en tegelijkertijd hoopt dat die zoektocht tot meer poëzie leidt. Dit geldt voor kunst in het algemeen en voor muziek in het bijzonder. John Cage liet in zijn minimal music pure stilte klinken. Auden schrijft dat er over muziek niets gezegd kan worden, je kunt alleen maar luisteren en dankbaar zijn. Ik schreef over poëzie, die het dichtst in de buurt is van muziek:
"Woorden eenmaal gesproken, geschreven
zijn anders alleen verzwegen onuitgesproken
bezitten ze een schijn van gelijk
van geluk."'
In alle bescheidenheid niets meer of minder dan een poëtica.
woensdag 27 mei 2015
Ik vlieg
Het zien van de film La famille Bélier was een fascinerende ervaring, omdat de film (maar natuurlijk niet als enige film) toont hoe verschillend woord en beeld werken.
Allereerst, de film wekt ontroering, althans in de laatste scènes. Een heerlijk romantisch feel good-einde van een verhaal dat in geschreven versie makkelijk een middelmatig meidenverhaal zou kunnen zijn, als een vaardige auteur het raamwerk van de plot niet zou gebruiken om er wat beters van te maken.
De trailer geeft een aardige indruk - en laat het slot natuurlijk buiten beeld. Neem het raamwerk erbij: Paula is de horende dochter van een stel doofstomme boeren, ergens in een stadje (het zou Gard kunnen zijn). Haar muziekleraar ontdekt dat ze talent voor zingen heeft en biedt aan haar les te geven en op te leiden voor een zangloopbaan - in Parijs, waar ze dan verder op school zou gaan. Dat zou betekenen dat ze haar doofstomme vader, moeder en broer in de steek moet laten, en voor hen is ze tolk en dus steun en toeverlaat, of het nu gaat om de verkoop van hun kazen op de markt of de onderhandelingen met leveranciers en afnemers.
Daardoorheen vlecht zich nog een soort haat-liefde-affaire met een wat afzijdige jongen op haar school die óók goed blijkt te kunnen zingen en vreemdeling is in het stadje. Hij komt uit Parijs. En van hun muziekleraar meneer Thomasson, een mooie rol van Eric Elmosnino, moeten ze een duet zingen, 'Je vais t'aimer'... (van Michel Sardou, hier door hem gezongen - ze overtreffen hem met gemak en dat doet ook Eric Elmosnino). Dat duet zingen gaat niet helemaal vanzelf.
Nog een verhaaldraadje: Paula's vader ziet met lede ogen aan hoe projectontwikkelaars landbouwgrond willen inpikken en wil daarom burgemeester worden.
Tot slot: mooi gevonden natuurlijk, een dochter van doofstomme ouders die nou juist kan en wil zingen! De film is een ode aan de liefde, en aan het lied.

Ook voor een film geldt natuurlijk dat je als regisseur alle kanten op kan met zo'n relatief eenvoudige intrige, met één centraal dilemma. Het scenario (en idee) is van Victoria Bedos, met hulp van Thomas Bidegain, de regisseur is Eric Lartigau. Ze besloten het zo licht mogelijk te maken, met veel couleur locale en soms wat slapstick-achtige humor.
Paula's vader werd een rondborstige, zeer eigenzinnige boer, met ambitie om burgemeester te worden. ('Maar u bent doof...'.) Op de eerste de beste verkiezingsbijeenkomst vertelt hij zijn gehoor (middels een tolk maar zijn gezicht spreekt boekdelen) dat ze 'idioten' zijn als ze beginnen over hun eigen particuliere beslommeringen. Paula's moeder werd een extraverte, expressieve, mooie en liefhebbende vrouw, die bijkans door het lint gaat als ze hoort van Paula's wens om naar Parijs te gaan. Haar broer werd een slim, wat laconiek type, die een cursus gebarentaal voor Paula's vriendin Mathilde aangrijpt om die te versieren. Zijn eerste reactie op Paula's eventuele verhuizing naar Parijs: krijg ik dan jouw kamer?
De film is al ruim over de helft als het koddig gedoe enige wrangheid dus diepte krijgt. Paula, een mooie rol van de jonge zangeres Louane Emera, wil echt wel zingen, maar ze wil ook haar familie niet in de steek laten. Dat levert goede scènes op en die verscheurdheid wordt vakkundig naar het ontroerende hoogtepunt geleid. Ik zal niet uit de doeken doen hoe dat gaat, maar het loopt goed af en het lied waarmee Paula bij een auditie glorieert, 'Je vole' (Ik vlieg; een variant op het gelijknamige lied van Michel Sardou, 1978) is op youtube te vinden en o pardon, zelfs die link liever niet zien als je de film eerst in de bioscoop wil zien, bovendien ontbreekt er een voor de film essentieel stukje aan. Namelijk: wat er vlak vóór vooraf ging. Dus eigenlijk: wat vooraf ging.
Maar als je dan toch gaat, kan het voor Nederlandstalige kijkers geen kwaad om alvast de woorden te hebben. Hier en daar heb ik er een stukje (letterlijke dus weinig poëtische, sorry) vertaling bijgezet, voor wie geen Frans kent:
Mes chers parents je pars Lieve ouders, ik vertrek
Je vous aime mais je pars
Vous n'aurez plus d'enfant Deze avond zul je geen kind meer hebben
Ce soir
Je ne m'enfuis pas je vole Ik vlucht niet, ik vlieg
Comprenez bien je vole Begrijp me goed, ik vlieg
Sans fumée, sans alcool
Je vole, je vole
Elle m'observait hier Zij keek naar me, gisteren
Soucieuse, troublée, ma mère Bezorgd, in de war, mijn moeder
Comme si elle le sentait Ze twijfelde, vermoedde, begreep
En fait elle se doutait
Entendait
J'ai dit que j'étais bien Ik zei dat het goed ging
Tout à fait l'air serein Heel kalm, heel rustig
Elle a fait comme de rien Ze werd heel stil
Et mon père démuni En mijn vader, ontwapend, glimlachte
A souri
Ne pas se retourner Niet meer terugkeren
S'éloigner un peu plus Steeds verder
Il y a à Gard une autre gare Een ander station na Gard
Et enfin l'Atlantique
Mes chers parents je pars
Je vous aime mais je pars
Vous n'aurez plus d'enfant
Ce soir
Je ne m'enfuis pas je vole
Comprenez bien je vole
Sans fumée, sans alcool
Je vole, je vole
Je me demande sur ma route Onderweg vraag ik me af
Si mes parents se doutent Of mijn ouders vermoeden
Que mes larmes ont coulé Dat mijn tranen stroomden
Mes promesses et l'envie d'avancer Mijn beloftes, mijn wil om vooruit te komen
Seulement croire en ma vie Alleen in mijn leven geloven
Tout ce qui m'est promis Alles wat me is beloofd
Pourquoi, où et comment Waarom, waar en hoe
Dans ce train qui s'éloigne In deze trein die zich verwijdert
Chaque instant
C'est bizarre cette cage Bizar, deze kooi
Qui me bloque la poitrine Die mijn borst benauwt
Je ne peux plus respirer Ik kan niet meer ademen
Ça m'empêche de chanter Het belet me om te zingen
Mes chers parents je pars
Je vous aime mais je pars
Vous n'aurez plus d'enfant
Ce soir
Je ne m'enfuis pas je vole
Comprenez bien je vole
Sans fumée, sans alcool
Je vole, je vole
Jawel, een dochter, een kind maakt zich los van haar ouders. In ontelbare verhalen is dat een, het thema. In veel mensenlevens is het een thema, vandaar.
Hoe het uitpakt, hangt af van het talent van de verteller. In La famille Bélier (bélier betekent trouwens ram) stuurt het team van regisseur en acteurs rechtstreeks af op de genoemde ontroering, geen middel wordt geschuwd. Volgens sommigen is dat een doodzonde, zij willen altijd distantie, ingehoudenheid, ironie, zij mijden tearjerkers. Ik kan er echter wel waardering voor opbrengen als ze er in slagen mij ondanks mijn voorgenomen distantie in tranen te brengen. Dat lukte hen en dat komt vooral (naast een gebrek aan testosteron, begreep ik uit de krant) doordat Paula, prachtig gespeeld door Louane Emera, in dat slotlied in die omstandigheden ineens toch een oude rol op zich nam.
Hier geen wraak of wrok, geen haat of hilariteit, dit verhaal is, zoals ik al schreef, een onverbloemde ode aan de liefde - en aan zingen. Welke oude rol het was, dat houd ik even geheim. En overigens: actrice/zangeres Louane Emera zou volgens Wikipedia opgegroeid zijn als wees... hoewel ze in 2013 een liedje zong ter ere van haar net overleden vader. Enfin... (De Franse Wiki-pagina rept niet over opgroeien als wees.)
Maar zie zoiets dan eens in woorden te vertellen.
Ik vrees dat de auteur die dat zou willen, toch met hetzelfde raamwerk een geheel ander verhaal zou moeten maken, wil het iets worden. Het kiezen van Paula tot verteller ligt voor de hand, maar is een valstrik, die leidt tot het al genoemde middelmatige meidenboek met happy end.
Interessanter zou het zijn om de muziekleraar het verhaal te laten vertellen, of de jongen Gabriel (gespeeld door Ilian Bergala), of een anonieme verteller in te schakelen. Er is een zekere afstand tot de hoofdpersoon nodig, een (al dan niet deelnemende) toeschouwer. Mits de auteur talent genoeg heeft, schept dat de kans op een verhaal in woorden, dat een vergelijkbare ontroering oproept als deze film.
Eric Lartigau. La famille Bélier. Film, Procucent Philippe Rousselet e.a., coproducenten France 2 Cinéma, Nexus Factory, Jérico, Quarante 12 Films, UMedia, , Vendôme Production, Mars Distribution. 2014.
En hier nog een opname van 'Je vole' uit de film. Niet kijken als je de film wil zien.
NB. Ik weet niets van gebarentaal. Volgens de wat zure recensente van de Volkskrant zou met name mama Bélier (gespeeld door Karin Viard) er een potje van maken. Niettemin kreeg de film in Frankrijk overwegend lovende kritieken.
NB2. De afstand Gard-Parijs is per auto zo'n 740 km, per auto doe je er zelfs als je de maximumsnelheid overtreedt toch ruim 6 uur over, zeg maar 7 uur. Dat maakt het onwaarschijnlijk dat muziekleraar Thomasson en Gabriel nog op tijd op de auditie verschijnen - wat ze wel doen. Dus is dat een onwaarschijnlijkheid in het verhaal, óf Gard is niet Gard.
Allereerst, de film wekt ontroering, althans in de laatste scènes. Een heerlijk romantisch feel good-einde van een verhaal dat in geschreven versie makkelijk een middelmatig meidenverhaal zou kunnen zijn, als een vaardige auteur het raamwerk van de plot niet zou gebruiken om er wat beters van te maken.
De trailer geeft een aardige indruk - en laat het slot natuurlijk buiten beeld. Neem het raamwerk erbij: Paula is de horende dochter van een stel doofstomme boeren, ergens in een stadje (het zou Gard kunnen zijn). Haar muziekleraar ontdekt dat ze talent voor zingen heeft en biedt aan haar les te geven en op te leiden voor een zangloopbaan - in Parijs, waar ze dan verder op school zou gaan. Dat zou betekenen dat ze haar doofstomme vader, moeder en broer in de steek moet laten, en voor hen is ze tolk en dus steun en toeverlaat, of het nu gaat om de verkoop van hun kazen op de markt of de onderhandelingen met leveranciers en afnemers.
Daardoorheen vlecht zich nog een soort haat-liefde-affaire met een wat afzijdige jongen op haar school die óók goed blijkt te kunnen zingen en vreemdeling is in het stadje. Hij komt uit Parijs. En van hun muziekleraar meneer Thomasson, een mooie rol van Eric Elmosnino, moeten ze een duet zingen, 'Je vais t'aimer'... (van Michel Sardou, hier door hem gezongen - ze overtreffen hem met gemak en dat doet ook Eric Elmosnino). Dat duet zingen gaat niet helemaal vanzelf.
Nog een verhaaldraadje: Paula's vader ziet met lede ogen aan hoe projectontwikkelaars landbouwgrond willen inpikken en wil daarom burgemeester worden.
Tot slot: mooi gevonden natuurlijk, een dochter van doofstomme ouders die nou juist kan en wil zingen! De film is een ode aan de liefde, en aan het lied.

Ook voor een film geldt natuurlijk dat je als regisseur alle kanten op kan met zo'n relatief eenvoudige intrige, met één centraal dilemma. Het scenario (en idee) is van Victoria Bedos, met hulp van Thomas Bidegain, de regisseur is Eric Lartigau. Ze besloten het zo licht mogelijk te maken, met veel couleur locale en soms wat slapstick-achtige humor.
Paula's vader werd een rondborstige, zeer eigenzinnige boer, met ambitie om burgemeester te worden. ('Maar u bent doof...'.) Op de eerste de beste verkiezingsbijeenkomst vertelt hij zijn gehoor (middels een tolk maar zijn gezicht spreekt boekdelen) dat ze 'idioten' zijn als ze beginnen over hun eigen particuliere beslommeringen. Paula's moeder werd een extraverte, expressieve, mooie en liefhebbende vrouw, die bijkans door het lint gaat als ze hoort van Paula's wens om naar Parijs te gaan. Haar broer werd een slim, wat laconiek type, die een cursus gebarentaal voor Paula's vriendin Mathilde aangrijpt om die te versieren. Zijn eerste reactie op Paula's eventuele verhuizing naar Parijs: krijg ik dan jouw kamer?
De film is al ruim over de helft als het koddig gedoe enige wrangheid dus diepte krijgt. Paula, een mooie rol van de jonge zangeres Louane Emera, wil echt wel zingen, maar ze wil ook haar familie niet in de steek laten. Dat levert goede scènes op en die verscheurdheid wordt vakkundig naar het ontroerende hoogtepunt geleid. Ik zal niet uit de doeken doen hoe dat gaat, maar het loopt goed af en het lied waarmee Paula bij een auditie glorieert, 'Je vole' (Ik vlieg; een variant op het gelijknamige lied van Michel Sardou, 1978) is op youtube te vinden en o pardon, zelfs die link liever niet zien als je de film eerst in de bioscoop wil zien, bovendien ontbreekt er een voor de film essentieel stukje aan. Namelijk: wat er vlak vóór vooraf ging. Dus eigenlijk: wat vooraf ging.
Maar als je dan toch gaat, kan het voor Nederlandstalige kijkers geen kwaad om alvast de woorden te hebben. Hier en daar heb ik er een stukje (letterlijke dus weinig poëtische, sorry) vertaling bijgezet, voor wie geen Frans kent:
Mes chers parents je pars Lieve ouders, ik vertrek
Je vous aime mais je pars
Vous n'aurez plus d'enfant Deze avond zul je geen kind meer hebben
Ce soir
Je ne m'enfuis pas je vole Ik vlucht niet, ik vlieg
Comprenez bien je vole Begrijp me goed, ik vlieg
Sans fumée, sans alcool
Je vole, je vole
Elle m'observait hier Zij keek naar me, gisteren
Soucieuse, troublée, ma mère Bezorgd, in de war, mijn moeder
Comme si elle le sentait Ze twijfelde, vermoedde, begreep
En fait elle se doutait
Entendait
J'ai dit que j'étais bien Ik zei dat het goed ging
Tout à fait l'air serein Heel kalm, heel rustig
Elle a fait comme de rien Ze werd heel stil
Et mon père démuni En mijn vader, ontwapend, glimlachte
A souri
Ne pas se retourner Niet meer terugkeren
S'éloigner un peu plus Steeds verder
Il y a à Gard une autre gare Een ander station na Gard
Et enfin l'Atlantique
Mes chers parents je pars
Je vous aime mais je pars
Vous n'aurez plus d'enfant
Ce soir
Je ne m'enfuis pas je vole
Comprenez bien je vole
Sans fumée, sans alcool
Je vole, je vole
Je me demande sur ma route Onderweg vraag ik me af
Si mes parents se doutent Of mijn ouders vermoeden
Que mes larmes ont coulé Dat mijn tranen stroomden
Mes promesses et l'envie d'avancer Mijn beloftes, mijn wil om vooruit te komen
Seulement croire en ma vie Alleen in mijn leven geloven
Tout ce qui m'est promis Alles wat me is beloofd
Pourquoi, où et comment Waarom, waar en hoe
Dans ce train qui s'éloigne In deze trein die zich verwijdert
Chaque instant
C'est bizarre cette cage Bizar, deze kooi
Qui me bloque la poitrine Die mijn borst benauwt
Je ne peux plus respirer Ik kan niet meer ademen
Ça m'empêche de chanter Het belet me om te zingen
Mes chers parents je pars
Je vous aime mais je pars
Vous n'aurez plus d'enfant
Ce soir
Je ne m'enfuis pas je vole
Comprenez bien je vole
Sans fumée, sans alcool
Je vole, je vole
Jawel, een dochter, een kind maakt zich los van haar ouders. In ontelbare verhalen is dat een, het thema. In veel mensenlevens is het een thema, vandaar.
Hoe het uitpakt, hangt af van het talent van de verteller. In La famille Bélier (bélier betekent trouwens ram) stuurt het team van regisseur en acteurs rechtstreeks af op de genoemde ontroering, geen middel wordt geschuwd. Volgens sommigen is dat een doodzonde, zij willen altijd distantie, ingehoudenheid, ironie, zij mijden tearjerkers. Ik kan er echter wel waardering voor opbrengen als ze er in slagen mij ondanks mijn voorgenomen distantie in tranen te brengen. Dat lukte hen en dat komt vooral (naast een gebrek aan testosteron, begreep ik uit de krant) doordat Paula, prachtig gespeeld door Louane Emera, in dat slotlied in die omstandigheden ineens toch een oude rol op zich nam.
Hier geen wraak of wrok, geen haat of hilariteit, dit verhaal is, zoals ik al schreef, een onverbloemde ode aan de liefde - en aan zingen. Welke oude rol het was, dat houd ik even geheim. En overigens: actrice/zangeres Louane Emera zou volgens Wikipedia opgegroeid zijn als wees... hoewel ze in 2013 een liedje zong ter ere van haar net overleden vader. Enfin... (De Franse Wiki-pagina rept niet over opgroeien als wees.)
Maar zie zoiets dan eens in woorden te vertellen.
Ik vrees dat de auteur die dat zou willen, toch met hetzelfde raamwerk een geheel ander verhaal zou moeten maken, wil het iets worden. Het kiezen van Paula tot verteller ligt voor de hand, maar is een valstrik, die leidt tot het al genoemde middelmatige meidenboek met happy end.
Interessanter zou het zijn om de muziekleraar het verhaal te laten vertellen, of de jongen Gabriel (gespeeld door Ilian Bergala), of een anonieme verteller in te schakelen. Er is een zekere afstand tot de hoofdpersoon nodig, een (al dan niet deelnemende) toeschouwer. Mits de auteur talent genoeg heeft, schept dat de kans op een verhaal in woorden, dat een vergelijkbare ontroering oproept als deze film.
Eric Lartigau. La famille Bélier. Film, Procucent Philippe Rousselet e.a., coproducenten France 2 Cinéma, Nexus Factory, Jérico, Quarante 12 Films, UMedia, , Vendôme Production, Mars Distribution. 2014.
En hier nog een opname van 'Je vole' uit de film. Niet kijken als je de film wil zien.
NB. Ik weet niets van gebarentaal. Volgens de wat zure recensente van de Volkskrant zou met name mama Bélier (gespeeld door Karin Viard) er een potje van maken. Niettemin kreeg de film in Frankrijk overwegend lovende kritieken.
NB2. De afstand Gard-Parijs is per auto zo'n 740 km, per auto doe je er zelfs als je de maximumsnelheid overtreedt toch ruim 6 uur over, zeg maar 7 uur. Dat maakt het onwaarschijnlijk dat muziekleraar Thomasson en Gabriel nog op tijd op de auditie verschijnen - wat ze wel doen. Dus is dat een onwaarschijnlijkheid in het verhaal, óf Gard is niet Gard.
zaterdag 23 mei 2015
Ali en Nino
Voor een bezoek aan Georgië zocht ik leesgoed met dat land als achtergrond.
Natuurlijk! Mijn oude uitgave in de Wereldbibliotheek had ik uitgeleend, weet niet meer aan wie en niet meer teruggekregen, maar een nieuwe was beschikbaar: Ali en Nino, van Kurban Said.
Ik nam het mee en las het opnieuw, na ruim dertig jaar.
Het verhaal wordt verteld door hoofdpersoon Ali Khan Shirvanshir en begint in Bakoe, een stad in het Russische tsarenrijk. Ali zit nog op school, in de examenklas. Deze school, hoogstwaarschijnlijk:

Hij is verliefd op Nino Kipriani en vastbesloten met haar te trouwen.
Deze liefde is diep en wederzijds, maar lastig. Bakoe ligt formeel in Rusland, maar de stedelingen zijn verdeeld naar etnische herkomst: hoofdzakelijk Azeri's (moslims), Perzen (idem), Armenen en Georgiërs. Ali hoort tot een rijke Azeri-Perzische familie, Nino tot een rijke Georgische familie, officieel is ze zelfs prinses, want haar vader is een van de vele Georgische vorsten.
Ze krijgen elkaar, maar niet zonder hindernissen. Die zijn tweeërlei: de lichte argwaan tussen de twee rijke families van enerzijds mohammedaanse en anderzijds Georgische herkomst; en de oorlog, die op p. 61 begint. Nergens in het verhaal staat een jaartal, maar het moet volgens mij 1914 zijn, ook nog op p. 90, als het Ottomaanse Rijk zich in de oorlog mengt.
Dat beide families steenrijk zijn helpt wel om ook enige wederzijdse achting tot stand te brengen. Er is een tussenkomst van een Armeense vriend, Nachararyan, nodig om 'prins Kipriani' tot toestemming voor het huwelijk te bewegen. In eerste instantie wil die immers alleen toestemmen als de oorlog voorbij is - en dat kan in het perspectief van de verteller en zijn vader wel even duren.
Nachararyan verandert echter in een vijand als hij tracht Nino te ontvoeren. Dat doet hij per auto. Maar de wegen zijn zo slecht dat-ie langzaam vooruitkomt. Ali en vrienden halen hem te paard in. Ali doodt de ontvoerder en Nino wordt teruggebracht.
Wegens die moord (in de ogen van zijn vrienden en vader geheel terecht) moet Ali onderduiken in een klein dorpje in Dagestan. Als hij daar dreigt te verkommeren komt Nino hem opzoeken. Ze trouwen en ze blijft bij hem.
Dat is eigenlijk de gelukkigste periode die ze meemaken. Oorlogs- en andere omstandigheden maken dat ze terugkeren naar Bakoe: de autoriteiten zoeken hem niet langer, want ze zijn er niet meer. De revolutie is uitgebroken (we zijn dan al op p. 179), en wat dat ook moge betekenen in Moskou of Sint-Petersburg, in Bakoe heerst vooral anarchie en die wordt gebruikt om een eigen republiek uit te roepen.
In Perzië mag Nino niets anders dan in een harem zitten, ze vermaakt zich door de eunuch te plagen maar is, net als Ali, godsblij als ze terug kunnen naar Bakoe, hoofdstad van de net uitgeroepen republiek Azerbeidjan. Ze krijgen een dochter, Tamar. De oorlog is echter nog steeds gaande, de Russen vallen de nieuwe republiek aan en ze vertrekken van Bakoe naar Gandzja (tegenwoordig Gəncə).
Nino gaat met hun dochter naar Tbilisi, Ali blijft.
'"Nino," zei ik, "de laatste trein naar Tiflis vertrekt over twee uur."
"Ja. We moeten gaan, Ali Khan."
"Nee, jij moet gaan, met het kind. Ik kom later. Ik moet hier nog even blijven. Maar jij moet weg. Het is nu niet meer zoals die keer in Bakoe. Alles is nu heel anders en je kunt hier niet blijven, Nino. Je hebt nu een kind om voor te zorgen." Ik praatte, op straat brandden de toortsen en Iljas Beg stond met gebogen hoofd in een hoek van de kamer. De slaap verdween uit Nino's ogen. Langzaam liep ze naar het raam en keek naar buiten. Ze keek naar Iljas Beg en hij keek gauw de andere kant op. Ze liep naar het midden van de kamer en liet haar hoofd hangen.
"Het Speelding," zei ze. "En jij gaat niet mee?"
"Ik kan niet, Nino."
"Je voorvader is gesneuveld op de brug van Gandzja. Ik weet al van het bestaan van die steen sinds ik eindexamen gedaan heb."
Met een plotselinge kreet liet Nino zich op de grond vallen, als een gewond dier dat in doodsnood verkeert. Haar ogen waren droog en ze beefde over haar hele lichaam. Ze gilde en Iljas Beg holde de kamer uit.
"Ik kom heus, Nino. Ik kom echt, ik beloof het je, het is maar voor een paar dagen." Haar kreten duurden voort, op straat zongen mensen het wilde lied van de stervende republiek. Plotseling bedaarde ze en ze bleef strak voor zich uitkijken, met dode ogen. Toen stond ze op. Ik haalde de koffer. Ik droeg het bundeltje met het Speelding in mijn armen en we gingen zwijgend de trap af. Iljas Beg zat in het rijtuig te wachten. We reden door de drukke straten naar het station.
"Het is maar een kwestie van een dag of drie, vier," zei Iljas Beg. "Een dag of drie, vier, en dan is Ali Khan weer bij je."
"Dat weet ik," Nino knikte rustig. "Eerst blijven we een tijd in Tiflis logeren en dan gaan we naar Parijs. We krijgen een huis met een tuin en het volgende kind wordt een jongen."
"Zo zal het gaan, Nino, precies zoals je zegt." Mijn stem klonk helder en optimistisch. Ze pakte mijn hand beet en staarde in de verte. De rails leken net lange slangen en de trein doemde op uit het duister als een kwaadaardig monster. Ze kuste me vluchtig. "Dag, Ali Khan. Over drie dagen zien we elkaar weer."
"Natuurlijk Nino, en dan gaan we naar Parijs."
Ze glimlachte en haar ogen waren net zwart fluweel. Ik stond op het perron, niet in staat me te bewegen, alsof ik vastgenageld was aan het harde asfalt. Ilja Beg voerde haar de coupé binnen. Ze keek uit het raam, stil en verdwaald, als een bang vogeltje. Toen de trein wegreed wuifde ze en Iljas Beg sprong op het perron.'
Ali voegt zich bij een groepje verdedigers in het dorpje Gandzja. Wie wil weten hoe het afloopt moet nu meteen ophouden met lezen en het boek kopen of lenen.

Laatste woorden in het boek:
'Ali Khan Shirvanshir is om kwart over vijf op de brug van Gandzja gesneuveld achter zijn machinegeweer. Zijn lichaam viel in de droge rivierbedding. Ik ging naar hem toe. Zijn lichaam was door acht kogels doorboord. In zijn zak vond ik dit schrift. Zo God wil zal ik het aan zijn vrouw brengen. Vroeg in de ochtend hebben we hem begraven, kort voor de Russen voor het laatst aanvielen. Het leven van onze republiek is ten einde, net als het leven van Ali Khan Shirvanshir.
Kapitein Iljas Beg, zoon van Seinal Aga, uit het dorp Binyadi bij Bakoe.'
Met deze samenvatting doe ik het verhaal natuurlijk geen recht. De citaten tonen hopelijk dat grote emoties niet geschuwd worden. De woorden zijn een vertaling van een Engelse versie, die weer een vertaling is van het in 1937 verschenen Duitse origineel. Een romantisch verhaal met een tragisch einde. Excuses voor gretige lezers die dat niet wilden weten, maar juist dat einde verleent enige diepte aan het verhaal,
Het is echter ook, of vooral, de achtergrond van het verhaal die ertoe doet. Dertig jonge mohammedaanse 'Aziaten' die zich afvragen waarom ze Latijn moeten leren. Het Oosten en het Westen in één stad, in één huwelijk. De beleefde maar ongemakkelijke verhoudingen tussen diverse bevolkingsgroepen in Bakoe. Het volslagen aftandse en feodale Perzië van die tijd, de Georgische wijncultuur in en rond Tbilisi, het boerendorp in Dagestan, de verwarring rond de oorlog (welke kant te kiezen?), het komt allemaal op soepele, onnadrukkelijke wijze langs.
Het was natuurlijk vermakelijk om de scènes in Tbilisi te lezen na een bezoek aan die stad, maar er was geen bezoek aan Georgië nodig om dit verhaal opnieuw te waarderen. Wie Kurt Said ook was, hij leverde een mooi verhaal af, voor lezers van 15 en ouder.
Said, Kurban. Ali en Nino. Vertaling uit het Engels: Else Hoog. De Harmonie, 2015. (Rainbow.) Oorspr.: Ali und Nino, E.P. Tal Verlag, Wenen, 1937.
Natuurlijk! Mijn oude uitgave in de Wereldbibliotheek had ik uitgeleend, weet niet meer aan wie en niet meer teruggekregen, maar een nieuwe was beschikbaar: Ali en Nino, van Kurban Said.
Ik nam het mee en las het opnieuw, na ruim dertig jaar.
Het verhaal wordt verteld door hoofdpersoon Ali Khan Shirvanshir en begint in Bakoe, een stad in het Russische tsarenrijk. Ali zit nog op school, in de examenklas. Deze school, hoogstwaarschijnlijk:

Hij is verliefd op Nino Kipriani en vastbesloten met haar te trouwen.
Deze liefde is diep en wederzijds, maar lastig. Bakoe ligt formeel in Rusland, maar de stedelingen zijn verdeeld naar etnische herkomst: hoofdzakelijk Azeri's (moslims), Perzen (idem), Armenen en Georgiërs. Ali hoort tot een rijke Azeri-Perzische familie, Nino tot een rijke Georgische familie, officieel is ze zelfs prinses, want haar vader is een van de vele Georgische vorsten.
Ze krijgen elkaar, maar niet zonder hindernissen. Die zijn tweeërlei: de lichte argwaan tussen de twee rijke families van enerzijds mohammedaanse en anderzijds Georgische herkomst; en de oorlog, die op p. 61 begint. Nergens in het verhaal staat een jaartal, maar het moet volgens mij 1914 zijn, ook nog op p. 90, als het Ottomaanse Rijk zich in de oorlog mengt.
Dat beide families steenrijk zijn helpt wel om ook enige wederzijdse achting tot stand te brengen. Er is een tussenkomst van een Armeense vriend, Nachararyan, nodig om 'prins Kipriani' tot toestemming voor het huwelijk te bewegen. In eerste instantie wil die immers alleen toestemmen als de oorlog voorbij is - en dat kan in het perspectief van de verteller en zijn vader wel even duren.
Nachararyan verandert echter in een vijand als hij tracht Nino te ontvoeren. Dat doet hij per auto. Maar de wegen zijn zo slecht dat-ie langzaam vooruitkomt. Ali en vrienden halen hem te paard in. Ali doodt de ontvoerder en Nino wordt teruggebracht.
Wegens die moord (in de ogen van zijn vrienden en vader geheel terecht) moet Ali onderduiken in een klein dorpje in Dagestan. Als hij daar dreigt te verkommeren komt Nino hem opzoeken. Ze trouwen en ze blijft bij hem.
Dat is eigenlijk de gelukkigste periode die ze meemaken. Oorlogs- en andere omstandigheden maken dat ze terugkeren naar Bakoe: de autoriteiten zoeken hem niet langer, want ze zijn er niet meer. De revolutie is uitgebroken (we zijn dan al op p. 179), en wat dat ook moge betekenen in Moskou of Sint-Petersburg, in Bakoe heerst vooral anarchie en die wordt gebruikt om een eigen republiek uit te roepen.
In Perzië mag Nino niets anders dan in een harem zitten, ze vermaakt zich door de eunuch te plagen maar is, net als Ali, godsblij als ze terug kunnen naar Bakoe, hoofdstad van de net uitgeroepen republiek Azerbeidjan. Ze krijgen een dochter, Tamar. De oorlog is echter nog steeds gaande, de Russen vallen de nieuwe republiek aan en ze vertrekken van Bakoe naar Gandzja (tegenwoordig Gəncə).
Nino gaat met hun dochter naar Tbilisi, Ali blijft.
'"Nino," zei ik, "de laatste trein naar Tiflis vertrekt over twee uur."
"Ja. We moeten gaan, Ali Khan."
"Nee, jij moet gaan, met het kind. Ik kom later. Ik moet hier nog even blijven. Maar jij moet weg. Het is nu niet meer zoals die keer in Bakoe. Alles is nu heel anders en je kunt hier niet blijven, Nino. Je hebt nu een kind om voor te zorgen." Ik praatte, op straat brandden de toortsen en Iljas Beg stond met gebogen hoofd in een hoek van de kamer. De slaap verdween uit Nino's ogen. Langzaam liep ze naar het raam en keek naar buiten. Ze keek naar Iljas Beg en hij keek gauw de andere kant op. Ze liep naar het midden van de kamer en liet haar hoofd hangen.
"Het Speelding," zei ze. "En jij gaat niet mee?"
"Ik kan niet, Nino."
"Je voorvader is gesneuveld op de brug van Gandzja. Ik weet al van het bestaan van die steen sinds ik eindexamen gedaan heb."
Met een plotselinge kreet liet Nino zich op de grond vallen, als een gewond dier dat in doodsnood verkeert. Haar ogen waren droog en ze beefde over haar hele lichaam. Ze gilde en Iljas Beg holde de kamer uit.
"Ik kom heus, Nino. Ik kom echt, ik beloof het je, het is maar voor een paar dagen." Haar kreten duurden voort, op straat zongen mensen het wilde lied van de stervende republiek. Plotseling bedaarde ze en ze bleef strak voor zich uitkijken, met dode ogen. Toen stond ze op. Ik haalde de koffer. Ik droeg het bundeltje met het Speelding in mijn armen en we gingen zwijgend de trap af. Iljas Beg zat in het rijtuig te wachten. We reden door de drukke straten naar het station.
"Het is maar een kwestie van een dag of drie, vier," zei Iljas Beg. "Een dag of drie, vier, en dan is Ali Khan weer bij je."
"Dat weet ik," Nino knikte rustig. "Eerst blijven we een tijd in Tiflis logeren en dan gaan we naar Parijs. We krijgen een huis met een tuin en het volgende kind wordt een jongen."
"Zo zal het gaan, Nino, precies zoals je zegt." Mijn stem klonk helder en optimistisch. Ze pakte mijn hand beet en staarde in de verte. De rails leken net lange slangen en de trein doemde op uit het duister als een kwaadaardig monster. Ze kuste me vluchtig. "Dag, Ali Khan. Over drie dagen zien we elkaar weer."
"Natuurlijk Nino, en dan gaan we naar Parijs."
Ze glimlachte en haar ogen waren net zwart fluweel. Ik stond op het perron, niet in staat me te bewegen, alsof ik vastgenageld was aan het harde asfalt. Ilja Beg voerde haar de coupé binnen. Ze keek uit het raam, stil en verdwaald, als een bang vogeltje. Toen de trein wegreed wuifde ze en Iljas Beg sprong op het perron.'
Ali voegt zich bij een groepje verdedigers in het dorpje Gandzja. Wie wil weten hoe het afloopt moet nu meteen ophouden met lezen en het boek kopen of lenen.

Laatste woorden in het boek:
'Ali Khan Shirvanshir is om kwart over vijf op de brug van Gandzja gesneuveld achter zijn machinegeweer. Zijn lichaam viel in de droge rivierbedding. Ik ging naar hem toe. Zijn lichaam was door acht kogels doorboord. In zijn zak vond ik dit schrift. Zo God wil zal ik het aan zijn vrouw brengen. Vroeg in de ochtend hebben we hem begraven, kort voor de Russen voor het laatst aanvielen. Het leven van onze republiek is ten einde, net als het leven van Ali Khan Shirvanshir.
Kapitein Iljas Beg, zoon van Seinal Aga, uit het dorp Binyadi bij Bakoe.'
Met deze samenvatting doe ik het verhaal natuurlijk geen recht. De citaten tonen hopelijk dat grote emoties niet geschuwd worden. De woorden zijn een vertaling van een Engelse versie, die weer een vertaling is van het in 1937 verschenen Duitse origineel. Een romantisch verhaal met een tragisch einde. Excuses voor gretige lezers die dat niet wilden weten, maar juist dat einde verleent enige diepte aan het verhaal,
Het is echter ook, of vooral, de achtergrond van het verhaal die ertoe doet. Dertig jonge mohammedaanse 'Aziaten' die zich afvragen waarom ze Latijn moeten leren. Het Oosten en het Westen in één stad, in één huwelijk. De beleefde maar ongemakkelijke verhoudingen tussen diverse bevolkingsgroepen in Bakoe. Het volslagen aftandse en feodale Perzië van die tijd, de Georgische wijncultuur in en rond Tbilisi, het boerendorp in Dagestan, de verwarring rond de oorlog (welke kant te kiezen?), het komt allemaal op soepele, onnadrukkelijke wijze langs.
Het was natuurlijk vermakelijk om de scènes in Tbilisi te lezen na een bezoek aan die stad, maar er was geen bezoek aan Georgië nodig om dit verhaal opnieuw te waarderen. Wie Kurt Said ook was, hij leverde een mooi verhaal af, voor lezers van 15 en ouder.
Said, Kurban. Ali en Nino. Vertaling uit het Engels: Else Hoog. De Harmonie, 2015. (Rainbow.) Oorspr.: Ali und Nino, E.P. Tal Verlag, Wenen, 1937.
dinsdag 19 mei 2015
Het laatste licht op lezen
Het kwam al langs op dit blog: Hanneke Koene stopt met haar Licht op lezen. De 'laatste Licht op Lezen' wordt ons in stukjes en beetjes opgediend. 'De laatste Licht op Lezen wordt een volle', schrijft ze. Het idee van 'afleveringen' of 'edities' (dus ook de laatste editie) is afkomstig van gedrukte periodieken. Wij lezen niet de laatste maar hooguit de laatste bijdragen aan het Licht - en is dat de moeite waard?
Zeker, al was het alleen maar wegens het eerste deel van haar interview met Els Beerten, die op 20 mei de Annie M.G. Schmidtlezing houdt. (Ik zal er helaas niet bij zijn.)
Tot de aanvulling horen ook een interview met Maurice de Greef over laaggeletterdheid en het verslag van een poëzieworkshop op een basisschool door Tim Gladdines, onder de titel 'Poëzie werkt'. Met een link naar 'een interview met Tim Gladdines' die me wel naar een vorig nummer van Licht op lezen bracht, maar niet naar een interview.
Het tweede deel van haar interview met Els Beerten volgt na die lezing. We lezen en beluisteren dus nog steeds niet de allerlaatste bijdragen aan Licht op lezen.
Zeker, al was het alleen maar wegens het eerste deel van haar interview met Els Beerten, die op 20 mei de Annie M.G. Schmidtlezing houdt. (Ik zal er helaas niet bij zijn.)
Tot de aanvulling horen ook een interview met Maurice de Greef over laaggeletterdheid en het verslag van een poëzieworkshop op een basisschool door Tim Gladdines, onder de titel 'Poëzie werkt'. Met een link naar 'een interview met Tim Gladdines' die me wel naar een vorig nummer van Licht op lezen bracht, maar niet naar een interview.
Het tweede deel van haar interview met Els Beerten volgt na die lezing. We lezen en beluisteren dus nog steeds niet de allerlaatste bijdragen aan Licht op lezen.
Nominaties Jugendliteraturpreis 2015
Overigens meld ik maar even, omdat ik het op onze kinderboeknieuwspleinen (*) (nog) niet vond, dat er in de lijst nominaties voor de invloedrijke Deutsche Jugendliteraturpreis vier Nederlandstalige auteurs staan: Annemarie van Haeringen (Coco und das Kleine Schwarze), Michael De Cock (Rosie und Moussa), Edward van de Vendel (Lena und das Geheimnis
der blauen Hirsche) en Jan Paul Schutten (Evolution
oder Das Rätsel von allem, was lebt) en dat in de categorie Jugendjury Der Circle van David Eggers voorkomt.
(*) Leesplein, Jeugdliteratuur, Kjoek, Leesfeest.
(*) Leesplein, Jeugdliteratuur, Kjoek, Leesfeest.
maandag 18 mei 2015
In memoriam Bert Kouwenberg
Terug uit Georgië (een land met een oude en bijzondere zangtraditie, zie onder veel meer hier, hier en hier) vond ik bij de post het overlijdensbericht van Bert Kouwenberg, onder veel meer (want vooral auteur en schoolmeester) jarenlang lid van de redactie van Leesgoed.
Dat was een schok.
Vorig jaar december verscheen hij immers nog bij de presentatie van Kodo, en hij was opgewekt: het gezwel was uit zijn hoofd, hij was weer bezig.
En nu: toch dood.
Het was ook een schok omdat een goede vriendin eveneens veel sneller heen ging dan verwacht. Ja, ook kanker. Ze overleed op Hemelvaartsdag, we konden de maandag daarvóór nog net afscheid van haar nemen. Zie ook hier.
En ik dacht terug aan mijn ex-redactiegenoten Dineke Radstake, die op 9 juli 2005 sneller dan verwacht overleed, ook kort nadat ze nog een presentatie meemaakte, en Jan Smeekens, die eind 2011 het loodje legde. Beider doodsoorzaak: kanker.
Bert Kouwenberg was een rustige redacteur. Zijn bijdragen in het redactie-overleg kwamen altijd op bedachtzame toon, soms met lichte ironie. Hij was een auteur met een geheel eigen stijl, maar in mijn ogen toch vooral een gedreven onderwijzer, die al zijn talenten inzette om zijn leerlingen aan het lezen en schrijven te krijgen en te houden.
Hij was zijn hele onderwijzersloopbaan verbonden aan de De la Reyschool in Den Haag, waar hij prachtige projecten als het Verhalenatelier op touw zette en lesmateriaal voor de school maakte (met anderen). Hij werkte mee aan Zin in taal en andere methodes en schreef voor Leesgoed tal van inspirerende artikelen.
Die artikelen zijn helaas niet meer online te raadplegen. Bij het einde van Leesgoed schreef NBD Biblion nog (op 27-9-2012):
'NBD Biblion is momenteel druk bezig te bekijken of het opgebouwde archief op andere manieren ontsloten kan worden. De aanwezige content is nog steeds interessant en relevant voor mensen die werken met of interesse hebben in jeugdliteratuur.'
Daarvan is tot op heden niets gekomen. Vier van zijn artikelen had ik ooit gemeld aan Taalunieversum, zie overzicht.
Ik had Bert graag nog vele jaren gegund. Hij zou die ongetwijfeld hebben gebruikt om nog meer moois te schrijven.
Het lot is soms wreed.
Dat was een schok.
Vorig jaar december verscheen hij immers nog bij de presentatie van Kodo, en hij was opgewekt: het gezwel was uit zijn hoofd, hij was weer bezig.
En nu: toch dood.
Het was ook een schok omdat een goede vriendin eveneens veel sneller heen ging dan verwacht. Ja, ook kanker. Ze overleed op Hemelvaartsdag, we konden de maandag daarvóór nog net afscheid van haar nemen. Zie ook hier.
En ik dacht terug aan mijn ex-redactiegenoten Dineke Radstake, die op 9 juli 2005 sneller dan verwacht overleed, ook kort nadat ze nog een presentatie meemaakte, en Jan Smeekens, die eind 2011 het loodje legde. Beider doodsoorzaak: kanker.
Bert Kouwenberg was een rustige redacteur. Zijn bijdragen in het redactie-overleg kwamen altijd op bedachtzame toon, soms met lichte ironie. Hij was een auteur met een geheel eigen stijl, maar in mijn ogen toch vooral een gedreven onderwijzer, die al zijn talenten inzette om zijn leerlingen aan het lezen en schrijven te krijgen en te houden.
Hij was zijn hele onderwijzersloopbaan verbonden aan de De la Reyschool in Den Haag, waar hij prachtige projecten als het Verhalenatelier op touw zette en lesmateriaal voor de school maakte (met anderen). Hij werkte mee aan Zin in taal en andere methodes en schreef voor Leesgoed tal van inspirerende artikelen.
Die artikelen zijn helaas niet meer online te raadplegen. Bij het einde van Leesgoed schreef NBD Biblion nog (op 27-9-2012):
'NBD Biblion is momenteel druk bezig te bekijken of het opgebouwde archief op andere manieren ontsloten kan worden. De aanwezige content is nog steeds interessant en relevant voor mensen die werken met of interesse hebben in jeugdliteratuur.'
Daarvan is tot op heden niets gekomen. Vier van zijn artikelen had ik ooit gemeld aan Taalunieversum, zie overzicht.
Ik had Bert graag nog vele jaren gegund. Hij zou die ongetwijfeld hebben gebruikt om nog meer moois te schrijven.
Het lot is soms wreed.
Abonneren op:
Posts (Atom)