Zoeken in deze blog

woensdag 13 augustus 2014

Ik zoek een woord

Er moet een reden zijn dat een tekst als gedicht wordt afgedrukt; dat een gedicht een gedicht is en niet een als gedicht vermomd gedrukte prozatekst.
Het gedicht dat dit heel goed toont is 'Vliegen' van Joke van Leeuwen.



Maar ook 'Veertien hoeden' van K. Schippers mag er zijn.



Deze twee gedichten staan in Ik zoek een woord, een bundel van '167 gedichten over taal' , verzameld door Hans & Monique Hagen, resp. p. 11 en 145 en iedereen ziet onmiddellijk de dwingende reden om deze teksten zo af te drukken.
Er zijn er meer van dit soort in deze bundel.

Er zijn er ook van het type spreuk-aan-de-wand:

Spreken is zilver,
zwijgen is goud.

Schreeuwen is ijzer,
zingen is hout.

Huilen is water,
lachen is vuur.

Spreken en zwijgen
vind ik wel duur.

Dat was 'Duur', van Bas Rompa. Wij zijn gewend zulke (on)wijsheden in een lijstje te zetten. Dat kan dus ook een bladzijde zijn. Soms is dat teveel, terwijl een klein beetje wit, een klein lijstje, op zijn plaats zou zijn.

Hij schreef een klein gedichtje
het had niet veel om om handen
maar het had iets van een lichtje
dat in het donker brandde.

Van Toon Hermans, ja, wie anders. 'Gedichtje' heet het.

Veel wit rond een tekst betekent dat die tekst extra aandacht verdient, volgens de auteur, of opmaker, of uitgever.
Dat wit kan bewondering uitdrukken, of tot stilte manen, het lezen vertragen, wat niet al. Poëzie is een pleidooi voor traag en aandachtig lezen, is voor luie, oplettende lezers.

Helaas brengt dat wit soms ook met zich mee dat de lezer bij voorbaat al denkt: oei, zware woorden. Zijn die woorden dan zo licht als een veertje, dan kan dat een mooi ironisch effect hebben:

'k Had niet veel sjans.
'k Had niet veel charme.
Maar 'k lig als boek
tóch in jouw armen!

('Troost', van Lévi Weemoedt.)
Een variant op die als het ware in te lijsten quasispreuken zijn de opsommingen, zoals bijvoorbeeld 'Ceci c'est un poème' van Hendrik Jan Bosman.

Het is niet alles goud wat blinkt
Het is niet alles stront wat stinkt
Het is niet alles kol wat slinkt
Het is niet alles lood wat zingt

Het is niet alles mank wat hinkt
Het is niet alles zat wat drinkt
Het is niet alles hol wat klinkt
Het is niet alles fat wat schminkt

Het is niet alles traan wat pinkt
Het is niet alles schoft wat linkt
Het is niet alles stoer wat flinkt
Het is, dit alles, niets dan inkt.

Er staan er meer van in deze bundel.
Het komt echter ook voor dat de lezer teleurgesteld denkt: nou nou, zoveel wit voor een grapje. Neem nou dit, van niemand minder dan Harry Mulisch:

Sommige vragen zijn zo goed dat het jammer zou zijn ze met een antwoord te verknoeien.

Mooie gedachte, die ik hier met opzet niet in de drieregelige opmaak van het boek weergeef. Mooie gedachte van meneer Mulisch, maar om daar nu een hele pagina voor te reserveren...
Ook bij het verhaal van Herman Brusselmans, 'Verliefdheid is sterk', kun je je afvragen waarom dat als gedicht is weergegeven. Ik geef het hier als verhaal:

Ik was twaalf jaar en verliefd op het mooiste meisje van heel ons dorp. Wij hadden nog nooit een woord met elkaar gesproken, tot ik haar vroeg of ze mijn vriendinnetje wilde worden.
Toen ze 'Ja, heel graag' zei hoorde ik dat ze heel erg stotterde.
En meteen werd ik ook nog 'ns verliefd op het meisje met het mooiste spraakgebrek van heel ons dorp.

Grappig. Maar een gedicht? Waarom moet deze tekst in achttien regels met vier witregels ertussen worden afgedrukt? In dit geval lijkt het verhaal in zes regels sterker, het heeft meer vaart, de pointe komt beter tot zijn recht. Als gedicht wordt het hakkelend, en dat was niet de bedoeling.

Er is nog zo'n tekst.

Alles wat van mij houdt gaat dood, mijn hond, mijn vriend, de vogels die ik voer geef als het vriest.
Daarom houd ik van dode dingen, van porselein, een schilderij, van een gedrukt gedicht.

Maar misschien heeft dit juist te veel vaart. Dus drukken we het zo af:

Alles wat van mij houdt
gaat dood, mijn hond,
mijn vriend, de vogels die
ik voer geef als het vriest.

Daarom houd ik
van dode dingen,
van porselein, een schilderij,
van een gedrukt gedicht.

En daarvoor is dan iets te zeggen. Het lezen vertraagt door de afbrekingen, je wordt er stil van - en die stilte wordt weerspiegeld door het wit eromheen, om dit gedicht van C.O. Jellema, dat ironisch 'Tijdverblijf' heet.

Weer andere gedichten zijn op het papier slecht op hun plaats. Ze horen uitgesproken te worden, voorgedragen, gezongen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het bekende 'Oote' van Jan Hanlo, voor een gedicht als 'Recht op vrije meningsuiting' van Jan Boerstoel, 'De wandeling' van Bram Vermeulen, 'De Nederlandse taal' van Willem Wilmink, 'Mooie woorden' van Koos Meinderts, en ook 'Want er zijn dingen die kun je niet zeggen' van Els Pelgrom kan goed gezongen worden.

Deze bespiegelingen leiden me tot de vraag hoe deze bundel met 167 gedichten is ingedeeld. Er zijn geen afdelingen, de bundel begint gewoon. Eerst is er een voorwoord, 'Van A', en tot slot een nawoord, '... tot Z'.
Daartussen worden de gedichten als kralen aan een ketting geregen en wie goed leest, ziet toch dat de ene kraal soms iets van die ernaast weg heeft en dat het wellicht geen toeval is dat 'Poep- en piesmenuet' van Hans Dorrestijn volgt op 'Een koning...' (die voor zijn plezier gedichten op toiletpapier schreef) van Marianne Busser en Ron Schröder. Sla de bladzij om en verdomd, er is nóg een toilet, verscholen in 'De boekdrukkunst' van Ivo de Wijs.
Het is vast ook geen toeval dat 'Lttrs' van Marion van de Coolwijk naast 'Wij w88888888' van Kurt Schwitters staat, evenmin dat 'Ei-vers' van Frank van Pamelen naast 'de kippen in het kippenhok' van Toon Hermans staat of dat op p. 38-43 zes gedichten staan die min of meer naar school verwijzen en op p. 120-121 twee gedichten waarin vrede gesloten wordt.
Maar heel duidelijk of ordelijk is dit niet. Het is verleidelijk om overeenkomsten te zoeken tussen gedichten die naast elkaar staan, maar het is te betwijfelen of je die verbanden zou zien als ze niet naast elkaar zouden staan.
En er zijn per slot ook overeenkomsten tussen gedichten die níet naast elkaar staan. Zo staan er op p. 77, 80 en 106 drie gedichten met een recept...
De titel, overigens, komt van een gedicht van Hans & Monique Hagen zelf (p. 126).

Het is een bonte kralenketting die Monique & Hans ons presenteren, van onderling heel verschillende teksten, en wat mij betreft ook van rijp en groen.
Uit het nawoord blijkt dat ze begonnen in hun eigen boekenkast, daarna 'alles lazen wat bij familie en vrienden op de plank stond', en vervolgens op zoek gingen in twee bibliotheken: die van Hilversum en de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, waar mijn oud-collega Jeanette Kok (in het boek heet ze per ongeluk Jeannine) en Karin Vingerhoets de boeken 'uit het magazijn tevoorschijn toverden'.
De illustraties van Deborah van der Schaaf zijn bescheiden, soms niet meer dan bladversiering, soms treffend geplaatst bij een gedicht. Zoals bij 'Op een tonijn' van Kees Stip:



Bij Noordwijk zwom een nat konijn
te midden van een school tonijn.
'Tsja,' sprak het beest, 'dat tomt er van
als men de ta niet zeggen tan.'

Ik zou als docent wel raad met dit boek weten. Veel bladeren, en voor de juiste momenten de juiste gedichten uitkiezen. Ook puur voor eigen genoegen is dit een prettig blader- en leesboek. Vergeet vooral niet soms de teksten hardop te lezen, voor te lezen, voor te dragen (uit het hoofd) of te zingen.



Hans & Monique Hagen (samenstellers). Ik zoek een woord, 167 gedichten over taal om van A tot Z te verslinden. Ills. Deborah van der Schaaf. Querido, 2013. ISBN 978 90 451 1538 2, 199 p.

donderdag 7 augustus 2014

Broergeheim

Broergeheim, van Emiel de Wild, is geheel in briefvorm, met twee schrijvers-vertellers: Joeri en zijn broer Stefan. Stefan schrijft echter slechts één brief, de een-na-laatste. De brieven zijn verdeeld in vijf perioden, lopend van ‘half juli’ tot ‘begin oktober’.

Het begin is ietwat geforceerd. De verbaasde lezer moet geloven dat Stefan ineens is verdwenen. Joeri blijft koppig brieven schrijven, maar krijgt geen antwoord. Hij moet ook even het huis uit.
In deel 2 blijkt dat terug naar huis betekent: naar een heel ander huis, in een andere stad, op een andere school. En ‘pap’ en (vooral) ‘mam’ doen alsof Stefan niet bestaat en niet heeft bestaan. ‘We gaan een nieuwe start maken,’ zegt ‘mam’.

Als volwassen lezer denk ik dan al snel: dat is niet vol te houden, wat een domme ouders worden hier neergezet. Dat blijkt wat Joeri betreft ook al snel. Hij zoekt hun oude huis op, dat te koop staat, wordt door de politie opgespoord. Blijft brieven schrijven. Voor hem blijft Stefan bestaan. Deze brievenreeks in deel 2 beslaat het grootste deel van het verhaal, en eindigt ermee dat moeder even bij oma gaat wonen en hem een brief schrijft (in zijn geheel opgenomen in een brief van Joeri) waarin ze uitleg geeft. Stefan heeft een tegel van een viaduct laten vallen op een auto. Hij doodde daardoor een jongetje van anderhalf jaar. De reacties daarop waren zo heftig dat ze daarom zijn verhuisd.
Deel 3 bestaat uit slechts één brief, waarin Joeri vertelt hoe hij reageerde. O.a. door alle eerder geschreven brieven, die nooit verstuurd bleken, in de vuilnisbak te gooien. En hoe pap hem vertelde wat er allemaal gebeurde na Stefans daad en waarom ze wel moesten verhuizen.
Deel 4 is vervolgens de brief van Stefan aan Joeri. Waarin weer een versie van het gebeuren. En dan komt deel 5 met Joeri’s laatste, verzoenende brief.




Natuurlijk geldt voor dit verhaal zoals voor heel veel briefverhalen dat de hoofdpersoon wel ongelooflijk soepel en beeldend schrijft voor het personage dat-ie is, in dit geval Joeri, een jongen uit groep acht. Ook Stefan blijkt in zijn brief een rasschrijver. Dat geldt met name voor de lange brieven in deel 3 en 4.

De onwaarschijnlijkheid daarvan zullen de meeste lezers snel voor lief.nemen om het drama te volgen dat zich ontvouwt: een jongen van pakweg elf-twaalf jaar (hij is jarig halverwege) die veel van zijn broer houdt, voor de gek wordt gehouden door zijn ouders en dan tenslotte moet verwerken wat er is gebeurd.
Het is een verhaal dat veel jonge lezers als indringend zullen ervaren. En mogelijk aan het denken zet, over zaken als misdaad en vergeving.
De onwaarschijnlijkheid van die professioneel schrijvende broers kon ik als oudere lezer best voor lief nemen - de onwaarschijnlijkheid van het beschreven ouderlijk gedrag wat minder. Welke ouders halen het zich in hun hoofd om hun zoon van elf of twaalf zo compleet buiten de werkelijkheid te houden? Mochten er zulke ouders zijn, dan zou dit verhaal hen aan het denken kunnen zetten.

dinsdag 5 augustus 2014

Het raadsel van alles wat leeft

Vergeleken met bacteriën en wormen scharrelen wij mensen nog niet zo lang rond op aarde, dat wordt wel duidelijk uit Het raadsel van alles wat leeft van Jan Paul Schutte. Ook wordt duidelijk hoe zeer onze geschiedenis berust op aannames op grond van overgebleven resten en steen - maar ook blijkt hoe aannemelijk deze aannames zijn, gezien de resultaten van onderzoek.
Aannemelijker dan (bijvoorbeeld) het idee dat alles in zes dagen gemaakt zou zijn.

Des te onthutsender dat al die miljarden jaren mede hebben geleid tot Jos Grootjes uit Driel. Vooral verbazingwekkend voor de jonge lezers voor wie Het raadsel van alles wat leeft bedoeld is, al sluit ik niet uit dat ook zij de ironie van deze kroon der schepping zullen vatten.

Zo ziet Jos Grootjes uit Driel er uit:




En zo een van zijn verre voorouders, een manteldiertje:



Natuurlijk ben ik gaan zoeken naar Jos Grootjes en geheel voorspelbaar heb ik hem niet gevonden. Jos Grootjes uit Driel bestaat voorlopig alleen in Het raadsel van alles wat leeft. Hij is daarmee het enige zuiver fictieve element in dit vertoog. (Het plaatsje Driel bestaat wel.)

Want verder is het een heldere uiteenzetting van de geschiedenis van de wereld, voor wat we ervan weten of zeer waarschijnlijk achten. Ik hoef die uiteenzetting hier niet samen te vatten, vind ik: een samenvatting van een samenvatting is niet handig. Koop het boek en lees het zelf, beveel ik aan. En geniet dan ook van de trefzekere illustraties van Floor Rieder.
Ik noem alleen de twaalf hoofdstukken ('delen'):
1. Wonderen, raadsels, mysteries en jij
2. Hoe oud is de aarde?
3. De geschiedenis van alles in 1614 woorden.
4. Het beste wetenschappelijke idee aller tijden
5. De evolutie in het kort
6. Alles voor de familie
7. Hoe het leven op aarde ontstond
8. Overleven in de oerzeeën
9. Half mens, half vis (waaronder: 'Lijkt Jos Grootjes op een haai?')
10. Is dat evolutieverhaal nou wel helemaal bewezen?
11. Van muis tot mens (waaronder 'Is er buitenaards leven? En hoe ziet dat eruit?')
(12.) Tot slot nog dit ('Kun je aan iemands hersenen zien of hij gelovig is?' en 'Houden wetenschappers gegevens achter?')

Het was verrassend dit boek te lezen vlak nadat ik Bill Bryson's A short history of nearly everything had gelezen. Het leek wel een korte bewerking! Op Jos Grootjes uit Driel na dan.
En ook ontbreekt bij Bryson de wat voorzichtige uitweiding over creationisten. Ik vind het niet zo gek, die uitweiding: alle kans dat jonge lezers met zulke types in aanraking komen. Ze zijn dan in ieder geval goed voorbereid. Die taak heeft Schutte volgens mij onberispelijk vervuld. Daarbij is de weergave van Floor Rieder ietwat relativerender - en prachtig (vind ik):




Misschien raken die jonge (en andere) lezers ervan doordrongen dat deze geschiedenis eigenlijk een veel groter wonder is dan het wonder van een in een week geschapen wereld. Het wonder groeit zelfs nog, want er valt nog veel te ontdekken.
Alleen voor mensen die aan grootheidswaanzin lijden is het wellicht onverdraaglijk dat zij (en hun medemensen) zo'n bescheiden rolletje spelen in die geschiedenis. Mooi beeld: als je de geschiedenis van de wereld tot nu toe samenperst in één etmaal, neemt de geschiedenis van de mensheid de laatste vier minuten in beslag.

Er is eveneens een hoofdstuk over mogelijke medebewoners van het heelal. Een prettige toevoeging, die ongetwijfeld tegemoetkomt aan veel vragen van kinderen.
Zijn die er dan, die medebewoners? Hoogstwaarschijnlijk. Komen we ze ooit tegen? Hoogst onwaarschijnlijk. Zullen ze ooit iets over ons vernemen, middels de vol eigenwaan omhoog geschoten metalen voorwerpen met informatie? Ook hoogst onwaarschijnlijk.
Die inspanning was misschien beter besteed aan pogingen om te begrijpen waarom we van alle soorten levende wezens de enige zijn die zichzelf soms zo uitbundig en bloedig decimeert - zij het nog niet dusdanig dat we geheel verdwijnen als soort. Het heeft vermoedelijk te maken met neigingen om ons te verdelen in 'wij' en 'zij'. Maar daarover gaat Het raadsel van alles wat leeft niet. Het zou een mooi vervolg kunnen zijn.

Hoe boek is fraai uitgegeven, in stevige harde band. Dus noem ik de vormgever ook even: Tobias David. Het is terecht gekozen tot een van de Best Verzorgde Boeken in 2013.



Schutte, Jan-Paul. Het raadsel van alles wat leeft - en de stinksokken van Jos Grootjes uit Driel. Met register; ills. Floor Rieder. Gottmer, 2013. 160 p., ISBN 978 90 257 5346 7. 
Gouden Tulp 2014. Nienke van Hichtum-prijs 2013. Best Verzorgde Boeken 2013. Zilveren Griffel en (voor Floor Rieder) Penseel 2014. Ook verkrijgbaar als audioboek.

PS d.d. 27-11-2019, n.a.v. persbericht. 'Eens per jaar worden tijdens een literair festival in de Chinese stad Shenzhen de tien beste kinderboeken van het voorafgaande jaar gekozen. Op 16 november 2019 werd bekendgemaakt dat Het raadsel van alles wat leeft in Chinese vertaling een van de gelukkige winnaars was van de ‘Top Tien Kinderboeken van het Jaar 2019’.' '‘Van de honderdduizend boeken die er zijn uitgegeven in China, zijn er tien die deze prijs krijgen. En dit boek heeft dus één van die tien prijzen gekregen!’  aldus Jan Paul Schutten in een interview op NPO radio 1.'


Chinesebooksforyoungreaders meldde er op 3-11-2019 dit over:

'The  “My Favourite Children’s Books” (我最喜爱的童书) titles of 2019 have just been announced. The winning books are selected by children (the first award of its kind in China). [The awards are similar to the annual Children’s Book Awards in the UK – if you’d like to compare, the UK list starts with 50, is shortlisted to 10 – here’s the 2019 list, which has 3 winners and 7 runners-up.]

“My Favourite Children’s Books” was initiated by Shenzhen Children’s Library 深圳少年儿童图书馆 in 2014, and this year’s list was the sixth. The 2019 awards were co-organised by 39 provincial and city libraries. From January 2019, 5455 books were recommended by 129 institutions and 207 individuals. A panel of 9 experts was involved (see below). 100,000 books were purchased and distributed to 312 schools in 39 provinces and cities across China. A total of 1,309,111 votes were cast.

A total of 30 books (2019年我最喜爱的童书30强) have been selected, 10 in each category: literature, picture books, information books. It’s remarkable how many of these are translations from English and other languages, and how the awards appear to boost distribution and sales of the selected books (and sets of the winning books).' [...]

'The expert panel

LIN Wenbao 林文宝  (Taiwan) – expert in children’s reading
WANG Yizhen 王宜振  – writer of children’s literature, poet
ZHOU Mimi 周蜜蜜 – member, Hong Kong Writers Association
DING Xiaoqing 丁筱青 – Associate Professor, Yangzhou College of Education
GUO Hua 郭骅 – expert in children’s literature and psychology
DAI Yingyuan 戴颖媛 – national reading promoter, Shenzhen
YAO Haijun 姚海军 – deputy editor, Science Fiction World magazine
XI Zhinong 奚志农 – wildlife photographer
SHI Jun 史军 – botanist; member, Songshuhui-Association of Science Communicators'.


dinsdag 22 juli 2014

Engels en Nederlands

Twee foto's:




Fashion food freetime fun: hier wil men ons iets verkopen!

Hoeft er niets verkocht te worden? Alleen een serieuze waarschuwing? Dan spreken wij een andere taal:

WACHT tot het rode licht gedoofd is: er kan nog een trein komen.



maandag 21 juli 2014

Maar ik ben Frederik

Het is Frederiks redding, die ontmoeting met Frommel in het park. Wat zou er anders zijn gebeurd met de arme kantoorklerk die ineens veranderde in een jongetje, toen-ie een prop papier in zijn broekzak stopte. Zijn eigen kantoor uitgezet (door zijn eigen collega's), zijn eigen huis uitgezet (door de slotenmaker), zijn eigen auto uitgezet (door de politie), zijn eigen auto die hij nauwelijks meer kan besturen:




Het loopt goed af, maar deze verteller (die we voor het gemak maar even Joke van Leeuwen noemen) laat haar hoofdpersoon wel een lekker absurde reeks gebeurtenissen doormaken. En die beleeft hij met een prettig naïeve, verbaasde en open instelling - een beetje zoals de verteller, lijkt het wel. Tekenend is het gemak waarmee hij aan het spelen gaat, en zijn blik op de wereld, net wat anders dan anderen.

De eerste nacht bracht hij door in het kantoor, want gelukkig had hij een sleutel van de achterdeur. Daar schreef hij een briefje voor de directeur en zelfs zijn handschrift is niet meer het oude:



Het was nog lastig om aan de portier te ontsnappen. Hij brengt een tijdje door op een school, waar hij tot zijn verrassing erg goed kan vertellen - hij maakt mooie verhalen over de knipsels die hij op kantoor dag in dag uit knipte.
In het park komt hij Frommels moeder tegen en die neemt hem onder haar hoede. Ze luistert, en hoort een verdrietig verhaal, over een jongen (Frederik) die tot zijn negende bij een lief stel pleegouders woonde (Pepi en Moma), tot hij weg moest. Van die Pepi vond hij net vóórdat hij kromp een overlijdensbericht: dat was de prop die hij in zijn zak stopte. (Ja, daardoor kromp hij dus, denkt de lezer die graag oorzakelijke verbanden legt en naar verklaring en dramatische samenhang zoekt.) En nu hij het hele verhaal eindelijk eens kon vertellen, groeide hij weer.
Eind goed al goed. Moma komt bij Frederik op zijn flat wonen.

Dit is een lekker absurd verhaal, met sprookjesachtige elementen en heel veel speelse wendingen en talige grapjes. Zoals dit bijvoorbeeld. Soms knipte Frederik weleens een bericht per ongeluk doormidden. Dan kreeg je dit:



Er valt misschien op aan te merken dat het wat erg vlotjes is, en dat er gemiste kansen zijn. Frederik is eigenlijk het hele verhaal door een soort kind, alleen aan het begin en het einde van volwassen formaat. En na al die grofbesnaarde echte volwassenen is Frommels moeder ineens wel érg begripvol en aardig. Het zal wat mij betreft niet het allerbeste werk van Joke van Leeuwen heten. Maar nog altijd wel een mooi staaltje jeugdliteratuur.





Joke van Leeuwen. Maar ik ben Frederik, zei Frederik. Querido, 2013. ISBN 9789045116044, prijs in Nederland € 13,95. Z

maandag 14 juli 2014

Kwartier vrij lezen per dag

Het zou eigenlijk heel gewoon moeten zijn: kinderen op school de tijd geven om te lezen. Voor zichzelf, zonder dat er later vragen over worden gesteld waarop de meester of juf het antwoord allang denkt te weten. Lezen uit boeken die in een goed voorziene school- of klassenbibliotheek te vinden zijn.



Diverse organisaties hebben een actie op touw gezet om scholen zo ver te krijgen: Kwartiermakers.
'De leesvaardigheid van kinderen neemt enorm toe als ze elke dag een kwartier lezen. Wij zijn daarom het initiatief gestart om scholen te motiveren elke dag 15 minuten met de kinderen te lezen. Een leesritueel van een kwartier lezen per dag op school krikt het niveau van kinderen snel op. En met een hoger leesniveau worden andere vakken toegankelijker en kunnen kinderen hun talent beter ontwikkelen.
Wij zijn daarom op zoek naar 'KWARTIERMAKERS'. Scholen, leraren, ouders die actie ondernemen om kinderen in staat te stellen 15 minuten per dag te lezen. Interesse in het onderwerp? Meedoen als KWARTIERMAKER? Stuur ons een email en we nemen zo snel mogelijk persoonlijk contact met u op.'

Deelnemende scholen krijgen een 'actiepakket'.
'Dit pakket bestaat uit aantrekkelijk leesvoer. Boeken en andere leesmaterialen die door de leden van het netwerk bij elkaar worden gebracht.
Kennis en coaching. Onderwijzers en actieve ouders of leescoaches krijgen tips en adviezen om het lezen leuk te maken en kinderen actief te stimuleren in de boeken te duiken. Iedereen kan daartoe ook toegang krijgen tot een nieuwe app die speciaal voor kwartiermakers wordt gemaakt. 
Alle deelnemende scholen krijgen een meting aangeboden, voor, tijdens en na een eerste periode. Tijdens het programma kunnen ze via een speciaal scorebord bijhouden hoe het gaat! En natuurlijk is er voor iedereen ook een passende beloning voor behaalde prestaties.
Het actieprogramma omvat ook materialen waarmee het lezen thuis voor kinderen nog leuker kan worden. De praktijk leert ons namelijk dat de prestaties van kinderen pas echt omhoog schieten als ze op school en thuis lezen!'
Aangezien Zwijsen bij de eerste kwartiermakers hoort, zou het me niet verwonderen als er bij dat 'leesvoer' veel materiaal van Zwijsen zit. Waar overigens op zich niets mis mee is.

Het lijkt mij een goed initiatief. Bevorderen dat kinderen aan het lezen raken en blijven begint op school, met goed taal- en leesonderwijs en een goed voorziene bibliotheek. Dat is de basis. Alle andere acties zijn toefjes op de taart.

Het is wel treurig om te denken dat alle leesbevordering tot nu toe zo weinig zou hebben opgeleverd dat als doel nu gesteld moet worden 'als eerste mijlpaal minimaal 100 scholen enthousiast te maken om mee te doen en 12 maanden actief 15 minuten lezen per dag op school'. Je zou toch kunnen denken dat dit doel allang bereikt zou zijn, na zoveel jaren inspanningen. Zie ook Stichting Lezen (NL, er is er ook een in Vlaanderen), Nationale Voorleeswedstrijd, Nationale Voorleesdagen, Pabo-voorleeswedstrijd, Boekenbabbels, Nederlandse Kinderjury, Voorleesexpress (een van de eerste kwartiermakers) e.d.
Punt is dat we niet weten hoe het leeslandschap er zou uitzien zónder al deze acitiviteiten. 'Het effect van leesbevordering is moeilijk te meten', zei ooit een ex-directeur van Stichting Lezen, Barry Wiebenga. Er is immers geen 'controlegroep' die het zonder moet doen.
Nu is meten in, en het is dapper van de Kwartiermakers dat ze een voor- en een nameting aanbieden, en ook hebben allerlei woordenschatonderzoeken wel getoond dat lezen in ieder geval de uitbreiding woordenschat bevordert, dus zo somber hoeven we niet te zijn.

Maar toch, het is wat onthutsend, zo'n doelstelling. Niet getreurd, we gaan dapper door.

dinsdag 8 juli 2014

De schrijver als narcist

Dat was een fraai opstel van Kees 't Hart, in De Groene Amsterdammer 3-7-2014, een prachtig themanummer over narcisme (ondertitel: 'me, my selfie and I', met Kim Kardashian op het voorblad), over 'Onbegrepen helden, egotrips in de literatuur'.
'Romans zijn selfies. Romanschrijven komt voort uit narcisme. Keer op keer zetten schrijvers zich, al dan niet vermomd als romanpersonage, in het centrum van de belangstelling. En precies dat is, volgens het handboek voor mentale afwijkingen, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, het belangrijkste symptoom van narcisme.'
Een fraai samenvattend begin en het wordt uitvoerig en mooi toegelicht. Philip Roth komt langs (Operation Shylock), maar ook A.F.Th., Louis Couperus, W.F. Hermans, de auteur zelf e.a., en veel dagboeken over het ontstaan van romans. 'Thomas Mann schreef uitgebreid over het ontstaan van zijn roman Doctor Faustus. Zelfkritiek kom je er niet in tegen, de narcist heeft daar nu eenmaal geen talent voor.' Het is tongue-in-cheek, maar zo subtiel dat het niet als onzin overkomt.
Het door hem geponeerde verschijnsel is niet van alle tijden. 'Pas rond de achttiende eeuw ontstonden ideeën over de schrijver als centrum van de wereld. Niet meer de godheid of de koning maar de schrijver.' En hij wijst Saartje Burgerhart aan als start.

Ik citeer het einde van zijn opstel.

'Zelf narcist worden? Is dat niet het grote doel? Of zijn we dat al? Tenzij er natuurlijk een stroming in de letteren en de kunst opkomt waarin we ter ere van anderen moeten schrijven. Van de godheid, van de koning, van de natuur. En niet van onszelf.
Maar dat zal niet snel gebeuren. Maak uw borst maar nat, het zal alleen maar toenemen. "Echtheid" wordt, nee is, hierbij het nieuwe sleutelwoord. Niks geen verschuilen meer achter fictie, die tijd is voorbij. Alles zelf meegemaakt. Echt gebeurd? Ja, echt gebeurd. Verdriet gehad? Ja, enorm. Waarom zou niet iedereen een boek mogen schrijven over het sterfbed van zijn ouders, het verraad van een geliefde of het verongelukken van een naaste? Iedereen heeft het recht met zijn verdriet in het centrum van de wereld te staan. Ik en de wereld, de wereld en ik. Niet langer meer alleen op de wereld. Maar samen. Of zoiets. Met jezelf als schrijver belangeloos en bescheiden glimlachend in het centrum van je hele emotionele huishouding.'

Het deed me prompt denken aan een bespreking van de serie Gomorra, die dit jaar uitgezonden gaat worden. Sleutelwoorden: waar, echt gebeurd, 'gebaseerd op' (het boek van Roberto Saviano). Jawel, maar het blijft wel fictie, geen documentaire.

Nemen we het vertoog serieus, dan zou de rol van de verteller veranderd zijn in een maskerade: achter de verteller schuilt de schrijver, hongerend en hengelend naar erkenning. Maar school achter de oude verteller (hoor wat ik te verkondigen heb, blijf luisteren) ook niet een ego?

In datzelfde nummer ook nog zo'n bijdrage van Christiaan Weijts, 'De boekloze schrijver', die wat plagerig wijst op de groeiende aandacht voor de auteur. Van Jan Cremer via Jan Wolkers (zijn 'woeste haardos'), Harry Mulisch ('de neus') en Conny Palmen ('het piekhaar') naar auteurs die zo vaak te zien zijn dat we wel hun naam maar niet hun werk kennen: Nico Dijkshoorn, Bart Chabot, Johan Fretz, Anton Dautzenberg ('een geval apart'), Akyol Özcan. Hebben auteurs nog boeken nodig?
'Bij Reve en zijn tijdgenoten wás er tenminste nog een dilemma. Publiek en auteur hadden dezelfde belang: ze wilden dat er goede boeken kwamen, en de clownsnummers op tv, die namen ze voor lief. Nu dreigt de radicale omkering: auteur en publiek nemen de boeken voor lief. Voorlopig nog eventjes wel.'

zondag 6 juli 2014

Nobson Newtown

Wat doet een tekst over Paul Noble in een blog over lezen en schrijven? Dit: zijn werk, zoals ik dat zag in het Boymans van Beuningen Museum, is een prentenboek. Maar de prenten zijn als het ware uit het boek gehaald en vergroot of op grote eieren en vlakken geplakt.

Het is een vrijwel woordloos prentenboek, hoewel sommige prenten zijn voorzien van de tekst Welcome to Nobson. Er waren of zijn (de werken reizen en zullen hopelijk nog wel even ergens te bezichtigen zijn en er zijn ook boeken) ook namen als bijvoorbeeld Nobspital en Nobsend (een kerkhof): maar die vond ik naast de prenten, niet erin.
Fotograferen was in het Boymans uitdrukkelijk verboden en de suppoosten hielden plichtsgetrouw toezicht. De foto's in dit bericht zijn dus illegaal - of/en ontleend aan museum- en andere websites.

Het prentenboek of nou ja, de tentoonstelling biedt een zwerftocht door een denkbeeldige stad, Nobson Newtown. Speciaal voor het museum had Noble een plattegrond gemaakt, ...


... maar ik kreeg de indruk dat elke andere plattegrond ook zou voldoen. Perspectief is primitief: veel prenten doen wat dat betreft (en alleen wat dat betreft) denken aan de oppervlakte in computerspellen als Simcity, zeker de eerste versies daarvan. Zie bijvoorbeeld deze prenten, de een van Noble, de ander Simcity 1994:
  

Deels heeft het prentenboek zich uitgebreid over beelden,...


... en de hekken van sommige prenten stonden ook levensgroot in de tentoonstellingsruimte - fascinerend ontregelend.
Hier zulke hekken op twee prenten:
  

En hier in de zaal:



En hier nog zo'n hek:


En dat is een aanleiding voor een kanttekening. Niet alleen ontbreekt een echte plattegrond of een perspectief, ook mensen ontbreken. Maar er zijn wel levende wezens te zien, een soort wormen. Alsof die de wereld hebben overgenomen - maar ze zijn er al wel in thuis. Hoewel, wormen - de recensent van The Guardian vond ze meer drollen. 'The inhabitants – we must be frank – are shits. Actual turds, to be precise. All human life is here, but all of it is excremental. There is a great deal of public sex, if you care to look closely enough, but somehow no one seems to be enjoying it much.' (Adrian Searle, The Guardian, 15-11-2011.) Drollen of wormen - een ieder kan dat zelf beslissen, lijkt me.
Die seks boeide meneer Searle kennelijk nogal, want, ja, er is erotiek te ontdekken, maar ook een reeks andere handelingen en situaties.

Nu gaat het hier om Nobson Newtown, wat suggereert dat er ook een Nobson Oldtown heeft bestaan. Blikvangen vermeldt: 'Paul Noble werkt sinds 1996 aan Nobson Newtown. Het zijn potloodtekeningen van een stad gebouwd op de ruïnes van Nobson Oldtown.'
Prenten als Nobson Central (links) of een detail van Ye Old Ruin suggereren dat inderdaad:

  

en let op een detail als dit...

... ook van Ye Old Ruin.

Een dramatisch overblijfsel is ook dit detail (let op die hand bovenaan de trap! zie boven voor de hele prent)
 

Ik heb geboeid staan staren naar de drie grote eieren en de vele metersgrote ingelijste prenten waarop zich Hiëronumus Bosch- maar ook Breughel-achtige taferelen afspelen:

 

  

  

Een rode lijn kon ik er niet in ontwaren, maar ik bleef wel kijken. Mooi ook die afbeeldingen in een afbeelding, op keramiek.
Zoals Nobson Newtown een soort labyrint lijkt te zijn, zo is ook het leven in die stad een mozaïek zonder begin of einde. Het gaat maar door en de stad is nog niet af, komt misschien nooit af.

De tentoonstelling in het Boymans is er tot en met 21 september. Gaat dat zien.




Bronnen illustraties:
http://archaeoweb.net/
http://doorofperception.com/2013/08/paul-noble-welcome-to-nobson/
http://www.rachelwithers.com/paul-noble-welcome-to-nobson/
http://aggiesdraw.blogspot.nl/
http://abrahammossart.wordpress.com/the-built-environment/
http://socks-studio.com/2011/11/22/nobson-central-and-welcome-to-nobson-a-microcosmos-created-by-paul-noble/
http://www.dosgamesarchive.com/download/simcity-2000/

En zie ook het filmpje op Door of Perception, over de tentoonstelling of Nobson Newtown in The Gagosian Gallery.

Tot slot nog een grapje van diezelfde Paul Noble, in diezelfde tentoonstelling:


Om te zien hoe dat werkt, is bezoek noodzakelijk.







donderdag 3 juli 2014

Verder met jeugdliteratuur op de pabo

Op vrijdag 26 september vindt in Utrecht een symposium plaats voor pabo-docenten: 'Verder met jeugdliteratuur op de pabo, Hoe zet je kinderboeken in voor een rijke lees- en leeromgeving?'. Zie aankondiging.

Dat onderwerp gaat me natuurlijk aan het hart, en ik doe nog mee ook, dus dit bericht is niet onbevangen. Het symposium wordt namelijk georganiseerd door Stichting Lezen (NL) in samenwerking met de redactie van Verborgen talenten, en daartoe hoor ik.

Het programma:
'Het ochtendprogramma start met een stand van zaken: wat doen pabo’s tegenwoordig aan jeugdliteratuur? Vervolgens verkennen we twee recente ontwikkelingen: welke mogelijkheden biedt de aanpak van ‘de Bibliotheek op school’ het basisonderwijs en hoe kan de inzet van non-fictie de leesmotivatie verhogen?

In de middag kunt u twee deelsessies volgen. De eerste ronde biedt gelegenheid na te denken over jeugdliteratuur bij verschillende vak- en vormingsgebieden. Tijdens een van de deelsessies wordt de discussie aangezwengeld over de (verplichte) leeslijst op de pabo. Tijdens de tweede ronde laat een viertal kinderboekenschrijvers zijn licht schijnen over het thema.'

Pabo-docent, meld je aan, zou ik zeggen!
Tja, wat verwacht je anders van mij...
Nou, nog een toevoeging: ... en neem je literatuurlijst mee! Daarmee bedoel ik de lijst die je leerlingen dienen te lezen.


woensdag 2 juli 2014

Why are you crying

Ook meegenomen op vakantie: The Stone Gods, van Jeanette Winterson. Omdat ik eerst allerlei ander leesgoed wou lezen, bleef het lang onderin de bagage. Pas de laatste dag begon ik te lezen - en ik werd gegrepen.

The Stone Gods bevat vier verhalen: Planet Blue, Easter Island, Post-3War en Wreck City. Maar eigenlijk vormen die vier verhalen één verhaal, over onmacht, sterven en liefde. Grote woorden, ja. De vertellers schuwen die evenmin. In het eerste verhaal is Billie Crusoe aan het woord, een jonge vrouw, in dienst van Enhancement Services van de Central Power. Zij stuurt mensen bij die uit de pas lopen. En ze licht voor, bijvoorbeeld over de nieuw ontdekte planeet, Planet Blue.

'My name is Billie Crusoe.
"Excuse me, is your name Billie Crusoe?"
"That's me."
"From Engancement Services?"
"Yes, Every Day a New Day." (As we say in Enhancement.)
"Can you tell viewers how the new planet will affect their lives?"
"Yes, I can. The new planet offers us the opportunity to do things differently. We've had a lot of brilliant successes here on Orbus - well, we are the success story of the universe, aren't we? I mean to say, no other planet hosts human life."
The interviewer nods and smiles vigorously.
"But we have taken a few wrong turnings. Made a few mistakes. We have limited natural resources at our disposal, and a rising population that is by no means in agreement as to how our world as a whole would share out these remaining resources. Conflict is likely. A new planet means that we can begin to redistribute ourselves. It will mean a better quality of life for everyone - the ones who leave, and the ones who stay."
"So a win-win situation?"
"That's right, winning numbers all the way"'

Dit gaat wat anders. Het verhaal eindigt in de sneeuw op Planet Blue, in een grot waar Billie schuilhoudt met Spike, de intelligente robot die de Central Power zou gaan ondersteunen, die er uitziet als een mooie vrouw en die verliefd wordt op Billie, een liefde die pas op het allerlaatst wordt beantwoord. Kun je van een robot houden?
Kan ik schrijven dat Spike overlijdt? Of gaat ze kapot door gebrek aan zonlicht? Het lot van Billie kan ze zelf niet vertellen.
'Snow is covering us. Close your eyes and sleep. Close your eyes and dream. This is one story. There will be another.'

In Easter Island zijn we in de 18e eeuw. Verteller Billie is een jonge man die schipbreuk lijdt. Hij vindt onderdak bij een andere schipbreukeling, Spikker, die al tijden op het eiland woont en een plaats heeft onder de Inboorlingen (Natives). Het eiland is kaal, want alle bomen zijn opgeofferd om grote stenen beelden te verplaatsen, de stenen goden. Er is strijd, er zijn rituelen - Spikker komt om bij een wedstrijd, wordt van de rots geduwd. Billie zit bij de stervende man, die droomt van een huis in Amsterdam, aan de Amstel.
'To him I say, "we are coming by Ship to the Amstel River, and look at us now with bales of cloth and a palm tree in a barrel. A canal-boat will take us along the Singel and stop us at a home where the door is open." I held up the Delft tile, like a mirror to his face.
He smiled.
"Go in," I say to him. "Go in."

And he passes through the door. And in the house he must make ready till I have finished my business here and come back to him.
A white Bird opens its wings.'

In Post-3War treffen we verteller Billie in de Tube.

'I was traveling home on the Tube tonight and I noticed that someone had left a pile of paper on the seat opposite. It was late, I was a bit drunk, a bit bored, a bit restless, so I swung across the centre gap from one bumsoiled seat to another and carefully shifted the bundle to my knees. It was yellow, pre-war, you don't see much paper these days, maybe scrap, maybe rubbish, maybe old instruction manuals translated into English from the Japanese.

The Stone Gods, said the title. OK, must be anthropology. Some thesis, some PhD. What's that place with the statues? Easter Island?
I flicked through it. No point starting at the beginning - nobody ever does. Reading at random is better: maybe hit the sex scenes straight away.

At night in the belly of the Ship, I lay beside Spike and thought how strange it was to lie beside a living thing that did not breathe.

A love story, that's what it is - maybe about aliens. I hate science fiction.'

Was verhaal 1 bij tijden al hilarisch, droevig en grappig tegelijk, in zijn schildering van een toekomstige samenleving, hier gaat het vrolijk verder. De jonge vrouw Billie is hier opnieuw een outsider die toch een positie heeft weten te verwerven. Ze is hier trainer van een robot. Die heet Spike en bestaat alleen nog maar uit een hoofd. Spike moet de firma MORE, die na de catastrofale derde wereldoorlog het bestuur van regeringen heeft overgenomen, van advies gaan dienen. '"She will help us to reach objective decisions"', zoals het opperhoofd van MORE op tv zegt. Ze moet zelfs een volgende oorlog helpen voorkomen.
Trainer Billie praat met Spike. 'The strange thing is that although Spike is a robot we chat. I tell her about my life.' Maar ook over de wereld, over materialisme en economie. Spike:
'"I have been studying the transition from the economics of greed to the economics of purpose."
"Yes, i suppose that's what you could call it."
"What would you call it, Billie?"
"Spike, Capitalism is like Japanese Knotweed: nothing kills it off. If there were only two people left on the planet, one of them would find a way of making money out of the other."
"But economics of purpose is not about making money: it's about realigning resources."
"Isn't language wonderful?"'

Het verwonderde me niet dat einde verhaal de trainster gebruik maakt van een openstaande deur, als ze met Spike onder de arm de verplichte tuinwandeling doet.

'Off we went, a normal day like every other, and the I saw that the gate from the garden into the street was open. We went and stood in the liminal opening - parrots and vines behind us, electric trams ahead. I had a strange sensation, as if this were the edge of the world and one more step, just one more step...

"Where are we going, Billie?"'

Dat wordt verteld in Wreck City, een vervolg op Post-3War. Zelfde vertelster, ze neemt de tram met Spike en gaat naar Wreck City, de No Zone buiten de stad.
'Wreck City is a No Zone - no insurance, no assistance, no welfare, no police. It's not forbidden to go there, but if you do, and if you get damaged or murdered or robbed or raped, it's at your own risk. There will be no investigation, no compensation. You're on your own.'
En hoe hilarisch sommige taferelen ook zijn (Spike leert o.a. beffen en doet dat met overgave), het is geen paradijs en het verhaal eindigt met een veldslag tussen politie en bewoners. Billie is met Spike die veldslag ontvlucht, komt terecht bij een oude radioscoop, vindt daar (o.a.) een bericht uit een andere tijd, een andere wereld, en voelt zich hopeloos verloren.

'"Billie,"said Spike, "why are you crying?"
"Because it's hopeless, because we're hopeless, the whole stupid fucking human race."
"Is that why you are crying?"
"And because I wish there was a landing place that wasn't always being torned up."
"Is that why you are crying?"
"And because I feel inadequate."
"There's a story about a princess whose tears turned to diamonds."
"I'm not a princess and my tears are tears like everyone else's."
"But they are not everyone else's, Billie. They are your tears."'

Billie laat manuscript (ja, ze sjouwt het nog steeds met zich mee) en Spike in de hut van de radioscoop en gaat weg. En wordt doodgeschoten door twee soldaten, 'two humans dressed as androids, no faces, no soft skin, combat gear, helmets, guns'. Ze eindigt met een prachtige droom, waarin ze eindelijk thuiskomt.

Het verwonderde me niet dat ik in de recensies die ik achteraf las nogal wat gemopper tegenkwam over de sombere toekomstverwachtingen en cynische commentaren die in dit verhaal (of deze verhalen?) te lezen zijn. Every Day a New Day, tenslotte, keep smiling.
Mij deerden ze niet, ik lustte er wel pap van, en heb zeer genoten van juist de hilarische taferelen in dit boek over, ik schrijf het nog eens, onmacht, sterven en liefde.