Zoeken in deze blog

woensdag 18 maart 2015

Snergenland

Het werd aangekondigd als een hier nog niet zo bekend klassiek Engels kinderboek, dat Tolkien geïnspireerd zou hebben: Het wonderbaarlijke Snergenland van E.A. Wyke-Smith. Het origineel heet The Marvellous Land of Snergs en verscheen in 1927. Tolkien zou er dit over gezegd hebben: 'I should like to record my own love and my children's love of E. A. Wyke-Smith's Marvellous Land of Snergs, at any rate of the snerg-element of that tale, and of Gorbo the gem of dunderheads, jewel of a companion in an escapade'. Aldus Douglas Anderson in The Annotated Hobbit, en die schijnt het te hebben ontleend aan de biografie van Tolkien door Humphrey Carpenter.

Met zo'n aanbeveling werd ik nieuwsgierig, ook omdat Sylvia Weve de kans werd gegeven dit werk te illustreren en de vertaling werd verricht door het duo Erik Bindervoet & Robbert-Jan Henkes, bekend door hun vertaling van Finnigans Wake en A Portrait of the Artist as a Young Man van James Joyce.

De beslissing van Moon (imprint van Overamstel Uitgevers) om dit boek uit te geven zal ongetwijfeld zijn beïnvloed door de heruitgave in 1995 (Dover Children's Classics). Die heruitgave had de oorspronkelijke illustraties van George Morrow.

Ik heb het verhaal in stukjes gelezen, meestal voor het slapen gaan. Het kostte me geen moeite om het weg te leggen en een enkele keer heb ik gebladerd. Hier is namelijk een vreselijk wijdlopige anonieme verteller aan het woord. Neem de eerste pagina van het verhaal:

Als er ooit eens een keer een zeevarend persoon, zoals een zeiler, 's ochtends in de vroegte bij de Watkyns-baai de hoek om zou komen varen, dan zou hij heel veel kinderen zien spelen in het water, en dan zou hij daar vrolijk van worden of juist heel treurig, afhankelijk van zijn karakter, Hij zou zich in elk geval afvragen hoe die kinderen daar kwamen, op zo'n verlaten plek, waar ze zich toch zo thuis voelden: de kleintjes, die in de rondte plonsden in de ondiepere gedeelten en achter elkaar aan zaten op het zand, en de grotere kinderen die naar vlotten zwommen en en ervanaf doken, en allemaal schreeuwden ze en gilden ze. Maar dit is enkel theorie, want er zal nooit een zeiljacht of enig ander vaartuig om de hoek van de baai komen varen en er zal nooit een zeil te zien zijn aan de horizon. Dat komt doordat dit het land van de V.V.O.K. is, en daarom een aparte, afgezonderde plek. Als een zeiler het ooit in zijn hoofd zou halen om die kant op te varen, dan zou hij te maken krijgen met onvoorstelbare stormwinden uit het noordoosten, afgewisseld met onvoorstelbare stormwinden uit het zuidwesten, dit alles in combinatie met waterhozen overal. En dan zou hij er al snel spijt van krijgen en van geluk mogen spreken als hij zich levend uit die wateren wist te redden, vastgeklampt aan de restanten van de mast.

En dan is er nog geen stap gezet!
Dit is een negentiende-eeuwse verteller, maar niet in negentiende-eeuwse stijl, want die stijl is heel losjes, in spreektaal. Waar veel negentiende-eeuwse vertellers de indruk wekken dat ze hun tekst hebben bedoeld voor gedragen voordracht vanachter een lessenaar, daar wekt deze verteller de indruk aan tafel tijdens een maaltijd een wat lang uitgevallen anekdote te vertellen. Een ongeremde kletskous, die door licht vermoeide gezichten alleen maar aangemoedigd wordt tot uitgebreider babbelen en zichzelf buitengewoon geestig vindt.

Het maakte me nieuwsgierig naar het origineel!
Dat had ik niet voorhanden, maar gelukkig bleek er in de Apple-winkel een inkijkje mogelijk, de eerste 37 pagina's.

If any seafaring person, such as a yachtsman, were to sail round the corner of Watkyns Bay in the morning, he would find large numbers of children playing in the water, and would be either pleased or depressed at the sight according to the way his nature was originally formed.
Enz.
De vertalers hebben volgens mij het origineel getrouw gevolgd en omgezet in een overeenkomstige stijl. Goed werk: de kletskous blijft de kletskous.

Het verhaal in vogelvlucht 
Joe en Sylvia vluchten uit het kinderkamp van juf Watkyns en komen na allerlei avonturen terecht in een land aan de overkant van de rivier. Hun komst heldert een misverstand op en voorkomt een soort oorlog. Eind goed al goed, dus, en Joe en Sylvia keren terug.

O.k., iets meer details.

Het kamp van juf Watkyns is van de Vereniging ter Verwijdering van Overtollige Kinderen (Society for the Removal of Superfluous Children). Die neemt kinderen op die 'overduidelijk niet worden gewenst door hun ouders of ouder, al naargelang de situatie' ('obviously not wanted by their parents, or parent as the case may be'), en bevindt zich in een nagenoeg onvindbaar land, zie boven.

 
(Hierboven links: de VVOK aan het werk, met in het midden juf Watkyns. En rechts: juf Watkyns volgens George Morrow.)

Nagenoeg, want wel wist kapitein Van der Decken het te vinden, nadat hij ruim honderd jaar met zijn Hollanders op zijn vervloekte schip had rondgevaren.
Het kinderkamp wordt omgeven door het land van de Snergen, 'een volk dat maar net iets groter is dan de gemiddelde tafel, maar breed in de schouders en heel erg sterk. Waarschijnlijk stammen ze af van de kabouters die ooit de heuvels en bossen van Europa bevolkten en die uiteindelijk zijn verdwenen toen hun bossen verdwenen door overbekapping. Hun taal is niet heel moeilijk en de kinderen pikken het in een paar weken op, wat mijn theorie over hun afkomst versterkt.' (*) En 'ze leven heel lang, grofweg zo lang als eiken.' ('They are long-lived people; roughly they live as long as oaks.')
De kinderen hebben het goed in het kamp, maar moeten zich wel aan allerlei regeltjes houden en sommige kinderen vinden dat lastig. Joe en Sylvia hebben er op een dag genoeg van (we zijn dan overigens al op p. 34) en verlaten het kamp. Ze komen de snerg Gorbo tegen, die buitengewoon slecht in oriëntatie is. Ze verdwalen dus.
Op hun dwaaltocht komen ze onder meer een ridder tegen die liever niet wil vechten, een mensenetende reus tegen die het mensen-eten tijdelijk heeft afgeschaft, een heks die gewillige dienaartjes zoekt en een wat opportunistische nar, en via een ingewikkeld gangenstelsel zijn ze bovendien aan de andere kant van de grote rivier beland, waar een koning heerst die volgens de Snergen enorm wreed is - maar die op zijn beurt de Snergen als een groot gevaar ziet.

 (Hiernaast: de mensenetende reus Golithos, die even geen mensen eet.)

De Snergen hebben met de Hollanders van Van der Decken een speurtocht naar de kinderen ingezet en wagen zich over de rivier. Na een Theater-van-de-lach-achtige plotwending ontdekken de twee partijen van elkaar dat ze wel meevallen, en daarin spelen Joe en Sylvia de mooiste rol, met wat bescheidener rollen voor de Snerg Gorbo en de nar Boldrik.
Zoals gemeld, eind goed al goed, de kinderen keren terug.

De lol van het verhaal zit hem in de vele bizarre wezens en voorvallen die de loslippige en wijdlopige verteller weet op te dissen. Zucht nog eens diep, besef dat er niet te ontkomen valt aan deze ouwehoer, neem een drankje en de tijd om hem te volgen in zijn aberraties. De enige andere oplossing is het boek dichtslaan.
De makke van het verhaal is de zwakte van de interne logica, de afwezigheid van echt interessante karakters en relaties, en de trage tempo, uiteraard veroorzaakt door genoemde wijdlopigheid.
Hij lult maar wat raak, deze verteller, maar weet intussen wel wat bizarre taferelen te schetsen. Hier en daar vermakelijk, maar wat mij betreft is dit verhaal geen hoogtepunt van de jeugdliteratuur. Het mag Tolkien dan geïnspireerd hebben, zijn eigen werk overtreft het met gemak.

Wel zeer te prijzen vind ik het werk van Sylvia Weve, die zich in tien paginagrote en nog wat aanvullende illustraties mocht uitleven en het bizarre, karikaturale karakter van dit verhaal goed aanvult - wat mij betreft beter dan George Morrow.



E.A. Wyke-Smith. Het wonderbaarlijke Snergenland; met illustraties van Sylvia Weve; vertaald door Erik Bindervoet & Robbert-Jan Henkes. Moon, 2014. ISBN 978 90 488 1960 7.

(*) Hier een klein staaltje aanpassing van de vertalers. Het origineel: 'The Snergs are a people only slightly tallerthan the average table but broad in the shoulders and of great strength. Probably they are some offshoot of the pixies who onze inhabited the hills and forests of England, and who finally disappeared about the reign of Henry VIII. Their language is not verey difficult and the children especially learn to speak it in a few weeks, which helps to strengthen my theory of their origin.'


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen