Zoeken in deze blog

maandag 22 februari 2016

Onderzoek naar jeugdliteratuur

krijgt zelden publieke aandacht, en een prijs voor het beste onderzoek evenmin. Alleen sites als Leesplein vermelden dat er een Miep Diekmann Prijs is toegekend.
Dat is jammer. Dus om een bescheiden bijdrage te verlenen vermeld ik ook hier wat IBBY Nederland gisteren bekendmaakte:

'De Miep Diekmann prijs voor jeugdliterair onderzoek wordt tweejaarlijks uitgereikt aan de auteur(s) van de beste Nederlands- of Engelstalige masterthesis op het gebied van de studie van de kinder- en jeugdliteratuur. Onderwerpen kunnen zowel literatuurtheoretisch als -historisch van aard zijn. Onderzoek expliciet naar leesvaardigheid,  functies van lezen, leesattitude of lezen in relatie tot audio-visuele en/of digitale media komt niet in aanmerking voor deze prijs. De prijs is één van de activiteiten van IBBY-Nederland om meer aandacht te schenken aan de wetenschappelijke bestudering van de kinder- en jeugdliteratuur. Zij is vernoemd naar Miep Diekmann, die al vroeg het belang van wetenschappelijk onderzoek over kinder- en jeugdliteratuur aan de orde stelde en daarvoor een warm pleidooi in de media hield.

De jury bestond uit: prof.dr. Rita Ghesquière, prof.dr Saskia de Bodt en dr. Jant van der Weg-Laverman.

De Miep Diekmann thesis prijs 2016 gaat naar:

·         Mecu Ginting voor haar thesis: Wild waters. An analysis of the Dynamics between People and Water in Dutch Children’s Literature from the Vantage Point of the Ecohumanities.  (Master jeugdliteratuur Tilburg University)

Naast de prijs kent de jury twee eervolle vermeldingen (van elk 250 euro) toe aan:

·         Jozefien de LeestEen ‘kindermenu’ in de literatuur. Wat wordt er over een literaire status gecommuniceerd naar het publiek anno 2013?. (Master boekwetenschap en handschriftkunde Universiteit van Amsterdam).
·         Maaike VaesBedenk dat dit geweest is … De Tweede Wereldoorlog in recente jeugdliteratuur. (Master jeugdliteratuur Tilburg University).

De oorkondes behorende bij de prijs en eervolle vermeldingen zullen uitgereikt worden door Miep Diekmann tijdens de IBBY-studiemiddag op vrijdag 11 maart in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag (zie: http://www.ibby-nederland.nl/uncategorized/studiemiddag-en-de-feestelijke-uitreiking-van-de-miep-diekmann-thesis-prijs-2016/).  Er is nog plaats, dus men kan zich nog aanmelden.

De Miep Diekmann prijs voor jeugdliterair onderzoek bedraagt 750 euro. Naast het toekennen van de prijs, zijn twee eervolle vermeldingen (250 euro) mogelijk. Gestreefd wordt naar het publiceren van een artikel n.a.v. de bekroonde thesis in de publicatiereeks over de studie van de kinder- en jeugdliteratuur: ‘Literatuur zonder leeftijd’ . '

Zie ook de website van IBBY Nederland. En ik ga niet uitleggen wat het verschil zou kunnen zijn tussen kinder- en jeugdliteratuur.

To kill a mocking-bird

Het toeval wou dat ik in het bibliotheekje van resort Old Lamp op Ko Jum, Thailand, een mooi werk aantrof: To kill a mocking-bird, van Harper Lee. Beduimeld, met wat losse pagina's, maar gelukkig geen ontbrekende pagina's. Ik ging en bleef lezen, wanneer ik maar kon, tot ik het uit had.
To kill a mocking-bird verscheen in 1960 en won meteen de Pulitzer Prize. Het verhaal is op Wikipedia uitvoerig beschreven (hier in het Nederlands), dus dat hoef ik hier niet over te doen, zelfs niet dunnetjes. Het lag op een stapeltje te bespreken boeken toen in de kranten het bericht verscheen dat Harper Lee was overleden, op 19 februari jl.
Wat in die beschrijving iets onderbelicht blijft ('it focuses on six-year-old Jean Louise Finch (Scout)', dat is al) is dat Scout de verteller is en het verhaal dus verteld wordt door de ogen van een kind. Naar mijn idee is dat de kracht van het verhaal.

Het begint weliswaar met een terugblik, maar na vier pagina's start de vertelling vanaf het begin, toen
'early one morning as we were beginning our day's play in the back yard, Jem and I heard something next door'.
Die terugblik begint overigens ook prachtig, en ik citeer de eerste drie alinea's om te tonen hoe hier nieuwsgierigheid wordt opgewekt naar het vervolg en alvast enkele clous worden gegeven zonder meteen te vertellen waar het uiteindelijk om draaide.

'When he was nearly thirteen my brother Jem got his arm badly broken at the elbow. When it healed, and Jem's fears of never being able to play football were assuaged, he was seldom self-conscious about his injury. His left arm was somewhat shorter than his right; when he stood or walked, the back of his hand was at right-angles to his body, his thumb parallel to his thigh. He couldn't have cared less, so long as he could pass and punt.
When enough years had gone by to enable us to look back on them, we sometimes discussed the events leading to his accident. I maintain that the Ewells started it all, but Jem, who was four years my seniour, said it started long before that. He said it began the summer Dill came to us, when Dill gave us the idea of making Boo Radley come out.
I said if he wanted to take a broad view of the thing, it really began with Andrew Jackson. If General Jackson hadn't run the Creeks up the creek, Simon Finch would never have paddled up the Alabama, and where would we be if he hadn't? We were far too old to settle an argument with a fist-fight, so we consulted Atticus. Our father said we were both right.'

Prachtig, niet waar? De suggestie dat er iets ernstigs is gebeurd - wat ook blijkt, maar de portee ervan komt pas veel later. Van een herinnering worden we meteen een gesprek in geleid en de laatste zin biedt al een mooie blik op de gezinsverhoudingen. Natuurlijk laat de verteller wijselijk in het midden hoe oud ze waren toen ze te oud waren om een ruzie met een vuistgevecht te beslechten. En dat ze zich getweeën tot hun vader (Atticus) wenden om raad, spreekt voor zich. Toch?
Op dat moment is nog niet eens duidelijk wie hier vertelt, dat komt pas middenin een gesprek op p. 7, als we de komst van Dill meemaken.
'Shoot no wonder, then,' said Jem, jerking his thump at me. 'Scout yonder's been reading ever since she was born, and she ain't even started at school yet.'




Enfn, ik kan alleen maar aanraden dit boek te gaan lezen, als je dat nog niet hebt gedaan. Er is een Nederlandse vertaling verkrijgbaar (Spaar de spotvogel), maar de oorspronkelijke versie is fijner (wegens het heerlijke idioom in de dialogen). Het is niet moeilijk om te begrijpen waardoor dit boek een klassieker is geworden. Het boek is nog steeds te koop, kost niet veel, ook als e-boek, is als pdf zelfs gratis te vinden.
De thematiek is helaas nog steeds actueel.
De titel wordt verklaard op p. 99-100, althans in de door mij gelezen editie:

Lee, Harper. To kill a mocking-bird. Arrow Books / Random House Group, 1997. ISBN 978 0 09 941978 5.

NB. Ik kan Old Lamp Resort van harte aanbevelen voor wie van rust houdt, en een hutje met uitzicht op zee.

NB2. Voor opvoeders:
'Jack! When a child asks you something, answer him, for goodness' sake. But don't make a production of it. Children are children, but they can spot an evasion quicker than adults, and evasion simply muddles 'em.' (p. 97)


zaterdag 6 februari 2016

Op een ochtend, in januari

ontving ik Op een ochtend, vroeg in de zomer, een bundel verhalen van Toon Tellegen met illustraties van Sylvia Weve.
Ik sloeg het boek open, passeerde een fraai schutblad en ander voorwerk en las

'Het aardvarken

Op een ochtend, vroeg in de zomer, besloot het aardvarken zich te verstoppen.
Hij had dat nog nooit gedaan.
Hij ging naar een deel van het bos waar volgens hem nooit iemand kwam en kroop daar in een struik vol met stekels en doornen.
Nu ben ik onvindbaar, dacht hij.
Maar voor alle zekerheid groef hij nog een gat in de grond, midden onder de struik, en ging daarin zitten, zodat alleen zijn hoofd nog zichtbaar was als iemand de takken opzijboog.
Vind mij nu maar eens! dacht hij en hij wreef in zijn handen, die hij met moeite bij elkaar bracht.
Maar toen hij een tijdje daar zo in elkaar gedoken had gezeten dacht hij: zou iemand mij eigenlijk wel zoeken? Als niemand je zoekt, wat heb je er dan aan om je te verstoppen?'
Hoe dit afloopt, ga ik uiteraard niet tonen.
Het deed me denken aan verstoppertje-spelen, vroeger. De zoeker moest zijn best doen om je te vinden, maar je wou wel gevonden worden. Trauma'tje: heel lang verstopt zitten, uiteindelijk toch maar tevoorschijn komen en ontdekken dat alle andere kinderen al weg zijn.




Doet het bekend aan? Mij wel. Al na de eerste regels was ik thuis: Toon Tellegen, onvervalst. Deze verhaaltjes sluiten naadloos aan bij voorgaand werk, van Er ging geen dag voorbij, negenenveertig verhalen over de eekhoorn en de andere dieren (1984, ills. Jan Jutte), Toen niemand iets te doen had (1985, ills. Mance Post), Langzaam, zo snel als zij konden (1989, ills. Mance Post), Misschien waren zij nergens (1991, ills. Mace Post), Bijna iedereen kon omvallen (1993, ills. Anne van Buul) en De verjaardag van de eekhoorn (1993, ills. Geerten Ten Bosch) tot bijvoorbeeld Is er dan niemand boos? (2002, ills. Annemarie van Haeringen, editie 2014 Marc Boutavant), Morgen was het  feest (2008, ills. Ingrid Godon) en  Iedereen was er (2009, ills. vanaf 2e druk Mance Post),
In de loop der jaren heeft zich een schare liefhebbers van zijn dierenverhalen gevormd. Ze zijn uniek, lief en poëtisch.
Aanbevolen portie: één verhaaltje per dag, amusant en prettig, ook om voor te lezen aan kinderen die er gevoelig voor zijn. Stemt tot nadenken en levert een gezonde vertraging van het levenstempo.
Alles achter elkaar lezen beveel ik niet aan. Teveel van hetzelfde. Hoewel de echte liefhebbers er wellicht nooit genoeg van kunnen krijgen.


    (Detail!)

Nieuw aan deze uitgave zijn uiteraard de verhaaltjes van Tellegen, maar vooral de illustraties van Sylvia Weve.
We waren immers gewend aan die van Mance Post, die zo veel dierenverhalen van Toon Tellegen van beeld voorzag dat ze de standaard werd, hoewel ook andere illustratoren hun talent mochten beproeven, zoals bijvoorbeeld Geerten Ten Bosch, Annemarie van Haeringen en Marc Boutavant.
Sylvia Weve maakte voor Op een ochtend, vroeg in de zomer dubbelpaginaplaten en alleen daarom al toon ik alleen dat ene detail hierboven, mijn scanner kan niet groter dan A4 aan.
Ik vind het heel fraaie platen, met een mooi, spaarzaam kleurgebruik, een consequente stijl en prachtige details. Zie de becijferingen van de beer, die niet weet hoeveel taartstukken hij moet snijden voor zijn feest (dat natuurlijk heel Tellegeniaans niet doorgaat en drie taarten zitten in de beer); de Esscher-achtige compositie bij 'De das', toepasselijk want gastheer das en gast krekel raken elkaar kwijt in de gangen van het dassenhuis; het potentellen van de duizendpoot, nee, duizendtwaalfpoot; de brokken die de olifant maakt op bezoek bij de eekhoorn; het verstand van de mier en nog veel meer. Wencke Taatgen kan haar met stip aan haar verzameling toevoegen, mocht ze die nog willen bijhouden.

Tellegen, ToonOp een ochtend, vroeg in de zomer, met tekeningen van Sylvia Weve. Querido, 2016. ISBN 978 90 451 1885 7 / NUR 283, 55 pag.


dinsdag 19 januari 2016

Bosatlas voor kinderen

Laat ik nu jaren gedacht hebben dat de Bosatlas altijd al ook voor kinderen was. Het was immers de atlas bij uitstek voor het onderwijs.
Maar bij nader geheugenonderzoek bleek me dat ik me niets kon herinneren over een Bosatlas op mijn lagere school. (Ja, jongens en meisjes, dat heette toen zo. Het was de 4e Philips Lagere School te Eindhoven, waar in de 4e, 5e en 6e klas de kaarsrechte, stramme oude meester Kerstens, oud-Indiëganger, ons eindeloos voorlas uit De Katjangs.)

Er was er ook een thuis, en een tiental jaren geleden kreeg ik er een van mijn moeder, een nieuwe uitgave. Die prijkt nog in de kast, naast een oude Phillips' World Atlas die, vind ik, mooiere kaarten heeft maar nu bijna een soort historische atlas wordt, met de Sovjet-Unie erin en zo.




Er bestond al een tijdje een Bosatlas Junior, een atlas van de hele wereld voor kinderen. Sinds dit jaar is er ook De Bosatlas van Nederland Junior.

Ik vrees dat zo'n atlas nog steeds goed aansluit op ons basisonderwijs. Ik vrees het, want de neiging om niet verder dan onze grens te kijken is al zo sterk in Nederland. Het zal commercieel niet verantwoord zijn, maar liever had ik een atlas van de Benelux of van Europa gezien.
De redactie is gelukkig niet zo ver gegaan om onze buurlanden als wit vlak af te beelden. Emden, Nordhorn, Bocholt, Emmerich, Aken, Hasselt, Turnhout, Antwerpen, Brussel, ze staan erop.

De Bosatlas van Nederland Junior heeft drie afdelingen: Overzicht, Provincies en Thema's. Hoe dat werkt wordt goed uitgelegd op p. 8-9.
Overzicht toont foto's vanuit de ruimte, met onvermijdelijk André Kuipers in beeld, en drie overzichtskaarten in de vertrouwde Bosatlas-opmaak, namelijk Noord-, Midden- en Zuid-Nederland. Het leukste onderdeel van Overzicht is 'Topografie', met 2 kaarten: één 'Topotoppers', met de (kennelijk) honderd namen 'die je op school leert'. Daarnaast 'Rare namen', dezelfde kaart van Nederland maar nu met plaatsen als Kijkuit, Keizerrijk, Papekop, Koedood, Moddergat e.d.

Daarna volgen de Provincies. Dat heeft iets treurigs, vind ik.
De provinciale grenzen zijn tamelijk kunstmatige grenzen, ingesteld begin 19e eeuw, en er is onlangs ternauwernood een voorstel gesneuveld om ze af te schaffen en te vervangen door enkele grotere provincies. Juist doordat het soms wringt tussen gemeentebesturen en provinciebesturen enerzijds en provinciebesturen en landsregering anderzijds is er altijd de kans dat zulke voorstellen terugkeren en op een dag wél aangenomen worden.
De provincies zijn niet helemaal zomaar ontstaan, er liggen ontwikkelingen in voorgaande eeuwen aan ten grondslag, maar het zijn geen makkelijk te onderscheiden eenheden. Noord-Holland gaat soepel over in Zuid-Holland, Zuid-Holland in Utrecht, Noord-Brabant in Limburg, de Achterhoek in Twente, enzovoort. Wat je over de ene provincie opmerkt, gaat vaak ook op voor een andere provincie.
Dat blijkt dan ook uit dit deel. Naast de kaarten verschijnt vooral min of meer folkloristische info. Neem een provincie die wél met enig gemak te onderscheiden valt, Friesland (Fryslân). Een tweepaginafoto van iets waterbouwkundigs die (als je de omgeving niet kent) ook uit Zeeland zou kunnen komen (en vice versa), een overzicht van de gemeenten (alsof dát nou zo interessant is), de kaart, iets over het Fries en Friese plaatsnamen, fierljeppen, wadden, het grote aantal melkkoeien, de Elfstedentocht en watersport. Over naar Groningen.
Dat men in Friesland veel Fries spreekt en dat Fries officieel als een aparte taal en niet als een dialect van het Nederlands wordt beschouwd is eigenlijk het enige echt Friese aan Friesland (Fryslân). Plus nog wat bijzondere zaken als de Elfstedentocht (de laatste vond plaats in 1997) en slootjespringen (fierljeppen).
Neem Utrecht. Het is leuk dat de Domtoren toevallig de hoogste kerktoren van Nederland is en dat Utrecht het drukste treinstation heeft, maar lange smalle weilanden komen ook elders voor, evenals bijzondere plaatsnamen (zie 'Rare namen').

Het deel Provincies leest als een verzameling toeristische folders, uitgegeven door provinciebesturen.
Wat we daardoor missen is een uitleg over waardoor Nederland er uitziet zoals het er uitziet, met wat kaarten van vroeger en een verhaal over delta's, gletsjers, terpen, stuwwallen, ontginning, inpoldering, veenafgraving (komt alleen te hooi en te gras aan bod, en onvoldoende), rivieren die hun loop verleggen en later ingedamd worden, de bouw van dijken, en zo meer.
Waarom zou een atlas als deze niet een historisch deel mogen bevatten? Als die provincies zo belangrijk zijn, zouden we minstens mogen weten hoe ze zijn ontstaan. Dan begrijpen we bijvoorbeeld misschien waarom het Gooi bij Noord-Holland hoort, of waarom een deel van Noord-Holland West-Friesland heet en waarom Goeree-Overflakkee bij Zuid-Holland hoort en niet bij Zeeland. Dan wordt ook duidelijker wat de verschillen zijn tussen dat deel van ons land dat grotendeels zou overstromen bij dijkdoorbraak, en het deel dat dan nog bewoond zou kunnen worden. (Amersfoort aan zee, zou mooie subtitel zijn geweest.) En waarin Zuid-Limburg verschilt van de Veluwe.
Dit kan allemaal uitgelegd en getoond worden op een manier die kinderen in groep 6-8 (waarvoor deze atlas bedoeld lijkt, maar zie onder) begrijpen en misschien zelfs interessant vinden.

Enfin, op dit op bestuurlijke eenheden gebaseerde deel volgt een deel Thema's: Zeventien miljoen Nederlanders, Nederland van boven, Schatten onder de grond, Dreigend water, Goed geregeld!, Aan het werk!, Op weg, Eropuit! en Nederland en de wereld.
Een deel van bovenstaande wensen wordt hierin vervuld, maar wel wat hapsnap, als een reeks weetjes met plaatjes. Die Zeventien miljoen Nederlanders bijvoorbeeld, dat zijn twee pagina's over koning en koninkrijk, twee pagina's over 'Wie bestuurt Nederland?' en twee pagina's 'Allemaal Nederlanders'. De eerste pagina over koning en koninkrijk start met de mededeling dat de koning 'hoofd van de regering' is, wat de voorgaande intro-mededeling dat de koning 'niet de baas van Nederland' is tamelijk onbegrijpelijk maakt. We 'kiezen mensen die het land, de provincies en de gemeenten besturen', maar intussen is de koning wel hoofd van die landsregering. Dit raadsel wordt niet uitgelegd. En of al die titels van de koning ertoe doen?
Op de twee pagina's over het bestuur wordt de Eerste Kamer overgeslagen en wat de Tweede Kamer doet blijft onbekend, maar wel staat er dat er 150 mensen zitten die 'politieke partijen vertegenwoordigen' en dat is nu net onjuist, want weliswaar komen die mensen in de Tweede Kamer doordat ze op kieslijsten van de partijen staan, maar ze zitten er strikt formeel op persoonlijke titel en vertegenwoordigen de kiezers, niet de partijen.
Op de twee pagina's 'Allemaal Nederlanders' staat iets over bevolkingsgroei en de verspreiding over Nederland, inclusief die van kinderen. Verder staat er iets over wat 'allochtonen' zijn, met een tabelletje waaruit blijkt dat 'Westerse allochtonen (inclusief Indonesiërs)' de grootste groep allochtonen vormen. Westerse allochtonen, inclusief Indonesiërs? Leg dat eens uit... Helaas, het gebeurt niet.

Dan heb ik hiermee nog maar zes pagina's uitgelicht. Over de andere pagina's vallen soortgelijke opmerkingen te maken. De informatie is doorgaans hapsnap, op een enkele keer na (die over het 'koloniaal verleden' op p. 206-207 is geslaagd) en als directeur van Blijdorp of Ouwehand zou ik in woede ontsteken als ik p. 196-197 zag (over Artis). (Zou Artis hiervoor betaald hebben?)
Een prachtig understatement vond ik op p. 187, tweede pagina van 'Met de trein'. In een tekstje bij een foto van een Thalys staat 'Op het Nederlandse spoor rijdt deze trein iets minder snel.' Ha ha, zo is het.

Nog iets over de illustraties. De foto's en kaarten zijn in orde. Maar welke enorme reuzen zijn er te vinden op de Nederlandse wegen op p. 182-183? En op p. 170-171? Op de ongetwijfeld speels bedoelde dubbelpagina-afbeeldingen bij sommige subthema's (en op de band) zijn de verhoudingen een beetje zoek en is het informatiegehalte nul en dat is jammer. Dat het beter kan, toont de dubbelpagina-afbeelding op (bijvoorbeeld) p. 130-131, bij 'Nederland van boven'.

Al met al een atlas met goede kaarten en veel fraaie foto's, en soms adequate informatie, naast nogal wat hapsnap-info. De eerste atlas over Nederland voor kinderen, en daardoor waardevol, maar hij had beter gekund. Hij is bedoeld voor kinderen van 8-12 jaar. Ik kan mij voorstellen dat sommige twaalfjarigen meer van hun gading vinden in De Bosatlas van Nederland.

De Bosatlas van Nederland Junior. Noordhoff Atlasproducties, 2015. 224 p. ISBN 978 9001 12013 9. Concept en teksten: Arend Pottjegort, Zin vol leren, Den Haag. Redactie: Noordhoff Atlasproducties, Groningen. € 29,95.












donderdag 14 januari 2016

Sélection 2015

Leesgoed mag dan opgeheven zijn, La revue des livres pour enfants gaat onversaagd door, geholpen door de Franse overheid middels de Bibliothèque nationale de France en het daartoe horende Centre national de la littérature pour ja jeunesse la Joie par les livres.
Het bevordert de zichtbaarheid van dat centrum. Het in 1997 in de Koninklijke Bibliotheek (NL) opgenomen Boek en Jeugd zou ik zo'n zichtbaarheid graag gegund hebben. De KB beheert de collectie voortreffelijk, maar een centrum voor de Nederlandstalige jeugdliteratuur ontbreekt sindsdien.




Eens per jaar biedt La revue des livres pour enfants een selectie uit een jaar jeugdliteratuur. Zo ook nummer 285 (november 2015). 885 titels, verdeeld in de hoofdstukken
'Albums',
'Contes',
'Textes illustrés',
'Poésie',
'Théâtre',
'Romans et premières lectures' (onderverdeeld in leeftijdsgroepen 6-8, 9-10, 11-12, 13+ en 15+),
'Québec' (onderverdeeld in genres),
'Afrique, Caraïbe, Océan Indien et monde Arabe' (onderverdeeld in genres),
'Bandes dessinées' (onderverdeeld in 'Enfance', 'Humour', 'Société', 'Sagesse et sentiments',  'Amour', 'Aventure et sport', 'Histoire et western', 'Fantastique et Fantasy', 'Science-fiction', 'Policier et espionage', 'Patrimoine et Classiques'),
'Documentaires' (onderverdeeld in 'Art', 'Sciences humanes', 'Sciences et techniques' en 'Autres documentaires'),
'Livres cd',
'Cinéma',
'Jeux vidéo',
'Applis',
'Magazines pour enfants' en
'Ouvrages de référence',
met daarachter nog drie indexen: op auteur, titel en thema. Een kloeke gids van 222 p.

Opvallend vond ik de onderverdeling bij de strips (BD), die zeer afwijkt van die van de prentenboeken, oude verhalen (sprookjes e.d., contes) en romans, en verder als ieder jaar de vanzelfsprekende opname van die strips, in afwijking van vergelijkbare jeugdliteratuurgidsen in Noord-Europa.
Wat me ook opviel is de opname van wat hier nog vaak de 'nieuwe media' wordt genoemd, al wordt dat nieuwe steeds relatiever. En de Applications van Sélection 2013 heten sinds 2014 Applis.
Een snelle blik op de auteursindex onthulde naast Boudewijn Koole (Little Bird, film), Barbara Stok (Vincent) en Edward van de Vendel (Le chien que Nino n'avait pas) geen andere Nederlandse of Vlaamse naam. Wel vielen de Engelse en Japanse namen op tussen de Franse, de gids beperkt zich niet tot oorspronkelijk Franstalige titels. Iedere titel is voorzien van een annotatie en afbeelding.

Van de ons omringende talen (Duits, Engels en Frans) is Frans het stiefkindje. In het Nederlandse onderwijs kiezen (te) weinig leerlingen Frans als vak. Ik weet niet of er nog bibliotheken zijn die er een collectie Franse jeugdliteratuur op na houden.
Voor die collectiebeheerders is deze gids van grote waarde.

In Frankrijk zullen veel ouders aanhikken tegen de omvang. Daarom publiceert La Joie ieder jaar, nu ook, een selectie uit die selectie als klein boekje, Flash! 2015-2016, nos 100 livres préférés, dat Franse bibliotheken en boekwinkels kunnen uitdelen aan hun klanten.

donderdag 19 november 2015

Lettersoep

Een tijdje geleden verscheen er van Joke van Leeuwen een prentenboek: Mooi boek. Helemaal Joke van Leeuwen, en passend in de lange reeks abecedaria die de jeugdliteratuur rijk is.
Het is dus wat flauw om Lettersoep van Harriët van Reek hiermee te vergelijken. Maar het gebeurde vanzelf, Mooi boek lag nog te vers in mijn herinnering om dat te vermijden.

Lettersoep van Harriët van Reek is een heel ander boek. Het bevat één verhaal, over de Letterel en de Letterpoes. De Letterel is gek op letters.



Hij ziet ze overal en stelt woorden samen uit van alles.
Zelfs als hij niets ziet, ziet hij een woord: NIETS. En dat verknipt hij tot FIETS en hij zegt dat hij er nog veel meer van kan maken: 'een HOK, een HEK, een PAN, een KIP. Te veel om op te noemen.'

En als Letterpoes trek heeft en zegt; 'Ik zou best iets lusten, maar er is geen ene M te eten', dan maakt Letterel een pan lettersoep. Hij 'gaat naar de letterkast. Hij pakt een potje inkt, het inktlapje, een kroontjespen en een vel papier en gaat aan tafel zitten.'

'Geschreven soep? zegt letterpoes. Met geschreven balletjes, geschreven sliertjes en geschreven brood erbij?
Jazeker, zegt Letterel. Lust je dat niet?
Ik wel, zegt letterpoes, maar jij? Heb jij geen trek in witte puntjes en soep met verse groenten? En wat dacht je van echte balletjes?'




We zijn nog maar tien pagina's ver, maar hier begon het bij mij te wringen. Er zit iets gekunstelds in dit verhaal. Dat ik het niet zo spannend vind, o.k., maar er klopt iets niet. Hier bewegen zich twee wezens die wel of niet uit letters bestaan door een wereld die wel of niet (of deels) uit letters bestaat. 'In het gras bloeien schuine gele en scheve witte letterbloempjes.' En dat gras dan?

Sommige woordspelingen ('witte puntjes'; 'bruine puntjes';  'de peeën zijn dik', letterpoes schrijft 'een kattebelletje') zijn grappig, maar ja, de jeetjes en geetjes minder, net als de combi van witte puntjes met soep en echte balletjes en het is even zoeken naar de overeenkomsten en verschillen in 'U-worst, IJ-worst, gehakt van de Vee, L-koteletten, gebraden Kaa-filet, Pee-staart, Bee-brei, Tee-bot-stuk en zure Zet'.

Afijn, ze zijn dus de deur uitgegaan met een boodschappentas, komen langs de bakker ('T, lekker voor bij de thee'), de slager ('lust je dat, letterpoes, een echt hanepootje?'), de smid (voor een soeplepel) en gaan weer naar huis, waar ze 'letterig uit het raam' kijken. 'Een grote Z vliegt door de lucht. Een V zit te fluiten op een tak.' Er wordt lettersoep gemaakt, een brief geschreven, een eindje gewandeld en uiteindelijk komen alle letters de lettersoep eten. Daartussen gebeurt er ook nog het een en ander, maar echt spannend wil het niet worden en het lettergetetter gaat maar door. Zelfs met een los eindje, want hoe komt Letterel nou uit de P?  Of houdt de droom ineens op?




Het verhaal is heel letterig, zit vol woordspelletjes met letters, in woord en beeld. De spelletjes zijn heel divers, ongelijksoortig, spelletjes met klankovereenkomsten ('T, lekker voor bij de thee'), vormen ('U-worst'), afkortingen ('Bee-brei' voor balkenbrij, "V zit te fluiten op een tak') en meer.
Veel hiervan komt terug in de beschrijving van de feestmaaltijd, naast een mooie plaat.



'Alle letters hebben lettersoep gegeten. Alle borden zijn schoongeschreven.
Hoe het was?
De K's wilden kaas. De IJ's riepen is er ijs toe? De W's wisten allemaal weetjes en wezen naar de H's, die achter een stelletje andere H's aanliepen, die zeiden dat ze geen Haas heetten en de L'en liefkoosden ene Ellie, die geen peeën lustte en met lange tanden naar de kop thee van de T keek, die tegen de F aanleunde, die riep, ik ga effe de O in het Ootje nemen en de X en de Y zaten samen met A en B aan de lettersommen. De M'en mummelden mmmmmmmm en een paar Zetten kwamen op het laatst ook nog aanzetten.
Zo was het.'

Tja. Gezellig rommelig dus, maar dit citaat toont (en is daarmee representatief) ook een zekere willekeur in de vondsten, tot en met de peeën, die kennelijk als enige letters gegeten wérden in plaats van te eten, zoals dat de T eerder overkwam (bij de thee). Met meer inspanning had deze maaltijd een prachtig abc kunnen worden, nu is het een b'tje een z'tje. Met nog meer inspanning had het verhaal een spitsvondig lettervind- en/of letterherkenverhaal kunnen worden. De prenten zijn bijzonder, heel stijlvol en mooi en soms heel doorwrocht, maar ze helpen het verhaal niet overeind.
Op zijn best levert het inspiratie om anders naar dingen te kijken (welke letter zie je er in?) of te luisteren (welke letter hoor je er in?). Maar dat herkennen van letters in voorwerpen doet Mooi boek toch echt beter.
Het kan voor kinderen die net hebben leren lezen een feestje zijn om alle letters te herkennen in de platen, en mee te grinniken om woordlettergrapjes.
Dat neemt niet weg dat ik teleurgesteld ben. Er had met dit idee zoveel meer gekund.



Harriët van Reek. Lettersoep. Querido, 2015. ISBN 978 90 451 1871 0.

NB. De Penseeljury 2016 was zo enthousiast over de illustraties dat ze een Gouden Penseel aan Lettersoep toekende. Fijn voor Harriët van Reek. (21-09-2016)


vrijdag 30 oktober 2015

Muziek is geen taal (maar heeft er wel mee te maken)

Iedereen is muzikaal is zowel een uitdagende stelling als een interessant boek. De auteur, Henkjan Honing, is hoogleraar muziekcognitie aan de Universiteit van Amsterdam. Het boek biedt een antwoord op de lang niet eenvoudige vraag wat muziek is en hoe we ernaar luisteren.
Daarbij gaat hij ook in op de vergelijking van taal en muziek, na eerst al beschreven te hebben hoe moeilijk het is om muziek te beschrijven zonder metaforen te gebruiken die ontleend zijn aan andere disciplines.

Ik moest onmiddellijk denken aan het aloude klassieke muziek-programma 'Discotabel', tegenwoordig iedere zondag, met zijn 'opname A', 'B' en 'C' en de experts die zich daarover uitlaten. Ze maken gebruik van een groot arsenaal aan termen en metaforen om duidelijk te maken dat de ene opname toch net iets geslaagder is dan de andere. Overigens verschillen ze soms in hun voorkeuren, gelukkig.
Benieuwd wat ze zouden denken van Cory Arcangel's 'Drie Klavierstücke', een ingenieuze collage van fragmenten uit films van katten die over piano's lopen en samen muziek van Schönberg uitvoeren.
En dat kunstwerk haal ik dan weer uit een boek dat ik aan het lezen was toen ik Iedereen is muzikaal kreeg: Ways of looking, how to experience contemporary art van Ossian Ward. Gekregen voor mijn verjaardag, in Venetië, waar de 56e Biennale woedde, dus heel toepasselijk.

Toeval bestaat, het is aan mij om verband te leggen.

Het verband is natuurlijk dat hedendaagse muziek óók contemporary art is, al heeft Ward het alleen over beeldende kunst. En dat voor beeldende kunst ook opgaat, zij het misschien in mindere mate, wat Honing over muziek schrijft, namelijk dat-ie in principe 'onverwoordbaar' zou zijn. In beide boeken komt een variant van een bekend gezegde voor: waar Ward schrijft 'beauty is in the eyes of the beholder', schrijft Honing (p. 71) 'music is in the mind of the beholder'. Een uitgangspunt dat al is terug te vinden bij William Shakespeare (Love's Labours Lost, 1588)...

Good Lord Boyet, my beauty, though but mean,
Needs not the painted flourish of your praise:
Beauty is bought by judgement of the eye,
Not utter'd by base sale of chapmen's tongues

... en David Hume (Moral and Political, 1742).

Beauty in things exists merely in the mind which contemplates them. (Bron)

Het lenen van metaforen uit andere disciplines gaat eigenlijk voor veel kunstbeschrijvingen op, ook voor literaire kritiek. Geen poëzierecensie of er komt wel een metafoor voorbij uit een andere categorie - bijvoorbeeld muziek. Zo beschrijven en beoordelen we dus muziek met poëtische en poëzie met muzikale termen. Ja, een vergelijking helpt, zou een retoricus zeggen.
Ik noem muziek en poëzie niet voor niets naast elkaar. Beide kennen klank en ritme. Honing weet me ervan te overtuigen dat muziek geen taal is (en ook geen geluid, muziek is 'luisteren naar geluid'), maar dat neemt die overeenkomst niet weg.
Henkjan Honing schreef ook boeiende en overtuigende hoofdstukken over het waarschijnlijk aangeboren maatgevoel. Dat vermogen om verschillen in maat en ritme te onderkennen kon echter ook wel eens te maken hebben met ons vermogen om woorden en zinnen te onderscheiden, zoals hij ook ergens opmerkt.

Iedereen is muzikaal gaat uitdrukkelijk over luisteren naar muziek, niet over het maken van muziek, waarin heel wat musicologen in verzanden als ik hem mag geloven. Een intelligent uitgangspunt, want je kan zoveel muziek maken als je wil, als niemand het als muziek herkent ben je erg alleen op de wereld. Dat geldt voor alle kunst. Kunst is wat wij kunst vinden en met opzet schrijf ik wij, niet ik, want hier heersen veel conventies. Dat is niet erg, zolang we ons dat realiseren en niet denken te praten als vertegenwoordiger van een Groot Gelijk.

Hier kan ik even inhaken op discussies die zich met enige regelmaat afspelen onder recensenten van jeugdliteratuur. Meer nog dan onder literatuurrecensenten i.h.a. bestaat daar de neiging om een oordeel te verabsoluteren. Een kinderboek wordt dan niet goed gevonden, maar ís domweg goed. Kinderboekrecensenten als keuringsdienst van waren, meer dan van waarden.
Iets meer bescheidenheid zou hier passen.

Terug naar Henkjan Honing.
Laat ik, voordat ik verder inga op zijn argumenten en wat leuke citaten plaats, wat complimenten maken.
Het boek is licht (dus een goed reisboek), ondanks de 207 pagina's, gedrukt in een goed leesbaar lettertype en helder geschreven. Waarmee ik bedoel dat ik het kan volgen, terwijl ik nog nooit een musicologisch werk heb gelezen. Het is wetenschapsjournalistiek van de bovenste plank (mooie, veelgebruikte metafoor), maar intussen is er wel een register, vermeldt hij zijn bronnen (honderden titels) en vat hij voorgaande opvattingen knap samen.
Er zijn QR-links naar de website Iedereenismuzikaal.nl met luistervoorbeelden. Handig! Je leest, hij noemt een voorbeeld, je zoekt achterin de QR-link op, scant hem met je slimme telefoon en voilà, een geluidsfragment. Ideaal als je op reis bent (zoals ik toen ik begon te lezen) en geen laptop o.i.d. in de buurt hebt. (Je moet wel verbinding met internet hebben.)

En voor ik het vergeet: hij mag dan met verve duidelijk maken dat bijna iedereen muzikaal is, hij vergeet niet te benadrukken dat muziek maken niet zo makkelijk is en veel oefenen vergt.
Bijna iedereen. Ergens vermeldt hij dat je zijn titel 'natuurlijk' met een korreltje zout moet nemen, en hij gaat ook in op het verschijnsel toondoofheid. Niettemin is de essentie dat maatgevoel aangeboren is en dat bovendien vrijwel iedereen tonen kan onderscheiden. Maar let wel: verschillen tussen tonen kunnen horen is nog heel iets anders dan ze kunnen nazingen.

In het hoofdstuk 'Muziek als taal' beschrijft hij hoe enthousiast de theorie van Noam Chomsky werd losgelaten op muziek - dat wil zeggen, op partituren. Er verscheen in 1983 zelfs een complete Generative Theory of Tonal Music. Zoals Chomsky met 'boomstructuren' werkte, probeerden zij ook diagrammen te maken die zouden moeten 'aangeven hoe een luisteraar losse noten interpreteert en daar een geheel van melodische, harmonische en metrische structuren uit opbouwt' (Honing, p. 46).
Honing: 'Het is natuurlijk zeer de vraag of, en in hoeverre, een partituur een perceptuele realiteit is: een afbeelding van wat de luisteraar hoort.'
Hoe je zo precies mogelijk in kaart kan brengen hoe luisteraars muziek horen, daarvan heeft hij rijkelijk veel voorbeelden uit eigen en andermans onderzoek.

Op p. 56 vat hij de verschillen tussen taal en muziek samen. Heel kort:
- muziek heeft geen syntaxis, geen grammatica zoals taal die kent.
- muziek heeft geen semantiek, 'de betekenis zit in het toonhoogteverloop, het ritme en de timing. De afzonderlijke noten zelf zijn betekenisloos'.
- muziek lijkt veel directer aan emoties te appelleren dan taal.
- muziek laat zich niet vangen in een alfabet. 'Een compositie, vastgelegd in een partituur, is in het gunstigste geval als een kookboek: het bevat instructies over het wat en hoe, maar heeft geen invloed op het savoureren, het proeven en genieten, van de bereide (muzikale) gerechten.'
En op de volgende pagina:
- muziek is niet na te vertellen.

Er mag dan geen taal in muziek zitten, er zit wel muziek in taal. Daarop gaat Honing niet in, daarover gaat zijn boek ook niet.
Het zou erg interessant zijn om de proefjes die hij op p. 105 e.v. beschrijft, over het 'geheim van de "luide rust"', op gesproken zinnen los te laten, en daarvoor dan bij voorkeur nonsenstaal te nemen zoals in 'De Blauwbilgorgel' van Kees Buddingh', 'Jabberwocky' van Lewis Carroll of desnoods 'De mus' van Jan Hanlo, hier op muziek.




Henkjan Honing. Iedereen is muzikaal, wat we weten over het luisteren naar muziek; nieuwe, uitgebreide editie. Nieuw Amsterdam, 2014, 6e druk. (1e bijdruk van de 5e, herziene druk, 2012.)

NB d.d. 1-11-2015:
Leuk berichtje in de Volkskrant van 31-10-2015:

Zingen kalmeert

Wat menig ouder al aanvoelde, is nu wetenschappelijk aangetoond: zingen werkt beter om een baby te kalmeren dan praten. Na een liedje bleven de jonge kinderen gemiddeld twee keer zo lang rustig. Bij het experiment, gepubliceerd in Infancy, zaten ouders achter hun kinderen. Zo voorkwamen de onderzoekers dat ook oogcontact of gezichtsuitdrukkingen de baby's konden kalmeren. De Canadese proefpersoontjes luisterden bovendien naar bandopnames van een pratende of zingende vrouw in een voor hen onbekende taal: het Turks. Ook het herkennen van het liedje of de stem van de zangeres speelde dus geen rol. Volgens de onderzoekers doen ouders er goed aan meer te zingen voor hun baby's.
Bron helaas niet nader benoemd.



woensdag 28 oktober 2015

Burgers laatste keer

Daar gaan we weer even.

In de Volkskrant 6-8-2015 een verslag door journalist Jeroen Visser over de 'vrijspraak voor agent die Stok neerschoot'.
'Het OM en de rechters zeggen dat burgers mondiger zijn geworden.' Dat OM en die rechters zijn dus zelf kennelijk geen burgers.

En op 8 september was er een bericht omtrent de Overdiepse Polder, waar acht boeren wonen in splinternieuwe boerderijen op splinternieuwe terpen. Een initiatief van boeren, omdat deze polder bij heel hoog water onder mag lopen. Geciteerd wordt ene Peter van Rooy, die 'intermediair was tussen bewoners en overheid'. "Iedereen heeft de mond vol over burgerparticipatie. Maar het is vooral de overheid die beter moet participeren. Die meer zijn best moet doen, sneller moet opereren en beter moet luisteren naar de burgers."
Hier telt de overheid eerst al geen bewoners (ambtenaren en bestuurders wonen niet, kennelijk), en vervolgens ook geen burgers, waaruit we zouden mogen afleiden dat burgers nooit bij de overheid werken. Of ze zijn ambtenaar van negen tot vijf en daarna burger, of zo.
Boeren worden hier overigens bij burgers gerekend.

Op Prinsjesdag ging het natuurlijk ook weer over burgers, aan wie de regering, volgens de Volkskrant 14-9-2015, iets 'geeft'. En 'ook is het goed voor de consumptie, als mensen meer geld in de portemonnee overhouden.' Begrijp ik het goed en bestaat de regering niet uit mensen? En is het goed voor 'de consumptie' als mensen geen geld uitgeven? (Want 'in de portemonnee overhouden'.) En is 'de consumptie' een na te streven doel? O ja, de 'belastingbetaler' duikt natuurlijk ook weer op, want die 'mag wel eens wat terugkrijgen'. (Waarom eigenlijk?)

In Duitse berichten komen Gutbürger en Wutbürger langs, mooi gevonden, en in eigen land hebben we tijdens de instroom van extra vluchtelingen veel 'boze burgers', en in De Groene Amsterdammer van 22-10-2015 kwamen 'pleinburgers' langs, een term van Herman van Gunsteren die slaat op mensen die liever op het plein democratie bedrijven als in het stemhokje, en enkele bladzijden verder 'betrokken burgers', die mee zouden moeten denken over wat universiteiten onderzoeken en ook 'bedrijven en burgers' kwamen langs.
Waaruit ik opmaak dat universitaire onderzoekers en bedrijfsmedewerkers geen burgers zijn.

Ik kan zo eindeloos doorgaan en dat lijkt me vervelend.

Afrondend concludeer ik dat burgers vooral die anderen zijn, voor wie we werken. Bestuurders, rechters, politici, militairen, politiemensen en andere ambtenaren, onderzoekers, bedrijfsmedewerkers, allemaal hebben ze het over burgers alsof zij dat zelf niet zijn. Of alleen in hun vrije tijd.
De burger is het functieloze, amorfe wezen tot wie je je richt.
De burger is niks.
Of we zijn het allemaal. Op de koning na, misschien.

NB d.d. 23-5-2016. Deze kon ik niet laten schieten: in De Groene Amsterdammer van 19-5-2016 maakt recensent Loek Zonneveld onderscheid tussen bons en burger.





maandag 26 oktober 2015

Een persbericht van IBBY Nederland, ik neem het integraal over:

'Om degenen die erg veel aan beheer, voorlichting, onderzoek en publicaties betreffende de geschiedenis van de Nederlandstalige kinder- en jeugdliteratuur hebben gedaan, te eren en anderen te stimuleren om ook tot bijzondere resultaten op dit terrein te komen, heeft de Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur in 2000 de Hieronymus van Alphen Prijs ingesteld, thans bestaande uit een toepasselijk beeldje van de beeldend kunstenaar Marion Ruting en een oorkonde. De prijs wordt sinds 2008 eens in de twee jaar uitgereikt. Op vrijdag 22 oktober werd de prijs voor de twaalfde keer uitgereikt en wel aan prof. dr Rita Ghesquière.

Enkele passages uit het juryrapport:

De laureaat heeft in Vlaanderen  de basis gelegd voor het academisch onderzoek naar de jeugdliteratuur, zowel die uit Nederland en Vlaanderen als uit andere landen. Als hoogleraar literatuurwetenschap in Leuven gaf zij, want zij is al enkele jaren met emeritaat, vanaf 1980 colleges over jeugdliteratuur en dat was in die tijd nog niet echt heel gebruikelijk binnen de universiteiten. Daarmee droeg ze in belangrijke mate bij aan de emancipatie van het onderzoek naar de Nederlandstalige jeugdliteratuur.

‘Talrijk zijn haar publicaties over jeugdliteratuur. Bij elkaar geven ze blijk van haar brede en veelzijdige deskundigheid op dit terrein. Of het nu gaat om het benaderen van kinder- en jeugdboeken vanuit een receptie-theoretische invalshoek, of over het recenseren ervan, de verhouding jeugdliteratuur – volwassenenliteratuur, leesbevordering, uitgeverijgeschiedenis, filosofische aspecten van jeugdliteratuur, jeugdliteratuurhistorische thema’s – de laureaat heeft er haar licht over laten schijnen. Geen onderzoeker of docent jeugdliteratuur kan om haar publicaties heen. Het verschijnsel jeugdliteratuur (in 2000 verscheen een zevende druk onder de titel Jeugdliteratuur in perspectief) kan inmiddels een standaardwerk genoemd worden.’

‘En als laatste wapenfeit noemen we de vorig jaar verschenen geschiedenis van de Nederlandstalige kinder- en jeugdliteratuur, Een land van waan en wijs, dat zij samen met Helma van Lierop-Debrauwer en Vanessa Joosen mogelijk heeft gemaakt en waaraan zij ook meerdere hoofdstukken heeft bijgedragen. Kortom, een veelheid aan activiteiten en indrukwekkende publicaties om het onderzoek naar de kinder- en jeugdliteratuur te verdiepen en te verbreden, te stimuleren en onder de aandacht te brengen.’

‘Dit veelzijdige werk vraagt om waardering. Bij haar afscheid als hoogleraar in Leuven werd een vriendenboek met de mooie titel Eeuwige jeugd gepubliceerd, een vriendenboek waarin een groot aantal onderzoekers, auteurs, uitgevers en recensenten een bijdrage over een favoriet jeugdboek leverde. Deze bijdragen laten nog eens zien welk een grote invloed de laureaat op generaties jeugdliteratuuronderzoekers en -schrijvers heeft gehad. Wij willen deze hulde graag uitbreiden met een prijs. En we zijn ervan overtuigd dat iedereen in de zaal nu wel weet dat de Hieronymus van Alphenprijs 2015 alleen maar kan gaan naar prof. dr Rita Ghesquière.’

Meer informatie is te verkregen bij de Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur'




Afgezien van de treurige tautologie kinder- en jeugdliteratuur gun ik Rita Ghesquiere deze beloning van harte. Zij was en is een constante factor in de bestudering van jeugdliteratuur en verleende ook graag haar medewerking aan allerlei activiteiten op dat gebied.
Ze komt vaak over als een wat traditionele dame, maar je kan je vergissen, getuige haar uitlating over de universiteit als mannenbolwerk in haar afscheidscollege toe ze met emeritaat ging (2010). Ik citeer uit een interview (Mededelingenblad van de Leuvense Germanisten 2010/1):

'Professor Ghesquière beschreef in haar afscheidscollege de academische wereld als “eerder een jongens- dan een meisjesboek”. Al zijn er de laatste jaren meer vrouwelijke collega’s dan toen zij benoemd werd, de academische wereld is toch nog steeds voor een groot stuk een mannencultuur. “Als je kijkt naar de algemeen beheerder en de mensen die de reële macht hebben, of naar de manier waarop de universiteit wordt bestuurd, dan is het inderdaad een mannelijke wereld.'
Waaraan ze volgens de interviewers toevoegde
'Ook bij de studenten die talen studeren, is de situatie nu wat evenwichtiger verdeeld dan vroeger. Hoewel meisjes daar nog steeds de bovenhand halen, zijn er opnieuw meer jongens die voor een studie talen kiezen dan pakweg twintig jaar geleden.'


zaterdag 10 oktober 2015

Verhalen lezen: goed voor inlevingsvermogen?

In 2013 publiceerden D.C. Kidd en E. Castiano een artikel in Science (342, p.377-380) met de conclusie al in de titel: 'Reading literary fiction improves theory of mind'. Volgens de summary: 'Understanding others' mental states is a crucial skill that enables the complex social relationships that characterize human societies. Yet little research has investigated what fosters this skill, which is known as Theory of Mind (ToM), in adults.' [...] 'Specifically, these results show that reading literary fiction temporarily enhances ToM. More broadly, they suggest that ToM may be influenced by engagement with works of art.'
Vreemd om dat (tijdelijke) vermogen 'theory of mind' te noemen. Het is toch geen theorie? Enfin.
Zulk onderzoek is natuurlijk koren op de molen van leesbevorderaars. Ha, lezen heeft Nut!

Twee onderzoekers van de VU dachten: dit gaan we nog eens doen. Het resultaat publiceerden ze in De psycholoog oktober 2015. Het resultaat is teleurstellend: 'hoe robuust de resultaten van Kidd en Castano in eerste instantie ook leken, uit deze replicatiestudie en de effectenanalyses blijkt dat lezen van literaire fictie niet zonde rmeer en zelfs niet tijdelijk bijdraagt aan een verbetering Theory of Mind. Verdere replicatiestudies van experimenten uit de oorspronkelijke studie moeten uitwijzen of het effect überhaupt repliceerbaar is.
Hoe dan ook lijkt het nogal voorbarig om mensen aan te zetten tot het lezen van literaire fictie met als doel het inlevingsvermogen in anderen te verhogen. Hoe mooi dit idee in principe ook klinkt, het blijkt in een onafhankelijke meting empirisch niet robuust te zijn.'

Wat jammer nou...

De moeilijkheid zit 'm wellicht in de toegepaste onderzoeksmethode. (De VU-auteurs stellen daarbij relevante vragen.)
Want oefening baart kunst, en je regelmatig verplaatsen in een ander, ook in een fictieve ander, zou toch enig effect kunnen hebben. Anderzijds, hier hebben we de kip-of-het-ei-vraag, misschien lezen mensen die toch al een goed inlevingsvermogen hebben juist daardoor graag verhalen...
En waarom dat ietwat kunstmatige onderscheid tussen literaire en andere fictie?