Zoeken in deze blog

dinsdag 7 november 2017

Toen ik Toen ik las

Toen ik Toen ik las, werd ik blij. Wat een heerlijk, volstrekt pretentieloos maar wel meesterlijk neergepend verhaal. Verteller is Deef, die zich meteen voorstelt:



Daar zit meteen al een grapje in, want hoe kan Deef zijn achterkant tekenen, als-ie die niet kan zien. Dat moet een ander hebben gedaan. Wie, dat vermeldt hij niet.

En daarna begint het eerste hoofdstuk. Of het eerste verhaal. Want eigenlijk is dit niet één verhaal, maar een reeks anekdotes van Deef, uit zijn leven. Dat eerste verhaal heet 'Toen ik een tekening maakte', en van zulke 'Toen ik'-s volgen er nog veertien. Het had een feuilleton kunnen zijn. Deef wordt echt niet ouder en wijzer en blijft gewoon zoals-ie is.
Uit 'Toen ik een tekening maakte' blijkt in ieder geval dat Deef niet kan tekenen, een fraaie paradox in een half getekend verhaal. Hij tekent zijn vader ('want die woont niet bij ons'):

 

Dat mislukte mannetje gaat vervolgens te keer tegen Deef, begint even later te huilen en uit medelijden tekent Deef dan een mooier mannetje, met wel vier armen.



Einde verhaal. Volgt 'Toen ik een duif vond'. Maar ik ga die verhalen natuurlijk niet zo uitgebreid beschrijven als ik dit eerste deed. Het lijkt me zo voldoende om een indruk te geven hoe Deef zijn anekdotes beschrijft, en hoe zijn schepper die verhaaltjes vol speelsheid heeft gestopt.
Het derde verhaaltje heet bijvoorbeeld 'Toen ik iets moest worden'. Want



En die speciale schrijfletter voor uitspraken van zijn moeder vinden we het hele boek door. Passeert een reeksje beroepen en vooral onderzoeker lijkt hem wel iets. Of toch brandweerman.

En zo gaat het verder:
'Toen ik de bus miste',
'Toen ik wat leuks ging doen' (met zijn vader, die weer een eigen handschrift krijgt),



'Toen ik een woord niet wist',
'Toen ik van de hoge sprong',
'Toen ik niet kon kiezen',
'Toen ik een spreekbeurt hield' (over de Javaanse tijger, en halverwege kwam er een uitgestorven tijger de klas binnen, lekker absurd en ik toon het niet, ga zelf naar de winkel en kijk op p. 57, en koop het boek),
'Toen ik me verveelde',



'Toen ik een stripverhaal las'

De held in mijn stripverhaal overwon de vijand.
Hij overwon die zo goed dat er geen vijand meer was.
En daarna ging hij naar huis om te eten.
Hij at het liefst gehaktballen.
Ik bedacht mezelf het verhaal in.
Maar telkens als ik op een plaatje kwam,
was de held al op een ander plaatje.
(Voor de plaatjes hierbij: op naar de boekwinkel.)

'Toen ik iets niet durfde zeggen' (tegen zijn vader, en uiteindelijk toch wel),
'Toen ik een spelletje verloor',
'Toen ik een club oprichtte', en ten slotte
'Toen ik van alles moest'. En hij een 'grote jongen' uit een kuil hielp die twee keer hard riep 'IK MOET NIKS'.

Mooie titels, alles dicht bij huis, en iedere anekdote ontspoort prettig en zeer onderhoudend. Stel, ik had nog nooit van Joke van Leeuwen gehoord, dan zou dit boekje me meteen voor haar hebben gewonnen. Nu ken ik toevallig wél ander werk van haar, maar ik weersta de recensentenverleiding om Toen ik te gaan vergelijken, in haar oeuvre te plaatsen en iets als een rangorde te maken.
Natuurlijk, toen ik Toen ik had geopend herkende ik het in één oogopslag als een boek van Joke van Leeuwen. Onmiskenbaar. In die zin is het geen buitenbeentje en ook niet echt nieuw - maar wel heel goed.





Leeuwen, Joke van. Toen ik. Querido, 2017. ISBN 978 90 451 2102 4, 96 p.








zondag 5 november 2017

Djinns en meer

Imme Dros bewerkt graag klassieke verhalen: de Odyssee, de Ilias, oude Griekse mythen, Repelsteel, de fabels van Aesopus. En daaraan voegde ze onlangs verhalen uit de Duizend-en-een-nacht toe.
Bewonderenswaardig!
En ook vermakelijk voor een volwassen lezer, want het is duidelijk dat kooplieden, koningen en djinns er de dienst uitmaken. Vrouwen zijn een soort toetje, fijn om mee te vrijen, om de haard brandend te houden en om zoons voort te brengen. Hoe leg je dat je jonge lezers uit? Niet echt het soort verhalen om in 'Me Too'-tijd mee voor de dag te komen. En wat dééd die Sjahriar eigenlijk met die vrouwen in bed...?



Nou, dát zeer waarschijnlijk -  ongeveer hetzelfde wat Sjahriars vrouw met de slaven deed, fraai geïllustreerd door illustratrice Annemarie van Haeringen. Sjahriars vrouw deed dat (in tegenstelling tot die vrouwen die Sjahriar later in zijn bed liet belanden) zeer vrijwillig, overigens:

Twintig bijvrouwen trokken evenveel slaven naar binnen
en in hun midden liep de bevallige vrouw van de koning,
ook al met een slaaf aan haar hand. En tussen de bloesems
gaf het gezelschap zich over aan het spel van de liefde.

Aan de eventuele voorlezer om het jonge publiek uit te leggen wat ze zich moeten voorstellen bij het spel van de liefde. En waarom de arme vrouw even later zo nodig onthoofd moest...


Maar afijn, deze verhalen speelden dan ook heel lang geleden en in heel andere streken. Zo'n soort uitleg. Djinns zijn verdwenen, koningen zijn niet meer wat ze waren en kooplieden reizen niet meer zo inspannend als toen, ze nemen gewoon het vliegtuig.

Vrouwen hebben een geduchte inhaalslag geleverd - en het aardige van deze verhalen is dat Sheherezade zo'n vrouw is. Ze staat haar mannetje, zou je haast zeggen, als dat niet wat paradoxaal was. Zo vormen deze verhalen ondanks de mannelijke dominantie toch een soort ode aan de vrouw.

Bovenal echter zijn ze een ode aan de kunst van het verhalen vertellen, want zó redde Sheherazade haar leven. Bij iedere nacht, dat wil zeggen iedere keer als ze ophoudt, staat een vignetje. Als ik goed geteld heb (ik kán er eentje zijn overgeslagen), doet ze daar volgens Imme Dros 44 nachten over - beslist geen 1001. Haar Sheherazade is dus nog knapper dan de voorgaande.

Nu heb ik de vertalingen van de 1001-nacht nooit gelezen en alleen te hooi en te gras kennis genomen van enkele verhalen, ik vermoed dat die 1001 vooral staan voor veel nachten, want er is nogal wat variatie in de aantallen in diverse geschriften.
Letterlijk genomen klopt het dus niet hoe het verhaal eindigt:

En toen ze trouwden na duizend-en-een-nacht, vierde het volk van
volle maan tot aan volle maan een weergaloos feest met
onbeperkt eten en drinken en vrolijk zijn, alles bekostigd
door de koning der koningen Sjahriar. En daarvan kwamen
uiteraard kinderen en ontelbare nieuwe verhalen.

Of dat laatste uit de koker van Imme Dros komt of niet, ik weet het niet, maar het is wel een passend einde.
Overigens gingen er volgens deze versie drie jaar vooraf aan de eerste nacht met Sheherazade. In die drie jaar had de koning der koningen alle voorhanden meisjes in zijn bed gehad en onthoofd, wat te denken geeft over de totale populatie van zijn rijk. Maar drie jaar zijn al meer dan 1000 nachten, dus die tellen niet mee.

In een nawoord schrijft Imme Dros dat ze in een soort metrum heeft geschreven, maar dat we daarvan als het goed is niets merken, het zou moeten lezen als proza.
Dat klopt, wat mij betreft, en het is soepel proza - die Shererazade kan er wat van, ze krijgt van de anonieme verteller (laten we haar Imme noemen) effectief de juiste woorden in de mond gelegd.
Fraai en waarschijnlijk uniek aan deze bewerking is hoe de koning de laatste nachten en dagen beseft dat hij een misdaad heeft gepleegd. Zie p. 162:

Maar hij kon wat ze had gezegd overdag niet vergeten.
Had hij ook zelf het geluk nooit in zichzelf kunnen vinden?
En had hij al die dagen dat hij een vrouw liet onthoofden
niet juist zichzelf bedrogen uit angst om te worden bedrogen?
Hoe zou hij ooit nog kunnen goedmaken wat hij alleen had 
kunnen doen omdat hij als koning boven de wet stond?
Nu drong het pas tot hem door dat niemand boven de wet staat,
zeker een koning der koningen niet. En door Shererazade,
die hem dat alles met haar verhalen duidelijk maakte,
kon hij beginnen eerst met zichzelf in het reine te komen,
door vergeving te vragen aan Allah en aan de bevolking.

Waarachtig, een katharsis! Ergens rond de veertigste nacht en zie hierna ook bv. p. 167, p. 172-173. Die leidt naar het gelukkige einde dat boven beschreven staat. Eind goed al goed, alleen jammer van al die onthoofde meisjes. Maar zo gaat dat soms in verhalen.

Over de selectie van verhalen zal ongetwijfeld door schriftgeleerden getwist kunnen worden. Zo nemen de verhalen van Sindbad de Zeeman (eigenlijk koopman) veel ruimte in, terwijl die niet voorkomen in de eerste Arabische verzamelingen. Ze werden toegevoegd door Antoine Galland, net als 'Ali Baba en de veertig rovers' en 'Aladdin en de wonderlamp'. Maar gezien de variatie in oudere verzamelingen is dat geen punt. Hoogstens kun je juist betreuren dat die laatstgenoemde verhalen niet in Imme Dros' versie staan.
Imme Dros baseerde zich niet op de Arabische teksten maar op de Engelse vertalingen die bij haar in de kast staan: die van John Payne en Richard Burton. Niet de minsten. De vertaling door Richard van Leeuwen gebruikte ze niet, om 'een simpele reden': ze had hem niet en hij was uitverkocht. (Dat is-ie nog, maar tweedehands zijn er wel delen verkrijgbaar.)
Hoe dan ook vind ik dat Imme Dros met deze bewerking knap werk heeft verricht. Hulde.



Dros, Imme. En toen, Sheherezade, en toen? Uit de verhalen van Duizend-en-een-nacht. Met tekeningen van Annemarie van Haeringen. Leopold, 2017. ISBN 978 90 258 7296 0, 188 p.



maandag 30 oktober 2017

Rekenen en wiskunde

Laat ik nu altijd gedacht hebben dat rekenen en wiskunde niet hetzelfde zijn. Maltha Studiecoaching geeft me gelijk:

Wiskunde en rekenen houden zich beide bezig met het oplossen van cijfermatige opgaven. Toch is er wel degelijk verschil tussen wiskunde en rekenen. Allereerst is rekenen iets dat je in het dagelijks leven nodig hebt. Denk maar eens aan klok kijken of contant betalen. Bij het vak rekenen wordt ingegaan op de basisvaardigheden, zoals optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen. Bij wiskunde worden patronen en structuren bestudeerd, waarbij meer inzicht van de leerlingen gevraagd wordt.

En een Nederlandse minister liet het in 2010 zo formuleren:

Bij wiskunde gaat het doorgaans om het bedenken van een oplossingsproces, rekenen wordt in het voortgezet onderwijs beschouwd als het uitvoeren van een berekening als de oplossing van het wiskundige probleem is gevonden.

Op een Amerikaanse site vond ik het zo geformuleerd:

My favorite quick answer is…
“Arithmetic is to mathematics as spelling is to writing.”

The dictionary definitions of these two bodies of learning are:

a·rith·me·tic
(1) the branch of mathematics that deals with addition, subtraction, multiplication, and division,
(2) the use of numbers in calculations

math·e·mat·ics
(1) the study of the relationships among numbers, shapes, and quantities,
(2) it uses signs, symbols, and proofs and includes arithmetic, algebra, calculus, geometry, and trigonometry.

The most obvious difference is that arithmetic is all about numbers and mathematics is all about theory. 

Overlap is er natuurlijk ruimschoots.
Dus snap ik wel dat een Nederlandse uitgeverij de titel How to be good at maths - the simplest ever visual guide (Dorling Kindersley, 2016) in vertaling bracht als Het grote wiskundeboek. (Op de voorkant met streepje, zie onder, op de titelpagina zonder streepje tussen wiskunde en boek.)
Maar helemaal juist vind ik het niet. Want Het grote wiskundeboek is nu juist vooral een praktische handleiding rekenen, met weinig achtergrond.

Die handleiding begint al op de schutbladen, met tabellen en de tafels van vermenigvuldiging. De inhoud is verdeeld in Getallen, Rekenen, Meten, Meetkunde, Statistiek en Algebra.
Er zit dus wel degelijk enige wiskunde in, maar zelfs het hoofdstuk Algebra (overigens van oorsprong een Arabisch woord) begint met de drie rekenwetten, en dan formules en reeksen.

Misschien is het ook te veel verwacht om in een boek voor kinderen iets te willen vinden over wat getallen eigenlijk zijn. Het komt niet verder dan

Al duizenden jaren lang gebruiken mensen in hun dagelijks leven getallen - om te tellen, te meten, de tijd te weten of dingen te kunnen kopen en verkopen.

Dat is lekker praktisch en geheel waar. Maar wat ís twee eigenlijk? Geen ding, geen levend wezen. Iets als geluk? Of een kleur? Een eigenschap, een hoedanigheid? Maar het is onzin om te zeggen dat ik twee ben. Iedereen ziet het grappig ongerijmde van

Ik wou dat ik twee hondjes was.
Dan kon ik samen spelen.

(Zie hier.) Twee zijn, dat gaat niet, maar

Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust

... dat gaat wel en Marie-Antoinette bestond op het moment dat haar hoofd eraf rolde ook uit twee delen. Of bestond ze niet meer op dat moment?

Als je een stokje voor je legt en je legt er eentje naast, dan zie je twee stokjes. (Het Babylonisch spijkerschrift en het Romeinse cijfersysteem geven dat ook aardig weer.)
 

Neem je die stokjes weg, dan zie je nul stokjes. Maar als je in het geheel niet met stokjes bezig bent, zie je dan ook nul stokjes? Nul is het lastigste getal en een zwart gat, alles wat je met nul vermenigvuldigt wordt nul. Je kan er beter niet aan denken om alles met nul te vermenigvuldigen, en het is niet gek dat 't het laatste getal is dat werd bedacht.
Het vergt wat verbeelding, want eigenlijk gaat nul over iets wat er niet is maar wel had kunnen zijn. Ik vind het mooi dat het teken voor oneindig als je door je oogharen kijkt bestaat uit twee aan elkaar geplakte nullen.


Dit soort overwegingen had ik eigenlijk wel verwacht, net als het een en ander over verzamelingen en categorieën, en over bewijzen. Een beetje zoals De telduivel dat deed, in het gelijknamige boek van Hans Magnus Enzensberger, of het Het wiskundehondje van Margriet van der Heijden.

Het grote wiskundeboek is een heel praktisch boek. Grafisch sterk, met zijn vele afbeeldingen, helder lettertype, kleurtjes. Heel veel uitleg. Register, woordenlijst, tabellen...
Maar het is niet onderhoudend. De stem van de verteller ontbreekt.



Het grote wiskundeboek. Ploegsma, 2017. ISBN 978 90 02 26463, 320 p. Oorspr. How to be good at maths - the simplest ever visual guide, Dorling Kindersley, 2016.

NB. De auteur wordt niet vermeld op voorkant of titelpagina, wel onder het Voorwoord. Ze heet Carol Vorderman. In de oorspronkelijke uitgave wordt ze wel vermeld.

Zie ook Wiki. Daar staat te lezen:

Vorderman has had newspaper columns in The Daily Telegraph, and in the Daily Mirror on Internet topics. She has written books on Detox diets. Her No 1 Bestseller was Detox For Life, produced in collaboration with Ko Chohan and Anita Bean and published by Virgin Books, which sold over a million copies.
Many school textbooks have been published under her name, chiefly by Dorling Kindersley in series such as English Made Easy, Maths Made Easy, Science Made Easy and How to Pass National Curriculum Maths. 

In hoofdzaak doet ze tv-presentatiewerk.
Al lezend begon ik te begrijpen waarom Ploegsma haar naam wegliet...






vrijdag 6 oktober 2017

Dag Querido

Dit blog is geen nieuwsblog. Uitzondering maak ik voor nieuws dat ik nergens anders geplaatst vind, zelfs niet op Leesplein, of voor nieuws dat ik wel heel opmerkelijk vind. Andere bloggers doen meer aan nieuwsvermelding.
Zo is het m.i. beslist opmerkelijke nieuws over de zes vertrekkende redacteurs en (nu) zestig auteurs van Querido Kind al aan de orde geweest, o.a. in NRC, op Leesplein, op Kjoek?, bij Ted van Lieshout (d.d. 26-9-2017), en vast nog tal van andere media.
Ik ben voor nieuwsgaring te sloom. Soms kom ik dagenlang (of zelfs wekenlang) niet toe aan mijn blog. Dat laat ik graag zo. Er is al genoeg redundantie in de wereld.

De uitzondering maak ik voor dit nieuws omdat het iets toont van de band tussen auteur en redacteur. Die is vaak hechter dan die tussen auteur en uitgever.
Verder is het opmerkelijk dat de auteurs met hun actie willen afdwingen dat Querido Kind alsnog wordt verkocht aan Singel Uitgeverijen. Die firma had al een bod uitgebracht, maar dat is door WPG afgewezen. Zo'n auteursactie komt niet vaak voor. Ben benieuwd hoe hij afloopt.

Voorts vind ik het opmerkelijk omdat het toont hoe onhandig het was van WPG om Querido wel en Querido Kind niet te verkopen aan Singel Uitgeverijen.
Alsof er zo'n waterdichte scheiding te maken valt tussen boeken voor volwassenen en voor kinderen. Die scheiding is er in de handel wel, maar in kunstzinnig (literair) opzicht is die vaak geforceerd en ook voor veel non-fictie geldt dat die van waarde is voor lezers van 8 tot 80 - bij wijze van spreken.
Bovendien is lijkt het me voor de marketeers van beide bedrijven een hoofdpijnzaak dat één naam van faam (Querido) verdeeld is over twee elkaar beconcurrerende bedrijven.


donderdag 5 oktober 2017

Op zoek naar geluk

Nee, ik ga geen recensie schrijven over Wie (niet) reist is gek van Ap Dijksterhuis, hoewel ik dat volgens mij wat rommelige, erg redundante maar soms wel vermakelijke boek onlangs met enig plezier (en soms ergernis) las.
'Uit meer en meer psychologisch onderzoek blijkt dat we ons eigen geluk voor een aanzienlijk deel in eigen hand hebben, maar dat er ook veel misverstanden bestaan over waar we wel en niet gelukkig van worden', schrijft professor Ap Dijksterhuis op zijn (hier en daar slecht bijgehouden) website.
In Wie (niet) reist is gek schrijft hij ergens dat veel reizigers op zoek zijn naar een soort Shangri-La, een aards paradijs. Op zoek naar geluk, dus.
Of dat waar is, laat ik ter overdenking aan de lezer, maar ik kan zijn bewering goed gebruiken als opstapje naar het boek dat ik wél wil bespreken.

Op haar geheel eigen wijze beschrijft Marit Törnqvist zo'n speurtocht in Het gelukkige eiland. Een verhaal met heel weinig tekst en veel beelden. Zo begint het:

Op een vlot
gebouwd van wrakhout
voer een meisje.

Ze was op weg
naar de horizon.



Nu is de horizon niet per se het geluk, maar na enige omzwervingen:

Op een dag
was de stilte terug,
de zee weer rimpelloos.
En middenin de zee
zag ze een houten bord.
Ze voer erheen en las.

H E T  G E L U K K I G E   E I L A N D

Daar wilde ze naartoe!

De horizon kon wachten.

Dat eiland vindt ze en het is een mooie ontknoping van het verhaal.
Het is zeker niet het Shangri-La van andere gelukszoekers, want het is er leeg. Geluk is: kunnen bedenken wat er allemaal zou kunnen zijn, in je eentje.





Dit is opmerkelijk: het naamloze meisje (dat we wellicht kennen uit Een klein verhaal over liefde) doet het alleen. Ze is en blijft alleen, al komt ze op haar reis diverse eilanden vol mensen tegen. Al snel na het begin:

Opeens was ze niet meer alleen.
Ze zag oude bekenden
en nieuwe gezichten.
Rare snuiters
en vreemde vogels.

Die passeert ze allemaal, want niemand kon haar zeggen waar de horizon was.

Dan komt ze dat houten bord tegen. Ze gaat op zoek naar het gelukkige eiland.
Daarna komt ze een reeks eilanden tegen die ondanks ogenschijnlijk tevreden bewoners niet aan haar ideaal voldoen.

Bijvoorbeeld:

Ze voer naar het eiland van diepe gedachten
en naar het eiland van altijd feest.
Ze kwam bij het eiland van vrijheid en blijheid
en bij het eiland van samen sterk.

 


Niet alleen die 'diepe gedachten' en 'samen sterk' (of 'vrijheid en blijheid'?) worden gesierd met een afbeelding, de vele andere eilanden vind je ook terug.
Haar tocht wordt grotendeels verteld in beelden. Zo'n 50 prachtige, droomachtige beelden, waarvan enkele dubbelpagina, die veel meer vertellen dan de rond 150 woorden (geschat) van de tekst, al maken ze die niet overbodig.

Alleen zijn als essentie van geluk wordt nog benadrukt door:

Na lang zwerven over zee
klonk er opeens een melodie.
Zo herkenbaar.
Zo vertrouwd.
Ze zag een eiland als een spiegel
waar iemand op haar wachtte.

Hier mocht ze voor altijd blijven
en haar leven delen.




Maar dat valt uiteindelijk tegen, want 'het delen ging steeds slechter en voor altijd was te lang'. Ze vertrekt en vindt dan dat eiland voor haar alleen.

 


Je zou in de verleiding kunnen komen om te denken dat er parallellen zijn met het leven van de auteur, maar daarover is (zeer verstandig) niets openbaars te vinden. Het zou een troostrijk verhaal kunnen zijn voor wie net een breuk in haar of zijn relatie heeft ervaren.
Sowieso is het een mooi en wijs verhaal - vind ik. Mooi om voor te lezen aan, te bekijken en te bespreken met kinderen, maar voor iedereen ook een prachtig verhaal voor op het nachtkastje, om herhaaldelijk te bekijken.



Marit Törnqvist. Het gelukkige eiland. Querido, 2017. ISBN 978 90 451 2098 8.

PS. De afbeeldingen in deze bespreking staan met opzet niet in volgorde. En het zijn scans, dus doen ze a priori geen recht aan de kwaliteit van het drukwerk. Wie ze ten volle wil savoureren, zal toch echt het boek moeten kopen. Er is een trailer op Youtube (met muziek van Marion von Tilzer) die een indruk van de beelden geeft, maar let op, de teksten die daarin verschijnen zijn niet die van het boek.








zaterdag 16 september 2017

Sponsors gezocht

Een mooie bijdrage van Ted van Lieshout op zijn blog:

Na drie jaar al besluit Bruna om de Woutertje Pieterse Prijs niet meer te ondersteunen. Gezien het eclatante enthousiasme van de mensen van Bruna die meewerkten aan de organisatie van de prijs, komt het voor mij als een totale verrassing. En het is nieuws dat niet alléén komt, want ook in Vlaanderen wordt hevig beknibbeld op de prijzen: dit jaar worden de Boekenleeuw en Boekenpauw niet uitgereikt, waarschijnlijk niet uit onwil, maar omdat de participanten het niet eens kunnen worden over de een of andere reorganisatie.
Afgelopen week nog benadrukte Robbert Dijkgraaf in DWDD dat er te veel en te hard getrapt wordt op de rem van de verbeelding. Het is tegen dovemansoren gezegd. Iedereen zégt wel dat verbeelding, kunst en cultuur belangrijk zijn, maar onderneemt geen actie. Hoe kan het dat er economische bloei is, maar juist een alarmerende verschraling in de kunstsector?
Er moeten welwillende, welgestelde mensen en organisaties te vinden zijn die hun geld en naam kunnen en willen koppelen aan zoiets belangrijks als het geschenk van de verbeelding, de broodnodige kunstzinnige ontwikkeling van kinderen, de noodzakelijke cultuuroverdracht – o, waar zijn de mecenassen van de huidige tijd? Meld u bij de organisatie van de Woutertje Pieterse Prijs!
Waarvan akte!

Zie Leesplein over dat nieuws over de Boekenleeuw en de Boekenpauw. Het nieuws (d.d. 31 augustus 2017) in Boekblad staat hier, maar voor het volledige artikel moet je abonnee zijn, en dat geldt ook voor het nieuws (d.d. 8 september 2017) over de Woutertje Pieterse Prijs.
Vreemd is dat er op Boek.be niets te vinden is over het niet uitreiken van Boekenleeuw en Boekenpauw. Al staat er bij die van 2016 wel:

Ondanks recente onheilstijdingen worden deze belangrijke ‘prijsbeesten’ ter ondersteuning van onze kinder- en jeugdauteurs en illustratoren ook dit jaar opnieuw uitgereikt! Boek.be onderhandelt momenteel met nieuwe, enthousiaste ondersteunende partners die het mogelijk maken om deze gegeerde prijzen komend najaar, tijdens de Boekenbeurs, uit te reiken.
Meer concrete informatie volgt, zodra beschikbaar.

Die 'concrete informatie' is kennelijk nog steeds niet 'beschikbaar'
.
Ook Kjoek houdt er mee op, eveneens om financiële redenen, zie hier. Maar maker Richard Thiel gaat wel door met een blog.

donderdag 14 september 2017

Wat is echt

Edward van de Vendel moet een fijne neus hebben gehad voor het thema van Kinderboekenweek 2017 ('Gruwelijk eng!') óf een telefoontje hebben gehad van zijn uitgever: zou je niet...
Want De grote verboden zolder verscheen precies op tijd voor de Kinderboekenweek en dat lijkt me geen toeval. Op het omslag van mijn recensie-exemplaar prijkt bovendien een sticker: Kinderboekenweek Tip.
Voor de goede orde: daar is niets mis mee. Ook auteurs en uitgevers willen brood op de plank en dus willen ze boeken verkopen, liefst zo veel mogelijk.
Het geeft zo'n verhaal wel een associatie van in-opdracht-geschreven, maar ook zulke verhalen kunnen heel goed zijn. Sterker, er verschijnt een continue stroom niet in opdracht verschenen verhalen die wat mij betreft niet hadden hoeven verschijnen.

De grote verboden zolder mag er zijn. Een mooi spookverhaal met subtiel spel rond werkelijkheid en schijn, waarin vriendschap en wrange levenservaringen overtuigend zijn vervlochten.

Er is met De grote verboden zolder iets bijzonders. De auteur wil ons laten geloven dat het verhaal waar gebeurd is en tegelijk dat een deel van het verhaal misschien toch gedroomd of gefantaseerd. De verteller heet Eddie, dat om te beginnen. Lijkt erg op Edward.
Na afloop van het verhaal volgt een nawoord, 'Veertig jaar later', dat de suggestie wekt dat Eddie identiek is aan de schrijver, dat het verhaal waar gebeurd is maar ook daarin twijfel over een deel dat misschien toch ingebeeld was. Hij heeft een mailwisseling met Linea, die Eddie via haar dochter (!) op het spoor komt, want die las een van zijn boeken. Linea is het meisje dat Eddie meevoert naar de grote verboden zolder. Hij vond, meldt hij 'veertig jaar later', een boek waarin Linea tekeningen had gemaakt, tekeningen van 'spoken en trollen'. En hij raakte in de war:

Was ze de zolder vergeten? Het enige dat ze schreef is dat ze griezeltekeningen maakte en dat ze griezelverhalen las. Maar we belééfden ze ook!
Had ze dat allemaal verkeerd onthouden?
Of heb ik het zelf allemaal verkeerd onthouden?
Daar dacht ik lang over na.

Maar uiteindelijk wist ik: het maakt niet uit.

[...]

Dus: Linea heeft de jonge Eddie laten zien wie hij kon zijn.
En de jonge Eddie heeft de oudere Eddie laten zien wie hij kon zijn.
Want zo werken de beste verhalen. Zo werken de mooiste films en games. Zo werken de belangrijkste boeken. Ze wijzen ons de weg. Ze slokken ons op. En dan begint er een leven. Ons leven.

Op p. 256, aan het eind van 'Veertig jaar later', richt de verteller zich rechtstreeks tot de lezer met een cursief tekstje dat een hele pagina voor zichzelf krijgt:

Dus:
Wat ik je hier heb verteld is van begin tot eind zo gebeurd.
De meeste mensen zullen zeggen dat ik het verzonnen heb.
Dat ik het me heb ingebeeld.
Behalve jij.
Jij zult begrijpen dat het echt was.
Echter
dan de waarheid.

'Echter dan de waarheid' is iets dat al langer aan verhalen wordt toegeschreven. Wat is echt? Wat is waar? Wat is werkelijk? Het verhaal is geen documentaire maar leidt tot een inzicht dat waarachtig ('echt') aandoet en ons zo iets over de werkelijkheid leert. Dat tekstje, overigens, staat ook op p. 5, na titelpagina en colofon.

Er volgen nog twee 'Extra's'. Eén: de tekeningen van Linea. Twee: de 'half mislukte moppen'  van de wolk, of opa, Johannes, de figuur die Linea en Eddie meevoert naar vreemde hoeken van de zolder en misschien daarbuiten.
Leuk. Laat nou in het colofon staan: 'Tekeningen Linea © Simon Vermeulen'. Wie? 'Simon Vermeulen, een van mijn oud-ABCyourselvers, tekende de tekeningen die Linea in het boek maakt', meldt Edward van de Vendel op zijn blog op 23 augustus 2017. Fijn, weten we meteen dat Linea uit het brein van Edward is ontsproten.
Sowieso een relevant stukje, dus ik citeer nog een passage:

DE GROTE VERBODEN ZOLDER vertelt het verhaal van een tienjarig jongetje dat lijkt op het jongetje dat ik veertig jaar geleden was (dus zelfs nog iets langer terug). Hij is klein voor zijn leeftijd en houdt van verhalen en van fantasie. Nou ja... fantasie? De Israëlische schrijver Etgar Keret vertelde in de documentaire die onlangs over hem gemaakt werd dat zijn fantastische vertellingen voor hem 'waargebeurd' zijn. Dat de 'creatieve leugen' voor hem soms dichter bij de waarheid komt dan de waarheid zelf. Een dergelijke overtuiging ligt ook ten grondslag aan dit boek.

Mooie toelichting. Maar een leugen die dichter bij de waarheid komt dan de waarheid? Hebben we het hier niet over twee verschillende waarheden? Zoiets als inzicht en werkelijkheid?
Nóg een stukje:

DE GROTE VERBODEN ZOLDER vindt plaats in het huis waarin ik tot mijn twaalfde woonde. Dat huis stond op de kop van de basisschool, waarvan mijn vader de hoofdonderwijzer was. Er was een zolder die zich uitstrekte over alle lokalen. Daar mocht ik niet komen, want er was geen vloer, en als we naast de loopplank stapten zouden we dwars door de lokalen vallen - dood.
We hadden ook af en toe kinderen te logeren die om de een of andere reden even bij hun ouders vandaan moesten.

Die twee basisideeën zijn gecombineerd in dit boek: Linea (12) is een raadselachtig meisje, dat opeens verschijnt in het huis van Eddie (net 10). Ze lijkt hem te negeren, totdat er 's nachts op Eddies slaapkamerdeur geklopt wordt. Daar staat Linea. Ze wil dat Eddie meekomt naar... de Grote Verboden Zolder.

Hiermee biedt Edward een introductie die mij afdoende lijkt, dus dank.

Wat er op die grote verboden zolder gebeurt, ga ik hier uiteraard niet vertellen. Het is in ieder geval spannend. Laat ik het er maar op houden dat Eddie en Linea samen de boze geesten uit Linea's leven bevechten, tot en met de verschrikkelijke Bankman, een cycloop-achtige figuur. En tegelijk overwint Eddie daarmee de angsten die zijn eigen leven soms beheersen.
En Linea, zo blijkt gaandeweg, logeert bij hen omdat haar vader even niet meer verder kan en zich opsluit. Hoe en wat, doe ik evenmin uit de doeken. Het komt wel goed (blijkt 'Veertig jaar later').

Tja, en die jonge verteller Eddie ontsnapt zo ook behendig aan de valkuil van andere jonge of heel jonge vertellers in wat met een lelijk woord soms ik-verhalen wordt genoemd: dat ze vertellen met een stijl die de hunne eigenlijk niet kan zijn, zo vaardig en soepel. Vooral als ze dan ook nog in de onvoltooid tegenwoordige tijd vertellen, als een soort verslag ter plekke.
Dít verhaal wordt immers achteraf verteld (in de onvoltooid verleden tijd) en de de verteller blijkt veertig jaar later een auteur. Daarmee wint dit verhaal ook aan waarachtigheid. Want vertellen kan-ie echt wel, zie voor prachtige staaltjes p. 36, 81 en 144, en, ach ja, overal.
Ik citeer één zinnetje, dat van p. 81:

Ze praatte overdag alleen met papa en mama, en bij het eten deed ze net alsof ik een stukje groente was dat naast haar bord terecht was gekomen.

Goed gedaan, Eddie.






Edward van de Vendel. De grote verboden zolder. Querido, 2017. ISBN 978 90 451 2069 0, 272 p.

PS. d.d. 6-10-2017. Zie voor een mooi lijstje griezelboeken (in het kader van Kinderboekenweek 2017) hier, op het blog van Richard Thiel.




dinsdag 12 september 2017

Poëzie: luisteren

Er kwam een persbericht binnen van Stichting Lezen.

Poëzie in Nederland: wijdverspreid genre & gedeelde ervaring

Kila van der Starre (Universiteit Utrecht) onderzocht hoe volwassenen in Nederland met poëzie in aanraking komen. Poëzie wordt vaak gezien als een niche-binnen-een-niche, maar het blijkt een zeer wijdverspreid genre: 97% van de volwassen Nederlanders komt weleens in aanraking met poëzie. Dat gebeurt bijvoorbeeld in de openbare ruimte, bij speciale gelegenheden of op televisie, social media en radio. Bovendien worden deze ervaringen positief gewaardeerd: meer dan de helft geeft het zomaar tegenkomen van poëzie een 7 of hoger (op een schaal van 1 tot 10). En: voor veel mensen smaakt de poëzie die zij zomaar tegenkomen naar meer.

Vrijwel alle Nederlanders komen in aanraking met poëzie. Dat blijkt uit het onderzoek dat Kila van der Starre samen met bureau Markteffect onder 1.003 Nederlanders van 18 jaar en ouder uitvoerde in het kader van haar promotieonderzoek naar ‘poëzie buiten het boek’ in Nederland. Maar liefst 97,4% leest, luistert, schrijft of deelt poëzie, of komt poëzie zomaar tegen, bijvoorbeeld tijdens speciale gelegenheden, op televisie, in de openbare ruimte, of in een tijdschrift, krant of op internet.

Het sinds eind 19e eeuw gangbare idee dat poëzie een genre is dat we individueel en in stilte lezen (‘met een boekje in een hoekje’) gaat niet op: Nederlanders komen vooral in aanraking met poëzie in mondelinge vorm. Poëzie is voor de meeste volwassenen een sociaal fenomeen dat collectief wordt ervaren. Dat gebeurt met name tijdens bijzondere gelegenheden zoals een huwelijk, een uitvaart of een speech, en via televisie, kranten, radio of social media. Mensen waarderen dat ook. Een belangrijke reden voor mensen om poëzie te ervaren is dat zij geraakt willen worden of aan het denken gezet, maar ook de praktische reden – op zoek naar een gedicht voor een speciale gelegenheid – is belangrijk.

Voor veel mensen smaakt de poëzie die zij zomaar tegenkomen naar meer. Bijna de helft van de volwassen Nederlanders wil daarna meer poëzie lezen of horen. Van der Starre stelt dan ook vast dat er voor uitgevers, boekhandelaren, bibliotheken en het onderwijs mogelijkheden zijn voor poëziebevordering.

Kila van der Starre (2017) Poëzie in Nederland. Een onderzoek naar hoe vaak en op welke manieren volwassenen in Nederland in aanraking komen met poëzie. Amsterdam: Stichting Lezen in samenwerking met het Nederlands Letterenfonds, en is vanaf 15 september te downloaden via de site.
Kila van der Starre is als promovendus verbonden aan de vakgroep Moderne Nederlandse Letterkunde van de Universiteit Utrecht. Voor meer informatie over haar onderzoek: kilavanderstarre.com.

Mooi, zo'n onderzoek.
Laten we vooral niet vergeten dat veel poëzie ook gezongen wordt. Ik krijg uit dit persbericht de indruk dat Kila van der Starre dat niet heeft meegenomen in haar onderzoek. Dat zou jammer zijn, maar haar eigen site biedt hoop want daar vermeldt ze over haar onderzoek:

Poëziefestivals trekken volle zalen, cafés zitten vol voor poetry slams, op het internet wordt volop lyrisch geëxperimenteerd, zangers bereiken een enorm publiek, muurgedichten sieren tientallen steden, Gedichtendag is uitgebreid tot een Poëzieweek en dit jaar benoemde België voor het eerst een Dichter des Vaderlands. Als we het genre niet beperken tot lezen, heeft poëzie vandaag misschien wel het grootste bereik in eeuwen.
(Cursivering door mij.)

Waarvan akte.

woensdag 6 september 2017

Dood en leven

Om niets minder draait het verhaal in Het geheim van het Nachtegaalbos van Lucy Strange, vertaald uit het Engels.
Een knap en ontroerend verhaal, verteld door Henrietta Georgina Abbott, kortweg Henry of Hen. Ze is twaalf jaar, blijkens de flaptekst.
Ze doet dat dusdanig dat het hoegenaamd niet opvalt dat de verteller hier een soort verslag doet (achteraf, in onvoltooid verleden tijd) dat wellicht ietwat te vlot is voor een twaalfjarige - maar dan zij meteen vermeld dat die leeftijd niet meteen in het verhaal opduikt en dat Henry bovendien een leesgraag meisje blijkt en zich ook in gesprekken goed blijkt te kunnen redden. Dat maakt acceptatie makkelijk. De enige keer dat ik een zinnetje las waarbij ik noteerde 'Hoe weet ze dat?' is op p. 37:

Er kwam een boosaardig lachje op mijn gezicht.

Iets meer fragment:

Dokte Hardy's instructie galmde door mijn hoofd:
Geen grote avonturen voor jou, jongedame...
Er kwam een boosaardig lachje op mijn gezicht.
Ik ging lekker toch.

Laat die ene zin er uit en het bekt net wat natuurlijker voor een verteller die zichzelf immers niet ziet.

Dokte Hardy's instructie galmde door mijn hoofd:
Geen grote avonturen voor jou, jongedame...
Ik ging lekker toch.

Of vervang ik door zij:

Dokte Hardy's instructie galmde door haar hoofd:
Geen grote avonturen voor jou, jongedame...
Er kwam een boosaardig lachje op haar gezicht.
Ze ging lekker toch.

Nou ja, van die stijloefeningen zijn er meer te doen.
Hoofdzaak is dat het verhaal met verteller en al recht overeind blijft.

Tijd voor een introductie.
Het verhaal begint als het gezin Abbott voor hun nieuwe huis staat:

We stonden met zijn allen naar het nieuwe huis te kijken: vader, mama, ons kindermeisje juffie Jane, Biggetje en ik. Het was groot en oud, en stond hier en daar op instorten, met muren die een beetje verzakten en een steil pannendak vol mos. Op het hek zat een bordje: HUIZE HOOPVOL.
'Het is een nieuw begin,' zei vader.

Al snel blijkt dat nieuwe begin weinig hoopvol. Mama is zwak en ziek, vader moet voor werk weg, juffie Jane heeft de zorg voor iedereen, Henry vooral voor haar zusje met de rare naam Biggetje, een baby. Mama wordt toevertrouwd aan dokter Hardy, en Henry vindt hem een griezel, hetgeen ons in heerlijke Dickensiaanse woorden wordt beschreven, te beginnen met zijn 'vochtige en kwabbige' hand.
Waaróm ze zijn verhuisd, dat vertelt ze ons allengs tussen de regels door, maar het duurt heel lang, voorbij de helft van het verhaal, tot we te weten komen wat voor rampzalige gebeurtenis hen naar Huize Hoopvol heeft gebracht, en hoe Henry's broer Robert stierf. (Robert duikt al in de eerste pagina's op, Henry ziet hem voor zich en praat met hem.)
Die dosering vind ik heel knap, de spanningsboog wordt fraai gespannen. Ook passend is dat het lang duurt voordat je als lezer doorkrijgt in welke tijd het verhaal speelt, tenzij je de flaptekst hebt gelezen: 1919. In het verhaal komt de eerste echte aanwijzing pas op p. 23. Ik zal citeren, ook om nog een indruk te bieden van de stijl:

Hij keek weer naar zijn brief en bracht intussen zijn theekopje naar zijn mond. Huid vol littekens strekte zich, als een landkaart van Afrika, over de rug van zijn hand en pols. Tegenwoordig zag je veel mannen met littekens - herinneringen aan de Grote Oorlog, die afgelopen november was geëindigd - maar vader had niet gevochten. Hij was ingenieur en had het grootste deel van de oorlog in Britse havens en fabrieken gewerkt; zo streed hij voor de overwinning, ja, maar zonder daadwerkelijk te vechten. Vaders litteken kwam helemaal niet uit de oorlog. Ik deed mijn best niet te denken aan de nacht dat hij het had opgelopen.


Vreemde stijlfiguur 'Tegenwoordig zag je...'. Wat zou er in het Engels gestaan hebben?
Achter het huis is een bos en daar ontdekt Henry een heks, die al bij de tweede ontmoeting geen heks blijkt maar een vrouw die zich uit de wereld heeft teruggetrokken en zich aan Henry voorstelt als Mot.
Dokter Hardy blijkt samen met een collega (Chilvers) snode plannen te hebben met mama, plannen voor een behandeling die, vermoedt Henry, helemaal niet goed voor haar is. Ze probeert de uitvoering van die plannen te voorkomen, samen met Mot, die op wonderbaarlijke wijze met Huize Hoopvol, verbonden blijkt. Ook van anderen krijgt ze hulp en uiteindelijk ook van vader, die als reactie op een bondig telegram verstuurd door Henry ('je bent hier nodig') met spoed naar huis komt. Volgt een geweldig feel-good-einde. Er is weer hoop in Huize Hoopvol.
Er zijn méér verwikkelingen en verhaallijnen, de pijn van verlies is overal, zo heeft Mot een zoon verloren in de Grote Oorlog. Maar ik ga die verwikkelingen en verhaallijnen niet uit de doeken doen.

Het is een boeiende tijd. Te dichtbij om in de kostuumdrama's te vallen, de echte 'historische literatuur' zoals dat met een vreemde term heet. (Vreemd omdat die literatuur zelf niet historisch is, de verhalen spelen zich af in het verleden.) Maar net te ver terug om het idee te krijgen dat het verhaal zich hier en nu zou hebben kunnen afspelen. (Alleen al het verschijnsel kindermeisje, in die eerste zin.) En de auteur heeft, voorzover ik kan nagaan, erg haar best gedaan om het decor in die zin kloppend te maken, zelfs in de reacties op iets gewoons als de telefoon die overgaat, en in andere details, zoals het geluid van een auto. (Viel toen nog op.) De pijn van verlies was toen in Groot-Brittannië overal, er waren zoveel jonge mannen omgekomen op de slagvelden. (Zie ook Het boek van de kinderen van A.S. Byat, een meesterlijke roman.)

De vertaling van Aleid van Eekelen-Benders kan ik niet beoordelen. Eén aanpassing viel makkelijk te achterhalen, die op p. 80:

'Misschien zingt de nachtegaal dáárom als u naar hem fluit,'zei ik lachend. 'Hij weet dat u ook een nachtegaal bent. Want nightingale betekent nachtegaal.'

Tja, hoe die passage in het Engels luidt... Waarschijnlijk is dat laatste zinnetje door de vertaler toegevoegd.

In het Dankwoord achterin bedankt de auteur een heleboel mensen, waaronder Studio Helen 'voor het mooie omslag: toen ik de eerste schets zag sprongen de tranen me in de ogen, zo prachtig was het'.
Dat ben ik helaas niet met haar eens. Ik vind het een spuuglelijk omslag.
Niettemin: een veelbelovend debuut.


Strange, Lucy. Het geheim van het Nachtegaalbos. Gottmer, 2016. ISBN 978 90 257 6722 8, 320 p. Oorspr. The Secret of Nightingale Wood, 2016.

maandag 28 augustus 2017

Schitterende erwt

Heel vroeger vertelden mensen elkaar verhalen, of er was iemand die meer verhalen kende en beter kon vertellen of zingen. (Misschien was het heel vroeger het verschil tussen poëzie en verhalen niet zo omlijnd als nu.)
De verteller of zanger had zijn publiek voor zich. Hij (of zij, enz.) wist tot wie hij zich richtte en als-ie goed was, trof hij de juiste toon. Die metafoor is ontleend aan de muziek. C'est le ton qui fait la musique. Boeren, stedelingen of adel, jong of oud, vrouwen, mannen of beide, het maakte verschil.
Moeilijk te omschrijven wat dat precies inhoudt, de juiste toon. Heeft te maken met aandacht, stem, modulatie, vocabulaire, sleutelwoorden, syntaxis en meer.
Maar iedereen begrijpt de uitdrukking. Het maakt het verschil tussen blijven luisteren of weglopen. Van levensbelang voor de verteller.

Toen werd de drukkunst uitgevonden en verscheen het gedrukte boek. In een boek verdwijnen stem, modulatie en nog wat zaken. De woorden blijven over. Het publiek wordt een abstractie, want een boek lees je doorgaans in je eentje, behalve als je voorleest of uit het hoofd voordraag of zingt.
Maar nog steeds blijft het voor de lezer of luisteraar belangrijk of hij zich aangesproken voelt, of de juiste toon wordt aangeslagen. Het maakt het verschil tussen doorlezen of boek wegleggen.

De afwezigheid van direct contact tussen verteller (een persoon van de schrijver) en aanwezig publiek maakte echter een wijdere baaierd aan stijlen mogelijk. Iedere verteller (schrijver) denkt zich zijn eigen publiek, of dat nu zichzelf, kinderen, klas, vrienden, echtgenoot, grootmoeder of wie dan ook is. 'Ik schrijf voor mezelf'  of 'Ik schrijf niet voor een bepaald publiek' zijn veelgehoorde uitspraken onder auteurs.
De schrijver kiest zich een verteller. Dat kan hij (of zij, enz.) zelf zijn (de naïeve positie), maar hij kan ook een virtueel masker opzetten (persona: Latijn voor masker) of een persoon uit het verhaal tot verteller benoemen. En zelfs als hij zichzelf kiest, wordt hij de verteller van dat moment. De schrijver groeit door, de verteller stolt in het gedrukte verhaal. (Jaren later bladert de schrijver in zijn boek en denkt, heb ík dat geschreven? Dat zou ik nu heel anders doen.)
Als lezer probeer ik in het verhaal de verteller te vinden. Het doet er immers toe wie het verhaal of gedicht vertelt, we krijgen al lezend zijn blik mee, zijn standpunten. Draag ik het voor, dan probeer ik een goede interpretatie te vinden, de toon die past bij de verteller. Maak ik er muziek bij: idem dito.

In het algemeen slaan volwassen vertellers tegenwoordig voor kinderen een andere toon aan dan voor medevolwassenen. Dat geldt ook voor gedrukte tekst. Er is een beperkt repertoire aan stijlen dat in kinderboeken overheerst. Het maakt de meeste kinderboeken direct herkenbaar als kinderboek, ook zonder kaft en opmaak. Dit is geen kritiek, ook een verteller met een gangbare stijl kan een prachtig verhaal vertellen en heel mooie gedichten brengen.
Waar toon en stijl afwijken van de dominantie wordt het interessant en moet ik me bewust zijn van wat ik verwacht.




Ik kreeg door de uitgeverij een boek toegestuurd van Ted van Lieshout: Onder mijn matras de erwt. Ted van Lieshout staat bekend als auteur voor kinderen, althans, zijn werk is doorgaans te vinden op de planken bedoeld voor jeugdliteratuur en zijn naam figureert in lijsten en bekroningen van jeugdliteratuur. (Zijn prijzenkast is aardig gevuld.)
Ik sla het open en zie pagina's met afbeeldingen van poppenhoofden; zo ongeveer als die op het omslag staan afgebeeld.


De uitdrukking op hun gezichten is niet vriendelijk, eerder droevig. Het lijken wel doodsmaskers.
Dat verwacht ik niet in een kinderboek. Is het wel een kinderboek? Ik controleer de buitenkant: er staat geen leeftijdsaanduiding op het boek wordt niet als kinderboek vermeld. Wel is Leopold bekend als uitgeverij van jeugdliteratuur.
Maar wat is een kinderboek? Stil, die vraag is minder makkelijk dan-ie lijkt.

Ik ga lezen. Onderdruk de neiging om bij de inhoudsopgave meteen door te gaan naar 'Over de poppen'.
Vóór de inhoudsopgave staan nog meer van die poppenpagina's en achterin zijn er ook: bij elkaar dertien, en het zijn steeds dezelfde vijftien koppen, met andere aankleding. De inhoudsopgave zelf is voorzien van drie identieke, liggende tekeningen van een ernstig kijkend meisje.

Dan beginnen de teksten. Sommige rijmen, nog meer zijn vormgegeven als gedicht: coupletjes, als het ware. Daaronder zijn er die eigenlijk proza zijn, al geeft de vorm er een soort ritme aan. Daartussendoor teksten die als een lopende monoloog zijn opgeschreven, zinnen achter elkaar door.
Er rijst het beeld uit van een persoon die het moeilijk heeft met zichzelf, haar moeder, haar afwezige vader, het overlijden van haar oma. Nogal schrijnend, pijnlijk, soms pijnlijk grappig, galgehumor. De poppekoppen passen er wonderwel bij.
Ik bedwing de neiging om uitvoerig te citeren. Eén gedicht, aan het eind (p. 78):

nut

Ik moet mijn huiswerk maken,
mijn kamer opruimen, de vuilniszak
buitenzetten, me mooi gaan vinden,

niet boos zijn omdat mijn ouders
niemand beter konden krijgen
dan elkaar, geen die knapper was

om mee te vrijen, waardoor ik nu
opgezadeld ben met een aangeboren
lelijkheid die geen enkel kind verdient.

Ik mag blij zijn als ik later werk kan
vinden als afwashulp of vloerdweiler
in eetcafé Het gebochelde kippetje.

O, het zou goed zijn als ik zachtjes stierf,
verongelukte onder de grote voeten
van alles wat me vertrappelen wil

en schopt. Of komt er ooit een tijd,
waarin ik dan nog leef, dat ze te weten
komen dat het nuttig is dat ik besta?

Nou, vooruit, nog eentje, die van p. 34, als voorbeeld van galgehumor:

glazen schoentjes

Ik dacht dat ik glazen muiltjes droeg.
Ik weet zeker dat ik glazen schoentjes
had! Een prins die mij kwam redden
uit dit dal, weg van mijn moeder die
mij zelfs geen zevenmijlslaarzen gunt,

galoppeerde mij tegemoet op het paard
dat ik tegen wilde houden. Maar het
rende me voorbij. Ik riep nog: papa,
ik sta hier! Maar hij had in de verte
een stiefmoeder gezien met grote borsten.

Deze Assepoester dient middels wrange, schrijnende, prachtige teksten ongewild een aanklacht in tegen haar ouders, tegen de wereld. Alle teksten worden vergezeld door uitvergrote portretten van diezelfde poppenkoppen van de verzamelpagina's.
Ik aarzel niet: ik vind dit een meesterwerk.

Wat vooral knap is, is de toon. Hier is onmiskenbaar een kind aan het woord. Hoe oud, welk kind, dat laat ik in het midden. Ze lijkt gaandeweg ouder te worden. Schrijver Ted van Lieshout heeft dat kind ongetwijfeld in zich, heeft zich al schrijvend vermomd, verpopt tot dit kind, dat voor zichzelf notities maakt, uiteenlopend van een negenregelig versje van zeventien of achttien woorden (zie p. 43, mooi, een zaam of eenzaam) tot een lange monoloog als op p. 38. Ik ben haast blij als op p. 80 blijkt dat ze toch, daar, een vriendin heeft, en ook op p. 70 is ze niet alleen. Maar ja, haar oma sterft wel.

Een kinderboek? Niet direct, volgens de geijkte verwachtingspatronen. Maar reken maar dat er genoeg kinderen van tien en ouder zijn die zich hierin herkennen...



O.k., ik citeer niet de felle,  ironische aanklacht van p. 71 ('ik ben mijn moeder'), maar dan tot slot nog het titelversje (p. 74):



onder mijn matras

Ik dacht dat ik zou groeien
in een ander. Misschien
werd ik wel met grote borsten

aan of kreeg een staart
met vin. Helaas kon ik alleen
maar worden die ik ben.

Stil. Niemand ziet aan
mij wat ik verberg:
onder mijn matras de erwt.

Lezen en kijken, dit boek! Savoureren. En eindig met het stuk 'Over de poppen'. Waarin je o.a. kunt lezen hoe je zelf zulke poppenhoofden kan maken.

 


Ted van Lieshout. Onder mijn matras de erwt. Leopold, 2017. ISBN 978 90 258 6498 9; 94 p.

NB d.d. 21-2-2018. Onder mijn matras de erwt werd genomineerd voor de Woutertje Pieterse Prijs 2018.