Zoeken in deze blog

dinsdag 26 april 2016

Al Capone leeft

Soms heb ik zo'n droom waarvan bij het wakker worden eerst nog wat beelden blijven hangen, details, maar waarvan snel alleen een sfeer overblijft, een stemming, en het laatste beeld. Ik wou dan dat ik een camera'tje in mijn hoofd had dat die droom voor me vastlegde voordat-ie verdween.
Ik merkte onlangs dat dit ook met een verhaal kan gebeuren dat ik las en weglegde om later te bespreken.
Gevaarlijk.
Dat 'later' bleek enkele maanden te worden, met een reis ertussen.
Het boek lag op een stapeltje zaken om nog iets mee te doen en onlangs pakte ik het van die stapel. Nu toch eens lezen en bespreken...

Lezen? Al bij het eerste bladeren herinnerde ik me dat ik het al gelezen hád en het zat vol ezelsoren en hier en daar een potloodstreepje. Met nog wat bladeren kwam het verhaal terug, maar onvolledig. Er zat niets anders op dan het nóg eens te lezen.
Net als ik wou dat ik sommige (niet alle!) dromen nóg eens zou dromen, zo bleek het herlezen van De een na laatste dood van het meisje Capone van Isabel Hoving de moeite waard. Maar toch...

In het algemeen houd ik van verhalen waarin spaarzaam met woorden wordt omgesprongen. Uitgebeend proza, tegen het poëtische aan. Zoiets als De Hemel, net genomineerd voor de Woutertje Pieterse Prijs. Geen woord teveel, dat vind ik doorgaans een compliment.
Maar ja, wanneer is een woord teveel?
De een na laatste dood van het meisje Capone is een barok verhaal, geschreven in een barokke stijl, en het is ook nog een toekomstverhaal, niet het soort verhaal dat bij wijze van spreken om de hoek zou kunnen plaatsvinden. Dat barokke ligt 'm zowel aan de ongelofelijk ingewikkelde plot als aan de verteller: Ewa zelf. Ze noemt zichzelf niet voor niets een 'flapuit'.
Herinnerde ik me dat het me bij eerste lezing niet stoorde, bij herlezen ging het me een beetje in de weg zitten. Zoals vaker in verhalen waarin een tienerhoofdpersoon vertelt, is een meisjesdagboek-achtige stijl toegepast. Nog afgezien van het risico dat zo'n stijl over tien jaar verouderd aandoet, doemt zo nu en dan het verlangen op naar een afstandelijker verteller, die zuiniger met woorden is.

Toch blijft het een interessant verhaal. Dat ligt deels aan de hersenspinsels van Ewa, deels aan de fantastische krullen van de intrige, die ons naar de meest bizarre taferelen leiden, maar vooral aan de lugubere plot, die ons uitzicht biedt op een wereld waarin de menselijke geest nog meer wordt beheerst door machthebbers dan nu al het geval is. Rupert Murdoch zou er zijn vingers bij aflikken, net als de staf van Vladimir Poetin.
Die hersenspinsels van de impulsieve tiener Ewa zijn op zich niet zo interessant, maar wel de volkomen vanzelfsprekendheid waarmee allerlei apparaten en verschijnsels worden genoemd die wij (nog) niet kennen. IJzeren consequentie van de auteur om geen enkele verklaring te bieden. Het is er gewoon, van tik tot gast, van box tot holo. Als je niet anders gewend bent, zoals Ewa, dan hoef je dat ook niet uit te leggen. De vraag blijft alleen aan wie ze dat allemaal vertelt, tot en met haar (bijna) laatste dood.
Het antwoord op die vraag is: aan ons. Nogal wiedes. Soms spreekt ze ons zelfs rechtstreeks aan.

En toen, snap je, toen begreep ik ineens alles. (p. 335)

(Dacht ze...) Maar met Ewa als verteller heeft het verhaal dezelfde zwakte als al die andere dagboek-achtige verhalen. Ik zit niet steeds te wachten op dat tiener-achtige getater en gesnater en al die quasi-coole uitdrukkingen (chill!).
Aan het eind komt er overigens wél even een andere (onbekende, alwetende) verteller, en dat levert een sterk staaltje gothic novel op. Had díe verteller vanaf het begin het woord gegeven, dacht ik soms...

Blijft die plot over. Die is zoals gezegd erg ingewikkeld. Heel in het kort dan.
De zestienjarige Ewa Capone (voluit Ewa Liberia Anastasia Capone, zie p. 40) rent in 2099 door de straten van Arnhem, op de vlucht voor twee mannen die haar proberen te vermoorden. Ze vlucht een deur in. Die blijkt de ingang van The Joy of Giving, een instituut waar mensen gedwongen hun organen, emoties en herinneringen afstaan. Als ze zich inschrijft, houdt The Joy haar achtervolgers tegen. Ewa sputtert, maar heeft geen keus. Ze krijgt echter nog een uitweg. Men verwijdert haar angstemotie en verkoopt haar door aan het bedrijf Wreck, officieel een opruimbedrijf, maar eigenlijk een gestrand voertuig ('engelenschip') waarin uiterst krachtige energiesterren in vervoerd werden en die zijn nu zoek. De baas van Wrech, ingenieur Gun, tracht die sterren terug te krijgen en heeft daartoe een wonderlijk gezelschap verzameld. Samen met Ortiz, een wat duistere jongen met goudbruine ogen, en haar geliefde hond Mazzie (die ze van 'thuis', Arnhem, heeft opgehaald) moet ze op pad. Ze worden belaagd door allerlei organisaties: PUT (Purification Taskforces, die ontspoorde jongeren vangen om ze te hersenspoelen of te doden), ARK, de organisatie die Wreck er ooit op uitstuurde, en diverse andere organisaties en groepen. Als ze bijna alle sterren hebben, keren ze terug naar Wreck, maar dat blijkt gevonden en geplunderd en bijna iedereen is dood, ook Gun. Ze vertrekken met een door Ortiz in elkaar gezet vliegtuigje en proberen een oord te vinden waar ze hun sterren veilig kunnen afleveren. Nu worden ze nog meer belaagd, o.a. door Ewa's eigen familie, en ze raken elkaar ook kwijt. Op het laatst lijkt dat afleveren bijna te lukken. Bijna... Uiteindelijk blijkt de verstekelinge Foxy, die ze uit een Alpenstaatje hebben overgehouden, een bloedmooi meisje met vossenoortjes en vossenstaart, toch een verraderlijke rol te spelen.

En dit alles (ik heb heel veel verwikkelingen weggelaten!) speelt zich af in een wereld waarin staten nog maar weinig macht hebben, waarin Europa grotendeels overstroomd is (veel mensen hebben zich teruggetrokken in de 'Alpenstaatjes'), waarin herinneringen en emoties gelezen en gekocht kunnen worden, en waarin wat nu virtuele werkelijkheid (virtual reality) heet dusdanig is doorontwikkeld dat je soms niet weet wat echt of virtueel is en waarin hologrammen ('holo's') tussen echte mensen in lopen en nog veel meer wonderlijks.

Wie dit verhaal gaat lezen, kan het best een blaadje aantekeningen maken en lijntjes trekken. Wie is wat, welke organisaties zijn er, hoe zijn de verbanden. De kans is anders groot dat je onherroepelijk de weg kwijt raakt en veel moet gaan bladeren.

Nog iets over de omslagillustratie. Dat is een foto van Dmitry Laudin (zie ook hier, hier en hier), en ik herinner me een ander boek, van een Israëlische auteur, dat zo'n soort foto op de voorkant had. Ik heb zonder resultaat gezocht (o.a. met Google beeldzoeken) naar titel en auteur en meen me te herinneren dat de hoofdpersoon een ongeveer veertienjarig meisje was, dat een bepaalde levensfase doorliep. Als me de titel ooit te binnen schiet (of me gemeld wordt), vermeld ik die alsnog.



Hoving, Isabel. De een na laatste dood van het meisje Capone. Querido, 2015. ISBN 978 90 4511833 8. 518 p.




zaterdag 9 april 2016

Namita gaat haar eigen weg

Meestal vraag ik zelf de boeken aan die ik wil bespreken.
Gelukkig maar, zo word ik niet bedolven onder ongevraagd toegestuurde boeken, zoals toen ik voor NRC Handelsblad recenseerde, lang geleden (1981-1982).
Sommige uitgeverijen bleven zelfs nog boeken sturen lang nadat ik middels een net briefje had laten weten niet langer recensent voor die krant te zijn. Maar ja, dat was in de tijd dat de welvaart almaar leek uit te dijen.

Daardoor blijft op dit blog veel onbesproken en dat is maar goed ook, want ik wou er geen dagtaak van maken. Wie recensies van jeugdliteratuur wil vergelijken, bijvoorbeeld op zoek naar een lijstje titels rond een thema, raadplege Jaap Leest, Leesplein, Kjoek, Leesfeest e.v.a., zie ook hier. Nog beter is misschien om een bezoek te brengen aan een grote bibliotheek of een kinderboekwinkel.

Soms belt een uitgever op, een tijd geleden bijvoorbeeld Maaike Sigar van Middernacht Pers. Of ik Namita zoekt haar plek wou bespreken. Ik zei ja, want ik herinner me van deze kleine uitgeverij bijzondere prentenboeken.
Ik ontving en las het boek - en legde het weg. Want tja, wat zou ik hierover schrijven? Als je zo nadrukkelijk een boek onder de aandacht krijgt geschoven, is het net alsof je een cadeautje afkraakt als je niet helemaal enthousiast bent.
Goed, toch maar een recensie, want dat heb ik beloofd.

Namita zoekt haar plek van Mar Pavón & Maria Giron is een lief prentenboek, met een goede bedoeling en dito boodschap. Het is, blijkt op de colofonpagina, 'voor alle meisjes in de wereld die op een plek wonen waar ze onderdrukt worden en die een leven leiden dat niet voor hen bestemd is'.
Oef.
Ik ga me meteen afvragen of ik wel een leven leid dat voor mij bestemd is. Is zo'n leven dan voor een ander bestemd? Worden er levens geleid die voor niemand bestemd zijn? Wie regelt dan eigenlijk die bestemmingen?
En zijn er nog andere meisjes dan de 'meisjes in de wereld'?
Ik ga me dus ook meteen afvragen wat er stond in de oorspronkelijke versie, want dit boek is vertaald (door Marjolijn Geluk en Otje Keizer), uit welke taal staat er niet in maar na wat zoekwerk blijkt dat (waarschijnlijk) Catalaans of (misschien) Spaans.
De tekst in het Catalaans luidt: 'A totes les nenes sotmeses, que ocupen llocs imposats i viuen cestins aliens'. Nou is mijn Catalaans niet sterk, maar in het Italiaans is een cestino een mand, dus tenzij er een zetfout in die Catalaanse uitgave is geslopen en er destín of destí had moeten staan (bestemming) stond er iets anders dan in de Nederlandse vertaling. De Spaanse tekst luidt: 'A todas las niñas sometidas, que viven destinos ajenos', en dat bevestigt e.e.a.
Dan nog: een vreemde (of oneigenlijke) bestemming is iets anders dan een bestemming die niet voor jou of mij is. En terecht stond er in het origineel niet alle 'meisjes in de wereld' maar gewoon totes les nenes dan wel todas las niñas, alle meisjes.

Namita woont met haar hele familie in één huis.
Ze zoekt haar eigen plek.

Die eigen plek blijkt dan weer de slaapkamer waar ze bedden moet opmaken, dan weer de keuken, waar ze eten moet klaarmaken, dan weer bij haar broertjes en zusjes, waar ze op moet passen, dan moet ze weer boodschappen doen, ze wordt voor van alles ingeschakeld, en opa stuurt haar naar school. Namita blij, maar ze moet de 'klassen schoonmaken'. Dat doet ze ook, en daar vindt ze een boek.
Thuis is de hele familie present




 en Namita 'zoekt nog steeds haar plek'. Die is bij neef Anno, want ze moet met hem trouwen. 'Wees dankbaar, want dan hoef je de school niet meer schoon te maken.'
Namita luistert nu niet en op een dubbelpaginaplaat zien we haar op een boomtak zitten, met een boek. De boom staat in bloei.
Op de volgende bladzijde 'zoekt ze nog altijd haar plek'.
Ze hoort een stemmetje dat zegt: 'Jouw plek is hier op school.'

'Moet ik blijven schoonmaken?'
'Ja. Maar hier zul je ook vleugels krijgen om te kunnen gaan waarheen je wil.'

De dubbelpagina-afbeelding toont rechts een stapel boeken met een vogeltje erop. De boodschap van het verhaal is dan allang duidelijk. Namita 'gaat haar eigen weg', dankzij de boeken.



Ja, dat is natuurlijk een hele sympathieke boodschap en niet voor niets werd dit boek vorig jaar uitgebracht ter gelegenheid van de jaarlijkse Dag van de Rechten van het Kind (20 november). Wie op school eens aandacht wil besteden aan die rechten kan dit prentenboek goed als kapstop gebruiken. Artistiek-literair misschien geen topper, maar zeker niet verkeerd. Aanschaffen dus, voor die schoolbibliotheek.



Pavón, Mar, & Maria Girón. Namita zoekt haar plek. Middernacht Pers, 2015. ISBN 978 90 72259 81 3. Oorspr.: Un lloc per a la Rula. Spaanse uitgave: Rula busca su lugar, Tramontana, 2015.

maandag 4 april 2016

Onze taal z'n eigenaardigheden

Gaston Dorren is een journalist die zich toelegt op taal. Hij houdt een blog bij, publiceert artikelen, bijvoorbeeld in Onze taal, en publiceert van tijd tot tijd een boek. Een daarvan, Taaltoerisme, heb ik 2013 besproken. Een recente uitgave, Vakantie in eigen taal, lag lang op mijn nachtkastje en bijna iedere avond las ik enkele stukjes.
Het is de beste manier om dit boek te lezen. Niet dat je ervan in slaap valt, maar het is geen boek om in één adem uit te lezen.
Stukje voor stukje belicht hij een facet van het Nederlands (inclusief dialecten) waarvan hij hoopt dat de lezer er nog nooit bij had stilgestaan. En dat klopt wat mij betreft grotendeels.
Hoe je van jeu de la poule bij carpoolen komt, waar bek af vandaan komt, of de kerk een hij of een zij (of een het of een die) is, of 'mijn ex stuurde me een bericht dat ze was verloofd' correct is, over de uitspraak (uitspraken) van pallet, palet en pellet, de afstanden van dialecten tot het 'Algemeen Nederlands', de grammatica van gebarentaal, het verschil tussen af in afwerken en afvoeren en zulke zaken. (A propos, afmaken en afmaken, afbouwen en afbouwen: zoek de verschillen.)
Amusante weetjes, die soms een nieuw licht werpen op onze en andere talen.

De stukjes zijn verdeeld in groepen: 'Schrijven en lezen', 'Woorden', 'Spraakkunst', 'Klanken', 'Meer dan Nederlands' (dat relatief vaak over Limburgs gaat, moedertaal van de auteur) en 'Toegiften'. En zelfs een bescheiden kleurenkatern, met o.a. dit kaartje, met excuses voor de rechterzijde (hoewel een pocket is het stevig gebonden):



Het zou wat mij betreft zonder de namen een voorstel voor een nieuwe Europese vlag mogen worden. Mooi kleurig. En misschien gespiegeld, dus zoiets:




Dorren, Gaston. Vakantie in eigen taal; wat er mooi, gek en fout is aan ons Nederlands. Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2016. ISBN 978 90 253 0267 2.

                                                          

vrijdag 1 april 2016

Bibliotheek op school helpt

Het is zeer te begrijpen dat de redactie van Lezen en Stichting Lezen blij waren met het onderzoek door Adriana Bus en (vooral) Thijs Nielen naar wat basisschoolleerlingen van lezen vinden en naar de effecten van een goede bibliotheek op school. Thijs Nielen promoveerde ermee op 26 januari dit jaar. Van de dissertatie, Aliteracy: Causes and Solutions, is een verkorte Nederlandse uitgave verschenen: Onwillige lezers: onderzoek naar redenen en oplossingen (Eburon). Voor liefhebbers van schermlezen is het gratis te lezen of te downloaden bij Stichting Lezen. Misschien kom ik er nog toe om het te bespreken.
Overigens is het proefschrift ook online beschikbaar.

Blij dus, want, zo blijkt uit een artikel door Eva Gerrits in Lezen 2016-1, een 'ruime, actuele, aantrekkelijk gepresenteerde boekencollectie' helpt kinderen over hun 'leesangst' heen.
Onder leesangst verstaan de onderzoekers, als ik het goed begrijp, weerzin tegen lezen. Dat is oud nieuws: als je moeite met lezen hebt, ontwikkel je een afkeer van lezen, ga je dus minder lezen, en daardoor wordt het lezen steeds moeilijker. Het echte nieuws is dus dat het helpt om zulke kinderen te begeleiden, en daarvoor heb je goede boeken nodig. Bibliotheek op school is een van de meest succesvolle projecten tot nu toe.

Wie weet is het effect niet direct meetbaar, maar wel merkbaar. Gerlien van Dalen, directeur Stichting Lezen, verwelkomt dat het Platform Onderwijs 2032 naast meetbaar als toetsuitkomst ook merkbaar toelaat. Maar ja, hoe meet je merkbaar... Die vraag stelt ze niet.




Verder in dit nummer veel nieuwtjes en interviews, en o.a. ook aandacht voor de verjaardag van Tom Poes. Die werd namelijk op 16 maart 75 jaar. Zijn verjaardag werd op 20 maart gevierd in het Muiderslot. Ik gun het de Toonder-adepten van harte, maar Tom Poes was natuurlijk niets zonder Olivier B. Bommel. Die verscheen 12 juli 1941 op het toneel.

In het vorige nummer van Lezen, 2015-4, stond overigens een mooi interviewtje met Ted van Lieshout. En Ted zou Ted niet zijn als-ie het niet integraal op zijn blog had gezet. Zie hier en blader naar 21 december 2015.

dinsdag 29 maart 2016

Achter de schermen van het Jeugdjournaal

Het lijkt zo voorbij, zo'n dagelijkse uitzending van het Jeugdjournaal, en net als bij overige nieuwsuitzendingen gaan er uren voorbereiding aan vooraf, een soms helse planning op de seconde af, en moeten de medewerkers nonstop alert blijven.
Daar zit een boekje in, dacht men bij Kluitman, of bedacht auteur Jan Paul Schutten, en dat kwam er: Achter de schermen bij het NOS Jeugdjournaal, met illustraties van Katrien Holland.


De grimeur aan het werk.

Het is opgezet als een verslag van één dag en had dan ook 'Een dag bij het jeugdjournaal' kunnen heten. Van 5.53 tot 18.38 ('tien minuten voor live'), met nog een soort nawoord, 'Een dag aan het werk voor zeshonderd seconden', en tussendoor interviewtjes met presentatoren, waarin, leuk gedaan, ook gevraagd wordt naar hun grootste blunders. Ook zijn er kadertjes met extra informatie.
Zo wordt op p. 79 vermeld dat het Jeugdjournaal 'in 2016 wordt gepresenteerd door Joris, Nick, Siham, Lysette, Tamara, Robbie en Welmoed'. Wees gerust, ze krijgen hun achternamen elders in het boek. Maar het boek oogt op deze pagina al in 2017 verouderd...
Ook staat er op p. 84, na het kopje 'Gruwelijke beelden', dat 'de gruwelijkste nieuwsonderwerpen' 'nooit in de journaals ziet'. 'En zeker niet in het Jeugdjournaal.' Dat laatste mag dan waar zijn, over het eerste valt te discussiëren... Maar dit zijn details in een onberispelijk boek.
Het staat er niet op, maar het lijkt bedoeld om lezers van 9 en ouder wat inzicht te geven over hoe het Jeugdjournaal wordt gemaakt - en daarin is het geheel geslaagd. Een aanrader voor iedere schoolbibliotheek, en voor alle nieuwsgierige Jeugdjournaalkijkers.


Schutten, Jan Paul. Achter de schermen bij het NOS Jeugdjournaal. Met illustraties van Katrien Holland. Kluitman, 2016. ISBN 978 90 206 7362 3.




dinsdag 22 maart 2016

'Proberen om de best mogelijke boeken te maken'

Ted van Lieshout wordt van diverse kanten belicht, zeg maar in het zonnetje gezet, in Literatuur zonder leeftijd 98 (winter 2015), ter gelegenheid van zijn 60e verjaardag (21-12).
Bijdragen van Pjotr van Lenteren ('Dertien keer Ted'), Jan van Coillie ('een biografie van de dichter Ted van Lieshout'), Tiny la Roi ('Een onvergetelijke liefde, het "grote verhaal" van Ted van Lieshout', uiteraard vooral over Mijn meneer), Vanessa Joosen ('De verrassende omgang met sprookjes en ouderdom in Driedelig paard), Aidan Chambers ('Particells of Ted'), Karel Eyman (een briefje over vroeger, met een rake typering aan het eind), Joke Linders (bespreekt Gebr.), Philip Hopman ('Hoe ik Ted leerde kennen'), Jacques Dohmen ('Ted van Lieshout als Mensch', en als staalborstel met troostend vilt), Selma Niewold ('Doodgaan doe je niet expres', gedichten onder de loep)
Liselotte Dessauvagie belicht 'Ted van Lieshout als bevlogen leesbevorderaar', Rolf Erdorf komt als vertaler aan het woord, Sander Bax belicht nog meer gedichten, Kris Nauwelaerts geeft commentaar op Ted van Lieshout als illustrator, Linda van Scherrenberg interviewde oud-uitgeefster Henny Bodenkamp over haar ervaringen met Ted,  Dolf Verroen biedt nog enige herinneringen, Jan Kok idem, aan Ted als auteur voor Sesamstraat,

En dan komt Ted van Lieshout zelf óók nog aan het woord, tussen deze bijdragen door. Zijn complete Mosse-lezing 2012 staat erin. Met 'Vitus in het bad' presenteert hij een onuitgegeven verhaal op rijm, dat een Gouden Boekje had kunnen worden. Te erg, vond de uitgever. Vier als het ware uit het leven gegrepen columns over 'Twee heren', gepresenteerd als vier interviews van iemand met hem. Het eerste gaat over het schrijven van boeken en daaruit is de kop boven dit bericht getild. En tussen p. 156 en 157 nog een ongepagineerd reeksje fijne tekeningen.




Nou, als verjaardagscadeau misstaat dit kloeke nummer (236 p.) absoluut niet! Daarvoor verdient de redactie een groot compliment.
Er kwam ook veel herkenbaars langs. Eigenlijk zou ik het Ted van Lieshout nog eens gunnen om een Ted-lezing te mogen houden, over het maken van het beste boek.

Hoe deze verjaardagspocket te lezen? Een goede tip lijkt me om te beginnen met de bijdragen van Ted zelf en daarvan dan weer allereerst 'Vitus in bad' en de vier columns. Vervolgens die van Aidan Chambers, Jacques Dohmen en Pjotr van Lenteren. Daarna Karel Eykman en Philip Hopman. Daarna de rest.
Er zit nogal wat machtige kost tussen die rest, maar uiteraard staat het de lezer geheel vrij om naar zijn of haar zin al te lang uitgesponnen analyses voor later te bewaren.

Literatuur zonder leeftijd wordt uitgegeven door IBBY Nederland. Een abonnement kost instellingen € 45,-, particulieren € 32,- en studenten € 24,25 (bewijs van inschrijving meesturen; moet elk jaar vernieuwd worden). Abonnementen gaan in per volledig kalenderjaar, reeds verschenen nummers worden toegezonden.
Nieuwe abonnees ontvangen als welkomstgeschenk het boek An elephant came by, een boek met ruim 100 illustraties uit prentenboeken van 24 bekende Nederlandse kinderboek-illustratoren.
Men kan zich als abonnee aanmelden via het secretariaat: IBBY-Nederland@planet.nl.
Een los nummer (zoals dit) kost € 19,95.





zondag 20 maart 2016

België!

La revue des livres pour enfants is een Frans tijdschrift over jeugdliteratuur, uitgegeven door La joie par les livres, dat ressorteert onder de Bibliothèque Nationale de France.
Niet alle afleveringen van La revue des livres pour enfants bespreek ik. Alleen de jaarlijkse selecties, zoals die van 2015, en soms een nummer met een dossier dat me het bespreken waard lijkt, zoals dit, over jeugdliteratuur in Brazilië. Onder dossier verstaat het tijdschrift een vijf- tot zevental degelijke artikelen over één onderwerp. Voor het overige bestaat het uit besprekingen, nieuws en een enkel interview of artikel over een ander onderwerp, buiten het dossier.

In 2003 was er een aflevering (nr. 209) met de Vlaamse en Nederlandse jeugdliteratuur als thema.
Ik hield toen nog geen blog bij, dus is er hier geen bespreking te vinden.
Dat is maar goed ook, want het is lastig om je eigen teksten te bespreken en ik schreef voor deze aflevering een 'ABC pratique sur la littérature enfantine aux Pays-Bas'. Toin Duijx schreef een reeks auteursportretten en er waren bijdragen van Vanessa Joosen en Eva Devos.

In 2008 was er een aflevering met als onderwerp de lezingen gehouden tijdens een congres over 'Rencontres Européennes' (Europese ontmoetingen), een eenmalige poging van La joie par les livres, documentatiecentrum voor Franse jeugdliteratuur, om verbindingen te leggen in Europees perspectief. (Maar zie ook hier en hier.)
Ik hield toen nog steeds geen blog bij, dus ook van deze aflevering is hier geen bespreking te vinden.
Ik leverde een bijdrage over het beeld van Europa en de Europeeërs in de Nederlandse jeugdliteratuur, en Jacques Dohmen, toen nog net befaamd redacteur bij Querido, gaf een exposé over uitgeven van kinderboeken in Nederland. Het was een mooi dossier, met aandacht voor veel hoeken en gaten in Europa, van Roemenië tot Scandinavië - maar zonder België.

En dan nu: België!





Welke talen spreken ze eigenlijk in dat land? Waals, Frans, Vlaams, Nederlands, Duits... vertaalster Emmanuèle Sandron geeft een verstandig antwoord op die vraag. Nederlands, Frans en Duits. Maar het Belgische Frans wijkt wel af van het Franse Frans, al is het verschil niet zo groot als tussen Frans Frans en Canadees Frans (Quebec).

Maar, vraagt interviewer Marie Lallouet, 'le néerlandais de Belgique est-il très different du néerlandais des Pays-Bas'?
'Á l'oral, oui, à l'écrit, moins', antwoordt Emmannèle Sandron. Gesproken wel, geschreven minder. En zo is het maar net. Het is wel, zo benadrukt ze, één taal, ondanks verschillen in uitspraak en vocabulaire. Ze illustreert het met een anecdote over Joke van Leeuwen, wier werk ze momenteel vertaalt. Joke van Leeuwen is Nederlands, maar groeide op in Brussel, waar ze op school aanvankelijk niets begreep, ook al was het officieel haar eigen taal. Dat ze op een dag vroeg of ze naar de wc mocht, waarop de docent zei: 'Je kan gaan, maar zonder lopen.' (Sandron: 'tu peux y aller, mais sans marcher', mijn vertaling.) Tja, onder lopen verstonden ze toen in Brussel rennen (courir)... Maar als je dat niet weet, hoe moet je dan naar de wc...?
Over al die taalverschillen, ook tussen Waals en Frans, heeft ze wel het mooie commentaar: 'Maintenant que j'ai dit ça, on efface tout, car chaque auteur est un univers.' Vrij vertaald: dat heb ik nu wel gezegd, maar vergeet het weer, want iedere auteur is een universum.

Die taalkwestie, en de vraag wat typisch Belgisch is, wordt ook uitgewerkt door Jean-Michel Leclerq in 'Le grand mystère belge...' Veel zuilen, al begint dat nu wat te slijten, en verdeeld tot op de vierkante meter, en de 'fameux "consensus à la belge"'.
Tanguy Habrand belicht de specifieke moeilijkheden voor uitgevers tussen twee beknellende buren: 'Des voisins encombrants; l'édition belge entre France et Pays-Bas'. Maar dat het niet alleen kommer en kwel is, toont Michel Defourny in 'Que serions-nous sans la Belgique', waarin hij wijst op het vele illustratieve talent uit België. En als om dat nog eens te benadrukken is er een interview door Nathalie Beau met Carll Cneut (zie ook hier), een van de beste illustratoren uit Vlaanderen.

Er zijn ook nog interviews met auteur Thomas Lavachery en de uitgevers Christiane Germain en Marita Vermeulen ('Welkom in Vlaanderen!' staat er boven dit verder uiteraard Franstalige interview), er is nog een artikel over de Prix Bernard Versele, een 'Belgeoscope: quarante-sept auteurs belges à suivre' (Belgoscoop, zeveneenveertig auteurs om te volgen, op alfabet, Nederlands- en Franstalig door elkaar) en een 'Petit répertoire des éditeurs belges', dertien uitgeverijen getypeerd. 

Al met al dus een mooi stevig dossier over jeugdliteratuur in België.
Maar ja, lieve taalgenoten, wél in het Frans...

NB. La joie par les livres mag zich graag presenteren als hét documentatiecentrum voor de Franstalige jeugdliteratuur. Maar onderschat niet wat het Institut suisse Jeunesse et Médias allemaal in huis heeft. In Ricochet-jeunes is enorm veel documentatie te vinden, met bijvoorbeeld info over zo ongeveer alle auteurs en illustratoren van Franstalige kinderboeken, ook van auteurs van wie ooit werk in het Frans is vertaald, zoals bijvoorbeeld Harrie Geelen, Guus Kuijer en Bart Moeyaert. Een ricochet, overigens, is het stuiteren van een voorwerp op een oppervlak, bijvoorbeeld een steentje op het water.

NB2. Middels diverse facebook-achtige berichten kwam ik er achter dat er op 21 maart ook nog een studiedag plaatsvond in de Bibliothèque Nationale de France, getiteld 'Ceci n'est pas de la littérature de jeunesse belge', met onder meer een inleiding door Wally de Doncker en diverse bijdragen door Eva Devos. Voilà twee Vlamingen die het Frans kennelijk nog voldoende beheersen. (Dat schijnt namelijk achteruit te gaan - en dat in één land.)




vrijdag 18 maart 2016

Meer lol met poëzie op school

Op vrijdagmiddag 11 maart vond in de Koninklijke Bibliotheek een studiemiddag plaats van IBBY Nederland. (Zie ook Over IBBY.)
Het programma maakte me nieuwsgierig, met name naar de lezing door Annette de Bruijn, dus ik toog er heen. Helaas kon ik niet de hele middag bijwonen, wegens een afspraak die avond, dus ik miste één lezing en helaas ook de uitreiking (door Miep Diekmann!) van de Miep Diekmann Prijs ofwel Miep Diekmann Thesis prijs. (In het persbericht kwamen beide benamingen voor.) Blij dat ik Miep Diekmann net voor vertrek nog de hand kon schudden. Ze is slecht ter been en werd begeleid door Liesbeth ten Houten (ex-uitgever Leopold en o.a. nog actief in de Stichting Max Velthuijs), maar verder nog helder aanwezig als immer.

Zo'n studiemiddag van IBBY Nederland wordt doorgaans in academisch kader gegoten. De lezingen worden gebracht als wetenschappelijke verhandelingen, met een referent die na afloop wat kritische vragen stelt. Overigens mag het publiek ook vragen stellen. Zie het programma:



De lezingen van Janneke van der Veer en Annette de Bruijn waren omgewisseld, zodat ik die van Janneke van der Veer heb gemist. Ik vertrouw erop dat ik lezingen en juryrapport t.z.t. aantref in Literatuur zonder leeftijd.

Om die reden laat ik hier de lezingen van Margreet van Wijk-Sluyterman en Sara Van den Bossche onbesproken. Ze waren interessant voor wie zich bezighoudt met respectievelijk de geschiedenis van de jeugdliteratuur en canonvorming.

Annette de Bruijn verraste me met een vertoog over nonsenspoëzie in het basisonderwijs en een helder pleidooi om daar meer mee te doen. Ze verzamelde deze kennis in het kader van het Leeskalenderproject. Dat was 'onderdeel van het onderzoeksprogramma Emergent Cultural Literacy: Assimilating Children’s Literature dat gefinancierd is door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)', en Annette de Bruijn deed daarin het subproject Children's Poetry. Ze promoveerde op 21 december 2015 tot doctor aan de Universiteit Maastricht met haar proefschrift Zin in poëzie, dat (o.a.?) lovend door Leonie Cornips werd besproken in Neder-L. Tja, en wat het vervolg betreft, verkeert ze in een stadium dat ze weergaf als 'Wat nu?'.

Annette de Bruijn gaf smakelijke details over de positieve impuls die het aanbieden van en werken met nonsensikale poëzie in het basisonderwijs gaf.
Die impuls is zo positief dat ze een warm pleidooi hield voor dit soort poëzie op school, als welkome aanvulling op het gangbare repertoire (als dat er al is) en op een leeservaring die een 'schoolse attitude' vooronderstelt (stilzitten en ernstig luisteren). Daarmee doemt ook een probleem op: het plezier dat kinderen ontlenen aan zulke poëzie staat min of meer haaks op wat op school getoetst wordt, zoals bijvoorbeeld (ik citeer Cornips) 'meten of kinderen een beter begrip van en kennis krijgen over poëzie'. Het is dus zaak om er achter te komen wat er wél aan talig vermogen wordt bijgebracht.

Zo'n pleidooi kan niet genoeg ondersteund worden.

maandag 14 maart 2016

Bibi's hemel

Een prachtig kleinood is het, Siens hemel van Bibi Dumon Tak en Annemarie van Haeringen.

Je hebt het zo uit. Ruim 730 woorden, 28 kleine bladzijden inclusief de schutbladen (die doen mee in het verhaal). Sien gaat dood (al in de eerste 33 woorden) en wordt begraven. Er is een vermoeden van een dubbele aanwezigheid: in de grond en in de hemel. Eén pagina, het colofon, doet niet mee aan het verhaal, maar vermeldt wel dat 'deze uitgave mede tot stand is gekomen met productiesteun van het Nederland Letterenfonds'. De titelpagina doet wel mee - en geeft naar mijn idee met de illustratie iets te veel weg.
Wie het boekje snel leest en dan weglegt, doet zichzelf en het boekje te kort.

Allereerst: wie is Sien? Een kat, dacht ik toen de voorkant op een afbeelding snel voorbijkwam, maar ik vergiste me: hond. Sien kijkt ons voorop het boek aan, op de achterkant keert ze ons de rug toe.

  


Ik vind dat mooi. Nog vóór ik de flaptekst heb gelezen en het boekje opensla, begrijp ik door de titel dat hier afscheid wordt genomen.

En wie het boekje openslaat, ziet dit:




Een donkere wolk tegen een witte achtergrond, aankondiging van zwaar weer.
Dat klopt, want nu lees ik na het omslaan van de bladzijde (en snel overslaan van de colofon- en  titelpagina) die eerste 33 woorden (tevens gebruikt als flaptekst):

Er stonden zwarte wolken aan de hemel toen Sien vertrok.
De lucht rommelde.
De regen trommelde.
Maar wij hoorden alleen hoe Siens laatste, allerlaatste adem over de rand van de mand heen woei.

Dat is prachtig poëtisch proza. Er is een tekening bij van een hond, Sien dus, die met haar kop over de rand van de mand hangt. In witte lijnen, op dezelfde zwarte achtergrond als de tekst. Helemaal zwart, die achtergrond, op een kleine paarse hoek na rechtsonder, ongeveer waar de meeste mensen een bladzijde omslaan.

Sla de pagina om, en je ziet dit:



Voor wie het niet kan lezen:

We lieten haar los, liepen naar het raam en gooiden het open.
We vingen de regen op in ons gezicht.
Heel even schoven de wolken uit elkaar, alsof ze Sien erdoor lieten, rechtstreeks de hemel in.

Voel de emotie die in deze woorden ligt. 'We lieten haar los.' (Dus hadden we haar vast...) Regen als tranen. Zie de hoop, geënt op een oud verhaal, dat vertelt dat onze zielen naar de hemel gaan en dat die prettige plek boven de wolken ligt. Voor het verhaal krijgt Sien hier ook zo'n ziel.
Zie hoe fraai dat in beeld is weergegeven. Dat oplichtende stukje blauw, herhaald in de rechter hoek.

Ik ga de volgende pagina's niet tonen. Die hoek rechtsonder wordt steeds groter en breidt zich uit over de bladzijden, met wisselende kleuren. Het zwart krijgt daardoor omtrekken - van Sien! Er verschijnen ineens ook allerlei tekeningetjes om dat zwart, van voorwerpen die, zo valt niet moeilijk te raden, met Sien te maken hebben, en ten slotte verschijnt ook Sien zelf spartelend en spelend rond haar eigen vorm. Geweldig gedaan!

Intussen komt in de tekst, na de getoonde bladzijden, Klein Broertje op het toneel. 'En nu?'
'We' pakken een deken, leggen Sien erop, brengen haar naar buiten, graven een gat en leggen haar daarin. Klein Broertje doet er nog een bal bij.

'Voor als ze daar wil spelen.'
Hij wees naar de hemel, waar de regen nog altijd uit viel alsof er nooit zon had bestaan.

Het blijft maar regenen. Klein Broertje wil weten of het boven de wolken ook regent. Nee, daar is het droog, antwoorden we. En waarom hij dat vraagt?

'Omdat', zei Klein Broertje, 'Sien anders dubbel nat zou worden: in de aarde én in de hemel daarboven.'

Klein Broertje heeft daarna nog veel meer vragen en we troosten hem en leggen hem tussen ons in te slapen.
De volgende morgen schijnt de zon. 'We' gaan naar buiten. Klein Broertje denkt geblaf te horen. En daarop komt een alleszins troostend, sprookjesachtig vervolg, want 'we' deden net alsof we luisterden, voor Klein Broertje, maar toen we naar boven keken,

hoorden wij het ook. Echt.

We hoorden geblaf.

Het kwam rechtstreeks vanuit de heldere, blauwe hemel.

En nee, daarmee is het verhaal nog niet af, want zie de allerlaatste schutbladen (na een andere mooie dubbelpagina-afbeelding die ik hier niet toon):




De wolk is nu hoopgevend licht, tegen de donkere achtergrond van verdriet.
Wie 'we' zijn, blijft wijs in het midden. 'We' kunnen iedereen zijn, ook ik, en alle lezers en voorlezers. Het helpt als er net een hond is gestorven, dichtbij, maar ook zonder zo'n voorval zal een goede voorlezer diepe indruk kunnen maken op een jonge luisteraar en kijker. Je hoeft echter niet jong te zijn om van dit boekje te genieten!

En die hemel? Ach, er zijn altijd wel ongelovigen die wat zullen sputteren. Ik vind, ook al ben ik niet zo opgevoed met dat oude verhaal, Bibi's hemel hier volkomen passen. Het is háár hemel, meer dan die van Sien, en ik vermoed dat er meer honden zijn die een plaatsje mogen krijgen in die hemel.

Ik schreef het al: een prachtig kleinood.

Dumon Tak, Bibi, & Annemarie van Haeringen. Siens hemel. Querido, 2016. ISBN 978 90 451 1905 2.









woensdag 9 maart 2016

Karel Appel uit de Dapperstraat

Het Gemeentemuseum Den Haag en uitgeverij Leopold hebben in 2010 het lovenswaardig idee gehad om een reeks kunstkinderboeken te maken, steeds naar aanleiding van een tentoonstelling in het museum. Er zijn er inmiddels al meer dan tien:

Allemaal aan tafel! van Rindert Kromhout en Margriet Heymans
Holland op z'n mooist van Charlotte Dematons
Puzemuze of op weg naar Rothko van Wim Hofman
Coco of het kleine zwarte jurkje van Annemarie van Haeringen. Dit boek werd bekroond met een Zilveren Penseel 2014
Edith en Egon Schiele van Harriët van Reek
Een zondag met Caillebotte van Ingrid Godon en Toon Tellegen
Delfts blauw - Een vaas voor de prinses van Ingrid en Dieter Schubert
Calder - De draad van Alexander van Sieb Posthuma
Nacht in het poppenhuis van Thé Tjong-Khing en Anna Woltz
Ensor - De grote maskerade van Marije Tolman
Keepvogel en Kijkvogel - In het spoor van Mondriaan van Wouter van Reek. Dit boek werd bekroond met een Zilveren Griffel 2012, de internationale illustratieprijs De Gouden Appel en een Vlag & Wimpel.
De koningin die niet kon kiezen van Annemarie van Haeringen (Herdruk van bestaand boek)
Meneer Kandinsky was een schilder van Daan Remmerts de Vries. Dit boek werd bekroond met een Zilveren Griffel 2011.

Onlangs verscheen Karel Appel uit de kapperszaak in de Dapperstraat van Imme Dros en Harrie Geelen, en dat is niet eens het allerlaatste, want nog recenter verscheen ook Jan Toorop – Het lied van de tijd van Kitty Crowther, bij de tentoonstelling rond Jan Toorop (t/m 29 mei).

De tentoonstelling Karel Appel (t/m 16 mei) was aanleiding voor het fraaie prentenboek dat de het stel doorwrochte kunstenaars Imme Dros en Harrie Geelen maakte.



Dit boek mikt op jonge kinderen.De tekst bestaat uit 20 vierregelige versjes en beschrijft chronologisch het leven van de schilder Karel Appel. Diens vader had een kapperszaak in de Dapperstraat te Amsterdam en eigenlijk zou Karel dus ook kapper moeten worden. Hij doet in ieder geval het een en ander in de zaak:

De kleine Kareltje veegt het haar
voor pappa Jan Appel bij elkaar.
Hij schikt de kleuren zo op de grond
dat er een kat ligt, een muis of een hond.

Schilderen leert hij van zijn oom, en ondanks schrik en wijze raad (doe het niet) van pa en moe besluit Karel om geen kapper te worden.




Volgt de loopbaan van berooide tot schatrijk en wereldberoemd kunstenaar.
Het moet gezegd, zonder de prenten van Harrie Geelen was dit levensverhaal in 80 regeltjes aardig, maar niet meer dan dat. Het zijn de prenten die het een mooi en boeiend boek maken. Een knappe prestatie om afbeeldingen te maken die onmiskenbaar Geelen én Appel zijn! (En dat er enige verwantschap was, valt met dit boek ook wel aan te tonen.)

Dros, Imme, en Harrie Geelen. Karel Appel uit de kapperszaak in de Dapperstraat. Gemeentemuseum Den Haag / Leopold, 2016. ISBN 978 90 258 6870 3.