Zoeken in deze blog

vrijdag 25 maart 2022

Waanzinnig

Zoals er de bekende, bijna clichématige vraag is voor welk probleem een bepaald verschijnsel een oplossing zou moeten zijn, zo stel ik me bij de beoordeling van een boek, en dan vooral een documentair boek, de vraag op welke vraag of vragen dat boek een antwoord geeft.

Als het om fictie, drama of poëzie gaat, is dat een lastige benadering. De vraag, de drang om te gaan schrijven, kwam vaak van de auteur en interessant is vooral of het resultaat iets in ons lezers doet weerklinken, of we het aangenaam en zinnig vinden om dat 'antwoord' tot ons te nemen. Vrij naar Wim de Bie: de zin van het lezen is de zin in het lezen.
Als het om een documentair boek gaat, ligt de vraag wat meer voor de hand. In principe probeert zo'n boek, net als documentaires in andere vorm, een informatieve vraag te beantwoorden. Bij elk boek kan ik als beoordelaar op zoek gaan naar die veronderstelde vraag en nagaan of ik het antwoord adequaat vind.
 
Sommige boeken, vooral reeksen, zijn ook het antwoord op de cynische vraag die aan die hierboven vooraf gaat: hoe kan ik als uitgever mijn omzet vergroten? 
Belangrijke vraag, want om je bedrijf overeind te houden, heb je een minimale omzet en een minimale winst nodig. Je kan niet zomaar besluiten om een jaar slechts twee titels uit te geven, want dan kun je de zaak wel opdoeken. Je plant dus zorgvuldig een zeker aantal titels. Het is makkelijk als je een reeks (andere term: serie) boeken kan plannen, want als de eerste titels goed verkopen, gaat dat met de volgende ook wel.
Je verzint een reeksnaam, pakweg 'Waanzinnig om te weten', en zorgt dat er ieder jaar enkele titels in die reeks verschijnen, met een vast stramien, en soms een vast thema. Het goedkoopst is het om die titels te kopen van andere uitgevers, dat scheelt kosten, vooral als die uitgever een boek in die reeks in één keer in diverse talen kan laten produceren. Op een goede dag meert er dan een schip uit China of zo aan, waaruit de hele stapel boeken aan land wordt gebracht. Inklaren, naar het Centraal Boekhuis laten brengen en verkopen maar.
En voordat je denkt dat ik hier een beetje hooghartig zit te wezen: zo werkte het voor een deel van het fonds ook bij Biblion Uitgeverij, waar ik werkte. Of zulks te betreuren is, hangt vooral af van de boeken.
Die andere uitgevers van hierboven zijn vaak gevestigd in een groter taalgebied dan het onze. Met stip op één: het Angelsaksisch taalgebied. Soort verborgen culturele kolonisering.
 


Dat verkopen gaat niet vanzelf.
Natuurlijk zal geen enkele uitgeverij in de aanbieding vermelden dat behoud van omzet en winst een motief is. Dat is not done, en concullega's, boekhandelaren en recensenten snappen het sowieso wel.
Dus vermeldt bijvoorbeeld Kluitman:

De leukste boeken over van alles en nog wat en nog veel meer!
De wereld om je heen is waanzinnig interessant. En zeker als je de Waanzinnig om te weten-boeken leest. Ze staan vol met bizarre feitjes, rare gewoontes, leuke quizjes en bloederige gebeurtenissen en ze lezen als een trein. Kom alle details te weten die je leraren overslaan (of nog niet wisten!). Er bestaan boeken over de geschiedenis en oude volkeren, over je eigen lichaam en over de natuur. Ook zijn er speciale WOTW-junior boeken, speciaal geschikt voor lezers vanaf 7 jaar. Waarschuwing: voordat je begint met lezen: de WOTW-boeken staan vol vieze feiten en verhalen en gruwelijke gegevens. Alleen geschikt voor lezers met een vaste maag!

Deze tekst vooronderstelt een jonge lezer die de moeite neemt om de website van Kluitman te lezen. Jong, maar wel ouder dan 7 jaar, want voor haar of zijn broertje of zusje van die leeftijd staat er: 'Ook zijn er speciale WOTW-junior boeken, speciaal geschikt voor lezers vanaf 7 jaar.' Tweemaal speciaal!
Die jonge lezer moet ook enigszins sensatiebelust zijn: zie de aanbeveling einde citaat. En houden van viezigheid. of zoals de Wikipedia-pagina over Horrible Science formuleert: 
 
Horrible Science is a similar series of books to Horrible Histories, written by Nick Arnold (with the exception of Evolve or Die, which is written by Phil Gates), illustrated by Tony de Saulles and published in the UK and India by Scholastic. They are designed to get children interested in science by concentrating on the trivial, unusual, gory, or unpleasant. The books are in circulation in 24 countries, and over 4 million books have been sold in the UK alone.

Wellicht bestaan er zulke jonge lezers, want Kluitman brengt deze reeks al enige tijd en weet de boeken kennelijk goed te verkopen, evenals producent Scholastic.

Omdat kleine kriebelbeestjes even in zijn, vanwege de slinkende biodiversiteit, heb ik het deel bekeken dat getooid is met de titel De weerzinwekkende wetenschap over jou en je 100.000 stiekeme huisgenoten, door Nick Arnold (die veel titels in deze reeks schreef) en Tony De Saulles (idem illustraties). Het verscheen 'eerder' (colofon) als Huis vol horror (2012). De titel mag veranderd zijn, de voorkant-illustratie is hetzelfde gebleven.

Het idee dat de veronderstelde jonge lezer zich verrukt gaat wentelen in viezigheid wordt consequent doorgezet, niet in het minst in de cartooneske illustraties.
 



En zie ook de hoofdstuktitels:
 


Of zo'n mooi plaatje als dit:
 
 


En, komt die ietwat op viezigheid verkikkerde, nieuwsgierige lezer aan zijn trekken?
Gedeeltelijk. Met de uitleg is, voor zover ik dat kan beoordelen, niets mis. De cartoons nodigen deze lezer uit om verder te lezen, de bladzijden te blijven omslaan. En aan het eind weet hij of zij dat er talloze heel kleine beestjes over, in en rond ons zijn.
Tussendoor is er ook nog uitleg over bijvoorbeeld de werking van de licht- en elektronenmicroscoop:
 


Wat die jonge lezer dan nog steeds niet weet is hoe al die piepkleine wezens er dan echt uitzien. Het boek bevat geen foto's. En erg overzichtelijk is het ook niet. De 'ijzingwekkende index' achterin bevat allerlei woorden, van allergieën tot zuurstof, maar niet de namen van die beestjes, op bacteriën, eencellige organismen, kakkerlakken, maden, microben, mijten, muggen, muizen, parasieten, slakken, spinnen, virussen, vliegen en vlooien en luizen na, een wat ongelijksoortige opsomming. Als naslagboek is het ongeschikt.
En hoe verlekkerd die jonge lezer ook is, misschien vindt zelfs zij of hij de tekst hier en daar overdreven, zoals op p. 73 onder het quizje 'Huist er een mijtenexpert in jou?

Deze quiz is zo belachelijk makkelijk dat zelfs een mijt hem zou kunnen spelen. Je hoeft alleen maar de akelige antwoorden aan de vreselijke vragen te koppelen.

Maar zo akelig en vreselijk zijn die vragen en antwoorden helemaal niet...
 
 

Arnold, Nick, en Tony De Saulles. De weerzinwekkende wetenschap over jou en je 100.000 stiekeme huisgenoten. Kluitman, 2022. ISBN 978 90 206 0568 6, 80 p. Reeks 'Waanzinnig om te weten'. Eersder verschenen als Horror in huis. Oorspr.: House of Horrors, 2012.


woensdag 23 maart 2022

Sale!

Vandaag (23-3-2022) was het een nog groter genoegen dan anders om de column te lezen van Japke-d. in NRC. Onder de titel 'Ik maak me zorgen om de Dikke Van Dale' foeterde ze over het oprukken van Engelse woorden in het Nederlands, terwijl er zoveel equivalenten in onze moedertaal zijn.

Ik citeer (niet de hele column en zonder de tussenkopjes van de internet-versie):

Zelfs hier, in het inner sanctum van het Nederlands, staat het Engels met z’n modderpoten te trappelen. De Engelse ziekte heeft nu zelfs de fundamenten van onze cultuur aangetast.

Sterker nog, ze zijn er zelfs trots op, bij de redactie! Want in het begeleidende persbericht van de zestiende editie werd juichend vermeld, alsof het een heuglijk feit betreft, dat de Dikke van Dale er een kleine 1.000 woorden uit het Engels bij heeft gekregen.

Alsof we daar blij mee moeten zijn. Alsof we gezinsuitbreiding vieren, in plaats van het totale failliet van de Nederlandse taal. ‘airfryer’, ‘influencer’ en ‘streetfood’ staan er nu bijvoorbeeld in – alsof daar geen Nederlands alternatieven voor zijn – luchtfrituur, rolmodel en kleine, veel te dure porties die je moet delen met je tafelgenoten – of wacht, dat is ‘shared dining’ (sjèrt daining).

Maar bovenal: waarom? Waarom moeten er Engelse woorden in een Nederlands woordenboek? Als ik Engelse woorden wil opzoeken, pak ik wel een Engels woordenboek.

Sommige mensen zeggen ‘wat zeur je nou – boomer!’, vaak vlak nadat ze me in de DM van Twitter en LinkedIn gevraagd hebben wat die Engelse woorden op hun werk betekenen.

Die critici vinden het een ‘verrijking’ van de taal, al dat quasi-nep-Engels. Op die manier groeit onze taal, zeggen ze. En verandert hij.
Ik vind dat niet. Ik vind alleen nieuwe Nederlandse woorden een verrijking van de taal, niet gemakzuchtige Engelse synoniemen. Dat soort woorden noem ik geen verrijking, maar een verdringing van de taal.

Ik zou dan ook zeggen: maak maar een nieuwe druk, Van Dale! Zonder Engelse Ziekte.

Want ik wil geen reminder maar gewoon een herinnering. Ik wil geen stand-up maar gewoon even liggen. Ik wil geen streetfood maar gewoon een (eigen) bord eten. Ik wil een Dikke van Dale voor BIJ de haard.
 
Waarvan akte met instemming. 
Maar ook een kanttekening. 

Want als het oprukken van die aan het Engels ontleende termen ergens een signaal van is, dan is het van het oprukken van de Angelsaksische commerciële cultuur, waarin iedereen zichzelf en van alles verkoopt aan iedereen.
Ja, ook zichzelf, want wat zijn die gelikte Instagram-pagina's anders dan een voortdurende poging om jezelf te verkopen? Je treft er zelden leed en pijn aan en áls, dan nog vaak om aandacht te trekken.
In mindere mate vind je dat ook terug in LinkedIn. Veel borstklopperij.

Het gaat zo ver dat het aantreffen van Engels in ons straatbeeld al een teken is: hier tracht iemand, persoon, winkel of instantie, mij iets te verkopen.
Ik heb er in dit blog al eerder aandacht aan besteed, zie bijvoorbeeld Allemansendes en influentials (21-6-2012) (ik moet de opmaak toch eens herzien) of het simpele maar duidelijke Engels en Nederlands (22-7-2014) en vele andere berichten. Het is niet nieuw.
 
Nog wat citeren:

‘Content’, ‘input’, ‘cashback’, ‘experience’, ‘targets’, ‘de patient journey’ – als ik sommige mensen hoor praten, is het soms net of ik ‘een story’ van een groepje Amerikaanse ‘influencers’ op Instagram sta te bekijken – zo onbenullig.

‘Invites’ terwijl ze een uitnodiging bedoelen, ‘reminders’ als ik niet meteen reageer en ‘requests’ of ik ‘keynotes’ wil verzorgen, ‘wrap ups’ en ‘take home messages’ – om volslagen krankzinnig van te worden. Je zou ze allemaal in een taalkliniek willen laten opnemen.


[...]
 
Ik noem dat altijd ‘de Engelse Ziekte’ – Engels dat nergens voor nodig is, Engels dat niets toevoegt, en alles krom praat wat daarvoor recht was, met als voorlopig dieptepunt iemand die me ooit vroeg of hij ‘een ask bij me mocht neerleggen’ – hij bedoelde: een vraag stellen.

Hoe onnodiger de managementhype, hoe meer Engels er gebruikt wordt, let maar eens op – purpose, the why, agile, lean, epic – ik ben inmiddels meer tijd kwijt om lezers uit te leggen wat hun baas bedoelt, dan aan m’n eigen werk.

Ik snap het wel. Het klinkt in het Engels natuurlijk een stuk minder ellendig, dat moet ik de Engelse school nageven. Zo klinkt het een stuk spannender als je zegt dat je vandaag een ‘deep dive’, een ‘brown paperbag-sessie’, een ‘stand-up’ en een ‘town-hall’ hebt gehad, dan dat je je van de ene totaal overbodige vergadering naar de andere hebt gesleept. 

Treffend. En het blijft de vraag hoe Engelstaligen deze termen beleven en gebruiken. Het is per slot hun eigen taal, dus dikdoenerij door een andere taal te gebruiken kun je ze niet verwijten. 
Doet me denken aan die keer dat (inmiddels oud-)collega André en ik zo'n vijftien jaar geleden in Bologna tijdens de Internationale Kinderboekenbeurs een etentje hadden met een drietal dames van een Engelse uitgeverij. We hadden het er op zeker moment over hoeveel managers er in onze bedrijven rondliepen: bij ons een tiental of meer, bij hen één en die was meteen de baas. Maar vervolgens kregen we het over directors. Daarvan bleken zij een ruime voorraad te hebben en wij slechts één: de directeur.
Dat illustreert ook dat Japke-d terecht de term quasi-nep-Engels gebruikt.

dinsdag 22 maart 2022

Alice onder water

Alice's Adventures in Wonderland (1865) en Through the Looking-Glass (1871) van Lewis Carroll behoren tot de beroemdste boeken. Vertaald in vele talen, honderden keren bewerkt.
Je moet lef hebben om een derde boek over Alice te maken, in Carrolls stijl. 


Die lef had Lenny de Rooy en dat resulteerde in Alice's Adventures under Water, dat in 2021 verscheen, met illustraties in Tenniels stijl door Robert Louis Black. In eigen beheer uitgegeven bij Millennyum Publications.

Om zoiets te doen, moet je een Alice-tik hebben. Die heeft ze en ze is niet de enige, want ik trof haar op een bijeenkomst van het Lewis Carroll Genootschap en uit dat feit mag je gerust afleiden dat ik ook zo'n tik heb. (Ja, men schrijft doorgaans tic, dat weet ik ook wel.) (Getict of getikt, wat maakt het uit? De een is ernstiger geraakt dan de andere, misschien dat.)

Is het wat, Alice's Adventures under Water?
Het is heel wat. 
Om te beginnen is het geschreven in het Engels, niet Lenny's moedertaal - neem ik aan. Ook al een blijk van lef. Maar ja, als je Carroll wil navolgen, moet je wel. En als je buiten ons taalgebied wil verkopen, dan ook.
Toch vind het ook een zwakte. Carroll schreef in zijn eigen taal en daarin was hij heel erg thuis. Er was iets voor te zeggen om nou juist dat na te volgen - en nog steeds aannemend dat Nederlands de moedertaal van Lenny de Rooy is zou dat dus gepleit hebben voor die taal.
Lastig vind ik het ook. Ik kan me aardig redden in het Engels - maar niet zo goed als in mijn moerstaal en zolang ik niet verhuis naar Engelstalige contreien zal dat wel nooit veranderen. Dat maakt het beoordelen op poëtisch niveau heikel. So let's skip it, for the moment.


 
Het is geïllustreerd - maar niet zo goed, helaas. Robert Black is vaardig genoeg, dat toont zijn website, waarop hij zich een 'traditional artist' noemt, whatever that means, Het kán aan de afdrukkwaliteit liggen, maar zijn 'forty-two illustrations' lijken wél op, en halen het daardoor juist niet bij die van John Tenniel. Wil je die evenaren, dan kun je beter geheel je eigen stijl volgen. Zie vele pogingen, laatst nog die van Floor Rieder.

De intrige is gebaseerd op een bordspel en lijkt daarin op die van Through the looking-glass. Daar is het een schaakwedstrijd en als je het niet te nauw neemt, klopt die. 'Alice onder water' heeft het stramien ontleend aan een zeeslag-wedstrijd:
 


Het is voorzien van lange gedichten, ja, goed afgekeken. Al was dat in Carrolls tijd wat gewoner dan tegenwoordig, nu geen enkel kind meer verzen uit het hoofd moet leren. (Sterker, nu er eigenlijk sowieso niets meer uit het hoofd moet, hooguit wat besognes omdat die hoofden zo vol raken.) Toch laat Lenny's anonieme verteller weer beesten opdraven die echt wel de tijd nemen om iets voor te dragen. En je kan ze niet overslaan, want bijvoorbeeld de Queen Bee's Scuttleflot (p. 37) is essentieel voor het verhaal, dus daar gaan we, zes vierregelige coupletten:

Queen Bee had a Scuttleflot,
It looked much like a boat;
And every time it dived forgot
That it could only float.

Enzovoort.

Het is spitsvondig. Neem nu dat vers hierboven. Nu voel ik mij als Nederlandstalige lezer eens in het voordeel, al sloeg ik er bijna geen acht op. Eerst vond ik vooral scuttle grappig gevonden voor een vlot, vervolgens vroeg ik ineens af of flot eigenlijk wel een Engels woord is. Nee dus, alleen in flotsam, ook een geestig woord in dit verband, zijnde het deel van het schip dat blijft drijven na een schipbreuk. En daarna vroeg ik me af wat een Engelstalige lezer ervan zou vinden.
Er zijn meer van die spitsvondigheden, daar is Jenny de Rooy beslist bedreven in.
Van dezelfde orde als hierboven is het grapje op p. 42.
Daaraan gaat iets vooraf.
 
Alice did not look back and made sure she got far away from the gate as quickly as she could, before the creatures changed their minds and came up with yet another impossible assignment. After having walked on for some time, she came upon a rock on which a catlike creature was standing. It stood straight up on its hind paws, peering intently over the area. Then it looked at her.
'Duck!' it said.
Alice looked around, but didn't see any ducks.
'Duck!', it said once more.
For a moment Alice thought it was mistaking her for a duck. But then, a shell shot through the water at high speed, barely missing her head.
 

'You have very good eyes, to see that one coming,' gasped Alice.
A shell rose up from beside her and propelled out of the water with the same speed the other had engterred through. This time thouhg, she thought she could hear a small explosion further off as well.
'I wish it would stop doing that,' muttered Alice.
The creature just continued to stand straight up on the rock, looking at her disapprovingly.


 
'Thank you for trying to warn me. Who are you, and what are you doing in this lake?' asked Alice. 'Did you fall in, just like me?'
'My name is Villikins,' he answered. 'And I live in this lake, because I'm a meerkat.'
'But you don't look like a meerkat,' said Alice, quite forgetting the conversation she had had with the Seahorse. 'And they don't live in a lake either.'
'Actually, they do,' said the Meerkat. 'But I'm used to people getting confused. I'm originally from the Netherlands, you see.'

Nederlandstalige lezers zullen het woord meerkat waarderen: een kat in het meer, inderdaad. En misschien kennen ze ook het Afrikaanse en daarmee vrijwel Nederlandse én Engelse woord meerkat, dat duidt op het beest met de mooie wetenschappelijke naam Suricata suricatta.
Het grapje Duck - duik hoef ik Nederlandstalige lezers ook niet uit te leggen, maar is ook aardig voor Engelstalige lezers, want duck heeft inderdaad een dubbele betekenis.

Het is traag. Net als Carrolls verhalen heeft het een negentiende-eeuwse traagheid, en bij tijden kan die weldadig aandoen. De helft bestaat uit gesprekken, van het soort die voor hoofdpersoon Alice best vermoeiend zijn, maar voor de lezer onderhoudend, tenminste als die lezer van woord- en denkspelletjes, fantastische rariteiten en spitsvondigheden houdt. Wie gaat voor vliegende vaart moet dit vooral niet lezen - maar dat geldt ook voor Carroll en hardlopers zijn doodlopers. 

Het is een droom. Natuurlijk, vanouds een entree voor een verhaal waarin van alles gebeurt dat in de dagelijkse werkelijkheid niet zou kunnen plaatsvinden. Surrealisme pur sang, ook Dali's schilderijen lijken ontsproten aan dromen. Net als in Wonderland ontwaakt Alice en ontdekt ze dat ze gedroomd heeft. In dit geval wordt ze wakker door een plensbui en dat is eveneens geestig gevonden, aangezien het hele verhaal zich onder water afspeelt. Ook wordt ze aan het eind van haar droom aangevallen door een horde vissen onder leiding van de Queen Bee.

 
Komt me bekend voor... Zie Wonderland.
 
Heeft Lenny de Rooy Carroll geëvenaard? Nee, dat niet. Carroll maakte het net wat spannender. Misschien is het te lang. Maar ze komt een heel eind, het is onderhoudend en ze voegde er haar geheel eigen grappen aan toe. Ze was volgens mij nog verder gekomen als ze geen illustrator had gevraagd die Tenniel probeerde te emuleren, maar iemand met een veel spetterender stijl - om bij het verhaal te blijven, en ook een iets levendiger vormgeving had toegepast.
 

Rooy, Lenny de. Alice's Adventures under Water. With forty-two illustrations by Robert Louis Black. Millennyum Publications, 2021. ISBN 978 90 9034 615 1, 142 p.



zondag 20 maart 2022

Hoge fijnstraal

 
Kruipklokje, Schijnpapaver, Citroenmelisse, Glanzige ooievaarsbek, Vlinderstruik, Hemelboom, Muurfijnstraal, Schijnaardbei, Nieuw-Zeelandse veldkers, Kransgras, Zegekruid.
Stijf straatliefdegras. Vlakbloempje. Harig vingergras. Muurleeuwenbek, Donzige klaproos, Stijf ijzerhard, Bossalie, Eendagsbloem.
 
 
Ik heb me voorgenomen me dit jaar te verdiepen in planten, en dat zal ik weten. Onlangs ontving ik een welkomstpakket van de vereniging Floron (ze willen het graag in kapitalen: FLORON), welke naam ongetwijfeld iets van doen heeft met flora en onderzoek, en naast streeplijsten e.d. zat daar een aflevering van het tijdschrift Planten. Een erg verklaarbare naam, en het staat vol bijdragen over, inderdaad, planten, meestal vaatplanten. (Ook zo'n mooie term.)

Commentaar bij de inhoud past niet in dit blog. Wel aandacht voor taal en wat me opviel is dat zelfs voor planten die nog niet zo lang in Nederland wonen, botanisten (ja ja) kennelijk al namen hebben bedacht.
(Ik dacht altijd dat het botanici waren, en die blijken ook te bestaan, maar de meesten noemen zich botanist, geloof ik.) (Fytologen zijn uitgestorven.)

Er moet ergens een enthousiaste groep plantenminnaars (fytofielen?) zijn die voor iedere exoot of adventief meteen een Nederlandse naam verzint. Wie weet kom ik daar komende maanden achter. Zij verenigen aandacht voor planten met aandacht voor taal, een mooie combinatie. Ik vond in ieder geval al enkele vermeldingen van 'de werkgroep Nederlandse namen voor wilde planten', namelijk in aankondigingen van een lijst namen van nieuwe cultuurplanten, bijvoorbeeld hier.

Bij al die honderden soorten met soms minuscule verschilletjes (men hoort voor deze studie een loep te hebben, net als bij de studie van kleine beestjes), duizelt het me nu al, maar het is wel een groot genoegen om die namen te repeteren, op te lezen als ware het poëzie. 
Dat helpt me vast verder.