Zoeken in deze blog

maandag 12 augustus 2013

Het Kleine en het Grote Lezen

In De Groene Amsterdammer 1-8-2013 stonden twee besprekingen die mij troffen door hun verschillend karakter.
Kees 't Hart bespreekt Florijn (van Ernst Timmer) en Cyrille Offermans bespreekt De droom van Baudelaire (van Roberto Calasso).
Nu is Florijn fictie en De droom van Baudelaire non-fictie. In die zin vergelijk ik een appel met een peer. Maar beide zijn vruchten en wat me trof is bovendien de manier van bespreken, niet de slotsom, de waardering. Bovendien (beide zijn vruchten) heeft Florijn veel met onze wereld te maken en is De droom van Baudelaire een essay met beslist literaire aspecten, als ik de recensenten goed heb begrepen.



Cyrille Offermans eerst. Hij start met een uitspraak over de toestand van de hedendaagse literatuur. 'Het is allemaal waar: ambitieuze literatuur heeft het moeilijk, uitgeverijen bezuinigen of fuseren, dichters en essayisten verdwijnen nog verder in de marge.'
Maar gelukkig is de toestand volgens hem niet uitzichtsloos, want Calasso wordt nog uitgegeven.
Wie?
Die vraag had Cyrille voorzien, want er volgt een klein exposé over deze auteur. 'Calasso (1941), zelf veertig jaar lang de baas bij de Milanese kwaliteitsuitgever Adelphi, is een lezende schrijver van het soort dat "de eisen van de markt" met superieure boeken negeert en daarmee lezers vond. Zijn internationale doorbraak beleefde Calasso met zijn derde of vierde boek, De bruiloft van Cadmus en Harmonia, waarvan het origineel in 1988 en de Nederlandse vertaling in 1991 verscheen.' Volgen nog wat titels, en 'al deze boeken zijn demonstraties van het Grote Lezen, dus ook van het intellectuele verzet tegen de abstracties van de literatuurwetenschap en het gewauwel van de populaire journalist.'
Dat Grote Lezen had hij al geïntroduceerd. 'Calasso staat, met een variant op Elmer Schönberger, voor het Grote Lezen, dat, belangeloos en onthecht, een "openbaring en inwijding ineen" is.'

We zijn nog in de eerste kolom. Van mij wordt verwacht dat ik al dan niet kan instemmen met zijn uitspraak over ambitieuze literatuur, dichters en essayisten, dat ik weet wie Elmer Schönberger is en waar die variant op slaat. Eigenlijk wordt ook verwacht dat ik instemmend knik als iemand met een heel goed boek '"de eisen van de markt" negeert', terwijl ik zou denken dat er voor een heel goed boek vast wel kopers te vinden zijn, zodat auteur noch uitgever in dezen "de eisen van de markt" (vanwaar die aanhalingstekens?) negeren. En dat ik instemmend knik bij de beschrijving van het Grote Lezen: belangeloos en onthecht ingewijd worden in een openbaring en mij tegelijk (belangeloos) verzetten tegen literatuurwetenschappelijke abstractie en gewauwel.

 'Dit alles ter inleiding van zijn laatste boek: De droom van Baudelaire, een mozaïek van verhalen waarin literatuur en kunst van de Franse negentiende eeuw [...] tot leven komen als nooit tevoren.'
Volgt de bespreking van het boek. Aangezien dat over Baudelaire gaat, is het verklaarbaar dat namen als Ingres, Delacroix, Degas, Manet, Berthe Morisot en Gautier opduiken.
Tot slot: 'Alleszins begrijpelijk dat de vertaler (of de uitgever) de titel van het boek aan dit verhaal heeft ontleend, daarmee afwijkend van het Italiaanse origineel, dat La folie Baudelaire (de waanzin, de gekte van Baudelaire) heet, naar een uitdrukking van Sainte-Beuve, de geniale spotlustige criticus die ook een opvallende rol speelt in dit magistrale boek.'
Dat van dat verhaal wordt uitgelegd, maar ga ik niet citeren.
Ik noteer alleen dat Cyrille van mij ook verwacht dat ik min of meer bekend ben met die criticus, naast de genoemde schilders, en dat er in een verwijzing naar een ander boek van Calasso ook nog wordt gerept over Tiepolo.
Om deze bespreking naar waarde te kunnen schatten moet ik heel wat weten! Zeer vereerd, ik word opgenomen in een kring van geletterden, als vanzelfsprekend neemt Cyrille Offermans immers aan dat ik hem kan volgen. (En gelukkig, ik heb wel eens schilderijen bekeken en een gedicht van Baudelaire gelezen, al is dat laatste wel heel erg lang geleden. Uit Les fleurs du mal, ja.)
Zijn benadering noem ik die van de geleerde lezeromgevallen boekenkast.



Kees 't Hart begint met een verwijzing naar een artikel in De Groene Amsterdammer van de week ervoor, 'Thuiszorg voor tussenmensen' (van Sjors van Beek). Hij herkent zich als aanstaand tussenmens en geeft voor wie het artikel niet kent een redelijk adequate beschrijving. (Kan ik weten, want ik heb dat artikel gelezen.)
Volgt de bespreking van Florijn, dat te lezen zou zijn als 'een illustratie bij het voorafgaande'.
'De roman kreeg me in zijn greep. Hoe Timmers dat voor elkaar kreeg weet ik niet zeker.' Maar hij doet wel een poging.
'Het zijn de geestigheden die heel klein zijn en zich verschuilen in het voorzichtige cynisme dat af en toe een uitweg zoekt. Misschien toch de afgemeten, koele stijl waaruit de emotie zo veel mogelijk is weggehouden. En dus extra ingrijpend opborrelt. Het zit 'm toch ook in de herhaling van alles, deze roman heeft iets weg van een dodendans op weg naar het verpleeghuis en de laatste ogenblikken.'
 Tot slot: 'Hoe gek het ook klinkt: ik heb deze roman met steeds toenemend plezier gelezen.'
De aanpak van Kees 'Hart zou ik de argeloze lezer of persoonlijke associatie willen noemen.

De bespreking van Kees 't Hart kun je lezen zonder voorkennis, hooguit moet je er een zekere leesvaardigheid voor hebben. Het besproken boek wordt niet naast ander werk gelegd, ook niet van Timmer, er wordt geen ander artikel genoemd dan dat ene. Hij besteedt nogal wat woorden aan een samenvatting van het verhaal, maar vergeet niet voorzichtig te verklaren wat hem boeide. Belangeloos en onthecht is de recensent niet, integendeel, hij vertrekt vanuit bezorgdheid en herkenning.
Zijn collega-recensent Cyrille Offermans zal dit dus waarschijnlijk niet tot het Grote Lezen rekenen.
Al ben ik daarvan niet zeker, want Cyrille vergat mij duidelijk te maken wat dat Grote Lezen nu precies is - helaas ontgaat mij de toespeling op Schönberger omdat ik niet weet wat die te berde heeft gebracht over het Grote, eh, ja wat?
'Calasso is een verteller op het hoogste niveau van eruditie en concentratie; nieuwe inzichten ontstaan in de grensgebieden van elkaar uitlokkende of met elkaar botsende verhalen, concreet en controleerbaar.'
Controleerbare verhalen?
Kleintjes moet ik bekennen nog nooit iets van Calasso te hebben gekezen, sterker, ik had nog nooit van hem gehoord. En dat terwijl Cyrille de indruk wekt alles van hem gelezen te hebben.
Het Grote Lezen, ben ik er wel klaar voor?

Maar laat ik niet flauw zijn, ik vergelijk een appel met een peer en als Baudelaire of Calasso me niet interesseren, had ik deze bespreking kunnen overslaan. Cyrille is er wel in geslaagd me nieuwsgierig te maken naar Calasso, al zou ik misschien eerder aan Ka of De bruiloft van Cadmus en Harmonia beginnen.
Beide recensies wekken mijn nieuwsgierigheid op, daarin zijn ze geslaagd.
Het gaat me er ook niet om deze recensies te waarderen, van een cijfer te voorzien, maar om de totaal verschillende aanpak. De argeloze lezer versus de allesweter.
Het Kleine Lezen versus het Grote Lezen?
Wie zal het zeggen.

(Portret van Baudelaire door Gustave Courbet.)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen