Zoeken in deze blog

maandag 8 april 2013

Grenzen aan de groei en het preciariaat

Berichten over de economie blijven me boeien. Dat zal wel komen doordat veel van ons hebben & houden ervan afhangt en doordat ik in veel vertogen in dag- en weekbladen de kern van de zaak mis. Die kern is volgens mij dat wij mensen minimaal een prettig leven willen en mede daartoe enig werk verrichten  voor zover we daartoe in staat zijn. Omdat we niet alles kunnen maken dat we nodig hebben, gaan we ruilen. En omdat ruilen van goederen en diensten soms onhandig is, gebruiken we het universele ruilmiddel geld.

Het enige handboek dat ik ooit gelezen heb, is De kern van de economie van Arnold Heertje, altijd goed voor pittige commentaren (zie ook hier). Verder heb ik gebladerd in Contact geld van Peter van Loo en anderen, dat keurig begint met een korte geschiedenis van geld.
Als uitgever heb ik vele boeken voor kinderen op mijn bureau gehad waarin getracht werd iets uit te leggen over de omloop van geld en spullen. Nooit vond ik ze bevredigend, misschien op dat ene boek na van Nikolaus Piper, Geschichte der Wirtschaft (Beltz & Gelberg, 2002); helaas bleek het uitgeven van een vertaling te duur.

Soms denk ik: ik ga het zelf schrijven. En sinds ik dat soms denk (ik heb nog geen letter geschreven) werd ik een aandachtige lezer van de economie-pagina's.

Die vertogen gaat heel vaak over geld en zelden over dat werk en de verdeling van de resultaten. Dat is niet raar, want de resultaten van onze noeste arbeid worden in geld uitgedrukt.
Ingewikkeld is het wel en dat komt mede doordat er ook in geld gehandeld kan worden. Veel van die vertogen lijken enigszins losgezongen van de alledaagse werkelijkheid. Dat is vooral zo met artikelen over de beurzen.
Journalisten die niet verder kijken dan de op en neer springende cijfertjes van de beurskoersen, missen de verhalen daarachter. Ze denken dat het met de economie en met ons goed gaat als de beurskoersen stijgen.
Sommige economen schenen te denken dat ze een exacte wetenschap beoefenden, met modellen die de toekomst konden voorspellen. Inmiddels weten we beter en zijn er onder economen verhitte debatten gevoerd.

Eind maart 2013 las ik in één nummer van De Groene Amsterdammer twee artikelen die elkaars tegenpool leken.
Het ene was van Rutger Bregman, 'Onbehagen in tijden van overvloed'.
Het andere was van Emma Brunt, 'Van koophuis naar Mongoolse tent, de nieuwe armoede'.
Jong (1988) tegenover oud (1943), hemelbestormende academicus tegenover sappelende freelancer, theorie tegenover praktijk, wijdse blik tegenover dagelijks leven.
Bregman ziet een heel rijk land, bijna een paradijs, bijna af. In de papieren versie staat er een prachtige foto bij van een straat in Haren. (Zie de helaas gebrekkige scan verderop.)

Maar hij 'behoort tot de eerste generatie in tweehonderd jaar tijd die het niet beter zal hebben dan haar ouders.' Hoe dat komt, daar schrijft hij niet over. Wel over mogelijke grenzen aan de groei. Want 'het lijkt wel alsof het kopen van spullen die we niet nodig hebben de definiërende activiteit van het moderne bestaan is geworden.' Terwijl 'we' er niet gelukkiger van worden. 'Al decennia is er geen verband meer tussen groei en geluk. In 1980 peilde het CBS dat 87 procent van de bevolking gelukkig was. Toen het onderzoek in 2010 werd herhaald – we waren inmiddels meer dan anderhalf keer zo rijk – bleek dat nog steeds 87 procent te zijn.'
Halverwege zijn artikel komt hij zonder inleiding met dat 'onbehagen' uit de titel op de proppen. Hij levert de oorzaak er meteen bij. 'Als we het zo goed hebben, waar komt ons onbehagen dan nog vandaan? Ik denk dat het de vooruitgang zelf is. Vrijwel alle overgebleven problemen worden immers daardoor veroorzaakt. Dat we steeds dikker worden komt door de overbevrediging van onze behoefte aan voedsel. De opwarming van de aarde wordt veroorzaakt door de overbevrediging van onze behoefte aan rommel. En als we gestresster zijn dan ooit, dan houdt dat direct verband met de toenemende werkdruk en keuzestress.'
Jawel, er zijn kanttekeningen.
'Er zijn meer dan 1,4 miljard mensen die proberen te overleven van een euro per dag. Armer worden ze niet, dan gaan ze dood. ‘Hulp helpt niet’, zeggen de kenners dan. En dus besteden we het aan andere dingen die niet helpen. Zo is in een paar jaar Irak – waar de kenners nog zo’n voorstander van waren – twee keer zo veel over de balk gegooid als heel Afrika sinds de Tweede Wereldoorlog heeft ontvangen. Die 1,4 miljard allerarmsten verdienen ongeveer evenveel als er wereldwijd aan reclame wordt besteed.'

Hij eindigt zijn pleidooi voor grenzen aan de groei en een andere zingeving aldus:
'Als we nadenken over morgen slaan we nu nog de catalogus van vandaag open. Maar het oude repertoire biedt slechts harder werken (rechts), meer schulden (links) en meer koopkracht (iedereen). Of we er nu in geloven of niet, de grenzen van dat oude vooruitgangsgeloof zijn in zicht. Mill schreef 150 jaar geleden: "Ik hoop oprecht dat, ter wille van het nageslacht, de mensheid tevreden zal zijn met een stationaire toestand, lang voordat de noodzaak hen er toe dwingt."
Stuiten we niet op de grenzen van de aarde, dan stuiten we op de grenzen van onszelf – van ons vermogen zin te geven aan het leven. Het enige wat dan nog rest, is klagen over ons armzalige lot.'



Vijf bladzijden verder opent Emma Brunt (of de koppenmaker van De Groene) aldus:
'Het aantal mensen met problematische schulden groeit gestaag, ook in de hoogopgeleide middenklasse, die armoede lang beschouwde als iets wat alleen anderen overkomt. "Langzamerhand komt er meer openheid en raken mensen de ergste schaamte voorbij."'
Haar vertoog gaat deels over haarzelf, de oudere freelancer die niet meer zo makkelijk aan opdrachten komt, en lotgenoten. Niets onbehagen over groei, geen bespiegelingen met uitzicht op lommerrijke straten in Haren, maar onbehagen over de huur niet meer kunnen betalen en moeten wonen in een Mongoolse tent (lotgenote Linda van D.).

Mooi beschrijft Emma Brunt hoe ze zelf 'met horten en stoten' ontdekte dat de inkomsten minder werden.
'De eerste vlagen van paniek dienden zich aan, maar met lange tussenpozen, want ik beschikte toch nog steeds over enige naamsbekendheid en een veelzijdig sociaal netwerk? Nou dan. Weliswaar werd ik een dagje ouder, om niet te zeggen gewoon oud, maar wat kon nu minder leeftijdsgevoelig zijn dan de vaardigheid om leesbaar te schrijven? Maar zo werkt het helaas niet in de journalistiek, en in de meeste andere creatieve bedrijfstakken ook niet, want daar staat ‘jong’ gelijk aan interessant en veelbelovend, en word je na je veertigste al met groeiende argwaan bekeken.

Daar kwam ik achter en wat toen volgde leek nog het meest op een rouwproces, compleet met alle stadia van dien: ongeloof, ontkenning en ettelijke pogingen om te marchanderen en het op een akkoordje te gooien met het lot. Gevolgd door vlagen van boze opstandigheid, depressie en schaamte en – gek genoeg misschien – ook door een hardnekkig schuldgevoel. Ja hoor, het is crisis, blablabla en nog zowat, maar niet iedereen wordt daardoor in gelijke mate getroffen. Ik ken genoeg mensen die nog steeds vier keer per jaar op vakantie gaan en zonder met hun ogen te knipperen een paar honderd euro uitgeven aan een nieuwe jurk of een paar designerlaarzen, dus het kan gewoon niet anders of ik moet een paar hopeloos verkeerde carrière-afslagen hebben genomen.'
En ze blijkt, bij onderzoek in haar kennissenkring, niet de enige en beschrijft enkele gevallen. Kenmerkend voor dat 'ongeloof' is dat ze het woord probleemgevallen consequent tussen aanhalingstekens schrijft. Ja, nu kan ze zich dus iets voorstellen bij die 'universitair geschoolde jongeren die geen baan kunnen vinden, bij ouderen die hun huis niet kunnen verkopen om hun pensioen aan te vullen, of bij de groeiende schare noodlijdende zzp’ers, die al dan niet noodgedwongen ooit voor zichzelf zijn begonnen, daartoe aangemoedigd door de overheid, die alle heil verwachtte van de vrije markt en het particuliere initiatief'.

Voeg hier de mensen aan toe die geschaard kunnen worden tot wat de Engelse econoom Guy Standing beschreef als The Precariat: The New Dangerous Class (Bloomsbury Publishing, 2011), en je komt bij de grootste omissie in het artikel van hemelbestormer Bregman, het toch al heel oude vraagstuk (ene Karl Marx had er ook al iets over te melden) van de verdeling van goederen en zekerheid.
Het begrip precariteit is overigens waarschijnlijk een Franse vinding, daar hanteerden groepen jongeren voor het eerst die term (précarité) en (bijvoorbeeld) De Balie pikte dat in 2006 op. Standing heeft met zijn boek van het begrip precarity een maatschappelijke klasse gemaakt: het precariaat.
Daartoe gaan binnenkort wellicht heel wat zzp-ers horen, dat toont Emma Brunt. Haar artikel was, hoop ik, weer goed voor enkele maanden huur. En gelukkig krijgt ze al AOW.

Bregman meldt over die verdeling:
'Let wel: de meeste landen hebben het evangelie van groei nog hard nodig. Zij smachten naar de zegeningen van vrijhandel, die nu nog worden geblokkeerd door het belastingparadijs Nederland en de landbouwlobby die ook wel Europese Unie wordt genoemd. En ook de vruchten van ons nieuwe vooruitgangsgeloof kunnen de achterblijvers goed gebruiken. Daarin wordt het surplus dat we nu gebruiken om troep aan te schaffen ingezet om internationale gelijkheid en rechtvaardigheid te bevorderen. Want de cijfers zijn nog altijd ontstellend: tien procent van de wereldbevolking verdient 58 procent van al het inkomen. Ze heeft 85 procent van alle rijkdom in handen.'
Het kan nog bonter.
'"91.000 mensen bezitten samen eenderde van alle rijkdom. Dat zijn de oliesjeiks, de gasboeren, de investeerders, de mediatycoons, de vastgoedmagnaten. Ter contrast: de armste helft van de wereld bezit samen 1 procent."' Zie hier. Bregman heeft wel enig oog voor de verdeling van welvaart in de wereld (niet in Nederland), maar hij heeft geen oog voor de verdeling van macht. ('Landen' smachten niet, alleen mensen kunnen smachten.) En hij heeft geen oog voor de taal van de macht.
Die taal van de macht en het geld, daarover schrijf ik misschien nog eens vaker. Zie ook hier.

Of dat kinderboek over geld van mij er ooit komt? Geen idee. Maar áls het er ooit van komt, dan sla ik die verdeling (zie boven) niet over, zoals nu erg vaak wel gebeurt.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen