Zoeken in deze blog

maandag 2 februari 2015

Wat heet poëzie

Dat op zekere plek in huis dit jaar de Poëziekalender van Van Oorschot hangt, biedt me natuurlijk een goede kans om in alle rust het verschijnsel poëzie te bestuderen.

Dit gedicht van J.A. Emmens (zie ook hier) vind ik mooi - en poëzie.

Uw wereld die zo officieel is 
dat hij, als ik er tegen schop, 
verwonderd meegeeft, tot zijn kop 
ontvallen laat wat U teveel is, 
is knap gebouwd: een combinatie 
van lustprieel en rollend fort. 
Ik die geen wereld meer bewoon, 
maar op de buik van Moeder Aarde 
troon als een monster zonder waarde 
bewonder u soms wel: mijn hoon 
geldt meer Uw smaak dan Uw prestatie 
en schiet dus meestal iets te kort.

Waarom poëzie? Niet zozeer het rijm als wel het ritme, met fraaie, zingbare jambes. Dat ritme blijft (net als het rijm) nog overeind als je de tekst weergeeft als proza (met een toegevoegde komma):

Uw wereld die zo officieel is dat hij, als ik er tegen schop, verwonderd meegeeft, tot zijn kop ontvallen laat wat U teveel is, is knap gebouwd: een combinatie van lustprieel en rollend fort. 
Ik die geen wereld meer bewoon, maar op de buik van Moeder Aarde troon als een monster zonder waarde, bewonder u soms wel: mijn hoon geldt meer Uw smaak dan Uw prestatie en schiet dus meestal iets te kort.

Hoewel iets minder geldt dat ook voor dit gedicht van Charles Ducal.

Zo begint het

De moeder van de poëzie is de verveling. 
Zij sluit mij op en gooit de sleutel door het raam. 
Dit is je plek, zegt zij, probeer nu maar, 
er is vast een formule, een bezwering 

die de uren van hun zuigkracht kan bevrijden. 
Seconde na seconde tikt, is zich van mij bewust, 
een mespunt op de muur, een rusteloze naald 
die het ijle stikt. Zo begint het schrijven. 

Als een die, verdwaald in een onmogelijk woud, 
in een bodemloze put gevallen, toch nog schreeuwt 
en iemand is al onderweg die van hem houdt. 
Zo begint het schrijven, zo vergeefs.

Ook hier jambes en rijm, sonnet-achtig, maar al iets meer parlando. Hier als proza:

De moeder van de poëzie is de verveling. Zij sluit mij op en gooit de sleutel door het raam. 
Dit is je plek, zegt zij, probeer nu maar, er is vast een formule, een bezwering die de uren van hun zuigkracht kan bevrijden. 
Seconde na seconde tikt, is zich van mij bewust, een mespunt op de muur, een rusteloze naald die het ijle stikt. Zo begint het schrijven. Als een die, verdwaald in een onmogelijk woud, in een bodemloze put gevallen, toch nog schreeuwt en iemand is al onderweg die van hem houdt. Zo begint het schrijven, zo vergeefs.

Wat dan opvalt is dat de tekst moeilijker te bevatten wordt. De witregels van de weergave als poëzie lijken nodig als rustpunten om de woorden en hun ritme te laten doordringen.

Nu een gedicht van K. Michel:

De lezeres van Kertész

Ze draagt een lange zwarte 
rok die niet eens haar enkels toont 
een manteltje met een hoge 
nekbedekkende kraag en een hoedje 
dat zedig zelfs haar oren bedekt 
Ze zit op een muurtje dat 
samen met een grote schoorsteen 
de rand van het dak markeert 
Achter haar wijst de schaduw 
van een brandtrap omhoog 
Waarom ze het dak heeft opgezocht 
geen idee, misschien is het boek 
dat ze leest te frivool voor haar aardse 
omgeving of is het juist zo spiritueel 
dat ze dichter bij de wolken wil zijn 
(Waarschijnlijk is het lezen 
de enige intieme handeling 
waarbij ze betrapt kan worden 
zonder zich te schamen) 

Hier als proza, met enkele toegevoegde leestekens:

Ze draagt een lange zwarte rok die niet eens haar enkels toont, een manteltje met een hoge nekbedekkende kraag en een hoedje dat zedig zelfs haar oren bedekt. 
Ze zit op een muurtje dat samen met een grote schoorsteen de rand van het dak markeert. 
Achter haar wijst de schaduw van een brandtrap omhoog.
Waarom ze het dak heeft opgezocht, geen idee, misschien is het boek dat ze leest te frivool voor haar aardse omgeving of is het juist zo spiritueel dat ze dichter bij de wolken wil zijn. 
(Waarschijnlijk is het lezen de enige intieme handeling waarbij ze betrapt kan worden zonder zich te schamen.)




Eerlijk gezegd vind ik de prozatekst leesbaarder dan het 'gedicht'. Dit is een observatie bij een foto van André Kertész. Op zoek naar die foto (bron) kwam ik bovendien bij Spleen een versie tegen met een laatste stukje tekst dat op de Poëziekalender ontbreekt!

Het duister van de schoorsteenpijp rijmt met de toon van haar kleding maar de opening is breed en nodigt, nee zucht om een afdaling naar beneden.

Dat was natuurlijk niet zo weergegeven maar in vier regels. Aan u, lezer van dit blog, te raden hoe. Het had van mij niet gehoeven, die weergave als poëzie. Overbodig, breekt de tekst onnodig in stukjes. Geen poëzie dus, wel mooi proza.
André Kertész was overigens gefascineerd door lezende mensen, er is een fotoboek van verschenen. Zijn foto's inspireerden niet alleen K. Michel: zie o.a. Raster 69 (1995, wie weet nog ergens te vinden maar in ieder geval bij het onvolprezen DBNL).

De gedichten van J.A. Emmens waren me bekend: zijn deel Gedichten en aforismes van zijn verzameld werk (ook uitgegeven door Van Oorschot) staat in mijn boekenkast. Een van mijn favorieten:

Hard facts

't Gras is gemaaid, de bloemen staan op stelen,
de blaren hangen keurig aan de boom.
De een heeft een huisdier wat te bevelen,
iemand te strelen, iemand te slaan,
de ander zichzelf om mee om te gaan.

Poëzie is de essentie van woordkunst. Prachtig dus dat het Nederlands taalgebied sinds kort twéé soort-van Nationale Dichters telt. De ene is Anne Vegter, Dichter des Vaderlands sinds 2013, de ander Joke van Leeuwen, Dichter der Nederlanden.





O ja, die 'dicht'regels van Michel:

Het duister van de schoorsteenpijp 
rijmt met de toon van haar kleding 
maar de opening is breed en nodigt 
nee zucht om een afdaling naar beneden

Voorgaande afleveringen van Wat heet poëzie: klik bij de labels hieronder op Wat heet poëzie.








Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen