Zoeken in deze blog

vrijdag 7 januari 2011

Een bijzondere beer

Is Soldaat Wojtek van Bibi Dumon Tak een documentaire? Ja, maar dan wel sterk gefictionaliseerd. Het vertoog heeft de indeling en de stijl van een verhaal. En de ‘verslaggever’ annex verteller tekent zijn (haar) vertoog wel ruim vijftig jaar na dato op.
Bibi Dumon Tak is sterk in dit genre, zie haar andere werk, o.a. Het koeienboek en Laila tussen de sterren.

Een stel Poolse soldaten vond in 1942 in Iran een beertje en namen het mee. De beer werd een mascotte voor hun regiment en overleefde alle oorlogshandelingen.
Uiterst soepel en onderhoudend vertelt een ‘onpersoonlijke’ (auctoriële) maar levendige verteller hoe een stel Poolse soldaten in de Tweede Wereldoorlog in Iran een beertje adopteren en dat beest, al snel een forse beer, de hele oorlog met zich mee weten te nemen, tot aan het front in Italië toe. Het begint met een anekdote (beer pikt bh uit vrouwentent), vervolgens gaat het terug naar het begin, hoe de vrienden Pjotr en Stanislav verzeild raakten in Iran en vervolgens in het geallieerde leger.
Daarbij maakt de verteller grote sprongen maar hij gaat kort door de bocht zonder dat het hindert. Integendeel, het is knap hoe hij (of zij, want je raakt erg geneigd de verteller hier te vereenzelvigen met de auteur - en bovendien, waarom zou een anonieme verteller niet vrouwelijk kunnen zijn?) in enkele pagina’s de start van de oorlog in Polen beschrijft op een manier die kinderen van 10 en ouder makkelijk kunnen volgen.
Het heeft niet zoveel zin alle avonturen hier samen te vatten. De beer is de held, maar eigenlijk zijn de mannen die hem steeds onder hun hoede nemen, met name Stanislav en Pjotr dus, evenzeer de helden. De anekdotes zijn grotendeels vermakelijk, want die zachtmoedige beer (soldaat Wojtek gedoopt) verzamelt veel leuke slechte gewoontes, inclusief roken en alcohol. Op één episode na (p. 88-90) is de grimmigheid van de oorlog ver weg. Die episode is precies genoeg om de lezer even met de neus op die grimmigheid te drukken.
Het leest als een verhaal, oogt als een verhaal (want voorzien van getekende illustraties van Philip Hopman) en pas als je aan het slot bent (p. 139 e.v.), volgt een verantwoording met ‘de feiten’, incl. bronvermelding en drie foto’s. Een gewoon verhaal, heel ongekunsteld verteld - en daarin schuilt hier het talent.
 

Dumon Tak, Bibi. Soldaat Wojtek; met illustraties van Philip Hopman. Querido, 2008. ISBN 978 90 451 0728 8, 142 p.

Waar gebeurd?

Alles is weg van Ank en Lieke Kranendonk (Querido, reeks Slash) is typische jongerenliteratuur, geschreven in een would-be jongerenstijl, met een verteller die dicht op, zeg maar in de huid zit van de hoofdpersoon. In het werk van de auteur nieuw: ze schreef eerder verhalen voor jongere kinderen en een hele reeks eerste leesboekjes.
Derde titel in de Slash-reeks: die wordt gepresenteerd als een reeks verhalen gebaseerd op ‘waar gebeurd’. Een auteur van naam neemt op zich om zo’n ‘waar gebeurd’ verhaal in een roman te verwerken.

Muis is de opgewekte branie van een groep jongeren. Door een ongeluk komt hij om het leven. Het kost zijn vrienden veel moeite om hier overheen te komen.
Tja, het drama maakt natuurlijk indruk. En dan ook nog gebaseerd op iets dat waar gebeurd is.
Dat moet deze roman helemaal maken. Daarom begint het verhaal met een terugblik. Als de groep naar een feest is, herinnert hoofdpersoon Fae zich Muis en valt bijna flauw.

Dat kleurt wat volgt, maar wat volgt is tót het ongeluk niet meer dan een reeks gebeurtenissen en gebeurtenisjes die Muis tonen als een vrolijke, maar erg impulsieve branie, die de ene streek na de andere uithaalt en waarin de personages vooral bezig zijn met zichzelf en wie met wie gaat.
Zo bijvoorbeeld:
De hele dub uit Baarn is er, en iedereen zit lekker dicht bij elkaar: PrissiIa, die als eerste uit het dorp een tattoo heeft laten zetten, Marith met haar nieuwe skatevriendje, Mo, met zijn voetbal, Truc, Dammetje, Charley met een iPod vol hiphop, Gonneke met een veel te kleine bikini omdat ze zo trots is op haar borsten, Dolores, die nog even blijft staan omdat ze op zoek is naar een nieuw vriendje. Patrique hoeft ze niet, die heeft ze al drie keer gehad, met Billy is het ook allang weer uit, de anderen zijn ook al aan de beurt geweest, haar hoop is nu gevestigd op Mo, de mooiste Turkse jongen van het dorp, die ook nog eens geweldig kan voetballen. Het enige nadeel aan Mo is dat hij nog geen seconde naar haar heeft gekeken, misschien niet eens bewust is van haar aanwezigheid.
Uitdagend legt ze haar handdoek vlak hij Mo neer, maar het heeft geen zin. Hij praat met Truc over de nieuwe trainer van zijn selectieteam.
Dan maar naar een ander uitkijken. Nu ze allemaal op verschillende middelbare scholen zitten, is de vriendengroep zo groot geworden, dat er wel iets voor Dolores bij moet zitten.
'Wo,' zegt Muis meens. '0 ho, wist je dat?'
'Wat?' Billy ligt een beetje voor zich uit te staren terwijl zijn vriend hem kietelt.
'Moet je kijken: zegt Muis. 'Die tieten.'

De verteller volgt vooral hoofdpersoon Fae, kruipt als het ware in haar huid en vertelt het verhaal als een live-verslag, in de tegenwoordige tijd.
Dan valt Muis van de brug en begint de rouw. De vertelstijl verandert niet, wel de gebeurtenissen en geuite emoties. Hier blijkt de zeer directe vertelstijl een voordeel (net als in de beschrijving van het ongeluk zelf) en het verhaal toont op overtuigende manier de diverse reacties op het ongeluk en met name hoe schuldig Fae zich voelt. Zij krijgt het idee dat ze Muis had kunnen redden als ze hem nog net op tijd had kunnen beetpakken. De vaardige beschrijving van deze reacties en de ontwikkeling daarin tilt dit verhaal uit boven het niveau van het gemiddelde onderhoudende maar onbeduidende tienerverhaal.


Wij, twee jongens

Wij, twee jongens van Aline Sax (Clavis) gaat over een boerengezin dat in 1910 naar de Verenigde Staten wil emigreren. Uiteindelijk emigreert alleen zoon Adriaan, een van een tweeling. Hij komt na eenzaam en soms vernederend geploeter terecht bij Jack, op wie hij verliefd wordt en dan blijkt dat hij homoseksueel is. De liefde is wederzijds en Jack neemt hem onder zijn hoede. Dan komt echter tweelingbroer Alexander alsnog aan, in de volle verwachting dat ze met zijn tweeën een nieuw boerenbestaan in de VS zullen opbouwen. Adriaan moet kiezen. Dat leidt tot dit verhaal.

Aline Sax had in 2003 al enkele titels op haar naam staan toen dit boek verscheen. Alle verhalen voor 14+ die in het verleden spelen en daarop is dit werk geen uitzondering. Het past in een traditie van ‘historische jeugdliteratuur’, zoals dit genre van in het verleden spelende verhalen vaak wordt genoemd.
Op het hier besproken verhaal is overigens inmiddels een vervolg gekomen: Schaduwleven.

Allereerst iets heel basaals: dat het hier om een Vlaams (West-Vlaams nog wel) boerengezin gaat, merk je als Nederlandse lezer pas op het moment dat de naam Kortrijk wordt genoemd en als blijkt dat het gezin in Antwerpen scheep zou gaan. Dit voor diegenen (het komt in jeugdliteraire kringen nog wel voor) die denken dat Vlaamse auteurs geen Nederlands zouden schrijven.
De verteller is de hoofdpersoon: Adriaan. Dat heeft meteen iets onwaarschijnlijks: hoe kan een eenvoudige boerenzoon anno 1910 zich zo bloemrijk en welsprekend uitdrukken? Tja, ’t is niet onmogelijk natuurlijk, maar toch. Officieel vertelt Adriaan, maar het is duidelijk dat er een bloemrijke schrijfster in zijn huid is gekropen. Het is een van de valstrikken van een ik-verhaal: een verteller-hoofdpersoon creëren en dan losbarsten in een stijl die bij een heel ander soort verteller past.
Het begint met een brief, gericht aan ‘Liefste Alexander’. Die was nodig en ‘JoAnne raadde me aan alles op te schrijven, gewoon, voor mezelf.’ […] Ík hoop dat je, door mijn verhaal te lezen, mijn keuze kunt begrijpen en aanvaarden.’ […] ‘Want ik hou van jou, mijn broer, dat moet je altijd -wat er ook gebeurt, wat ik ook beslis - onthouden.’
Die brief wordt op de laatste pagina van het verhaal, p. 295, voltooid, En dan weten lezer noch Alexander wat Adriaan heeft besloten. Dat is op zich bijzonder en tamelijk ongebruikelijk in de jeugdliteratuur, zo’n open einde. Inmiddels maakt dat vervolg overigens duidelijk wat hij koos.
In zijn verhaal gaat hij uitvoerig in op het vertrek en zijn eerste dagen in de totaal vreemde stad. In een iets sneller tempo vertelt hij vervolgens hoe hij Jack ontmoette, hoe zij verliefd op elkaar raakten, hoe hij ontdekte dat hij op mannen viel. Hij schets de vriendenkring, de jaloezieën, de avonturen. Heel boeiend en beeldend beschreven allemaal.
Neem het begin. Het boerengezin, het boerderijtje waar hij en zijn tweelingbroer Alexander door de kieren in het dak de lucht zien. Vader die (net als Alexander) graag wil gaan, moeder die (net als Adriaan) tegen de reis opziet. De tweelingbroers die uiterlijk haast niet te onderscheiden zijn maar heel verschillende karakters hebben. Het hoestende zusje Charlotte. Ze gaan voor het eerst met de trein, voor het eerst naar een stad. De chaos zie je voor je. De armoedige landverhuizers, het gedrang en geduw, het geworstel om een slaapplek in een logement, de vreemdelingen uit Oost-Europa die je niet verstaat. Vader die snel buiten adem raakt. Dan het drama van de hoestende Charlotte die niet meemag, en moeder blijft bij haar. Een al te snel afscheid. Het verschil tussen rijk en arm op het schip. De aankomst, de rijen, de onverschillige ambtenaren en dokters. Vader die terugmoet, want niet gezond genoeg. Alexander die terugmoet, want vecht met een oplichter. En daar staat Adriaan, in zijn eentje op de kade, in een land waarvan hij de taal niet spreekt, want Engels leren kwam er bij de voorbereiding kennelijk niet van.
We zijn dan al op p. 87:

Alexander ... vader ... Ik duwde tegen de reling alsof ik zo de boot van richting zou kunnen doen veranderen.
Met een lichte trilling meerde de boot aan. Meteen begon iedereen weer voren te schuiven en de stroom nam me mee. Aan wal werden we deze keer niet door mannen in uniform in een bepaalde richting geduwd. De mensen verspreidden zich, verdwenen in de stad en plots was ik alleen in York.
Ik kon doen wat ik wilde.
Ik bleef op de kade staan en staarde naar Ellis Island. Het lawaai achter me klonk ijl. Wat moest ik beginnen?
'D'ya need dollars, Sir?' Ik keek de brutale aap naast me aan. Hij duwde mijn arm met een hand vol geldbriefjes. Deelde hij die uit?
'Do you need dollars? Good price. I’ll give ya a good price!' Hij schudde aan mijn arm. Ik draaide me geërgerd om en liep van hem weg. 'Wanna cab, Sir?' riep een koetsier me toe. Hij maakte een uitnodigend gebaar naar zijn paard. 'Only fifty cents for twenty blocks!' Ik luisterde niet naar hem en keerde me af van de kade.

'New York Times, latest edition!' gilde een jongen met kranten over zijn schouder en een in zijn hand. Een auto toeterde, iedereen riep door elkaar. Paardenhoeven op straat. De hoorn van een boot. Een kind huilde. Twee anderen zongen. Zo veel volk. Iedereen liep door elkaar. De zon brandde. Ik zweette, maar durfde mijn jasje met uit te trekken. Niemand liep in hemd, behalve de kinderen. Ze stoven langs me heen. Een wonder dat ze nog energie vonden met deze hitte. Ik keek naar de lucht. De gebouwen boven me tolden om me heen, leken te vallen. Ik moest me ergens aan vastgrijpen om niet om te vallen. 'Only a penny, Sir: zei een mannenstem naast me. Ik liet snel zijn handkar los toen ik zag dat ik die vastgegrepen had. 'Only a penny.’ Hij wees op een berg grote augurken. De geur maakte me nog draaieriger. Snel begon ik in de richting van de gebouwen te lopen. Ik wilde weg uit de zon, weg uit de drukte. Ik bleef lopen.

Onze vlot, bijna filmisch schrijvende maar ter plekke niet zo spreekvaardige hoofdpersoon wordt prompt beroofd van zijn spulletjes en het geploeter begint. Dat ga ik hier nu niet meer uitgebreid beschrijven, de hoofdlijn is tamelijk eenvoudig: ik worstel en kom boven. Mede dankzij Jack, en vriendin JoAnne en hun vriendenkring. Interessant en goed beschreven is natuurlijk hoe hij ontdekt verliefd te zijn op Jack, ontdekt dus dat hij homo is.
Dan komt. op p. 257, Alexander het verhaal binnengelopen. Niet onverwacht, komst was aangekondigd. Jack biedt gastvrij onderdak, maar het botert meteen niet tussen die twee: de hartelijke, fijngevoelige en wat gereserveerde Jack en de dynamische, vrijmoedige en wat lompe boerenzoon, die meteen verder wil, de stad uit, het land in om samen met zijn broer een boerderij te beginnen. Adriaan raakt in de knel, vlucht op een gegeven moment het huis uit naar JoAnne, vraagt om raad en da capo al fine.

Een zeer genietbaar verhaal, met alle details en wendingen toch met vaart verteld. Het decor komt overtuigend tot leven. En het gaat ergens over: vriendschap, liefde, de ontdekking van homoseksualiteit, moeten kiezen. De paradox van de verteller die dit eigenlijk niet zou kúnnen vertellen, met deze flux de bouche, raakt gemakkelijk vergeten.


Zand erover

Zand erover van Laura Broekhuysen (Lemniscaat) is een debuut. De (anonieme) verteller focust op de jongste van de vier zussen, Meike. Daardoor en door de wijze van uitgeven vindt dit werk in de boekhandel een plaats in de kast jongerenboeken c.q. jeugdliteratuur. De wijze van uitgeven: 1) staat deze uitgeverij bekend als uitgever van jongerenliteratuur, 2) heeft zij het zelf aangekondigd als zodanig (aanbieding jeugdliteratuur), 3) toont de omslagafbeelding (van Nynke Talsma) veel jongere figuren (het lijken wel basisschoolkinderen) dan de personages zijn: een echte jongere (Meike), drie volwassen zussen. Ware deze tekst me voorgelegd zonder buitenliteraire context, dus als typoscript, dan was het nog een open vraag geweest waar dit verhaal te plaatsen.

De opbouw is die van een verteller die één personage van dichtbij volgt, als het ware in haar huid en geest kruipt, in onvoltooid tegenwoordige tijd, dus als een live verslag. Het begint ook medias-in-res, zoals zeer veel jeugdliteratuur.
Maar het blijkt al snel geen middle-of-the-road-stijl. Ten eerste zijn er (met inspringen) gedachteflarden, meestal maar een zin. Ten tweede zijn er al snel flashbacks, cursief gedrukt, met dezelfde stijl maar een andere hoofdpersoon, ene Lis. Ten derde is het een ronduit karige stijl, de informatie die nodig is om te achterhalen waar het over gaat wordt mondjesmaat gegeven en zeer zorgvuldig gedoseerd.
Hier is een auteur met talent aan het werk!
De suggestie van een drama dient zich snel aan, vooral door die flashbacks, want die Lis blijkt eenzaam en heeft een stel starre, haar niet begrijpende ouders.
Even drie piepkleine details uit de eerste flashbacks: ‘De klok op de schoorsteen is bijna niet te zien.’ Klok op de schoorsteen: als enige, eerste en heel subtiele hint dat deze flashbacks zich, hoewel zoals gezegd verteld on o.t.t., afspelen in een tijd vóór de tijd waarin het hoofdverhaal zich afspeelt. Detail twee: ‘Poppen met zelfgestreken kleertjes.’Idem. Detail drie, derde flashback: ‘Mama is bezig met brieven schrijven.’ Idem.
Maar ook in het hoofdverhaal zitten allerlei aanwijzingen van een drama, van mensen die iets verborgen houden: een moeder die altijd maar straalt en mooi weer speelt, zussen net zo.
Zo komt de lezer heel langzaam te weten dat er in het gezin van ‘Lis’ een broertje Hugo is geweest over wie niemand het meer heeft. Dat de vier zussen een broer Jesse hebben gehad die is omgekomen. Later in het verhaal: dat die is omgekomen door toedoen van de drie oudste zussen, ze lieten hem even alleen om ijs te kopen en vonden hem verdronken in een sloot. Nóg later: dat hun vader op dat moment met zwangere moeder naar het ziekenhuis was en de zorg aan hen (toen nog heel jong) had toevertrouwd. En zo merkt de lezer dat er een vader ís, dat er een scheiding is. Zo merkt de lezer, mét Meike, dat de zussen vrijwel automatisch in de mooi-weer-rol vervallen, nooit eens boos zijn of verdrietig, altijd de schone schijn ophouden - zo erg dat het de ook aanwezige vrienden licht verbaast. Tot er brand uitbreekt in hun tent (door onhandig geklungel van vriend Bram), dat bewerkstelligt een soort omkeer. Ze gaan praten, laten de schone schijn vallen. Tegen die tijd heeft de lezer, zonder dat dit met zoveel woorden gezegd wordt, ook wel door dat die ‘Lis’ hun moeder is, er worden dus tegelijk twee verhalen verteld die met elkaar te maken hebben en het verhaal over Lis geeft al veel aanwijzingen voor het karakter van hun moeder.
Het is een verhaal met een katharsis. De zussen gaan inderdaad praten, brengen hun moeder zodanig van haar stuk dat ze het mooi-weer-masker afdoet en ik citeer de laatste regels om iets te tonen van stijl en verhaal:

‘Hugo?’ vraagt Lisa. ‘Wie is Hugo?’
‘Hij was dood: Mama plukt aan haar kettinkje. ‘Al die voornemens. Ze waren er al toen ik acht was of negen. Negen, want niemand praatte meer met poppen:
Floor schudt haar hoofd. ‘Ik begrijp niet -’
‘Natuurlijk je het niet, jullie begrijpen niks.’ Mama’s stem is zo on-mama-achtig dat ze haar onthutst aanstaren. Ze huilt weer, zonder zich te schamen nu. Lisa’s beverige handen gieten een lauwe scheut thee over Meikes knie.
‘Je hebt ons nooit iets verteld: zegt Eva. ‘Wat hadden we moeten begrijpen?’
Mama kijkt naar de nacht achter het raam. Even lijkt het alsof ze zal gaan zingen over de maan. Mama die daar zit als een behuilde puber. Mama di op haar nagel kauwt. ‘Kan het ook morgen?’
Lisa schudt haar hoofd. ‘Liever nu.’
‘Morgen - ‘
‘Begin bij Hugo,’ zegt Floor.
Mama stopt met huilen en knikt, veegt de rood-grijze plukken uit haar gezicht. Ze begint bij Hugo.

Dit verhaal is zorgvuldig gecomponeerd, met een goede spanningsopbouw en een plot die staat. Het gáát ergens over, is in staat om lezers bij de keel te grijpen.
Een debutant om op te letten!


Allemaal willen we de hemel

Allemaal willen we de hemel van Els Beerten (Querido) speelt in Vlaanderen, tijdens en na WO II. Twee vrienden met sympathie voor ‘strijd tegen het communisme’ aan het Oostfront beleven een incident: tijdens de overval op een bijeenkomst van verzetsmensen doodt Jef een familielid. De enige die dat weet, vriend Ward, gaat naar het Oostfront in het Vlaamsch Legioen en krijgt deze moord in zijn schoenen geschoven. Daardoor wordt Jef tot ‘held’ benoemd. Die is daar ongelukkig mee, maar hij zwijgt. Als Ward na de oorlog en een periode van clandestien bestaan terugkeert naar België en zich aangeeft, ontstaat een gespannen situatie die uiteindelijk in 1947 tot een tweede moord, in de rechtszaal: Jef schiet Ward dood. De enige veroordeling die Jef echter krijgt is er een wegens het in eigen hand nemen van het recht, want verder wordt hij ‘tijdelijk ontoerekeningsvatbaar’ verklaard. Hij houdt op met zijn werk in de mijn, gaat naar de ‘missies’ in Congo en komt daar om het leven.

Het is een heel lang uitgesponnen verhaal, waarin de spanning zeer langzaam, maar zeker wordt opgebouwd. Het verhaal wordt verteld door verscheidene vertellers, op Ward na Jef en familie, te weten zijn veel jongere broer Remi en zus Renée, die verliefd was op Ward.  Deels zijn het terugblikken, maar grotendeels zijn het verslagen alsof de vertellers het gebeurde meemaakten.
Het begin met een ‘Proloog’ uit 1967, met Remi als verteller, over de begrafenis van zijn broer. Genoeg om te snappen dat er ‘iets’ is gebeurd en kennis te maken met zus Renée en andere belangrijke figuren. Deze ‘Proloog’ vindt, na een tragisch slothoofdstuk, een vervolg in de ‘Epiloog’, het laatste hoofdstuk, dezelfde begrafenis in 1967, maar verder verteld door Renée.
De lezer weet dan inmiddels hoe de vork in de steel steekt. In de tussenliggende twee delen, ieder weer verdeeld in hoofdstukjes, wordt dat naar het eind toe duidelijk. Boven deel 1 staat 1945, boven deel 2 1947. Wie er (per hoofdstukje) vertelt moet hij uit de context opmaken. Soms staat er boven een hoofdstukje ook nog een jaartal.
De aanloop is lang: in die hoofdstukjes, met name in deel 1, wordt vooral de sfeer geschetst in het gezin waarin Jef opgroeit, en tevens de spanningen tussen weerzin tegen de bezetter (culminerend in verzet) enerzijds en anderzijds de mede door sommige priesters opgewekte sympathie voor de ‘strijd tegen het communisme’ samen met de Duitsers. Dat gaat door in deel 2, maar daarin komt Ward veel meer aan het woord en is er aandacht voor de nasleep, culminerend in ‘het proces’ in 1947.

Binnen het uitgebreide repertoire aan verhalen rond WO II dat de Nederlandstalige jeugdliteratuur kent, heeft dit werk een eigen, nieuwe inbreng. Niet dat er geen verhalen waren en zijn over de ‘verkeerde keuze’ (zie een klassieker als Oorlog zonder vrienden van Evert Hartman, 1979, en recenter bijvoorbeeld De schaduw van het verleden van Martine Letterie, 2001, Onvoltooid verleden tijd van Emmy Dullemond, 2003, of Wielóóóch van An van ‘t Oosten, 2006), maar zo uitgewerkt als dit, dat is bijzonder.
De keuze van dit thema is gezien Els Beertens eerdere werk een verrassing. Zij heeft meerdere serieuze romans voor jongeren geschreven (Simon, Lopen voor je leven, Voorbij de blauwe lucht), maar die kenden niet dit oorlogsthema. Het is door de bijzondere uitwerking beslist een stap vooruit in haar oeuvre.

Dit werk stijgt ontegenzeggelijk boven de mainstream uit. Langzaam maar zeker leren we alle personages goed kennen, ieder met zijn of haar eigen karakter (bv. de jonge Remi als eeuwige vragensteller, ‘waarom vertelt niemand mij iets?’), rol en achtergrond en soms eigen tragedies (bv. Renée en haar verloving). Langzaam maar zeker krijgen we een vermoeden van wat er zich heeft afgespeeld (en zekerheid op p. 425-427) en snappen we het merkwaardig gedrag van Jef, die zijn heldendom afwijst. We krijgen ook steeds meer inzicht in de achtergronden van Wards besluit om naar het Oostfront te gaan. We krijgen ook steeds meer te weten over de wederwaardigheden van Ward in Duitsland, hoe hij laat, veel en veel te laat, tot het bewustzijn komt dat hij een foute keuze heeft gemaakt en hoe hij zich de eerste jaren na de oorlog staande houdt, vermomd als de ‘gewonde soldaat’ Martin Lenz. We krijgen wrang zicht op de oorlog zelf, bijvoorbeeld in het hoofdstukje ‘Je n’ai plus de feu’, p. 283-288 of de passage waarin ‘Martin Lenz’ zijn geliefde Isa verliest in een bombardement. Er zijn mooie motieven in vervlochten: met name de muziek: Ward en zijn sax, Jef en later Remi met zijn trompet. Een rijk verhaal, kortom.
Deze dosering is knap gedaan, de karaktertekening ook. Je zou nog kunnen aanmerken dat er wat meer stijlverschillen hadden kunnen zijn tussen de hoofdstukjes, per verteller, maar echt hinderen doet dat niet, de stijl is zo helder en droog dat hij de presentatie van de karakters niet in de weg zit.
Twee citaten. De een (p. 188) van Jef, wat er gebeurd als hij na een bijeenkomst van het VNV (Vlaams Nationaal Verbond), met een leeuwenvlaggetje:

Het was donker toen ik thuiskwam. Ik verstopte mijn fiets als altijd in het hooi. Ik liep met het vlaggetje naar binnen.
Mijn ouders zaten bij de kachel. Remi zat aan tafel te tekenen.
‘Ha pa,’ glimlachte ik. ‘1k heb veel te vertellen.’
Hij glimlachte terug.
Opeens vertrok zijn gezicht. ‘Wat is dit? Godverdomme, wat is dít?’ Hij vloog overeind uit zijn stoel en rukte het leeuwenvlaggetje uit mijn handen. ‘Ik wil dit gezever niet huis. Is dat duidelijk?’ Hij brulde de woorden in mijn gezicht. ‘Ik dacht dat je oud genoeg was, Jef. Ik dacht dat je de een beetje kende. Nee dus. Verdomme toch.’
Mijn moeder was opgestaan. ‘Jef,’ zei ze verschrikt.
‘Pa,’ begon ik.
‘Hou je kop,’ zei mijn moeder. Haar arm ging de lucht in en haar vlakke hand sloeg tegen mijn wang.
‘Hé,’ begon ik, ‘wat ... ‘
‘Zwijgen, Jef!’ zei mijn moeder.
Ik wreef over mijn wang. De klap was hard aangekomen. Waarom waren ze zo kwaad? Ik begreep er niks van. Ik keek naar de grond.

Het tweede citaat van Renée, uit een laatst ontmoeting met haar (bijna ex-) lief Ward, die al gekozen heeft voor het legioen.

Hij nam mijn gezicht tussen zijn handen. ‘Renée?’ Te zacht, die stem.
‘Wat als de Russen alles platbranden, wie gaat ons dan redden?’
‘Ward,’ begon ik.
‘En ze zullen ons land platbranden, Renée. Ze zijn wreed en ze hebben met niemand medelijden.’
‘Wie zegt dat?’
Hij antwoordde niet. Hij keek me alleen maar aan. Zijn handen voelden zo zacht tegen mijn wangen. ‘Ze zullen ons leven kapotmaken, Renée. En we gingen samen honderd jaar worden, weet je het nog?’
‘Maar de Duitsers ... ‘
‘Renée, luister. De Duitsers hebben ons land bezet, en ze hebben hier lelijke dingen gedaan. Maar aan het oostfront hebben we dezelfde vijand.’
Het klonk zo aannemelijk wat hij zei. Toen hoorde ik weer mijn vader in mijn hoofd. De Duitsers waren de vijand, hoe konden we de woorden van de vijand geloven?
‘Je zult trots op me zijn, Renée.’
Hij glimlachte zo warm naar mij. Hij legde zijn armen me heen en trok me tegen zich aan.
Ik zou niet trots op hem zijn.
Ik duwde zijn armen weg en zette een stap achteruit. Opeens wist ik welke woorden ik moest gebruiken. ‘Je wéét toch dat ze de joden ongedierte noemen ?’
‘Omdat Theo dat beweert hoeft het toch nog niet zo te zijn?’
‘En wat ze zijn vrouw hebben aangedaan, dat telt niet, zeker? En het gezin van Alfons? Zomaar op de trein gezet naar wie weet waar?’
‘Smeerlappen heb je overal. Lang niet alle Duitsers zijn slecht, Renée.’


Spiegeljongen

Spiegeljongen is het derde deel van een trilogie door Floortje Zwigtman (De Fontein, 2010). Hoofdpersoon en verteller Adrian Mayfield is zeer wanhopig nadat zijn minnaar Vincent Farley de relatie heeft verbroken en tracht wraak te nemen op Vincent, terwijl hij tegelijkertijd nog van hem houdt. Voor zijn wraak schakelt hij mensen in die Adrian in hun eigen plannen en intriges betrekken, waardoor Adrian in hachelijke situaties belandt. Adrian slaagt gedeeltelijk in zijn wraak, de liefde krijgt echter geen kans meer en raakt op de achtergrond. Aan het eind ontmoet Adrian een andere jongen (Terry Lander) op wie hij verliefd wordt – en blijkens de epiloog, waarin Vincent nog eenmaal zijn voormalige minnaar waarneemt, is dat een langdurige, gelukkige relatie.

Drie romans (Schijnbewegingen, 2005; Tegenspel, 2007; en Spiegeljongen, 2010) vormen bij elkaar een typisch Bildungsverhaal, waarin de jonge hoofdpersoon zich door zijn ervaringen geestelijk ontwikkelt. Bijzonder hierin is, zeker binnen het kader van de jeugdliteratuur, dat de hoofdpersoon homofiel is.
De auteur debuteerde met Spelregels in 2003, een verhaal voor tieners dat in het verleden speelt – en dat typeert deze auteur. Ze heeft ook andersoortig werk geleverd: voor jongere kinderen, zoals bv. Gifzuster (Zwijsen, 2008). Haar hart lijkt echter te liggen bij breed opgezette verhalen die in het verleden spelen – met een curieuze term ook wel historische verhalen genoemd. Met haar tweede, Wolfsroedel, won ze meteen de Gouden Uil en een Zilveren Griffel. Met zulke verhalen past ze in een lange traditie in de jeugdliteratuur. Nieuw echter is, zoals al gemeld, de homoseksuele liefde in deze in de 19e eeuw spelende trilogie.
Breed opgezet: daarvan is de trilogie een fraai voorbeeld: bij elkaar ruim 1600 pagina’s – en dan is er nog een aftakking, want in Kersenbloed (2007, 96 p.) wordt de jeugd van Vincent Farley beschreven.

Geen literaire buitenissigheden in dit verhaal. De verteller begint bij het begin en vanaf dat moment ontrollen de gebeurtenissen zich in chronologische volgorde, met hier en daar een terugblik. Voor een jongen van eenvoudige komaf is Adrian buitengewoon verbaal, een begenadigd verslaggever van zijn wedervaren. Geen wonder met een toneelspeler als vader, kan je denken, en geen wonder dat hij verslaggever wil worden: dat heeft de auteur knap bedacht om die welsprekendheid geloofwaardig te maken.
Een bezwaar is die welsprekendheid sowieso niet. Vanaf het begin trekt de verteller de lezer het verhaal in. En dat zo vaardig dat je niet eens ‘Wat vooraf ging’ hoeft te lezen om al na enkele bladzijden te snappen wat de clou van dit verhaal wordt. Die vanzelfsprekende welsprekendheid blijft tot aan het eind toe, en zit tot aan het eind toe niet in de weg. Zijn gewezen minnaar kan er ook wat van, maar is toch iets ingetogener: hij, Vincent, is degene die in de epiloog aan het woord is, in een brief aan zijn vrouw.
Die brief tilt het verhaal nog verder uit boven het niveau van wraak. Hier wordt een tragedie beschreven, een liefde die onmogelijk blijkt binnen de gegeven sociale omstandigheden. En binnen die tragedie passen met gemak nog wat tragedies (Oscar Wilde! Arthur Stableford, de familie Farley) en een enkel blijspel (bv. het verhaal van Auguste Trops, of Adrians dronkenschap in Parijs). En nog vele minitragedies, want Adrians avonturen reiken van Londen tot Parijs en er gebeurt zo veel dat zich aan het oog van de lezer binnen het grote schouwspel nog een scala aan andere schouwspelen ontrolt, alles tegen de in het voorbijgaan toch raak geschetste achtergrond van de 19e eeuw en dat zo vanzelfsprekend dat je je als lezer geen moment op afstand gezet voelt.
Dit is, kortom, een heel goed geschreven verhaal met veel diepgang. En binnen de Nederlandstalige jeugdliteratuur een meesterwerk.
Het is daarbij wel de vraag of dit verhaal nog onder de jeugdliteratuur valt, maar ja, het is leesbaar voor leesvaardige twaalfjarigen en ouder, dus… maar een ‘bovengrens’ zou ik er niet aan kunnen geven.

À propos Floortje Zwigtman: die houdt op 25 mei de 12e Annie M.G. Schmidtlezing.

donderdag 6 januari 2011

De zinnelijke geneugten van pindakaas en jam van Liebenberg, Lauren (Artemis & Co. 2008) is volgens de voorkant een 'indringende roman over twee zusjes die opgroeien in het koloniale Afrika'. Dat is een van de stomste ondertitels die ik ooit heb gezien. Ten eerste maak ik zelf wel uit of een roman 'indringend'  is, ten tweede gaat het om Rhodesië onder Ian Smith en dat is zo speciaal dat 'het koloniale Afrika' het verhaal tekort doet. Vertelster is Nyree, rond negen, en ja, het verhaal gaat over haar en d'r zusje Cia. Een leven op een boerderij, met moeder, Oupa (grootvader) en Jobe en andere bedienden, en hoe goed ze het aanvankelijk ook hebben, het verhaal zit vol onheilstekens: de terrs die het op de witten gemunt hebben, vader die voortdurend weg is omdat hij op de terrs jaagt, de Afs (zo noemt Nyree de zwarten) met hun witte en zwarte magie. Hun neef Ronin komt logeren. Hij heeft een vals karakter en maakt hen het leven zuur - Cia bekoopt dat einde verhaal met de dood, net als eerder hun hondje Moosejaw. Het perspectief van de jonge verstelster Nyree is bijzonder knap volgehouden. Daardoor komen de onderlinge verhoudingen heel subtiel in beeld. Geen vrolijk einde, als een zware onweersbui die al tijden in de lucht hangt en dan eindelijk uitbarst.
Niet aangeboden als jeugdliteratuur, dit verhaal, en ongetwijfeld veel te lastig voor tienjarige lezers. Puberale lezers kunnen het wel aan, maar zullen het lastig vinden zich te vereenzelvigen met de veel jongere hoofdpersonen. Een prachtig verhaal voor volwassenen die bereid zijn om te kijken en zich hun eigen jeugd herinneren.

Niggers is always talking about witches in the dark by the kitchen fire

huck2

Alom reuring: het woord nigger is in een nieuwe uitgave van The Adventures of Huckleberry Finn (1884) van Mark Twain vervangen door slave. ' The New South editors changed nigger to slave as if those two words are interchangeable for black people. That in itself is way more offensive and could cause a lot more problems, 'schrijft medeblogger Virgo Kent en volgens mij slaat hij daarmee de spijker op de kop.
Het gaat om een nieuwe editie, bij New South Books, en de initiatiefnemer van de vervanging is redacteur Alan Gribben. Lees hier wat deze uitgeverij erover te melden heeft. Een beetje googlen levert talloze reacties op, meestal afwijzend, zie bijvoorbeeld hier, hier, hier (van Todd Pettigrew in On Campus), hier (Boston.com, met vote, 5 % vóór en 95 % tegen), Publisher's Weekly, The Telegraph (reacties op goede samenvatting door Christopher Howse en het plaatje is aan dit artikel ontleend), Shani Hilton op Campus Progress, Peter Salwen en Lawrence Auster, en daar ontwaar ik tussen de reacties onvermijdelijk en terecht in die van ene James R. de Orwelliaanse term newspeak.
'Do you know that Newspeak is the only language in the world whose vocabulary gets smaller every year?'


dinsdag 4 januari 2011

International Reading Association

Het is weer zover:  met de post komt een blaadje van de International Reading Association met het verzoek om mijn stem uit te brengen op kandidaten voor het bestuur. Ik ben lid van die vereniging, vandaar.

Er is niets mis met de doelstelling van de International Reading Association: wereldwijd het leesonderwijs verbeteren. Of zoals het op de website staat: 'The mission of the International Reading Association is to promote reading by continuously advancing the quality of literacy instruction and research worldwide.

More than 70,000 members strong, the Association supports literacy professionals through a wide range of resources, advocacy efforts, volunteerism, and professional development activities.  Our members promote high levels of literacy for all by:
- Improving the quality of reading instruction
- Disseminating research and information about reading
- Encouraging the lifetime reading habit.'
Da's nog maar een samenvatting, de hele doelstelling staat hier.
En minnaars van het kinderboek, tot die verbetering hoort de aanwezigheid en het presenteren van jeugdliteratuur op school. Daaraan wordt in de periodieken van de International Reading Association, zoals The Reading Teacher, voldoende aandacht besteed. Niet voor niets doet het hoofdkantoor van de International Reading Association in Newark (VS) de Amerikaanse sectie van de International Board on Books for Young people (IBBY) er bij.

Daarmee kom ik meteen bij een bezwaar. De International Reading Association mag dan mooie doelstellingen en internationale pretenties hebben, van de 65978 leden wonen er 61945 in de VS, 1446 in Canada en 2587 'outside North-America'. De International Reading Association is helemaal niet internationaal, maar op en top Amerikaans. Door de directe democratie van de vereniging blijft dat ook zo: met zoveel Amerikaanse leden blijft het bestuur ook Amerikaans, al verdwaalt er wel eens iemand uit Finland of Nieuw-Zeeland in. Het leeuwendeel van de activiteiten is ook gericht op de VS, begrijpelijk gezien het bovenstaande.
Wat heb je er aan om lid te worden? Als praktizerend onderwijsgevende in ons taalgebied eigenlijk niets. Als onderzoeker wel, want The Reading Teacher en de International Reading Research Quarterly zijn gedegen vaktijdschriften. Ik vermoed dan ook dat alle niet-Engelstalige leden van de International Reading Association geabonneerd zijn op deze tijdschriften.

Niettemin zijn er internationale activiteiten. Zo heeft de International Reading Association met hulp van de Soros Foundation stevig geïnvesteerd in nieuwe filialen in Centraal- en Oost-Europa en zijn er in alle overige werelddelen affiliates, zoals dat heet. In Europa zijn die georganiseerd in de International Development in Europe Committee (IDEC), die elke twee jaar een European Reading Conference organiseert - op 31 juli t/m 3 augustus aanstaande - in Mons/Bergen, België. Die conferentie wordt overigens mede georganiseerd door een vereniging die uit de schoot van IDEC is voortgekomen, wellicht om wat losser van het IRA-hoofdkwartier te kunnen opereren, de FELA ofwel de Federation of European Literacy Associations.
Is er ook een Nederlands affiliate? Ja, Reading Association in the Netherlands (RAiN), maar op één actief lid (en al jaren voorzitter, Jeroen Clemens) na, is dat Doornroosje nabij. Ook de twee Belgische affiliates zijn niet bijster actief. Meesters en juffen die hun leesonderwijs willen verbeteren, moeten het in onze taalstreek echt van andere instanties hebben.

Ik blijf toch maar even lid. Al was het maar omdat ik Doornroosje's penningen beheer. En omdat ik goede herinneringen heb aan enkele European Reading Conferences. Vooral die in Budapest, in 1995. Hoe heet het er was (gemiddeld zo'n 30 graden), hoe enthousiast de deelnemende onderzoekers uit Hongarije en andere uit de Sovjet-Unie geglipte landen, met als hoogtepunt, ja sorry lezers, het heeft niets met lezen te maken, de avond met Hongaarse muziek waar wij deelnemers tot in de kleine uurtjes ons in het zweet gedanst hebben, in steeds grotere en warmere kringen.
Ik heb mijn stem dus maar uitgebracht.

maandag 3 januari 2011

Jaaroverzicht 2010 jeugdliteratuur

Collega-blogger Richard Thiel maakte zoals gebruikelijk een jaaroverzicht: zie hier. Redelijk adequaat, lijkt me.