Zoeken in deze blog

vrijdag 7 januari 2011

Allemaal willen we de hemel

Allemaal willen we de hemel van Els Beerten (Querido) speelt in Vlaanderen, tijdens en na WO II. Twee vrienden met sympathie voor ‘strijd tegen het communisme’ aan het Oostfront beleven een incident: tijdens de overval op een bijeenkomst van verzetsmensen doodt Jef een familielid. De enige die dat weet, vriend Ward, gaat naar het Oostfront in het Vlaamsch Legioen en krijgt deze moord in zijn schoenen geschoven. Daardoor wordt Jef tot ‘held’ benoemd. Die is daar ongelukkig mee, maar hij zwijgt. Als Ward na de oorlog en een periode van clandestien bestaan terugkeert naar België en zich aangeeft, ontstaat een gespannen situatie die uiteindelijk in 1947 tot een tweede moord, in de rechtszaal: Jef schiet Ward dood. De enige veroordeling die Jef echter krijgt is er een wegens het in eigen hand nemen van het recht, want verder wordt hij ‘tijdelijk ontoerekeningsvatbaar’ verklaard. Hij houdt op met zijn werk in de mijn, gaat naar de ‘missies’ in Congo en komt daar om het leven.

Het is een heel lang uitgesponnen verhaal, waarin de spanning zeer langzaam, maar zeker wordt opgebouwd. Het verhaal wordt verteld door verscheidene vertellers, op Ward na Jef en familie, te weten zijn veel jongere broer Remi en zus Renée, die verliefd was op Ward.  Deels zijn het terugblikken, maar grotendeels zijn het verslagen alsof de vertellers het gebeurde meemaakten.
Het begin met een ‘Proloog’ uit 1967, met Remi als verteller, over de begrafenis van zijn broer. Genoeg om te snappen dat er ‘iets’ is gebeurd en kennis te maken met zus Renée en andere belangrijke figuren. Deze ‘Proloog’ vindt, na een tragisch slothoofdstuk, een vervolg in de ‘Epiloog’, het laatste hoofdstuk, dezelfde begrafenis in 1967, maar verder verteld door Renée.
De lezer weet dan inmiddels hoe de vork in de steel steekt. In de tussenliggende twee delen, ieder weer verdeeld in hoofdstukjes, wordt dat naar het eind toe duidelijk. Boven deel 1 staat 1945, boven deel 2 1947. Wie er (per hoofdstukje) vertelt moet hij uit de context opmaken. Soms staat er boven een hoofdstukje ook nog een jaartal.
De aanloop is lang: in die hoofdstukjes, met name in deel 1, wordt vooral de sfeer geschetst in het gezin waarin Jef opgroeit, en tevens de spanningen tussen weerzin tegen de bezetter (culminerend in verzet) enerzijds en anderzijds de mede door sommige priesters opgewekte sympathie voor de ‘strijd tegen het communisme’ samen met de Duitsers. Dat gaat door in deel 2, maar daarin komt Ward veel meer aan het woord en is er aandacht voor de nasleep, culminerend in ‘het proces’ in 1947.

Binnen het uitgebreide repertoire aan verhalen rond WO II dat de Nederlandstalige jeugdliteratuur kent, heeft dit werk een eigen, nieuwe inbreng. Niet dat er geen verhalen waren en zijn over de ‘verkeerde keuze’ (zie een klassieker als Oorlog zonder vrienden van Evert Hartman, 1979, en recenter bijvoorbeeld De schaduw van het verleden van Martine Letterie, 2001, Onvoltooid verleden tijd van Emmy Dullemond, 2003, of Wielóóóch van An van ‘t Oosten, 2006), maar zo uitgewerkt als dit, dat is bijzonder.
De keuze van dit thema is gezien Els Beertens eerdere werk een verrassing. Zij heeft meerdere serieuze romans voor jongeren geschreven (Simon, Lopen voor je leven, Voorbij de blauwe lucht), maar die kenden niet dit oorlogsthema. Het is door de bijzondere uitwerking beslist een stap vooruit in haar oeuvre.

Dit werk stijgt ontegenzeggelijk boven de mainstream uit. Langzaam maar zeker leren we alle personages goed kennen, ieder met zijn of haar eigen karakter (bv. de jonge Remi als eeuwige vragensteller, ‘waarom vertelt niemand mij iets?’), rol en achtergrond en soms eigen tragedies (bv. Renée en haar verloving). Langzaam maar zeker krijgen we een vermoeden van wat er zich heeft afgespeeld (en zekerheid op p. 425-427) en snappen we het merkwaardig gedrag van Jef, die zijn heldendom afwijst. We krijgen ook steeds meer inzicht in de achtergronden van Wards besluit om naar het Oostfront te gaan. We krijgen ook steeds meer te weten over de wederwaardigheden van Ward in Duitsland, hoe hij laat, veel en veel te laat, tot het bewustzijn komt dat hij een foute keuze heeft gemaakt en hoe hij zich de eerste jaren na de oorlog staande houdt, vermomd als de ‘gewonde soldaat’ Martin Lenz. We krijgen wrang zicht op de oorlog zelf, bijvoorbeeld in het hoofdstukje ‘Je n’ai plus de feu’, p. 283-288 of de passage waarin ‘Martin Lenz’ zijn geliefde Isa verliest in een bombardement. Er zijn mooie motieven in vervlochten: met name de muziek: Ward en zijn sax, Jef en later Remi met zijn trompet. Een rijk verhaal, kortom.
Deze dosering is knap gedaan, de karaktertekening ook. Je zou nog kunnen aanmerken dat er wat meer stijlverschillen hadden kunnen zijn tussen de hoofdstukjes, per verteller, maar echt hinderen doet dat niet, de stijl is zo helder en droog dat hij de presentatie van de karakters niet in de weg zit.
Twee citaten. De een (p. 188) van Jef, wat er gebeurd als hij na een bijeenkomst van het VNV (Vlaams Nationaal Verbond), met een leeuwenvlaggetje:

Het was donker toen ik thuiskwam. Ik verstopte mijn fiets als altijd in het hooi. Ik liep met het vlaggetje naar binnen.
Mijn ouders zaten bij de kachel. Remi zat aan tafel te tekenen.
‘Ha pa,’ glimlachte ik. ‘1k heb veel te vertellen.’
Hij glimlachte terug.
Opeens vertrok zijn gezicht. ‘Wat is dit? Godverdomme, wat is dít?’ Hij vloog overeind uit zijn stoel en rukte het leeuwenvlaggetje uit mijn handen. ‘Ik wil dit gezever niet huis. Is dat duidelijk?’ Hij brulde de woorden in mijn gezicht. ‘Ik dacht dat je oud genoeg was, Jef. Ik dacht dat je de een beetje kende. Nee dus. Verdomme toch.’
Mijn moeder was opgestaan. ‘Jef,’ zei ze verschrikt.
‘Pa,’ begon ik.
‘Hou je kop,’ zei mijn moeder. Haar arm ging de lucht in en haar vlakke hand sloeg tegen mijn wang.
‘Hé,’ begon ik, ‘wat ... ‘
‘Zwijgen, Jef!’ zei mijn moeder.
Ik wreef over mijn wang. De klap was hard aangekomen. Waarom waren ze zo kwaad? Ik begreep er niks van. Ik keek naar de grond.

Het tweede citaat van Renée, uit een laatst ontmoeting met haar (bijna ex-) lief Ward, die al gekozen heeft voor het legioen.

Hij nam mijn gezicht tussen zijn handen. ‘Renée?’ Te zacht, die stem.
‘Wat als de Russen alles platbranden, wie gaat ons dan redden?’
‘Ward,’ begon ik.
‘En ze zullen ons land platbranden, Renée. Ze zijn wreed en ze hebben met niemand medelijden.’
‘Wie zegt dat?’
Hij antwoordde niet. Hij keek me alleen maar aan. Zijn handen voelden zo zacht tegen mijn wangen. ‘Ze zullen ons leven kapotmaken, Renée. En we gingen samen honderd jaar worden, weet je het nog?’
‘Maar de Duitsers ... ‘
‘Renée, luister. De Duitsers hebben ons land bezet, en ze hebben hier lelijke dingen gedaan. Maar aan het oostfront hebben we dezelfde vijand.’
Het klonk zo aannemelijk wat hij zei. Toen hoorde ik weer mijn vader in mijn hoofd. De Duitsers waren de vijand, hoe konden we de woorden van de vijand geloven?
‘Je zult trots op me zijn, Renée.’
Hij glimlachte zo warm naar mij. Hij legde zijn armen me heen en trok me tegen zich aan.
Ik zou niet trots op hem zijn.
Ik duwde zijn armen weg en zette een stap achteruit. Opeens wist ik welke woorden ik moest gebruiken. ‘Je wéét toch dat ze de joden ongedierte noemen ?’
‘Omdat Theo dat beweert hoeft het toch nog niet zo te zijn?’
‘En wat ze zijn vrouw hebben aangedaan, dat telt niet, zeker? En het gezin van Alfons? Zomaar op de trein gezet naar wie weet waar?’
‘Smeerlappen heb je overal. Lang niet alle Duitsers zijn slecht, Renée.’


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen