Zoeken in deze blog

vrijdag 7 januari 2011

Wij, twee jongens

Wij, twee jongens van Aline Sax (Clavis) gaat over een boerengezin dat in 1910 naar de Verenigde Staten wil emigreren. Uiteindelijk emigreert alleen zoon Adriaan, een van een tweeling. Hij komt na eenzaam en soms vernederend geploeter terecht bij Jack, op wie hij verliefd wordt en dan blijkt dat hij homoseksueel is. De liefde is wederzijds en Jack neemt hem onder zijn hoede. Dan komt echter tweelingbroer Alexander alsnog aan, in de volle verwachting dat ze met zijn tweeën een nieuw boerenbestaan in de VS zullen opbouwen. Adriaan moet kiezen. Dat leidt tot dit verhaal.

Aline Sax had in 2003 al enkele titels op haar naam staan toen dit boek verscheen. Alle verhalen voor 14+ die in het verleden spelen en daarop is dit werk geen uitzondering. Het past in een traditie van ‘historische jeugdliteratuur’, zoals dit genre van in het verleden spelende verhalen vaak wordt genoemd.
Op het hier besproken verhaal is overigens inmiddels een vervolg gekomen: Schaduwleven.

Allereerst iets heel basaals: dat het hier om een Vlaams (West-Vlaams nog wel) boerengezin gaat, merk je als Nederlandse lezer pas op het moment dat de naam Kortrijk wordt genoemd en als blijkt dat het gezin in Antwerpen scheep zou gaan. Dit voor diegenen (het komt in jeugdliteraire kringen nog wel voor) die denken dat Vlaamse auteurs geen Nederlands zouden schrijven.
De verteller is de hoofdpersoon: Adriaan. Dat heeft meteen iets onwaarschijnlijks: hoe kan een eenvoudige boerenzoon anno 1910 zich zo bloemrijk en welsprekend uitdrukken? Tja, ’t is niet onmogelijk natuurlijk, maar toch. Officieel vertelt Adriaan, maar het is duidelijk dat er een bloemrijke schrijfster in zijn huid is gekropen. Het is een van de valstrikken van een ik-verhaal: een verteller-hoofdpersoon creëren en dan losbarsten in een stijl die bij een heel ander soort verteller past.
Het begint met een brief, gericht aan ‘Liefste Alexander’. Die was nodig en ‘JoAnne raadde me aan alles op te schrijven, gewoon, voor mezelf.’ […] Ík hoop dat je, door mijn verhaal te lezen, mijn keuze kunt begrijpen en aanvaarden.’ […] ‘Want ik hou van jou, mijn broer, dat moet je altijd -wat er ook gebeurt, wat ik ook beslis - onthouden.’
Die brief wordt op de laatste pagina van het verhaal, p. 295, voltooid, En dan weten lezer noch Alexander wat Adriaan heeft besloten. Dat is op zich bijzonder en tamelijk ongebruikelijk in de jeugdliteratuur, zo’n open einde. Inmiddels maakt dat vervolg overigens duidelijk wat hij koos.
In zijn verhaal gaat hij uitvoerig in op het vertrek en zijn eerste dagen in de totaal vreemde stad. In een iets sneller tempo vertelt hij vervolgens hoe hij Jack ontmoette, hoe zij verliefd op elkaar raakten, hoe hij ontdekte dat hij op mannen viel. Hij schets de vriendenkring, de jaloezieën, de avonturen. Heel boeiend en beeldend beschreven allemaal.
Neem het begin. Het boerengezin, het boerderijtje waar hij en zijn tweelingbroer Alexander door de kieren in het dak de lucht zien. Vader die (net als Alexander) graag wil gaan, moeder die (net als Adriaan) tegen de reis opziet. De tweelingbroers die uiterlijk haast niet te onderscheiden zijn maar heel verschillende karakters hebben. Het hoestende zusje Charlotte. Ze gaan voor het eerst met de trein, voor het eerst naar een stad. De chaos zie je voor je. De armoedige landverhuizers, het gedrang en geduw, het geworstel om een slaapplek in een logement, de vreemdelingen uit Oost-Europa die je niet verstaat. Vader die snel buiten adem raakt. Dan het drama van de hoestende Charlotte die niet meemag, en moeder blijft bij haar. Een al te snel afscheid. Het verschil tussen rijk en arm op het schip. De aankomst, de rijen, de onverschillige ambtenaren en dokters. Vader die terugmoet, want niet gezond genoeg. Alexander die terugmoet, want vecht met een oplichter. En daar staat Adriaan, in zijn eentje op de kade, in een land waarvan hij de taal niet spreekt, want Engels leren kwam er bij de voorbereiding kennelijk niet van.
We zijn dan al op p. 87:

Alexander ... vader ... Ik duwde tegen de reling alsof ik zo de boot van richting zou kunnen doen veranderen.
Met een lichte trilling meerde de boot aan. Meteen begon iedereen weer voren te schuiven en de stroom nam me mee. Aan wal werden we deze keer niet door mannen in uniform in een bepaalde richting geduwd. De mensen verspreidden zich, verdwenen in de stad en plots was ik alleen in York.
Ik kon doen wat ik wilde.
Ik bleef op de kade staan en staarde naar Ellis Island. Het lawaai achter me klonk ijl. Wat moest ik beginnen?
'D'ya need dollars, Sir?' Ik keek de brutale aap naast me aan. Hij duwde mijn arm met een hand vol geldbriefjes. Deelde hij die uit?
'Do you need dollars? Good price. I’ll give ya a good price!' Hij schudde aan mijn arm. Ik draaide me geërgerd om en liep van hem weg. 'Wanna cab, Sir?' riep een koetsier me toe. Hij maakte een uitnodigend gebaar naar zijn paard. 'Only fifty cents for twenty blocks!' Ik luisterde niet naar hem en keerde me af van de kade.

'New York Times, latest edition!' gilde een jongen met kranten over zijn schouder en een in zijn hand. Een auto toeterde, iedereen riep door elkaar. Paardenhoeven op straat. De hoorn van een boot. Een kind huilde. Twee anderen zongen. Zo veel volk. Iedereen liep door elkaar. De zon brandde. Ik zweette, maar durfde mijn jasje met uit te trekken. Niemand liep in hemd, behalve de kinderen. Ze stoven langs me heen. Een wonder dat ze nog energie vonden met deze hitte. Ik keek naar de lucht. De gebouwen boven me tolden om me heen, leken te vallen. Ik moest me ergens aan vastgrijpen om niet om te vallen. 'Only a penny, Sir: zei een mannenstem naast me. Ik liet snel zijn handkar los toen ik zag dat ik die vastgegrepen had. 'Only a penny.’ Hij wees op een berg grote augurken. De geur maakte me nog draaieriger. Snel begon ik in de richting van de gebouwen te lopen. Ik wilde weg uit de zon, weg uit de drukte. Ik bleef lopen.

Onze vlot, bijna filmisch schrijvende maar ter plekke niet zo spreekvaardige hoofdpersoon wordt prompt beroofd van zijn spulletjes en het geploeter begint. Dat ga ik hier nu niet meer uitgebreid beschrijven, de hoofdlijn is tamelijk eenvoudig: ik worstel en kom boven. Mede dankzij Jack, en vriendin JoAnne en hun vriendenkring. Interessant en goed beschreven is natuurlijk hoe hij ontdekt verliefd te zijn op Jack, ontdekt dus dat hij homo is.
Dan komt. op p. 257, Alexander het verhaal binnengelopen. Niet onverwacht, komst was aangekondigd. Jack biedt gastvrij onderdak, maar het botert meteen niet tussen die twee: de hartelijke, fijngevoelige en wat gereserveerde Jack en de dynamische, vrijmoedige en wat lompe boerenzoon, die meteen verder wil, de stad uit, het land in om samen met zijn broer een boerderij te beginnen. Adriaan raakt in de knel, vlucht op een gegeven moment het huis uit naar JoAnne, vraagt om raad en da capo al fine.

Een zeer genietbaar verhaal, met alle details en wendingen toch met vaart verteld. Het decor komt overtuigend tot leven. En het gaat ergens over: vriendschap, liefde, de ontdekking van homoseksualiteit, moeten kiezen. De paradox van de verteller die dit eigenlijk niet zou kúnnen vertellen, met deze flux de bouche, raakt gemakkelijk vergeten.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen