Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label Beslissende boek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Beslissende boek. Alle posts tonen

woensdag 21 januari 2015

Sambo

Op 20-1-2015 plaatste ik een bespreking van Trage post voor Anna Johanna waarin ik gewag maakte van de leeservaring van een 'beslissend boek' (Kees Fens). Die betrof Alleen op de wereld. Maar voor ik zover was dat ik dat kon lezen, waren er andere boeken. Ik noemde in die bespreking al Winnie-de-Poeh, maar ook was er Sambo.




'Er was eens een jongetje en hij heette Sambo en hij was pik pik zwart.'
Geweldig begin, nietwaar? Simpele, bijna kinderlijke stijl (en.. en...), maar toch voelt de jonge lezer zich onmiddellijk ietsje verheven boven 'het jongetje'. (Zo noem je alleen iemand die jonger is dan jij bent.)
'En zijn moeder heette Mambo, en ze was ook pik pik zwart.
En zijn vader heette Jambo en hij was ook helemaal pik pik zwart.'
Ziezo, dat weten we nu. Dat zwart-zijn is heel bijzonder - wat vooronderstelt dat de lezer voor wie het verhaal bedoeld is niet zwart is. Die kleur speelt echter in de rest van het verhaal geen enkele rol, behalve dat-ie steeds weer herhaald wordt. Herhaald wordt er echter in dit verhaal veel meer.

Dat verhaal telt zo weinig woorden dat ik het in zijn geheel verder citeer:
'Op een keer maakte moeder Mambo een mooi rood jasje voor kleine Sambo, en een mooi blauw broekje.
En op een keer ging vader Jambo naar de markt en kocht een prachtig groenparapluutje voor kleine Sambo, én een paar mooie paarse pantoffeltjes met roze zooltjes en van binnen helemaal roze.
Och, wat was die kleine Sambo mooi, toen hij dat allemaal aanhad!
En wat deed Sambo, het kleine zwarte jongetje, toen hij het allemaal aanhad? Hij ging wandelen in het Wilde Woeste Woud. En midden in het Wilde Woeste Woud kwam hij een tijgere tegen. En de tijger zei: Klein zwart jongetje Sambo, ik ga je opeten!
En Sambo het kleine zwarte jongetje zei: O, meneer de tijger, eet me alsjeblieft niet op, dan krijg je mijn mooie rode jasje!
Goed dan, zei de tijger, ik zal je niet opeten, maar dan moet ik je mooie rode jasje hebben.
En de tijger kreeg het mooie rode jasje van Sambo het kleine zwarte jongetje en hij liep weg en hij zei: Nou ben ik de mooiste tijger van het Wilde Woeste Woud.
Sambo het kleine zwarte jongetje ging verder en toen kwam hij weer een tijger tegen. Ik ga je opeten, zei de tijger. Maar Sambo gaf hem zijn mooie blauwe jasje. En de tijger liep er mee weg en zei: Nou ben ik de mooiste tijger van het Wilde Woeste Woud.
En Sambo het kleine zwarte jongetje ging verder en toen kwam hij weer een tijger tegen en de tijger zei: Sambo, klein zwart jongetje, ik ga je opeten!
En Sambo gaf zijn mooie paarse pantoffeltjes met de roze zooltjes aan de tijger.



En eindelijk kwam hij nog een tijger tegen en hij zei: Och, meneer de tijger, eet me asjeblieft niet op, dan krijg je mijn mooie groene parapluutje. Maar de tijger zei: Ik kan jou mooie groene parapluutje niet eens vasthouden. Ik heb al mijn poten nodig om te lopen!
Dan moet je een knoop in je staart leggen, zei Sambo, het kleine zwarte jongetje. En dan moet je het parapluutje daarin vastmaken.
O ja, zei de tijger, en hij kreeg het parapluutje.
En nou ben ik de mooiste tijger van het Wilde Woeste Woud, zei de tijger. En Sambo het kleine zwarte jongetje ging verder en moest heel hard huilen, omdat die lelijke tijgers ál zijn mooie kleertjes hadden meegenomen.
Maar toen kregen de tijgers zo'n vreselijke ruzie! Ze kregen ruzie, wie de mooiste tijger was van het Wilde Woeste Woud. En Sambo, het kleine zwarte jongetje klom stiekem in een boom om te kijken wat er gebeurde. De tijgers liepen in een kringetje rond de boom en ze beten allemaal in elkaars staart.
En toen ging Sambo het kleine zwarte jongetje heel stilletjes naar de plek waar al zijn mooie kleertjes lagen. Ze lagen daar zomaar op de grond. Hij pakte ze op en hij liep zo hard, zo hard, zo hard als hij maar kon. En de tijgers zagen het wel! En ze werden erg boos, maar geeneen van de tijgers wou de staart van de andere tijger loslaten. Ze liepen hoe langer hoe harder en hoe langer hoe harder en HOE LANGER HOE HARDER in een kringetje om de boom heen.
En ze liepen hoe langer hoe harder, en hoe langer hoe harder en ze liepen zooooooooó verschrikkelijk hard, dat ze smolten. En toen zag je om die boom heen alleen nog maar een plasje gesmolten boter.
En Sambo het kleine zwarte jongetje kwam voorbij en hij zag het. Hij deed al de boter in een grote koperen pot en nam de pot mee naar huis.
En toen bakte moeder Mambo een heleboel pannekoeken met die boter, en de pannekoeken waren geel en bruin, net als de tijgers.
En moeder Mambo at één en dertig pannekoeken. En vader Jambo at zeven en vijftig pannekoeken, maar Sambo het kleine zwarte jongetje at honderd negen en zestig pannekoeken, want hij had heel erge honger.'




Een heerlijk vlotte tekst, bijna spreektaal ('geeneen van de tijgers'), en toch dicht bij het origineel. Dat moet een goede vertaler zijn geweest. De naam zei mij als jongetje niets, later wel: Annie M.G. Schmidt. Zij verzorgde samen met Han G. Hoekstra de Gouden Boekjes voor De Bezige Bij, en daar is dit er een van. Ze kozen de versie die ook voor de Little Golden Books (zie ook hier) in de VS werd gebruikt, met illustraties van Gustaf Tenggren, wat overigens nergens in dit boekje staat vermeld.

De eerste uitgave stamt echter uit 1899, de auteur was Helen Bannerman en het boek zoals het Gutenberg-project afbeeldt had illustraties van Florence White Williams.
Ik citeer uit Little-golden-books:
'The book has a controversial history. The setting of Bannerman's story was clearly in India—as can be seen by the presence of tigers and the reference to ghee—and thus it seems likely that Sambo was an Indian boy. But the illustrations in the original European version portray Sambo using darky iconography, with black skin, wildly curly hair, and bright red lips. The word "sambo" has a long history as a racial slur against blacks.
The story is more credible set in India than Africa: notably, tigers were common in India (and endangered now) but had been extinct in Africa for millennia.
In contrast with the lack of racism in the original story, many pirated versions were knocked off at a cheaper price, gaining Little Black Sambo greater availability in its day. These imitations often were more degrading, as pointed out in an on-line essay by David Pilgrim.'

Die zegt er o.a. dit over:
'Was Bannerman's Little Black Sambo racist? The major characters: Little Black Sambo, his mother (Black Mumbo) and his father (Black Jumbo) used standard English, not the bastardized English then associated with blacks. Stereotypical anti-black traits -- for example, laziness, stupidity, and immorality -- were absent from the book. Little Black Sambo, the character, was bright and resourceful unlike most portrayals of black children. 
Nevertheless, the book does have anti-black overtones, most notably the illustrations. Sambo is crudely drawn, an obvious caricature. Some Bannerman supporters claim that Sambo is not even black, that he is actually Indian (South Asian, not American Indian). 
This seems unlikely. Bannerman could have drawn an Indian character if that was her intention, the Little Black Sambo character is very dark, has a broad nose, and the stereotypical exaggerated red lips and rolling eyes found in black caricatures. His only South Asian feature is the hair, which is black but not kinky. 
The little hero is black, not South Asian. Black Mumbo is drawn as a stereotypical American looking mammy, though she is not obese. The caricature of Black Jumbo is softer, though it is similar to the Dandy caricature. The names Mumbo and Jumbo also make the characters seem nonsensical at a time when blacks were routinely thought to be inherently dumb.

The illustrations were racially offensive, and so was the name Sambo. At the time that the book was originally published Sambo was an established anti-black epithet, a generic degrading reference. It symbolized the lazy, grinning, docile, childlike, good-for-little servant. Maybe Bannerman was unfamiliar with Sambo's American meaning. For many African Americans Little Black Sambo was an entertaining story ruined by racist pictures and racist names.'

Actueel, deze opmerkingen, in het licht van de Zwarte-Piet-discussie van de laatste decembermaanden, die ongetwijfeld in december 2015 opnieuw gevoerd zal worden. Wat heet racisme, dear white people? Wanneer worden karikaturen te beledigend voor een lach?

En ze tonen hoe belangrijk illustraties zijn. Want afgezien van die kennelijk door sommige Amerikanen als licht-beledigend ervaren namen (Sambo, Black Mumbo, Black Jumbo) is de tekst, zoals ook door David Pilgrim opgemerkt, verstoken van racisme.
Wat dat betreft maakten De Bezige Bij, Schmidt en Hoekstra met de de Amerikaanse Little-golden-book-versie een redelijke keuze. Die uitgeverij (Simon & Schuster) maakte vooral een commercieel veilige keuze: Tenggren had al veel voor de Walt Disney-studio's getekend.

  

  

    



Sambo het kleine zwarte jongetje; bewerkt door Annie M.G. Schmidt. De Bezige Bij, z.j. [1953 of 1954]. 'Jannie Daane-collectie'. (Gouden boekjes nr. 9)
Herdruk verscheen in 2002 bij Rubinstein.

dinsdag 20 januari 2015

Trage post voor Anna Johanna, of de diepe indruk van de eerste leeservaring

Met die diepe indruk bedoel ik niet de ervaring van het echte eerste lezen, na de eerste leeslessen. Ik bedoel de diepe indruk die een eerste verhaal kan maken dat je echt raakt.
Raslezer Kees Fens heeft fraai over dit 'beslissende boek' geschreven. Zo kritisch als hij kon zijn, over Fulco de Minstreel (1892, C. Johan Kieviet) kon hij zonder enige distantie nog gloedvol enthousiast zijn.
Ik citeer:

'Ik heb hier de eerste druk van Fulco de Minstreel. Die eerste is niet anders dan de tweede, maar ik prijs me er gelukkig om dat ik van dat mooiste boek de eerste druk heb. De eerste alinea daaruit luidt als volgt.

Het was een schone augustusavond van het jaar onzes Heeren 1297 dat drie ruiters in gestrekte draf langs de heirweg reden die naar het slot van de Heer van Heukelom voerde. Ongetwijfeld hadden zij een warme rit achter de rug, want een wit schuim liep de edele dieren langs de zijden en de klederen der ruiters waren met stof bedekt. Het was een hete dag geweest, zo heet als het in de hondsdagen maar zijn kan. Het zonnetje had de ganse dag als een gloeiende bol aan de wolkeloze hemel geschitterd en hare verzengende stralen naar het aardrijk geschoten. Nu daalde het langzaam ter kimme en stond op het punt om onder te gaan. Toch bleef het nog warm zelfs drukkend in de lucht, en er bestond grond voor de veronderstelling dat er wel eens een donderbui zou kunnen volgen.

Degenen onder u die graag lezen zullen het met mij eens zijn dat dit boek is te rekenen tot het allermooiste dat ooit in de Nederlandse taal is geschreven. Ik heb het al vele malen gelezen en ik vind het elke keer opnieuw zeer mooi.'

Zo bewaar ik goede herinneringen aan Alleen op de wereld van Hector Malot (1). Ik kreeg het van Sinterklaas toen ik twaalf was, en ik verslond het. Het staat nog altijd stukgelezen in mijn boekenkast.



Verbazingwekkend. Zoals Kees Fens geen moeite had met het uitvoerig beschrijvende proza van Kieviet (met stilistische rariteiten als een zonnetje dat als een gloeiende bol kan zijn), zo had ik als twaalfjarige geen enkele moeite met de nog uitvoeriger eerste pagina van Alleen op de wereld:

'Ik ben een vondeling. Maar tot mijn achtste jaar wist ik niet anders, of ik had een moeder, net als andere kinderen. Want als ik verdriet had, was er een vrouw, die me zacht in haar armen suste om me te troosten. Nooit ging ik zonder een nachtzoen van haar naar bed. En als de december-wind de sneeuwvlokken tegen de wit-bevroren ruiten joeg, nam ze mijn koude voeten in haar handen en bleef zo bij mijn bed zitten tot ze lekker warm waren. En vaak zong ze me in slaap met een liedje, waarvan ik me nu nog de melodie en een enkele regel herinner ... 
Als ik langs de bermen of op de heide op onze koe paste en daar door een onweersbui overvallen werd, kwam ze me altijd tegemoet, zo hard ze lopen kon. 
En of ik wilde of niet, ik moest me beschutten onder haar wollen rok, die ze me om hoofd en schouders sloeg. 
Door al die moederlijke zorgen, door de warme klank van haar stem, haar liefdevolle blik en de zachtheid, waarmee ze mij beknorde, kon ik immers niet anders denken, of zij was mijn moeder, mijn eigen moeder? 
Maar nu zal ik u vertellen, hoe ik te weten kwam, dat zij mijn pleegmoeder was. 
Het dorp, waar ik rnijn jeugd doorbracht, heet Chavanon, aan een zijrivier van de Loire gelegen. 
Tot mijn achtste jaar heb ik nooit een vader gekend; moeder en ik waren altijd alleen. Wel had moeder me verteld, dat vader steenhouwer was en in Parijs werkte. Daar verdienden zoveel werklieden uit onze onvruchtbare armelijke streek hun brood. Van tijd tot tijd, als een van zijn kameraden op weg naar huis door ons dorp kwam, liet hij iets van zich horen. 
"Moeder Barberin. je man maakt het best. Hij heeft me gevraagd, of ik je dit 
geld wou brengen. Wil je 't even natellen?" 
Dat was alles, wat we van vader hoorden. Maar moeder was er tevreden mee. 
Haar man was gezond en hij verdiende zijn brood. Later, als hij genoeg overgespaard had en te oud werd om te werken, zou hij immers voor goed thuis komen? En dan kregen ze nog een gelukkige en onbezorgde oude dag! Op een novemberdag, tegen het vallen van de avond, naderde een man ons huisje. Ik zat op de drempel brandhoutjes te breken. De man riep me over het hek toe, of moeder Barberin hier woonde. Ik riep van ja en vroeg hem, maar binnen te komen. Toen stootte hij het hek open en sjokte moe over het tuinpad naar ons huisje. Nu zag ik pas, hoe bemodderd de man er uitzag. Tot aan zijn hals zat hij vol slijkspatten. Aan alles kon je zien, dat hij een verre voetreis achter de rug 
had.'

Het was een verrassing om te lezen dat Joke Linders, die ik uit de kinderboekenwereld toch al zo lang ken, deze ervaring met me deelt.
Ze schrijft er onder veel meer (waaronder van alles dat ik nog niet wist) dit over:

'Inmiddels weet ik dat Alleen op de wereld meer is dan een tranentrekker. Het zoeken of verlangen naar je familie is een emotie die iedereen kent. Zoals ook de vorm van het verhaal een vondst is, wat heet, klassiek! Alle grote verhalen, van Odysseus tot Iep! van Joke van Leeuwen of Het vlot van Wim Hofman ontlenen hun kracht aan de metafoor van het reizen.'

Of die stelling (dat alle sterke verhalen hun kracht ontlenen aan de metafoor van het reizen) echt houdbaar is, laat ik hier in het midden. Ik voel er wel voor, zeker nu ik aan het lezen ben in de nieuwste vertaling van Alice in Wonderland en Through the Looking-Glass.
Tekenend voor de auteur is dat ze de werken Iep! en Het vlot op één lijn zet met Odysseus. Toe maar! Joke Linders is altijd een krachtige verdediger van de jeugdliteratuur als literatuur geweest en zal dat blijven tot haar laatste snik. (Verrassend is daarom dat ze in deze bundel ook een hoofdstuk aan Hella Haasse wijdt. Dat weet ze goed uit te leggen, op p. 107.)
Of Iep! en Het vlot over honderd jaar (of tweeduizend jaar) net even geroemd en bekend zullen zijn als Odysseus...? Maar hoe dan ook val ik haar bij met de vaststelling dat de jeugdliteratuur pareltjes kent die met gemak tot de beste literatuur op zich kunnen worden gerekend.

Ze beschrijft die ervaring met Alleen op de wereld in het eerste hoofdstuk van Trage post voor Anna Johanna, een bundel brieven aan haar kleindochter Anna Johanna over 'boeken en auteurs die veel voor me betekend hebben en bij me zullen blijven'. De 'lotgevallen van Remi sneden dwars door mijn ziel toen de juffrouw van de vierde klas ze ons voorlas'. Ja, dat herken ik, al las ik ze zelf. (Míjn meester, oud-Indiëganger, las meeslepend voor uit J.B. Schuil, de boeken over de Katjangs.)

In de overige brieven aan Anna Johanna komen o.a. aan bod: Maurice Sendak, Joke van Leeuwen, Winnie-de-Poeh (ook al een gedeelde liefde, in mijn geval doordat mijn moeder voorlas), Onder moeders vleugels (Louise Alcott), Annie M.G. Schmidt (een hoofdstuk dat een fraai inkijkje biedt in haar getob met haar promotie en boek over het werk van deze auteur), Wim Hofman, Woutertje Pieterse, Kees de Jongen, Hella Haasse (!), Paul Biegel, Willem Wilmink en Max Velthuijs.
Het zijn mooie, ongeremd persoonlijke maar wel zorgvuldig gecomponeerde opstellen-in-briefvorm uit 2012 en 2013, voorafgegaan door een postscriptum (waarin ook de titel wordt verklaard). Want:

'Kan een boek beginnen met een naschrift?
Ja, dat kan.
Wat vooraf ging wordt altijd achteraf beschreven.'

Het zijn mooie opstellen omdat ze geen enkele academische pretentie hebben. 'Oma Joke' wil haar kleindochter schrijven over de boeken en auteurs die ze bewondert, niet minder en niet meer dan dat, en juist door de afwezigheid van die pretentie zijn het zeer lezenswaardige opstellen geworden.
Want 'oma Joke' is een ervaren, enthousiaste maar ook kritische lezer met een vlotte pen, die haar best heeft gedaan om precies die elementen bij elkaar te zoeken die haar kleindochter, maar ook andere lezers zoals ik, kunnen overtuigen waarom ze houdt van die boeken en auteurs.
Origineel en verrassend vond ik bijvoorbeeld haar blik op Wim Hofman als reiziger en schrijver, waarbij ze uit haar correspondentie met Hofman een citaat opdiept: 'schrijven is als reizen, je weet waar je heen wilt maar je komt allerlei dingen tegen die je niet had verwacht'. Dat spoort met haar eerdere observatie, zie boven. Vanzelfsprekend werkt ze dat naar behoren uit.

Ondanks de start met een postscriptum zit er toch nog een andere postscriptum in het boek, onder het kopje 'En nu die van de lezer'. Daaruit:
'Volledig is de verzameling zeker niet. Levende bezems, De geheime tuin, Meneer Bruis bouwt zijn huis, Annetje Lie in het holst van de nacht, Gebr. en Broers hadden er ook wel in gewild. Ze zullen nog even geduld moeten hebben.'

Het in eigen beheer verzorgd uitgegeven boek werd in 2014 vijf keer herdrukt. Het is niet onopgemerkt gebleven.



Linders, Joke. Trage post voor Anna Johanna, over boeken die bij me blijven. Schaep 14, 2014. ISBN 978 90 821771 0 7.

1. Malot, Hector. Alleen op de wereld. Geautoriseerde vertaling van J.M. Bloemink-Lugten en F.H.N. Bloemink; volledige uitgave; 31e druk. Uitgeverij V.A. Kramers, 's-Gravenhage, z.j.
Oorspronkelijke titel: Sans famille. 'De in deze uitgave opgenomen foto's zijn uit de film Sans famille en werden afgestaan door N.V. Filmverhuurkantoor Nederland te Amsterdam.'