Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label Vanessa Joosen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vanessa Joosen. Alle posts tonen

donderdag 14 maart 2013

Wit als sneeuw, zwart als inkt

Wit als sneeuw, zwart als inkt van Vanessa Joosen verscheen op een gunstig tijdstip, eind 2012. Want in 2013 wordt op diverse plaatsen aandacht besteed aan het werk van de gebroeders Grimm, omdat hun eerste verzameling Kinder- und Hausmärchen verscheen in 1812 en 2013. (In 1810 was er overigens al een handschriftliche Urfassung, die tegenwoordig ook te koop is.)
Zo vond vandaag (14 maart) in De Efteling een Grimm-symposium plaats, ter gelegenheid waarvan een aparte website 200 jaar sprookjes van Grimm is verschenen, besteedt de Koninklijke Bibliotheek aandacht aan zijn sprookjescollectie, inclusief een online 'bladerboek' Sprookjes van Moeder de Gans, publiceerde het Duitse weekblad Die Zeit een uitvoerig artikel over de gebroeders Grimm, had het Deutsches Historisches Museum zijn biografieën klaar van Jacob en Wilhelm Grimm, is JuLit 2013-1 aan de Grimms gewijd en zo is er vast nog veel meer te vinden.
Ter gelegenheid van dat Efteling-symposium besteeddde de VPRO-gids nummer 10 nog een artikel aan 'Enge sprookjes', waarin o.a. Beest in bed van Marita de Sterck (De Bezige Bij, 2012) aan bod komt. Auteur Katja de Bruin pakte de telefoon en vroeg mijn oud-redactiegenote (Leesgoed) (o.a.) naar haar mening over de gebroeders.
Marita noemt hun sprookjesbewerking 'deseksualiserend, infantiliserend, romantiserend en moraliserend'. Zo, die staat. Zij genoot zelf 'van de slagkracht van die ruigere, oudere versies' en 'wil dat delen met anderen'.



Wit als sneeuw, zwart als inkt van Vanessa Joosen is evenals haar Critical & creative perspectives on fairy tales (zie bespreking) het resultaat van nijvere studie, maar het is toegankelijker, en niet alleen doordat het in het Nederlands is.

Vanessa Joosen doet in dit boek nauwkeurig uit de doeken hoe het zit met die 'ruigere, oudere versies' van Marita. En levert vervolgens een minutieus verslag van wat men in ons taalgebied schreef over Sneeuuwwitje en hoe men het bewerkte, tot en met de illustraties, die vaak als 'contrapunt' (p. 168) dienen bij het verhaal, wat knap wordt getoond.

Ze doet dat zo grondig dat ik al snel bewondering kreeg: ze moet echt een enorme stapel hebben gelezen. De bibliografie strekt zich dan ook uit van p. 233 tot en met 252.
Opvallend is dat de meest interessante bewerkingen te vinden zijn onder de meest recente, waarbij een ereplaatsje wordt ingeruimd voor Zwart als inkt van Wim Hofman. Dat is niet alleen mijn mening, uit de conclusie die Vanessa Joosen plaatst bij hoofdstuk 6, over die recente bewerkingen, zie p. 230-231, valt te destilleren dat ook volgens haar veel bewerkingen uit deze periode nieuwe perspectieven op het sprookje bieden, hoewel ze het keurig academisch opschrijft en geen waarde-oordeel velt.
Dat doet ze uiteindelijk wel min of meer over de bewerkingen van de firma Walt Disney, die in dit boek (in tegenstelling tot het eerder besproken Critical & creative perspectives on fairy tales) regelmatig aan de orde komen. Logisch, want 'de invloed van Disney op de beeldvorming van "Sneeuwwitje" valt niet te ontkennen, en is door te trekken van de jaren 1940 tot vandaag' (p. 182). Dat blijkt bijvoorbeeld al wanneer je op Google zoekt naar afbeeldingen van 'Sneeuwwitje'.
In de conclusie meldt ze: 'In de moderne bewerkingen is Disney een paar keer opgedoken als referentiekader. In tegenstelling tot de vertalingen en de bewerkingen gaat het hier niet zozeer om een positieve invloed. Auteurs als Boon, Van Daele en Naegels zetten zich af tegen de suikerachtige en burgerlijke invulling en de commerciële exploitatie van het sprookje door Disney.' Dat 'suikerachtige en burgerlijke' is een interpretatie die onder veel recensenten weerklank vindt en niet duidelijk is of dit nu een weergave is van wat Boon, Van Daele en Naegels vonden, of 'men' dit vond of Vanessa Joosen. Het toont eens te meer hoe dun soms de scheidslijn is tussen recensie en wetenschap, of tussen oordeel en beschrijving in de literatuurwetenschap, net als bijvoorbeeld zo'n opmerking op p. 203 over de '"Heile Kinderwelt" of zorgeloze kinderwereld die al in de eerste vertelscène geschetst wordt' (over De tooverring van Klaas Vaak).
Enfin, ik gun het haar, in deze geanimeerde beschrijving van de lotgevallen van Sneeuwwitje op papier. Niet alleen leerde ik veel over Sneeuwwitje, maar ook bieden de vele citaten voer voor vergelijkende stijlstudies.
Neem deze twee citaten (p. 124-125), het eerste van de gebroeders Grimm (versie 1857), het tweede van Jan Jacob AntonieGoeverneur (1861, Oude sprookjes):

Es war einmal mitten im Winter, und die Schneeflocken fielen wie Federn vom Himmel herab, da saß eine Königin an einem Fenster, das einen Rahmen von schwarzem Ebenholz hatte, und nähte. Und wie sie so nähte und nach dem Schnee aufblickte, stach sie sich mit der Nadel in den Finger, und es fielen drei Tropfen Blut in den Schnee. Und weil das Rote im weißen Schnee so schön aussah, dachte sie bei sich hätt ich ein Kind so weiß wie Schnee, so rot wie Blut, und so schwarz wie das Holz an dem Rahmen. Bald darauf bekam sie ein Töchterlein, das war so weiß wie Schnee, so rot wie Blut, und so schwarz haarig wie Ebenholz, und ward darum das Schneewittchen (Schneeweißchen) genannt. Und wie das Kind geboren war, starb die Königin. 
(Zie o.a. hier voor de rest van de tekst.)



Midden in den winter zat eene koningin aan haar raam, schilde een appel en keek tot tijdverdrijf naar de sneeuwvlokken, die voor haar neêrvielen. Toevallig sneed zij zich nu echter in den vinger, zoodat het bloed op de sneeuw druppelde, en zij had een inval en zeide: ‘Och, had ik toch een kind, zoo blank als sneeuw, zoo rood als bloed!’ Kort daarna kreeg zij een wonderschoon dochtertje, dat blank als sneeuw en rood als bloed was; dat noemde zij Sneeuwwitje. En zóó verheugde zij zich over haar liefelijk kind, dat zij van blijdschap stierf. 
(Zie hier voor de rest van de tekst, en de afbeelding.)

Vanessa ontleedt de verschillen nauwkeurig. En merkt er bij op (p. 125):
'Door al te veel zaken uit te leggen, loopt de vertaler het gevaar dat hij als belerend overkomt en de lezer alle ruimte ontneemt om zelf zaken te duiden. Kunnen dergelijke expliciteringen nefast zijn voor het literaire lezen, de onderzoeker bieden ze wel een inkijk in de interpretatie die de vertaler geeft aan het sprookje.'
Een groot deel van dit boek bestaat uit de weergave van zulke inkijkjes. En over haar schouder meekijken was geen straf.


                     


Joosen, Vanessa. Wit als sneeuw, zwart als inkt, de sprookjes van Grimm in de Nederlandstalige literatuur. Lannoo Campus, 2012. ISBN 978 9401 40316 0. € 29,99.

dinsdag 5 maart 2013

An Intertextual Dialogue between Fairy-Tale Scholarship and Postmodern Retellings

De titel maakte nieuwsgierig: Critical & creative perspectives on fairy tales. De ondertitel was intrigerend: An Intertextual Dialogue between Fairy-Tale Scholarship and Postmodern Retellings. De auteur, Vanessa Joosen, is een bekende in kringen van jeugdliteratuuronderzoekers. Ze doceert zowel aan de Universiteit Antwerpen als aan Tilburg University. (Ja, ik kan het ook niet helpen, zo heet die Nederlandse universiteit tegenwoordig. Ooit begonnen als Katholieke Universiteit Brabant.) Zie hier en hier. Haar laatste publicatie: Wit als sneeuw, zwart als inkt: De sprookjes van Grimm in de Nederlandstalige literatuur, Lannoo, 2012.
Dus vroeg en kreeg ik het boek ter bespreking, overigens nog vóór Wit als sneeuw verscheen, en begon te lezen.




Critical & creative perspectives on fairy tales getuigt alleen al van enige ambitie omdat het een Engelstalige uitgave is, verschenen in de VS. Het proefschrift waarmee Vanessa Joosen op 7 maart 2008 promoveerde ligt eraan ten grondslag. Het is dan ook een academisch vertoog pur sang. Ik kwam een heel eind, maar halverwege haalden andere lezenswaardige boeken het in en lag het maandenlang te broeden op mijn nachtkastje, tot ik het weer oppakte en eerst maar eens de Conclusion opnieuw begon te lezen.

Helaas is het niet echt iets om 's avonds laat te lezen. Dat wil niet zeggen dat Critical & creative perspectives on fairy tales niet lezenswaardig is. Alleen al de ondertitel, tevens onderwerp, is het overdenken waard. Een dialoog tussen geleerden en auteurs? Ik zag een grote tafel voor me, met alle genoemde geleerden en auteurs van sprookjesbewerkingen pratend eromheen, maar dat bleek al snel een metafoor. Ik citeer:
'This requires a different approach to intertextuality, as the "open dialogue" that is typical of the relationship between retelling and traditional fairy tale seldom applies to the intertextual connection that can be drawn between retelling and criticism.
The addresser's intent to incorporate, critique, or parody texts and currents in literary criticism can only occasionally be proved. The intertextual dialogue is thus constructed in the reading process and not necessarily in the writing process.' (p. 17)
Ofwel, lezer Vanessa Joosen legde zelf de verbanden tussen de wetenschappelijke teksten en de sprookjesbewerkingen die ze las, en noemde dat een dialoog, daarbij leunend op theorieën van Roland Barthes en anderen.
Het is een scheve dialoog. Want de geleerden lazen wel de sprookjesbewerkingen, maar de sprookjesbewerkers lazen zelden of nooit wat de geleerden schreven. Maar ze hadden wel hun drijfveren om sprookjes te bewerken en leunden daarbij onder meer op publieke debatten over sprookjes die deels door diezelfde geleerden werden gevoerd.

Vanessa Joosen:
'The fact that the retellings are usually written by non-academics and address a nonspecialized audience may explain why somefairy-tale retelling does not serve the survival of the traditional fairy tale alone.
From the parallels that I have drawn between critical texts from the 1970s and some very recent retellings, it can be argued that the fairy-tale retelling is also a site where outmoded critical views of the traditional fairy tale live on.
Some of these fictional texts recapitulate the development of certain lines of thought with regard to the fairy tale, expressing views of the fairy tale that have long been problematized in academic circles.
These views of the fairy tale are detached from the historical context in which they were topical in fairy-tale criticism, and their presence in recent retellings demonstrates the relativity of categories such as conservative and progressive. Especially in retellings for young children, early feminist and Marxist views still find equivalents today, as if new readers are expected to run through the evolution of these critical paradigms beginning with the most basic views and gradually evolving to more complex ones.' (p. 300).
Foei, auteurs, met je 'outmoded critical views', jullie hadden de voortgang van de wetenschap beter in de gaten moeten houden.

Hoewel, wetenschap? Hier doemt de vraag op wie die critics zijn, en zouden bespiegelingen kunnen volgen over het verschil tussen science, criticism en reviewing ofwel dat tussen academics en critics of wetenschap en recenseren. Juist in de literatuurwetenschap is die grens soms onduidelijk.
Neem dit citaat:
'Fairy-tale retellings have not provoked negative responses alone - on the contrary. Critics have recognized quite a few of these texts for their aesthetic qualities and for a literary complexity that transcends the critical distance that they take with regard to the fairy-tale pre-text as well as their relationship with a critical intertext.' (p. 302)
Bedoelt ze met critics hier echt alleen recensenten? En overigens: staan die esthetische eigenschappen dan vast? Hoeven ze alleen maar ontdekt te worden, al dan niet door critics? Dat vergt een afzonderlijke discussie - die overigens juist onder geleerden (academics) met verve is gevoerd.

Hoe populair sommige bewerkers ook waren (Roald Dahl), hoe veelgeprezen anderen (Wim Hofman), verreweg de invloedrijkste sprookjesbewerker tot nu toe is het groepje mensen dat onder de bedrijfsnaam Walt Disney diverse films de wereld instuurden, gevolgd door een berg op die films gebaseerd drukwerk.
Verwonderlijk dus dat deze sprookjesbewerker in het boek op slechts twee plaatsen langskomt. Vanessa Joosen richtte zich op in boekvorm verschenen bewerkingen die onder recensenten als alternatief of kritisch gelden, niet op het hierboven bedoelde goedkope drukwerk c.q. de films. In de lijst 'Primary texts' achterin het boek komt geen enkele Disney-titel voor.
Aan die tafel voor de dialoog, zie boven, was Disney niet uitgenodigd.
Niet dat-ie veel te melden zou hebben gehad of zelfs maar interesse had getoond. 'Walt Disney' was, vermoed ik, vooral bezig met de vraag op welke wijze zijn films zoveel mogelijk publiek konden trekken, en op die vraag heeft de firma zeker een antwoord gevonden.  En gezien de conservatieve opvattingen van de persoon Walt Disney, tot in de jaren '60 (hij stierf in 1966) de baas in zijn bedrijf, valt er veel te speculeren over zijn intenties en dat is ook uitbundig gedaan. Wat natuurlijk iets minder zegt over het latere bedrijf Disney, dat in de onderzochte periode werd geleid door lieden als Michael Eisner en Frank Wells.
Maar we weten het niet, tenminste, niet na lezing van Critical & creative perspectives on fairy tales.

Walt Disney en zijn zeven dwergen, foto uit 1937

Hun ontbreken in de dialoog is te verklaren: voor een beetje dialoog heb je deelnemers nodig.
Iets meer aandacht was toch goed geweest, vind ik. Want Vanessa Joosen richtte zich voor haar onderzoek met diverse argumenten (p. 6) uitsluitend op bewerkingen van Sneeuwwitje, Assepoester, Doornroosje, Hans en Grietje, Roodkapje en De mooie vrouw en het beest, verschenen 'from the early 1970s to 2008'. Minstens vijf van deze verhalen zijn bewerkt door de firma Disney, zij het dat alleen de film Beauty and the Beast in de beschreven periode verscheen (1991), overige eerder, de eerste versie van Snow White and the Seven Dwarfs verscheen al in 1937.
Maar alle films waren in de beschreven periode nog te zien en het ervan afgeleide drukwerk in grote oplagen beschikbaar. Het is de enige bewerker die het in het Nederlands tot een zelfstandig naamwoord (dysnificatie) heeft weten te brengen.
Wie over sprookjes schrijft, kan eenvoudigweg niet om Disney heen. Wie over sprookjesbewerkingen schrijft evenmin en ook kunnen m.i. films en theaterbewerkingen (zie alleen al de Angelsaksische Cinderella-traditie) moeilijk buiten beschouwing worden gelaten. Anders maak je van de gedrukte literatuur een eiland in schitterende afzondering. Voor hoeveel mensen zal de Disney-versie van Sneeuwwitje niet dé Sneeuwwitje zijn?

 

Dat neemt niet weg dat Critical & creative perspectives on fairy tales een academisch verslag is dat volgens mij geen enkele sprookjesonderzoeker voortaan ongelezen kan laten, al helemaal in het Nederlandstalig onderzoeksgebied.

Pal na voltooiing van deze bespreking ontving ik Wit als sneeuw, zwart als inkt ter bespreking. Oorspronkelijk wou ik beide titels tegelijk bespreken, maar daar zie ik van af. Een der komende dagen volgt dus de bespreking van Wit als sneeuw, zwart als inkt.

PS. Zie hier.

zondag 3 maart 2013

Tijdgenoten

In maart gaat in Vlaanderen de Jeugdboekenweek van start onder het motto Een zee van tijd. Ter gelegenheid daarvan organiseerde Stichting Lezen Vlaanderen met steun van diverse kanten een symposium Tijdgenoten. Het vond op 27 februari plaats in de Hof van Liere, een fraaie locatie van de Universiteit Antwerpen, in het centrum van de stad. Er was een aantal sprekers van naam en faam opgevoerd, dus toog ik er heen, nieuwsgierig naar wat ze te melden hadden in de relatief korte tijd die hun was toebemeten.



Rita Ghesquière (universiteit Leuven) opende met 'De stuurlui aan wal, enkele reflecties over onderzoek naar jeugdliteratuur', een reprise (met nieuwe elementen) van een lezing die ze in 2010 hield tijdens een symposium in Tilburg, met tien stellingen.
Die stuurlui aan wal zijn de onderzoekers, die met hun verrekijker turen naar de passerende schepen van de literatuur, en voorzover ze zich toespitsen op jeugdliteratuur trachten ze die te ontwaren en te beschrijven. Zij staan, de vloot vaart verder. Mooie metafoor, evenals die andere die ze nu en in 2010 hanteerde: het plein van de jeugdliteratuur mag dan kleiner zijn dan dat van het belendende plein van de literatuur voor volwassenen, maar het zit vol mooie hoekjes en er komen interessante zijstraten op uit: beeldende kunst, didactiek, pedagogiek en meer.
Maar nu die stellingen.


1. Wij zijn tot bedelen gedoemd. Want er zijn concurrenten van formaat als het om de financiële middelen gaat en de roep om maatschappelijk nut is groot. Onderzoekers van jeugdliteratuur moeten leuren.



2. We hebben een late start in vergelijking tot andere landen en andere takken van wetenschap. Bovendien bestond de studie van jeugdliteratuur lange tijd vooral uit het maken van overzichten. En het werd overheerst door allerhande goede bedoelingen van van opvoeders en wereldverbeteraars... Overigens toont het plaatje dat ze het, zonder dat hardop te zeggen, vooral over de Vlaamse onderzoekers had.



3. ... en daar komt dus het opgeheven vingertje, dat goed onderzoek in de weg zit.



4. Door deze en andere oorzaken blijft het onderzoek van jeugdliteratuur tot op heden een apart gebied, niet vanzelf opgenomen in de wereld van de literatuurwetenschap.
In dit verband haalde ze Sjoerd Kuyper aan, uit zijn roemruchte Annie M.G. Schmidt-lezing:






5. Is de term jeugdliteratuur wel zo goed gekozen? De term wordt voortdurend geproblematiseerd. Zij noemde hem niet, maar ik wel als voorbeeld: de titel Literatuur zonder leeftijd, periodiek over eh, ja, toch wel jeugdliteratuur. En de titel Jeugdliteratuur bestaat niet, van Peter van den Hoven, in dit blog uitgebreid besproken.



6. Ja, een paar kinderen graag, want het is volgens Rita Ghesquière zinloos om de meningen van kinderen over toch in principe voor hen bedoelde literatuur buiten beschouwing te laten. De stellingname van Bregje Boonstra kon ze niet delen.



7. Dat jeugdliteratuur voor alle leeftijden is kun je ook omdraaien: alle literatuur is voor kinderen. Alleen kunnen die soms nog niet zo goed lezen, dus passen we aan. Goethe für Kinder, ook op cd. Geen nieuw principe, natuurlijk. Zie Illustrated Classics en vele andere bewerkingen. Maar wel bewerkingen...



8. Juist door de vele dwarsverbanden kan onderzoek van jeugdliteratuur bruggen bouwen. Maar het gevaar van splendid isolation blijft.



9. Die dwarsverbanden, zoals al genoemd met beeldende kunst, pedagogiek, didactiek enzovoort, plus de relatief lage status, moeten van de jeugdliteratuuronderzoeker wel een duizendpoot maken wil hij of zij geen eenzame fietser worden.



10. Mogelijkheden genoeg dus.

Sara Van den Bossche (Universiteit Gent) vervolgde met een relaas over de canonisering van Astrid Lindgren. In Zweden aanvankelijk (1946) nog onderwerp van enige discussie, in het nederlandstalig gebied echter van begin af aan positief ontvangen en langzaamaan uitgegroeid tot icoon.



En de verklaring? Hieronder de trefwoorden die Sara Van den Bossche bijeen gaarde uit diverse reacties:




Het zal al wie zich decennialang bezighoudt met kinderboeken bekend voorkomen... En om dat nog even te onderstrepen toverde Sara het volgende citaat tevoorschijn:




Derde spreker was Annemie Leysen, en zij had géén plaatjes bij zich. 'Ik ben een grijze wolf', begon zij haar lezing (waarschijnlijk even onkundig van de associaties die dat in hoofden van luisteraars van Turkse herkomst zou kunnen wekken), maar ze kon in kleur variëren. Zulke grijze wolven worden periodiek met uitsterven bedreigd, die grijze wolven, maar pas op, ze kunnen grote afstanden afleggen en komen nu weer dichterbij, worden zelfs in de buurt gesignaleerd, tot in de zaal toe.
Waarna ze overging tot een onderhoudende beschrijving van haar Werdegang door de jeugdliteratuur en de titel van haar toespraak, 'een poëtica voor de jeugdliteratuur'. het werd snel duidelijk dat haar poëtica niet verschilt van die voor de literatuur in het algemeen. Annemie Leysen staat pal voor de beoordeling van het kinderboek als kunstwerk in woord en beeld. Die benadering leverde haar aanvankelijk naast lof ook boze reacties op, van zowel auteurs als onderwijzers. Het bracht haar niet van haar stuk. Ze noemde het niet, maar ik verwijs hier graag als voorbeeld naar een bijdrage in 2010 van haar op Vertel eens, waar ze zich boos maakt over het onderschuiven van kinderboekrecensenten in De Morgen, notabene de krant waarvoor ze recenseerde.

Vierde spreker was Vanessa Joosen (Universiteit Antwerpen, Tilburg University). En haar onderwerp was niet sprookjes, zoals we van haar gewend waren, maar het beeld van volwassenen in de jeugdliteratuur. Dat wordt haar volgende onderzoeksproject.
Zij had weer wel plaatjes bij zich, jawel, ik zat er goed voor. Voor deze gelegenheid had ze haar object toegespitst op Guus Kuijer.



Dat was natuurlijk goed gekozen, want Kuijer heeft nogal wat opvattingen geventileerd over volwassen en kinderen in Het geminachte kind en in latere lezingen en zijn gal gespuwd over volwassenen die 'kinderlijke eigenschappen' als nieuwsgierigheid en speelsheid hebben verleerd en ingeruild voor gietijzeren zekerheden en opgeheven vingers. Het heeft volwassen recensenten er niet van weerhouden hem de hemel in te prijzen.
Hoe staat het dan met het beeld van volwassenen in Kuijers verhalen? Dat valt mee. Weliswaar zijn er in Hoe Mieke Mom haar maffe moeder vindt lekkere karikaturen te vinden, in een reeks als die over Madelief ligt het veel genuanceerder.

Die term childism ontleende Vanessa Joosen aan Elizabeth Young-Bruehl en betekent beslist niet kinderlijkheid, maar juist vijandigheid jegens kinderen, zie het plaatje.




En daarna volgden nog drie praktijkbijdragen. Helaas, hoe inspirerend ook, ik moest er wegens andere afspraak vandoor.
De titels:
'De eenzaamheid van de boekenjuf. Hoe krijg je collega's zover dat ze ook aan leesbevordering doen?'
'Ze lezen niet, mevrouw. Hoe krijg je leraarstudenten aan het lezen?'
'Winkeldochters. Hoe krijg je de mooiste boeken van de plank?'
Afsluiter: een 'literaire lezing' door Michael de Cock.
Nu maar hopen dat de toehoorders (de zaal was behoorlijk gevuld) gesticht en geïnspireerd naar huis zijn gegaan.

vrijdag 22 april 2011

Sprookjesonderzoek

Jarenlang hield Vanessa Joosen zich bezig met sprookjes, menig artikel getuigde er van. En nu verscheen april 2011 van deze onderzoeker, werkzaam aan de Antwerpse universiteit, een proefschrift: Critical and Creative Perspectives on Fairy Tales: An Intertextual Dialogue between Fairy-Tale Scholarship and Postmodern Retellings. 384 p., ISBN 9780814334522, Wayne State University Press. Waarom ze helemaal naar deze uitgeverij moest voor uitgave, wil ik haar bij gelegenheid nog eens vragen.
'With three key texts from the 1970s at the center of her discussion—Marcia K. Lieberman’s “Some Day My Prince Will Come,” Bruno Bettelheim’s The Uses of Enchantment, and Sandra Gilbert and Susan Gubar’s The Madwoman in the Attic—Joosen connects the critical views expressed in these feminist and psychoanalytic interpretations with fictional fairy-tale retellings and illustrations that have been published in Dutch, English, and German since the 1970s.' Aldus de samenvatting op haar Antwerpse webpagina.
Ik hoop het boek te gaan bespreken.