Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label Geschiedenis van de jeugdliteratuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geschiedenis van de jeugdliteratuur. Alle posts tonen

zondag 6 oktober 2019

... maar wat ís een goed boek?

Van tijd tot tijd is er opwinding over een kinderboek. Het ligt in grote stapels in de winkel, er staat een Bekende Naam op de voorkant en recensenten laten er geen spaan van heel. Uitgevers hopen met zulke boeken wat te verdienen en meestal lukt dat. Niet alleen recensenten doen knorrig, ook kinderboekauteurs hebben het niet altijd op hun nieuwe collega.
Zo heeft Paul Onkenhout voor de Volkskrant 5-10-2019 commentaar opgetekend naar aanleiding van een van de uitgaven ter gelegenheid van de Kinderboekenweek 2019. Naar een geschenkboek (Haaientanden) van een gedegen en veel geprezen auteur (Anna Woltz) ligt daar opeens een lullig boekje van ene André Kuipers. Wie? Toch niet... Jawel, Neêrlands topastronaut. Hij maakt er op zijn website niet direct gewag van (na wat zoeken toch wel hier), maar zijn naam prijkt toch echt op André het astronautje op zoek naar Laika.
'André en illustratrice Natascha Stenvert vinden het een eer dat zij hebben mogen meewerken aan de grootste leesbevorderingscampagne voor kinderen in Nederland. Met het thema ‘vervoer’ konden ze letterlijk alle kanten uit. In ‘Op zoek naar Laika’ wordt fantasievol gerecycled om de ondeugende hond Laika, die er met een raket vandoor is gegaan, te kunnen redden.' Lees ik op zijn website.
Gerecycled? Afijn.

Paul Onkenhout begint zijn stuk met een anekdote, namelijk hoe een cabaretier met opzet anoniem een tekst instuurde, die na veel redactiewerk (mede op zijn verzoek) werd gepubliceerd. Ja, en toen zette de uitgeverij natuurlijk zijn naam op het boek: Jochem Myjer, De Gorgels.
Myjer: 'Ik wilde het op eigen kracht doen, zodat niemand kon zeggen dat ik alleen maar een boek mocht schrijven omdat ik Jochem Myjer ben, de bekende cabaretier.'
'Zijn vrees was reëel,' schrijft Onkenhout.

Bekende Nederlanders schrijven het ene na het andere kinderboek, soms op eigen initiatief, vaak op aandrang van een uitgever. Commerciële belangen tellen in het laatste geval zwaar. Hun namen zijn geld waard. Kwaliteit is, mild gezegd, in veel gevallen niet het voornaamste criterium als een boek op de markt wordt gebracht.

Kwaliteit.
Dit argument (wel een bekende naam, geen goed boek) keert in veel commentaren terug. In dit stuk worden zowel auteur Tosca Menten als recensent Jaap Friso (zie ook Jaapleest) geciteerd. Geen van beiden legt echter uit waaruit dat gebrek aan kwaliteit moet blijken.
Jaap Friso:

‘Combineer de grappige verhaaltjes die je voor het slapengaan aan de kinderen vertelt met wat tekeningen en je hebt een goed boek, is de redenering. Maar negen van de tien keer stelt het weinig voor. Hou het lekker in de slaapkamer, denk ik dan.’

Het stelt weinig voor. Ja, na kennismaking van Kuipers' werk kan ik dat beamen, dat hoort duidelijk tot die 'negen van de tien keer', vind ik. Toch zit het me niet lekker dat dan zo vanzelfsprekend moet blijken dat het die tiende keer wél raak is. En 'het stelt weinig voor' stelt weinig voor als argument bij de beoordeling van een verhaal.
Volgens echte 'commerciële' uitgevers (en andere handelaren) is het helder: een goed boek is een boek dat het goed doet, ofwel goed verkoopt. Klaar. Het criterium van Bul Super en Hiep Hieper ('zaken zijn zaken').
Naast dit op zich valide maar beperkte criterium is er echter nog een reeks andere criteria, en de ervaring leert dat het niet makkelijk is om uit te leggen waarom dat ene verhaal of gedicht nu beter zou zijn dan dat andere. Er is geen thermometer die je er in kan steken.

Ik heb het met opzet nu even over verhalen en gedichten, want voor documentair werk (non-fictie) gelden weer andere criteria. Van jury-overleg herinner ik me dat er snel een schifting wordt gemaakt, zonder al te veel gepalaver, waarna een bergje boeken met verhalen en gedichten overblijft die bekronenswaard zouden zijn.
Maar dan.
En dan zaten we doorgaans nog met 'ons soort mensen' in zo'n jury. Vaardige lezers, liefhebbers van fictie en poëzie, afijn, ons soort mensen. Vraag er mensen bij uit een heel andere categorie, pakweg een voetballer of piloot, en je krijgt heel andere discussies. Vraag er kinderen of jongeren bij: idem. In Duitsland zaten er een tijdlang jongeren, pakweg middelbare scholieren, bij de voornaamste kinderboekenprijs. Dat ging niet lekker en tenslotte werden het toch weer gescheiden jury's, waarbij de Jugendjury verdeeld is over lokale leesclubs, zoals ook in Vlaanderen wordt gedaan.

Stap even over naar een ander kunstdomein (literatuur is kunst, weet je nog) en bezoek een museum vol schilderijen of beelden (of allebei). Probeer daar samen het allermooiste of 'allerbeste' uit te kiezen, liefst met een groepje. Veel plezier, ook met de uitleg achteraf. Vooral als er mensen met microfoons en camera's klaarstaan om je gezamenlijke mening meteen de wereld in te sturen.

Boekenkasten vol zijn er geschreven over de beoordeling van literatuur en andere kunsten. Doorgaans staat daar geen onzin in, het toont alleen hoe lastig het is. Mensen zoeken elkaar op maar willen zich ook onderscheiden. Ze delen smaak en opvattingen, maar soms niet of maar gedeeltelijk. Er bewegen zich smaakmakers door het publieke domein, mensen aan wier uitspraken enig gezag wordt toegekend. Maar aan de rand bewegen zich altijd rebellen, die de smaakmakers uitdagen.
Verhalen en poëzie zijn ingewikkelde kunstvormen, die raken aan taalvaardigheid, kennis, stijl, levenservaring, emotie. Het is een kunst op zich om boeiend over kunst te schrijven of te praten.

Laten we, als we ons al beschouwen als bevoegd om een oordeel te vellen, niet al te zelfgenoegzaam en zelfverzekerd uitlaten over (bijvoorbeeld) André het astronautje. Een flutverhaal? Akkoord, nu nog even uitleggen waarom.
Alleen heb ik daar even geen zin in. Tosca Menten heeft er vast ook geen zin in.
Jaap Friso deed gelukkig wel een poging. Want vóór het Kinderboekenweekprentenboek verscheen al een boek met die naam. Zie hier. Ik citeer de essentie, die iets meer voorstelt dan 'stelt weinig voor':

Zo’n soort verhaal dus, heel matig geschreven en zonder spanning, clou of overtuiging. Opvallend hoe hij het astronautje, dat eigenlijk niet zoveel presteert, als held neerzet. Dat kan ironisch bedoeld zijn maar dat komt er niet echt uit. En dat flauwe ‘de maan is misschien wel van kaas’-verhaal kan echt niet meer.

Van dat 'matig geschreven' toont Friso geen voorbeelden. Jammer. Maar ik heb niet de neiging om het tegendeel te gaan bewijzen. Daar telt mee dat Jaap Friso wel heel veel jeugdliteratuur heeft gelezen en dus dicht ik hem het vermogen toe om onderscheid te maken tussen 'matig' en beter geschreven verhalen.

Tot slot, hier de opsomming door Paul Onkenhout van Bekende Nederlanders die zich recentelijk tot het schrijven van een kinderboek lieten verleiden:

Publiciteit is gegarandeerd, zoals de komende weken weer zal blijken als ter gelegenheid van de Kinderboekenweek boeken worden gepresenteerd van Humberto Tan (Pirouette in Paramaribo), André Kuipers (André het astronautje – Op zoek naar Laika) en Nicolette Kluijver (Dierenpret – Vrolijke versjes over het leven op de boerderij).

Ze zijn bepaald niet alleen. In de sectie cabaretiers vinden we naast Jochem Myjer ook Freek de Jonge, Viggo Waas, Youp van ’t Hek en Najib Amhali. Actrices doen het ook graag, kinderboeken schrijven: Katja Schuurman, Maryam Hassouni, Isa Hoes, Babette van Veen, Carice van Houten, Halina Reijn.

De groep tv-presentatoren en aanverwante beroepen is het omvangrijkst. Behalve Nicolette Kluijver en Humberto Tan schreven ook Kim-Lian van der Meij, Yvon Jaspers, Daphne Deckers, Ivo Niehe, Mies Bouwman, Myrna Goossen, Filemon Wesselink (De spin die veel scheetjes laat), Paul de Leeuw, Johnny de Mol en Winston Gerschtanowitz kinderboeken.

En dan zijn er nog de roddelaars (Albert Verlinde), politici (Ayaan Hirsi Ali, Erica Terpstra), zangers (Alain Clark), zangeressen (Angela Groothuizen, Edsilia Rombley), prinsessen (Laurentien), musicalsterren (Jim Bakkum) en ruimtevaarders (de reeds genoemde André Kuipers).

De verrassendste naam de afgelopen jaren was die van Wesley Sneijder, de voetballer die zich in 2016 aan een genre waagde dat meerdere BN’ers inspireerde: het sinterklaasboek. Dat van Sneijder heette – let vooral op de woordspeling – De strijd om de Scoorsteen.







woensdag 12 oktober 2016

Ach ja, de jaren zeventig

Ik had Literatuur zonder leeftijd aflevering 100 al gerecenseerd, terwijl aflevering 99 nog lag te wachten. Vreemd, maar waar.
Niettemin biedt aflevering 99 ook veel lezenswaardigs. Het thema: jeugdliteratuur in de jaren zeventig, volgens de redactionele inleiding (door Helma van Lierop-Debrauwer) de 'kraamkamer van de hedendaagse jeugdliteratuur'.
Een krachtige uitdrukking, waarmee alle jeugdliteratuur van vóór die jaren tot ongeboren spul wordt verklaard. Nou ja, zo bedoelde ze het natuurlijk niet, wel dat de jeugdliteratuur zoals die er nu uitziet zo ongeveer in die tijd vorm kreeg. 'Wij blikken dus volop terug in dit nummer.'

Grappig dat er zowel wordt teruggeblikt door mensen die die jaren hebben meegemaakt als door mensen die toen nog kind waren of later werden geboren, zoals Sara Van den Bossche, die schrijft over 'de jaren zeventig als bakermat van het ideologiekritisch jeugdliteratuuronderzoek in Nederland en Vlaanderen'. Eric Hulsens (zie ook hier), Lea Dasberg, Peter van den Hoven...
Of Eefje Buenen, die schrijft over 'de wedergeboorte van de historische jeugdroman', over Thea Beckman. Eefje is voor mij de verpersoonlijking van de jonge garde: zij startte haar loopbaan op kinderboekenvlak met artikelen in Leesgoed, het tijdschrift dat ik van 1977 tot en met 2010 onder mijn hoede had.
Of zij met meer distantie terugblikken dan de oudere garde?
In ieder geval ontbreken bij hen persoonlijke ervaringen zoals Joke Linders die beschrijft in 'een persoonlijke visie op een decennium met veel gezichten'. Zij eindigt zo:

De ware emancipatie, dat wil zeggen streven naar een volwaardige plaats in de samenleving vanuit een achtergestelde positie, heeft de meeste kans van slagen als die van binnenuit komt, in dit geval dus vanuit de kinderboekenschrijvers en -illustratoren zelf. Vanuit mijn bejaarde uitkijktoren heb ik de indruk dat de jaren zeventig de voorwaarden hebben geleverd om het kinderboek rijker, veelzijdiger, interessanter en geëmancipeerder te maken. Of ik daar gelijk in heb, zal de tijd bewijzen. De verschillende deelstudies in dit themanummer van Literatuur zonder leeftijd kunnen de inzichten van de lezer op dit punt wellicht verder helpen.

Voorzichtiger zou ik het niet kunnen opschrijven.

In mijn eigen bijdrage aan deze aflevering, 'Verbeter de wereld en begin met het kinderboek, terugblik op "de werkgroepen"', (ook met persoonlijke terugblikken...) was ik iets stelliger.

Nogmaals, het lijkt me buiten kijf vaststaan dat de werkgroepen het kritisch denken over kinderboeken in de jaren ’70 en ’80 flink gestimuleerd hebben, in het kielzog van andere maatschappelijke ontwikkelingen.

En daarop liet ik de volgende slotpassage volgen:

Inmiddels kan eveneens worden vastgesteld dat deze ontwikkelingen plaatsvonden in een periode van stijgende welvaart, waarin bovendien de boekdruktechniek zich spectaculair ontwikkelde en daardoor bijvoorbeeld steeds mooiere prentenboeken voortbracht. Er werden steeds meer boeken verkocht en de bibliotheken hadden middelen om met kracht aan leesbevordering te doen. De jeugdliteratuur ging steeds meer variatie vertonen. En dat kinderboeken een belangrijke rol kunnen spelen in het leesonderwijs is daardoor inmiddels ook een algemeen gedeeld inzicht, een project als ‘Bibliotheek op school’ speelt daar goed op in.

Helaas stijgt de laatste decennia de welvaart niet meer (behalve voor de happy few), boekverkopen zakken per jaar, de gemiddelde boekomloop wordt steeds korter en in de bibliotheken is zeer fors bezuinigd. Uitgeverijen moeten hard aan de weg timmeren om te kunnen voortbestaan en wagen zich niet meer zo makkelijk aan uitgeefavonturen met ongewisse opbrengst. 
We mogen ons gelukkig prijzen dat er nog steeds een gestage stroom aan goede jeugdliteratuur verschijnt, van betrokken en hun kunst serieus nemende auteurs en illustratoren en hun uitgevers, maar onvermijdelijk is er ook een berg boeken die geen ander doel lijken te hebben dan de uitgeverijen (niet toevallig vaak onderdeel van grote bedrijven) draaiend te houden. Op zijn best nog braaf werk, maar inderdaad ‘zo voorzichtig allemaal dat we soms denken, waar hebben we nu in vredesnaam voor gestreden’ (...).


Genoeg reden om niet tevreden achterover te leunen, terugkijkend op al die prachtige boeken die er sinds de jaren ’70 zijn verschenen, maar de vinger aan de pols te houden, de krenten uit de pap onder de aandacht te brengen en van tijd tot tijd die pap zelf eens goed te zeven. Werk aan de winkel voor een kritisch tijdschrift.

Dat laatste is natuurlijk een hint voor de redactie van LZL, zoals Literatuur zonder leeftijd in kinderboekkringen kortweg wordt genoemd.
En wie wil weten wie of wat er wordt bedoeld met 'de werkgroepen', zal het artikel moeten lezen...

Er staan uiteraard nog veel meer lezenswaardige bijdrage in deze aflevering. Ik noem:
- Bea Ros over 'criteria bij bekroningen in de zeventiger jaren'. Zoals ik in mijn recensie van LZL 100 al schreef: 'Ik begrijp dat we binnenkort een promotie-onderzoek van haar mogen verwachten over 'de jeugdliteraire kritiek in dagbladen in de periode 1950-2015'. Ik zie er naar uit.'

- Harry Bekkering, die zich afvraagt 'Hoe "jaren zeventig" is Madelief eigenlijk?'. Niet heel erg, vindt hij, veel werk van Guus Kuijer is 'tijdloos', met name Krassen in het tafelblad.

- Sanne Parlevliet (nog iemand van de jongere garde) met 'Wie weet waren ze het niet, Wim Hofman debuteert met drie boeken vol grillige fantasie'.

- Lieke van Duin over Peter van Gestel, onder de mooie kop 'Er komt godzijgeprezen geen normaal kind in voor', Een citaat van de beschreven auteur uiteraard, uit 1985.

- Anne de Vries over de liedjes van het Schrijverscollectief, met de fraaie openingszinnen:

De belangrijkste kinderpoëzie van de jaren zeventig werd destijds niet als poëzie opgemerkt. Het ging om liedjes voor televisieprogramma's en die worden nu eenmaal niet op de literatuurpagina gerecenseerd.

Maar, merkt hij terecht op:

Wie aan deze kinderpoëzie voorbijgaat, krijgt een vertekend beeld van het klimaat van de jeugdliteratuur van de jaren zeventig.

Zo is 't maar net.

- Karen Woets over het 'tijdgebonden succes van Henk Barnard'. Tijdgebonden, want zijn werk zou meer een pamflet zijn dan woordkunst. Voor de inhoud van dat pamflet kan Karen Woets echter wel waardering opbrengen.

En zo nog wat artikelen.

LZL is, zoals ik in menig eerdere recensie al schreef, geen periodiek voor wie voor zijn of haar beroepspraktijk naar relevante titels van of informatie over kinderboeken zoekt. Zo'n lezer zal overdonderd worden en kan bij gebrek aan ander periodiek beter terecht in de bibliotheek of (kinder)boekwinkel.
Het is een periodiek met academische ambitie, met vaak lange, doorwrochte artikelen. Hier wordt vaker wetenschap bedreven dan wetenschapsjournalistiek, hoewel dat in dit themanummer nogal meevalt - of tegenvalt, 't is maar wat je verlangt.
Maar voor wie eenmaal 'in de kinderboeken' zit, is het een onmisbare uitgave.



Abonnement op LZL? Prijzen 'zijn in 2017 als volgt: Instellingen 47,50; Particulieren 34,50; Studenten 24,25 (bewijs van inschrijving meesturen; moet elk jaar vernieuwd worden). Abonnementen gaan in per volledig kalenderjaar (reeds verschenen nummers worden toegezonden).'
Voor die prijs krijg je drie afleveringen per jaar, bij elkaar ruim 700 pagina's.
Losse nummers? 'Bestellingen voor losse nummers (19,95 euro per stuk) en abonnementen kunnen gericht worden aan het secretariaat van IBBY-Nederland.' ISBN LZL 99: 978 90 6167 275 9.
De ontwerpen voor het omslag zijn van Ted van Lieshout.








dinsdag 16 december 2014

Een land van waan en wijs

Eind november verscheen Een land van waan en wijs, geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur.
Een gebeurtenis van belang voor wie hart heeft voor kinderboeken. De laatste geschiedenis van deze tak van literatuur verscheen in 1989: De hele Bibelebontse berg: de geschiedenis van het kinderboek in Nederland en Vlaanderen van de Middeleeuwen tot heden. Al kreeg jeugdliteratuur nog wel zijdelings aandacht in recentere geschiedenissen van de hele literatuur, zoals Nederlandse literatuur (1993) en Altijd weer vogels die nesten beginnen (2006), en was er bovendien Wat heten goede kinderboeken? van Anne de Vries (1989, zie ook DBNL), een geschiedenis van het beoordelen van jeugdliteratuur, en de losbladige Encyclopedie van de jeugdliteratuur.
Een land van waan en wijs is dus de eerste poging tot integrale geschiedschrijving in een boek na 25 jaar,



Het begeleidend persbericht bevat dezelfde tekst als de website van de uitgeverij, Atlas-Contact:

'Lange tijd waren jeugdboeken vooral een middel in de opvoeding: schoolboeken, heiligenverhalen en kinderbijbels zetten de toon, met soms een vrolijk verhaaltje tussendoor, of een centsprent. Hoe anders is dat nu: de jeugdliteratuur van vandaag biedt een even boeiend als rijk palet aan verhalen in tekst en beeld. Van uitnodigende prentenboeken tot spannende fantasieverhalen, van gedichten tot meisjesboeken en historische romans.'

Merkwaardig, alsof een 'boeiend en rijk palet aan verhalen in tekst en beeld' geen middel in de opvoeding zou kunnen zijn. Juist wel, zou ik zeggen. Kunstzinnige educatie, heet dat. Het tekent een beetje de weerzin die er is bij veel auteurs en onderzoekers om met opvoeden geassocieerd te worden, alsof dat een afkeurenswaardige bezigheid is. Dit geschreven hebbende, geldt ook voor mij dat ik vind dat jeugdliteratuur meer is dan een opvoedmiddel, jeugdliteratuur is als alle literatuur ook (al dan niet geslaagde) kunst. Bovendien is een flaptekst niet te beschouwen als een credo van de redactie van het boek.

Een land van waan en wijs (de titel is ontleend aan Paul Biegel) is geschreven onder redactie van Rita Ghesquière, Vanessa Joosen en Helma van Lierop-Debrauwer. Een Vlaams-Nederlands trio, wat het merkwaardig maakt dat de ondertitel Geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur luidt.
Het trio opereerde met een redactieraad bestaande uit Harry Bekkering, Toin Duijx, Majo de Saedeleer en Jant van der Weg, en met 'referenten voor individuele hoofdstukken'. (Bedoeld wordt: afzonderlijke hoofdstukken.) Te weten: Harry Bekkering, Chris Coppens, Marc Depaepe, Eva Devos, Annemie Leysen, Harlinda Lox, Willem van der Meiden, Mirjam Noorduijn, Kees Ribbens, Rian van de Sande, Ronald Soetaert, Els van Steenberghe en Anne de Vries.

De inhoud is verdeeld naar genre, met een inleiding: 'Geschiedenis van de jeugdliteratuur in vogelvlucht', geschreven door de drie redacteurs.
Daarop volgen hoofdstukken over 'filosofische en religieuze kinderliteratuur', 'sprookjes, mythen en andere volksverhalen', 'fantasieverhalen', 'jeugdtijdschriften', 'informatieve jeugdliteratuur', 'kinderpoëzie', 'meisjes- en jongensboeken', 'gezinsboeken en schoolverhalen', 'prentenboeken en geïllustreerde jeugdboeken', 'adolescentenliteratuur', 'jeugdtheater en jeugdliteratuur', 'beeldverhalen in Nederland en Vlaanderen', 'verfilmde jeugdliteratuur', 'radio, televisie en jeugdliteratuur' en 'games, apps en jeugdliteratuur'.
Plus verantwoording, bibliografie, informatie over de auteurs, en twee registers (op naam en op titel).

Daarbij viel me direct op dat er een prettig anarchistisch gebruik is gemaakt van de termen kinderliteratuur, jeugdliteratuur en jeugdboeken. Ik neem aan dat de drie termen verwijzen naar dezelfde verzameling gepubliceerde teksten voor kinderen. Op p. 45 duiken bovendien naast elkaar de deelbegrippen jongerenliteratuur en adolescentenliteratuur op, nadat er op p. 44 toch onderscheid wordt gemaakt tussen kinder- en jeugdboeken en datzelfde jeugdboek op p. 46 dan weer opgevat moet worden als een boek dat niet voor volwassenen is, en dus synoniem voor kinderboek. Uit de context wordt doorgaans duidelijk wat men bedoelt.
In de 'Verantwoording' wordt uitgebreid ingegaan op de bepaling van de beschreven verzameling, waarbij de term jeugdliteratuur wordt gebruikt, en nog wordt uitgelegd dat de term literatuur 'niet-normatief' wordt bedoeld.
'Hierdoor is er aandacht voor zowel fictie als non-fictie en voor teksten behorend tot de canon van volwassen deskundigen, alsook voor teksten die vooral populair zijn bij jonge lezers.' (p. 496)
Ook verklaren de redacteurs de 'focus op genres': die 'maakt een meer gediversifieerd perspectief mogelijk, dat een louter chronologisch perspectief aanvult. Het jeugdliterair systeem evolueert immers niet als een homogeen geheel. De uitgestippelde aanpak maakt het mogelijk te onderzoeken en te verklaren in welke periode(n) elk genre een centrale dan wel marginale (perifere) plaats innam.' (p. 498)

Ik begon nieuwsgierig aan het eerste hoofdstuk, 'Geschiedenis van de jeugdliteratuur in vogelvlucht', Dat stelde me niet teleur, al was het maar omdat de auteurs meteen duidelijk maken dat er vóór de overbekende pruimen van Jantje (Hiëronymus van Alphen) óók voor kinderen werd geschreven. De jeugdliteratuur is dus ouder dan die pruimen. Sterker, als we bakerrijmen en wiegeliedjes tot de jeugdliteratuur rekenen (en dat doe ik) is de jeugdliteratuur oeroud. De auteurs lijken de literatuur echter te willen beperken tot geschreven (c.q. gedrukte) teksten, hoewel ook weer niet zo streng (zie de hoofdstukken). Maar toch, het punt is gemaakt.
'Bovendien zijn er, verrassend vroeg in de geschiedenis, auteurs en filosofen te vinden die óver kinderen en literatuur publiceren.' (p. 12)
Waaronder Plato en Aristoteles, en bij hen begint dus deze geschiedenis in vogelvlucht. Hulde.

Vóór de auteurs aandacht aan Plato besteden, openen ze hun hoofdstuk met een soort klaroenstoot, die ongetwijfeld de flaptekstmaker heeft geïnspireerd.
'Boeken geven inzicht in wie je bent en hoe de wereld om je heen eruitziet. Kinderboeken leren met nieuwe ogen kijken en "de voor-het-eerst-heid" van de dingen zien. Althans, dat is wat ze doen als de schrijvers ervan voeling houden met het kind dat ze eens waren. Natuurlijk zijn er ook de schoolmeesters, de "weters" met "zo min mogelijk persoonlijkheid", zoals Guus Kuijer ze noemt in Het geminachte kind (1980, 130), maar zij zetten niet langer de toon.
Veel jeugdschrijvers zoeken in hun boeken vooral de verwondering op en treden buiten de bekende paadjes. Ze trekken zich niets aan van wat hoort en moet en zijn wars van het idee dat alle kinderen dezelfde smaak hebben. Jeugdliteratuur is een land vol verhalen, een huis met mooie boeken.'

Zo, die zit.

En dan ik net zo goed even verder citeren:
'Het aanbod varieert van kleurrijke prentenboeken tot vuistdikke adolescentenromans. Er zijn verhalen die al eeuwen meegaan, zoals sprookjes, en titels die slechts enkele maanden op de planken staan. Zelfs het e-boek dat je alleen op een tablet of e-reader kan lezen, vindt zijn weg naar kinderhanden. Met een knipoog naar De kleine kapitein van Paul Biegel noemen we de Nederlandse jeugdliteratuur "een land van waan en wijs". Waan omdat fantasieverhalen telkens weer de  verbeelding van de jonge lezers prikkelen en hen meevoeren naar verre en vreemde werelden. Wijs omdat auteurs in hun verhalen levenslessen verwerken, in de hoop dat kinderen tot goede en verstandige mensen uitgroeien. Waan omdat sommige kinderboekenmakers op zoek naar sensatie en succes opgaan in de waan van de dag. Wijs omdat tal van andere verhalen jonge lezers een herkenbare wereld bieden, terwijl ze tegelijkertijd subtiel de horizon verbreden en aan het denken zetten.
Deze geschiedenis wil de rijkdom van de jeugdliteratuur laten zien. Voorop staan grensverleggende boeken die zonder meer kunnen meedingen naar de grote L van Literatuur, en die nationaal en internationaal erkenning vinden. Maar er is ook plaats voor boeken die de toets van de volwassenenkritiek niet kunnen doorstaan en alleen van jonge lezers applaus krijgen.'

Het valt zeer te prijzen dat de auteurs (de redactie van het boek) zo tonen wat ze willen. En ik moest denken aan die andere klaroenstoot, de naam van het door Annie Moerkercken van der Meulen opgerichte bulletin En nu over jeugdliteratuur, de voorloper van Leesgoed.
Annie Moerkercken van der Meulen was de oprichtster van het Bureau Boek en Jeugd, in 1952. Het bestaat niet meer, maar de grote kinderboekencollectie wordt met zorg door de Koninklijke Bibliotheek beheerd.

Er valt natuurlijk best wat te muggeziften over die tekst. Zo wordt de literatuur hier even verengd tot verhalen, met uitsluiting van prenten, poëzie en theater; de schoolmeesters die niet langer de toon zetten, keren min of meer terug als schrijvers die hopen ertoe bij te dragen dat kinderen tot goede en verstandige mensen opgroeien; en waar komt ineens die grote L vandaan?
En lezen we nu een geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur, met inbegrip van de Friese jeugdliteratuur, of die van de Nederlandstalige jeugdliteratuur. Beide, maar toch vooral de Nederlandstalige jeugdliteratuur. Gelukkig.

Dat neemt niet weg dat de auteurs hun huiswerk goed hebben gedaan (voorzover ik dat kan beoordelen) en een geschiedenis-in-vogelvlucht bieden die er mag zijn. (De prenten, de poëzie en het theater komen echt wel terug.)
Sowieso past vooral bewondering voor het waagstuk dat het schrijven van zo'n geschiedenis is. Wat ik nog aan te merken zou hebben, zijn niet meer dan kanttekeningen bij een prachtig werkstuk.
In dit hoofdstuk worden grote lijnen getekend. Na Plato en Aristoteles is er o.a. nog aandacht voor Horatius, Erasmus, Michel de Montaigne, Comenius, John Locke, Jean-Jacques Rousseau, William Blake... om te eindigen in de 21e eeuw, als een soort literatuur die 'balanceert tussen drie functies' (p. 53), die van opvoeding, ontspanning en esthetiek.
Zoals ik al schreef, er was van alles gaande vóór die pruimen die Jantje eens zag hangen, en het is nog steeds gaande. Er is meer continuïteit in het denken over jeugdliteratuur dan ik aannam.

Ik zet mij nu tot het lezen van de andere hoofdstukken, tussen ander leesgoed door. Deze recensie wordt dus waarschijnlijk vervolgd, maar dat kan even duren.

Ghesqière, Rita, Vanessa Joosen, Helma van Lierop-Debrauwer (redactie). Een land van waan en wijs, geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur. Atlas/Contact, 2014. ISBN 978 90 450 2766 1, 575 p.

NB. Zie voor een oordeel over het aandeel jeugdliteratuur in Altijd weer vogels die nesten beginnen Helma van Lierop in Literatuur zonder leeftijd 2006 (DBNL)



vrijdag 24 oktober 2014

Elfen bestaan

... althans, dat geloven meer mensen dan we denken.
Ik ga de dissertatie The Spiritual Tolkien Milieu: A Study of Fiction-based Religion van Markus Davidsen niet bespreken, maar vond de samenvatting (hier in het Engels) wel opmerkelijk wegens zijn aandacht voor een 'type of religion that uses fiction as authoritative texts'.
Hij noemt titels als Star Wars (George Lucas) en Stranger in a Strange Land (Robert Heinlein), maar zijn dissertatie richt zich op volgelingen (want zo kun je ze wel noemen) van Tolkien, The Lord of the Rings, die vanaf 1960 van zich laten horen. Ik citeer:

'De eerste religieuze praktijken die waren geïnspireerd door Tolkiens verhalen ontstonden laat in de jaren zestig, na het verschijnen van de paperbackversie van The Lord of the Rings in 1965. Hippies lazen het boek tijdens LSD‐trips om hun spirituele ervaring te verdiepen en in 1969 stichtte een groep provo’s uit Amsterdam de hippiecommune De Hobbitstee in Wapserveen in Drenthe. 
Sommige lezers vroegen zich af of The Lord of the Rings moest worden gelezen als een parabel over Faery (Elfenland). Zij sloten zich aan bij het opkomende neopaganisme en raakten geïnteresseerd in de Keltische en Germaanse mythologieën waar Tolkien zijn inspiratie mede vandaan had. 
In de twee decennia na het verschijnen van de paperback, en met name na de postume publicatie van The Silmarillion in 1977, ontwikkelden zich twee religieuze bewegingen, Tolkien‐religie en de elfenbeweging.'

Nog wat mooie citaten, uit beide samenvattingen:

'The construction of the Elves as a superior race is also the concern of the alternative historians discussed in chapter 12, “Esoteric Historians on the ‘Truth’ Behind Tolkien’s Elves”. The chapter focuses on Laurence Gardner and Nicholas de Vere who use Tolkien’s literary mythology to legitimise their conspiracy theories about a royal, Elven blood‐line which includes Christ and Charlemagne. 
While they do not directly integrate elements from Tolkien’s narratives into their religious beliefs and practices, they seek out similarities between Tolkien’s texts and bloodline lore and use these similarities to suggest that Tolkien possessed esoteric knowledge which he hinted at in his books. 
In this way, the alternative historians construct Tolkien as a fellow esotericist and attempt to rub his prestige as a mythologist and philologist off onto their own speculations.'

'Het spirituele Tolkien‐milieu is heel klein, maar fiction‐inspired religion komt tamelijk veel voor, zeker als daarbij naast de leden van georganiseerde fiction‐based religions ook de vele religieuze bricoleurs worden meegeteld die inspiratie vinden in boeken als The Da Vinci Code van Dan Brown en in films als Avatar van James Cameron. 
Martin Ramstedt stelt dat het toenemende religieuze gebruik van fictie een algemene ontwikkeling in hedendaagse religie weerspiegelt, namelijk een metaphorical turn van letterlijk naar metaforisch geloof en van ritueel naar spel. 
Tegen deze achtergrond is het interessant om te zien dat aanhangers van Tolkien‐religie verrassend letterlijk geloven en benadrukken dat hun geloof categorisch verschilt van het spel van fans. Doorgaans lezen zij Tolkiens verhalen op mytho‐kosmologische wijze: de verhalen zijn volgens hen verzonnen, maar gaan wel over bestaande bovennatuurlijke entiteiten. 
Zij stellen dus dat de Valar en de elfen echte spirituele wezens zijn die in contact kunnen treden met mensen op aarde, maar wier thuis zich bevindt in een spirituele dimensie, ver in de kosmische ruimte of in een andere tijd.'

Ik pikte uit de diverse berichten op de lekker verwarrend deels Engelse, deels Nederlandse website van Universiteit Leiden op dat de dissertatie de eerste 'monografie' zou worden uit een reeks over op fictie gebaseerde religies. En dat Markus Davidsen in 2012 al een artikel schreef over hetzelfde onderwerp, 'The Spiritual Milieu Based on J.R.R. Tolkien’s Literary Mythology', in Handbook of Hyper-real Religions (Brill, red. A. Possamai e.a.).

Dat The Lord of the Rings (In de ban van de ring) van J.R.R. Tolkien heel aantrekkelijk bleek voor allerlei zweverige types wist ik wil, dat het zo ver ging was me even ontgaan...
Voor de liefhebbers: hier de trailer van de gelijknamige films. En zie, just for fun, ook hier.




donderdag 23 oktober 2014

Zwarte Piet staat er gekleurd op


In de aanloop tot 5 december neemt de aandacht toe voor Zwarte Piet. Of om Bert Wagendorp te citeren in de Volkskrant van 16-9 jl.: 'ik dacht aan de komende twaalf weken tot 5 december, en aan het Pietengezeur dat weer over ons zal komen'. Hij schreef zijn stukje naar aanleiding van de aankondiging door Geert Wilders dat zijn club een wetsvoorstel gaat indienen dat de overheid zou verplichten tot het laten optreden van uitsluitend zwarte Zwarte Pieten met Sinterklaas.
En dat terwijl alom pogingen worden gedaan om Zwarte Piet een ander kleurtje te geven.



Zo kwam uitgeverij Ploegsma met een boek, Sinterklaasje kom maar binnen met je piet, de sinterklaasliedjes van nu, dat keurig aangepast is aan nieuwe opvattingen. Ik citeer de aankondiging:

Veel van de 'oude' sinterklaasliedjes die wij allemaal kennen stammen nog uit de 19e eeuw. Dat was een tijd waarin er heel anders werd gekeken naar dingen als opvoeding, speelgoed, en donkere mensen. In heel veel oude sinterklaasliedjes komen zinnetjes voor die vandaag de dag onbegrijpelijk klinken.

Daarom hebben Paul Passchier en Thedo Keizer de stapel oude liedjes afgestoft en aangepast aan deze tijd. Daarbij zijn ze zorgvuldig te werk gegaan, en niet overdreven gaan moderniseren. Sommige zinnetjes klinken nog steeds wat ouderwets, zoals "Makkers, staakt uw wild geraas!", maar zijn te mooi om te veranderen. Bovendien is Sinterklaas, zoals hij zelf regelmatig zegt, ook een ouderwetse man. Niet voor niks reist hij nog steeds met een stoomboot!

Maar geen kind ontvangt nog cadeaus in 'lege lege tonnen'. Niemand krijgt nog een roe als hij stout is, of speelt met een 'bromtol met een zweep erbij'. En dat Piet het goed meent ondanks dat hij 'zwart als roet' is, is natuurlijk ook onzin. 

Met deze hernieuwde teksten en die ouderwetse Sint met zijn vrolijke pieten willen we graag verder de 21e eeuw in. Uiteindelijk is het Sinterklaasfeest een feest voor iedereen, en dat moet het blijven! Daaraan levert dit boek (mét cd), dat op 9 oktober verschijnt, een grote bijdrage.  '
De woorden zwart, zak en roe komen niet voor in deze sinterklaasliedjes, de kaatseballen werden chocomunten en kinderen zijn niet meer stout, maar vooral heel erg blij.

'Sinterklaasje, kom maar binnen met je Piet,
want we zingen allemaal blij een lied.
Misschien heeft u wel even tijd,
voordat u weer naar Spanje rijdt.
Kom dan maar even bij ons aan
en laat uw paardje maar buiten staan.
En we zingen en we springen 
en we zijn zo blij,
en we dansen samen,
zij aan zij.
En we zingen en we springen 
en we zijn zo blij,
en we dansen samen,
zij aan zij.'

Ook de gard verdween, niemand maakt zich meer druk om 'wie de koek krijgt, wie de gard', het is alleen maar ''t Grote feest gaat weer van start'. Om met twee oude virtuele politici te spreken: 'geen gezeik, iedereen rijk', cadeautjes voor alle kinderen.
Daarmee is een zeer kenmerkend trekje uit dat 'grote feest' weggenomen, namelijk dat die cadeautjes een beloning zijn voor goed gedrag. Sint wordt hier niet blij van, nu lijkt-ie net de Kerstman. En zeg nou zelf, dat manneke op de voorplaat, dat heeft niets strengs meer.

Zo kwamen er meer boeken, hieronder bespreek ik er nog een, maar er is bijvoorbeeld ook De vrienden van Sinterklaas van Sjoerd Kuyper en Harmen van Straaten (Hoogland & Van Klaveren), waarin pieten allerlei kleuren hebben.

Ja, daarmee begon natuurlijk het geraas van oude makkers.
Oude makker Lodewijk Osse, voorzitter van de Stichting Sinterklaasintocht Assen (volgens NRC 23-09-2014), in een heerlijk ouderwetse middenstanderstekst:
'Onze Sinterklaasintocht zal dit jaar in zijn meest oorspronkelijke vorm zijn en groter dan ooit, met 400 Zwarte Pieten en 9 praalwagens. We willen laten zien dat wij niet om willen buigen voor protest. We zijn niet doof voor de geluiden en hebben begrip voor iedereen, maar dat moet ook wederzijds zijn. Het gemieter over de kleur van Zwarte Piet kennen wij niet.'

Maar (zelfde bron) 'Utrecht heeft ‘een brede dialoog rond Piet’ georganiseerd, zegt een woordvoerder van de gemeente:
Daarbij houden we rekening met gevoeligheden, zonder het traditionele karakter van de intocht drastisch of versneld te veranderen.
Op verschillende plaatsen zeggen comités dat ze met de keuze voor het soort intocht wachten op het oordeel van de Raad van State, die zich volgende maand in hoger beroep buigt over de uitspraak van de Amsterdamse rechter dat Zwarte Piet discriminerend zou zijn. Of op een ‘landelijke richtlijn’, waarbij sommigen denken dat die van minister Asscher (Integratie) zal komen (nee, zegt zijn woordvoerder) of van een landelijke Sinterklaasvereniging (dan zou er niks veranderen), of van de NTR, die het beeldbepalende Sinterklaasjournaal uitzendt en live de landelijk intocht in Gouda, maar de omroep zegt nog niets.'

Oude makker Meindert Fennema betoogde in de Volkskrant 9-10-2014 dat 'de overheid' zich in ieder geval niet met de discussie moet bemoeien. 'Racisme verbieden? Het begint met Zwarte Piet en eindigt met de guillotine!' Hij wijst op de verwarring van racisme (een mentale instelling) en rassendiscriminatie (een handeling) en meent dat zij die Zwarte Piet helemaal niet racistisch vinden 'eigenlijk al in het discours van hun tegenstanders stappen'. Racisme verbieden vindt hij 'in strijd met de vrijheid van meningsuiting'. Waarbij hij zelf dus een 'mentale instelling' verwart met de uiting van een mening. Tja.

Er werd een Stichting Vrienden van Sinterklaas opgericht, die 'het instandhouden van het cultuurgoed rondom het Sinterklaasfeest' tot doel heeft en o.a. wat boeken etaleert over het ontstaan van Zwarte Piet.

Een grote supermarktketen deed Zwarte Piet alvast tijdelijk in de ban: 'Albert Heijn doet Zwarte Piet grotendeels in de ban. In de grootste supermarktketen van Nederland zal de beeltenis van Piet alleen nog op snoepgoed opduiken. Dat meldt het AD. In reclames en campagnes binnen en buiten de winkels is de donkere metgezel van Sinterklaas straks niet meer te zien. Op de posters speelt een wit ongeschminkt jongetje de rol van Piet. Volgens woordvoerder Els van Dijk is er binnen hoofdconcern Ahold ,,lang en goed'' nagedacht over het besluit. Het bedrijf wil niet doof zijn voor het maatschappelijk debat rond Zwarte Piet ,,dat de laatste tijd duidelijk is verhard. Je moet iets met zo'n discussie''. ' Aldus het Utrechtjournaal op 9-10-2014. Maar later werd die ban weer opgeheven.
Arnon Grunberg leverde daarop d.d. 17-10 dit spitse commentaar:

'Volgens Bas Blokker in NRC Handelsblad raakt Zwarte Piet aan onze "nationale identiteit" maar de Frankfurter Allgemeine Zeitung behandelt de kwestie in de economische bijlage van die krant. Ahold, moederconcern van Albert Heijn, zo schreef FAZ, wilde producten met Zwarte Piet in de ban doen, maar toen uit een peiling bleek dat van 1.500 personen 94 procent van plan was de kinderen met Zwarte Piet op te voeden, kwam het bedrijf van deze plannen terug. Angst voor omzetdaling verricht wonderen.
De FAZ citeerde uit het rijmpje waarmee Ahold de terugkeer van Zwarte Piet bekendmaakte. In het Duits klinkt het beter: "Von dieser Nachricht, lieber Piet, ist überhaupt nichts wahr. Du liegst bis oben hin in unseren Regalen, genau wie jedes Jahr."
Zwarte Piet is omzet. Vermoedelijk is onze nationale identiteit eveneens gewoon omzet.'
Daarmee zou Lodewijk Osse (zie boven) het van harte eens moeten zijn, net als de uitgevers van de genoemde boeken. In stilte natuurlijk, handelaars zeggen zoiets liever niet hardop, dat bederft de sfeer.

En zo golfde en golft het 'pietengezeur' door. Gewild onderwerp op verjaardagen en aan de borreltafel. Maar ook in de Raad van State, die zich er op 16-10-2014 over boog, nadat een rechtszaak d.d. 03-07 (! zie hier en hier) bij de Rechtbank van Amsterdam leidde tot hoger-beroepen. (Uitspraak in november, begreep ik.)




Begin oktober verscheen Alleen maar stoute kinderen van Robert Vuijsje en Heleen Brulot (Leopold), en dat leverde meteen publiciteit op in de Volkskrant 15-10-2014 en Trouw van 12-10-2014.
Robert Vuijsje had overigens in de Volkskrant 12-10-2013 al eens een artikel gewijd aan de pieten.

Twee citaten uit zijn artikel van 2013:

'Afgelopen maandag vielen we geheel per toeval midden in een uitzending van Pauw & Witteman terwijl Quinsy Gario aan het woord was over Zwarte Piet. Quinsy is een activist die ik nog kende van de bezwaren die hij maakte tegen mijn boek Alleen maar nette mensen en dan vooral de verfilming daarvan. 

Hij was een van de zwarte mensen die, vond ik, niet het verschil konden zien tussen een boek over racisme en een racistisch boek. Een van de mensen die alarm sloegen over de beschrijving van de zwarte personages, maar het er kennelijk mee eens waren dat alle blanke bewoners van Amsterdam-Zuid werden afgeschilderd als racisten. Toen ik hem zag was mijn eerste gedachte dan ook: daar gaan we weer. 

Gekwetst
Inderdaad vertelde Quinsy weer over zijn bezwaren tegen Zwarte Piet. Lynn is van Surinaamse afkomst en ik niet, toch legde ik haar even uit hoe het werkt: wanneer iemand overal door wordt gekwetst devalueert het de kracht van zijn argumenten. Nu is het een boek, of een film, dan weer Zwarte Piet, volgende keer de kwaliteit van de excuses voor de slavernij. 

Je kunt niet het recht opeisen dat iedereen zich maar aan jou moet aanpassen. Vroeger ging ik naar alle thuiswedstrijden van Ajax. Nu heb ik geen zin meer om twee uur lang te luisteren naar tienduizenden mensen die schreeuwen over joden die al dan niet aan het gas moeten. Van die mensen eis ik ook niet dat ze daarmee ophouden.'

Zijn vrouw echter
'vertelde hoe ze het Sinterklaasfeest als kind had beleefd. Dat het ongemakkelijk voelde en pijnlijk en verwarrend. Waarom praatte Zwarte Piet met een Surinaams accent terwijl hij zogenaamd uit Spanje kwam? Zwarte Piet was, iets anders kon je er echt niet van maken, de knecht van Sinterklaas. 
Hij was geschminkt in dezelfde kleur als Lynn, betekende het dat haar witte klasgenoten haar ook als een knecht zouden zien? 
Ik pakte mijn telefoon en belde de enige zwarte klasgenoot die ik had op de lagere school. Ook Arnie is iemand die ik in de vijfendertig jaar dat ik hem ken nooit heb horen klagen over complotten die de witte man tegen hem zou smeden. 
Wij zaten op school in de tijd dat we met de hele klas demonstreerden tegen Deetman en de neutronenbom - als twaalfjarigen waren we politiek bewust. Arnie vertelde dat Zwarte Piet ieder jaar onze klas in kwam en oerwoudgeluiden maakte. Hij had dezelfde eenzaamheid gevoeld als Lynn. 
Ik kon me helemaal niets herinneren van oerwoudgeluiden.'

Kennelijk bracht dit hem tot het maken van het prentenboek Alleen maar stoute kinderen.

In het interview in Trouw ventileert hij een jaar later min of meer hetzelfde, en in de Volkskrant 15-10-2014 mocht hij nog eens zijn licht laten schijnen over de pietenkwestie, en dan vooral het racisme dat eraan ten grondslag ligt. Waarbij gezegd dient dat zijn argumenten alleszins redelijk zijn.
Sterk is vooral zijn behandeling van het 'rondje misverstanden'.

Opschudding genoeg, dus, en Robert Vuijsje is voortrekker van de gekleurde piet geworden.
Het prentenboek zelf heeft weinig om het lijf. Twee kinderen spelen Zwarte Piet, althans, 'willen pietje zijn' (liever dan Sinterklaas) en beschilderen vervolgens zichzelf en gaandeweg het hele huis met alle mogelijke kleuren. Tot moeder thuiskomt en schrikt van de bende.

'"Kleurenpietjes?" mam zucht. "Maar waarom zit overal verf op?"
"Vind je het niet mooi?" vraagt Daantje. "We hebben met de verf gespeeld!"
Sammie knikt. "We wilden allebei een pietje zijn."
"En toen werd ik groen en blauw en geel, en Sammie wilde ook een kleurenpietje zijn," zegt Daantje. "Een piet kan toch alle kleuren zijn?"'

Enfin, dat is mama met ze eens, maar ze zijn 'wel heel stout geweest'. Sammie en Daantje besluiten dan 'opruimpietjes' te worden. Eind goed al goed.

Als volwassen lezer dacht ik allereerst dat moeders reactie wel wat erg luchtig was: wel eens geprobeerd gemorste verf te verwijderen van vloeren, muren, gordijnen, een kat, meubels enzovoort? In het minst ongeloofwaardige geval was het wáterverf. Maar dat staat niet in het verhaal en ook de illustraties tonen dat niet.
Die tonen wel zwarte Zwarte Pieten die alles verbaasd gadeslaan - en op de laatste pagina, waar de heldjes in bed liggen, veranderd zijn in lachende gekleurde pieten.
Vlot verhaaltje, leuke karikaturale prenten (die de twee kinderen ietwat ADHD-achtig tonen), grappig maar ietwat ongeloofwaardig, en vooral niet meer dan dat. Jammer, Robert, je mag je scharen bij die andere auteurs van grotemensenliteratuur die dachten dat schrijven voor kleine mensen een peuleschilletje was. Het boek mag in die grote kast met vriendelijke middelmaat.

Wie nog wat 'oude' sinterklaasliedjes zoekt, kan (tot wanneer? zie hun inleiding) nog terecht op (o.a.) Liedjesland.
Waaronder bijvoorbeeld:

   Arme Zwarte Piet, wat zie ik nou?
   Jij ziet pimpelpaars en bont en blauw (enz., heel actueel :-))

En de oude voltreffer:

   De zak van Sinterklaas,
   Sinterklaas, Sinterklaas,
   De zak van Sinterklaas,
   o jongens, jongens
   't is zo'n baas! (enz.)









donderdag 9 oktober 2014

Een kick

Een artikel in de Volkskrant 7-10-2014 door Paul Onkenhout zette me op het spoor van iets gedenkwaardigs. Op 11 september 1954 verscheen de eerst aflevering van Roy of the Rovers (zie The Guardian 8-9-2014).



Edoch, in november 1949 was al zijn Nederlandse evenknie actief: Kick Wilstra, getekend door Henk Sprenger.



Alles over Kick Wilstra wordt verzameld door 'Erik Janssens uit Rotterdam', die een ontroerend primitieve website bijhoudt, waarop hij meldt: 'Kick Wilstra is de beste voetballer die Nederland ooit heeft gehad. Geen wonder, het is een stripheld met de koptechniek van Kick Smit, de sierlijke stijl van Faas Wilkes en het spelinzicht (en de kuif) van Abe Lenstra. De blonde wondermidvoor beleeft op en buiten het veld avonturen. Kick Wilstra was in de jaren 50 ongekend populair en verscheen in stripbladen, in kranten en later in boekvorm. Deze site bevat veel informatie over de gentleman-voetballer uit de tijd dat het spel nog sportief was en het geweld zinvol.'

Ja, kom daar nog eens om...
Ook dacht men toen niet aan misbruik van jonge jongens in de kleedruimtes, bespied werd er evenmin, gevloekt en gespogen natuurlijk al helemaal niet en alle voetballers en juichende toeschouwers waren lelieblank. (Hoewel bij Roy en zijn Rovers nog wel eens een donker tintje langskomt.)
(Mooi ironisch toeval dat in diezelfde krant pal na dit artikel een in memoriam stond wegens het overlijden van de 'zwarte parel van Amsterdam' Erwin Sparendam, een zwarte Kick Wilstra zal ik maar zeggen, die vele doelpunten scoorde voor de eredivisieclubs Blauw-Wit en Elinkwijk.)



Twee jubeljaren dus, en bij elkaar tijd om even stil te staan bij de opkomst van de strip, het beeldverhaal, in de tijd dat er nog geen sjieke graphic novels waren. Ja, ja, Kapitein Rob (met pijp), Erik de Noorman, Sjors en Sjimmie, enzovoort.


Het genre werd door niet erg gewaardeerd door opvoeddeskundigen, waaronder de voorhoede van de Nederlandse jeugdliteratuur, bijvoorbeeld Boek en Jeugd, want men meende dat de strips een verderfelijke invloed hadden op de jeugd. Waarom mag Joost weten, want de helden hadden allen een hart van goud, als 't erop aankwam. Hun bezwaren hadden weinig invloed, de strips werden zeer gewild.

Een en ander leidde ertoe dat strips en jeugdliteratuur in kringen van bibliothecarissen, boekhandelaars, recensenten, onderzoekers en andere deskundigen als twee geheel aparte grootheden werden gezien, en er ontstonden dan ook twee aparte circuits van instituten, vakbladen, uitgeverijen en winkels.

Ook nu nog doet de strip in het Nederlands taalgebied eigenlijk niet mee als men jeugdliteratuur bestudeert en bespreekt - en andersom. Dat geldt trouwens ook voor (bijvoorbeeld) Duitsland, Engeland en de VS. Daarentegen kent het Franse vakblad La revue des livres pour enfants al sinds tijden in zijn recensies de categorie BD (bandes dessinées, strips). Maar ook in Frankrijk zijn ondanks die gewetensvolle houding van de Revue gescheiden circuits, getuige het aparte stripfestival met internationale aspiraties dat jaarlijks in Angoulême plaats vindt.

Gewetensvol, ja. Want als je je bezighoudt met wat kinderen lezen, kun je strips niet buiten zicht houden. Voor kinderen zijn strips óók leesgoed. Interessant dus dat er de laatste tijd toch een soort vermenging is, uitgaven getooid met de naam graphic novels (ze mogen nog geen beeldverhalen heten) die ineens wel tot de (jeugd)literatuur gerekend worden.



Saillant detail is dat uitgeverij De Fontein bij opkomst van deze term onmiddellijk een URL claimde voor haar uitgaven, waaronder Het leven van een loser en Dagboek van een muts.


Zo ongeveer als een onbekende de URL kinderboeken.nl heeft gereserveerd. Een handeltje, waarbij de handelaar kennelijk onbekend wenst te blijven.