Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label Kunsteducatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kunsteducatie. Alle posts tonen

zondag 22 maart 2026

Ted

Tjezus, wat een dikke pil. En dat allemaal over Ted van Lieshout! Heb je daar zin in?
 
Nou, het boek lijkt dikker dan het is doordat het mooi, stevig papier is, 380 p. Ja, het is helemaal Ted van A tot Z. Je hebt het zelf aangevraagd, hoor.
 
Moet toch even zuchten, geloof ik. Wat een ijdeltuit.
 
Zo zou ik het niet noemen, meer een enorme behoefte om te tonen wat hij met zijn talenten gedaan heeft, gepaard aan een even enorme nauwkeurigheid en zucht naar volledigheid. Lees alvast maar wat bladzijden en je ziet, alles staat precies waar het moet staan. Deze man schrijft en tekent niet alleen maar geeft ook zijn boeken vorm, tot in detail, en zo kan hij bijvoorbeeld op p. 74 (derde kolom) in de tekst verwijzen naar een afbeelding 'op de bladzijde hiernaast'.
Hoewel, dat hij zich op p. 334-339 uitgebreid bezighoudt met hoe hij eruit ziet en zijn kop zelfs het register verlucht (of verluchtigt) zou wel op ijdelheid kunnen wijzen. Bij elkaar één grote schreeuw: zie mij, dit ben ik!
 
Kun je het in één zin afdoen? Scheelt een hoop tijd.
 
Prachtboek!
 
Dat is wel heel erg beknopt. Maar nu ik wat gebladerd heb, moet ik je wel gelijk geven. Toch maar iets meer over melden?
 
O.k. 
Om te beginnen de aanleiding. Die vult p. 6. Een 'uitnodiging' van het 'Illustratiehuis Amsterdam' om een overzichtstentoonstelling te maken ter gelegenheid van veertig jaar schrijverschap en zijn zeventigste verjaardag.
 
Apart, een Illustratiehuis dat een overzichtstentoonstelling wil om veertig jaar schrijverschap te vieren, dus niet veertig jaar illustratorschap of iets dergelijks. Niet te vinden trouwens, dat Illustratiehuis, of het moet de Illustratie-ambassade zijn geweest. Maar die vermeldt geen overzichtstentoonstelling van hem.
 
Nog aparter was dat er slechts 'twintig lijsten' ter beschikking werden gesteld. Ted van Lieshout haalt ze aardig over de hekel.
 
Ik ben heus wel vereerd dat ze me vragen, want het Illustratiehuis is een prima plek, maar als er een schele minnaar langskomt die stinkt uit zijn bek, is het toch logisch dat je in de verte tuurt om te zien of er een knappere kandidaat aangegaloppeerd komt? Helaas, ik zie er geen verschijnen aan de horizon. Deze dan maar doen?
 
Ik neem eigenlijk aan dat die uitnodiging verzonnen is of hooguit losjes gebaseerd op een ooit ontvangen en afgewezen uitnodiging. Ted doet niet zomaar iets en de uitgeverij evenmin. Het boek is tot stand gekomen 'met subsidie van het Jaap Harten Fonds' en zorgvuldig voorbereid. Zelfs met subsidie siert het uitgeverij Leopold dat ze dit boek heeft uitgegeven.
Die tentoonstelling blijft een thema in het boek. 'Deze dan maar doen?', jawel, en dus gaat de kunstenaar zogenaamd met frisse tegenzin graven in zijn archief. Want er moest vroeg werk in, het moest per slot een overzichtstentoonstelling zijn, en als je zo veel gemaakt hebt en je hebt maar twintig 'lijsten', wat kies je dan?
 
Archief? Dus hij bewaart alles?
 
Ergens beschrijft de zeventigjarige Ted zijn huis aan de zeventienjarige Ted. 
Dat moet ik eerst even toelichten. De tekst is een dialoog. De zeventigjarige Ted praat (in zwarte letters) met de zeventienjarige Ted (in vettere, gekleurde letters). Dat levert hier en daar grappige dialogen op. Zoals op p. 146, over Mijn botjes zijn bekleed met deftig vel:
 
Ik moest tijdens mijn opleiding aan de academie bepaalde grafische technieken uitproberen en dat heb ik ook wel gedaan, maar ik vond het lastig en omslachtig.
 Dat heb je al verteld.
Linosnedes maken vond ik nog wel aardig.
 
Enzovoort. Hier trekt de zeventigjarige zich niets van de tussenwerping aan en gaat gewoon door over linosnedes en etsen. Ja, je komt in dit boek heel wat te weten over druk- en tekentechniek. Maar op p. 63-64 staat een mooi stuk dialoog over de dood van Teds broer Harry in 1979, als Ted 23 is en hoewel ernstig zit zelfs daarin nog wat onderkoelde humor ('O nee, dat kan niet'):
 
 Wat dan?
Eh, ik weet niet of ik dat moet vertellen.
 Kom ik het uiteindelijk toch te weten?
Ja, als je drieëntwintig bent.
 Vertel het dan maar.
Je zult ervan schrikken.
 Vertel.
Ik weet niet hoe ik het je moet vertellen.
 Je maakt me bang.
In 1979 gebeurt er iets ergs.
 Hoe erg?
Het ergst van alles.
 Ik ga dood! O nee, dat kan niet. Iemand anders gaat dood.
Ja.
 Wie?
Je broer.
 Nee!
Ik vrees van wel.
 
Enzovoort. Het levert ontroerende passages op, net als die over zijn Meneer.
Maar nu dat huis. Ted koopt op zeker moment een zeer ruim appartement, bovenin een oud pakhuis. En hij kan niets weggooien, schrijft hij. Dus dat ruime appartement van hem moet wel tjokvol zitten, hij geeft ook toe dat hij soms struikelt over de spullen en dat hij zou moeten opruimen.
Voordelen heeft het ook, want na bijna veertig jaar weet hij bijvoorbeeld vijftien poppenkoppen tevoorschijn te halen, waarvoor hij ineens een bestemming weet: zie Onder mijn matras de erwt (2017). Ted besteedt er uiteraard veel meer woorden aan, ja, die hang naar volledigheid hè...
 
Alles staat erin?
 
Nou, dat durf ik niet te zeggen. Zijn persoonlijk liefdesleven laat hij eruit. Het is geen autobiografie, het is een overzichtstentoonstelling in boekvorm, met zeer uitgebreid commentaar in dialoogvorm, waar persoonlijke ontboezemingen enkel een rol spelen als die invloed hadden op zijn werk. Het meest persoonlijke deel vind je in het hoofdstuk 'Verzoening' en dat gaat over de vraag die de titel van het boek is: Wat heb jij gedaan om mij gelukkig te maken?
 
Ik dacht dat die vraag aan mij, de lezer, gesteld werd. Kwam een beetje klagerig over.
 
Nou, je had na enkele bladzijden al kunnen bedenken dat Ted die vraag aan zichzelf zou stellen. Hoewel de oude Ted het ook interpreteert als een verwijt. Hij verweert zich krachtig. Ja, het leven blijkt niet volmaakt, maar wel goed genoeg.
 
 Dus ik misluk niet totáál?
Niet totaal, nee. Totaal niet, zou ik eigenlijk willen zeggen.
 
Deze laatste dialoog, in 'Verzoening', bevat ook een soort verantwoording van de tentoonstelling. Ik zou hem het liefst in zijn geheel willen citeren, maar dat gaat echt buiten de grenzen van een recensie. Hooguit die onverwacht korte uitspraak:
 
Daar gaat het om bij alles wat je maakt: je vel moet ertegenaan gezeten hebben.
 
Van doorleefde kunst gesproken. 
Koop het boek maar. Een mooiere tentoonstellingscatalogus is in tijden niet verschenen.
 
Moeten er geen plaatjes bij deze recensie?
 
Nee, voor een keer niet. De vraag, welke dan?, is bijna even moeilijk als die van die twintig lijsten. Dus geen. Nogmaals: koop het boek maar, het is niet alleen een overzichtstentoonstelling in boekvorm, maar ook een schatkamer.
 
 
Lieshout, Ted van. Wat heb jij gedaan om mij gelukkig te maken? De tentoonstelling. Leopold, 2026. ISBN 978 90 258 8912 8, 380 p.   

zondag 19 november 2017

Rillingen

Het was een klein berichtje in NRC Next 17-11-2017: 'foto's kinderen met bloot bovenlijf na klacht weg uit galerie Haags WTC'. Het betrof foto's van Vivian Keulards.
Ik citeer de krant:

Twee kinderen met ontblote bovenlijfjes: een roodharig jongetje en een meisje. Met geweien tegen haar hoofd gedrukt speelt ze voor hert. Sinds 19 oktober hingen de foto’s in het Haagse WTC. In het weekend zijn ze verwijderd. [...]
Keulards is een gerenommeerd fotograaf. De foto’s behoren tot twee series, Flaming Grace, portretten van roodharige kinderen, en Bloody Mary and Sloppy Joe, documentaire-foto’s die ze maakte toen ze tijdelijk in de VS woonde. Het meisje met de geweien is haar dochter, in 2010 spelend. Keulards: ,,Wat gaat er in de hoofden rond van deze kijkers? Dáár krijg ik de rillingen van.” Voor Renée van Nievelt van de galerie in het WTC was het ,,de eerste keer” dat haar werd verzocht werk te verwijderen. ,,We zijn een galerie in een zakelijke omgeving, daar houden we rekening mee. Maar deze zag ik niet aankomen. Dit is mooi, gevoelig werk van haar eigen dochter.”

Die rillingen, dat kan ik me voorstellen.  Inderdaad, wat gaat er om in de geest van mensen die zich storen aan dit soort foto's?
Hoe bekijken ze kunst in het algemeen?
Of betreft het hier handelaars die vooral beducht zijn voor reacties van klanten uit preutse streken (VS, Midden-Oosten, ...). Maar dan herhaalt de vraag zich: wat zouden die handelaars veronderstellen dat er omgaat in de geesten van hun vermeend preutse bezoekers?
Handel gaat wat hen betreft vóór ethiek, dat is duidelijk.

De foto's zijn te zien op de website van de fotograaf, zie hier en hier.

dinsdag 19 maart 2013

Sprakeloos

Er zijn beelden die me meer raken dan andere. Zo'n beeld zag ik bij de bespreking in de Volkskrant 18-3-2013 van Love Doll Factory, een fotoboek van Marco van Duyvendijk: een berg poppen. Liefdespoppen, rubberen blote dames.



Griezelig, unheimisch, en ik keek ervan op. Aan zulke poppen is kennelijk voldoende behoefte om fabrieken mee gaande te houden. Ik probeerde de afbeelding op internet te vinden en kwam zo wel bij andere mooie foto's (veel portretten) van Marco van Duyvendijk terecht, maar niet die welke in de krant stond. (Vandaar de slechte scan hierboven.)
Dit vond ik bijvoorbeeld  prachtige foto's (klik om te vergroten):


:

Maar daar gaat het me nu niet om, al is het vinden van zo'n talent toch een geschenk.
Verder zoekend kwam ik ook bij deze merkwaardige reeks terecht.

Ik neem er vier van over:

1 2


3 4

Ik weet niet welke ik 't meest luguber vind. Het maskerachtige van nummer 3? Misschien wel nummer 2, juist omdat ze zo gladjes levensecht is, een gephotoshopt modelhoofd. Zet er een motortje is dat haar lippen beweegt, een bandje erachter en ze kan op tv, bijvoorbeeld als stand-in voor Paris Hilton.
Een eigenaardige website trouwens, die Cariparidoesitbetter. Die Zackary Canepari moet een gedreven verzamelaar van rariteiten zijn, en hij heeft nog een aparte fotowebsite (Canepariphoto), zeer de moeite waard. Hier een interview met hem.
Maar daar gaat het nu niet om. Het gaat me om de sprakeloze poppen, de maskers. Zijn ze sprakeloos of maken ze me sprakeloos? Maakt de sex ze extra pervers? (Ja.)

Naar wie gaan die poppen, wie koopt ze?
Daarop vond ik een antwoord, een documentaire Love dolls in Japan, over een 45-jarige ingenieur die liever poppen in huis heeft dan een echte vrouw (of vrouwen). Hieronder twee stills uit die documentaire:

  

Ik kon me vooralsnog geen vrouw voorstellen die siliconen mannenpoppen wenst. Maar die zijn er ook, met één zoekopdracht (male love dolls) vond ik een verzendwinkel. 6000 dollar voor een 'standard male', '(includes anal entry, plus one size penis attachment)'. (Niet onmogelijk natuurlijk dat het mannen zijn die deze mannenpoppen begeren...)
Barbie en Ken, maar dan levensgroot en voorzien van geslachtsorganen. Het Nederlandse woord dollen krijgt hier een extra lading. Mocht dat levensgroot te groot zijn, dan kun je ook nog alleen het stuk met de edele delen bestellen. De speciale reeks wicked realdolls levert plaatjes op als dit:



Er zijn kennelijk mannen die hierdoor opgewonden raken. Ik staar er even gefascineerd naar, wegens de ambiance en het contrast met die beelden. Wie het iets minder porno-achtig wil, krijgt dit;



Hier verkoopt de winkel zijn pop in een decor dat aan B-films en reclame ontleend is. Andy Warhol zou er wellicht raad mee weten, op jetset-tuinfeestjes. Plaats bij deze Jessica een uit voorraad leverbare Michael, Nick of Nate, steek hem in een sjiek pak en klem een vol champagneglas in zijn hand. Hoe werelds de gasten ook zijn, ze zullen toch even opkijken als ze, hun eigen champagneglas nog in de hand, dit tafereel ontwaren. Met een opgezette python hoort een Tarzan-ontmoet-Jane-tafereel ook tot de mogelijkheden, trek de manpop dan een beestevel aan.

Terug naar de poppen. Het naakte, de geslachtsorganen maakt ze pervers, perverser dan een per ongeluk (half) ontklede etalagepop, en ik besef al gauw dat dit een wereld opent die ik niet per se hoef te verkennen. Ik laat die Japanse ingenieur maar even liggen bij zijn siliconen liefdespoppen.
Wat die etalagepoppen betreft, ter illustratie hieronder twee foto's die ik vorig jaar in Antwerpen maakte:

   


Terug naar de poppen, kunst, goden en de magie van het verhaal.

Poppen en maskers maken is heel oud, ik denk vrijwel even oud als het scheppen van geesten, goden en halfgoden. Hele volksstammen denken dat een god aan het woord is als hun sjamaan een masker opzet en spreekt. Of ze doen alsof, maar in ieder geval verandert er iets door het opzetten van het masker. Is iedere totempaal niet een soort pop?

Gaat er iets van een god over in het beeld van de god? Is dat de reden dat in sommige godsdiensten juist het afbeelden van goden verboden werd? (Vader en zoons Blokker hadden het in Er was eens een god over de 'jaloerse god' die vooral wou dat er geen ándere goden werden afgebeeld en dus aanbeden.)

De wereld is vol tempels waarin mensen offerandes brengen bij poppen, nou ja, beelden dus. De priester kust zijn kruisbeeld, morbide afbeelding van een pop, nou ja, een beeld, van een aan een kruis genagelde halfnaakte man. Er worden kaarsjes aangestoken voor Maria. Wie een hekel heeft aan iemand, maakt een pop die op hem of haar lijkt en steekt er naalden in, ook dat schijnt nog voor te komen.

In de Griekse tragedie en het Japanse Noh-theater droegen en dragen acteurs maskers. Het is de opmaat naar de poppenkast en het schimmenspel.

Mensen maken beelden van andere mensen, van de Chinese stenen soldaten tot machthebbers in soorten en maten (die zichzelf zo nog belangrijker dachten te maken), van tinnen soldaatjes tot de denker van Rodin - en van goden en halfgoden, in vele soorten en maten. Poppen zijn hanteerbare beelden.


De pop wordt kunst, zie bijvoorbeeld deze werken van Orlando (links) en Hanna Goetz (midden), en vergelijk met Jessica en de etalagepoppen boven, maar ook met La Cicciolina als porseleinen beeld (deel van het beeld Made in Heaven).

 

Ja, die Cicciolina was bij uitstek iemand die het popperige dicht naderde: net als Paris Hilton een levende Barbie. Kunstenaar Jeff Koons werd mateloos door haar aangetrokken. Word je een pop op het moment dat je jezelf als kunstwerk beschouwt?
Kunstenaars maken gebruik van (de betovering door) poppen, zowel van de religieuze betovering als van de fascinatie die ontstaat door geforceerde intimiteit, en van de onmiddellijke identificatie die ontstaat door het zien van een gestalte met menselijke trekken.

En uiteindelijk komen we terecht in de kinderkamer en de speelgoedpoppen, bij (o.a.) Barbie en Ken dus, maar ook bij de vele poppen met kinderlijker gezichten en gestalten die ontelbaar veel poppenwiegjes hebben bewoond, en de poppen van de poppenhuizen. En van de poppenhuizen kunnen we eventueel nog een tocht maken langs de vensterbanken en schoorsteenmantels met hun houten of porseleinen herders en herderinnetjes die Jeff Koons ooit op het idee van zijn banalities brachten, en het masker van de klassieke clown, tot we weer bij de beeldende kunst en de fotografie terugkomen.


Is het (ook) die associatie met de kinderkamer die me lang doen kijken naar de foto's van love dolls door Marco van Duyvendijk en Zackary Canepari? En naar zo'n pop van Hanna Goetz? Komt er nog de associatie bij met de zombies, de levende doden in zoveel verhalen? Met het Monster van Frankenstein, per slot ook een soort pop?
Mensen brengen poppen tot leven, letterlijk in verhalen (sprookjes van Andersen!), figuurlijk in kinderspel, poppentheater en in religieuze rituelen, wij zijn poppen in handen van ons onbekende goden (zoals in dat mooie verhaal van Isaac Asimov of Stanisław Lem, titel vergeten, aangehaald in The Mind's I, over twee geleerden die bespreken of een door hen geschapen wereld nu wel of niet mag worden verwoest) en wij heersen over poppen als goden (met het experiment op het Island of Dr. Moreau van H.G. Wells als gruwelijkste variant).
Zijn we voyeur als we naar poppen kijken?
Voelen we ons ongemakkelijk, misschien zelfs betrapt, als we naar onvolmaakte gekunsteldheid van poppen kijken, of is die juist geruststellend en verdwijnt die geruststelling als de gelijkenis te groot is?

Een open einde.