Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label Anna van Praag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Anna van Praag. Alle posts tonen

dinsdag 28 juli 2026

Luchthaven 1

Voorin Sterren verpakt in huid staat een 'Trigger warning'. 
 
Dit boek gaat over zelfdoding. Je bent zeker niet de enige die daar soms aan denkt. Gelukkig zijn er ook heel veel mensen die naar je willen luisteren. Bijvoorbeeld bij 0800-0113.
 
Dat vooronderstelt dat iedere potentiële lezer van deze roman wel eens aan zelfdoding denkt! En aangezien iedereen van 12 en ouder tot de potentiële lezers hoort, gaat de uitgever annex auteur er kennelijk van uit dat iedereen van die leeftijd wel eens zelfdoding overweegt... (Het vermelde telefoonnummer werkt overigens alleen in Nederland, niet in Vlaanderen, daar kun je 1813 bellen.)
 
Ook is die potentiële lezer thuis in Engels. Zie de 'trigger warning', maar ook het citaat tegenover het colofon:
 
Through early morning fog I see
Visions of the things to be
The pains that are withheld for me
I realize and I can see
That suicide is painless
It brings on many changes
And I can take or leave it 
if I please  
 
M.A.S.H. 
 
Eigenlijk ook een soort 'trigger warning', dit citaat uit een liedje van Johnny Mandel.
 
Er zou best nog zo'n waarschuwing bij kunnen staan: dit verhaal gaat over liefde en verdriet.
 
Verdriet. Liefde. Gek hoe die twee op elkaar lijken, een soort tweeling zijn. Dubbele Lotje.
 
In ieder goed verhaal zit een sprankje van die tweeling, en ook een sprankje vergankelijkheid. In Sterren verpakt in huid zijn ze ruimschoots aanwezig.
Dat begint al met een ander citaat, ook al vóór het verhaal begint:
 
Over de liefde
hebben we het vanavond.
Morgen trouwens ook.
 
Hafez van Shiraz 
 
Dan bedoelen we uiteraard niet de voor het vermaak van kijkers (en aandacht voor advertenties) bedoelde 'liefde' van B&B vol liefde of andere 'reality'-soaps. Helaas, het woord liefde wordt nogal eens misbruikt.
 
En nóg een waarschuwing: ouderwets-gelovige lezers zouden geschokt kunnen raken. Goden spelen geen enkele rol, het lot wel. Een moderne katholieke gelovige zou kunnen opmerken dat het verhaal een mooie beschrijving van het voorgeborchte is. (Dat overigens officieel niet meer bestaat.)
 
Als ik mijn leven eens zou mogen overdoen... wat dan?
Het is een belangrijke gedachteoefening in dit verhaal. Het einde laat open of die ook wordt uitgevoerd.
 
'Wat?'
Ik zucht. 'Als we zo meteen in dat vliegtuig stappen, gaan we dan dood of juist niet?'
'De bedoeling is leven,' Ik voel zijn hart razen tegen het mijne.
'Ja,' fluister ik, 'de bedoeling is leven.' 
 
Verteller-hoofdpersoon is de zeventienjarige Aïsha, die verslag doet van wat haar overkomt nadat ze onder de trein stapt. Dat laatste wordt in een soort cursief vooraf beschreven door een verteller (Aïsha?) die haar en/of ons met 'je' aanspreekt. Dat eindigt zo:
 
Het lijkt alsof het geluid van de spoorwegovergang steeds luider wordt, je hoort nu ook de trein al aan komen razen.
Het gaat nu, deze keer, om jou.
Stoep af, straat op.
Nog dertig stappen.
Auto's. Mensen.
Nog twintig stappen.
 
En dan wordt ze wakker.
 
Licht!
Niet licht van een lamp, maar alsof ik net een enorme rugzak van me af heb laten glijden, mijn armen trillen nog helemaal. Een rugzak van zeker vijfentwintig kilo waar ik al dagen, weken, nee maanden mee liep te sjouwen, ook in bed ging-ie niet weg.
Ik strek mijn armen, laat mijn spieren werken. Het tintelt.
 
Ze is in Luchthaven 1 en komt vrijwel tegelijk aan met 'een jongen, ongeveer mijn leeftijd', die woest tegen een kast staat te trappen.
 
'O, jij bent het maar,' zegt hij dan, 'ik dacht even dat je een engel was,'
'Dat dacht ik ook van... Hoezo jij bent het maar?' 
'Ik heb jou al gezien,' zegt hij vaag. Hij heeft een fijne stem. Zacht, hij praat een beetje slordig.
Ik kijk weer naar de kast. 'Wilde je hem slopen?' 
Hij haalt zijn schouders op. 'Sorry,' zegt hij weer. 'Ik was een beetje opgefokt.'
'Ja,' zeg ik. 'Ze hebben hier verrassend lekkere thee.' Nu ben ik geen leraar, maar een verpleegster.
'Thee?' Hij kijkt me weer zo aan.
'Wat is er?'
'Je ogen.'
'O.' Ik ben nog steeds een beetje misselijk, dus ik ga op de hoek van zijn bed zitten. 'We zijn dus dood?'
Zijn gezicht betrekt. 'Dat was niet helemaal de bedoeling.'
'Van mij wel.'
Hij negeert me. 'Ik liep gewoon met mijn telefoon over straat. Ik was kwaad op mijn vader, een of andere stomme ruzie, ik lette niet op...'  Hij geeft weer een ram tegen de arme kast.
 'Die vrachtwagen,' zeg ik langzaam.
'Ja.' Weer een schop. En nog een.
Ik laat me van het bed glijden en loop de kamer weer uit.
 
Luchthaven 1 blijkt een verblijf voor wie nog niet helemaal klaar is met leven. Aïsha en Armin (die jongen) verblijven er voor het idee van de lezer heel lang, laten we zeggen zo'n 247 pagina's of 36 hoofdstukjes. Een precieze tijdsaanduiding is er niet.
Aïsha en Armin blijken enkele tellen voor hun overlijden vlakbij elkaar te zijn geweest. Een vrachtwagen, een dode hoek, een spoorwegovergang... Ze hebben elkaar even in beeld gehad, zonder aandacht.
Mét aandacht zouden ze elkaar gered kunnen hebben, ontdekken ze.
Ze ontwikkelen langzaam maar zeker een diepe liefde voor elkaar. Ja, ze willen het nog eens overdoen. Met het risico dat het niet lukt.
 
Er is een bekende van Aïsha in Luchthaven 1: haar oma, moeder van haar bekende moeder de actrice Audrey Adelaar (wat een mooie naam!). En er zijn mensen die een kleine rol in haar leven hebben gespeeld. Grote troost is de immer hartelijke Lotta, met haar lichte Zweedse accent, zachte armen en taarten. (Genoemd naar Lotta uit de Kabaalstraat, eerbetoon aan Astrid Lindgren?)
Een belangrijke plek in Luchtgaven 1 is de Toren. Daar kun je heen om beelden uit je leven terug te zien en niet alleen dat, ook je begrafenis en Aïsha maakt zelfs mee hoe maar moeder om haar rouwt. Aïsha en Armin gaan er regelmatig naar toe en houden soms stevig hun handen vast, want pijnlijk is het soms wel. Zo worden ze sadder and wiser, om het ook maar eens in het Engels uit te drukken. 
 
Het is hier niet de plek om de gehele intrige van dit rijke verhaal uit de doeken te doen, met alle zijlijntjes en details, noch om een toelichting te geven over Aïsha's motieven om een einde aan haar leven te maken. Dat komt ruim voldoende aan bod. Hints: verwaarlozing, afwijzing.
Dat Aïsha de verteller is, deert niet, is nauwelijks ongeloofwaardig. Een redelijk begaafde zeventienjarige die verslag doet van haar wedervaren, inzichten en ontluikende liefde: het kan. Dat Armin van Iraanse afkomst is, speelt een rol in die zin dat hij heel andere familietaferelen ziet en zo nu en dan regeltjes mompelt van Perzische dichters (zoals Hafez van Shiraz) - van zijn vader geleerd. 'Sterren verpakt in huid' komt uit zo'n Perzisch gedicht. En Serendip komt langs, uit het Perzische sprookje De drie prinsen van Serendip.
Dat de uitgebreide beschrijving van haar moeders (overigens oprechte) rouw theatraal lijkt, op het larmoyante af, klopt keurig: haar moeder is een beroemde actrice die een doorlopende podcast over zichzelf maakt. Hun bespiegelingen over leven, déjà vu's, serendipiteit, het lot, werkelijkheid of droom in de laatste hoofdstukken zijn mooi uitgewerkt.
 
Achter ons gaat de deur dicht. Armin en ik pakken weer elkaars hand en beginnen te lopen. Zijn vingers zijn nat, ik pak zijn arm en houd hem stevig vast. Kijk nou. Deze fijne jongen naast me, onze stappen die precies gelijkgaan, zijn warmte. Beter kan het niet worden. 
 
Eindelijk. 
 
Een heel bijzonder verhaal, verpakt in een door Eef Verburg mooi vormgegeven boek!
 
 
Praag, Anna van. Sterren verpakt in huid. Lemniscaat, 2026. ISBN 978 90 477 1776 8, 268 p.   

vrijdag 7 februari 2025

Juno

Met opzet hield ik op met lezen na het eerste hoofdstuk van Waar ben je? van Anna van Praag. Niet omdat het niet beviel, maar om na te gaan hoeveel informatie tot me kwam in dit eerste hoofdstuk, wat heet, al op de eerste bladzijde.
Neem de eerste alinea:
 
Juno verdween op een doodgewone dag in januari, het was niet eens blue monday. Niemand zag het aankomen - ik al helemaal niet. Terwijl ik mijn grote zus het allerbeste kende van iedereen.
 
Blue monday, mijn grote zus. Een verteller die het begrip blue monday kent, is tiener of ouder, of nadert die periode. Juno verdween: daarmee gaat meteen een rood lampje branden. Tweede alinea.

Er is zo'n liedje, God only knows, over dat je geen idee hebt wie je zou zijn zonder de ander. Juno is die ander voor mij. Toen onze bijna-stiefvader stierf en mijn moeder jarenlang als een zombie op de bank zat, zorgde Juno ervoor dat er toch van alles gebeurde. Toen zijn de speurtochten begonnen. Eerst alleen door het huis. Juno verstopte overal easter eggs. Geen paaseitjes - al deed ze dat ook weleens, als mama het vergat - maar van die verborgen grapjes die je ook in games soms hebt. Zoals do a barrel roll typen bij Google. Dat is een easter egg.

Handig, die laatste verklaring, want je weet nooit helemaal wat je veronderstelde publiek begrijpt. 'God only knows': de lezer wordt verondersteld een beetje Engels te kennen, maar ja, easter egg, easter, pasen...
Een tiener dus, dat dachten we al, gezien de vormgeving van het boek. Een tiener met een overleden 'bijna-stiefvader' (nog niet te begrijpen, komt vast verderop) en een moeder die even later mama heet en zwaar getroffen is. Volwassenen even uitgerangeerd, een vaak voorkomend trekje in moderne jeugdliteratuur. Een tiener met een oudere zus die veel opving, maar ook wel eigenaardige trekjes had. Of heeft.
Maar eerst nog een citaatje uit het begin, de derde alinea:

Het begon klein. Mijn beren hadden ineens mutsjes van papier op. Dropjes in mijn bed, die de volgende ochtend aan mijn pyjama plakten. Mijn naam in zeepletters op alle spiegels, toen ik leerde lezen. M.I.L.A.N. Ik ging er eindeloos met mijn vinger overheen. En de juffrouw op school maar verbaasd zijn dat ik eerder Milan kon schrijven dan maan, roos, vis. Of dan mam.

Zo, een naam, knap gedaan. En we weten dat de verteller weliswaar een tiener is, maar dat het verhaal begint als hij zo ongeveer net kleuter-af is, letters leert lezen maar nog wel met beren in bed.
Dit is allemaal deel van een eerste hoofdstuk dat 'De ultieme escaperoom' heet (je moet dus weten wat dat is) en vijf bladzijden telt, een soort inleiding. We komen o.a. te weten dat die zoekspelletjes ophielden 'op de middelbare school' maar dat broer en zus toen samen misdaadseries keken.
Laatste alinea van dit hoofdstuk:

Dus toen Juno verdween, begreep ik meteen dat dit de ultieme escaperoom en speurtocht bij elkaar was. Met een beetje crime erbij misschien. Anders was het gewoon een rotstreek van haar, en dat sloeg nergens op. Ik kon nog helemaal niet zonder haar.

Nee, maar zij misschien wel zonder hem. 
Verder lezen, dus... (Dat crime laten we maar even hangen.)

Na vijf dagen bereikte ik (tussen andere bedrijven door) de laatste woorden.
En?
Gedurende de eerste hoofdstukken na die inleiding dienden zich neigingen tot doorbladeren aan. De verteller weidde me teveel uit, het was soms net alsof hij ter plekke verslag deed van zijn belevenissen met vriendin Jaleesa, tussen de herinneringen door. De spanning wordt erin gehouden door het ontrafelen van mogelijke beweegredenen van Juno, van ontdekkingen, maar ja, hier is wel een jongen aan het woord die zich uitdrukt in het correcte, vlotte proza van een veel ouder persoon, laten we zeggen een auteur van bijna middelbare leeftijd. Dat is niet steeds geloofwaardig. Wellicht goed om lezers van twaalf en ouder geboeid te houden, maar voor mij had het bondiger gekund, hetzij door Milan als verteller serieus te nemen en dus meer als een jongen te laten klinken, een soms wat onbeholpen, onervaren verteller, of door een andere, anonieme verteller aan het woord te laten, met betrokkenheid maar toch wat meer afstand en hier en daar wat humor. 

Die auteur blijkt echter wel goed in het maken van een intrige, goed genoeg om aanvankelijke scepsis (wat een stom schepsel is die moeder van Milan, begrijpt ze nou niks?) te overwinnen. En ook blijkt verteller Milan gaandeweg te groeien, inzichten te verwerven, in korte tijd wat ouder en weerbaarder te worden. (Mooi, die scènes met die zwerver in het park.) Aan het eind zat ik toch weer geboeid en met stijgende waardering te lezen en het einde is echt heel mooi en laat geweldig veel ruimte voor lezers om verder te dromen. Toch een mooi verhaal.
 
 
Praag, Anna van. Waar ben je? Lemniscaat, 2015. ISBN 978 90 477 1625 9, 188 p. 

woensdag 19 december 2012

Tien boeken die Anna veranderden

Tegen het jaareinde komen de lijstjes weer. Ik reken erop dat Richard Thiel ze voor wat betreft de kinderboeken allemaal bijhoudt op zijn Kjoek, maar niettemin was ik geboeid door het lijstje waarmee Anna van Praag haar reeks stukjes voor Leesplein afsloot.
Ten eerste lijkt het erop alsof ze louter jeugdliteratuur leest - of er was geen enkel boek voor volwassenen dat haar 'leven veranderde'.
Ten tweede had ze Alice in Wonderland gelezen (ze vermeldt niet of dat het origineel of een vertaling was) en merkt daarover op:

'Ik weet dat het mode is om dit boek stom te vinden en ik snap ook nog wel waarom. Maar de kracht van de beelden, de sfeer! De symbolen zijn zo oer, ik kom er zelf altijd weer op uit. En nooit kan ik fatsoenlijk gearmd lopen met iemand die net iets kleiner is dan ik (mijn dochter bijvoorbeeld) zonder te denken aan de kin van de hertogin die in je schouder priemt.'

Is het mode om dat boek stom te vinden? Geen idee. Ik denk eerder dat steeds minder mensen dat werk kennen, maar ik kan dat niet staven. Heel goed mogelijk dat men allereerst denkt aan een Disney-versie, net als bij Winnie-the-Pooh.
Maar ik deel haar voorliefde en ben dus blij dat ze het noemt, al vind ik dat de 'kracht' vooral schuilt in de woorden. Het zijn natuurlijk wel de woorden die de beelden en sfeer oproepen, dus misschien bedoelen we hetzelfde.
Alice en de Cheshire Cat, mijn favoriete citaat:


'Would you tell me, please, which way I ought to go from here?'
'That depends a good deal on where you want to get to,' said the Cat.
'I don't much care where -- -' said Alice.
'Then it doesn't matter which way you go,' said the Cat.
' -- so long as I get somewhere,' Alice added as an explanation.
'Oh, you're sure to do that,' said the Cat, 'if you only walk long enough.'






Overigens heeft Anna het over 'tien boeken die haar leven veranderden'. Maar in hoeverre ze haar als auteur veranderden, dat vermeldt ze niet. Jammer.



dinsdag 18 januari 2011

Fantasie onder vuur?

Boeiende boze brief vandaag in de Volkskrant van auteur Anna van Praag. Zij meent dat op sommige protestants-christelijke scholen de verbeeldingskracht van kinderen wordt ingeperkt door het verbieden van boeken waarin bepaalde thema's voorkomen. Haar verontwaardiging lijkt heel oprecht.

De verbeelding van kinderen bevindt zich echter niet in boeken, maar in hun hoofden. Hoe krachtig die verbeelding is, hangt van veel meer zaken af dan de aangeboden vormgegeven verbeelding van anderen, bijvoorbeeld die van auteurs. Het lijkt mij niet correct en wat hoogmoedig om de verbeelding van kinderen te vereenzelvigen met dat wat hen in kinderboeken wordt aangeboden. Alsof kinderen zich slechts dát zouden kunnen verbeelden wat hen eerder in de vorm van gedrukte tekst is aangeboden. Gelukkig ligt dit wat ingewikkelder, denk ik.

Niettemin stimuleren verhalen en poëzie de verbeelding van kinderen wel en vermoedelijk bedoelt onze boze Anna dat. En ja, er zijn ouders en instanties die met de Bijbel in de hand menen dat allerlei thema's de kinderen onthouden dienen te worden. Anna somt er vijf op. Je kan het ermee eens zijn of niet, maar bijzonder is het niet, het lijkt me een vanzelfsprekend deel van de opvoeding dat ouders en scholen sommige zaken liever aan hun kinderen voorschotelen dan andere, en sommige thema's liever niet belicht zien. Dat geldt voor seculiere, hoogopgeleide opvoeders evenzeer als voor gelovige, iets minder hoog opgeleide opvoeders, alleen verschillen ze in de keuze van al dan niet favoriete thema's en beelden en lijken de eerstgenoemden iets minder bevreesd om hun kinderen te confronteren met partjes mondo cane.
En ja, zakelijk gezien is het voorstelbaar dat sommige uitgevers trachten rekening te houden met een handig mandje van zulke zaken, om een zo hoog mogelijke omzet te bereiken. Uitgevers zijn grutters, vergeet dat niet.

Erg fijn vind ik het, met Anna, niet. Het levert naar mijn idee een tamelijk smakeloos soort verhalen op, een gerecht zonder specerijen en kruiden, allemanspap. Met opluchting stel ik weer eens vast dat de mensen die in dit soort vermijding het verst willen gaan (ja, inderdaad, hoofdzakelijk in protestants-christelijke hoek) in onze samenleving een minderheid vormen. Dat houden we zo, hoop ik, en dan kijk ik maar liever niet naar sommige streken in de VS, waar ze een meerderheid vormen.
De wal keert het schip. De meeste kinderen houden niet van zouteloze allemanspap.

Voor wie Anna's brief niet meer kan vinden, hier volgt-ie:


Ik ben het kwaad. Een internetsite over ‘Bijbel en onderwijs’ doet mij en collega-kinderboekenschrijvers Jaap Robben en Tjibbe Veldkamp in de ban.
‘Door middel van fantasie proberen zij kinderen naar de duisternis te trekken. Koop hun boeken niet, weer ze van de scholen, uit de bibliotheken en uit de winkels’. Hilarisch natuurlijk. Of toch niet?


Het lastige bij kinderboeken is dat onze doelgroep (het kind) zelden de koper is van het boek. Er zit altijd nog een laag tussen: de bibliotheek, de ouder, de school. En aangezien kinderen maar al te vaak worden beschouwd als kwetsbaar en onmondig, boksen we soms op tegen een hardnekkig moralisme. Vooral bij de scholen kan het erg zijn. Er waart een wonderlijke doctrine rond, waarvan ik zelf geregeld last heb. Die doctrine heet ‘protestants-christelijk’ - en je vindt ’m echt niet alleen in de dubieuze marges van internet.


Rituelen


Een voorbeeld. Ik heb een groot deel van mijn leven gereisd en daar ook over geschreven. Op een dag werd ik benaderd door de Wereldschool, een school voor Nederlandse kinderen in het buitenland. Bij het lespakket hoort ook een aantal boeken, en ze hadden een boek van mij geselecteerd. Dat was nog eens een opsteker. Helaas, het ketste af. Niet omdat ze mijn boek niet mooi vonden, maar omdat er in Moord in de jungle een paar traditionele rituelen uit de binnenlanden van Senegal voorkwamen. ‘Dat willen de christelijke families niet.’


Ondertussen had ik ook een boek geschreven dat Het heksenhotel heette. Dat boek gaat over wicca - een grote rage onder jonge meiden. Maar voor wie de moeite neemt om het te lezen gaat het boek vooral over het gevaar je klakkeloos te verliezen in wat voor rage dan ook. Aan het eind is het boek zelfs een directe aanklacht tegen de opperheks uit het boek en zij die haar zomaar volgden. Echter, door dit boek ben ik ‘besmet’ verklaard, denk ik wel eens. Ik kom vaak op scholen en geef daar diverse workshops waarvan ‘enge heksenverhalen schrijven’ er één is.


Waarschuwing


Het is me al meerdere keren gebeurd dat ik in de auto op weg naar weer zo’n school van de bibliothecaresse de waarschuwing mee kreeg ‘Doe hier maar iets anders, het is een christelijke school.’ Sterker, ook als ik helemaal niks met heksen ga doen, krijg ik het vaak te horen: ‘De volgende school is christelijk.’ Alsof… ja, alsof wát eigenlijk? Alsof christelijk iets is waar je terdege rekening mee moet houden. Maar dan kom ik daar, en dan is het gewoon een school als alle andere, met dezelfde kinderen die ik overal zie.


Maar dat zijn dan dus wel kinderen die ongevraagd een hekje om hun verbeeldingskracht geplaatst krijgen! Want dat is wat me het meest stoort: ik geloof hartstochtelijk in de kracht van fantasie en alles in mij komt in opstand als daar censuur op wordt gepleegd, hoe subtiel ook. En het volgende incident was de spreekwoordelijke druppel.


Er is in Nederland een prachtige traditie van schoolboeken waarbij regelmatig met schrijvers wordt samengewerkt. Laatst kreeg ik weer zo’n opdracht, en ik begon er vol plezier aan. Maar toen viel mijn oog op iets wat ik al honderd keer was tegengekomen, en ineens dacht ik: wat staat daar nou, echt?


Lijst


Het was een lijst. Zoals altijd gaan dit soort lesboeken naar zo veel mogelijk scholen: zowel openbaar als christelijk. En daarom hadden ze er veertien ‘gevoeligheden voor protestants-christelijke scholen’ aan toegevoegd, waar wij als schrijvers rekening mee dienden te houden. Ik citeer er vijf:


Kermis, carnaval, circus, disco: kán als verduidelijking van de les-inhoud, maar verheerlijk het niet. (Laat het kind dat niet meegaat of meemag bijvoorbeeld niet het sufferdje zijn.)
Geen discutabele theorieën zoals evolutie, horoscopen, waarzeggen, magie.
Het uitleggen van tovenarij, spoken, kabouters et cetera. Kán, maar alleen ter ondersteuning van lesinhoud. Ga uit van de realiteit, gebruik deze onderwerpen niet om een tekst smeuïger of spannender te maken. Leg altijd (in de handleiding) uit dat bijvoorbeeld tovenarij niet echt is, niet bestaat.
Geen aantasting van het ouderlijk gezag.
Echtscheidingen worden inmiddels breder geaccepteerd, homoseksuelen ook. Maar voor een tweede keer trouwen of het homohuwelijk liggen wel erg gevoelig. Vermijd deze onderwerpen.
Als je het zo zwart op wit ziet (door mij nu lichtelijk uit zijn verband gerukt, maar toch) blijkt dat zo’n beetje al mijn boeken worden uitgesloten: De heks van de samba gaat over carnaval. Verboden te vliegen gaat over een meisje dat kan vliegen en dat ‘wordt gebruikt om de tekst smeuïger te maken’. In Nooit meer lief, mijn laatste boek, speelt een rotkind de hoofdrol, dat absoluut het ouderlijk gezag aantast.


Schokkend


Wat vind ik hier nou zo schokkend aan? Ten eerste dat de christelijke school (zo’n 15 procent van het totaal) dus kennelijk de norm is voor alle scholen. Want er wordt maar één lesboek gemaakt, en deze regels gelden dus gemakshalve meteen voor alle andere basisscholen.


Maar het ergste vind ik dat door dit soort uitgesproken en onuitgesproken codes de verbeeldingskracht van de (inderdaad weerloze) kinderen wordt ingeperkt. Het mooie en bijzondere aan het kinderbrein is toch juist de grenzeloze fantasie, het vrij kunnen ontdekken in een wereld waarin alles mogelijk is - ook de allerraarste dingen? Wie zijn wij om, in naam van wat voor doctrine dan ook, te beslissen wat voor wezens, situaties, gedachten er in een boek mogen staan? Is literatuur niet juist bedoeld om je wereld groter te maken in plaats van kleiner?


Transseksueel


Overigens raakte een vriend van mij door al deze beperkingen juist enorm geïnspireerd om een verhaal te schrijven over ‘een héééél naar kind, dat als ze 10 is zeker weet dat ze transseksueel is, zich op haar 15de laat ombouwen tot jongen, om na een gillende ruzie met zijn ouders en een zwarte periode in drugs en drank homo te worden, en drie keer trouwt, omdat hij twee keer gescheiden is. En dan blijkt die omgebouwde homo op het eind eigenlijk een kabouter, die door een heks met zwarte magie is behekst. En hij woont onder een omgevallen bloempot. Dat dan weer wel.’


Het lijkt me nu al een heerlijk boek. En van mij mogen alle kinderen het lezen!


zondag 10 oktober 2010

Nooit meer lief

In Vrij Nederland 9-10 een stuk van Anna van Praag, waarin zij een verhaal voor kinderen aankondigt met een hoofdpersoon die valt te omschrijven als 'een rotkind'. Zo wou ze het boek ook noemen, maar dat vond haar uitgever niet goed. Het gaat Nooit meer lief heten en verschijnt op 20 november bij Leopold.
Als ik haar goed begrijp was ze zelf vroeger ook een rotkind, althans een kind dat jat en andere meisjes pest, en wil ze met dit verhaal 'een lans breken voor rotkinderen'.
Sterker, 'bij het boek bied ik workshops aan voor scholen, "lessen voor rotkinderen", waarin ik de quiz "hoe erg ben jij" heb gemaakt. Welke school durft dat aan?'

Jammer.

Sensationeler was het geweest als ze niks geen 'lans had gebroken', want dat riekt toch weer naar hulpverlening, op het rechte pad brengen enzovoort. Heet begrijpelijk, want rotkinderen worden soms rotmensen en daar heeft niemand iets aan, er zijn al genoeg rotmensen. Anna van Praag beschouwt zichzelf inmiddels niet meer als rotmens - ze kijkt terug op het kind dat ze was. Ze wil, denk ik, begrip kweken met haar verhaal.
Uit literair oogpunt was het heel interessant geweest als er een kinderboek zou verschijnen waarin de held echt een rotkind is - en blijft, tot en met het einde en wel zo dat er voor de lezer geen ontsnappen aan is: wegleggen of meegaan (dus virtueel mee rot zijn). Hoe zouden recensenten reageren? En potentiële kopers? Een buitenkansje.

Natuurlijk heeft kinderboekwinkelier Rietje Nivard, aangehaald in het stuk, gelijk als ze zegt: "Kinderen waar iets mee is, dat verkoopt inderdaad heel slecht. Dat is geen leuk cadeautje." 'Want ja,' concludeert Anna van Praag ten slotte, 'dat zijn kinderboeken dus: een cadeautje dat wij grote mensen aan onze kinderen geven. Kinderboekenweek is cadeautjestijd. En hoe verleidelijk is het om iets te geven dat lekker veilig is? Pippi Langkous, altijd goed, en o wat zijn kinderen toch leuk.'
Daarmee haalt ze, wellicht met opzet, een icoon aan dat bekend staat als 'stout' en 'opstandig', maar niet als rotkind. Eerder al gaf ze een kleine leesautobiografie, met deze observatie erbij: 'Een onoverbrugbare kloof lijkt er te liggen tussen de helden uit mijn boeken die consequent opkomen voor de zwakkeren en mijn eigen gedrag - en toch blijf ik stug doorlezen.'
Of het van invloed is geweest?
Anna van Praag noteert dat ze op de middelbare school al 'een stuk braver' was. Ze bleef kinderboeken lezen, 'misschien omdat ik blijf zoeken naar het rotkind dat ikzef was'. 'Ik vind haar niet.' Hoewel, een boek als Lieveling boterbloem, waarin ene meisje haar lievelingspop mishandelt, komt dichtbij en 'lees ik opnieuw en opnieuw'.

Zouden een groeiend bewustzijn en rot zijn elkaar uitsluiten?