Zoeken in deze blog

zaterdag 18 juni 2022

Weg die prefab leesmethode

Merel van Vroonhoven schrijft al enige tijd stukjes voor de Volkskrant waarin ze verslag doet van haar ervaring als docent basisonderwijs, ofwel juf. Over haar stap van bedrijfsleven (Nationale-Nederlanden, ING, Nederlandse Spoorwegen en de Autoriteit Financiële Markten) naar onderwijs heeft ze inmiddels een boek gepubliceerd, De stap, hoe mijn weg naar de top me naar het klaslokaal bracht.
Vast heel lezenswaardig, want dat zijn haar stukjes (bijna elke zaterdag) ook.
 
Op 18 juni verscheen er een onder de kop 'Samen lezen doet de waakvlam van grenzeloze kindernieuwsgierigheid moeiteloos oplaaien'.
Haar school heeft de 'prefab leesmethode'  afgedankt en is overgestapt op 'bezielende verhalen'.

Lezen? Zie hier, maar voor de zekerheid ook hieronder.

'Samen lezen doet de waakvlam van grenzeloze kindernieuwsgierigheid moeiteloos oplaaien' 17 juni 2022

‘Vanmiddag even bellen?’, app ik Nadia, mijn collega van de parallelklas. Ik zit met een kopje thee achter mijn laptop in de bibliotheek. Het is mijn columnschrijfdag. Maar eerst nog even wat laatste actiepunten wegwerken. Zonder zeurende to-dolijst in mijn kop, dat schrijft beter. Even later appt Nadia terug: ‘Prima! P.S. Gisteren het hoofdstuk Vluchten gelezen. Was weer top!’

Ik glimlach. Wat een feest om te merken dat het leesplezier in de klas binnen enkele maanden zo is toegenomen. Op dit moment lezen we een boek over kinderarbeid in de 19e eeuw. Met hart en ziel leven de kinderen mee met hoofdrolspeler Pier, een 9-jarige jongen, die dag en nacht in een vieze, donkere fabriek werkt.

Eind vorig jaar staken Nadia en ik ons licht op bij verschillende scholen met hoopgevende resultaten op het gebied van effectief leesonderwijs. Daarop besloten we met steun van onze schooldirecteur – zelf een boekenverslinder – de prefab leesmethode naar het grofvuil te verwijzen. Sindsdien komen bloedeloze teksten zonder diepgang ons klaslokaal niet meer in! We lezen uitsluitend nog bezielende verhalen die kinderen nieuwe kennis bijbrengen over de wereld waarin ze leven.

Wekelijks speuren Nadia en ik bibliotheken, kranten en het internet af naar mooie, rijke teksten en boeken passend bij thema’s zoals het ontstaan van de aarde, de werking van het menselijk lichaam, de wereldoorlogen en de slavernij. De kinderen vinden het allemaal even boeiend. Samen lezen doet de waakvlam van hun grenzeloze kindernieuwsgierigheid moeiteloos oplaaien in een fel vlammend vuur. Stap voor stap verdwijnt hun angst voor langere teksten-zonder-plaatjes en moeilijke, onbekende woorden.

Nadat ik Nadia een fijne schooldag heb gewenst, zet ik mijn telefoon uit. Op zoek naar inspiratie voor mijn column scan ik de dagbladen en blader in mijn aantekeningenboekje. ‘Kabinet wil prestatiedruk in samenleving aanpakken’, lees ik in een van mijn vele, vluchtige krabbels. Hè, hè, eindelijk goed nieuws voor kinderen. Als érgens het idee leeft dat succes een keuze is en het leven maakbaar, dan is het wel in onze houding jegens kinderen. Kinderen zijn in onze maatschappij verworden tot een product dat maximaal moet presteren. En als dat product de verwachting niet waarmaakt, grijpen we naar medicatie, een psychiater of naar dure bijlessen. Met als gevolg: steeds meer mentale klachten onder jongeren, een groeiende kansenongelijkheid en een exploderende geestelijke gezondheidszorg.

Fanatiek tik ik op mijn toetsenbord de dag weg. Ik kijk op de klok, vijf uur alweer. Tijd om Nadia te bellen. ‘En, hoe was jouw schooldag?’, vraag ik.

‘Breek me de bek niet open’, zegt ze. ‘Ik ben bijna bezweken aan een hartverlamming.’ Na het buitenspelen bleken drie 9-jarige meisjes uit haar klas opeens zoek. Toen ze nergens op het schoolterrein te vinden waren en maar niet terugkwamen, rinkelden alle alarmbellen. Er ging een politie-alert uit, een batterij politiemannen met speurhonden kamde de bosrijke omgeving van de school uit. Alles zonder succes. Pas twee uur later, vlak voor het opstijgen van een politiehelikopter, waren de meisjes weer terecht.

Zich ogenschijnlijk van geen kwaad bewust vertelden ze: ‘We wilden alleen vluchten, net als Pier. Ons verstoppen tot de Cito’s voorbij waren.’ En toen, net wat feller: ‘Want juf, ook wíj willen geen kinderarbeid.’

vrijdag 17 juni 2022

Schuld en nieuw leven

Patroon, de meest recente roman van Marco Kunst, geeft aanleiding tot enkele bespiegelingen.

Maar laat ik eerst even het verhaal samenvatten. Het verhaal speelt in onze contreien, min of meer in het hier en nu, verder niet omschreven. Twee vrienden, Mylo en Mees, spelen met een patroon, die Mylo van zijn opa heeft gekregen. Patroon ontploft, Mees dodelijk getroffen. Mylo voelt zich zwaar schuldig, en en zijn omgeving ziet dat ook zo. Alleen zijn moeder en opa hebben begrip, het blijft namelijk wel een ongeluk, al is het niet echt verstandig om met een hamer op een patroon te tikken. Dat schuldgevoel leidt tot een vruchteloze behandeling door psycholoog Bastiaan, en tot een dringend idee om zijn vader, Ben Caustner, te willen vinden. Die is er namelijk lang geleden vandoor gegaan en woont in dezelfde plaats in Californië waar Vietnam-veteraan opa vandaan komt. En hoewel opa zijn zoon beslist niet wil ontmoeten, gaat hij wel met Mylo mee naar Californië om hem te zoeken. Dat lukt, maar een vreugdevol weerzien wordt het niet. Het brengt Mylo letterlijk en figuurlijk aan de rand van de afgrond.

De titel slaat natuurlijk op de patroon, maar ook op het patroon waarin eigenschappen van generatie op generatie worden doorgegeven, waardoor je gedoemd zou zijn je volgens vaste patronen te gedragen. Psychologen gespecialiseerd in familie-opstellingen kunnen er heel wat over melden, maar auteurs ook.
Opa uit het lood, vader uit het lood, jij uit het lood, zoiets. Aan dat idee is het verhaal opgehangen, maar dan wel met uitzicht op doorbreken van het patroon. Daarvoor is een 'kaboutermeisje' nodig, maar om dat te snappen kun je beter het verhaal lezen. In ieder geval redt zij min of meer indirect Mylo, als hij, zoals gezegd, letterlijk en figuurlijk aan de rand van de afgrond staat.
Dat gaat aan het eind ineens wel wat snel, namelijk in één laatste dagboekaantekening, gevolgd door een terugblik jaren later. Had wat mij betreft wel ietsje uitgediept mogen worden, zeker na al die voorafgaande loodzware dagboekstukjes. Het is allemaal heel ernstig en dan gaat het eind ineens de positieve kant op. Heel therapeutisch, en ja, je kunt zo'n voor jongeren bedoelde roman toch niet echt slecht laten aflopen? Of wel? In die zin past dit verhaal in een gangbaar stramien - of patroon.

Het is zoals gezegd allemaal heel erg, heel ernstig. Tenzij je als lezer zit te grinniken om de stilistische fratsen en anekdotes van de verteller. Dat is namelijk Mylo - tot, ineens, het op-een-na laatste stukje (p. 177-184), hoewel hij daar mogelijk over zichzelf in de derde persoon schrijft, althans, dat zou dan de suggestie zijn.
Mylo houdt een dagboek bij, want dat is hem aanbevolen. Die lijn wordt nauwgezet volgehouden, meer dan eens twijfelt hij aan het nut, hij heeft het ergens over 'mijn schrift' en hij schrijft in een wat kortademige stijl die, denk ik, door zijn schepper wordt beschouwd als typische jongerentaal, met bijpassende vocabulaire.
Zoals altijd met dit soort verhalen hebben we dus te maken met de tegenstelling tussen een goedgebekte verteller, die (kortademig of niet) vlot kan schrijven, en dezelfde figuur als hoofdpersoon die in die richting geen enkele ambitie toont, het is dat-ie het moet, anders schreef hij niet. Hier en daar wringt het, vooral als hij als verteller ook nog eens zijn opa vertellend opvoert, waarbij de doorgaans zwijgzame oude man zich ook al ineens heel goed kan uitdrukken. Ja zeg, wonderen zijn de wereld niet uit. Als opa spreekt, is het ook meteen goed verwoord en lekker heftig. Tijd voor een citaat (p. 130-131).
 
'Weet je,' fluistert hij dan. 'Ik kroop weg. Weg van dat pad door de jungle, weg van die banyan tree. Op handen en knieën. Als een dier. Kon niet meer op mijn benen staan. Dieper en dieper het struikgewas in. Ik voelde me geen mens meer, maar ongedierte. Ik kroop tussen prachtige witte bloemen door die naar verrotting roken... door dikke lagen dode bladeren en kwam bij een poel... er klonk nog een salvo, om het af te maken, misschien had iemand die eerste schoten overleefd, misschien had ik een van mijn maats nog kunnen redden als ik na dat eerste salvo alsnog geschoten had... En daar, in die poel, rolde ik mezelf tussen riet, in de modder. De rest van mijn leven heb ik daar doorgebracht.'Hij schraapt zijn keel, haalt zijn neus op.
'Een mens zou zichzelf recht in de ogen moeten kunenn kijken,' ging hij verder, 'maar ik kan dat niet meer en... Anyway... Ze vonden me de volgende dag. Ze trokken me uit de modder, maar konden niets meer voor me doen, ik werd teruggestuurd naar Saigon. Ze gaven me pillen, praatten op me in, schreeuwden, maar ik zei niets meer, volgde geen bevelen meer op, zweeg als het graf, en uiteindelijk stuurden ze me terug naar huis.
Niemand vond de patroon die ik bij me had gestopt: de kogel die ik niet had afgevuurd, en die alles bepaalde wat daarna kwam... Ik veranderde, ik bewaarde die patroon, al die jaren. En toen nam jij hem mee.'
In het dal roept de uil opnieuw. Zacht. Oneindig ver weg. Oneindig verdrietig.

Nogal welsprekend... Hier kiert een andere verteller (laten we zeggen, de auteur) heen door Mylo als verteller-dagboekschrijver die zijn opa citeert.
 
Zo ook hier, opa over zijn zoon (p. 140):

Alweer een bekentenis. Het wordt tijd dat opa stopt. Veel meer kan ik er niet bij hebben.
'Ik wilde dat hij sterker zou worden dan ik. Moediger. Tough. Ik liet hem bij spelletjes niet winnen, zei nooit dat hij iets goed gedaan had. Zelfs niet toen hij heel klein was. Hij moest hard worden, vond ik. Keihard. Hij zou goedmaken wat ik had verpest. Hij zou wél schieten als hij moest schieten. Ik liet hem lopen tot hij huilde van vermoeidheid. Maar nooit droeg ik hem terug naar huis en... ik zong geen slaapliedjes voor hem... Ik kon het niet... Ik... Pas toen jij er was, zag ik wat ik gedaan had. Toen het te laat was. Ik wilde het goedmaken... met jou... er voor jou zijn...' Opa laat zijn hoofd op het stuur rusten. Fluisterend gaat hij verder. 'Maar Ben... ik sloeg hem. Ik... ik weet niet wat ik wilde, misschien wilde ik de oorlog uit mezelf slaan, maar ik sloeg hém...'
 
Gelukkig blijft Mylo's tekst zelf iets dichter bij de puber die hij is, die soms overdrijft en ook lekker sarcastisch over zijn psycholoog Bastiaan (met zijn 'worstvingertjes') kan zijn. Mylo ís tenslotte een puber en mag zich dus zo uitdrukken, al zou ik me als auteur wel zorgen maken of dat stijltje over tien of twintig jaar nog werkt. Maar ach, tegenwoordig zijn de omlooptijden van boeken zo hijgend kort dat Marco Kunst er wellicht niet eens over durft te dromen een klassieker te hebben gemaakt.

Mylo over verdriet (p. 38), bijzonder omdat hij de lezer aanspreekt.

Ik vroeg je al of je ooit verliefd was geweest.
Nu wil ik je vragen of je weleens echt verdriet hebt gekend.
Vast wel zo'n beetje. Je bent ongetwijfeld een keer verliefd geweest en je hebt ook verdriet gekend in je leven.
Maar verdriet dat te groot is, ken je dat ook? Verdriet dat als zo'n blobmonster uit een Japanse manga helemaal om je heen slobbert, zwart en slijmerig.
Verdriet om je beste vriend die dood is: verdriet dat voelt als een zwart gat in je lijf. Zo'n zwart gat als in het heelal, dat alles opslokt en waar niets uit kan ontsnappen. Nooit meer.

Maar ook (p. 98):

Het begon allemaal geweldig. Inchecken, boarden. Ik vond het spannend, voor het eerst in tijden voelde ik me goed. Klein rotstemmetje nog wel in mijn hoofd dat zei dat ik het niet geweldig mocht vinden omdat blablabla, maar ik voelde daar niet veel bij. Daar wel weer schuldgevoel bij. Maar goed. Zei niet iedereen dat ik verder moest met mijn leven?
Even was ik gewoon Mylo die op avontuur ging en op zoek naar zijn vader. Met zijn Amerikaanse opa. Familiedingen.
Het was de eerste keer dat ik vloog. Mam wilde nooit op vakantie, kon volgens haar niet met haar zaak, dus ik had nog nooit gevlogen. Supervet: de versnelling, loskomen van de grond... Ik zat aan het raam.

Het is niet het enige super. De auteur heeft zoals gemeld zijn best gedaan zijn verteller een stijl mee te geven die past bij zijn leeftijd. Het al eerder genoemde op-een-na-laatste stukje, waarin Mylo naar de afgrond (een klif) loopt, is prompt geloofwaardiger. Ik dacht even: had het hele verhaal zo geschreven.

Mogelijk zijn er jonge lezers die ervan smullen. Wie weet. Mij lijkt het een zwaktebod. Een betere auteur voert een al dan niet anonieme verteller op met net zoveel afstand en betrokkenheid dat die de personages zowel in hun beweegredenen, gedachten en gevoelend kan volgen als hen van een afstandje beschrijven. Óf hij of zij maakt van de verteller een echt interessant personage. Dat levert op zijn best een prangende tekst op, waar geen woord gemist kan worden, waar je als lezer wil dóórlezen omdat je wil doorgronden en ook wil weten hoe het afloopt. Tekst die het gegarandeerd over twintig jaar ook nog doet, zo niet nog langer.

Dat is met Patroon volgens mij niet het geval. Maar al is het voor mij als doorgewinterde lezer hier en daar te larmoyant en woordrijk, het blijft een stevig en onderhoudend verhaal en wie weet, wie weet hoeveel lezers van veertien en (niet veel) ouder zich lekker laten inpakken door verteller Mylo.

Wat me ineens invalt: wat voor stem zou je voor een luisterboek-versie willen horen?
 

Kunst, Marco. Patroon. Gottmer, 2022. ISBN 978 90 257 7598 8, 190 p.

dinsdag 14 juni 2022

Kindercanon van de natuur

Het is een verrassend en ambitieus idee, een boek te maken met beschrijvingen van soorten die kinderen (en volwassenen) in ieder geval zouden moeten kennen. Geïnspireerd door de Canon van Nederland, denk ik, waarbij meteen dient opgemerkt dat in Soortenschat rekening wordt gehouden met Belgische lezers, zie bijvoorbeeld op p. 13 de Iep, die volgens auteur Geert-Jan Roebers in België vaak Olm wordt genoemd. En zie ook de titel.
Voluit heet het boek Soortenschat, kindercanon van de Natuur in de Lage Landen
Het is mooi uitgevoerd, mede dankzij de tekeningen van Pieter Fannes.
 
 
De rond honderd soorten zijn verdeeld over zeventien hoofdstukjes: 'Buurtbomen', 'Buurtvogels', 'Buurtplanten', 'Insecten', 'Tuinbloemen', 'Veel- en nulpoters', 'Groene sprieten', 'Plattelandsvogels', 'Paddenstoel & co', 'Slootdieren', 'Gewassen', 'Watervogels', 'Wilde bomen', 'Zoogdieren', 'Struiken & klimmers', 'Strandvondsten' en 'Schatten'. Dat laatste wonderlijke hoofdstukje bevat een allegaartje aan soorten, die je zou moeten vinden 'als je iets anders zoekt', en dat zijn volgens de auteur Reuzenbovist, Vos, IJsvogel, Grijze zeehond, Passiebloem en Ringslang. Ze hadden stuk voor stuk in een van de voorgaande hoofdstukjes gekund.
 
Over de keuze van soorten valt te twisten, maar de gekozen soorten zijn wel algemeen genoeg om te passen in het idee van een canon. Daarover dus niet gezeurd, er zijn nu eenmaal grenzen te respecteren als je zo'n boek maakt en de gepresenteerde soorten worden mooi in beeld gebracht en beschreven in een vast stramien, dat op p. 8 wordt toegelicht.



Er zijn niettemin wat kanttekeningen te plaatsen.
Nergens wordt de grootte vermeld. Dat hindert niet als de soorten erg bekend zijn, zoals de Merel, maar het blijft merkwaardig dat bijvoorbeeld Ree en Egel ongeveer even groot worden afgebeeld (p. 116 en 117) en idem Boerenzwaluw en Kievit (p. 68 en 69). Ook mis ik bij de meeste soorten wat ze eten en als er iets essentieels is aan natuur, dan wel eten en gegeten worden. Ja, geldt ook voor planten, zie Briljante planten, van dezelfde auteur.
Aangezien alle soorten worden geïntroduceerd met een kort tekstje en daaronder 'waar?' en 'het jaar', zou daaronder 'hoe groot?' en 'voedsel' niet misstaan hebben.
Verder staat er bijna overal een tekstje 'niet verwarren met'. Verklaarbaar, maar soms juist verwarrend... Zeker als bijvoorbeeld op p. 21 die 'snelle test' voor de Gierzwaluw wordt gepresenteerd:



'Zwaluw' is een verzamelnaam voor diverse soorten. We zinden in onze streken bijvoorbeeld de Boerenzwaluw, de Oeverzwaluw en de Huiszwaluw... en die verschillen nogal van elkaar. Zoals wordt uitgelegd op p. 68! Had daarnaar verwezen...
Voorts wordt op p. 89 niet uitgelegd wat paren is, en op p. 115 moet je weten wat zoogdieren zijn. De wolkjes met 'onthouden' ('breinlijmklemmen'), bedoeld als ezelsbruggetjes, zijn vaak nogal vergezocht, wat de auteur ook lijkt te beseffen want op p. 8 meldt hij: 'Vind je die ezelsbrug raar of kinderachtig? Dan werkt hij juist! Verzin je een betere? gebruik die!'.
 

 
Kortom, mooi initiatief, leuk boek, bijna helemaal geslaagd.
 
 
Roebers, Geert-Jan. Soortenschat.Kindercanon van de natuur in de Lage Landen. Met illustraties van Pieter Fannes. Gottmer, 2022. ISBN 978 90 257 7363 2, 152 p.