Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label Imme Dros. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Imme Dros. Alle posts tonen

zaterdag 2 december 2023

Soldaten in klaverjassen en andere vertaalvondsten

Er verscheen onlangs een nieuwe vertaling van Alice in Wonderland en Through the Looking-glass van Lewis Carroll door niemand minder dan Imme Dros en die verdient het om besproken te worden, al stamt het origineel uit 1865. Een goede vertaling van deze verhalen met hun vele woordspelingen en toespelingen op inmiddels onbekende versjes is namelijk een huzarenstukje. Diverse vertalers gingen Imme Dros voor, waaronder na WO II het duo Kees (Cornelis) Reedijk en Alfred Kossman (1948), Hans Andreus (1968), Nicolaas Matsier (1989), Sofia Engelsman (1999), Akkie de Jong (2005) en John Sillevis (2008).
 


Hoe heeft Imme Dros het gedaan?
 
Laat ik beginnen met een citaat waarvoor eerdere vertalingen bij elkaar zijn gezocht, door Judith van den Berg voor Literatuur zonder leeftijd (2003).
 


De moeilijkste taalgrap moet wel de passage zijn waarin de Mock Turtle en de Gryphon uitleggen dat ze op school elke dag een uur minder les hadden:
 
‘Ten hours the first day,’ said the Mock Turtle, ‘nine the next, and so on.’ ‘What a curious plan!’ exclaimed Alice. ‘That's the reason they're called lessons,’ the Gryphon remarked, ‘because they lessen from day to day’.
Als men de eerder genoemde vertalingen vergelijkt, blijkt het dat de gedane vondsten kwalitatief sterk verschillen:
 
Mann, 1887:  
‘Wat een gek plan,’ zei Alice.
‘Dat vind ik volstrekt niet; gij hebt ook altijd wat te zeggen.’
 
Ten Raa, 1899: 
‘Ja, zie je, [...] als je vooruit wilt gaan, moet je steeds achteruit gaan,’ merkte de Griffioen op.
  
Van Oven-van Doorn, 1934: 
‘Zeker, zeker, we hadden iedre dag een uur korter les,’ zei de Griffioen, ‘iedre dag... een uur... korter...
 
 Kossmann en Reedijk, 1947: 
‘Helemaal niet raar,’ zei de Griffioen, ‘we gingen er heen om onderwijs te genieten en daar geniet je iedere dag minder van.’
 
Andreus, 1968:  
‘Helemaal niet gek,’ zei de Griffioen, ‘want omdat hij meester was, begon hij met het meeste. Dat is toch logisch!
 
Matsier, 1989:  
‘Zo lesten we onze dorst naar kennis steeds sneller,’ merkte de Griffioen op, ‘vandaar de uitspraak lest best.’
 
Engelsman, 1999:  
‘Het was een verkorte opleiding,’ merkte de Griffioen op, ‘en dus was elke dag een uur korter.’

Ik voeg die van Imme Dros toe:
 
'Wat een raar rooster!' riep Alice uit.
'Het was een spoedcursus,' zei de Griffioen. 'Elke dag kreeg je wat meer spoed.'
 
Kan ermee door, hoewel ik die van Hans Andreus net iets beter vind en die van Sofia Engelsman even goed.

John Tenniel - Alice Swimming in Pool of Tears

Nog zo'n vergelijking door Judith van den Berg, nu ook met dank aan Martin Gardner (The Annotated Alice, Definite Edition, 2000) voor het origineel:
 
How doth the little Busy Bee
improve each shining hour
And gather honey all the day
from every opening flower.


Carroll (1865):
How doth the little Crocodile
improve his shining tail,
and pour the waters of the Nile
on every golden scale.


Mann (1887):
Hoe dankbaar is mijn kleine hond
voor beentjes en voor vleesch.
Hij kwispelstaart en springt in 't rond
en danst op mijnen schoot.


Ten Raa (1899):
Wat poetst de kleine krokodil
zijn glinsterenden staart.
En plast het water van den Nijl
op 't lichaam, naar zijn aard

Van Oven-van Doorn (1934):
Zie ginds komt de stoomboot uit kattenland aan,
ik zie Kater Mauw op een driewieler gaan,
hoe huppelt hij minzaam het dek op en neer!
Hij zwaait als een bromtol al heen en al weer!
Hij wuift met zijn schooltas en roept ons al toe:
‘Wie mij aan mijn staart trekt, krijgt vast met een roe!’


Judith van den Berg vindt die van Van Oven-van Doorn de slechtste.
 
Hier komt Imme Dros:
Op een grote paddenstoel
rood met witte stippen
zat een krokodilletje
heen en weer te wippen
 
Waarmee ze net als Carroll én vertaler Van Oven speelt met een bekend kinderversje. 

Jammer dat Judith van den Berg slechts het eerste couplet citeert en vergelijkt. Het originele brave 19e-eeuwse vers, 'Against Idleness and Mischief' van Isaac Watts, telt vier coupletten en Carroll parodieert de eerste twee daarvan, niet een.
 
How doth the little busy bee
   Improve each shining hour,
And gather honey all the day
   From every opening flower!

How skilfully she builds her cell!
   How neat she spreads the wax!
And labours hard to store it well
   With the sweet food she makes.
 
Dat wordt bij Carroll:
 
How doth the little Crocodile
improve his shining tail,
and pour the waters of the Nile
on every golden scale.
 
How cheerfully he seems to grin,
How neatly spreads his claws,
And welcomes little fishes in
With gently smiling jaws!
 
En de complete Dros:
 
Op een grote paddenstoel
rood met witte stippen
zat een krokodilletje
heen en weer te wippen
 
KRAK! Het krokodilletje
kwakte op de grond.
En één krokobilletje
raakte zwaargewond
 
Dat is spitsvondig, Al staat er iets compleet anders dan bij Carroll, de essentie van diens parodie is bewaard gebleven en dat zal kinderen die dit verhaal lezen of voorgelezen krijgen meer raken dan parodieën die heden ten dage nergens op slaan - wat ook voor het origineel geldt want genoemd vers van Watts bijvoorbeeld wordt in Engeland niet meer gehoord.

Die spitsvondigheid zit in meer vertaalvondsten, veel te veel om hier te noemen.
Toch nog enkele dan.
 
Attempted Bloggery: A Mad Tea Party
 
Uit de Mad Tea Party ('Idiote theevisite') bij de Hoedenmaker, de Maartse Haas en de Zevenslaper:

'If you knew time as well as I do,' said the Hatter, 'you wouldn't talk about wasting it. It's him.'
'I don't know what you mean,' said Alice.
'Of course you don't,' the Hatter said, tossing his head contemptuously. 'I dare say you never ever spoke to Time.'
'Perhaps not,' Alice cautiously replied; 'but I know I have to beat time when I learn music.'
'Ah! That accounts for it,' said the Hatter. 'he won't stand beating. [...].'

Dat wordt bij Imme Dros:

'Als je tijd zo goed kende als ik,' zei de Hoedenmaker, 'zou je weten dat Tijd niet met zich laat sollen en zich zeker niet laat verspillen.'
'Ik weet niet wat u bedoelt,' zei Alice.
'Natuurlijk niet!' zei de Hoedenmaker, minachtend zijn hoofd schuddend. 'Ik durf te wedden dat jij zelfs nog nooit met Tijd hebt gepraat!'
'Misschien niet,' antwoordde Alice voorzichtig, 'maar ik weet dat de tijd kruipt als ik op school zit en vliegt als ik vrij ben.'
'Ah! Dat verklaart veel,' zei de Hoedenmaker. 'Je kunt hem niet volgen [...].'

Soepel en vindingrijk. Niet letterlijk, nee... Maar dat van it en him (het en hem) zou in het Nederlands nergens op slaan, en wij slaan de maat, niet de tijd. Dus moet je als vertaler een equivalent zoeken.
 


Als Alice eindelijk de tuin bereikt die ze eerder door een te klein deurtje zag, komt ze bij enkele tuinlieden die een witte roos rood verven, de kleur die hij eigenlijk moest hebben. Ze worden onderbroken door de Koningin en

ten soldiers carrying clubs.

Wordt bij Dros:

tien soldaten in klaverjassen.
 
Van de betekenis van het Engelse club (naast club ook klaver in kaartspel en knuppel) gaat de zo bij soldaten passende knuppel helaas verloren maar klaverjassen verwijst knap naar de betekenis van gezelschap, club.
De tuiniers hebben overigens schoppen op hun lijf. Voor wie dit niet snapt en Alice dus nog nooit heeft gelezen: alle figuren in deze tuin zijn speelkaarten, behalve Alice, de hertogin en de Cheshire Cat, die door Imme Dros is omgedoopt in de Say Cheesekat omdat wij evenals de hedendaagse Britten helemaal niets kunnen met dit beroemde beest, een grijnzende kat die goed langzaam kan verdwijnen, zelfs tot er enkel een grijns over blijft.
 
 
Cheshire Cat volgens John Tenniel
 
Hier wreekt zich in de nu besproken Nederlandse uitgave dat er veel te weinig plaatjes in staan. De grijns staat er bijvoorbeeld niet in, maar evenmin de genoemde tuiniers en soldaten. De paar plaatjes die er wél in staan zijn van Linde Faas en dat kom je pas te weten door het colofon achterin te lezen. De afbeeldingen hierboven zijn uit de oorspronkelijke edities en van de onovertroffen John Tenniel.
 
Say-cheese-kat volgens Linde Faas

Er staan niet alleen te weinig plaatjes in, die weinige staan ook nog eens op de verkeerde plekken, namelijk als vignetjes voor of na hoofdstukjes of lukraak tussen paragrafen, waarbij het bovendien raar is dat juist in Alice en haar avonturen door de spiegel vignetjes van speelkaarten (klaveren, hartjes, schoppen, ruitjes) zijn geplaatst terwijl die daar geen enkele rol spelen. Terwijl wel aan het begin en eind van het verhaal enkele schaakstukken zijn afgebeeld. 
Gemiste kans. Had Leopold geen geld meer? Linde Faas is vaardig genoeg, wie weet hoe graag ze zich op de twee Alice-verhalen had willen en kunnen uitleven, de omslagillustratie geeft al een hint. John Tenniel mag dan wat mij betreft onovertroffen zijn, er zijn hier te lande toch illustratoren genoeg die een zeer verdienstelijke poging hebben gedaan hem te evenaren, in 2008 bijvoorbeeld Pat Andrea en in 2014 nog Floor Rieder, zie recensie, waarin ik ook de vertaling door Sofia Engelsman bespreek.

Ik kan het niet laten de citaten van toen aan te vullen met wat Imme Dros ervan maakte.
 


De Jabberwocky:

't Was brulig en de sluikse toof
trok slijms een slinkse glimsterstreep
miesmoedig klonk de papegoof.
En de gloom daas ontgreep.

Vermijd de Kwebbelgnok, mijn zoon!
De knauw die kwetst, de klauw die kletst!
Ontwijk de Hiphuphop en hoon
de donderse Denderpest.

Niet slecht! Zie voor het vervolg p. 115.

En tot slot komen we weer terug bij de Griffioen en de Soepschildpad, die bij Sofie Engelsman Nepschildpad heet. 

Lewis Carroll:
'If I'd been the whiting,' said Alice, whose thoughts were still running on the song, 'I'd have said to the porpoise, "Keep back, please: we don't want you with us!"'
'They were obliged to have him with them,' the Mock Turtle said: 'no wise fish would go anywhere without a porpoise.'
'Wouldn't it really?' said Alice in a tone of great surprise.
'Of course not,' said the Mock Turtle: 'why, if a fish came to me, and told me he was going a journey, I should say "With what porpoise?"'
'Don't you mean "purpose"?' said Alice.
'I mean what I say,' the Mock Turtle replied in an offended tone. And the Gryphon added 'Come, let's hear some of your adventures.'

Sofia Engelsman:

'Als ik die witvis was,' zei Alice, die nog steeds met het liedje bezig was, 'had ik tegen die haring gezegd: "Ga eens een eindje naar achteren. We willen je niet mee hebben."'
'Ze moesten hem wel meenemen,' zei de Nepschildpad. 'Elke weldenkende vis neemt wat haringen mee, als hij op reis gaat.' 
'Echt?' vroeg, Alice, heel verbaasd.
'Natuurlijk,' zei de Nepschildpad. 'Hoe moet hij anders zijn tentje opzetten?'
'Ik denk dat je je vergist,' zei Alice.
'Ik vergis me helemaal niet,' antwoordde de Nepschildpad beledigd. En de Griffioen zei: 'Vertel jij eens wat over je avonturen.'
 
Imme Dros:
 
 'Als ik die platvis was geweest,' zei Alice met haar gedachten nog steeds bij het lied, 'dan zou ik tegen de inktvis hebben gezegd: Ga alsjeblieft wat achteruit, jij: we willen jou er niet bij hebben.'
'Ze waren wel verplicht hem erbij te hebben,'zei de Soepschildpad. 'Geen vis met gezond verstand zou ergens heen gaan zonder inktvis.'
'Echt niet?' zei Alice stomverbaasd.
'Natuurlijk niet,' zei de Soepschildpad. 'Als een vis mij kwam vertellen dat hij op reis ging, zou ik allereerst vragen: Met welke inktvis?'
'Maar waarvoor?' vroeg Alice. 
'Hoe kan hij me anders schrijven,' antwoordde de Soepschildpad kriegel.
En de Griffioen voegde eraan toe: 'Kom, laat nu maar eens wat van jouw avonturen horen.'

Carrolls mooie taalspel met porpoise (bruinvis) / purpose (doel) (klinkt nagenoeg hetzelfde) is schier onvertaalbaar, dat blijkt, net als dat met de Mock Turtle, als je bij Gardner leest dat mock turtle soup een van kalfsvlees gemaakte imitatie is van turtle soup, wat ook verklaart hoe de mock turtle er uitziet.
Wat mij betreft wint Sofia Engelsman hier, met haar haringen en nepschildpad.

Dat neemt niet weg dat Imme Dros met haar vertaling, die lekker wegleest, een goede prestatie heeft geleverd. In een mooi uitgegeven boek, dat echter passende illustraties mist. Als er niet genoeg budget was om Linde Faas haar gang te laten gaan, of liever nog een wat meer cartoonesk tekenende illustrator als bijvoorbeeld Joep Bertrams of The Tjong Khing, had dan de rechtenvrije plaatjes van Tenniel genomen.
 

 
Met de titel is overigens ook iets vreemds. Er zijn twéé verhalen vertaald, zowel Alice's Adventures in Wonderland (1865) als Alice Throug the Lokking-Glass and What Alice Found There (1871), maar de voor- en achterkant en de titelpagina vermelden slechts een van de twee. 
In zo'n chique vormgegeven boek, met leeslint, had dat beter gekund.


Carroll, Lewis. Alice in Wonderland. Vertaald door Imme Dros. Leopold, 2023. ISBN 798 90 2588465 9, 216 p.
 
PS. Jabberwocky blijkt ook als lied gebracht. Muziek: Sam Pottle.

maandag 10 september 2018

Jaap won een prijs

Het lag me al enkele maanden aan te kijken, dit mooie prentenboek van Imme Dros & Harrie Geelen. Het verscheen in 2017, en tot mijn lichte verrassing kreeg het geen griffel, penseel of vlag-en-wimpel. Misschien omdat er al ettelijke prentenboeken van dit ijzersterke duo zijn verschenen in ongeveer dezelfde stijl? Of omdat het duo al met prijzen is overladen? Of omdat de dienstdoende jury's de wél bekroonde boeken nóg beter vond...?
Het is tekenend dat ik dacht dat er meer prentenboeken over Jaap waren verschenen. Maar nee, misschien verwarde ik Jaap even met Roosje.

  

Jaap won een prijs maar hij wist niet waarvoor.
Want hij had niets gedaan en niets gemaakt.
En voor een prijs moest je iets doen of maken.
Je moest zo kunnen hardlopen als Luuk.
Je moest zo kunnen tekenen  als Tess.
Of je moest kunnen knokken zoals Finn.
Je moest vooral niet zijn als Jaap de Jong,
die nooit iets won en nergens goed in was.

Zo begint het verhaal.
Maar toch won hij een prijs, de GROTE HOOFDPRIJS.
Jaap vertrouwt het niet, en hoe meer mensen in zijn familie hij tegenkomt die wel eens een prijs hebben gekregen, hoe wantrouwender hij wordt. Hij wordt zelfs bang dat die J. DE JONG (uit de brief) naar hem op zoek is.
Uiteindelijk blijkt Jaap gelijk te hebben. De brief was niet goed gelezen.

Hier, lees de achterkant. Kijk wat daar staat:
U kunt nog loten kopen. U maakt kans
dat op uw lot de Grote Hoofdprijs valt.

Iedereen kwaad, behalve Jaap.

Hij had geen prijs, hij had geen prijs. Hoera!
Hij hoefde niet meer bang te zijn op straat.
Er was geen J. de Jong die hem kon grijpen.

En als troost krijgt hij van iedereen cadeautjes...

De prenten van Harrie Geelen voegen hier en daar fijne details toe aan het verhaal, zoals met die prent waar op alle gevels J. de Jong staat, of de wegvluchtende kat als oma voordoet hoe ze met dansen een prijs won, en de prenten bij opa's relaas over het marathonschaatsen.




Misschien niet wereldschokkend, maar wel een mooi idee, zo een dat voor de hand lijkt te liggen (iedereen krijgt wel van die brieven), maar je moet er maar opkomen om daarmee iets te doen.
Imme Dros & Harrie Geelen deden het en dat leverde een sterk en grappig prentenboek op. Geen prijs nee, net als Jaap...



Imme Dros & Harrie Geelen. Jaap won een prijs. Querido Kinderboeken, 2017. ISBN 978 90 451 2101 7, 28 p.


zondag 5 november 2017

Djinns en meer

Imme Dros bewerkt graag klassieke verhalen: de Odyssee, de Ilias, oude Griekse mythen, Repelsteel, de fabels van Aesopus. En daaraan voegde ze onlangs verhalen uit de Duizend-en-een-nacht toe.
Bewonderenswaardig!
En ook vermakelijk voor een volwassen lezer, want het is duidelijk dat kooplieden, koningen en djinns er de dienst uitmaken. Vrouwen zijn een soort toetje, fijn om mee te vrijen, om de haard brandend te houden en om zoons voort te brengen. Hoe leg je dat je jonge lezers uit? Niet echt het soort verhalen om in 'Me Too'-tijd mee voor de dag te komen. En wat dééd die Sjahriar eigenlijk met die vrouwen in bed...?



Nou, dát zeer waarschijnlijk -  ongeveer hetzelfde wat Sjahriars vrouw met de slaven deed, fraai geïllustreerd door illustratrice Annemarie van Haeringen. Sjahriars vrouw deed dat (in tegenstelling tot die vrouwen die Sjahriar later in zijn bed liet belanden) zeer vrijwillig, overigens:

Twintig bijvrouwen trokken evenveel slaven naar binnen
en in hun midden liep de bevallige vrouw van de koning,
ook al met een slaaf aan haar hand. En tussen de bloesems
gaf het gezelschap zich over aan het spel van de liefde.

Aan de eventuele voorlezer om het jonge publiek uit te leggen wat ze zich moeten voorstellen bij het spel van de liefde. En waarom de arme vrouw even later zo nodig onthoofd moest...


Maar afijn, deze verhalen speelden dan ook heel lang geleden en in heel andere streken. Zo'n soort uitleg. Djinns zijn verdwenen, koningen zijn niet meer wat ze waren en kooplieden reizen niet meer zo inspannend als toen, ze nemen gewoon het vliegtuig.

Vrouwen hebben een geduchte inhaalslag geleverd - en het aardige van deze verhalen is dat Sheherezade zo'n vrouw is. Ze staat haar mannetje, zou je haast zeggen, als dat niet wat paradoxaal was. Zo vormen deze verhalen ondanks de mannelijke dominantie toch een soort ode aan de vrouw.

Bovenal echter zijn ze een ode aan de kunst van het verhalen vertellen, want zó redde Sheherazade haar leven. Bij iedere nacht, dat wil zeggen iedere keer als ze ophoudt, staat een vignetje. Als ik goed geteld heb (ik kán er eentje zijn overgeslagen), doet ze daar volgens Imme Dros 44 nachten over - beslist geen 1001. Haar Sheherazade is dus nog knapper dan de voorgaande.

Nu heb ik de vertalingen van de 1001-nacht nooit gelezen en alleen te hooi en te gras kennis genomen van enkele verhalen, ik vermoed dat die 1001 vooral staan voor veel nachten, want er is nogal wat variatie in de aantallen in diverse geschriften.
Letterlijk genomen klopt het dus niet hoe het verhaal eindigt:

En toen ze trouwden na duizend-en-een-nacht, vierde het volk van
volle maan tot aan volle maan een weergaloos feest met
onbeperkt eten en drinken en vrolijk zijn, alles bekostigd
door de koning der koningen Sjahriar. En daarvan kwamen
uiteraard kinderen en ontelbare nieuwe verhalen.

Of dat laatste uit de koker van Imme Dros komt of niet, ik weet het niet, maar het is wel een passend einde.
Overigens gingen er volgens deze versie drie jaar vooraf aan de eerste nacht met Sheherazade. In die drie jaar had de koning der koningen alle voorhanden meisjes in zijn bed gehad en onthoofd, wat te denken geeft over de totale populatie van zijn rijk. Maar drie jaar zijn al meer dan 1000 nachten, dus die tellen niet mee.

In een nawoord schrijft Imme Dros dat ze in een soort metrum heeft geschreven, maar dat we daarvan als het goed is niets merken, het zou moeten lezen als proza.
Dat klopt, wat mij betreft, en het is soepel proza - die Shererazade kan er wat van, ze krijgt van de anonieme verteller (laten we haar Imme noemen) effectief de juiste woorden in de mond gelegd.
Fraai en waarschijnlijk uniek aan deze bewerking is hoe de koning de laatste nachten en dagen beseft dat hij een misdaad heeft gepleegd. Zie p. 162:

Maar hij kon wat ze had gezegd overdag niet vergeten.
Had hij ook zelf het geluk nooit in zichzelf kunnen vinden?
En had hij al die dagen dat hij een vrouw liet onthoofden
niet juist zichzelf bedrogen uit angst om te worden bedrogen?
Hoe zou hij ooit nog kunnen goedmaken wat hij alleen had 
kunnen doen omdat hij als koning boven de wet stond?
Nu drong het pas tot hem door dat niemand boven de wet staat,
zeker een koning der koningen niet. En door Shererazade,
die hem dat alles met haar verhalen duidelijk maakte,
kon hij beginnen eerst met zichzelf in het reine te komen,
door vergeving te vragen aan Allah en aan de bevolking.

Waarachtig, een katharsis! Ergens rond de veertigste nacht en zie hierna ook bv. p. 167, p. 172-173. Die leidt naar het gelukkige einde dat boven beschreven staat. Eind goed al goed, alleen jammer van al die onthoofde meisjes. Maar zo gaat dat soms in verhalen.

Over de selectie van verhalen zal ongetwijfeld door schriftgeleerden getwist kunnen worden. Zo nemen de verhalen van Sindbad de Zeeman (eigenlijk koopman) veel ruimte in, terwijl die niet voorkomen in de eerste Arabische verzamelingen. Ze werden toegevoegd door Antoine Galland, net als 'Ali Baba en de veertig rovers' en 'Aladdin en de wonderlamp'. Maar gezien de variatie in oudere verzamelingen is dat geen punt. Hoogstens kun je juist betreuren dat die laatstgenoemde verhalen niet in Imme Dros' versie staan.
Imme Dros baseerde zich niet op de Arabische teksten maar op de Engelse vertalingen die bij haar in de kast staan: die van John Payne en Richard Burton. Niet de minsten. De vertaling door Richard van Leeuwen gebruikte ze niet, om 'een simpele reden': ze had hem niet en hij was uitverkocht. (Dat is-ie nog, maar tweedehands zijn er wel delen verkrijgbaar.)
Hoe dan ook vind ik dat Imme Dros met deze bewerking knap werk heeft verricht. Hulde.



Dros, Imme. En toen, Sheherezade, en toen? Uit de verhalen van Duizend-en-een-nacht. Met tekeningen van Annemarie van Haeringen. Leopold, 2017. ISBN 978 90 258 7296 0, 188 p.



woensdag 9 maart 2016

Karel Appel uit de Dapperstraat

Het Gemeentemuseum Den Haag en uitgeverij Leopold hebben in 2010 het lovenswaardig idee gehad om een reeks kunstkinderboeken te maken, steeds naar aanleiding van een tentoonstelling in het museum. Er zijn er inmiddels al meer dan tien:

Allemaal aan tafel! van Rindert Kromhout en Margriet Heymans
Holland op z'n mooist van Charlotte Dematons
Puzemuze of op weg naar Rothko van Wim Hofman
Coco of het kleine zwarte jurkje van Annemarie van Haeringen. Dit boek werd bekroond met een Zilveren Penseel 2014
Edith en Egon Schiele van Harriët van Reek
Een zondag met Caillebotte van Ingrid Godon en Toon Tellegen
Delfts blauw - Een vaas voor de prinses van Ingrid en Dieter Schubert
Calder - De draad van Alexander van Sieb Posthuma
Nacht in het poppenhuis van Thé Tjong-Khing en Anna Woltz
Ensor - De grote maskerade van Marije Tolman
Keepvogel en Kijkvogel - In het spoor van Mondriaan van Wouter van Reek. Dit boek werd bekroond met een Zilveren Griffel 2012, de internationale illustratieprijs De Gouden Appel en een Vlag & Wimpel.
De koningin die niet kon kiezen van Annemarie van Haeringen (Herdruk van bestaand boek)
Meneer Kandinsky was een schilder van Daan Remmerts de Vries. Dit boek werd bekroond met een Zilveren Griffel 2011.

Onlangs verscheen Karel Appel uit de kapperszaak in de Dapperstraat van Imme Dros en Harrie Geelen, en dat is niet eens het allerlaatste, want nog recenter verscheen ook Jan Toorop – Het lied van de tijd van Kitty Crowther, bij de tentoonstelling rond Jan Toorop (t/m 29 mei).

De tentoonstelling Karel Appel (t/m 16 mei) was aanleiding voor het fraaie prentenboek dat de het stel doorwrochte kunstenaars Imme Dros en Harrie Geelen maakte.



Dit boek mikt op jonge kinderen.De tekst bestaat uit 20 vierregelige versjes en beschrijft chronologisch het leven van de schilder Karel Appel. Diens vader had een kapperszaak in de Dapperstraat te Amsterdam en eigenlijk zou Karel dus ook kapper moeten worden. Hij doet in ieder geval het een en ander in de zaak:

De kleine Kareltje veegt het haar
voor pappa Jan Appel bij elkaar.
Hij schikt de kleuren zo op de grond
dat er een kat ligt, een muis of een hond.

Schilderen leert hij van zijn oom, en ondanks schrik en wijze raad (doe het niet) van pa en moe besluit Karel om geen kapper te worden.




Volgt de loopbaan van berooide tot schatrijk en wereldberoemd kunstenaar.
Het moet gezegd, zonder de prenten van Harrie Geelen was dit levensverhaal in 80 regeltjes aardig, maar niet meer dan dat. Het zijn de prenten die het een mooi en boeiend boek maken. Een knappe prestatie om afbeeldingen te maken die onmiskenbaar Geelen én Appel zijn! (En dat er enige verwantschap was, valt met dit boek ook wel aan te tonen.)

Dros, Imme, en Harrie Geelen. Karel Appel uit de kapperszaak in de Dapperstraat. Gemeentemuseum Den Haag / Leopold, 2016. ISBN 978 90 258 6870 3.




dinsdag 10 september 2013

Over kunst en cultuur en zo

Het interessantste opstel in Literatuur zonder leeftijd zomer 2013 (aflevering 91) vond ik dat van Harrie Geelen, ´Over kunst en cultuur en zo´.
Ik moet het eerder hebben gelezen, want het stond oorspronkelijk in Jeugdliteratuur en andere media (2008) en dat heb ik zelf nog uitgegeven.
(Daarmee impliciet goedkeurend dat jeugdliteratuur een medium is, beetje raar achteraf, maar dat terzijde.)
Kan me er niets van herinneren, dus ik las het als nieuw. Een sprankelend vertoog, dat begint in het regenwoud, o.a. met een vogel die prachtig kettingzagen kan imiteren, en dan bij nabootsing terechtkomt.
Ik citeer een stukje:

'De mens kan goed bedriegen. Hij kan misschien niet bedrieglijk echt een kettingzaag nabootsen, maar wel, ook met de stembanden, iemand die verstandig en logisch en analytisch denkt. De mens heeft de taal ook voor communicatie uitgevonden, maar vooral om anderen in te kunnen pakken, om te imiteren, om te suggereren, om te verbloemen of om een mededeling bloemrijker te maken. En taal is ook als water. Gedachten kunnen er makkelijk in verdrinken. Als ze al niet blijven zwemmen. Wij vinden voor alles een woord. Maar het feit dat wij de dingen om ons heen een naam geven, betekent niet dat die namen niet ook op duizend andere manieren gebruikt kunnen blijven worden, en voor zeer uiteenlopende zaken. Namen zijn immers ook geluiden. Poëzie profiteert hiervan. En lijdt eronder.'

Onwillekeurig moest ik denken aan Philip Starck, die ik de dag voordat ik dit las over mijn scherm had zien dansen. 'De wereld is vloeibaar,' zei Daan Roosegaarde. 'Taal is als water,' zei Harrie Geelen. De overeenkomst is treffend.

Zijn vertoog voert onnavolgbaar als op een ontdekkingstocht verder langs klanken, zang en andere muziek, al dan niet bewegend beeld, verschillen tussen woord en beeld, tussen woorden met en zonder geluid, angst als oermotief voor interesse, veranderingen als bouwstof van verhalen, het halve of het hele verhaal.
Vooruit, nog een citaat:
'Het vreselijke probleem van een bewerking is dat je de essentie van je boek bewaren wil en dat je de kracht vaak ligt op een voor televisiedrame tamelijk onbruikbaar terrein. Wanneer je werkelijk een boek bewerken wil, dan moet je niet alleen de plot adapteren. En daarmee wordt helaas maar al te vaak volstaan. Misschien is soms de plot juist onbelangrijk. De bewerker moet een beeldend alternatief vinden voor alles wat je boek gekenmerkt heeft: stijl en andere kwaliteiten, zoals bijvoorbeeld de rijkdom of de soberheid van de taal, de trant, de kaalheid of de overvloed, de weglatingen, typische vertelperspectieven. En het moeilijkst is het om alternatieven te vinden voor suggesties die de geschreven taal en ook de stille tekening vaak in zich meedraagt. Sommige schrijvers en tekenaars zijn tachtig voordat ze die kenmerken voor zichzelf naar behoren hebben kunnen verwoorden, laat staan dat zij - of iemand anders - ze kunnen vertalen naar een ander medium.
Er zijn maar weinig films die net zo worden onthouden als een goed boek. Ik bedoel dus: als een geheel en niet als 'die film waarin een bepaalde acteur zo mooi speelt", of 'waarvan het camerawerk zo verpletterend is", of "waarvan de ontknoping zo onverwacht is."
En dat willen we toch, verhalenmakers als we zijn?'

Harrie Geelen had zijn sporen al getrokken in de 'cultuur en zo', voordat hij zich met kinderboeken ging bezighouden. En de wereld van de jeugdliteratuur is soms tamelijk eenkennig. Jacques Dohmen toont dat in datzelfde nummer van LZL in een interview met Linda van Scherrenburg zo:
'De eerste ontmoeting met Harrie kan hij zich wel heel goed herinneren. "Dat was bij een prijsuitreiking en Imme stelde me haar man voor. Harrie was toen een beetje gekwetst dat ik niet wist wie Harrie Geelen was. Hij zei toen: 'Ja, ik ben alleen maar de echtgenoot van, meneer Dros, en ik mag af en toe een boek illustreren'," zegt Jacques lachend. "Pas later heb ik begrepen hoe groot Harrie zelf was in de wereld van de tekenfilm en de Marten Toonderstudio's en als schrijver van Oebele en dat soort series. Ik zag hem eigenlijk alleen maar als de man van Imme."'



De wereld van de jeugdliteratuur, althans van hen die deze maken, beoordelen, bestuderen, bewaren en verkopen, is zo klein dat in het Nederlands taalgebied een hoog ons-kent-ons-gehalte valt waar te nemen.
Dat is ook te zien aan deze aflevering van LZL.

Ten eerste aan het uiterlijk en dat geldt voor LZL in het algemeen. Dat is heel simpel, als pocket met een omslag in kleur en pagina's in zwartwit, met een geen-nonsens-opmaak en een tamelijk kleine schreefloze letter. Meer kan er niet af en het is überhaupt een wonder dat het verschijnt en dat is allereerst te danken aan de noeste vlijt en hopen energie die de redactie er onbetaald in steekt. Om het even in ons-kent-ons-termen te zeggen: zonder Toin zeer waarschijnlijk geen LZL. Er zijn eenvoudigweg niet voldoende abonnees te vinden om een luxere opmaak te kunnen betalen. Men doet zijn best en dat valt, niet voor het eerst en niet voor het laatst, te prijzen.

Ten tweede aan het redactioneel. 'Literatuur zonde leeftijd zette in het verleden al vaker een auteur en diens oeuvre in de kijker. Dat leverde inspirerende nummers op over Tonke Dragt (2001, 53), Wim Hofman (2006, 69), Paul Biegel (2007, 73) en Henri Van Daele (2010, 82). Een dergelijk auteursnummer is onvermijdelijk een eerbetoon.'
Dat mag zo wezen, maar botst wel enigzins met de academische status die LZL ook in stand tracht te houden. Hier schuurt de wetenschap dicht aan de literaire journalistiek, een verschijnsel dat volgens mij ook elders in de literatuurwetenschap optreedt, zeker in het domein van de jeugdliteratuur.
Enfin. 'Onvermijdelijk', kennelijk.
En ook begrijpelijk, want als LZL echt uitsluitend academisch zou zijn, zou het aantal abonnes waarschijnlijk slinken tot enkele tientallen. En dat zou de doodsteek zijn. Verstandig dus dat ruimte wordt gemaakt voor literaire journalistiek, jammer dat er geen middelen zijn om een opmaak te brengen die een groter publiek zou kunnen trekken.

LZL 91 is dus een eerbetoon, en wel aan Imme Dros en Harrie Geelen, een 'kunstenaarskoppel in hart en nieren'. Het eerbetoon telt 220 pagina's, een omvang die in de burelen van de voormalige uitgever (NBD Biblion) op protest had gestuit, dus ook wat dat betreft is het maar goed dat LZL daar weg is.
Het opent met een interview met dat koppel door Helma van Lierop-Debrauwer, van het soort dat een mooiere opmaak en meer lezers had verdiend, en daarna nog 23 andere korte en lange bijdragen over het tweetal. De korte bijdragen zijn veelal van collega-auteurs en -illustratoren, er zijn wat recensie-achtige bijdragen (bv. van Bregje Boonstra en Joke Linders), er is de Annie M.G. Schmidtlezing van Imme Dros zelf (daterend uit 2000), er is één wetenschappelijk artikel (van Marloes Schrijvers): bij elkaar een eerbetoon dat er wezen mag.

Dat wetenschappelijke artikel is helaas het minst leesbare. Dat ligt aan passages als deze:
'Een prentenboek onderscheidt zich van een geïllustreerd boek door de min of meer gelijke mate - in kwantitatieve zin - waarin tekst en beeld aanwezig zijn. Vaak heeft het beeld zelfs een groter aandeel in het geheel dan de tekst, terwijl dat in een ge:illustreerd boek per definititie omgekeerd is. In kwalitatieve zin kenmerkt een prentenboek zich door de gelijkwaardige rol die tekst en beeld hebben in het overbrengen van het verhaal (Nikolaeva & Scott, 2001). In een geïllustreerd boek is het de tekst die het verhaal draagt en zijn beelden dus meestal letterlijk "illustratief".'
Gaap...
Wat ze tracht op wetenschappelijke wijze te 'analyseren' is 'op welke manieren woord en beeld in deze prentenboeken samenwerken om hun verhaal te vertellen'. Het gaat dan uiteraard om boeken van Dros & Geelen. En het is niet zozeer een analyse als wel een uitvoerige beschrijving die uitmondt in de conclusie die (om de spanning erin te houden) ook al in de titel staat, namelijk dat die samenwerking 'uitgebalanceerd' is. Het artikel is een gaaf voorbeeld van het soort literatuurwetenschap dat op zijn best 'academic criticism' mag heten: recenseren op academische wijze.
En ook dit artikel eindigt met lof voor het tweetal.




Nou, dat gun ik ze ook van harte, want ook ik vind dat ze erg mooi werk hebben gemaakt en ik hoop dat ze er nog even mee doorgaan.

Nog enkele andere bijdragen in deze lekker dikke aflevering: de Annie M.G. Schmidtlezing van Ted van Lieshout en een terugblik door Rita Ghesquiere op veertien Annie M.G. Schmidt-lezingen. Die van Ted was immers de laatste... vooralsnog.
Van Ted van Lieshout nog een citaat:
'[...] Doordat Duchamp dit urinoir buiten de gebruikelijke context plaatste, keek iedereen er met andere ogen naar. Wie niks moet hebben van beeldende kunst, ziet er alleen een urinoir in. Iemand die wel de moeite neemt om verder te kijken dan zijn neus lang is, ziet er op zijn minst een mooie vorm in, maar hopelijk ook dat kunst niet wordt gedefinieerd door of het mooi is of niet - want dat is alleen een kwestie van smaak - maar door het vermogen van een werk om de geest te verruimen. Niet omdat de geest van de kunstenaar ruimer is dan die van anderen, maar omdat hij meer dan "gewone mensen" durfst te krabbelen aan de marges van ons denkkader. Dat biedt ons, die anderen - en daar bedoel ik heel nadrukkelijk ook kinderen mee - de kans om diezelfde begrenzing van ons denken af te grazen.'

Waarvan akte, en prompt moest ik denken aan die Zomergasten-uitzending met Daan Roosegaarde. En aan die prachtige titel van Johnny van Doorn: De geest moet waaien.

NB. Voor een tentoonstelling van werk van Harrie Geelent/m 10 november 2013 zie hier.