Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label Beoordelingscriteria. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Beoordelingscriteria. Alle posts tonen

woensdag 4 december 2024

Nothing is either good or bad

 but thinking makes it so.

Shakespeare, Hamlet, Act II, Scene 2. Met dank, geloof ik, aan een recensent die er onlangs in de Volkskrant mee op de proppen kwam. Bij zo'n zinnetje blijft het brein even haken.

Hieraan zij toegevoegd (leve internet) wat ene Gabe Kwakyi te berde brengt op zijn website The Musing Mind:

Human society invented such labels with helpful intentions. Establishing a common understanding of what is helpful and not helpful to human society helped establish laws, norms, values and mores that were aimed at reducing the occurrences of what we commonly label as good and bad.

That said, labeling events cannot control the world and make only good things happen or prevent bad things. However helpful in some cases, there will be others where the act of labeling in others will create life-limiting, obsessive behaviors in others. How does labeling limit our ability to live more peaceful, happier, and fulfilled lives?

This is because the act of subjective labeling events carries with it a risk: once we label something as good or bad, it’s hard to focus only on the objective learning from the experience. Rather, we tend to just think about the goodness or badness of the event.

Over de eerste alinea kunnen we wel opmerken dat mensen het soms niet eens zijn over wat we 'commonly'  als goed of slecht bestempelen. Maar inderdaad, zodra 'we' iets 'goed' vinden wordt het lastig om er onbevangen over te oordelen. Vooral als je wil oordelen in moreel of kunstzinnig perspectief.

Kijk, als we een kurkentrekker kopen en die blijkt niet naar verwachting kurken te trekken, kunnen we het snel eens zijn, tenzij we aanleiding zien om over die verwachting van mening te verschillen. We willen die kurk uit de fles, dat staat vast. Verwachtingen kunnen variëren aangaande het gemak, het geluid (de juiste plop), uiterlijk e.d.
Moeilijker wordt het al om vervolgens over de wijn te oordelen. Het moet wel wijn zijn, geen azijn, water of bier, maar of hij ook lekker is? Kwestie van smaak... Naast smaakpapillen, geurvermogen en persoonlijke voorkeuren spelen ervaring en status daarbij zeker een rol.
 
Wat is een goed verhaal? Is dat vergelijkbaar met wijn beoordelen?
Niet helemaal, volgens veel recensenten, en vooral volgens veel recensenten van verhalen en poëzie voor kinderen. Dat is geen wonder, want regelmatig krijgen die de vraag: 'wat is een goed boek voor mijn kind'. Alsof daarvoor een thermometer, een kwaliteitsmeter bestaat. Hier komen ineens opvoeding en onderwijs om de hoek kijken.
Een kinderboekverkoper kan dat oplossen door vragen te stellen, een pijlsnelle inschatting te maken en een min of meer passend boek te vinden in de winkelvoorraad. Makkelijker gaat dat wanneer kinderen zelf een boek zoeken. En een verkocht boek is al gauw een goed boek. Leven en laten leven, niet waar?
Mutatis mutandis geldt dat ook voor de jeugdbibliothecaris, maar onlangs begreep ik dat dit een uitstervende specialiteit wordt, ondanks de NBD Biblion Jeugdspecialist-prijs. Tegenwoordig moeten werknemers vooral flexibel zijn, makkelijk over te plaatsen - of te vervangen. Dat werk, onvermijdelijk in een omgeving waarin regelaars (Nederlands voor managers) zichzelf overschatten.
 
De gemiddelde recensent heeft daarvan geen last, want die is al flexibel, want eenpersoonsbedrijf. Die kiest uit het aanbod de titels die zij of hij zou willen aanbevelen en ja, dat heeft soms wel iets weg van wijnproeverij. Smaken verschillen, ook die van recensenten, ook al is er soms een 'common' overeenkomst.
Dan zijn er nog docenten die voor hun klas, school of schoolbibliotheek een keuze maken. Voor zover ze niet ondersteund worden door boekverkoper of bibliothecaris zal hun selectie erop lijken: welke boeken passen bij mijn leerlingen. Al dan niet geholpen door een website (ook een recensent) als leesbevorderingindeklas.nl.

Ten slotte hebben we nog de juryleden. Bij uitstek de mensen die 'het beste boek' uitkiezen uit een stapel ingezonden lectuur. Hoe groter die stapel, hoe meer indruk de keuze maakt, maar die indruk wordt des te groter naarmate de juryleden status hebben. Waar die status vandaan komt, lijkt er soms niet toe te doen. 'Bekend van radio en tv': ja, maar zonder veel kinderboeken gelezen te hebben. Het komt echt voor en heel erg is het niet, want hun mening kan verfrissend zijn naast die van juryleden die al jarenlang verhalen en poëzie voor kinderen lezen en met elkaar een 'common understanding' ontwikkeld hebben.
 
Nothing is either good or bad but thinking makes it so. Wat een zinnetje kan losmaken... Maar ja, het is wel Shakespeare. Status, hè...

vrijdag 7 april 2023

De stem

Uit een interview door Mirjam van Hengel met Deborah Levy in de Volkskrant 25-3-2023.

'Wist u meteen wat de stem voor deze boeken was?'

‘Nee, ik moest daarnaar zoeken. Ik moest een stem vinden die zowel zacht als taai, hard, vriendelijk, ruimhartig was, een stem die veel dingen tegelijk kon zijn. Die moet je ontwikkelen, je begint en gaat dimensies toevoegen. Ik dacht bijvoorbeeld na over zelfportretten in de beeldende kunst – ik werd er vandaag nog aan herinnerd omdat hier in Nederland nu die Vermeertentoonstelling is. Kijk naar het Meisje met de parel, een schilderij dat natuurlijk niet beschouwd wordt als een zelfportret van de schilder. Toch heeft die er, zoals in alles wat hij maakte, iets van zichzelf in gelegd. Hij boort een waarheid aan in zichzelf. Dat doet een schrijver ook.'


‘Voor elk boek moet je een andere stem vinden. Iedere schrijver heeft eindeloos veel mogelijkheden. Vrouwen worden van oudsher verondersteld ofwel enorm krachtig te zijn, ofwel fragiel en kwetsbaar, en ook schrijvende vrouwen presenteren zich historisch gezien vaak als het een of het ander. Alsof dat de enige smaken zijn, alsof we zo weinig keuzes hebben in hoe we ons tonen, hoe we ervaren, voelen en denken.’

'Er zijn in uw boeken ook veel stemmen van anderen te horen. Die van de "beste mannelijke vriend", van Celia die het schrijfhuisje verhuurt, van de beroemde schrijver die doet alsof de wereld van hem is. En er zijn citaten van andere schrijvers, overal tussendoor.'

‘In fictie heeft een schrijver zijn "avatars", personages die de verschillende eigenschappen en preoccupaties van de schrijver representeren. Bij een autobiografisch boek is dat anders. Ik moest zoeken naar een manier om ook andere stemmen toe te laten, want je wilt niet dat er alleen maar één stem, één personage aan het woord is, dat wordt claustrofobisch. Om een lezer te interesseren, maar ook om mijzelf te blijven interesseren, heb ik andere personages nodig om de subjectiviteit van de hoofdpersoon te bevragen. Zoals de vriendin in Onroerend goed die zegt: jij hoort juist thuis in de stad, je bent zo sociaal en een diva! Dan ga je je als lezer afvragen: is dat zo?’

In de moderne jeugdliteratuur wordt soms vergeten dat de verteller er toe doet. Wie vertelt, welke stem is aan het woord? Dus vind ik het prettig dat Deborah Levy hier zo uitgebreid over spreekt, over iets dat in drama en andere voordrachtskunst zo vanzelf spreekt. Verhalen komen niet uit de lucht vallen, ze worden verteld.

dinsdag 9 november 2021

Weetjes over dieren en mummies

Op school moet je nog wel eens een werkstuk maken. Dat was vroeger al zo, en nu nog steeds. Vroeger gaf juf of meester wat aanwijzingen, en als je geluk had beschikte de school over een goed bijgehouden documentatiecentrum.
 
Nu zijn daar diverse internetsites bijgekomen, ook voor ouders en andere begeleiders. Bijvoorbeeld:
- Een werkstuk maken in groep 6, 7, 8 (en hoe je je kind kunt helpen), vooral als je zo'n luxueuze keuken hebt, zie foto; 
- Hoe maak je een werkstuk op de basisschool? (voor ouders), met foto'tje van iets minder luxe keuken.
 
(De luxe keuken van Squla.)
 
En mocht je om onderwerpen verlegen zitten dan is daar de Internetwijzer basisonderwijs.

Vroeger was het knip- en plakwerk, met onvermijdelijk een beetje schrijven ertussen, nu gebeurt het op de al te vanzelfsprekend geachte laptop of tablet.

Kies een onderwerp dat je interesseert.  Ga daarna op zoek naar boeken over je onderwerp en gebruik leerzame sites van het internet.

Zo staat het nog ergens. Vroeger had je naast die boeken in het documentatiecentrum ook nog mappen. En nog steeds zijn er reeksen kleine dunne boekjes met wetenswaardigheden over een baaierd van onderwerpen, zie bijvoorbeeld de reeks Junior Informatie, te bestellen bij de firma die ook maar meteen het webadressen documentatiecentrum.nl en schoolsupport.nl heeft bezet. Commercieel gezien handig.

Verder had en heb je echte boeken voor kinderen over allerhande onderwerpen. In de bibliotheekwereld noemt men die informatieve boeken, een merkwaardige term want die sluit uit dat fictie, drama en poëzie informatief zou kunnen zijn. Maar de intentie is wel duidelijk.
In het Engelstalig gebied heeft men het in de libraries over nonfiction, mede dankzij Melvin Dewey, die het naar hem genoemde indelingssysteem ontwierp dat aan de basis ligt van de manier waarop in Nederland en Vlaanderen de non-fictie wordt ingedeeld volgens het Schema voor de Indeling van de Systematische catalogus in Openbare bibliotheken ofwel SISO. Deze indelingen zijn vooral praktisch bedoeld, als kastplaatsingssystemen.
In het Franstalig gebied hanteert men de term livres documentaires, ook niet onaardig, en de Duitstaligen hebben het over Sachbücher.
 
Een flink deel van mijn loopbaan bij Biblion Uitgeverij bracht ik door met het speuren naar geschikte non-fictie voor kinderen. Zoek maar niet, de uitgeverij was deel van NBD Biblion en is als zelfstandige afdeling met bijbehorend imprint al enige tijd geleden opgeheven.
Dat speuren vond grotendeels plaats op twee beurzen: in het voorjaar die van Bologna, gespecialiseerd in kinderboeken, en in het najaar Frankfurt. Want spontaan aanbod was er weinig en eigen producties waren relatief duur - al deden we die sporadisch wel.

In 2006 maakte ik een lijstje criteria. Voor mijzelf en collega André, maar ook om te kunnen uitleggen hoe we tot beslissingen kwamen.
Zo'n beurs verleidt namelijk makkelijk tot net iets te intuïtieve keuzes en met name in Bologna was er altijd een enorm aanbod. Die goed georganiseerde beurs was en is nog steeds dé internationale kinderboekenbeurs, waar heel veel rechten werden verhandeld. Het was er ook altijd goed toeven, zowel in de beurshallen, met hun goede koffie en spremuta, als in de stad, met zijn mooie gebouwen en goede restaurants en vaak mooi voorjaarsweer.


Misschien interessant om dat lijstje hier weer te geven:
 
Uitgangspunten uitgaven non-fictie voor kinderen

1. Is het non-fictie voor kinderen van het soort dat zou passen in een schoolbibliotheek of openbare bibliotheek? (Ofwel: ‘past het in ons fonds?’)
2. Voldoet de uitgave aan de 10 criteria, hieronder vermeld?
3. Ziet het boek er aantrekkelijk uit?
4. Is er een redelijke kans dat er vraag is naar de geboden informatie?
5. Voegt de uitgave iets toe aan de titels die te vinden zijn in handel en bibliotheek? (Controle middels eigen fonds; gidsen B&J; leesplein.nl; catalogi openbare bibliotheken Leeuwarden en Oss, als voorbeeld en wegens toegankelijkheid catalogus; evt. ook www.arsscribendi.nl.)
6. Is er geen concurrentie van internetsites die de geboden informatie net zo goed bieden?
7. Komt de precalculatie op een goede prijs?

Beoordelen non-fictie voor kinderen, 10 criteria:

1. Beschrijft de titel waar het boek over gaat?
2. Staat er op de achterkant een adequate beschrijving, begrijpelijk ook voor de veronderstelde lezer? Wekt die beschrijving op tot lezen?
3. Is de indeling helder? D.w.z., kan de veronderstelde lezer uit de hoofdstuktitels een structuur afleiden, een pad om te gaan?
4. Is er een index? Een woordenlijst? Zo ja, zijn die echt nodig en adequaat? (Dat betekent dat je in de tekst geen moeilijke woorden tegenkomt die niet in de woordenlijst verklaard worden.) Zo nee, worden de moeilijke woorden die er eventueel toch zijn in de tekst verklaard?
5. Is de tekst afgestemd op de veronderstelde lezer? (Dus: niet te moeilijk, maar ook niet te makkelijk of kinderlijk.) Wekt de tekst op tot doorlezen? Is de lay-out helder? De letter groot genoeg?
6. Worden er voldoende afbeeldingen geboden van in de tekst genoemde concrete (d.w.z. niet abstracte) zaken, zoals gebouwen, dieren, planten, kostuums, gerechten e.d.?
7. Omgekeerd, hebben de afbeeldingen zin? D.w.z., sluiten ze aan bij de tekst, wordt ernaar verwezen? Zo niet, verklaart een bijschrift de aanwezigheid van de afbeelding? Zijn de bijschriften leesbaar (letter groot genoeg) en begrijpelijk?
8. Zijn de afbeeldingen goed afgedrukt en helder, beelden ze inderdaad dat af waarnaar verwezen wordt?
9. Worden passages met getallen verhelderd door tabelletjes (ook: tijdlijnen)?
10. Last but not least en het lastigst te beoordelen: is de tekst juist? Is de geboden informatie evenwicht en met de juiste afstand c.q. onpartijdigheid beschreven?


'Gidsen B&J; leesplein.nl' is inmiddels irrelevant en Ars Scribendi leidt nu naar Schoolsupport en is niet meer helemaal wat het was, een uitgeverij met een omvangrijk fonds degelijke non-fictie. De genoemde bibliotheekcatalogi zijn ook veranderd.
De tien criteria zijn wat mij betreft ook na vijftien jaar nog steeds bruikbaar. Het waren in praktijk wel tamelijk strenge criteria en ik zou niet durven beweren dat we ze allemaal netjes afvinkten.

Ik dacht hieraan terug omdat ik kort na elkaar twee documentaire boeken (om de Franse term even te lenen) voor kinderen kreeg toegestuurd: Eric Carle's grote dierenboek en Mummies ontrafeld.
En ik had ook nog wat op de virtuele plank liggen.

Beide boeken leunen vooral op beeld. 
Dat is niet vanzelfsprekend, er is heel goede non-fictie voor kinderen met vooral tekst. Het werk van Bibi Dumon Tak is een excellent voorbeeld, zie bijvoorbeeld Het koeienparadijs. Het werk voor kinderen van Stine Jensen met haar Lieve Stine is een ander voorbeeld. Hoe het niet moet toont bijvoorbeeld Knolletje en Dirk, het knotsgelle broodboek van Pieter Feller en Natascha Stenvert. (Zo, dat is van die plank af.)


Wat betreft Eric Carle's grote dierenboek is het duidelijk dat het beeld domineert maar bepaald niet documenteert. Zijn prenten zijn mooi en stijlvast, maar zijn geen goede weergaven van de dieren en de afmetingen zijn evenmin in proportie, al is hier en daar een poging gedaan dieren van ongeveer vergelijkbare grootte op één pagina te zetten. De uitklappagina middenin, vier pagina's breed, toont de blauwe vinvis, inderdaad een heel groot beest, de afbeelding van een zeilbootje ter grootte van één staartvin benadrukt dat nog eens.
 
De indeling van het boek is ietwat willekeurig:
- dieren in het regenwoud
- dieren op de savanne
- dieren in de woestijn
- dieren in de sneeuw en op het ijs
- dieren in de oceaan
- dieren in de bergen
- dieren in het bos
- dieren om ons heen.
Die hoofdstukken zijn weer verdeeld in enkele afdelingen.

Beesten uit alle werelddelen zijn gezellig door elkaar gehusseld, zodat de brulaap gemoedelijk naast de gorilla staat en naast de pagina met de keizerspinguïn zes bewoners van het koude noordelijk halfrond staan zonder dat dit wordt meegedeeld en zodanig dat de argeloze jonge kijker wel moet denken dat de pinguïn veel groter is dan bijvoorbeeld de ijsbeer. 
De meeste dieren krijgen alleen hun naam mee, in hoofdletters, sommige iets meer, en elk hoofdstuk wordt ingeleid door een korte tekst die in het midden laat waar op aarde je dat landschap moet denken, behalve de savanne:



Eh, savanne op de evenaar? Lijkt me niet juist. De savanne vind je hier:
 

 
Op en rond de evenaar vind je juist het regenwoud, waarvan niet staat vermeld waar je het kan vinden. Zo'n kronkel kwam ik verder niet meer tegen, maar de tekst bij 'Dieren om ons heen' is ook opmerkelijk:


'Een huisdier kan je troosten als je verdrietig bent en het is ook nog eens heel gezond om erachteraan te rennen!' 
Goh, daar zal je kat van opkijken en je goudvis al helemaal! 
'Sommige mensen werken elke dag samen met hun dieren en zorgen zo voor melk, eieren, honing of kaas.' Wie zorgen voor melk enz., die mensen of hun dieren?
 
In de afdeling 'Tuingasten'  komen we tussen worm en spuugbeestje een bekende rups tegen.


'Op de boerderij' vinden we een kuiken, een hen en een haan. 'Herken jij alle boerderijdieren die je hier ziet?' staat er boven. Kip!, roept de gemiddelde kleuter natuurlijk.



Het zal duidelijk zijn dat Eric Carle'sgrote dierenboek geen erg informatief boek is. De plaatjes van Carle moeten het doen, zijn stijl is bekend, de inkopende uitgever zal gedacht hebben: dat verkoopt wel.
Het is bedoeld voor kleuters en iets ouder. Het moet voorgelezen worden. Samen bladeren door dit boek zal geen straf zijn, vast heel gezellig. Maar voor werkstukjes is het niet geschikt, echt iets eruit opsteken doe je niet en ik had het als uitgever sowieso lekker bij Penguin Random House laten liggen. Om andere dieren dan je eigen hond of kat te leren kennen, kun je een fotoboek nemen, of beter nog naar de kinderboerderij of naar de dierentuin. Of in je eigen tuin eens rondspeuren! En dan 's avonds Rupsje Nooitgenoeg voorlezen. Veel leuker.



Mummies ontrafeld is duidelijk voor wat oudere kinderen bestemd. 'Vanaf 7 jaar', vindt de uitgever, vanaf 9 jaar zou ik adviseren. Ook deze uitgave leunt zwaar op de prenten, in dit geval van Tom Froese, een Canadese illustrator die hard aan de weg timmert (zie ook hier) maar in het Nederlands taalgebied vooralsnog in slechts één andere uitgave te zien is, namelijk in Aan het werk in het kasteel van Rebecca Colby, bij dezelfde uitgeverij. Mooie prenten, heel stijlvast, quasi-Egyptisch en vaak ook nog redelijk informatief.
Een auteursnaam is er niet: 'tekst © Nosy Crow Ltd'. We weten dus niet uit wier of wiens brein de volgende woorden kwamen, waarmee het vertoog begint:
 
Wat is een mummie?
 
Meer dan 5000 jaar geleden ontstond een beroemde beschaving in het oude Egypte, in het noorden van Afrika. Hun koningen werden farao's genoemd. De oude Egyptenaren geloofden in het leven na de dood en dachten dat de ziel voor eeuwig zou voortbestaan in het hiernamaals als het lichaam goed werd bewaard en verzorgd. Die lichamen noemen wij mummies.

 

Voor 7 jaar en ouder? Hm.
Was die beschaving al meteen beroemd? Wat is 'het oude Egypte'? Bestond die naam toen al?
Hun koningen? Het leven na de dood? Welk lichaam, van wie? Nou, niet flauw zijn, dat bij die ziel natuurlijk.
 
Ik citeer nog even door. Volgende pagina:

Het woord 'mummie' stamt af van het Perzische woord mūmiyā. Het betekent 'bitumen' en dat is een zwart, plakkerig spul dat op teer lijkt. Toen honderden jaren geleden de allereerste mummies werden ontdekt, leek het net alsof ze helemaal waren ingesmeerd met bitumen, en daarom noemen we die lichamen nu mummies.
Tegenwoordig noemen we het proces van het maken van een mummie 'mummificeren' of 'balsemen'.

De oude Egyptenaren geloofden dat er in elke persoon drie zielen leefden, die ook na hun dood bleven voortbestaan.


Ik doe een poging dit iets kernachtiger onder woorden te brengen:

Meer dan 5000 jaar geleden leefden er in het noorden van Afrika, waar de Nijl stroomt, mensen die dachten dat ze drie zielen hadden: Ka (levenskracht), Ba (persoonlijkheid) en Akh (bezieling). Die zouden na hun dood voortleven als hun lichaam tegen verrotting werd beschermd.
We weten dit doordat die mensen ons veel tekst en beeld hebben nagelaten en doordat we dicht bij de Nijl veel lichamen hebben gevonden die door een bijzondere behandeling niet zijn vergaan. We noemen ze mummies. Mummie komt van het Oud-Perzische woord mūmiyā, dat pek betekende.
Dit boek gaat over die behandeling: hoe deden ze dat?

Ach, het is maar een poging. Maar minder klunzig, lijkt me, dan één ziel die ineens drie zielen wordt, mensen die Egyptenaren worden genoemd zonder dat ze dat zelf ooit hebben bedacht (dat waren Grieken en dat mag wel even gezegd) en een beschaving (mama, wat is dat?) die meteen beroemd wordt verklaard. Die farao's doen er op die eerste pagina's ook nog niet toe, die komen later, evenals die pek. (Die pek-achtige substantie die om de mummies zat, kwam overigens van uit planten gewonnen oliën die bij het balsemen werden gebruikt. Minerale pek ofwel bitumen kwam er niet aan te pas, dus om misverstanden te voorkomen zou ik het woord bitumen niet gebruiken.)
En dan staat dat allemaal ook nog afgedrukt in een akelig slecht leesbaar lettertype. De bijschriften bij de illustraties zijn, hoewel in kleinere letter gezet, beter leesbaar dan de hoofdtekst.



Nou, de kop is er af. Deugt er verder nog iets aan dit boek? Kan het zich meten met andere kinderboeken over mummies? Daarvan zijn er namelijk nogal wat, zie voor een kleine selectie hier, waar ook films te vinden zijn, bijvoorbeeld van Het Klokhuis (heel informatief), en nog meer hier.
Ik heb de video van Het Klokhuis bekeken, maar verder niet vergeleken, dat meld ik maar meteen.

Laten we ons verplaatsen in een negenjarige die na een bezoek aan het Leidse Rijksmuseum voor Oudheden begeesterd is geraakt door mummies en heeft besloten mummies te kiezen als onderwerp voor zijn verplichte werkstuk. Heeft die iets aan dit boek? Zelfs na het bekijken van die Klokhuis-film?
Ja, mits hij of zij het talent heeft om zich door die hoofdtekst heen te worstelen. Die is beslist de zwakke kant van dit boek, stijfjes, soms omslachtig. En ik mis uitleg over bronnen: hoe weten we dit allemaal...
De typografie is de tweede zwakte.
Het informatieve gehalte van de afbeeldingen legt het in het algemeen af tegen foto's, mits die goed gekozen zouden zijn, zie bijvoorbeeld op p. 27 ...
 

... de 'man van Gebelein', maar anderzijds zijn Froese's afbeeldingen hier en daar juist handig door hun compactheid, zie bijvoorbeeld 'het gereedschap van een balsemer' op p. 9....


... of op p. 18-19 'wat gebeurde er tijdens de begrafenis?', want dit soort informatie krijg je nooit op foto's. (De dubbelpagina is helaas te groot voor mijn scan-apparaat en excuses aan de uitgeverij voor het verdwijnen van het rechterrandje op de volpagina-afbeelding.)

Onze denkbeeldige negenjarige heeft ondanks de gebreken best iets aan dit boek, want er wordt veel in uitgelegd. Met het nodige knip- en plakwerk komt-ie (of ze) er wel.
Illustrator Tom Froese heeft goed werk geleverd. Maar het zou veel beter zijn geweest als er ook een goede auteur was ingeschakeld. Misschien was het dan een goed boek geworden.




Carle, Eric. Eric Carle's grote dierenboek. Ills. Eric Carle. Vert. J.H. Gever. Gottmer, 2021. ISBN 978 90 257 7530 8, 70 p. Oorspr.: Eric Carle's Book of Amazing Animals. Penguin Random House, 2021.
Mummies ontrafeld. Ills. Tom Froese. Vert. J.H. Gever. Gottmer, 2021. ISBN 978 90 257 7539 1, 28 p. Oorspr.: Mummies Unwrapped. Nosy Crow Ltd., 2021.






zondag 24 oktober 2021

Nieuwe werkelijkheden, oude geesten

Het is sinds de 19e eeuw heel gebruikelijk dat een of meer kinderen de hoofdrol spelen in een verhaal voor kinderen. 
Het werd zelfs steeds gebruikelijker en dat duurt voort tot en met vandaag. Vaak spelen volwassen personages nog wel belangrijke ondersteunende rollen, maar soms worden ze juist afgetroefd. 
Kinderen zijn de nieuwe helden - voor kinderen. Zo lijkt het.

Een veel voorkomende variant hierop zijn verhalen waarin een groep kinderen een misdrijf oplost, of anderszins de wereld redt. Onlangs besprak ik nog een verhaal waarin een groep kinderen een grote ramp overleeft en een recept presenteert om met elkaar om te gaan. Dat was nog opmerkelijk, maar het Enid Blyton-recept ('De Vijf') wordt nog alom toegepast, zo vaak dat het een cliché mag heten. In Nederland is de Kameleon-reeks een bekend voorbeeld, met de Bob Evers-reeks als variant voor jongens met de baard in de keel.
De goede afloop hoort er standaard bij. (Alleen daarom al is Lord of the Flies van William Golding een buitengewoon boek.)
 
Nu kan het toepassen van een beproefd recept best een goed verhaal opleveren. 'Stijl is alles in een roman. Het verhaal telt ook, maar de verhalen kennen we allemaal al.' Aldus auteur en recensent Kees 't Hart in een recensie in De Groene Amsterdammer 22-10-2016. Ik citeer hem even verder:

Ik zoekt meisje, dochter, vrouw, zoon, vader, moeder, schat, waarheid. Ik treurt over meisje, dochter, vrouw, zoon. Ik vlucht voor… vul het maar in. Echt gebeurd, niet echt gebeurd, had echt kunnen gebeuren, alles is al verteld. Zonder een specifieke stijl kun je je verhaal net zo goed laten zitten. Je moet als schrijver iets construeren, een schrijfwijze, een stijl, what else, die je verhaal laat tintelen, schuren, borrelen, liegen of erop los kletsen. Iets dat het net anders maakt dan de andere verhalen, dat daarvan afwijkt, dat het optilt. Stijl berust op afwijking van het normale. Niemand weet wat normaal is – maar daarvan afwijken, dan heb je een stijl.

Maar door 'af te wijken van het normale' vestig je de aandacht op jezelf. Alles staat of valt dan met de keuze van het mombakkes van de auteur, de verteller. (Kan ook een personage zijn.) Het antwoord op de vraag 'Wat gebeurt er?' kan een verhaal sensationeel maken, het antwoord op 'Wie vertelt er en waarom?' kan woordkunst opleveren, en intieme ontroering. Zie, alleen maar bij wijze van voorbeeld want er is veel meer, het werk van Joke van Leeuwen. Of, om een volstrekt andere auteur te noemen, Lewis Carroll. Of Maarten Biesheuvel, of Nescio, Multatuli... En zie ook eens Stijloefeningen (oorspr. Exercices de style) van Raymond Queneau, nog steeds verkrijgbaar, hier en daar ook tweedehands te koop.

Als je besluit de verteller zo onzichtbaar mogelijk te maken, zo min mogelijk de aandacht te vestigen op wie er aan het woord is, levert dat een hoge kans op een volstrekt doorsnee verhaal, waarvan hooguit plot en personages nog verrassend kunnen zijn. (Detectives! Whodunnit!) 
Deze aanpak vergt zo min mogelijk beschrijvingen en veel dialogen, want je wil vooral je personages voor zich laten spreken, en de handelingen daartussen zo onopvallend mogelijk weergeven. Wil dat een meesterwerk worden, dan hangt veel af van die personages. Op zijn slechtst wordt het een soort geschreven poppenkast met houten klazen, op zijn best slaag je in de impliciete uitnodiging aan de lezer om de ruimte tussen de dialogen zelf in te vullen met beeld, als in een scenario. Zulke verhalen zijn doorgaans ook makkelijker te verfilmen als een verhaal met stijl en een boeiende verteller. Wil je immers echt alle woordelijke beschrijvingen (die de verteller verraden) weglaten, dan beland je bij theater en film. De andere kant op (alle aandacht voor de woorden) beland je bij poëzie.

Hoe zit dat met de aanleiding tot deze bespiegelingen, de twee boeken die zich ongeveer tegelijkertijd ter bespreking aandienden en die ik aanvankelijk het liefst niet besprak? Escape game van Maren Stoffels en Offline van Marco Kunst.
Escape game had ik bijna als onderhoudend maar niet indrukwekkend thrillertje voor pakweg tien- tot twaalfjarigen weggelegd, tot me opviel dat er een heel dun draadje is dat het verbindt met Offline: de virtuele werkelijkheid van de digitale wonderwereld die beide verhalen tot typisch 21e-eeuws bestempelt. 
Nou ja, virtueel... er komen in Escape game vooral veel ouderwetse trucjes aan te pas die de kinderen moeten ontdekken om uit de villa te komen waar ze hebben ingebroken om alvast dat nieuwe ontsnappingsspel te ontdekken. Dat valt nog niet mee, want de zaak is nog niet helemaal klaar en hun zaktelefoons werken niet goed (daar heb je de 21e eeuw). Dat levert de spanning op waarom dit verhaal draait. Het lukt ze wel, maar niet zonder ongelukken. Eind goed al goed. 
Eén mysterie blijft onopgelost: die figuur die ineens op lijkt te duiken in de gang. Is het een man? Of de geest van een man? Zie p. 100 en 110. Deed me denken aan Robert van Guliks uitleg bij de verhalen over rechter Tie: als het bovennatuurlijke een rol speelt, moet er altijd iets onopgelost blijven, al is het maar een dichtslaande deur.
Of de effecten in dat onaffe ontsnappingsspel-huis digitaal of niet zijn, blijft dus in het midden. Het hanteren van de term game en de verdeling in acht levels suggereren iets digitaals, maar dat is een 21e-eeuws dwaalspoor, want de ongelukken zijn absoluut niet digitaal. De vertellers, overigens, zijn de hoofdpersonen, om beurten. Biedt wel diverse perspectieven, er is een aanzet tot karaktertekening, maar op de een of andere manier (haha) vertellen ze allemaal in dezelfde stijl. En let op, de kinderen redden zich weliswaar, maar uiteindelijk komen er toch volwassenen aan te pas.

Offline is iets andere koek. Dat verhaal speelt in de toekomst (2046) en de virtuele werkelijkheid is er allesbepalend. Hier is de verteller zo'n onzichtbare anonieme verslaggever die ons meteen de actie insleept, in de onvoltooid tegenwoordige tijd, en ons meteen ook de hoofdpersonen voorschotelt: Mike en Demer. Kinderen, inderdaad. Van deze twee is vooral Mike de hoofdpersoon.

Plots voelt hij zijn telefoon trillen in zijn broekzak. Geschrokken keert Mike zich op zijn zij. Demer is een eind weg, het kan nu wel even. Schichtig haalt hij zijn telefoon tevoorschijn. Het apparaatje rolt open. Een berichtje: hij moet thuiskomen, het eten staat over een kwartier op tafel.
Bah. Hij wil niet weg en hij heeft geen honger. Ineens moet hij denken aan alles wat komen gaat. Morgen al.

We zijn als lezer vlakbij hem en denken en voelen met hem mee. We worden geacht geheel met Mike mee te leven, ons bijna met hem te versmelten. Dat lukt aardig, zal vast lezers van een jaar of tien, twaalf helemaal lukken, maar het verhaal wordt er wat eendimensionaal van, want hij maakt niet echt een mentale ontwikkeling door. De plot moet het doen.

Wat 'komen gaat' is dat hij met zijn ouders verhuist naar Nieuw Babylon. Dat betekent dat hij zijn vriendin Demer niet meer zal zien. Die leeft in de Aardelaar, een groep mensen die probeert te leven van en met de natuur, zonder computers. Mikes ouders beheren een boerderij, maar die is vanuit de stad te besturen, robots doen het werk. Nieuw Babylon is een prachtige plek zolang je je VR-bril maar ophoudt. (Zet je die af, dan zie je louter kaalheid, grauw beton.)
Het wordt nog mooier als de quantumcomputers in werking treden, belooft men. Mike komt echter een oude man tegen die waarschuwt: de quantumcomputers zullen mensen overbodig verklaren. Deze oude man weet hoe dat te voorkomen want heeft zelf meegewerkt aan de ontwikkeling.
Inderdaad, dat overbodig verklaren gebeurt, en wel meteen als de 'Quantum Intelligentie' in werking treedt. De mensen worden bedankt, ze zijn niet meer nodig. Paniek en chaos alom, want de brillen werken niet meer. Mike zoekt de oude man op en krijgt een opdracht. Die weet hij met moeite en hulp (ja, onder meer van Demer) te volbrengen, dat wordt nog heel spannend, ik zie tijdens die passage wel jonge lezers met rode oortjes voor me. Maar eind goed al goed en het Kunstmatig Intelligent Meta-algoritme, voor de gelegenheid in de vorm van een vrouw, verklaart dat mensen hun leven zal worden gegund. 
Overigens maakten werknemers van KPN al eerder (2017) kennis met dit verhaal, het werd hen als kerstcadeau toegestuurd door hun werkgever en heette toen Verbonden met het net en speelde in 2037. Illustraties Matthias de Leeuw. Het is inmiddels wel te koop. In hoeverre Offline hiervan verschilt, behalve 2037/2046, weet ik niet. Er is in Offline geen vermelding te vinden van Verbonden met het net. Illustraties Offline: Yannick Pelegrin.

Marco Kunst heeft zich al eerder uitgeleefd in een toekomstverhaal, Gewist, voor iets oudere lezers (het leverde hem het Charlotte Köhler Stipendium op), en in een verwant genre, doorgaans aangeduid met het Engelse woord fantasy, zoals het op dit blog besproken boek Het verlangen van de prins. Hij mag dan geen superstilist zijn, aan verbeeldingskracht ontbreekt het hem niet.

De lol van dit toekomstverhaal zit hem wat mij betreft vooral in die zaken die we nu nog niet kennen, of in een andere vorm. De persoonlijke assistent, in de vorm van een kiezel met een mini-computertje. De sprekende hond. De robots die Mike dwarsbomen in zijn queeste. Enzovoort. Ik houd er wel van, heb een zwak voor toekomstverhalen, dystopisch of niet. Aangezien Verbonden met het net mij gemist heeft, heb ik me er nu mee geamuseerd, al stelde het me als verhaal teleur: net wat te ongeloofwaardig om echt spannend te worden. Gewist was beter.

Want laat ik eerlijk zijn, beide in dit vertoogje besproken verhalen horen wat mij betreft toch door de opbouw en stijl bij de grote stapel doorsneeverhalen voor kinderen, afdeling 21e eeuw. Geen rommel, best onderhoudend, maar niet indrukwekkend.
 


Kunst, Marco. Offline. Met illustraties van Yannick Pelegrin. Gottmer, 2021. ISBN 798 90 257 7500 1, 144 p.
Stoffels, Maren. Escape game, ontsnappen uit een escape room. Leopold, 2021. ISBN 798 90 258 8099 6, 118 p.





zondag 6 oktober 2019

... maar wat ís een goed boek?

Van tijd tot tijd is er opwinding over een kinderboek. Het ligt in grote stapels in de winkel, er staat een Bekende Naam op de voorkant en recensenten laten er geen spaan van heel. Uitgevers hopen met zulke boeken wat te verdienen en meestal lukt dat. Niet alleen recensenten doen knorrig, ook kinderboekauteurs hebben het niet altijd op hun nieuwe collega.
Zo heeft Paul Onkenhout voor de Volkskrant 5-10-2019 commentaar opgetekend naar aanleiding van een van de uitgaven ter gelegenheid van de Kinderboekenweek 2019. Naar een geschenkboek (Haaientanden) van een gedegen en veel geprezen auteur (Anna Woltz) ligt daar opeens een lullig boekje van ene André Kuipers. Wie? Toch niet... Jawel, Neêrlands topastronaut. Hij maakt er op zijn website niet direct gewag van (na wat zoeken toch wel hier), maar zijn naam prijkt toch echt op André het astronautje op zoek naar Laika.
'André en illustratrice Natascha Stenvert vinden het een eer dat zij hebben mogen meewerken aan de grootste leesbevorderingscampagne voor kinderen in Nederland. Met het thema ‘vervoer’ konden ze letterlijk alle kanten uit. In ‘Op zoek naar Laika’ wordt fantasievol gerecycled om de ondeugende hond Laika, die er met een raket vandoor is gegaan, te kunnen redden.' Lees ik op zijn website.
Gerecycled? Afijn.

Paul Onkenhout begint zijn stuk met een anekdote, namelijk hoe een cabaretier met opzet anoniem een tekst instuurde, die na veel redactiewerk (mede op zijn verzoek) werd gepubliceerd. Ja, en toen zette de uitgeverij natuurlijk zijn naam op het boek: Jochem Myjer, De Gorgels.
Myjer: 'Ik wilde het op eigen kracht doen, zodat niemand kon zeggen dat ik alleen maar een boek mocht schrijven omdat ik Jochem Myjer ben, de bekende cabaretier.'
'Zijn vrees was reëel,' schrijft Onkenhout.

Bekende Nederlanders schrijven het ene na het andere kinderboek, soms op eigen initiatief, vaak op aandrang van een uitgever. Commerciële belangen tellen in het laatste geval zwaar. Hun namen zijn geld waard. Kwaliteit is, mild gezegd, in veel gevallen niet het voornaamste criterium als een boek op de markt wordt gebracht.

Kwaliteit.
Dit argument (wel een bekende naam, geen goed boek) keert in veel commentaren terug. In dit stuk worden zowel auteur Tosca Menten als recensent Jaap Friso (zie ook Jaapleest) geciteerd. Geen van beiden legt echter uit waaruit dat gebrek aan kwaliteit moet blijken.
Jaap Friso:

‘Combineer de grappige verhaaltjes die je voor het slapengaan aan de kinderen vertelt met wat tekeningen en je hebt een goed boek, is de redenering. Maar negen van de tien keer stelt het weinig voor. Hou het lekker in de slaapkamer, denk ik dan.’

Het stelt weinig voor. Ja, na kennismaking van Kuipers' werk kan ik dat beamen, dat hoort duidelijk tot die 'negen van de tien keer', vind ik. Toch zit het me niet lekker dat dan zo vanzelfsprekend moet blijken dat het die tiende keer wél raak is. En 'het stelt weinig voor' stelt weinig voor als argument bij de beoordeling van een verhaal.
Volgens echte 'commerciële' uitgevers (en andere handelaren) is het helder: een goed boek is een boek dat het goed doet, ofwel goed verkoopt. Klaar. Het criterium van Bul Super en Hiep Hieper ('zaken zijn zaken').
Naast dit op zich valide maar beperkte criterium is er echter nog een reeks andere criteria, en de ervaring leert dat het niet makkelijk is om uit te leggen waarom dat ene verhaal of gedicht nu beter zou zijn dan dat andere. Er is geen thermometer die je er in kan steken.

Ik heb het met opzet nu even over verhalen en gedichten, want voor documentair werk (non-fictie) gelden weer andere criteria. Van jury-overleg herinner ik me dat er snel een schifting wordt gemaakt, zonder al te veel gepalaver, waarna een bergje boeken met verhalen en gedichten overblijft die bekronenswaard zouden zijn.
Maar dan.
En dan zaten we doorgaans nog met 'ons soort mensen' in zo'n jury. Vaardige lezers, liefhebbers van fictie en poëzie, afijn, ons soort mensen. Vraag er mensen bij uit een heel andere categorie, pakweg een voetballer of piloot, en je krijgt heel andere discussies. Vraag er kinderen of jongeren bij: idem. In Duitsland zaten er een tijdlang jongeren, pakweg middelbare scholieren, bij de voornaamste kinderboekenprijs. Dat ging niet lekker en tenslotte werden het toch weer gescheiden jury's, waarbij de Jugendjury verdeeld is over lokale leesclubs, zoals ook in Vlaanderen wordt gedaan.

Stap even over naar een ander kunstdomein (literatuur is kunst, weet je nog) en bezoek een museum vol schilderijen of beelden (of allebei). Probeer daar samen het allermooiste of 'allerbeste' uit te kiezen, liefst met een groepje. Veel plezier, ook met de uitleg achteraf. Vooral als er mensen met microfoons en camera's klaarstaan om je gezamenlijke mening meteen de wereld in te sturen.

Boekenkasten vol zijn er geschreven over de beoordeling van literatuur en andere kunsten. Doorgaans staat daar geen onzin in, het toont alleen hoe lastig het is. Mensen zoeken elkaar op maar willen zich ook onderscheiden. Ze delen smaak en opvattingen, maar soms niet of maar gedeeltelijk. Er bewegen zich smaakmakers door het publieke domein, mensen aan wier uitspraken enig gezag wordt toegekend. Maar aan de rand bewegen zich altijd rebellen, die de smaakmakers uitdagen.
Verhalen en poëzie zijn ingewikkelde kunstvormen, die raken aan taalvaardigheid, kennis, stijl, levenservaring, emotie. Het is een kunst op zich om boeiend over kunst te schrijven of te praten.

Laten we, als we ons al beschouwen als bevoegd om een oordeel te vellen, niet al te zelfgenoegzaam en zelfverzekerd uitlaten over (bijvoorbeeld) André het astronautje. Een flutverhaal? Akkoord, nu nog even uitleggen waarom.
Alleen heb ik daar even geen zin in. Tosca Menten heeft er vast ook geen zin in.
Jaap Friso deed gelukkig wel een poging. Want vóór het Kinderboekenweekprentenboek verscheen al een boek met die naam. Zie hier. Ik citeer de essentie, die iets meer voorstelt dan 'stelt weinig voor':

Zo’n soort verhaal dus, heel matig geschreven en zonder spanning, clou of overtuiging. Opvallend hoe hij het astronautje, dat eigenlijk niet zoveel presteert, als held neerzet. Dat kan ironisch bedoeld zijn maar dat komt er niet echt uit. En dat flauwe ‘de maan is misschien wel van kaas’-verhaal kan echt niet meer.

Van dat 'matig geschreven' toont Friso geen voorbeelden. Jammer. Maar ik heb niet de neiging om het tegendeel te gaan bewijzen. Daar telt mee dat Jaap Friso wel heel veel jeugdliteratuur heeft gelezen en dus dicht ik hem het vermogen toe om onderscheid te maken tussen 'matig' en beter geschreven verhalen.

Tot slot, hier de opsomming door Paul Onkenhout van Bekende Nederlanders die zich recentelijk tot het schrijven van een kinderboek lieten verleiden:

Publiciteit is gegarandeerd, zoals de komende weken weer zal blijken als ter gelegenheid van de Kinderboekenweek boeken worden gepresenteerd van Humberto Tan (Pirouette in Paramaribo), André Kuipers (André het astronautje – Op zoek naar Laika) en Nicolette Kluijver (Dierenpret – Vrolijke versjes over het leven op de boerderij).

Ze zijn bepaald niet alleen. In de sectie cabaretiers vinden we naast Jochem Myjer ook Freek de Jonge, Viggo Waas, Youp van ’t Hek en Najib Amhali. Actrices doen het ook graag, kinderboeken schrijven: Katja Schuurman, Maryam Hassouni, Isa Hoes, Babette van Veen, Carice van Houten, Halina Reijn.

De groep tv-presentatoren en aanverwante beroepen is het omvangrijkst. Behalve Nicolette Kluijver en Humberto Tan schreven ook Kim-Lian van der Meij, Yvon Jaspers, Daphne Deckers, Ivo Niehe, Mies Bouwman, Myrna Goossen, Filemon Wesselink (De spin die veel scheetjes laat), Paul de Leeuw, Johnny de Mol en Winston Gerschtanowitz kinderboeken.

En dan zijn er nog de roddelaars (Albert Verlinde), politici (Ayaan Hirsi Ali, Erica Terpstra), zangers (Alain Clark), zangeressen (Angela Groothuizen, Edsilia Rombley), prinsessen (Laurentien), musicalsterren (Jim Bakkum) en ruimtevaarders (de reeds genoemde André Kuipers).

De verrassendste naam de afgelopen jaren was die van Wesley Sneijder, de voetballer die zich in 2016 aan een genre waagde dat meerdere BN’ers inspireerde: het sinterklaasboek. Dat van Sneijder heette – let vooral op de woordspeling – De strijd om de Scoorsteen.







maandag 3 september 2018

De stem en de schrijver

In mijn besprekingen wijs ik graag op de stem van de verteller. En dat de verteller van het verhaal (of het gedicht) niet vereenzelvigd moet worden met de schrijver, de naam die op het boek staat.
Dat kan soms wat kunstmatig zijn, maar is alleen al van belang omdat de schrijver verder leeft, en de verteller niet. Die blijft zoals-ie in dat ene kunstwerk is, gestold als het ware, tot het kunstwerk zo oud is dat er een bewerker opduikt, of tot er een vertaler opduikt die aan die stem een eigen accent geeft.

Daarom was ik blij met de column van Niña Weijers in De Groene Amsterdammer 30-8-2018 (p. 50).
Zoals het een columnist betaamt in het geheel niet wetenschappelijk, maar persoonlijk en treffend.
Ik ga die column hier niet reproduceren. Een citaat:

Mijn buitenkantleven is klein, en wat er zich aan de binnenkant afspeelt, daar valt verder niet over te praten (Baldwin: ‘I doubt whether anyone – myself at least – knows how to talk about writing’). Hoewel er op heel veel momenten ook schrikbarend weinig aan de binnenkant gebeurt. Soms lijkt mijn toestand op de zin waarmee een criticus destijds Becketts Waiting for Godot samenvatte: ‘Nothing happens, twice.’ Al was dat, volgens die criticus, iets positiefs.
Schrijven is niet moeilijk omdat een plot ingewikkeld is of een spanningsboog of dialogen of perspectiefwisselingen. Het is moeilijk vanwege dat spanningsveld tussen wel en niet willen weten. Intuïtie en intellect moeten ergens samenkomen op het papier, terwijl ze eigenlijk met elkaar in conflict zijn. Je moet zoeken naar een stem die alleen kan bestaan door er niet naar te zoeken, en alles wat ertoe doet bevindt zich ergens onder de bodem (Fitzgerald: ‘All good writing is swimming under water and holding your breath’). 
Wie dat niet meteen begrijpt, raad ik aan de column in zijn geheel te lezen.
De aanleiding was het verzoek om een lezing te geven over haar literatuuropvatting. Dat ging haar niet makkelijk af:

Aan Baldwin moest ik denken toen ik de afgelopen dagen schreef aan een lezing die moest gaan over mijn literatuuropvatting. Of ja, schreef – veruit de meeste energie ging op aan verzet tegen het schrijven. Het is leuk, en soms zelfs belangrijk (voor jezelf; de wereld heeft er verder weinig aan), om na te denken over wat literatuur wel en niet moet zijn, maar niet als je een boek aan het schrijven bent. Hoe hooggestemd je idealen ook zijn: als je een boek schrijft kun je helemaal niet bezig zijn met die idealen. Die komen na afloop weer, en vormen zich hooguit naar het boek dat je net hebt geschreven.

Heel treffend. In haar column komt dat laatste stukje tekst overigens vóór het eerstgeciteerde.


woensdag 12 oktober 2016

Ach ja, de jaren zeventig

Ik had Literatuur zonder leeftijd aflevering 100 al gerecenseerd, terwijl aflevering 99 nog lag te wachten. Vreemd, maar waar.
Niettemin biedt aflevering 99 ook veel lezenswaardigs. Het thema: jeugdliteratuur in de jaren zeventig, volgens de redactionele inleiding (door Helma van Lierop-Debrauwer) de 'kraamkamer van de hedendaagse jeugdliteratuur'.
Een krachtige uitdrukking, waarmee alle jeugdliteratuur van vóór die jaren tot ongeboren spul wordt verklaard. Nou ja, zo bedoelde ze het natuurlijk niet, wel dat de jeugdliteratuur zoals die er nu uitziet zo ongeveer in die tijd vorm kreeg. 'Wij blikken dus volop terug in dit nummer.'

Grappig dat er zowel wordt teruggeblikt door mensen die die jaren hebben meegemaakt als door mensen die toen nog kind waren of later werden geboren, zoals Sara Van den Bossche, die schrijft over 'de jaren zeventig als bakermat van het ideologiekritisch jeugdliteratuuronderzoek in Nederland en Vlaanderen'. Eric Hulsens (zie ook hier), Lea Dasberg, Peter van den Hoven...
Of Eefje Buenen, die schrijft over 'de wedergeboorte van de historische jeugdroman', over Thea Beckman. Eefje is voor mij de verpersoonlijking van de jonge garde: zij startte haar loopbaan op kinderboekenvlak met artikelen in Leesgoed, het tijdschrift dat ik van 1977 tot en met 2010 onder mijn hoede had.
Of zij met meer distantie terugblikken dan de oudere garde?
In ieder geval ontbreken bij hen persoonlijke ervaringen zoals Joke Linders die beschrijft in 'een persoonlijke visie op een decennium met veel gezichten'. Zij eindigt zo:

De ware emancipatie, dat wil zeggen streven naar een volwaardige plaats in de samenleving vanuit een achtergestelde positie, heeft de meeste kans van slagen als die van binnenuit komt, in dit geval dus vanuit de kinderboekenschrijvers en -illustratoren zelf. Vanuit mijn bejaarde uitkijktoren heb ik de indruk dat de jaren zeventig de voorwaarden hebben geleverd om het kinderboek rijker, veelzijdiger, interessanter en geëmancipeerder te maken. Of ik daar gelijk in heb, zal de tijd bewijzen. De verschillende deelstudies in dit themanummer van Literatuur zonder leeftijd kunnen de inzichten van de lezer op dit punt wellicht verder helpen.

Voorzichtiger zou ik het niet kunnen opschrijven.

In mijn eigen bijdrage aan deze aflevering, 'Verbeter de wereld en begin met het kinderboek, terugblik op "de werkgroepen"', (ook met persoonlijke terugblikken...) was ik iets stelliger.

Nogmaals, het lijkt me buiten kijf vaststaan dat de werkgroepen het kritisch denken over kinderboeken in de jaren ’70 en ’80 flink gestimuleerd hebben, in het kielzog van andere maatschappelijke ontwikkelingen.

En daarop liet ik de volgende slotpassage volgen:

Inmiddels kan eveneens worden vastgesteld dat deze ontwikkelingen plaatsvonden in een periode van stijgende welvaart, waarin bovendien de boekdruktechniek zich spectaculair ontwikkelde en daardoor bijvoorbeeld steeds mooiere prentenboeken voortbracht. Er werden steeds meer boeken verkocht en de bibliotheken hadden middelen om met kracht aan leesbevordering te doen. De jeugdliteratuur ging steeds meer variatie vertonen. En dat kinderboeken een belangrijke rol kunnen spelen in het leesonderwijs is daardoor inmiddels ook een algemeen gedeeld inzicht, een project als ‘Bibliotheek op school’ speelt daar goed op in.

Helaas stijgt de laatste decennia de welvaart niet meer (behalve voor de happy few), boekverkopen zakken per jaar, de gemiddelde boekomloop wordt steeds korter en in de bibliotheken is zeer fors bezuinigd. Uitgeverijen moeten hard aan de weg timmeren om te kunnen voortbestaan en wagen zich niet meer zo makkelijk aan uitgeefavonturen met ongewisse opbrengst. 
We mogen ons gelukkig prijzen dat er nog steeds een gestage stroom aan goede jeugdliteratuur verschijnt, van betrokken en hun kunst serieus nemende auteurs en illustratoren en hun uitgevers, maar onvermijdelijk is er ook een berg boeken die geen ander doel lijken te hebben dan de uitgeverijen (niet toevallig vaak onderdeel van grote bedrijven) draaiend te houden. Op zijn best nog braaf werk, maar inderdaad ‘zo voorzichtig allemaal dat we soms denken, waar hebben we nu in vredesnaam voor gestreden’ (...).


Genoeg reden om niet tevreden achterover te leunen, terugkijkend op al die prachtige boeken die er sinds de jaren ’70 zijn verschenen, maar de vinger aan de pols te houden, de krenten uit de pap onder de aandacht te brengen en van tijd tot tijd die pap zelf eens goed te zeven. Werk aan de winkel voor een kritisch tijdschrift.

Dat laatste is natuurlijk een hint voor de redactie van LZL, zoals Literatuur zonder leeftijd in kinderboekkringen kortweg wordt genoemd.
En wie wil weten wie of wat er wordt bedoeld met 'de werkgroepen', zal het artikel moeten lezen...

Er staan uiteraard nog veel meer lezenswaardige bijdrage in deze aflevering. Ik noem:
- Bea Ros over 'criteria bij bekroningen in de zeventiger jaren'. Zoals ik in mijn recensie van LZL 100 al schreef: 'Ik begrijp dat we binnenkort een promotie-onderzoek van haar mogen verwachten over 'de jeugdliteraire kritiek in dagbladen in de periode 1950-2015'. Ik zie er naar uit.'

- Harry Bekkering, die zich afvraagt 'Hoe "jaren zeventig" is Madelief eigenlijk?'. Niet heel erg, vindt hij, veel werk van Guus Kuijer is 'tijdloos', met name Krassen in het tafelblad.

- Sanne Parlevliet (nog iemand van de jongere garde) met 'Wie weet waren ze het niet, Wim Hofman debuteert met drie boeken vol grillige fantasie'.

- Lieke van Duin over Peter van Gestel, onder de mooie kop 'Er komt godzijgeprezen geen normaal kind in voor', Een citaat van de beschreven auteur uiteraard, uit 1985.

- Anne de Vries over de liedjes van het Schrijverscollectief, met de fraaie openingszinnen:

De belangrijkste kinderpoëzie van de jaren zeventig werd destijds niet als poëzie opgemerkt. Het ging om liedjes voor televisieprogramma's en die worden nu eenmaal niet op de literatuurpagina gerecenseerd.

Maar, merkt hij terecht op:

Wie aan deze kinderpoëzie voorbijgaat, krijgt een vertekend beeld van het klimaat van de jeugdliteratuur van de jaren zeventig.

Zo is 't maar net.

- Karen Woets over het 'tijdgebonden succes van Henk Barnard'. Tijdgebonden, want zijn werk zou meer een pamflet zijn dan woordkunst. Voor de inhoud van dat pamflet kan Karen Woets echter wel waardering opbrengen.

En zo nog wat artikelen.

LZL is, zoals ik in menig eerdere recensie al schreef, geen periodiek voor wie voor zijn of haar beroepspraktijk naar relevante titels van of informatie over kinderboeken zoekt. Zo'n lezer zal overdonderd worden en kan bij gebrek aan ander periodiek beter terecht in de bibliotheek of (kinder)boekwinkel.
Het is een periodiek met academische ambitie, met vaak lange, doorwrochte artikelen. Hier wordt vaker wetenschap bedreven dan wetenschapsjournalistiek, hoewel dat in dit themanummer nogal meevalt - of tegenvalt, 't is maar wat je verlangt.
Maar voor wie eenmaal 'in de kinderboeken' zit, is het een onmisbare uitgave.



Abonnement op LZL? Prijzen 'zijn in 2017 als volgt: Instellingen 47,50; Particulieren 34,50; Studenten 24,25 (bewijs van inschrijving meesturen; moet elk jaar vernieuwd worden). Abonnementen gaan in per volledig kalenderjaar (reeds verschenen nummers worden toegezonden).'
Voor die prijs krijg je drie afleveringen per jaar, bij elkaar ruim 700 pagina's.
Losse nummers? 'Bestellingen voor losse nummers (19,95 euro per stuk) en abonnementen kunnen gericht worden aan het secretariaat van IBBY-Nederland.' ISBN LZL 99: 978 90 6167 275 9.
De ontwerpen voor het omslag zijn van Ted van Lieshout.








woensdag 8 juli 2015

Een egel op het graf is beter dan een tyrannosaurus in het krijt

Voor de komende update van de website horend bij Verborgen talenten (waarvan net een eerste bijdruk verscheen, met hier en daar correcties) ontving ik verscheidene boeken.
Daaronder twee die ik vergelijkende aandacht waard vind.
Over de dinosaurus en andere prehistorische dieren, encyclopedie voor jong en oud ziet er indrukwekkend uit. Er is veel goud gebruikt in de belettering (en op de schutbladen), er is een leeslint, het buigzame omslag voelt ondanks de plastificering prettig aan en het staat vol afbeeldingen. Achterin zijn een register en een begrippenlijst te vinden. 'Een geweldige encyclopedie over de wereld van de meest fantastische uitgestorven wezens', jubelt de achterkant.
We gingen achter hamsters aan, mee met de ambulance van Bibi Dumon Tak ziet er uit als een doorsnee-kinderboek, met een solide, harde en geplastificeerde band. 'De dierenambulance helpt alle dieren in nood. Bibi Dumon Tak meldde zich aan als vrijwilligster en schreef er een boek over', meldt de achterkant. Bij doorbladeren zie je al snel dat er wat doffe, zwartwit foto's in staan.

Tot zover de eerste indruk.
Nadere inspectie leert meteen dat wat betreft Over de dinosaurus mensen kennelijk tot de 'fantastische uitgestorven wezens' en de 'andere prehistorische dieren' mogen worden gerekend, want die worden behandeld op p. 244-245 - althans, de voorlopers van homo sapiens. Het boek start dus met wat slordigheden, maar het blijft, zo mogen we geloven, 'een wetenschappelijk verantwoord naslagwerk voor thuis en op school'.
Achterop Achter hamsters aan staat zoals al geciteerd precies wat het boek inhoudt. We mogen geloven dat 'alle verhalen spannend, ontroerend en soms zelfs grappig' zijn, 'niet verzonnen, maar stuk voor stuk WAARGEBEURD!'. Bij dat van dat spannend enzovoort denk ik, dat maak ik zelf wel uit, maar voor het overige klopt het. Wel vraag ik me af hoe het kan dat er achterop een boek uit 2014 geciteerd wordt uit een recensie in Leesgoed, een tijdschrift dat (helaas) eind 2012 ophield. Enig speuren bracht aan het licht dat het citaat niet uit Leesgoed maar uit Kidsweek komt.




Ik begin met het sjieke boek. Wie het schreef staat niet vermeld, wel dat dr. Douglas Palmer wetenschappelijk advies gaf. Dat is verrassend, want Amazon.com vermeldt bij de oorspronkelijke editie Douglas Palmer als auteur, en dan nog een die vermeld staat bij veel andere (non-fictie) boeken.
De inhoudsopgave toont acht hoofdstukken: Oude werelden, Vissen, Amfibieën, Vroege reptielen, Dinosauriërs, Vogeldinosauriërs, Synapsiden, Zoogdieren. Ik heb er verbaasd naar zitten kijken, want om te beginnen dacht ik dat het over één wereld ging, de onze. Maar 't is overdrachtelijk bedoeld, natuurlijk.
Het eerste hoofdstuk start, tegen de achtergrond van een donderbui boven een rokende en lava uitspuwende vulkaan in een stenig landschap, met de mededeling die je goed moet lezen:




Als dit de voorgeschiedenis van onze planeet is, wat is dan de geschiedenis? Afijn.
Ik sla de bladzijde om en zie een tijdlijn. Niet van 4,5 miljard jaar, zoals ik verwachtte, maar vanaf ongeveer 500 miljoen jaar geleden, vanaf het Cambrium. Waar bleven de overige vier miljard jaar?
Uit de toelichting (p. 8-9) begrijp ik dat ik kijk naar het Fanerozoïcum, waarin het allereerste leven op aarde verscheen en dat begint met het Cambrium. Dat is een tijdperk en het Fanerozoïcum een eon, die of dat weer onderverdeeld blijkt in drie era's. Veel geleerd op 2 pagina's, maar ik moest er wel wat moeite voor doen.
Op de volgende twee bladzijdes (10-11) wordt me uitgelegd hoe de aarde is ontstaan, terug in de tijd dus, met in de bijschriften wat aarzelingen: 'misschien', 'geleerden denken', 'wetenschappers denken' (wat is het verschil?), 'geologen weten nog altijd niet zeker', bij plaatjes (zie onder) die onbegrijpelijk zijn zonder die bijschriften, en dan nog.

Op de hiernavolgende bladzijden wordt me verteld dat de 'oudste fossiele overblijfselen van leven op aarde zijn gevonden in rotsen die zo'n 3,5 miljard jaar geleden op de zeebodem gevormd werden'. 'Primitieve algen en bacteriën.'
Hè? Het leven ontstond toch pas een half miljard jaar geleden, volgens p. 8?
Op p. 14 begin ik echt te betreuren dat die tijdlijn zo kort was, want daar worden twee nieuwe periodes voorgesteld, het Ediacarum als 'laatste deel' van het Precambrium en hoe lang dat duurde, daarnaar moet ik raden. Op de onderste helft van de bladzijden worden wat beesten aan mij voorgesteld: Springgina, Charnia, Ernietta en anderen. Aangenaam kennismaken, maar waarom juist deze beesten? Helaas, en dat geldt ook voor de andere pagina's tot en met de apen op p. 240-241, wordt mij niet uitgelegd of dit a) álle gevonden soorten zijn, of b) de meest voorkomende, of c) de meest bijzondere (en waarom dan), of d) een willekeurige greep.
Tevens begint op p. 15 een eerste van een reeks plaatjes over 'veranderende continenten'. Uit dit eerste plaatje werd ik meteen al niet wijs. Kijk en lees even mee:



Waar ligt Pannotia?

Wordt ook op p. 16 niet duidelijk, en daar is de begeleidende tekst al heel vreemd:



Ook op p. 19 blijft Pannotia voor ons verborgen.



Daarentegen drijft er vanaf het begin een land Gondwana mee in de zee. Dat wordt niet toegelicht. Deze plaatjes zijn onbegrijpelijk. Waarom niet de moeite genomen om een simpele animatie op internet te zetten? Er zijn er al, bijvoorbeeld hier of hier, of in omgekeerde volgorde (van nu naar ooit, in de toekomst) hier.

Twee conclusies: de uitleg over bewegende continenten is slecht en de pagina in pagina uit voorthobbelende reeks beesten (over planten vermeldt dit boek erg weinig!) lijkt veelal een willekeurige greep, zie boven.
Maar er hoort een derde bij: soms is het verband tussen de tekst en de afgebeelde beestenreeks onbegrijpelijk. Ik neem p. 25 als voorbeeld.




Vergeefs zocht ik naar de 'duizendpootachtige geleedpotigen' op de afbeelding (die zich ook uitstrekt op p. 24, maar dat kan mijn scanner niet aan, sorry), en ik moet ernaar raden of die Bothriolepis nu zo'n voorbeeld is van een vis met 'gespierde vinnen'. Op p. 27 staat wel een miljoenpoot afgebeeld, maar ja, wat moet ik daarmee? En met die Pulmonoscorpius ernaast, die een landschorpioen lijkt terwijl de tekst erboven rept over 'eurypteriden (zeeschorpioenen)'? En wat zijn (p. 26) 'reptielachtige voorlopers van zoogdieren' precies? (Wordt pas op p. 178 e.v. uitgelegd.) Wat moet ik met mededelingen (ook p. 26) als dat 'het landschap werd gedomineerd door planteneters die door vleeseters werden belaagd. Gepantserde amfibieën leefden zij aan zij met de hagedisachtige Milleretta.' (Die Milleretta staat eronder afgebeeld, dat dan weer wel.) Overigens wordt ook nergens uitgelegd hoe die dieren aan hun schilderachtige namen komen.

Ik kan zo doorgaan. Er valt heus wel iets te zien in, leren uit en na te slaan in dit boek, maar ondanks het sjieke uiterlijk en het register plus begrippenlijst is het geen goed boek. Dit kan echt veel beter.




In vergelijking met het voorgaande boek oogt We gingen achter hamsters aan heel gewoontjes. De foto's zijn zwartwit kiekjes. Dat wordt uitgelegd: 'De meeste foto's in dit boek heb ik zelf gemaakt, met mijn telefoon. De foto's zijn snel gemaakt om het dier niet te veel te storen.' De bijschriften bij de foto's zijn to the point. Neem bijvoorbeeld Lina, p. 7:




Duidelijk. En niet alleen dat, het bijschrift betrekt mij onmiddellijk bij het verhaal en zo gaat dat met alle foto's en bijschriften in dit boek. Ze staan ook op de goede plek. De pagina's mogen dan enkel in zwart gedrukt zijn, de paginanummers zijn wel voorzien van een vignet dat het soort dier afbeeldt waarover het hoofdstuk gaat en de hoofdstuktitel staat ernaast. Dat maakt bladeren makkelijk. Aan het eind van elk hoofdstuk staat nog wat uitleg. Zo bijvoorbeeld:



Dit stukje toont nog iets anders: het is buitengewoon vlot en begrijpelijk geschreven.
Dat geldt voor de hele tekst. Hij laat zich lekker voorlezen! Er hoeft niets uitgelegd of opgezocht te worden. Voordat ik het wist, zat ik naast de verteller in de ambulance en, om de recensent van Kidsweek (en dus niet Leesgoed) te parafraseren, reisde ik eerste klas mee en werkte ik mee aan de redding van meer dan één rode kater, een in het nauw gedreven kat en haar jonkies, van duiven, een vleermuis, een schildpad, een reiger, honden en wat niet al. En ik raakte vanzelf gehecht aan de types die de ambulances bevolken, van kattenliefhebster Rosie tot de 'nerd' Pier, die zo lang is dat hij opgevouwen achter het stuur zit, en hoopte mee dat 'de Een' (wagen) het toch weer zou doen.
Leuk ook dat ze met die egels, op zoek naar een mooi plekje, terecht kwamen op begraafplaats Zorgvlied.

'Tinke liet hem instappen en zo reden we even later tussen de graven door op zoek naar een mooie plek.
"Hé!", riep Tinke ineens. Ze wees naar een kleurige steen. "Dat is het graf van mijn lievelingsschrijfster."
Ik zag bloemen en een lantaarntje en de naam Annie M.G. Schmidt.
"De mijne ook," zei de beheerder.
"Dan laten we hier de egels vrij," zei Tinke, "ik weet zeker dat we haar daar heel gelukkig mee maken."
We stapten uit en zetten de kooi met de egeltjes boven op het graf van de schrijfster van Jip en Janneke. Omdat de zon fel brandde durfden ze er eerst niet uit toen we het deurtje openzetten. Egels worden pas in de schemer actief, dus brachten we ze naar een donker plekje achter het graf, Daar scharrelden ze eerst wat tussen de dorre bladeren voordat ze in het kreupelhout verdwenen.'

Als directeur van de Amsterdamse dierenambulance zou ik heel erg blij zijn met zo'n boek. Onbegrijpelijk dat het op de website niet wordt genoemd.
Ik heb de met een Griffel bekroonde non-fictie boeken (nog) niet gelezen, maar verbaas me er bij voorbaat al over dat dit boek niet is bekroond, zelfs geen Vlag-en-Wimpel kreeg. Die wel bekroonde boeken moeten dan wel heel erg goed zijn.

In het verleden gebruikte ik wel eens dit lijstje criteria:
Beoordelen non-fictie voor kinderen, 10 criteria voor het beoordelen van non-fictie:

1. Beschrijft de titel waar het boek over gaat?
2. Staat er op de achterkant een adequate beschrijving, begrijpelijk ook voor de veronderstelde lezer? Wekt die beschrijving op tot lezen?
3. Is de indeling helder? D.w.z., kan de veronderstelde lezer uit de hoofdstuktitels een structuur afleiden, een pad om te gaan?
4. Is er een index? Een woordenlijst? Zo ja, zijn die echt nodig en adequaat? (Dat betekent dat je in de tekst geen moeilijke woorden tegenkomt die niet in de woordenlijst verklaard worden.) Zo nee, worden de moeilijke woorden die er eventueel toch zijn in de tekst verklaard?
5. Is de tekst afgestemd op de veronderstelde lezer? (Dus: niet te moeilijk, maar ook niet te makkelijk of kinderlijk.) Wekt de tekst op tot doorlezen? Is de lay-out helder? De letter groot genoeg?
6. Worden er voldoende afbeeldingen geboden van in de tekst genoemde concrete (d.w.z. niet abstracte) zaken, zoals gebouwen, dieren, planten, kostuums, gerechten e.d.?
7. Omgekeerd, hebben de afbeeldingen zin? D.w.z., sluiten ze aan bij de tekst, wordt ernaar verwezen? Zo niet, verklaart een bijschrift de aanwezigheid van de afbeelding? Zijn de bijschriften leesbaar (letter groot genoeg) en begrijpelijk?
8. Zijn de afbeeldingen goed afgedrukt en helder, beelden ze inderdaad dat af waarnaar verwezen wordt?
9. Worden passages met getallen verhelderd door tabelletjes (ook: tijdlijnen)?
10. Last but not least en het lastigst te beoordelen: is de tekst juist? Is de geboden informatie evenwicht en met de juiste afstand c.q. onpartijdigheid beschreven?

Ik zal nu niet criterium voor criterium nalopen, maar het mag duidelijk zijn dat toepassing op beide besproken boeken een onvoldoende oplevert voor de tyrannosaurus (Over de dinosaurus en andere prehistorische dieren) in het Krijt en een dikke voldoende, nu ja, zeg maar uitmuntend, voor de egel op het graf van Annie M.G. Schmidt (We gingen achter hamsters aan).

NB. Bij nader inzien weet ik niet of ik die dino's wel ontving voor Verborgen talenten. Ik vermoed dat ik het zelf een tijd geleden heb aangevraagd.


[Douglas Palmer.] Over de dinosaurus en andere prehistorische dieren, encyclopedie voor jong en oud. Gottmer, 2015. ISBN 978 90 257 5998 8, 256 p. Oorspr.: Children's Dinosaur and Prehistoric Animal Encyclopedia, Marshall, 2014. Vormgeving: Marisa Renzullo en Malcolm Parchment.

Bibi Dumon Tak. We gingen achter hamsters aan, mee met de ambulance. Querido, 2014. ISBN 978 90 451 1718 8, 270 p.

NB, d.d. 23-09-2015. Op deze dag ontving ik de aankondiging van een vervolg: We gingen op krokodillenjacht, mee met de ambulance.