Zoeken in deze blog

donderdag 15 juli 2021

Praten tegen de maan

Leen een nog te bespreken boek liever niet uit. Voordat je het weet, ben je vergeten dat je het nog zou bespreken.
Dat overkwam me met Het verloren meisje van S.E. Durrant en ik had het uitgeleend omdat ik het lezenswaardig vond.
 
Verteller is Iris, een meisje van elf dat tijdelijk woont bij oma Mimi.

Ik heb mams oude slaapkamer helemaal voor mezelf en er is geen spoor van vocht of langs de muren omhoogkruipende zwarte schimmel, zoals in mijn kamertje thuis. Er sijpelt ook geen water naar binnen bij de boeken. Het staat er alleen vol met Mimi's spullen, maar dat vind ik helemaal niet erg.

[...]
 
En ik hoef mam niet met een stuk toast in haar hand de deur uit te zien rennen omdat ze te laat is voor haar werk. Zodat ik ook niet meer bang hoef te zijn dat ze erin stikt op weg naar het ziekenhuis (ze is dokter) terwijl er niemand in de buurt is om haar te redden met de Heimlichgreep. (Voor het geval het je interesseert: de Heimlichgreep pas je toe als iemand bijna stikt. Ik heb hem geleerd nadat een van de tweeling een kerstbal probeerde door te slikken.)
 
Aldus hoofdstukje 2, 'Foute dingen, fijne dingen'. Ze mist haar lawaaiige tweelingbroertjes ook niet (op p. 93 legt ze nog eens haarfijn uit waarom) en

We eten als we honger krijgen, we praten wanneer we daar zin in hebben, we luisteren naar elkaar. We bakken taarten. We maken rommel. En we zitten op de bank om de miljoenen foto's te bekijken die ze heeft gemaakt toen ze nog fotograaf was. Het is maar tien minuten lopen naar het strand.
Dat zijn de fijne dingen.
De foute dingen zijn: de douche is koud, ik krijg niet altijd ontbijt en soms raakt er iets kwijt. Maar dat is het wel zo'n beetje. Meer fijn dus dan fout.

Ik liet wat fijne dingen ongeciteerd.
Er is ook een zeemeeuw waarmee de praat, en een buurjongen, Mason, die ze eerst niet zo mag maar met wie ze later toch bevriend raakt, al wil ze het zelf niet zo noemen. Ze kende hem al.

Het is de jongen die twee weken geleden bij ons op school kwam, de jongen die papieren vliegtuigjes door de klas gooit als juf Sharma niet kijkt, die grapjes maakt waar niemand om lacht, die altijd alleen naar huis gaat.
 
We zijn dan op p. 11, in het vierde hoofdstukje (van de vele tientallen, ik heb ze niet geteld maar schat rond 150)  en weten al heel wat.
Verder zagen we dat deze verteller niet schroomt om haar lezers af en toe rechtstreeks aan te spreken. Ze schrijft bewust voor een onbekende lezer, dus ook voor ons, wat dit verhaal een beetje dagboek-achtig maakt, zonder dat het als zodanig wordt benoemd. Ze verstrekt ons van tijd tot tijd ook een lijst 'weetjes', zoals op p. 14-15 over Mimi.
Dat ze voor een elfjarige wel heel vaardig en levendig schrijft, hebben we dan al op de koop toe genomen. Dat mag dan wat ongeloofwaardig zijn, het maakt het lezen wel prettig. Ze maakt ons bondgenoot.

Die rommeligheid en Mimi's gewoonte om overal lintjes aan te binden en briefjes op te plakken zijn voortekenen van naderend onheil. Ook dat ze al op p. 20 even de weg kwijt is als ze naar het strand lopen. Dit soort incidentjes, zoals zout in de chocolademelk in plaats van suiker (p. 55) neemt gaandeweg toe, er is zelfs een moment waarop Mimi Iris even niet meer herkent. Ook praat ze tegen de maan, bijvoorbeeld op p. 101.

'Lieve maan,' zegt Mimi, 'Wat fijn om je weer eens te zien.'
Dit is zo pijnlijk. Ik verberg mijn gezicht in mijn handen en Mason doet hetzelfde. Het enige verschil is dat ik me probeer te verstoppen, terwijl hij zit te grinniken. Tusen mijn vingers door werp ik hem woedende blikken toe. Ik vraag me af of hij er ooit nog mee ophoudt.
Mimi blijft maar tegen de maan praten terwijl de kou zich als een bankschroef om ons heen klemt. Ze vertelt de maan over Corals armband en over het strand en onze meeuw en over Lola en Bonnie, en dat ze begonnen is aan de grote schoonmaak. Mason is uitgelachen. Hij heeft er genoeg van. Hij wil terug naar zijn slaapkamer.

Boven de haard hangt een foto van een meisje dat erg lijkt op Iris. Mimi noemt haar Coral, 'het verloren meisje' en ze zou op zee verdronken zijn. Legt Mimi uit op p. 31-32. 
Dat is niet zo, maar het zou zonde zijn als ik uit de doeken deed hoe het dan wel zit. Dat zoeken Iris en Mason namelijk uit en het leidt tot een prachtig en ontroerend laatste hoofdstukje. De beste samenvatting biedt Iris als die haar moeder vertelt hoe de zaak zit (p. 224-225).
Intussen is dan natuurlijk duidelijk dat Mimi licht aan het dementeren is. Niet heel erg, wel zo dat ze wat toezicht nodig heeft. Het verhaal biedt zeker jonge lezers een buitengewoon goed zicht op hoe dat gaat. Vooruit, nog één citaat, een heel hoofdstukje getiteld 'Erwten' (p. 93-94).

We maken een chocoladecake voor Mason. Mimi weegt de ingrediënten af en ik meng ze in een kom.
Mimi draagt een schort met gele linten aan de zakken en af en toe doet ze een dansje. Het gaat allemaal gesmeerd, tot ze een handje diepvrieserwten bij de eieren mikt. Kleine, groene balletjes zingen weg in het geel.
'Kijk eens hoe leuk,' zegt ze.
Het is verwarrend. Het ene moment sta ik eieren te kloppen voor een cake en het volgende moment ben ik een omelet aan het maken.
'Moeten er erwten in?' zeg ik.
Mimi knikt.
'Absoluut. Waarom zouden die er niet in gaan?'
'Omdat het een chocoladecake moet worden,' zeg ik. 'En daar doe je normaal gesproken geen erwten in.'
'O,' zegt ze.
We zijn eeuwen bezig om de erwten er weer uit te vissen en Mimi zegt al die tijd geen woord.

Zo heeft het verhaal als het ware twee thema's, twee rode draden. De een is weergegeven in de oorspronkelijke titel, Talking to the Moon. De ander in de titel van de Nederlandse vertaling: Het verloren meisje. Al zou dat eigenlijk Het gevonden meisje moeten zijn. Of die vertaling (door Margaretha van Andel) de oorspronkelijke tekst recht doet kan ik niet beoordelen, maar hij liet zich in ieder geval goed lezen.
 
 
S.E. Durrant. Het verloren meisje. Vertaling Margaretha van Andel. Lemniscaat, 2021. ISBN 978 90 477 1252 7, 236 p. Oorspr. titel: Talking to the Moon, 2020.

donderdag 8 juli 2021

Zwartwit

Vroeger kochten we zwartwit in papieren puntzakjes in het snoepwinkeltje op weg naar school. We aten het door er een vinger in te steken en die af te likken. Het poeder was overigens niet zwartwit, maar lichtbruin. Van zwartwit denken hadden we nog niet gehoord.

Dat kwam later, en de laatste jaren heviger dan ooit. Want nu verdeelt men alle mensen in zwart en wit, alsof tussentinten niet bestaan.
De witten zijn de daders, de zwarten de slachtoffers. Alsof er geen lichthuidige slachtoffers en donkerhuidige daders bestaan. Daders van wát, slachtoffers van wát? Onderdrukking, slavernij...
 
Ooit werden er mensen verhandeld aan de West-Afrikaanse kunst. Menselijke koopwaar, doorgaans donkerhuidig, aangeboden door donkerhuidige handelaren, gekocht door lichthuidige. 
De koopwaar die daar in West-Afrika werd gekocht, behandelde men niet zachtzinnig en hoewel het doel van de aanschaf wederom handel was, nu aan een andere kust, stierf een groot deel van de koopwaar. Hup, overboord.
De nieuwe eigenaars sprongen doorgaans al even grof om met hun bezit. Als je niet flink ranselde en ijselijk streng strafte, zou zijn bezit in opstand komen, vreesde de gemiddelde plantage-eigenaar.
Alle reden om van slachtoffers te spreken. En dat tot in de zoveelste generatie, kennelijk. Waardige slachtoffers, die het leed van voorouders met zich meedragen als een spandoek.
 
Niettemin: mensen in slavernij brengen is bijna zo oud als het mensdom zelf, vrees ik. In ieder geval zo oud als de Bijbelverhalen. Aan de Barbarijse kusten handelde men tot in de 19e eeuw in slaven - zowel licht- als donkerhuidige. Menig Europees zeeman eindigde daar als slaaf zijn leven, als hij niet werd teruggekocht.
 
Het verschijnsel slavernij is niet zo zwartwit als hier en daar wordt verkondigd.
Dus word ik wat triestig van de meningen en neigingen zoals beschreven in 'Jouw huis is mijn huis', onderkop 'Diversiteit op kunstacademies', in De Groene Amsterdammer 1-7-2021, door Rory de Groot. Wat een slachtofferdom spreekt er uit. Wat een omzichtigheid. Zo'n 'eindexamenstuk' als dat van Nagaré Willemsen, tja, de lezing mag indruk maken maar waar is de kunst? O pardon, het was een performance... Enfin, ze is 'optimistisch':

'Er is iets in beweging gezet en die beweging is niet meer terug te draaien. We zullen geduld moeten hebben als we het echt goed willen aanpakken. Stap voor stap, of we nu willen of niet. Het heeft honderden jaren geduurd voordat we op het punt zijn gekomen waar we nu staan. Nu verwachten dat we alles binnen een jaar veranderen, is een illusie. En dat hoeft ook niet. Ik bedoel: wat is tien jaar op eeuwen van onderdrukking?'

Dit gaat dan over institutioneel racisme en inclusiviteit. Niet over de vraag wat kunst is en wat goede kunst is. De huidskleur van de kunstenaar (in spe, het is een academie) lijkt belangrijker geworden dan haar of zijn kunst. Was het zo erg aan die academie?
Ja, zo erg kan het soms zijn als je er last van hebt dat je er anders uitziet dan het merendeel. Rory de Groot citeert nog een student:

'Ik was dat jaar de enige student van kleur binnen de hele opleiding. Ik voelde me in die periode vaak eenzaam en worstelde heel erg met mijn plek binnen de academie. Wie was ik als student op ArtEZ? In Rotterdam was ik me ook wel bewust van mijn huidskleur, maar in Arnhem voelde het alsof dat het enige was dat telde. Mijn anders-zijn werd constant benadrukt, in alles.'
 
Ja, dat voelt vast net zo apart als wanneer je als enige lichthuidige over een markt vol donkerhuidigen loopt, in een land waar mensen doorgaans een donkere huid hebben. Dat valt op, zeker. 'Hé blanc, hé, venez ici, ici!' hoorde ik de marktkooplieden in Parakou roepen, in 1991, om mijn aandacht te vestigen op hun koopwaar.
'Mijn anders-zijn werd constant benadrukt, in alles', lijdende vorm, maar wie was de actor? Wie waren de actoren? Nog afgezien overigens van de vraag of je met een plek kunt worstelen.
 
Citaat van Arnon Grunberg, uit 'De witte jood' (kop in papieren krant) of 'De identiteit "mens" blijft een utopie' (online), NRC 8-7-2021:
 
Het waarlijk universalisme, of het nu afkomstig is van het christendom, het humanisme of het communisme, stuit altijd weer op de grenzen van de reëel bestaande burger, die dikwijls niet zo vreselijk zit te wachten op ongebreidelde en ongelimiteerde solidariteit.
 
Maar dan heeft hij het nog over universalisme, een term die hij niet verder uitlegt maar ik zo wel denk te begrijpen: het idee dat je met alle mensen samen de wereld deelt en het daarmee dus zodanig moet zien te rooien dat iedereen een beetje prettig leven heeft, bijvoorbeeld door de Gulden Leefregel toe te passen.
Dat gaat voor veel slachtoffers kennelijk iets te ver. Voor daders ging het a priori te ver.

Nog een fraai citaat van Grunberg, uit hetzelfde artikel:
 
Wat is dat rare ding eigenlijk dat we identiteit noemen? Dat ding is een mechanisme dat vijanden en vijandbeelden produceert. Identiteit sluit namelijk altijd uit. Wie het een is kan niet, of slechts met grote moeite, het tegenovergestelde zijn.
En in een cultuur die slachtofferschap beloont, wat begrijpelijk is maar wat ook perverterende neveneffecten heeft, wordt slachtofferschap aantrekkelijk. 

En gaat zelfs iets als slachtoffercompetitie plaatsvinden: wie heeft het ergste geleden...

Wie staat er wel eens bij stil dat er heel weinig echt witte of zwarte mensen zijn? Verreweg de meeste mensen hebben een huidskleur die varieert van chocola puur tot koffie met heel veel melk (soms met roze varianten). Ook ogen, neuzen en lippen zijn er in vele variaties.

Neemt niet weg dat je er, denk ik, knap mee kan zitten als je uiterlijk erg afwijkt van de mensen om je heen, vooral als je eigenlijk niet zo wil opvallen. Ook roodharigen kunnen daarover meepraten. En nog meer als aan zo'n uiterlijk allerlei eigenschappen worden toegekend, ook al raakt dat kant noch wal. Wijdheid en de Gulden regel kunnen uitkomst bieden, maar helaas zijn veel mensen bang, hechten daardoor aan vastigheden waaronder vooroordelen, en soms zijn ze niet goed wijs.
Het blijft tobben.

maandag 5 juli 2021

Het meisje van Sené

Een wetenschapsboek dat zich laat lezen als een boeiend verslag of vertoog: het gebeurt niet vaak. Eerder kwam ik Insectenrijk van Aglaia Bouma tegen: dat is zo'n boek. Niets meer of minder dan een liefdesverklaring aan het insect. Ik las het achter elkaar uit.

Nu kwam Sinagote op mijn weg. Een mooie vrouw met een kuifje, ...
... en ook witte veren en een snavel die aan een stel lepels doet denken. De ene helft van het jaar woont ze op de Wadden, de andere in Bretagne, vaak bij het dorpje Séné. Vandaar de naam, want in het Bretons betekent Sinagote het meisje van Séné. (De inwoners noemen zich Senagot of Sinagot, vandaar. Ook leuk trouwens om te weten dat een sinagot ook een scheepsmodel was, een zeilschip dat zijn oorsprong vond in Séné.)
Tenminste, ze woont daar als ze nog leeft. 
Ze werd geboren in 2006 en voor iemand van haar soort is ze dus niet zo jong meer. Maar ze leefde nog in 2020. Dat meldt de verteller in het gelijknamige boek, het product van een viertal auteurs.
 
Even ter zake voor wie niet zo thuis is in vogels: Sinagote is een lepelaar. De meeste lepelaars overwinteren in Zuid-Spanje of West-Afrika. Sinagote werd in 2006 geboren en zoals meer jonge lepelaars geringd. In 2013 kreeg ze bovendien een zendertje op haar rug. Dat was een experiment: zou ze er last van hebben? Slotsom: niet te merken, er waren zelfs mannelijke lepelaars die haar aantrekkelijk genoeg vonden om mee te paren. 
Door dat zendertje konden onderzoekers haar gangen goed volgen en zo deden ze verrassende ontdekkingen, bijvoorbeeld dat ze ieder jaar vaste kennissen opzocht, niet noodzakelijk partners. Ze had of heeft haar vaste gewoonten, maar wijkt daarvan regelmatig af. 
Ook durven de auteurs te stellen dat o.a. dit onderzoek toont dat vogels kunnen leren - van elkaar, van hun ouders. Dat bijvoorbeeld het vinden van de weg tijdens de trek niet louter berust op aangeboren maar ook op verworven kennis en vaardigheden.

Bijzonder aan dit boek is dat het zeer toegankelijk en levendig is geschreven. Wetenschapsjournalistiek van de bovenste plank.
 

Piersma, Theunis, Petra de Goeij, Willem Bouten & Carl Zuhorn. Sinagote, het levensverhaal van een lepelaar. Noordboek, 2021. ISBN 978 90 5615 722 7, 224 p.