Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label Annemarie van Haeringen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Annemarie van Haeringen. Alle posts tonen

dinsdag 4 augustus 2026

Kleurenfeestje

Er was eens een koning die jaloers was op zijn onderdanen. Die hadden de mooiste kleuren en hij enkel zwart en wit. Dat moest veranderen.
Hij beval zijn onderdanen hem hun kleuren te geven.
 
'Vanaf vandaag moet iedereen er net zo uitzien als ik,' commandeerde de koning.
'Waarom?' vroegen de dieren van schrik in koor.
'Ik vind het oneerlijk dat sommige dieren de prachtigste kleuren dragen en ik alleen zwart-wit,' antwoordde hij. 
'Ik wil ook in kleur, ik hoor de mooiste te zijn, ik ben de koning!'
 
En zo geschiedde. Je begrijpt, dit speelt zich af in dierenland. Fabeltje volgens beproefd patroon. De koning is een panda.



Alle dieren met mooie kleuren liepen vanaf dat moment in 'pandakostuum' rond. Alleen de ekster, de orka en de pinguïn hoefden niet te wisselen.


 
Maar niet alle kleuren en patronen bevielen de koning. Sterker nog, steeds minder.
 
Hij probeerde de mandril-outfit van de aap nog, maar hij vond het gênant.
En toen hij het pak van de naaktslak aantrok, was hij er klaar mee. 
Geschrokken keek de koning in de spiegel: 'Zo bloot, je ziet alles! Hoe kan iemand hierin leven?'
Voor het eerst in zijn bestaan bloosde hij.
 
De naaktslak fluisterde: 'U kunt zich natuurlijk ook onderscheiden door vriendelijk, voorkomend en beleefd te zijn. Dat zal meer opvallen dan een kakelbont velletje.'
 
De hele dierenwereld hield zijn adem in...
Beschaamd kroop de koning terug in zijn eigen vlekken.
 
En dat beviel hem ook nog eens.  


Het is zo uit, dit grappige verhaal van Annemarie van Haeringen voor kleuters van vier tot honderd. Het moet het hebben van haar prachtige prenten. Let ook op het kroontje.
 
 
 
Haeringen, Annemarie van. De kleur van de panda. Leopold, 2026. ISBN 978 90 258 8957 9, 28 p.    

zondag 3 augustus 2025

Velthuijsprijs voor Annemarie van Haeringen

Toen ik mijn loopbaan in de kinderboekenwereld begon was Annemarie van Haeringen een jong talent.
Ze viel op, ze bloeide op en werd meermaals bekroond.
Nu is haar dan de Max Velthuijs-prijs ten deel gevallen, op voordracht van een jury bestaande uit Henna Goudzand Nahar, Philip Hopman, Karst-Janneke Rogaar, Hedy Tjin en Veerle Vanden Bosch. Aan de prijs is een bedrag verbonden van € 60.000,- en de laureaat ontvangt daarnaast een oorkonde en een beeldje van Kikker, Velthuijs’ bekendste verhaalfiguur. Een niet mis te verstaan eerbetoon, het komt haar toe.
Zo te zien aan de foto op de site van het Literatuurmuseum is ze wat grijzer geworden sinds ik haar voor het laatst zag... maar op de foto's in de Volkskrant en NRC van 1 juli dit jaar oogt ze nog heel kwiek.

Eerder ging de prijs naar Mance Post (2007), Thé Tjong-Khing (2010), Wim Hofman (2013), Dick Bruna (2016), Sylvia Weve (2019) en Philip Hopman (2022).
 
Illustratie van Annemarie van Haeringen in Knappe Gans van Rindert Kromhout.

De prijs wordt in november uitgereikt.

zaterdag 5 oktober 2019

Poëzie? Bekijk de boodschap in het zand.

Laat een boodschap achter in het zand van Bibi Dumon Tak en Annemarie van Haeringen verscheen in 2018 en werd in 2019 bekroond met met een Zilveren Griffel in de categorie Poëzie, en door de Penseeljury met een Vlag-en-wimpel in de categorie Geïllustreerde kinderboeken.
Het is een mooi boekje, maar wie vindt dat poëzie gekenmerkt wordt door een speciaal ritme, komt er bedrogen mee uit. De tekst bestaat in feite uit proza dat in poëzieformaat is gedrukt, al komt er her en der rijm voor. Een voorbeeld uit ‘De giraf’ :

De giraf heeft een hart 
als een katapult. 
Bij iedere slag 
schiet het bloed, 
dat suist, dat giert, dat brult, 
door die eindeloze nek naar boven 
via aderen, vuistdik, 
en zo sterk als een ankertouw.

Feestelijk, weelderig en beeldend beschreven, maar niet echt poëzie, ondanks het rijmpaar katapult/brult. Laten we het houden op poëtisch proza. Zo dus:

De giraf heeft een hart als een katapult. Bij iedere slag schiet het bloed, dat suist, dat giert, dat brult, door die eindeloze nek naar boven via aderen, vuistdik, en zo sterk als een ankertouw.

Op de achterkant van het boek staat: ‘Bibi Dumon Tak schrijft informatieve boeken. Altijd over dieren. Altijd waargebeurd.’
Voor Bibi is het dus te hopen dat ze niet net een documentair boek over mensen in de maak heeft en overigens komen er best mensen in haar boeken voor. Zie bijvoorbeeld Het koeienparadijs. Verder moeten we dat waargebeurd met een korrel zout nemen, want de nek van een giraf is natuurlijk niet eindeloos. Wel erg lang.
Dat proza is soms weergegeven als een dialoog, soms als een soort verslag.



Zie bijvoorbeeld het begin van ‘De bongo’:

Zet je telefoon op stil
niet praten nu
geen beweging is nog toegestaan,
ssst!
Wie stapt daar schichtig door de nacht?
Het is de Afrikaanse bongo
een dier met lampjes op de wangen,
een dier met goudverf in zijn vacht.

Ook hier geldt dat je die lampjes en die goudverf niet letterlijk (informatief) moet nemen. Het kan zo lijken als je ’s nachts een felle lamp op het dier richt. Ook hier geldt dat dit nauwelijks poëzie is te noemen, wel heel beeldend proza.

Deze kanttekeningen daargelaten biedt dit boek natuurlijk wel een feestelijke introductie tot een twintigtal dieren, merkwaardig genoeg alleen evenhoevigen, op de tapir na, die hiertegen dan ook protest aantekent,...




... en één dier is lang geleden uitgestorven: de daeodon. De Pyreneese steenbok treedt ook op als uitgestorven (in 2000, de tekst is een In Memoriam), maar is een ondersoort van de Spaanse steenbok, en daarvan lopen er nog veel rond.
Een bijzonder boek dus, dit jaar bekroond in een merkwaardige categorie.
De illustraties van Annemarie van Haeringen zijn prachtig, niet-documentair, wel zeer passend bij de teksten.



Dumon Tak, Bibi, en Annemarie van Haeringen. Laat een boodschap achter in het zand. Querido, 2018. ISBN 978 90 214 1442 3.


dinsdag 25 juli 2017

Ossip

Ossip is een grappig klinkende naam, die niet vaak voorkomt. Hoeveel kinderen met Nederlands als moedertaal zullen weten dat het een echte voornaam is?
Het zou zomaar kunnen dat Ossip uit het prentenboek Ossip en de onverwachte reis van Annemarie van Haeringen hun eerste Ossip is.
En wat voor een! Zo klein als een plantje, met een lange rode hoed die lijkt op de grassprieten rondom hem.


Zijn woning deed me onmiddellijk denken aan een andere ooit bekende kleine figuur: Piggelmee. Die woonde met zijn vrouw in een Keulse pot. Hij mocht een wens doen van een tovervis, deed dat, maar zijn vrouw wou meer. Hij mocht opnieuw een wens doen enzovoort, tot de vis er genoeg van had en ze er weer net zo bij zaten als in het begin. Althans, zo ging het in het eerste verhaal over Piggelmee, Van het toovervischje, gebaseerd op Grimm's sprookje Van de visser en zijn vrouw. Een motief dat door Aarne-Thompson als nummer 555 vermeld wordt en dat allerlei varianten kent. (Ik herinner me er een waarin de laatste wens is dat die worst weer verdwijnt van de neus van de vrouw...)

Zo'n vrouw heeft Ossip niet. Hij woont alleen, maar hij bakt zijn zoete broodjes ook voor iemand anders. Wie, dat blijkt pas aan het eind van het verhaal. In ieder geval niet iemand met de kapsones van de vissersvrouw.
Ossip en de onverwachte reis is een typisch stapelverhaal, en de episoden zijn door een rode draad met elkaar verbonden, een rode draad die er al op de titelpagina is en die Ossip in de tweede prent vindt.

'Waar gaat het naartoe?'
Nieuwsgierig volgt Ossip het spoor.
De broodjes zijn toch nog niet afgekoeld.
Hij kan best even...



Zo begint een reeksje avonturen dat hem zelfs even op de tekentafel van zijn verteller brengt - waar hij zichzelf ziet in statu nascendi.

 

Met excuses voor de scans, het boek is groter dan mijn apparaat aankan, de onderkant kon er niet bij en de punt van Ossips muts verdween. Er staat dus méér op deze dubbelpaginaprent dan hier afgebeeld en ook de andere twee afbeeldingen zijn details. Aangezien álle prenten dubbelpaginaprenten zijn, houd ik het bij bovenstaande afbeeldingen. Ze zijn prachtig, uitbundig, stijlvast, expressief, vol kleine grapjes en mooie details.
Het loopt goed af, dit verhaal - ik vertel niet hoe. Een feestje voor mensen van 4 en ouder, dit boek. Het laat zich uitstekend voorlezen.


Annemarie van Haeringen. Ossip en de onverwachte reis. Leopold, 2017, ISBN 978 90 258 7298 4.



vrijdag 10 februari 2017

Een waterdicht plan

Het verhaal over Noach die alle dieren redde, is een heel oud verhaal uit het Midden-Oosten, en ook verhalen over grote overstromingen zijn talrijk.
Het zou kunnen zijn dat er enkele duizenden jaren geleden een meteoriet in de Indische Oceaan terecht kwam (zie de Burckle-krater)  die een enorme vloedgolf veroorzaakte. Geleerden die samenwerken in de Holocene Impact Working Group veronderstellen dit op grond van geografisch en geologisch onderzoek. Zij
'hebben de hypothese naar voren gebracht dat alle vloedlegenden als gevolg van deze inslag zijn ontstaan. Door alle oude vloedlegenden met elkaar te vergelijken kan opgemaakt worden dat de grote vloed begon op de morgen van 10 mei 2807 v. Chr.. Dat was in de periode van de inslag.

In deze periode vonden een aantal belangrijke gebeurtenissen plaats:

De Vroeg-Harappa-Ravi-fase van de Indusbeschaving eindigde;
In Sumer eindigde de regeerperiode van antediluviaanse koningen en begon de dynastie van Kish I;
De pre-Xia-dynastie van de Drie Soevereinen en de Vijf Oerkeizers begon rond 2850 v.Chr. (waarvan de eerste twee figuren Fuxi en Nüwa beschreven zijn als de overlevenden van de grote vloed en zo de voorouders van de mensheid);
Tijdens de regering van farao Semerchet (ca. 2900-2800 v.Chr.) vond volgens de geschiedschrijver Manetho een 'vreselijke ramp' plaats (maar zegt niet wat het was);
Volgens de Septuagint versie van Genesis vond de Zondvloed rond het jaar 3.000 v.Chr. plaats.'
(Zie ook: Recent Cosmic Impacts on Earth: Do Global Myths Reflect an Ancient Disaster? door Thomas F. King.)

Er was heel lang geleden al ene Atrahasis (Akkadisch: de wijze) die een rieten boot bouwde om te overleven. Warempel, ook in dit verhaal is er een boze god:

'Op een gegeven ogenblik zijn er zoveel mensen dat ze met hun lawaai de god Enlil uit zijn slaap houden. Deze besluit via de god Namtar de mensen een plaag te sturen. Dankzij de vrome Atrahasis houdt deze op. Na een tijdje maken de mensen echter weer te veel herrie naar de zin van Enlil. Ditmaal straft hij ze met een hongersnood. Deze wordt door de mensheid overleefd. Dan besluit Enlil drastischer maatregelen te nemen. Hij stuurt een zondvloed op de mensen af.'

Dat lijkt sterk op het overstromingsverhaal dat in het Gilgamesj-epos te vinden is. Op dit kleitablet:



Te vinden in het British Museum.
Ook in Afrika en India zijn overstromingsverhalen te vinden. De Masaï schijnen een verhaal te hebben over ene Tumbainot, die met vrouw, zonen en beesten ontsnapte aan een overstroming, veroorzaakt door, alweer, boze goden.

Noach (de naam schijnt rust te betekenen) komt voor in de Tenach, de Bijbel en de Koran. Met hetzelfde motief: een boze god, een overstroming, en een man die een schip bouwt met overlevende mensen en dieren.


Deze afbeelding komt uit de Jami' al-tawarikh (Het album van kronieken) van Rashid al-Din.

Volgens sommige soera's in de Koran en volgens de Thora zou Noachs bootje gestrand zijn op de Ararat, de berg die vroeger in Armenië lag en nu in Turkije ligt, waar hij Ağrı Dağı (spreek uit: Are Daj) wordt genoemd. Sommige diepgelovige christenen hebben dit verhaal overgenomen (zie o.a. hier), en hun wacht ter plekke desgewenst een mooi bouwsel, dat waarachtig door de oogharen bekeken iets van een boot heeft. Gidsen zijn zeer bereid om je tegen een bescheiden vergoeding erheen te loodsen. Zelf geloven ze er geen spat van.

Het is in ieder geval een typisch Middenoostenverhaal omdat mannen er de hoofdrol in spelen. Noach had een vrouw en drie zonen. Samen overleefden ze met al die beesten de zondvloed, en wij stammen dus allemaal van hen af. Hoe die zonen dat klaarspeelden, vermelden veel bewerkingen niet, maar de Bijbel wel: die zonen hadden wel degelijk hun (naamloze) vrouwen mee.

Er zijn onnoemelijk veel bewerkingen  van dit verhaal verschenen.

Onlangs hebben Annemarie van Haeringen en Gideon Samson daaraan een nieuwe toegevoegd: Alle dieren drijven.
Een groot prentenboek, waarvan de tekst aldus begint:

'Op een dag deed ik mijn ogen eens goed open.
Ik keek.
Ik schrok.
En ik begon te roepen.
Rommelmakers! Ruziezoekers! Rotzooitrappers!
Fluitende speren vlogen in het rond.
Kerels als beren rolden over de grond.

Hé! Hallo... HALLO!!!

Maar niemand wilde naar me luisteren.'

Een prachtig begin, want de verteller maakt zich niet bekend en dat blijft zo. Het blijft dus raden naar de aard van deze verteller. Het kan een regenboog zijn: hij of zij begint op de laatste pagina van het verhaal te stralen en we zien een regenboog. Of een van de twee namen op de voorkant...
Enfin, iedere lezer met iets minder argeloosheid vermoedt wie hier aan het woord is: God.

Hoe komt het verhaal op gang? Er is natuurlijk wél iemand die wil luisteren. Die krijgt evenmin een naam.




Aan zijn kleding kun je zien dat-ie niet van hier is, en verder zien we dat hij op een hoog punt staat en omhoog kijkt. Dat laatste zegt iets: die stem waarnaar hij luistert komt kennelijk van boven. Hij heeft zelfs een ladder bij zich, dus hij is naar boven geklommen en wie weet hoe ver hij wou reiken.

'We bouwden een plan.
Samen.
Ik was van het plan.
Hij was van het bouwen.'

We zien de man kijken naar een bos, bijl over de schouder.

'Het is een mooi plan, zei ik.
"Een waterdicht plan," zei de man.'



Fijn woordgrapje. We zien de man bezig de naden te dichten van wat heel waarschijnlijk een groot schip moet worden.
Zijn familie mag mee, en van alle dieren twee. Toen was het vol op 'onze boot' en begon het te regenen en bijna de hele wereld ging kopje-onder.
Op een gegeven moment vraagt de man aan een duif om te kijken of 'de bomen alweer boven water zijn'.

Ook een mooi grapje:

'Ik vond het sim bedacht van hem.
Ik was trots op mijn vriend.
Maar hij had het natuurlijk ook gewoon aan mij kunnen vragen.'

Voer voor theologen. Want ja, in veel bewerkingen, inclusief de Bijbel, slingert een god de ene na de andere opdracht naar de mensen, ook naar Noach, en nou zou hij zelf moeten uitvinden of er al ergens land in zicht was?
Dat theologisch grapje gaat nog door op de volgende pagina. Om de pret niet te bederven ga ik dat niet citeren.
Dit is een hele fijne bewerking van een bekend verhaal, met prachtige platen, en om die ten volle te genieten, zit er niets anders op dan het boek te kopen. Of desnoods lenen.



Annemarie van Haeringen & Gideon Samson. Alle dieren drijven. Leopold, 2017. ISBN 978 90 258 7217 5. 







maandag 14 maart 2016

Bibi's hemel

Een prachtig kleinood is het, Siens hemel van Bibi Dumon Tak en Annemarie van Haeringen.

Je hebt het zo uit. Ruim 730 woorden, 28 kleine bladzijden inclusief de schutbladen (die doen mee in het verhaal). Sien gaat dood (al in de eerste 33 woorden) en wordt begraven. Er is een vermoeden van een dubbele aanwezigheid: in de grond en in de hemel. Eén pagina, het colofon, doet niet mee aan het verhaal, maar vermeldt wel dat 'deze uitgave mede tot stand is gekomen met productiesteun van het Nederland Letterenfonds'. De titelpagina doet wel mee - en geeft naar mijn idee met de illustratie iets te veel weg.
Wie het boekje snel leest en dan weglegt, doet zichzelf en het boekje te kort.

Allereerst: wie is Sien? Een kat, dacht ik toen de voorkant op een afbeelding snel voorbijkwam, maar ik vergiste me: hond. Sien kijkt ons voorop het boek aan, op de achterkant keert ze ons de rug toe.

  


Ik vind dat mooi. Nog vóór ik de flaptekst heb gelezen en het boekje opensla, begrijp ik door de titel dat hier afscheid wordt genomen.

En wie het boekje openslaat, ziet dit:




Een donkere wolk tegen een witte achtergrond, aankondiging van zwaar weer.
Dat klopt, want nu lees ik na het omslaan van de bladzijde (en snel overslaan van de colofon- en  titelpagina) die eerste 33 woorden (tevens gebruikt als flaptekst):

Er stonden zwarte wolken aan de hemel toen Sien vertrok.
De lucht rommelde.
De regen trommelde.
Maar wij hoorden alleen hoe Siens laatste, allerlaatste adem over de rand van de mand heen woei.

Dat is prachtig poëtisch proza. Er is een tekening bij van een hond, Sien dus, die met haar kop over de rand van de mand hangt. In witte lijnen, op dezelfde zwarte achtergrond als de tekst. Helemaal zwart, die achtergrond, op een kleine paarse hoek na rechtsonder, ongeveer waar de meeste mensen een bladzijde omslaan.

Sla de pagina om, en je ziet dit:



Voor wie het niet kan lezen:

We lieten haar los, liepen naar het raam en gooiden het open.
We vingen de regen op in ons gezicht.
Heel even schoven de wolken uit elkaar, alsof ze Sien erdoor lieten, rechtstreeks de hemel in.

Voel de emotie die in deze woorden ligt. 'We lieten haar los.' (Dus hadden we haar vast...) Regen als tranen. Zie de hoop, geënt op een oud verhaal, dat vertelt dat onze zielen naar de hemel gaan en dat die prettige plek boven de wolken ligt. Voor het verhaal krijgt Sien hier ook zo'n ziel.
Zie hoe fraai dat in beeld is weergegeven. Dat oplichtende stukje blauw, herhaald in de rechter hoek.

Ik ga de volgende pagina's niet tonen. Die hoek rechtsonder wordt steeds groter en breidt zich uit over de bladzijden, met wisselende kleuren. Het zwart krijgt daardoor omtrekken - van Sien! Er verschijnen ineens ook allerlei tekeningetjes om dat zwart, van voorwerpen die, zo valt niet moeilijk te raden, met Sien te maken hebben, en ten slotte verschijnt ook Sien zelf spartelend en spelend rond haar eigen vorm. Geweldig gedaan!

Intussen komt in de tekst, na de getoonde bladzijden, Klein Broertje op het toneel. 'En nu?'
'We' pakken een deken, leggen Sien erop, brengen haar naar buiten, graven een gat en leggen haar daarin. Klein Broertje doet er nog een bal bij.

'Voor als ze daar wil spelen.'
Hij wees naar de hemel, waar de regen nog altijd uit viel alsof er nooit zon had bestaan.

Het blijft maar regenen. Klein Broertje wil weten of het boven de wolken ook regent. Nee, daar is het droog, antwoorden we. En waarom hij dat vraagt?

'Omdat', zei Klein Broertje, 'Sien anders dubbel nat zou worden: in de aarde én in de hemel daarboven.'

Klein Broertje heeft daarna nog veel meer vragen en we troosten hem en leggen hem tussen ons in te slapen.
De volgende morgen schijnt de zon. 'We' gaan naar buiten. Klein Broertje denkt geblaf te horen. En daarop komt een alleszins troostend, sprookjesachtig vervolg, want 'we' deden net alsof we luisterden, voor Klein Broertje, maar toen we naar boven keken,

hoorden wij het ook. Echt.

We hoorden geblaf.

Het kwam rechtstreeks vanuit de heldere, blauwe hemel.

En nee, daarmee is het verhaal nog niet af, want zie de allerlaatste schutbladen (na een andere mooie dubbelpagina-afbeelding die ik hier niet toon):




De wolk is nu hoopgevend licht, tegen de donkere achtergrond van verdriet.
Wie 'we' zijn, blijft wijs in het midden. 'We' kunnen iedereen zijn, ook ik, en alle lezers en voorlezers. Het helpt als er net een hond is gestorven, dichtbij, maar ook zonder zo'n voorval zal een goede voorlezer diepe indruk kunnen maken op een jonge luisteraar en kijker. Je hoeft echter niet jong te zijn om van dit boekje te genieten!

En die hemel? Ach, er zijn altijd wel ongelovigen die wat zullen sputteren. Ik vind, ook al ben ik niet zo opgevoed met dat oude verhaal, Bibi's hemel hier volkomen passen. Het is háár hemel, meer dan die van Sien, en ik vermoed dat er meer honden zijn die een plaatsje mogen krijgen in die hemel.

Ik schreef het al: een prachtig kleinood.

Dumon Tak, Bibi, & Annemarie van Haeringen. Siens hemel. Querido, 2016. ISBN 978 90 451 1905 2.