Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label Harrie Geelen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Harrie Geelen. Alle posts tonen

maandag 10 september 2018

Jaap won een prijs

Het lag me al enkele maanden aan te kijken, dit mooie prentenboek van Imme Dros & Harrie Geelen. Het verscheen in 2017, en tot mijn lichte verrassing kreeg het geen griffel, penseel of vlag-en-wimpel. Misschien omdat er al ettelijke prentenboeken van dit ijzersterke duo zijn verschenen in ongeveer dezelfde stijl? Of omdat het duo al met prijzen is overladen? Of omdat de dienstdoende jury's de wél bekroonde boeken nóg beter vond...?
Het is tekenend dat ik dacht dat er meer prentenboeken over Jaap waren verschenen. Maar nee, misschien verwarde ik Jaap even met Roosje.

  

Jaap won een prijs maar hij wist niet waarvoor.
Want hij had niets gedaan en niets gemaakt.
En voor een prijs moest je iets doen of maken.
Je moest zo kunnen hardlopen als Luuk.
Je moest zo kunnen tekenen  als Tess.
Of je moest kunnen knokken zoals Finn.
Je moest vooral niet zijn als Jaap de Jong,
die nooit iets won en nergens goed in was.

Zo begint het verhaal.
Maar toch won hij een prijs, de GROTE HOOFDPRIJS.
Jaap vertrouwt het niet, en hoe meer mensen in zijn familie hij tegenkomt die wel eens een prijs hebben gekregen, hoe wantrouwender hij wordt. Hij wordt zelfs bang dat die J. DE JONG (uit de brief) naar hem op zoek is.
Uiteindelijk blijkt Jaap gelijk te hebben. De brief was niet goed gelezen.

Hier, lees de achterkant. Kijk wat daar staat:
U kunt nog loten kopen. U maakt kans
dat op uw lot de Grote Hoofdprijs valt.

Iedereen kwaad, behalve Jaap.

Hij had geen prijs, hij had geen prijs. Hoera!
Hij hoefde niet meer bang te zijn op straat.
Er was geen J. de Jong die hem kon grijpen.

En als troost krijgt hij van iedereen cadeautjes...

De prenten van Harrie Geelen voegen hier en daar fijne details toe aan het verhaal, zoals met die prent waar op alle gevels J. de Jong staat, of de wegvluchtende kat als oma voordoet hoe ze met dansen een prijs won, en de prenten bij opa's relaas over het marathonschaatsen.




Misschien niet wereldschokkend, maar wel een mooi idee, zo een dat voor de hand lijkt te liggen (iedereen krijgt wel van die brieven), maar je moet er maar opkomen om daarmee iets te doen.
Imme Dros & Harrie Geelen deden het en dat leverde een sterk en grappig prentenboek op. Geen prijs nee, net als Jaap...



Imme Dros & Harrie Geelen. Jaap won een prijs. Querido Kinderboeken, 2017. ISBN 978 90 451 2101 7, 28 p.


woensdag 9 maart 2016

Karel Appel uit de Dapperstraat

Het Gemeentemuseum Den Haag en uitgeverij Leopold hebben in 2010 het lovenswaardig idee gehad om een reeks kunstkinderboeken te maken, steeds naar aanleiding van een tentoonstelling in het museum. Er zijn er inmiddels al meer dan tien:

Allemaal aan tafel! van Rindert Kromhout en Margriet Heymans
Holland op z'n mooist van Charlotte Dematons
Puzemuze of op weg naar Rothko van Wim Hofman
Coco of het kleine zwarte jurkje van Annemarie van Haeringen. Dit boek werd bekroond met een Zilveren Penseel 2014
Edith en Egon Schiele van Harriët van Reek
Een zondag met Caillebotte van Ingrid Godon en Toon Tellegen
Delfts blauw - Een vaas voor de prinses van Ingrid en Dieter Schubert
Calder - De draad van Alexander van Sieb Posthuma
Nacht in het poppenhuis van Thé Tjong-Khing en Anna Woltz
Ensor - De grote maskerade van Marije Tolman
Keepvogel en Kijkvogel - In het spoor van Mondriaan van Wouter van Reek. Dit boek werd bekroond met een Zilveren Griffel 2012, de internationale illustratieprijs De Gouden Appel en een Vlag & Wimpel.
De koningin die niet kon kiezen van Annemarie van Haeringen (Herdruk van bestaand boek)
Meneer Kandinsky was een schilder van Daan Remmerts de Vries. Dit boek werd bekroond met een Zilveren Griffel 2011.

Onlangs verscheen Karel Appel uit de kapperszaak in de Dapperstraat van Imme Dros en Harrie Geelen, en dat is niet eens het allerlaatste, want nog recenter verscheen ook Jan Toorop – Het lied van de tijd van Kitty Crowther, bij de tentoonstelling rond Jan Toorop (t/m 29 mei).

De tentoonstelling Karel Appel (t/m 16 mei) was aanleiding voor het fraaie prentenboek dat de het stel doorwrochte kunstenaars Imme Dros en Harrie Geelen maakte.



Dit boek mikt op jonge kinderen.De tekst bestaat uit 20 vierregelige versjes en beschrijft chronologisch het leven van de schilder Karel Appel. Diens vader had een kapperszaak in de Dapperstraat te Amsterdam en eigenlijk zou Karel dus ook kapper moeten worden. Hij doet in ieder geval het een en ander in de zaak:

De kleine Kareltje veegt het haar
voor pappa Jan Appel bij elkaar.
Hij schikt de kleuren zo op de grond
dat er een kat ligt, een muis of een hond.

Schilderen leert hij van zijn oom, en ondanks schrik en wijze raad (doe het niet) van pa en moe besluit Karel om geen kapper te worden.




Volgt de loopbaan van berooide tot schatrijk en wereldberoemd kunstenaar.
Het moet gezegd, zonder de prenten van Harrie Geelen was dit levensverhaal in 80 regeltjes aardig, maar niet meer dan dat. Het zijn de prenten die het een mooi en boeiend boek maken. Een knappe prestatie om afbeeldingen te maken die onmiskenbaar Geelen én Appel zijn! (En dat er enige verwantschap was, valt met dit boek ook wel aan te tonen.)

Dros, Imme, en Harrie GeelenKarel Appel uit de kapperszaak in de Dapperstraat. Gemeentemuseum Den Haag / Leopold, 2016. ISBN 978 90 258 6870 3.




dinsdag 10 september 2013

Over kunst en cultuur en zo

Het interessantste opstel in Literatuur zonder leeftijd zomer 2013 (aflevering 91) vond ik dat van Harrie Geelen, ´Over kunst en cultuur en zo´.
Ik moet het eerder hebben gelezen, want het stond oorspronkelijk in Jeugdliteratuur en andere media (2008) en dat heb ik zelf nog uitgegeven.
(Daarmee impliciet goedkeurend dat jeugdliteratuur een medium is, beetje raar achteraf, maar dat terzijde.)
Kan me er niets van herinneren, dus ik las het als nieuw. Een sprankelend vertoog, dat begint in het regenwoud, o.a. met een vogel die prachtig kettingzagen kan imiteren, en dan bij nabootsing terechtkomt.
Ik citeer een stukje:

'De mens kan goed bedriegen. Hij kan misschien niet bedrieglijk echt een kettingzaag nabootsen, maar wel, ook met de stembanden, iemand die verstandig en logisch en analytisch denkt. De mens heeft de taal ook voor communicatie uitgevonden, maar vooral om anderen in te kunnen pakken, om te imiteren, om te suggereren, om te verbloemen of om een mededeling bloemrijker te maken. En taal is ook als water. Gedachten kunnen er makkelijk in verdrinken. Als ze al niet blijven zwemmen. Wij vinden voor alles een woord. Maar het feit dat wij de dingen om ons heen een naam geven, betekent niet dat die namen niet ook op duizend andere manieren gebruikt kunnen blijven worden, en voor zeer uiteenlopende zaken. Namen zijn immers ook geluiden. Poëzie profiteert hiervan. En lijdt eronder.'

Onwillekeurig moest ik denken aan Philip Starck, die ik de dag voordat ik dit las over mijn scherm had zien dansen. 'De wereld is vloeibaar,' zei Daan Roosegaarde. 'Taal is als water,' zei Harrie Geelen. De overeenkomst is treffend.

Zijn vertoog voert onnavolgbaar als op een ontdekkingstocht verder langs klanken, zang en andere muziek, al dan niet bewegend beeld, verschillen tussen woord en beeld, tussen woorden met en zonder geluid, angst als oermotief voor interesse, veranderingen als bouwstof van verhalen, het halve of het hele verhaal.
Vooruit, nog een citaat:
'Het vreselijke probleem van een bewerking is dat je de essentie van je boek bewaren wil en dat je de kracht vaak ligt op een voor televisiedrame tamelijk onbruikbaar terrein. Wanneer je werkelijk een boek bewerken wil, dan moet je niet alleen de plot adapteren. En daarmee wordt helaas maar al te vaak volstaan. Misschien is soms de plot juist onbelangrijk. De bewerker moet een beeldend alternatief vinden voor alles wat je boek gekenmerkt heeft: stijl en andere kwaliteiten, zoals bijvoorbeeld de rijkdom of de soberheid van de taal, de trant, de kaalheid of de overvloed, de weglatingen, typische vertelperspectieven. En het moeilijkst is het om alternatieven te vinden voor suggesties die de geschreven taal en ook de stille tekening vaak in zich meedraagt. Sommige schrijvers en tekenaars zijn tachtig voordat ze die kenmerken voor zichzelf naar behoren hebben kunnen verwoorden, laat staan dat zij - of iemand anders - ze kunnen vertalen naar een ander medium.
Er zijn maar weinig films die net zo worden onthouden als een goed boek. Ik bedoel dus: als een geheel en niet als 'die film waarin een bepaalde acteur zo mooi speelt", of 'waarvan het camerawerk zo verpletterend is", of "waarvan de ontknoping zo onverwacht is."
En dat willen we toch, verhalenmakers als we zijn?'

Harrie Geelen had zijn sporen al getrokken in de 'cultuur en zo', voordat hij zich met kinderboeken ging bezighouden. En de wereld van de jeugdliteratuur is soms tamelijk eenkennig. Jacques Dohmen toont dat in datzelfde nummer van LZL in een interview met Linda van Scherrenburg zo:
'De eerste ontmoeting met Harrie kan hij zich wel heel goed herinneren. "Dat was bij een prijsuitreiking en Imme stelde me haar man voor. Harrie was toen een beetje gekwetst dat ik niet wist wie Harrie Geelen was. Hij zei toen: 'Ja, ik ben alleen maar de echtgenoot van, meneer Dros, en ik mag af en toe een boek illustreren'," zegt Jacques lachend. "Pas later heb ik begrepen hoe groot Harrie zelf was in de wereld van de tekenfilm en de Marten Toonderstudio's en als schrijver van Oebele en dat soort series. Ik zag hem eigenlijk alleen maar als de man van Imme."'



De wereld van de jeugdliteratuur, althans van hen die deze maken, beoordelen, bestuderen, bewaren en verkopen, is zo klein dat in het Nederlands taalgebied een hoog ons-kent-ons-gehalte valt waar te nemen.
Dat is ook te zien aan deze aflevering van LZL.

Ten eerste aan het uiterlijk en dat geldt voor LZL in het algemeen. Dat is heel simpel, als pocket met een omslag in kleur en pagina's in zwartwit, met een geen-nonsens-opmaak en een tamelijk kleine schreefloze letter. Meer kan er niet af en het is überhaupt een wonder dat het verschijnt en dat is allereerst te danken aan de noeste vlijt en hopen energie die de redactie er onbetaald in steekt. Om het even in ons-kent-ons-termen te zeggen: zonder Toin zeer waarschijnlijk geen LZL. Er zijn eenvoudigweg niet voldoende abonnees te vinden om een luxere opmaak te kunnen betalen. Men doet zijn best en dat valt, niet voor het eerst en niet voor het laatst, te prijzen.

Ten tweede aan het redactioneel. 'Literatuur zonde leeftijd zette in het verleden al vaker een auteur en diens oeuvre in de kijker. Dat leverde inspirerende nummers op over Tonke Dragt (2001, 53), Wim Hofman (2006, 69), Paul Biegel (2007, 73) en Henri Van Daele (2010, 82). Een dergelijk auteursnummer is onvermijdelijk een eerbetoon.'
Dat mag zo wezen, maar botst wel enigzins met de academische status die LZL ook in stand tracht te houden. Hier schuurt de wetenschap dicht aan de literaire journalistiek, een verschijnsel dat volgens mij ook elders in de literatuurwetenschap optreedt, zeker in het domein van de jeugdliteratuur.
Enfin. 'Onvermijdelijk', kennelijk.
En ook begrijpelijk, want als LZL echt uitsluitend academisch zou zijn, zou het aantal abonnes waarschijnlijk slinken tot enkele tientallen. En dat zou de doodsteek zijn. Verstandig dus dat ruimte wordt gemaakt voor literaire journalistiek, jammer dat er geen middelen zijn om een opmaak te brengen die een groter publiek zou kunnen trekken.

LZL 91 is dus een eerbetoon, en wel aan Imme Dros en Harrie Geelen, een 'kunstenaarskoppel in hart en nieren'. Het eerbetoon telt 220 pagina's, een omvang die in de burelen van de voormalige uitgever (NBD Biblion) op protest had gestuit, dus ook wat dat betreft is het maar goed dat LZL daar weg is.
Het opent met een interview met dat koppel door Helma van Lierop-Debrauwer, van het soort dat een mooiere opmaak en meer lezers had verdiend, en daarna nog 23 andere korte en lange bijdragen over het tweetal. De korte bijdragen zijn veelal van collega-auteurs en -illustratoren, er zijn wat recensie-achtige bijdragen (bv. van Bregje Boonstra en Joke Linders), er is de Annie M.G. Schmidtlezing van Imme Dros zelf (daterend uit 2000), er is één wetenschappelijk artikel (van Marloes Schrijvers): bij elkaar een eerbetoon dat er wezen mag.

Dat wetenschappelijke artikel is helaas het minst leesbare. Dat ligt aan passages als deze:
'Een prentenboek onderscheidt zich van een geïllustreerd boek door de min of meer gelijke mate - in kwantitatieve zin - waarin tekst en beeld aanwezig zijn. Vaak heeft het beeld zelfs een groter aandeel in het geheel dan de tekst, terwijl dat in een ge:illustreerd boek per definititie omgekeerd is. In kwalitatieve zin kenmerkt een prentenboek zich door de gelijkwaardige rol die tekst en beeld hebben in het overbrengen van het verhaal (Nikolaeva & Scott, 2001). In een geïllustreerd boek is het de tekst die het verhaal draagt en zijn beelden dus meestal letterlijk "illustratief".'
Gaap...
Wat ze tracht op wetenschappelijke wijze te 'analyseren' is 'op welke manieren woord en beeld in deze prentenboeken samenwerken om hun verhaal te vertellen'. Het gaat dan uiteraard om boeken van Dros & Geelen. En het is niet zozeer een analyse als wel een uitvoerige beschrijving die uitmondt in de conclusie die (om de spanning erin te houden) ook al in de titel staat, namelijk dat die samenwerking 'uitgebalanceerd' is. Het artikel is een gaaf voorbeeld van het soort literatuurwetenschap dat op zijn best 'academic criticism' mag heten: recenseren op academische wijze.
En ook dit artikel eindigt met lof voor het tweetal.




Nou, dat gun ik ze ook van harte, want ook ik vind dat ze erg mooi werk hebben gemaakt en ik hoop dat ze er nog even mee doorgaan.

Nog enkele andere bijdragen in deze lekker dikke aflevering: de Annie M.G. Schmidtlezing van Ted van Lieshout en een terugblik door Rita Ghesquiere op veertien Annie M.G. Schmidt-lezingen. Die van Ted was immers de laatste... vooralsnog.
Van Ted van Lieshout nog een citaat:
'[...] Doordat Duchamp dit urinoir buiten de gebruikelijke context plaatste, keek iedereen er met andere ogen naar. Wie niks moet hebben van beeldende kunst, ziet er alleen een urinoir in. Iemand die wel de moeite neemt om verder te kijken dan zijn neus lang is, ziet er op zijn minst een mooie vorm in, maar hopelijk ook dat kunst niet wordt gedefinieerd door of het mooi is of niet - want dat is alleen een kwestie van smaak - maar door het vermogen van een werk om de geest te verruimen. Niet omdat de geest van de kunstenaar ruimer is dan die van anderen, maar omdat hij meer dan "gewone mensen" durfst te krabbelen aan de marges van ons denkkader. Dat biedt ons, die anderen - en daar bedoel ik heel nadrukkelijk ook kinderen mee - de kans om diezelfde begrenzing van ons denken af te grazen.'

Waarvan akte, en prompt moest ik denken aan die Zomergasten-uitzending met Daan Roosegaarde. En aan die prachtige titel van Johnny van Doorn: De geest moet waaien.

NB. Voor een tentoonstelling van werk van Harrie Geelent/m 10 november 2013 zie hier.