Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label Ted van Lieshout. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ted van Lieshout. Alle posts tonen

zondag 22 maart 2026

Ted

Tjezus, wat een dikke pil. En dat allemaal over Ted van Lieshout! Heb je daar zin in?
 
Nou, het boek lijkt dikker dan het is doordat het mooi, stevig papier is, 380 p. Ja, het is helemaal Ted van A tot Z. Je hebt het zelf aangevraagd, hoor.
 
Moet toch even zuchten, geloof ik. Wat een ijdeltuit.
 
Zo zou ik het niet noemen, meer een enorme behoefte om te tonen wat hij met zijn talenten gedaan heeft, gepaard aan een even enorme nauwkeurigheid en zucht naar volledigheid. Lees alvast maar wat bladzijden en je ziet, alles staat precies waar het moet staan. Deze man schrijft en tekent niet alleen maar geeft ook zijn boeken vorm, tot in detail, en zo kan hij bijvoorbeeld op p. 74 (derde kolom) in de tekst verwijzen naar een afbeelding 'op de bladzijde hiernaast'.
Hoewel, dat hij zich op p. 334-339 uitgebreid bezighoudt met hoe hij eruit ziet en zijn kop zelfs het register verlucht (of verluchtigt) zou wel op ijdelheid kunnen wijzen. Bij elkaar één grote schreeuw: zie mij, dit ben ik!
 
Kun je het in één zin afdoen? Scheelt een hoop tijd.
 
Prachtboek!
 
Dat is wel heel erg beknopt. Maar nu ik wat gebladerd heb, moet ik je wel gelijk geven. Toch maar iets meer over melden?
 
O.k. 
Om te beginnen de aanleiding. Die vult p. 6. Een 'uitnodiging' van het 'Illustratiehuis Amsterdam' om een overzichtstentoonstelling te maken ter gelegenheid van veertig jaar schrijverschap en zijn zeventigste verjaardag.
 
Apart, een Illustratiehuis dat een overzichtstentoonstelling wil om veertig jaar schrijverschap te vieren, dus niet veertig jaar illustratorschap of iets dergelijks. Niet te vinden trouwens, dat Illustratiehuis, of het moet de Illustratie-ambassade zijn geweest. Maar die vermeldt geen overzichtstentoonstelling van hem.
 
Nog aparter was dat er slechts 'twintig lijsten' ter beschikking werden gesteld. Ted van Lieshout haalt ze aardig over de hekel.
 
Ik ben heus wel vereerd dat ze me vragen, want het Illustratiehuis is een prima plek, maar als er een schele minnaar langskomt die stinkt uit zijn bek, is het toch logisch dat je in de verte tuurt om te zien of er een knappere kandidaat aangegaloppeerd komt? Helaas, ik zie er geen verschijnen aan de horizon. Deze dan maar doen?
 
Ik neem eigenlijk aan dat die uitnodiging verzonnen is of hooguit losjes gebaseerd op een ooit ontvangen en afgewezen uitnodiging. Ted doet niet zomaar iets en de uitgeverij evenmin. Het boek is tot stand gekomen 'met subsidie van het Jaap Harten Fonds' en zorgvuldig voorbereid. Zelfs met subsidie siert het uitgeverij Leopold dat ze dit boek heeft uitgegeven.
Die tentoonstelling blijft een thema in het boek. 'Deze dan maar doen?', jawel, en dus gaat de kunstenaar zogenaamd met frisse tegenzin graven in zijn archief. Want er moest vroeg werk in, het moest per slot een overzichtstentoonstelling zijn, en als je zo veel gemaakt hebt en je hebt maar twintig 'lijsten', wat kies je dan?
 
Archief? Dus hij bewaart alles?
 
Ergens beschrijft de zeventigjarige Ted zijn huis aan de zeventienjarige Ted. 
Dat moet ik eerst even toelichten. De tekst is een dialoog. De zeventigjarige Ted praat (in zwarte letters) met de zeventienjarige Ted (in vettere, gekleurde letters). Dat levert hier en daar grappige dialogen op. Zoals op p. 146, over Mijn botjes zijn bekleed met deftig vel:
 
Ik moest tijdens mijn opleiding aan de academie bepaalde grafische technieken uitproberen en dat heb ik ook wel gedaan, maar ik vond het lastig en omslachtig.
 Dat heb je al verteld.
Linosnedes maken vond ik nog wel aardig.
 
Enzovoort. Hier trekt de zeventigjarige zich niets van de tussenwerping aan en gaat gewoon door over linosnedes en etsen. Ja, je komt in dit boek heel wat te weten over druk- en tekentechniek. Maar op p. 63-64 staat een mooi stuk dialoog over de dood van Teds broer Harry in 1979, als Ted 23 is en hoewel ernstig zit zelfs daarin nog wat onderkoelde humor ('O nee, dat kan niet'):
 
 Wat dan?
Eh, ik weet niet of ik dat moet vertellen.
 Kom ik het uiteindelijk toch te weten?
Ja, als je drieëntwintig bent.
 Vertel het dan maar.
Je zult ervan schrikken.
 Vertel.
Ik weet niet hoe ik het je moet vertellen.
 Je maakt me bang.
In 1979 gebeurt er iets ergs.
 Hoe erg?
Het ergst van alles.
 Ik ga dood! O nee, dat kan niet. Iemand anders gaat dood.
Ja.
 Wie?
Je broer.
 Nee!
Ik vrees van wel.
 
Enzovoort. Het levert ontroerende passages op, net als die over zijn Meneer.
Maar nu dat huis. Ted koopt op zeker moment een zeer ruim appartement, bovenin een oud pakhuis. En hij kan niets weggooien, schrijft hij. Dus dat ruime appartement van hem moet wel tjokvol zitten, hij geeft ook toe dat hij soms struikelt over de spullen en dat hij zou moeten opruimen.
Voordelen heeft het ook, want na bijna veertig jaar weet hij bijvoorbeeld vijftien poppenkoppen tevoorschijn te halen, waarvoor hij ineens een bestemming weet: zie Onder mijn matras de erwt (2017). Ted besteedt er uiteraard veel meer woorden aan, ja, die hang naar volledigheid hè...
 
Alles staat erin?
 
Nou, dat durf ik niet te zeggen. Zijn persoonlijk liefdesleven laat hij eruit. Het is geen autobiografie, het is een overzichtstentoonstelling in boekvorm, met zeer uitgebreid commentaar in dialoogvorm, waar persoonlijke ontboezemingen enkel een rol spelen als die invloed hadden op zijn werk. Het meest persoonlijke deel vind je in het hoofdstuk 'Verzoening' en dat gaat over de vraag die de titel van het boek is: Wat heb jij gedaan om mij gelukkig te maken?
 
Ik dacht dat die vraag aan mij, de lezer, gesteld werd. Kwam een beetje klagerig over.
 
Nou, je had na enkele bladzijden al kunnen bedenken dat Ted die vraag aan zichzelf zou stellen. Hoewel de oude Ted het ook interpreteert als een verwijt. Hij verweert zich krachtig. Ja, het leven blijkt niet volmaakt, maar wel goed genoeg.
 
 Dus ik misluk niet totáál?
Niet totaal, nee. Totaal niet, zou ik eigenlijk willen zeggen.
 
Deze laatste dialoog, in 'Verzoening', bevat ook een soort verantwoording van de tentoonstelling. Ik zou hem het liefst in zijn geheel willen citeren, maar dat gaat echt buiten de grenzen van een recensie. Hooguit die onverwacht korte uitspraak:
 
Daar gaat het om bij alles wat je maakt: je vel moet ertegenaan gezeten hebben.
 
Van doorleefde kunst gesproken. 
Koop het boek maar. Een mooiere tentoonstellingscatalogus is in tijden niet verschenen.
 
Moeten er geen plaatjes bij deze recensie?
 
Nee, voor een keer niet. De vraag, welke dan?, is bijna even moeilijk als die van die twintig lijsten. Dus geen. Nogmaals: koop het boek maar, het is niet alleen een overzichtstentoonstelling in boekvorm, maar ook een schatkamer.
 
 
Lieshout, Ted van. Wat heb jij gedaan om mij gelukkig te maken? De tentoonstelling. Leopold, 2026. ISBN 978 90 258 8912 8, 380 p.   

maandag 30 mei 2022

Boer Boris is tien


... maar krijgt het toch.
 

Dat er nu al tien jaar boekjes verschijnen over Boer Boris ligt vooral aan de goede samenwerking tussen auteur (Ted van Lieshout) en illustrator (Philip Hopman). Die begon met het vierjarige zoontje van Philip, lees ik in het feestinterview in de flyer die uitgeverij Gottmer uitbracht ter gelegenheid van de verjaardag. 
Die zoon moet inmiddels dus veertien zijn en ik hoop voor zijn vader dat zijn zoon trots is op zijn fictieve afsplitsing. Hij zal inmiddels, neem ik aan, niet meer 'in zijn overall met rode laarsjes' 'rondbanjeren' en verkondigen dat hij boer wil worden.

Boer Boris... daar moet ik iets mee, dacht ik. Maar ik kreeg het niet op papier. Omdat ik beter kan tekenen dan schrijven, legde ik het voor aan mijn goede vriend Ted: kunnen we iets met Boer Boris? Aanvankelijk dacht ik aan een leuk cadeautje voor mijn zoon, maar Ted werkte het personage uit en zag al snel dat er meer in zat.
 
Dat bleek raak. 
 'Inmiddels zijn er 15 delen, kartonboekjes, een toneelstuk door toneelgroep Heer Otto, liedjes, animaties, een poppetje, een kalender en er komt nog veel meer....'. Boer Boris was meteen boer en bleef dat tien jaar en een ruim vijftiental boekjes lang.
 
Naar aanleiding van Boer Boris' verjaardag kreeg ik Boer Boris en het bootje toegestuurd en dat verschilt niet echt erg van andere verhalen met Boer Boris in de hoofdrol. In dit geval gaat het over een bootje dat eerst niet, en na wat lieve kunstgrepen (het krijgt bandjes om) wél wil varen.
Magisch, een bootje met een wil. Net zo vanzelfsprekend als in alle andere Boer Boris-boekjes en in vele andere verhalen voor jonge luisteraars en kijkers die zelf nog nét niet toe zijn aan lezen en zich nog in een fase bevinden waarin het gewoon is dat een ding iets kan willen - of niet willen.
Is niet zo ver weg, hoor. Veel grote mensen roepen ook 'Hij wil vandaag niet', als de auto niet direct start. Ik wel, in ieder geval.

De Boer Boris-boekjes zijn zo vanzelfsprekend dat het haast niet opvalt dat ze goed in elkaar steken. Gewoon, fijne en mooie boekjes om uit voor te lezen en samen prenten te bekijken. Jubelientje, maar dan toch weer anders. Jubelientje werd 25. Ben benieuwd of Boer Boris dat ook haalt.
 
 
Lieshout, Ted van, en Philip Hopman. Boer Boris en het bootje. Gottmer, 2022. ISBN 798 90 257 7632 9, 32 p.

Niet meer de laatste titel, dat is Boer Boris en de luchtballon.

zondag 20 december 2020

Kunst

Of het nu last of lust is: er zijn gedrukte teksten die met een stem klinken.
 
Een brief van mijn moeder klinkt zoals mijn moeder klonk. Een gedicht van Gerrit Komrij klinkt, als ik het lees, met de stem van Gerrit Komrij, zoals ik me die herinner van tv. Een tekst van Jules Deelder klinkt als Jules Deelder. De geest moet waaien klinkt met de stem van Johnny van Doorn ofwel de Selfkicker. Een tekst van Adriaan van Dis? Hier is... Adriaan van Dis! ('Wat kan ik u inschenken?') Aan Under Milk Wood (van Dylan Thomas) is de stem van Richard Burton verbonden (hier).
Een plaatje en/of tekstje van Paulus de Boskabouter of Eucalypta? Tatatata tatatata tata táttáttaaa... het introdeuntje en dan de stem van Jean Dulieu. (Voor jongere luisteraars: nee, niet die tv-intro, maar de Dance of an Ostracised Imp van Frederic Curzon. Voor de radio, ja.)

De kunstenaar Ted van Lieshout ken ik onder meer van vele optredens waarbij hij met verve zijn eigen of andermans (v/m) kunst voor het voetlicht bracht en brengt. Ted heeft een heel kenmerkende stem. Dat heeft tot gevolg dat ik zijn stem hoor als ik woorden van hem lees, bijvoorbeeld in Kunst? Marcel Duchamps Fontein 1917-2017, Driedelig paard, Ze gaan er met je neus vandoor, Onder mijn matras de erwt of nu in Wat is kunst?

Het lijken onmiskenbaar zijn woorden:


Hallo! Is daar iemand?
                            Ja, ik.
Wie?
                            Ik, de schrijver van dit boek.
Achterop dit boek staat dat er een meisje binnenkomt.
                            Dat klopt. Ik wacht op haar.
Om wat te doen?
                            Ik ga haar vertellen over kunst.
Dat komt goed uit. Ik ben dat meisje en ik heb een vraag.
                            Wat wil je weten?
Wat is kunst?

Dat schept buitengewoon weinig ruimte voor getheoretiseer over het verschil tussen werkelijkheid en waan, non-fictie en fictie, de schrijver en de verteller. 
Toch krijgt dat meisje verder geen naam en besluit ik als lezer snel dat het een verzonnen meisje is. Maar dan is de verteller ('ik, de schrijver van dit boek') toch ook een beetje fictie, al klinkt-ie nog zo met Teds stem. En ook het eiland is dubbelfictie, fictie in fictie, want



Over eilanden gesproken. In 1983 omringde het kunstenaarsechtpaar Christo en Jeanne-Claude elf eilanden bij de Amerikaanse stad Miami.

En zo beginnen, 'rechts van het water', op het 'vasteland', de korte inleidingen bij zo'n 135 zeer diverse kunstwerken. Er wordt steeds aangehaakt bij één woord uit de doorlopende dialoog, links van het water. Soepel zwenkt de verteller, laten we hem voor het gemak 'Ted' noemen, van het ene genre naar het andere, zelfs de bikini en de telefoon komen voorbij, net als een Stradivarius en de Toren van Babel, en de termen cultuur en kitsch.
 
Die inleidingen zijn zinnig en onderhoudend, maar verrassender is wat op het eiland gebeurt.
Het meisje wil weten wat kunst is voor een schoolwerkstuk. 'Ted' vraagt haar zich voor te stellen dat ze op een onbewoond tropisch eiland aanspoelt. Dat moet wel, want zijn eerste antwoord


snapt ze niet. Dat pepert 'Ted' haar aardig in. Ze kan niet ontsnappen, want op zijn vraag
 
  Je merkt dat je bent aangespoeld.
  Wat is het eerste wat je doet? 

antwoordt ze

  Mijn moeder bellen en zeggen
  dat ze me moet komen halen

maar



Over aanspoelen gesproken. Vanuit een zee met goudkleurige golfjes spoelt een mevrouw aan op een sint-jacobsschelp.

Enzovoort, over Botticelli's Geboorte van Venus. 'Ted's toelichting is veel leuker dan de droge tekst van Wikipedia.

Dat meisje maakt zo een hele ontwikkeling door, halverwege verhuist ze ook nog even naar een koud eiland in het noorden en aan het eind, terug op dat tropische eiland, spoelen er nog meer mensen aan en na een feestelijk begin ontaardt het uiteraard in vechten. Zo zijn mensen, dat zag 'Ted' goed.
Het meisje mag naar huis en schrijft 'Ted' een brief:



Maar ja, ze bleef zitten met de vraag

wat het belang is van kunst. Het is wel een vraag, maar als ik er weer voor terug moet naar het eiland, laat het antwoord dan maar zitten. Een 8,5 is ook heel mooi.

Ze hoeft niet terug.

Fijn dat je nog een keer langs wilde komen. Ik was toch in de buurt. Ik wil proberen om je vraag waarom kunst belangrijk is te beantwoorden. Hoef ik dan niet terug naar het eiland? Nee, ik wil je een paar kunstwerken laten zien.

Terwijl 'links van het water' (dat echter nu land wordt) al in koeienletters met nu witte achtergrond het antwoord staat dat ook al op p. 6 prijkte (zie boven) (maar ja, zo'n meisje heeft wat ervaring nodig), ontspint zich een dialoog die aldus eindigt:

Kennis zorgt dat je geest dingen begrijpt, kunst zorgt dat je geest verruimt, dat je inzicht krijgt. Denk maar aan muziek die je mooi vindt. Je steekt er niet per se iets van op, maar het verrijkt je wel. Dat is de zin van kunst. Kunst krabbelt als het ware met een nagel een gaatje in je hoofd zodat er licht door naar binnen valt. Maar wat als je dat hoofd in een donkere kast zet? Dan kan er geen licht meer bij. Dan gaat het hoofd dood. Van verveling. Juist.

Zo eindigt deze dubbele dialoog (de eiland-episode is ook een dialoog) in een fraaie verdediging van de kunst. En alsof dat nog niet genoeg is, haalt 'Ted' op p. 134 en 136 nog een grapje uit met die boodschap van p. 6 en 132.
Pag. 134:

Kunst is alles
 wat je doet
 om niet
 dood te gaan.

Pag. 136:

Kunst is alles
 wat je doet
 om niet.

Dat laatste mag (o.a.) Jef Koons (p. 103) in zijn zak steken.
Dat licht in het hoofd vind ik een mooie manier om te zeggen dat kunst verlicht.

There is a crack, a crack in everything
That's how the light gets in

 
(Leonard Cohen, beetje uit verband hier maar zijn muziek kwam toevallig langs en ik vond het te mooi om niet te citeren.) (Als je hem kent, hoor je 't hem zingen.)
 
En dan vergeet ik haast nog te melden dat Ted (nu zonder aanhalingstekens) van Lieshout naast auteur, beeldend kunstenaar en grafisch vormgever ook nog boekontwerper is, zoals voornoemde uitgaven ook al toonden.
Resultaat: Wat is kunst? is niet alleen een zinnig en onderhoudend boek, het is ook een mooi boek, waarvan de vormgeving bovendien de inhoud ondersteunt, nee, deel van de inhoud is.
Het is kunst.




 
Lieshout, Ted van. Wat is kunst? Begin een eiland... Leopold, 2020. 140 p., ISBN 978 90 258 8009 5. 
 
NB. Dit boek werd in 2021 genomineerd voor de Woutertje Pieterse Prijs, de prijs voor het beste oorspronkelijk Nederlandstalige kinderboek.
 
 


zondag 3 november 2019

een blad jde st lte

Wat een rare poëziebundel is dit, zoveel bladzijden en er staan maar vijf gedichten in, waarvan er drie niet rijmen en één van ene Hilda Steunvoet is, en soms ontbreken er letters, terwijl sommige bladzijden er helemaal mee bedekt zijn, zodat ze onleesbaar worden. En op andere bladzijden staat bijna niets. Zie bv. hieronder links en rechts:

     


Wàt? 
Dit is helemaal geen 'rare poëziebundel', het is juist een heel opmerkelijk boek. Ik kende de poëzie van Paul van Ostayen, maar Ted van Lieshout gaat veel verder! De letters nemen hier het woord over van de dichter, omdat die onder tafel is gekropen wegens liefdesverdriet. En daarna nemen weer andere letters het over en volgt er een heftig escalerende letterstrijd en ook nog een interveniërende dichter (die Hilde Steunvoet). Een momentopname halverwege:





Ja, zo ver kwam ik ook. Maar dit is toch geen poëzie? Ik kan me niet voorstellen dat dit boek de winkel uit vliegt. Hoeveel lezers, jong en oud, zullen dit boek na wat bladeren terzijde leggen? Vast heel veel.

(Mag ik ook iets zeggen?)

Over welk boek gaat dit eigenlijk?

Het gaat over dat boek dat de Boekensleutel heeft gewonnen, Ze gaan er met je neus vandoor, van Ted van Lieshout. Het kreeg ook nog de 1e prijs van de Jongerenjury van De Grote Poëzieprijs. Of het wel of niet poëzie is, ja, dat hangt er natuurlijk van af wat je onder poëzie verstaat! 

(En mag ik ook iets zeggen? Dit gaat over oorlog!)

Wil je wijsneuzen over wat poëzie is, dan wijs ik je onder veel meer op een lemma in dit blog. Proza babbelt of redeneert, poëzie zingt, beide kunnen mijmeren en schreeuwen, en poëtisch proza bestaat dus ook, net als (kwestie van typografie) prozagedichten. Poëzie vestigt de aandacht op de woorden, proza op de boodschap. Denk wat dat betreft aan een boodschappenbriefje dat je vindt in een supermarktkarretje: treffen de woorden je door hun ritme, muzikaliteit, vindingrijkheid, nou ja, door zichzelf dus, dan heb je zowaar poëzie in je handen. Niet alleen de dichter bepaalt wat poëzie is, de lezer ook.
Ze gaan er met je neus vandoor mag strikt genomen wellicht niet helemaal officiële poëzie zijn, het zindert wel van poëzie, er wordt gefluisterd, geschreeuwd, gezongen.

(Hallo! Mag ik ook iets zeggen?)

Je overdrijft. Ik zie vooral geredeneer, heel opgewonden weliswaar, maar toch. En je moet enorme moeite doen om dat opgewonden gekakel te verstaan.

Ik herhaal: poëzie vestigt de aandacht op de woorden, proza op de mededeling. Als je hier de aandacht voor de woorden mist, sla je geen acht op hoe ze er staan, alsof je van een muziekstuk alleen de noten leest en niet let op de dynamiektekens of gaat luisteren naar de uitvoering.
Nou ja, woorden: in dit boek gaat het om letters. Die zijn in verwarring omdat de dichter niet thuis geeft, doen een oproep (partner voor dichter gezocht) en daaruit volgt onder meer dat er een zelfbewuste (positief geëtiketteerde) of brutale (negatief geëtiketteerde) groep rode letters het boek binnentrekt en plaats opeist. Dat begint nog tamelijk beleefd, zo bv.:


Maar al snel wordt de tweestrijd erg onbeleefd en hij ontaardt in een oorlog met steeds meer kogels (zoveel dat ze bladzijdes bedekken, zie bv. helemaal boven links) en twee pagina's BOM. Jammer dat ik dat niet goed kan weergeven, mijn scanapparaat heeft moeite met dubbele bladzijden. Hier een foto:



Uiteindelijk winnen de zwarte letters. Maar hoe:


Hallo! Mag ik nou eindelijk iets zeggen?
(En ik ook?)

Gewonnen, dus, maar er zijn letters gesneuveld: de i, de v en de z.


Hallo! Nou ben ik echt aan de beurt, vind ik. Al die voorbeelden die je toont onderstrepen dat dit boek een ode is aan de boekvormgeving. 
Wijs me één boek aan uit de stapel recent verschenen werken dat zo prachtig speelt met vormgeving! Een feestje! Typografische poëzie!
Alleen daarom al verdient het volgens mij de Boekensleutel en had het wat mij betreft minstens een eervolle vermelding moeten krijgen bij de Best Vormgegeven Boeken.

Waarvan akte, helemaal mee eens. Maar het gaat nog verder. Voor de gesneuvelde letters wordt een oplossing verzonnen en er volgt een smeekbede aan de dichter om alsjeblieft terug te keren. Zowaar, op p. 77 kruipt hij onder de tafel uit. En op p. 79 staat een gedicht dat ik nu eens niet ga citeren, op het vijfde en laatste couplet na:
(En daarna neem ik gewoon het woord!)

    Maar zoek je de eeuwige sneeuw en het ijs,
    trek dan je jas aan en ga maar op reis.
    Vrees je 't alleen zijn, de vorst, het verdriet?
    Je tranen zijn warm. O, vergeet dat toch niet!

En nu ik. 
Want al die tijd vergeet je het eigenlijke onderwerp: de oorlog. Niet voor niets eindigt het boek met twee pagina's 'Nawoord' over de graven bij Ieper en de Grote Oorlog, zoals ze de Eerste Wereldoorlog in België noemen, met zes foto's. 
De zesde foto is die van de twee beelden van Käthe Kollwitz bij het graf van 'Peter', een van de gesneuvelde Duitse (!) soldaten op de begraafplaats van Vladslo, vlakbij Ieper. Indrukwekkend...




Ja, dank je, het zou je haast niet opvallen dat juist in dit nawoord nog steeds een gewonde voorkomt: de ı. De i mist zijn punt, die is geamputeerd. Het tekent dit zeer bijzondere boek. 
Het verband met die ene Grote Oorlog echter heb ik niet uit deze letteroorlog kunnen halen, al kreeg ik door het nawoord prompt een associatie met de eindeloze rijen kruisen die je in de omtrek van Ieper kan vinden. Als ik al een 'boodschap' uit deze heftige letteroorlog kon halen, dan is het dat oorlog doden en gewonden oplevert en dat de aanleiding tot oorlog doorgaans niet verheffend is.

Dat bedoel ik dus. Je kan wel lovend zijn over de typografische capriolen die deze auteur in zijn, nou vooruit, poëziebundel uithaalt, maar die Grote Oorlog vind ik er met de haren bijgesleept. Er had net zo goed een verwijzing naar andere oorlogen kunnen volgen. Beter zelfs misschien, want in de Grote Oorlog stierven meer mensen, ook soldaten, door ziekte en uitputting dan door kogels. Die BOM deed me meer denken aan Hirosjima dan aan de loopgraven bij Ieper.

Daar heb je wel een punt, vind ik. Toch blijft dit een heel bijzonder en uniek boek en niet alleen wegens de vormgeving en typografie, ook omdat het een prachtig anti-oorlogsverhaal is en bovenal omdat het, tja, hoe zal ik het zeggen, ik citeer maar uit het interview dat in een recent nummer van Onze taal verscheen:

Jan Erik Grezel: 'U past als "totaalkunstenaar" in geen enkel hokje.' Het gevatte antwoord van Ted van Lieshout:
'Jawel, in het hokje 'Ted van Lieshout'.







Lieshout, Ted van. Ze gaan er met je neus vandoor. Leopold, 2018. ISBN 978 90 258 7529 9, 84 p.

dinsdag 22 oktober 2019

Boek als beeldhouwwerk

In Onze taal 2019-10 een interview door Jan Erik Grezel met Ted van Lieshout. Aanleiding was de toekenning van de Boekensleutel aan deze 'kunstzinnige duizendpoot', voor Ze gaan er met je neus vandoor. Wat een toeval: enkele dagen daarvóór las ik een interview met Harmen van Straaten, waarvan ik dacht: daaraan besteed ik aandacht. Het zijn nogal tegenpolen, maar het ontdekken van de tegenstelling laat ik graag aan mijn lezers over.
Ted van Lieshout is een gedreven kunstenaar in woord en beeld, met duidelijke ideeën over taal, poëzie, beeldende kunst en boekvormgeving en een ware onbenoemde ambassadeur van het kinderboek.
'Geen enkel werk van Ted van Lieshout is "gewoon"', schrijft Grezel en gelijk heeft-ie. Dat vloeit (onder meer) voort uit een visie op het boek die hij in dit interview fraai onder woorden brengt:

In veel van mijn werk is het boek zelf ook echt een object. Bij "normale schrijvers" is het fysieke boek alleen de drager van data. Het verhaal staat voorop. Welke vorm de drager heeft - papier, een scherm, een schijfje - doet er niet zoveel toe. Een boek van mijn hand is méér dan alleen de drager. Het is geen plat ding, het wordt driedimensionaal en moet als het ware driedimensionaal worden gelezen. Het is niet zo dat de letters uit het papier oprijzen, maar dat probeer ik wel te suggereren. Ik beschouw het boek eigenlijk als een soort beeldhouwwerk.

Over zijn poëzie, even verderop:

Ze gaan er met je neus vandoor zie ik als een poëzieproject. Bij poëzie staat in mijn ogen niet per se de boodschap voorop, maar het spel met taal. Dit boek bevat ook veel gedichten. Die zijn wel heel anders dan mijn vroegere werk. Mijn eerste gedichten waren ingedikt: met weinig woorden veel zeggen. Tegenwoordig zijn mijn teksten meer 'parlando', op spreektoon. Ik schrijf een vrij korte tekst in dichtvorm waarbij de lezer niet hoeft te zoeken naar wat het precies betekent, maar meteen de sfeer proeft. Dat is bijvoorbeeld ook zo in Onder mijn matras de erwt (2017). Dat bestaat uit gedichten waarin een meisje van veertien parlando over dagelijkse dingen vertelt. Mij gaat het om het oproepen van haar stemming. Ze is recalcitrant, zoals veel pubers.

En als antwoord op de vraag waarom hij veel dialoog gebruikt:

Dat is mijn manier om ruis te vermijden. Er zijn schrijvers die er drie bladzijden over doen om iemand een sok aan te laten trekken. Daar kan ik helemaal niet tegen. Ik wil niet met mooischrijverij iets interessant maken wat van zichzelf niet interessant is. Door mijn vroegere werk als scenarioschrijver voor onder andere Sesamstraat en Het Klokhuis heb ik die voorkeur voor dialoog ontwikkeld. Een dialoog is direct.

Hij legt uit hoe hij kwam tot schrijven voor kinderen (en nu eens niet als antwoord op de geijkte interviewersvraag 'waarom-voor-kinderen'), vermeldt dat hij bij het schijven altijd 'praktisch' een ondergrens aanhoudt (bij Ze gaan er met je neus vandoor 'een jaar of tien'), maar nooit een bovengrens. Want:

Jeugdliteratuur kan heel goed door volwassenen gelezen worden. Je moet er als schrijver rekening mee houden dat een jonge lezer - of degene aan wie voorgelezen wordt - niet over zijn eigen leeftijd heen kan kijken. Een 34-jarige weet wat het is om 11 te zijn, maar andersom kan een 11-jarige niet weten wat het is om 34 te zijn. Bij jeugdliteratuur kunnen volwassenen en kinderen elkaar vinden, omdat ieder voor zich weet wat het is om kind te zijn óf te zijn geweest.

Natuurlijk komt de interviewer dan aanzetten met Mijn meneer, 'uw roman voor volwassenen', want 'die jongen van 11 lijkt wat volwassener'.

Hij is vroegwijs, maar hij kan niet over zijn leeftijd heen kijken. Ik was zelf op die leeftijd wel kinderachtiger. Dat zie ik in mijn dagboeken van vroeger. Het punt is alleen: als ik een kind helemaal levensecht zou portretteren, is dat weliswaar charmant en ontroerend, maar na na enige tijd verflauwt de aandacht van de lezer.

'Wat maakt dat de lezer van Mijn meneer wél doorleest?'

De toon. Die jongen moet waarachtig zijn. Waar 'm dat nou precies in zit, weet ik niet. De worsteling om de juiste toon te vinden is tegelijkertijd wat het vak zo leuk maakt. Als je die toon te pakken hebt, voel je: ik heb het! Maar soms ben je hem na twee zinnen al kwijt.

Zo staan er meer lezenswaardige, tot nadenken stemmende uitspraken in dit interview met een kunstenaar die grondig nadenkt over wat hij doet. Zijn 'diepste drijfveer':

Zelfexpressie. En ik wil iedereen - kinderen en volwassenen - laten kennismaken met kunst.

Jan Erik Grezel: 'U past als "totaalkunstenaar" in geen enkel hokje.' Het gevatte antwoord van Ted van Lieshout:

Jawel, in het hokje 'Ted van Lieshout'.



maandag 13 november 2017

Kunst?

Tja, wat is kunst? Lastige vraag.
Neem nou een omgedraaide piespot.

  

Zo start Kunst? Marcel Duchamps Fontein 1917-2017 van Ted van Lieshout.
Volgende pagina's: een schilderij in een lijst, 'een lijst met een plaatje erin'. En dat plaatje is kunst, vanwege de lijst.




Nou nee, 'je begrijpt er niks van!'
Want om een beeld, bijvoorbeeld, zit geen lijst.

Kunst is altijd mooi bedoeld.
Of knap gemaakt.
Of er is er maar één van.

Maar ook dat blijkt niet helemaal te kloppen. Er moet nog iets mee gebeuren:




Met op de pagina ernaast een afbeelding van een massieve grijze bakstenen kubus met lijstranden.
'Dat is precies wat Marcel Duchamp 100 jaar geleden deed', aldus de verteller, en na alle rumoer dat zijn handeling veroorzaakte:

Sindsdien wordt anders gedacht over kunst. Kunst hoeft niet meer per se mooi te zijn of knap gemaakt of deftig en duur. Kunst kan en mag ook zomaar zijn: een idee. En er mag een lijst om of een sokkel onder, maar dat hóéft niet.

Honderd jaar later, zo gaat het verhaal verder, plaatste een kind een afwasborstel in een lijst, diezelfde lijst als van dat museum daarvoor. Kunst! - en de afwas bleef staan.

Moeder wilde kwaad worden, maar ze slikte haar boosheid in toen het kind zei: 'ik vind je erg lief, mama, maar het is jammer dat je geen verstand hebt van kunst.'
Toen begreep de moeder dat haar kind een kunstenaar was. Het mocht tot middernacht opblijven.

Volgt een gedicht over 'het woordje kunst' en omdat ik al genoeg geciteerd heb, zal ik dat nu eens niet doen. Erboven staat in rode letters de kop 'Kom, we gaan kunst bevrijden!'.

Weet ik nu wat kunst is? Eigenlijk nog niet. Kunst is wat we kunst noemen. Kunst trekt onze aandacht op een andere manier dan andere zaken. Maar dat zijn geen sluitende definities. We kunnen nog wel even bezig blijven...
Wel zal dit lichtvoetige boekje kinderen (van acht tot tachtig en ouder) aan het denken kunnen zetten over kunst, en afhelpen van precies die stereotypen waarmee het begint.
Dat lijkt me een goed begin.



Ted van Lieshout. Kunst? Marcel Duchamps Fontein 1917-2017. Leopold, 2017. ISBN 978 90 258 7382 0, 24 p.





maandag 28 augustus 2017

Schitterende erwt

Heel vroeger vertelden mensen elkaar verhalen, of er was iemand die meer verhalen kende en beter kon vertellen of zingen. (Misschien was het heel vroeger het verschil tussen poëzie en verhalen niet zo omlijnd als nu.)
De verteller of zanger had zijn publiek voor zich. Hij (of zij, enz.) wist tot wie hij zich richtte en als-ie goed was, trof hij de juiste toon. Die metafoor is ontleend aan de muziek. C'est le ton qui fait la musique. Boeren, stedelingen of adel, jong of oud, vrouwen, mannen of beide, het maakte verschil.
Moeilijk te omschrijven wat dat precies inhoudt, de juiste toon. Heeft te maken met aandacht, stem, modulatie, vocabulaire, sleutelwoorden, syntaxis en meer.
Maar iedereen begrijpt de uitdrukking. Het maakt het verschil tussen blijven luisteren of weglopen. Van levensbelang voor de verteller.

Toen werd de drukkunst uitgevonden en verscheen het gedrukte boek. In een boek verdwijnen stem, modulatie en nog wat zaken. De woorden blijven over. Het publiek wordt een abstractie, want een boek lees je doorgaans in je eentje, behalve als je voorleest of uit het hoofd voordraag of zingt.
Maar nog steeds blijft het voor de lezer of luisteraar belangrijk of hij zich aangesproken voelt, of de juiste toon wordt aangeslagen. Het maakt het verschil tussen doorlezen of boek wegleggen.

De afwezigheid van direct contact tussen verteller (een persoon van de schrijver) en aanwezig publiek maakte echter een wijdere baaierd aan stijlen mogelijk. Iedere verteller (schrijver) denkt zich zijn eigen publiek, of dat nu zichzelf, kinderen, klas, vrienden, echtgenoot, grootmoeder of wie dan ook is. 'Ik schrijf voor mezelf'  of 'Ik schrijf niet voor een bepaald publiek' zijn veelgehoorde uitspraken onder auteurs.
De schrijver kiest zich een verteller. Dat kan hij (of zij, enz.) zelf zijn (de naïeve positie), maar hij kan ook een virtueel masker opzetten (persona: Latijn voor masker) of een persoon uit het verhaal tot verteller benoemen. En zelfs als hij zichzelf kiest, wordt hij de verteller van dat moment. De schrijver groeit door, de verteller stolt in het gedrukte verhaal. (Jaren later bladert de schrijver in zijn boek en denkt, heb ík dat geschreven? Dat zou ik nu heel anders doen.)
Als lezer probeer ik in het verhaal de verteller te vinden. Het doet er immers toe wie het verhaal of gedicht vertelt, we krijgen al lezend zijn blik mee, zijn standpunten. Draag ik het voor, dan probeer ik een goede interpretatie te vinden, de toon die past bij de verteller. Maak ik er muziek bij: idem dito.

In het algemeen slaan volwassen vertellers tegenwoordig voor kinderen een andere toon aan dan voor medevolwassenen. Dat geldt ook voor gedrukte tekst. Er is een beperkt repertoire aan stijlen dat in kinderboeken overheerst. Het maakt de meeste kinderboeken direct herkenbaar als kinderboek, ook zonder kaft en opmaak. Dit is geen kritiek, ook een verteller met een gangbare stijl kan een prachtig verhaal vertellen en heel mooie gedichten brengen.
Waar toon en stijl afwijken van de dominantie wordt het interessant en moet ik me bewust zijn van wat ik verwacht.




Ik kreeg door de uitgeverij een boek toegestuurd van Ted van Lieshout: Onder mijn matras de erwt. Ted van Lieshout staat bekend als auteur voor kinderen, althans, zijn werk is doorgaans te vinden op de planken bedoeld voor jeugdliteratuur en zijn naam figureert in lijsten en bekroningen van jeugdliteratuur. (Zijn prijzenkast is aardig gevuld.)
Ik sla het open en zie pagina's met afbeeldingen van poppenhoofden; zo ongeveer als die op het omslag staan afgebeeld.


De uitdrukking op hun gezichten is niet vriendelijk, eerder droevig. Het lijken wel doodsmaskers.
Dat verwacht ik niet in een kinderboek. Is het wel een kinderboek? Ik controleer de buitenkant: er staat geen leeftijdsaanduiding op het boek wordt niet als kinderboek vermeld. Wel is Leopold bekend als uitgeverij van jeugdliteratuur.
Maar wat is een kinderboek? Stil, die vraag is minder makkelijk dan-ie lijkt.

Ik ga lezen. Onderdruk de neiging om bij de inhoudsopgave meteen door te gaan naar 'Over de poppen'.
Vóór de inhoudsopgave staan nog meer van die poppenpagina's en achterin zijn er ook: bij elkaar dertien, en het zijn steeds dezelfde vijftien koppen, met andere aankleding. De inhoudsopgave zelf is voorzien van drie identieke, liggende tekeningen van een ernstig kijkend meisje.

Dan beginnen de teksten. Sommige rijmen, nog meer zijn vormgegeven als gedicht: coupletjes, als het ware. Daaronder zijn er die eigenlijk proza zijn, al geeft de vorm er een soort ritme aan. Daartussendoor teksten die als een lopende monoloog zijn opgeschreven, zinnen achter elkaar door.
Er rijst het beeld uit van een persoon die het moeilijk heeft met zichzelf, haar moeder, haar afwezige vader, het overlijden van haar oma. Nogal schrijnend, pijnlijk, soms pijnlijk grappig, galgehumor. De poppekoppen passen er wonderwel bij.
Ik bedwing de neiging om uitvoerig te citeren. Eén gedicht, aan het eind (p. 78):

nut

Ik moet mijn huiswerk maken,
mijn kamer opruimen, de vuilniszak
buitenzetten, me mooi gaan vinden,

niet boos zijn omdat mijn ouders
niemand beter konden krijgen
dan elkaar, geen die knapper was

om mee te vrijen, waardoor ik nu
opgezadeld ben met een aangeboren
lelijkheid die geen enkel kind verdient.

Ik mag blij zijn als ik later werk kan
vinden als afwashulp of vloerdweiler
in eetcafé Het gebochelde kippetje.

O, het zou goed zijn als ik zachtjes stierf,
verongelukte onder de grote voeten
van alles wat me vertrappelen wil

en schopt. Of komt er ooit een tijd,
waarin ik dan nog leef, dat ze te weten
komen dat het nuttig is dat ik besta?

Nou, vooruit, nog eentje, die van p. 34, als voorbeeld van galgehumor:

glazen schoentjes

Ik dacht dat ik glazen muiltjes droeg.
Ik weet zeker dat ik glazen schoentjes
had! Een prins die mij kwam redden
uit dit dal, weg van mijn moeder die
mij zelfs geen zevenmijlslaarzen gunt,

galoppeerde mij tegemoet op het paard
dat ik tegen wilde houden. Maar het
rende me voorbij. Ik riep nog: papa,
ik sta hier! Maar hij had in de verte
een stiefmoeder gezien met grote borsten.

Deze Assepoester dient middels wrange, schrijnende, prachtige teksten ongewild een aanklacht in tegen haar ouders, tegen de wereld. Alle teksten worden vergezeld door uitvergrote portretten van diezelfde poppenkoppen van de verzamelpagina's.
Ik aarzel niet: ik vind dit een meesterwerk.

Wat vooral knap is, is de toon. Hier is onmiskenbaar een kind aan het woord. Hoe oud, welk kind, dat laat ik in het midden. Ze lijkt gaandeweg ouder te worden. Schrijver Ted van Lieshout heeft dat kind ongetwijfeld in zich, heeft zich al schrijvend vermomd, verpopt tot dit kind, dat voor zichzelf notities maakt, uiteenlopend van een negenregelig versje van zeventien of achttien woorden (zie p. 43, mooi, een zaam of eenzaam) tot een lange monoloog als op p. 38. Ik ben haast blij als op p. 80 blijkt dat ze toch, daar, een vriendin heeft, en ook op p. 70 is ze niet alleen. Maar ja, haar oma sterft wel.

Een kinderboek? Niet direct, volgens de geijkte verwachtingspatronen. Maar reken maar dat er genoeg kinderen van tien en ouder zijn die zich hierin herkennen...



O.k., ik citeer niet de felle,  ironische aanklacht van p. 71 ('ik ben mijn moeder'), maar dan tot slot nog het titelversje (p. 74):



onder mijn matras

Ik dacht dat ik zou groeien
in een ander. Misschien
werd ik wel met grote borsten

aan of kreeg een staart
met vin. Helaas kon ik alleen
maar worden die ik ben.

Stil. Niemand ziet aan
mij wat ik verberg:
onder mijn matras de erwt.

Lezen en kijken, dit boek! Savoureren. En eindig met het stuk 'Over de poppen'. Waarin je o.a. kunt lezen hoe je zelf zulke poppenhoofden kan maken.

 


Ted van Lieshout. Onder mijn matras de erwt. Leopold, 2017. ISBN 978 90 258 6498 9; 94 p.

NB d.d. 21-2-2018. Onder mijn matras de erwt werd genomineerd voor de Woutertje Pieterse Prijs 2018.






dinsdag 6 december 2016

Jenny wie?

Het was goed dat spreekster Janny van der Molen tijdens de bijeenkomst voor Vrienden van IBBY in het Gemeentelijk Museum Den Haag op 18 november aandacht besteedde aan Jenny Smelik-Kiggen.
Want al is de Jenny Smelik-IBBY Prijs naar haar genoemd, zelfs van de ruim honderd aanwezige IBBY-vrienden zal niet iedereen haar kennen.

Jenny Smelik-Kiggen schreef vier kinderboeken. Ze hebben de tand des tijds niet doorstaan en zijn alleen nog te vinden in collecties oude jeugdliteratuur, waaronder die van de Koninklijke Bibliotheek. Titels zijn te vinden in het Centraal Bestand Kinderboeken. Ze was getrouwd met Klaas Smelik, ook een auteur. Hun zoon Klaas Smelik werd geleerde en (o.a.) bezorger van de dagboeken van Etty Hillesum.
Jenny Smelik-Kiggen liet een legaat na, dat door IBBY-Nederland van een bestemming mocht worden voorzien. Dat werd de Jenny Smelik-Kiggen Prijs, later de Jenny Smelik-IBBY Prijs, bedoeld voor 'schrijvers en illustratoren van kinder- en jeugdboeken die een bijdrage leveren aan een betere verstandhouding tussen de verschillende etnische groeperingen in de samenleving'. Een doelstelling die keurig in het verlengde ligt van die van IBBY, zie onder. De winnaar ontvangt een oorkonde en € 2000,-, de eervolle vermelding eveneens een oorkonde en € 500,-. Zie Leesplein voor de lijst winnaars.

IBBY-Nederland is een afdeling van de International Board on Books for Young people (IBBY), een 'non-profit organization which represents an international network of people from all over the world who are committed to bringing books and children together'. Het bestuur van IBBY-Nederland is uitermate handig in het vinden van partners om bijeenkomsten te organiseren.
Deze prijsuitreiking vond zoals afgelopen jaren plaats in het Gemeentelijk Museum Den Haag, dat al een tijd lang veel aandacht aan jeugdliteratuur besteedt. Zo is er nu een tentoonstelling 'Van Rodin tot Bourgeois, sculptuur in de 20e eeuw', en Ted van Lieshout en Ludwig Volbeda maakten er een boek bij, De vogels. Dat levert dan meteen een lezing op, dus aandacht voor die tentoonstelling, en als dank van het museum een gratis onderkomen voor deze IBBY-bijeenkomst. Soortgelijke combi's waren er in het verleden ook.

Het was meteen de interessantste lezing van de bijeenkomst.
Ludwig Volbeda (eerder besprak ik het door hem geïllustreerde Hoe Tortot zijn vissenhart verloor) lijkt bezeten van tekenen en wist ons daar in mee te nemen. De eerst wat verlegen overkomende illustrator raakte allengs zelf ook begeesterd en stortte een vloed aan mooie schetsen over ons uit.

De twee andere lezingen waren van Annette de Bruijn en Janny van der Molen.
De eerste berichtte over de Leeskalender, onderzoeksproject van de Universiteit van Maastricht, de tweede over haar boek Helden!, en dan vooral over die helden.

Tussendoor werden de prijzen uitgedeeld.
Eerst oorkondes ter ere van de IBBY Honour List 2016, waarop titels prijken van Bette Westera (Doodgewoon), Thys Wadman (In nije heit), Floor Rieder (De avonturen van Alice in wonderland en Alice in spiegelland) en Jenny de Jonge (Bunkerdagboek). De IBBY Honour List is 'a biennial selection of outstanding, recently published books, honouring writers, illustrators and translators from IBBY member countries'.
Vervolgens de Jenny Smelik-IBBY Prijs, aan Sjoerd Kuyper en Sanne te Loo wegens De duik (Lemniscaat). Een eervolle vermelding ging naar Liesbet Ruben voor haar boek Mijn opa de trekvogel (Tropenmuseum Junior / Querido). Sjoerd Kuyper werd daarna nog kort geïnterviewd door Susan Venings (Kinderboekenpraatjes).

Ten slotte mocht men aan de borrel in café-restaurant Gember, dat aan het Gemeentelijk Museum grenst.

PS. (d.d. 12-9-2017) Ludwig Volbeda ontving voor zijn illustraties in De vogels in 2017 de Grand Prix Bratislava tijdens de Bienále Bratislava Ilustrácií (Biennial of Illustrations Bratislava).

vrijdag 1 april 2016

Bibliotheek op school helpt

Het is zeer te begrijpen dat de redactie van Lezen en Stichting Lezen blij waren met het onderzoek door Adriana Bus en (vooral) Thijs Nielen naar wat basisschoolleerlingen van lezen vinden en naar de effecten van een goede bibliotheek op school. Thijs Nielen promoveerde ermee op 26 januari dit jaar. Van de dissertatie, Aliteracy: Causes and Solutions, is een verkorte Nederlandse uitgave verschenen: Onwillige lezers: onderzoek naar redenen en oplossingen (Eburon). Voor liefhebbers van schermlezen is het gratis te lezen of te downloaden bij Stichting Lezen. Misschien kom ik er nog toe om het te bespreken.
Overigens is het proefschrift ook online beschikbaar.

Blij dus, want, zo blijkt uit een artikel door Eva Gerrits in Lezen 2016-1, een 'ruime, actuele, aantrekkelijk gepresenteerde boekencollectie' helpt kinderen over hun 'leesangst' heen.
Onder leesangst verstaan de onderzoekers, als ik het goed begrijp, weerzin tegen lezen. Dat is oud nieuws: als je moeite met lezen hebt, ontwikkel je een afkeer van lezen, ga je dus minder lezen, en daardoor wordt het lezen steeds moeilijker. Het echte nieuws is dus dat het helpt om zulke kinderen te begeleiden, en daarvoor heb je goede boeken nodig. Bibliotheek op school is een van de meest succesvolle projecten tot nu toe.

Wie weet is het effect niet direct meetbaar, maar wel merkbaar. Gerlien van Dalen, directeur Stichting Lezen, verwelkomt dat het Platform Onderwijs 2032 naast meetbaar als toetsuitkomst ook merkbaar toelaat. Maar ja, hoe meet je merkbaar... Die vraag stelt ze niet.




Verder in dit nummer veel nieuwtjes en interviews, en o.a. ook aandacht voor de verjaardag van Tom Poes. Die werd namelijk op 16 maart 75 jaar. Zijn verjaardag werd op 20 maart gevierd in het Muiderslot. Ik gun het de Toonder-adepten van harte, maar Tom Poes was natuurlijk niets zonder Olivier B. Bommel. Die verscheen 12 juli 1941 op het toneel.

In het vorige nummer van Lezen, 2015-4, stond overigens een mooi interviewtje met Ted van Lieshout. En Ted zou Ted niet zijn als-ie het niet integraal op zijn blog had gezet. Zie hier en blader naar 21 december 2015.

dinsdag 22 maart 2016

'Proberen om de best mogelijke boeken te maken'

Ted van Lieshout wordt van diverse kanten belicht, zeg maar in het zonnetje gezet, in Literatuur zonder leeftijd 98 (winter 2015), ter gelegenheid van zijn 60e verjaardag (21-12).
Bijdragen van Pjotr van Lenteren ('Dertien keer Ted'), Jan van Coillie ('een biografie van de dichter Ted van Lieshout'), Tiny la Roi ('Een onvergetelijke liefde, het "grote verhaal" van Ted van Lieshout', uiteraard vooral over Mijn meneer), Vanessa Joosen ('De verrassende omgang met sprookjes en ouderdom in Driedelig paard), Aidan Chambers ('Particells of Ted'), Karel Eyman (een briefje over vroeger, met een rake typering aan het eind), Joke Linders (bespreekt Gebr.), Philip Hopman ('Hoe ik Ted leerde kennen'), Jacques Dohmen ('Ted van Lieshout als Mensch', en als staalborstel met troostend vilt), Selma Niewold ('Doodgaan doe je niet expres', gedichten onder de loep)
Liselotte Dessauvagie belicht 'Ted van Lieshout als bevlogen leesbevorderaar', Rolf Erdorf komt als vertaler aan het woord, Sander Bax belicht nog meer gedichten, Kris Nauwelaerts geeft commentaar op Ted van Lieshout als illustrator, Linda van Scherrenberg interviewde oud-uitgeefster Henny Bodenkamp over haar ervaringen met Ted,  Dolf Verroen biedt nog enige herinneringen, Jan Kok idem, aan Ted als auteur voor Sesamstraat,

En dan komt Ted van Lieshout zelf óók nog aan het woord, tussen deze bijdragen door. Zijn complete Mosse-lezing 2012 staat erin. Met 'Vitus in het bad' presenteert hij een onuitgegeven verhaal op rijm, dat een Gouden Boekje had kunnen worden. Te erg, vond de uitgever. Vier als het ware uit het leven gegrepen columns over 'Twee heren', gepresenteerd als vier interviews van iemand met hem. Het eerste gaat over het schrijven van boeken en daaruit is de kop boven dit bericht getild. En tussen p. 156 en 157 nog een ongepagineerd reeksje fijne tekeningen.




Nou, als verjaardagscadeau misstaat dit kloeke nummer (236 p.) absoluut niet! Daarvoor verdient de redactie een groot compliment.
Er kwam ook veel herkenbaars langs. Eigenlijk zou ik het Ted van Lieshout nog eens gunnen om een Ted-lezing te mogen houden, over het maken van het beste boek.

Hoe deze verjaardagspocket te lezen? Een goede tip lijkt me om te beginnen met de bijdragen van Ted zelf en daarvan dan weer allereerst 'Vitus in bad' en de vier columns. Vervolgens die van Aidan Chambers, Jacques Dohmen en Pjotr van Lenteren. Daarna Karel Eykman en Philip Hopman. Daarna de rest.
Er zit nogal wat machtige kost tussen die rest, maar uiteraard staat het de lezer geheel vrij om naar zijn of haar zin al te lang uitgesponnen analyses voor later te bewaren.

Literatuur zonder leeftijd wordt uitgegeven door IBBY Nederland. Een abonnement kost instellingen € 45,-, particulieren € 32,- en studenten € 24,25 (bewijs van inschrijving meesturen; moet elk jaar vernieuwd worden). Abonnementen gaan in per volledig kalenderjaar, reeds verschenen nummers worden toegezonden.
Nieuwe abonnees ontvangen als welkomstgeschenk het boek An elephant came by, een boek met ruim 100 illustraties uit prentenboeken van 24 bekende Nederlandse kinderboek-illustratoren.
Men kan zich als abonnee aanmelden via het secretariaat: IBBY-Nederland@planet.nl.
Een los nummer (zoals dit) kost € 19,95.