Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label Sprookjes en mythen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sprookjes en mythen. Alle posts tonen

vrijdag 12 december 2025

Wraak

Geesten, gedaantewisselaars, goden en godinnen - er spookt van alles rond in de diepte. Ze beloeren je niet alleen in de zeeën en de oceanen, zelfs in de buurt van gewone rivieren, vijvers, sloten en waterputten is het oppassen geblazen.
 
En dan vergeet de geachte verteller in deze passage (p. 184) nog de vele monsters die te pas maar vooral te onpas uit het water opduiken, of, zoals in Utrecht gebeurde, uit een ondergelopen werfkelder. Dat verhaal, 'De basilisk van Utrecht', bevat trouwens een klassiek motief: het monster keek in een spiegel en onderging daardoor het lot dat doorgaans hen overkwam die haar hem keken. In dit geval verbrandde het. Een oude sage, die Thea Beckman nog in De val van de Vredeborch verwerkte en lijkt op de klassiek-Griekse mythe over Perseus die met een spiegel de Medusa bedwong.
Het zit in de verhalenbundel Gefluister in de golven, net als menig ander bekend zeeverhaal met geesten en monsters. Bijvoorbeeld: 'De Vliegende Hollander' en 'Het vrouwtje van Stavoren'. Nee, niet de Witte Wieven die in Wereldreis voor het slapengaan opdoken, maar wel 'De dolende moerasridder', ook zo'n moerasverhaal. En veel andere verhalen, vooral uit streken rond de Noordzee, van Bretagne tot IJsland en Schotland tot Zweden.
Opvallend motief voor spoken en geesten: wraak! Op zijn best mee te maken in het verhaal 'Olde Böppe'. Tweede motief: hebzucht. Zie 'Het vrouwtje van Stavoren' en veel verhalen over piraten en verborgen schatten.
 
 
Margaretha van Andel, de naam (pseudoniem?) past prima bij dit soort oude verhalen, en getuige haar website (waar o.a. wordt vermeld dat ze opgroeide in Andel, dat zou toch een mirakels toeval zijn) heeft ze een voorliefde voor mythen, sagen en legenden en verhalen die er iets van weg hebben, zoals Het addergebroed van Slot Thetinga, dat dit jaar werd bekroond met de Thea Beckmanprijs.
Koningin Margaretha, het zou zomaar een wat gelukkiger variant kunnen zijn op de arme kokkelkoningin Wanda, 'dochter van Wicholf de Sakser, weduwe van Wessel Runosz en koningin van Insula Flé - van het Oostereynde, het Westereynde en het Eyerland', niet bij machte de vloek over haar familie af te wenden. 
Al krijg ik van haar website de indruk dat Margaretha een iets vrolijker leven leidt en Andel ligt niet op Texel of Vlieland.

 
Voor Gefluister in de golven koos ze een verteller met een levendige stijl, die afwisselt tussen enerzijds  anekdotes en korte verhalen en anderzijds langere verhalen, waarin ze soms verdwijnt achter dialogen en bij vlagen een wat onpersoonlijke algemene kinderboekenstijl hanteert. De verteller praat de langere verhalen aan elkaar in die intermezzo's met anekdotes! In die zin is het één lange vertelsessie, maar de langere verhalen laten zich goed afzonderlijk (voor)lezen. 


 
'Vertel,' zei Laddy, 'wat is er aan de hand? Want je hebt die hele reis vast niet alleen voor de gezelligheid gemaakt.'
Het gezicht van zijn neef betrok. 'Nee,' zei hij. 'En als ik dat wel had gedaan, was dat ook geen succes geworden, maar dat hoor je zo. In elk geval hoef ik voorlopig geen drank meer. Hoe dan ook, de reden dat ik hier ben, is opa.'
Zijn neven fronsten hun grove, zware wenkbrauwen.
 
Je merkt dat onze verteller hier wat afstandelijker is. Een betrekkend gezicht waarneemt. Iets over wenkbrauwen wil melden. Beeldend...
 
'Wat heeft die ouwe nu weer gedaan?' bromde Skess. 'Gevochten? De geiten van de buren gevild? Is hij voor de zoveelste keer in de vulkaan gevallen?'
Langhammer schudde zijn hoofd. 'Het is erger dan dat. Hij is dood. Versteend. De zon heeft hem te pakken gekregen.'
'Wát!' riepen zijn neven tegelijkertijd.
 
Dit is wat ik algemeen gangbare kinderboekenstijl noem. Bijna. De verleden tijd zou onvoltooid tegenwoordige tijd moeten zijn, alsof er live verslag wordt gedaan. Dat is tegenwoordig schering en inslag in kinderboeken, met een zo onzichtbaar mogelijke verteller.
 
In de grotten van Shetland wonen de 'trows', grote, schubbige gedrochten met een aapachtig gezicht. Ze kunnen lang onder water blijven en stelen de vis uit de netten van de vissersschepen. De schepen zelf laten ze met rust.
Dat geldt niet voor hun verre neven op IJsland, de trollen. Als die de kans krijgen, sleuren ze je schip met hun blote handen uit het water. Zelfs op een grote boot ben je niet veilig. Zo werd er eens voor de kust van het IJslandse gehucht Vík een driemaster belaagd door drie reusachtige trollen. Het zag er slecht uit voor de bemanning, maar toch gaven ze de moed niet op. Ze wisten namelijk één ding: ook trollen hebben een zwakke plek.

 
Zo luidt de verteller het verhaal over die trollen in waaruit het eerste citaat stamt, 'De trollen van Vík'. Hier is zij aan het woord, de sterke-verhalen-verteller. (Of hij, maar vooruit..., zij staat dichter bij Margaretha.) Vrijwel ieder intermezzo eindigt na enkele anekdotes met zo'n introductie.
Het leest allemaal lekker weg en je kan merken dat dit boek in eerste instantie is geschreven, niet getekend. Er is later een illustrator bijgehaald, Marieke Nelissen, en die heeft heel mooi werk afgeleverd, meer dan een aanvulling op de verhalen. Wat mij betreft maken ze nog wat van die bundels.
 
 
Andel, Margaretha van. Gefluister in de golven, verhalen over legendarische spookschepen, piraten, meerminnen, zeemonsters en ander druipend gespuis. Geïllustreerd door Marieke Nelissen.   
 
 
 

donderdag 11 december 2025

Met verhalen de wereld rond

Vlak na elkaar belandden twee boeken op de bespreektafel met verhalen uit diverse streken, categorie sagen en legenden. Twee heel verschillende boeken.
Een gaat de hele wereld rond, middels een raamvertelling.
Het andere houdt het op 'gefluister in de golven', ook over de hele wereld maar alleen waar het nat is. Dat andere komt in een volgende bespreking aan bod.

 
Het idee voor de raamvertelling was origineel.
 
Lang geleden, in een land waar weinig mensen wonen en vogels en beesten kunnen spreken, wordt er een kindje geboren uit een perzik.
 
De boer die de vreemde vrucht voorbij ziet drijven in de rivier, plukt het gekke ding uit het water en snelt ermee naar huis.
'Kijk! Kijk! Er lag iets in het water wat ik nog nooit gezien!' roept hij enthousiast. 
 
 
 
Een boer vist een 'vreemde vrucht' uit de rivier en thuis blijkt er een 'ieniemieniemensje' in te liggen. Let op, de illustratie toont dat ze samen iets uit de rivier halen..., dat is in tegenspraak met de tekst.
De boer en zijn vrouw brengen het groot, maar op een dag wil Perzikje, want zo hebben ze het jongetje genoemd, zijn 'moederboom' vinden en hij gaat op reis, met Wind als wegwijzer en blijkens de prent ook als vervoermiddel.

 
En dan.
 
Een grote vogel scheert over Perzikjes hoofd. Perzikje schrikt, duikt in elkaar, en ziet nog net hoe de vogel verderop op een frambozenstruik landt en in een jager verandert.
Zoiets heeft hij in zijn elfjarig bestaan nog nooit gezien. Even twijfelt Perzikje of hij niet beter rechtsomkeert maakt, weer naar de vertrouwde boerderij en de warme armen van zijn ouders. Maar Wind waait hem moed in, en maant hem aan om naar de jager toe te stappen. Zijn avontuur moet immers ooit beginnen, en dat is dan meteen vandaag.
'Excuseer, wie of wat ben jij?' vraagt Perzikje voorzichtig.
'Mijn naam is Zeeduiker en ik ben een gedaantewisselaar', legt de jager met een mond vol frambozen uit.
'Wow! Daar heb ik nog nooit van gehoord. Ik ben gewoon Perzikje. Hoe is het om gedaantewisselaar te zijn?'
'Dat wil ik je gerust vertellen, maar ik ben eigenlijk op weg naar zee. Ik kan je meenemen en het onderweg vertellen, maar dan moet je wel op mijn rug gaan zitten.'
Dat laat Perzikje zich geen twee keer zeggen. Nog maar pas op avontuur en nu al de kans om te vliegen! Wanneer Zeeduiker weer in vogelvorm verandert, klimt Perzikje op zijn rug met zijn kleine armen stevig rond de nek. Met een paar grote vleugelslagen, stijgen ze op.
 
Een frambozenjager, kennelijk... En de leestekens zijn authentiek, ook de komma waar je hem niet verwacht. Trouwens, waarom moet 'zijn avontuur ooit beginnen'?  
Dit is de opmaat naar een eerste verhaal, dat over Sedna, uit Canada..., de vrouw van de gedaantewisselaar, die hij moet delen met de zee. Aan het eind mag hij met een walvis verder reizen, en zo krijgen we 52 verhalen voorgeschoteld, met vaak mooie, grote, soms dubbelpagina-prenten erbij...
 

... plus tekeningen en paginagrote prenten met een lijn erop en een lands- of streeknaam. 

 
Ten slotte brengt een schildpad (van verhaal 52, 'Het verhaal van Urashima Taro', Japan) Perzikje naar zijn moederboom.
 
De schildpad brengt Perzikje naar een rivier en roept daar Wind, die Perzikje het laatste stukje wijst.
 
Uiteindelijk komt Perzikje aan bij zijn moederboom. Ze staat zachtjes te wiegen naast de rivier en Perzikje gaat, uitgeput van de tocht, tegen haar stam liggen.
'Dag moederboom, ik heb je zoveel te vertellen', geeuwt Perzikje. Zijn ogen vallen bijna dicht.
'Vertel het morgen maar, lieve jongen', ritselt moederboom door haar blaadjes. 

Als de zon weer op is, begint Perzikje te vertellen:
'De rivier bracht me naar mijn pleegouders, helemaal aan de andere kant van het Grote Water! Toen ik elf werd, waaide Wind een verhaal over jou. Dus kwam ik je zoeken, ik wou weten wie mijn moederboom was en of er nog meer Perzikjes zijn als ik. Maar ik vond nog zo veel meer onderweg!'
Hij praat over het gordeldier, de Witte Wieven en de Kikkerprinses. Hij vertelt over zijn avonturen over de hele wereld tot het alweer schemert. Dan stopt moederboom hem in onder een zacht dekentje van blaadjes. Moederboom voelt vertrouwd, maar hij kent haar niet zoals hij zijn ouders thuis kent. In het donker krijgt Perzikje opnieuw wat heimwee naar zijn pleegouders. De zon valt door de bladeren van zijn moederboom. 
'Was jij eenzaam zonder mij?' vraagt Perzikje de volgende ochtend.
'Jij bent geboren uit de grootste perzik die ooit aan mijn takken groeide. Hij werd zo zwaar dat ik hem maar amper kon dragen. Tijdens een storm viel de perzik en kwam hij in de rivier terecht, de rivier die je helemaal naar de andere kant van het Grote Water bracht. Ik was enorm verdrietig, want ik wist dat je bijzonder zou zijn. Maar nu begrijp ik ook dat jij veel te veel te ontdekken had om bij een boom te blijven die altijd maar op eenzelfde plaats moet staan.'
Nog een nacht slaapt hij onder de veilige takken van zijn moederboom, maar in de ochtend staat zijn besluit vast. Ze nemen afscheid en Perzikje gaat terug naar zijn pleegouders.
'Ik ben blij dat ik je eindelijk heb mogen ontmoeten, lieve Perzikje. Hier, neem mijn mooiste, grootste blad. Je past er net op, zo kan je weer naar huis varen,'
Moederboom laat haar blad zachtjes op de rivier vallen en Perzikje kruipt erop. Wind blaast het blad zachtjes naar huis. Dit keer over de kortste weg.
 
Einde verhaal. 



Een lang citaat, om te tonen dat er iets vreemds is met de tekst. De registers kloppen niet. Oude verhalen vergen bepaalde vertelstijlen, andere dan die voor quasi-hier-en-nu-verhalen ('avonturen'!), en hier wordt een en ander door elkaar geklutst, er is niet consequent voor één herkenbare stijl gekozen. De zinnen hobbelen ook een beetje, er zit geen poëzie in, het leest niet lekker voor, de verhalen afzonderlijk evenmin vanwege de dialogen met Perzikje. Lastig wennen trouwens, de naam Perzikje voor een elfjarige jongen, hoe klein hij ook mag wezen.
Verder vraag ik me af hoe die rivier hem van de ene naar de andere kant van het Grote Water kon brengen, want volgens mij stroomt een rivier over land. Dat Wind hem terug blaast is ook eigenaardig, want hij had zich immers opnieuw langs 'de kortste weg', met de stroom mee kunnen laten voeren. Op het tekeningetje heeft-ie ook nog eens roeispaantjes...
 
Zou dit boek beter zijn geworden als Yule Hermans het bij de illustraties had gehouden en een ervaren auteur had gevraagd om haar idee in woorden vorm te geven?
Vermoedelijk wel. Hier heeft wellicht de uitgeverij een steekje laten vallen, Yule had een meer zorgvuldige begeleiding verdiend.
 
Het idee was origineel en de illustraties zijn mooi, maar de uitwerking in woorden is helaas minder.
 
 
Hermans, Yule. Wereldreis voor het slapengaan. Pelckmans, 2025. ISBN 978 94 6234 848 6, 250 p.  
 


zaterdag 5 april 2025

Zou grappig moeten zijn

... en wie weet zijn er kinderen die er om kunnen lachen: de Grote Boze Wolf die sprookjes 'onderzoekt', onder meer om zich vrij te pleiten.


 
Daarvoor moet je die sprookjes wel kennen. In hoeveel gezinnen leest men nog sprookjes voor? Hier ligt een onderwerp voor studenten voor een master jeugdliteratuur. (Kan nog steeds, in Tilburg.) 'Jaap en de bonestaak' is sowieso niet zo bekend hier, is echt een Engels sprookje. De Grote Boze Wolf onderzoekt sprookjes is dan ook uit het Engels vertaald. 
Dus komt Assepoester ook langs, want Cinderella is in Engeland nog altijd populair, vooral rond Kerstmis. De Grote Boze Wolf vindt dat glazen muiltje onwaarschijnlijk en gelijk heeft-ie, dat is vanouds het vreemdste detail, en er zijn onderzoekers die denken dat het eigenlijk een muiltje (mooi ouderwets woord voor schoentje, in het Engels heet het doorgaans slipper) van bont was. Ergens onderweg in de overlevering zou het Franse woord vair (eekhoornbont) vervangen zijn door verre (glas), dat hetzelfde klinkt.
 


 
In dat verhaal komt een goede fee langs en dat die zomaar van alles tevoorschijn kan toveren en veranderen, vindt de Grote Boze Wolf ook maar raar.
 
Zo passeren ook 'De drie biggetjes', 'Hans en Grietje', 'De prinses op de erwt', 'Roodkapje' en dus 'Jaap en de bonestaak'. Op allerlei details heeft de Grote Boze Wolf iets aan te merken.
Wanneer voel je iets van een erwt? Doe de test. 
 

Roodkapje ligt natuurlijk helemaal gevoelig, want net als bij die drie biggetjes speelt een wolf er een belangrijke rol. Die verslindt immers een grootmoeder met huid en haar en probeert ook Roodkapje te verschalken. 'Dit is zo oneerlijk en VOLSTREKT onjuist! Ik zou Grootmoeder NOOIT in haar geheel kunnen inslikken. Geloof me.' Met bewijs:
 

 
 
Aldus De Grote Boze Wolf.
 
Is dit grappig? Het is vooral spitsvondig. Je kan er in een klas ook wat creatiefs mee doen, al was het maar eens praten over fantasie en werkelijkheid. En de cartooneske tekeningen van Sara Ogilvie zijn écht grappig, die maken dit boek toch geslaagd.
 
 
Cawthorne, Catherine, en Sara Ogilvie. De Grote  Boze Wolf onderzoekt sprookjes. Vertaling Johanna Rijnbergen. Lemniscaat, 2025. ISBN 978 90 477 1673 0, 32 p. Oorspr.: Big Bad Wolf Investigates Fairy Tales. Bloomsbury, 2024. 

donderdag 6 juni 2024

IJzige vrouw

Er zijn meerdere ijzige vrouwen in verhalen en zelfs een in een game: de Ice Queen in Old School Runescape. Een hele bekende is Queen Jadis, alias de White Witch in The Chronicles of Narnia van C.S. Lewis, deel The Lion, the Witch and the Wardrobe. Verder loopt er nog een rond in de Thorgal-stripreeks van Jean Van Hamme en Grzegorz Rosiński.
Maar wellicht de allerbekendste is die van Hans Christian Andersen, 'De Sneeuwkoningin' (Sneedronningen, 1884).
De onbekende Wiki-auteur vermeldt: 'Het verhaal is verfilmd en er zijn verschillende boeken uitgebracht over de sneeuwkoningin, de latere versies zijn zeer uiteenlopend. De sneeuwkoningin is een verhaal over wat er gebeurde nadat de Spiegel van Sneeuwwitje in duizenden stukken kapotviel.' Dat van Sneeuwwitje betwijfel ik, al zal Andersen het sprookje (van de gebroeders Grimm) wel gekend hebben. 
 



Bette Westera en Aida de Jong hebben dit verhaal opgepakt en in geheel eigen woord en beeld opnieuw verteld en verbeeld. De zeven geschiedenissen werden zeven weken (zeven zaterdagen), de jongen en het meisje werden uit de grote stad verplaatst naar een 'kleine boerderij' en werden broer en zus, Arne en Janna. Om het spel met de tijd in dit verhaal te benadrukken, liet de verteller de ouders pakjes kopen die 's winters elke zaterdag uitgepakt mochten worden Daarmee eindigt het verhaal ook, want liggen ze bij aanvang op zolder, bij thuiskomst liggen ze op de vloer rond de keukentafel.
Ik citeer:
 
Ze volgden de rivier en kwamen bij een kleine boerderij. Aan de keukentafel zaten een man en een vrouw. Om hen heen stonden zeven pakjes. Het eerste pakje was zo roze als appelbloesem. Hdet tweede was zo geel als koolzaad. Het derde was zo groen als gras in de lente. Het vierde was zo blauw als het meer in de zomer. Het vijfde was zo wit als verse melk. Het zesde was zo rood als rijpe vossenbessen. Het zevende was zo bruin als een tamme kastanje.

Volgende bladzijde.

Janna opende de deur van de boerderij. Ze had blosjes op haar wangen en de wind had haar rode haren flink in de war geschopt.
'Zijn jullie daar eindelijk?' hoorde ze haar moeder roepen vanuit de keuken. 'Het is al bijna etenstijd.'
Janna liep naar binnen, op de voet gevolgd door Arne, die zijn jas had losgeknoopt en met twee handen Janna's muts vasthield. In de muts lagen twee kakelverse eieren.
'De kippen leggen weer,' riep hij blij. 'Dan is het bijna lente.'

'Hoelang zijn we weggeweest?' vroegen de kinderen, toen ze hun jassen hadden opgehangen en hun klompen uitgeschopt.
'Zeven weken,' antwoordde hun vader met een knipoog.
'En een dag,' voegde hun moeder er glimlachend aan toe. 'Jullie zullen wel honger hebben. Zal ik die twee eitjes voor jullie bakken?'

Waarmee de lezer dus achterblijft met de vraag hoe lang hun avontuur nu duurde, een beetje à la Max en de Maximonsters. Welke werkelijkheid heerst hier? Om de verwarring nog te verhogen liggen de pakjes op de plaat tegenover die slottekst afgebeeld - op zolder. Eh...

Dat is wel een heel ander einde als dat wat Andersen bedacht. Ik citeer de letterlijke Engelse vertaling:

Kay and Gerda held each other by the hand. And as they walked along they had wonderful spring weather. The land was green and strewn with flowers, church bells rang, and they saw the high steeples of a big town. It was the one where they used to live. They walked straight to Grandmother's house, and up the stairs, and into the room, where everything was just as it was when they left it. And the clock said tick-tock, and its hands were telling the time. But the moment they came in the door they noticed one change. They were grown-up now.

The roses on the roof looked in at the open window, and their two little stools were still out there. Kay and Gerda sat down on them, and held each other by the hand. Both of them had forgotten the icy, empty splendor of the Snow Queen's palace as completely as if it were some bad dream. Grandmother sat in God's good sunshine, reading to them from her Bible:

"Except ye become as little children, ye shall not enter into the Kingdom of Heaven."

Kay and Gerda looked into each other's eyes, and at last they understood the meaning of their old hymn:

    "Where roses bloom so sweetly in the vale,
    There shall you find the Christ Child, without fail."

And they sat there, grown-up, but children still-children at heart. And it was summer, warm, glorious summer.

Eén aspect hebben Bette Westera en Aida de Jong echter behouden: 'Both of them had forgotten the icy, empty splendor of the Snow Queen's palace as completely as if it were some bad dream.' Ofwel: twee soorten tijdsbeleving naast elkaar.
 


Tussen begin en einde, die eerste en zevende zaterdag, is er ruime overeenkomst met het origineel. De trollen en de spiegel, natuurlijk, de glassplinter, de deken, de oude vrouw, de kraai, de roversdochter die het meisje (in dit geval Janna) van een rendier voorziet, de prins en prinses, het zit er allemaal in, tot en met het paleis van de Sneeuwkoningin.
Ik ga niet precies beschrijven hoe het verhaal in deze versie verloopt. Het is trouw genoeg aan het origineel om de naam te mogen dragen, tegelijk is het een heel mooie bewerking.
 

Westera, Bette, & Aida de Jong. De Sneeuwkoningin; naar het sprookje van Hans Christian Andersen. Gottmer, 2023. ISBN 978 90 257 7812 5, 64 p. 

woensdag 22 februari 2023

Over de vos en de vis

De vos is een echt fabeldier, dus is het niet gek dat Daan Remmerts de Vries die als personage nam in (o.a.) zijn fabel Vos en Vis. Het is een prentenboek, maar ook een fabel, zoals die van Jean de la Fontaine en Aesopus, hedendaags maar passend in een lange traditie.
In een recensie van het mooie Ga toch fietsen van Joukje Akveld en Philip Hopman had ik al eens iets geschreven over dieren als personages, al noemde ik Jean de la Fontaine en Aesopus daar niet. 
Het is tegenwoordig een typisch kinderboekfenomeen en ik ben niet de enige die zich soms afvraagt waarom en hoezo. Er is niet veel onderzoek over te vinden - maar wel wat, bijvoorbeeld een stevig en studieus artikel door Carolyn L. Burke en Joby G. Copenhaver in Language Arts januari 2004 (pdf), 'Animals as People in Children’s Literature' of 'Do cavies talk? The effect of anthropomorphic picture books on children's knowledge about animals' van Patricia A. Ganea1, Caitlin F. Canfield, Kadria Simons-Ghafari1 en Tommy Chou in Frontiers in Psychology 2014. Bovenaan dat artikel van Burke en Copenhaver staat

Books that use animals as people can add emotional distance for the reader when the story message is powerful or painful.

Dat vat het aardig samen. Het gaat dan om als menselijk personage verklede en handelende dieren die toch wat eigenschappen van hun soort  hebben bewaard. De beruchtste moderne voorbeelden zijn natuurlijk de varkens van Richard Scarry die als slager zijn afgebeeld en vlees van soortgenoten in de etalage hebben liggen, ik noemde die al in bovengenoemde bespreking. Van vervreemding gesproken.
 
Terug naar Vos en Vis. We kennen Vos al uit Vos is een boef, Dokter Vos en Feest met Vos, dus we weten dat Vos wel enige trekjes van het oude fabeldier Reinaert de Vos heeft, maar zijn trekken doorgaans thuis krijgt. 
In Vos en Vis is het niet anders. Vos heeft aardappelpuree gemaakt en wil er gebakken vis bij. Dus gaat hij met zijn opblaasbare boot uit vissen op zee. Als aas gebruikt hij 'een goed boek'.

Vissen, zo meende Vos, zouden daar vast op af komen. Want goede boeken zijn in zee maar weinig te krijgen.

Op zeker moment hoort hij lachen onder de boot, hij haalt zijn schepnet op en er zit een vis in. Die kiepert hij in een emmer water, en (niet in de tekst, wel in beeld) hij haalt zijn aas ook weer binnen boord.



De vis keek verbaasd om zich heen. Toen stak hij zijn kop boven het water waarin hij nu dreef. 'Waarom zit ik opeens in dit emmertje?' vroeg hij. 'En wie ben jij?'
'Tja,' zei Vos. 'Ik eh... ben Vos. Ik heb je daarnet gevangen.'
'O,' zei Vis. 'Je wilt me zeker opeten.'

Kijk, de vis die kan praten wordt Vis. Het gesprek gaat over de aanstaande maaltijd, waartegen Vis bezwaar maakt. Maar ja:



'Het spijt me erg,' zei Vos korzelig. 'Maar je hebt je laten vangen. Wie slim is vangt dieren! Dieren die dommer zijn. Zo gaat dat nou eenmaal.'
'O,' zei Vis. 'Jij bent dus een slimme Vos. En ik ben een stomme vis.'
'Precies,' zei Vos.
 
Dat pakt net iets anders uit, hoe zal ik niet helemaal uit de doeken doen, veel te leuk om zelf te ontdekken, maar...



...de laatste regels zijn:
 
Die avond zat Vos peinzend aan tafel. Hij dacht na over Vis, die nu misschien wel in zijn eigen huis zat te lezen. In dat boek. Op de een of andere manier moest Vos daarom glimlachen.
Hij begon te eten. Aardappelpuree was ook heel lekker met een klontje boter.
 
Meesterlijk in woord en beeld verteld, deze fabel. Al ben ik dat laatste niet met de verteller eens, maar ja, smaken verschillen, en als moraal is-ie niet gek. Al zou de moraal ook kunnen luiden: wie met een goed boek een vis vangt, raakt in de puree.



Remmerts de Vries, Daan. Vos en Vis. Gottmer, 2023. ISBN 978 90 257 7738 8, 32 p.

zondag 3 oktober 2021

Er was eens

... een illustratrice die goed kan tekenen en schilderen. Correctie: ze ís er nog en kan het nog steeds, en kan ook websites maken - in ieder geval haar eigen.
 
Maar op een keer ontdekte ze dat ze ook kan schrijven. Dat bracht ons in 2017 Lampje.
 
Ik citeer mezelf. Lampje
 
is zo'n verhaal dat zich afspeelt in de schemerwereld tussen hier en ginds, tussen wat wij 'onze wereld' plegen te noemen (zij het dan een eeuw of wat geleden) en een wereld die daarop lijkt maar toch net iets anders is. Zo'n wereld waarin schijn en wezen door elkaar lopen. Geen fantasy, alsjeblieft niet, ook geen sprookje, geen koningen, prinsessen, elven en trollen e.d. Wel een vuurtoren waarvan het licht met de hand wordt bediend, een schip met oude piraten, een kermis met gedrochten en een admiraal die zich te paard voortbeweegt. En zeemeerminnen.
Niet alleen daarom moest ik aan Hans Christian Andersen denken, aan zijn zeemeermin die uit liefde de zee verliet - en daarvoor een standbeeld kreeg in de haven van Kopenhagen. 

Voor de Meisjes baseerde ze zich op verhalen uit de sprookjesverzameling van de gebroeders Grimm.

Anders dan Andersen schreven Jacob en Wilhelm Grimm hun verhalen op grond van wat ze van hun informanten hoorden. Ze beschouwden hun Kinder- und Hausmärchen als wetenschappelijk werk, zij verzamelden Hessisch erfgoed. Niettemin noteerden ze niet letterlijk, veel bronnen hadden ze evenmin (minder dan tien), en 18 verhalen in de eerste verzameling (de 'Urfassung', gepubliceerd 1812) kwamen uit andere literaire bronnen.
Niet alleen anderen gingen op de loop met die oude verhalen (ik noem slechts ene Walt Disney), zij zelf konden er ook wat van en schrapten al snel bijvoorbeeld alle verwijzingen naar seks, want die gaven aanstoot.
De werkwijze van de Grimms zou tegenwoordig niet heel wetenschappelijk worden gevonden, maar is evenmin afkeurenswaardig. Zoals Vanessa Joosen het op p. 91 formuleert in Een land van waan en wijs. Geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur, verschenen in 2016 en nu al in zijn geheel te vinden in de onvolprezen Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (DBNL):

De onbekende oorsprong gaat hand in hand met de anonimiteit van volksverhalen. Originaliteit en auteursrecht zijn in deze context relatieve begrippen; de verhalen worden beschouwd als gemeengoed. Namen van vertellers, auteurs of vertalers zijn vaak niet meer te achterhalen, en zelfs wanneer die gegevens bekend zijn, blijven ze regelmatig onvermeld. In veel sprookjesboeken wordt zowel met de inhoud als met de verwijzingen naar de bron losjes omgesprongen. Bij sommige oudere sprookjesverzamelingen is het zelfs de vraag of ze wel gebaseerd zijn op mondelinge verhalen. 
 
De oude verhalen werden verzoet, verbraafd, geromantiseerd, verdraaid, personages kregen soms karakterdiepte of werden juist volstrekt cliché, in de jaren '70 kwam er een scheut klassenstrijd en/of vrouwenstrijd in, de seks kwam er soms juist weer in terug, religieuze motieven (bv. Naema Tahir, Roodkapje en de bekeerde wolf); afijn, er werd en wordt heel wat gesleuteld en de resultaten zijn vaak allerbelabberdst en soms erg mooi, maar ze lijken zeer waarschijnlijk van geen kanten op hoe men ze vroeger vertelde, vroeger, toen er nog geen massamedia bestonden waarin men elkaar nadeed en vertellers op de markt hooguit de kunst van elkaar afkeken.
 
Wie een beeld wil krijgen welke thema's en verhaallijnen die oude verhalen hadden, doet er goed aan om de Aarne-Thompson-Uther-index te raadplegen, na lezen van het grondige wiki-artikel hierover, en evenzo de Thompson Motiv-index. Met alle onvolkomenheden (o.a. genoemd in dat wiki-artikel) toch twee goede instrumenten, alom gerespecteerd, zelfs door de criticus Vladimir Propp, die zijn eigen lijst van 31 functies in oude verhalen samenstelde.
Die ATU-index is trouwens zelf een motiefje in een verhaal geworden:

This page is a mirror of the ATU Index page of the Multilingual Folk Tale Database, a rich library of curated world folktales, most of which are not indexed yet. All links target the MFTD.
Unfortunately, the MFTD was hacked in late December, 2019. The data is still intact on back-up images and the MFTD curators are looking for a secure means to host the MFTD again.
The index here is just a list of ATU Tale Types until the MFTD is recovered.
Thank you to the many institutions, professionals and amateurs, who rely on and use the MFTD for their research and as a source of folktales, who contacted me inquiring about the status of the MFTD.

Een sprookjesverzameling gekaapt, wie verzint het... misschien zit er een kwaadaardige stiefmoeder achter, een djinn of wie weet een trol, een boreale trol.

Je hoeft niet zo heel ver in die indexen te bladeren om er achter te komen dat magie en werkelijkheid één zijn, het noodlot vaak toeslaat en het geluk soms hard bevochten moet worden, en dat personages (mensen, dieren, reuzen, dwergen, ...) in onze ogen doorgaans nogal hardhandig met elkaar omspringen. Het zijn resten van oude, heel oude verhalen - en dat fascineert velen, mij ook. Er gaan onbekende verten achter schuil, ongekend verleden, de wereld was nog onbegrensd en overleven een kunst.
 
Kennelijk fascineerde het ook Annet Schaap. School er al iets sprookjesachtig in Lampje, in de Meisjes, zeven sprookjes zet ze het woord in de titel en neemt ze zoals gemeld zeven verhalen uit de verzameling van Jacob en Wilhelm, waarmee ze vrolijk aan de haal gaat.
Het zijn:
Repelsteeltje (ATU 500), ofwel 'Meneer Pelsteel'.
Roodkapje (ATU 333), ofwel 'Wolf'.
Hans en Grietje (327a), ofwel 'Koekjes'.
De prinses en de kikker (440), ofwel 'Kikker'.
Blauwbaard (312), ofwel 'Blauw'.
Doornroosje (410), ofwel 'Slaapster'.
Het mooie meisje en het monster (088), ofwel 'Monstermeisje'.
 
Al haar sprookjes verlopen anders dan de bekende versies. De hoofdpersonen zijn meisjes en ze redden het aardig. De andere figuren lijken soms slechts heel in de verte op de bekende personages, hoewel bijvoorbeeld de kikker wel degelijk een kikker is...



... en blijft!
 
'Dan droog ik wel af.' Haar kikker sprong op haar arm en vlijde zich in het hoekje van haar elleboog. 'Zullen we het dan voor het eten nog even proberen?' kwaakte hij zachtjes. 'Ik heb zo'n gevoel dat het vandaag misschien wel lukt, denk je ook niet?'
Het meisje keek naar zijn groene lijfje, zijn brede bekje. Nee, ze dacht eigenlijk van niet. Maar ze glimlachte.
'Laten we dat doen,'zei ze.
 
Waarna het aan de lezer of luisteraar wordt overgelaten om een vervolg te bedenken.
 
In de andere verhalen is de afloop iets eenduidiger. In 'Blauw' vallen de zusjes Anna en Lize de man aan die Lize wil ombrengen nadat ze al vloeren dweilend de geheime kamer met dode meisjes heeft ontdekt.

En terwijl hij valt kijkt hij verbaasd van het ene zusje naar het andere, van het mooie naar het lelijke, en hij laat het mooie los en het lelijke haalt uit met haar voet en het is maar een meisje natuurlijk, en even lijkt hij verbaasd dat zoiets zo hard kan schoppen, maar dan stappen zijn eigen voeten al in de lege lucht, proberen zijn handen de leuning nog vast te grijpen maar de zwaartekracht is hem voor, en daar gaat hij al. Bonkend en krakend, zijn hoofd op alle traptreden, één voor één. Na de laatste bonk is het stil.

Nu is het Anna die begint te huilen. Lize staat op en pakt haar bij de hand.
Tree voor tree klimmen ze de trap af. Eerst langzaam, omdat ze niet willen kijken naar wat daarbeneden ligt, en dan heel snel omdat ze er vlak langs moeten, en het zal toch niet dat er opeens een hand uitsteekt die een enkel grijpt... Maar dat gebeurt niet. Er beweegt hier niets meer dan zijzelf.
Ze rennen klepperend de lange gang door naar de voordeur. Alleen Anne kijkt nog heel even om.
De man in de donkere jas ligt daar nog steeds, half op de onderste tree. In de schaduw van de trap is zijn gezicht alleen te zien als een lichte vlek tegen zijn baard die zo zwart is. Blauw, bijna.

Einde van 'Blauw'.
 
'Monstermeisje'  begint zó:

Storm

Het meisje zit te borduren in de torenkamer. Met kleine kruissteekjes werkt ze aan de D, de D middenin: GEDULD IS EEN SCHONE ZAAK.

Dat meisje zit daar opgesloten met de 'brave dame Morsegat', en borduurt al onafzienbaar lang aan zulke werkjes. Ze is een prinses en ooit zou er een prins moeten komen. Ze is echter onflatteus groot, grof en harig uitgevallen, er heeft zich nog geen prins aangediend en haar ouders, vooral haar moeder, willen haar niet zien.
Wel spoelt er met die storm een zeeman aan - zijn schip is vergaan. De prinses (ze heet trouwens Belle) ontfermt zich over de zeebonk en die leert haar schaken en ze hebben het eigenlijk best aardig met elkaar, vooral nadat de prinses zijn kist uit de golven haalt. Voorbode van verandering:

En voordat ze weet wat ze doet, schopt ze haar altijd te kleine schoenen uit (prinsessen hebben kleine zoete voetjes) en loopt een paar stappen het water in. De golven omspoelen haar kuiten. Het zand is zacht en de zee is fijn koud aan haar tenen.
'Prinses!' klinkt een stem van het strand. 'Wat doet u! U gaat toch niet zwémmen?!'
Ze hoeft niet te zwemmen. Ze steekt nog ver boven water uit als ze een paar stappen verder door de branding loopt. Ze zee rukt aan haar rokken en maakt ze zwaar. Maar zelf voelt ze zich wonderlijk lichter dan anders, alsof het water helpt om haar te dragen. Nog een klein stukje, dan is ze er.
'Hojo prinses!' roept de matroos haar na. 'Ja, daar! pak 'm!'

Natuurlijk verdwijnt hij als hij is opgeknapt, maar hij nodigt haar uit om mee te gaan. Dat doet ze eerst niet. Ze mist hem wel. En op een dag gooit ze uit woede de schaakstukken in zee, maar wil die dan toch weer terughalen en loopt de zee in.
 
Ze zwemt, en hoe verder ze zwemt, hoe minder het haar kan schelen.
 
Als ze omkijkt lijkt alles achter haar opeens klein, bijna nietig. Zelfs de hoge toren. Zelfs al roept iemand daar: 'Prinses, wat doet u? Prinses, kom terug!' Het verwaait met de wind. 
Is ze wel een prinses?
Ze weet eigenlijk niet wat ze is. Een meisje, een monster, misschien is ze een zeedier, een boot of een vis. Iets dat altijd maar door kan zwemmen zonder moe te worden.
Ze laat zich deinen op en onder de golven, stroopt zwemmend haar rok af, wat absoluut verboden is, en knoopt jaar korset los, wat ook volstrekt niet mag. Als een grote roze kwal met knoopjes drijft het weg.
Ze zuigt haar longen vol lucht, strekt zich uit. Het water is wijd, ze botst nergens tegenaan.
Nog even, denkt ze. Nog een klein stukje. Ze gaat straks wel weer terug. Vast nog wel op tijd voor de thee.
Meeuwen zeilen boven haar, vissen zwemmen onder haar. Er is ruimte voor alles.
De Grote, de Grote, zingt de matroos in haar hoofd. De Grote is zo wijd.

In de glinstering van de zon op het water lijkt het alsof ze iets ziet. Alsof in de verte een boot aan komt varen. Verbeelding natuurlijk, maar ze ziet het toch: steeds even wel, dan weer niet, dan weer wel.
Daar is hij dan, denkt ze. Eindelijk. Dan is het vandaag, die blijde dag. Een zeil zo wit als zijn gebit. Zal ze zwaaien? Hierheen, prins!
Maar zij is nat en ontoonbaar. En nog steeds veel te groot en te behaard. En half bloot ook nog. Ze zwaait niet.
Laat maar, denkt ze. Ik hoef niet, ik hoef geen prins meer.
'Hojo prinses!' roept een stem over het water. De boot stuurt haar kant op, het is een vrachtboot, ziet ze, met een flinke ijzeren boeg. iemand buigt zich over de reling en zwaait.
Ze ziet dat er een vlaggetje hoog in de mast is geknoopt.
Als de boot dichterbij vaart kan ze lezen wat erop geborduurd staat:
GEDULD IS EEN SCHONE ZAAK.

Met opzet een lang citaat. Want ik hoop eigenlijk dat ik zo niet hoef uit te leggen hoe prachtig dit is geschreven. Prinses, meisje of monster. Een korset 'als een grote roze kwal met knoopjes'. 'Het water is wijd, ze botst nergens tegenaan.' 'Laat maar', 'ik hoef geen prins meer'.
Op de connotatie (suïcide) hoef ik hopelijk ook niet te wijzen, evenmin op het schrijnende zelfbeeld en de wrange humor ('geduld is een schone zaak').
Over die andere citaten maar even niets, zo al mooi genoeg en je moet van mij maar aannemen dat 'Blauw' ook nog eens een fijne studie in zusterschap is. Het is overigens niet allemaal zo tragisch, 'Pelsteel' bijvoorbeeld is vooral grappig en ook 'Wolf' bevat prettige hedendaagse ironie over beschermzucht.

Hoe ze het doet valt best een beetje uit te leggen, dat moet een andere keer misschien.

Dit is meesterschap, daar neem ik mijn pet voor af.


Schaap, Annet. de Meisjes, zeven sprookjes. Querido, 2021. ISBN 978 90 451 2669 2.

zondag 18 november 2018

Sprookjes van The

Sprookjes van overal is niet het eerste sprookjesboek van The Tjong-Khing, wel het eerste dat ik bespreek. Het is net als De dertig mooiste verhalen van de sprookjesverteller en Sprookjes van Andersen (van The Tjong-Khing 'de sprookjesverteller') een kloek boek, gebonden en met leeslint. En ook dit boek is uiteraard geïllustreerd door The Tjong-Khing zelf, met veel paginagrote platen, maar ook kleinere illustraties.



Bronnen van de dertien verhalen ontbreken, verantwoording van de selectie eveneens. Jammer, want het is een interessant allegaartje, met zowel 'De tweede reis van Sindbad de zeeman' als 'Belle en het monster' en 'Jaap en de bonenstaak' en een hier relatief onbekend sprookje als 'Zout op de ekster' uit Zweden. 'Sprookjes van overal', inderdaad. Lijkt het meest op een greep in een sprookjestrommel met blindendoek om.



Khing hanteert een makkelijke, losse vertelstijl, bijna spreekstijl, als een (groot)vader die aan de rand van het bed zijn kinderen voorleest. Hij begint steevast met 'Lang, lang geleden, heel ver hier vandaan', gevolgd door 'was er eens', 'waren er eens' of 'leefde er eens' o.i.d., en eindigt vaak met een moraal, soms refererend aan een vermeend genrekenmerk, zoals in

In sprookjes zijn stiefmoeders bijna altijd jaloers en gemeen.
Nou ja, daarvoor zijn het dan ook sprookjes.

(Eind van 'Prinses Hase) Of:

Jaap heeft een boon aangenomen van een vreemde en het is heel goed voor hem afgelopen. Maar hé, dit is een sprookje! In het echt moet je nóóit iets aannemen van iemand die je niet kent.
Maar dat wist je natuurlijk al.

(Eind van 'Jaap en de bonenstaak'.) Of:

Pfff, wat een verhaal. Maar in sprookjes kan alles, dat blijkt maar weer. Wees maar blij dat jouw leven geen sprookjes is.

(Eind van 'Rosa'.) Zoals hier spreekt hij vaker het veronderstelde publiek aan, en soms voert hij zichzelf op, zij het niet vaak en heel onnadrukkelijk.
Het valt nog mee dat hij zijn verhalen niet eindigt met 'en ze leefden nog lang en gelukkig', anders zouden ze met hun rituele begin perfect in het sprookjescliché passen. Dat geldt ook voor het veelvuldig voorkomen van koningen, prinsen en prinsessen e.d.
Ze lijken soms wat onlogisch, voor ons soort lezers, en daar breit de verteller soms een mouw aan door een verklaring te verzinnen, zoals in 'Jaap en de bonenstaak':

Weer klopte hij op de poort van het kasteel en weer deed de reuzenvrouw open. Ze had slechte ogen, dus gelukkig herkende ze hem niet.

Sprookjes zoals deze, gebaseerd op oude verhalen, zou je ook toververhalen kunnen noemen. Plaats en tijd zijn (anders dan in sagen en legenden) onbestemd. Er komen vrijwel altijd magische elementen in voor, die doorgaans ook een rol spelen in de intrige. Er komen soms mensachtigen in voor die duidelijk niet homo sapiens zijn: elfen, dwergen, trollen, feeën, reuzen. Met de hoofdpersoon loopt het vrijwel altijd goed af, in tegenstelling tot stiefmoeders.



Er is een grote variatie aan intriges - maar niet oneindig, ze zijn door Anti Aarne en Stith Thompsom, later nog aangevuld door Hans-Jörg Uther (zie de zogenoemde Aarne-Thompson-Uther-index) en Vladimir Propp (Владимир Яковлевич Пропп) keurig in beeld gebracht.
Hieronder vallen niet de zogenoemde cultuursprookjes, sprookjesachtige verhalen die in de 19e eeuw en later werden geschreven. Verreweg de bekendste zijn die van Hans Christian Andersen - die zijn verhalen overigens geen sprookjes noemde. Deze verhalen hebben een aanwijsbare auteur, maar dat heeft vele bewerkers er niet van verhinderd ze lustig om te spitten. Dat past dan weer wel in de sprookjestraditie, want ook die oude verhalen zijn vele malen bewerkt.



The Tjong-Khing heeft daar nu zijn bewerkingen aan toegevoegd. Geen opmerkelijke bewerkingen, maar ze laten zich goed voorlezen en de oude meester maakt nog steeds prachtige platen.



The Tjong-Khing de sprookjesverteller. Sprookjes van overal. Gottmer, 2018, ISBN 978 90 257 7013 6, 168 p.



maandag 6 maart 2017

Zeg Roodkapje...

Het zal je liefhebberij maar zijn... maanden in de Koninklijke Bibliotheek doorbrengen om daar honderden versies van Roodkapje over te tikken.
Folkert Karsdorp deed het, aldus een artikel door Maarten Dessing: 'maandenlang eenzame opsluiting in de KB: boek op een kussen, handschoenen aan, met een hand het blaadje openhouden, met de andere overschrijven. Er zaten oude kijkdozen of pop-upboeken bij, daar moet je zó voorzichtig mee zijn'.
Folkert Karsdorp is een etnoloog, 'voorheen verbonden aan het Meertens Instituut en nu aan de Radboud Universiteit in Nijmegen' - maar het Meertens Instituut en zijn eigen site vermelden hem nog gewoon als medewerker. Hij deed het niet in zijn eentje: Antal van den Bosch, 'taaltechnoloog' en vanaf januari dit jaar directeur van het Meertens Instituut, hielp hem. Het onderzoek mondde in december 2016 uit in een proefschrift: Retelling Stories: A Computational-Evolutionary Perspective (2016).



Het doel was om deze versies te vergelijken met hulp van digitale techniek. De uitkomst van dit onderzoek beschreef Marten Dessing in een artikel in Taaluniebericht, Taaltechnologie brengt Roodkapje tot leven. Het persbericht dat ik vond in Nu.nl dateert al uit juni 2016 en ebschrijft de onderzoekmethode aldus:

'De onderzoekers gebruikten een bijzondere bron: alle ingescande of handmatig getranscribeerde versies van meer dan vierhonderd Nederlandse hervertellingen van Roodkapje, verzameld door de Koninklijke Bibliotheek en gedigitaliseerd door Karsdorp in samenwerking met het Meertens Instituut in Amsterdam. Van den Bosch: "De computer maakt het mogelijk om zo’n groot corpus met zoveel data te onderzoeken. Iets wat je handmatig nooit had kunnen doen. Dit is gewoon een veel efficiëntere manier om onderzoek te doen naar de verwantschap van teksten."'




Wat hij onder meer ontdekte is dat de meeste bewerkers teruggrijpen op een andere bewerking en niet op een oude tekst. Nou ja, de meeste...: 'Iedereen die Roodkapje herschrijft, grijpt terug op een variant van maximaal twintig jaar oud.'.




Een boude bewering en het persbericht heeft het over 'vrijwel alle bewerkingen', maar onwaarschijnlijk is het niet.
Natuurlijk wijst Karsdorp er ook op dat alle versies uiteindelijk te herleiden zijn tot de versies van Charles Perrault (die Roodkapje gewoon opgegeten laat) en de gebroeders Grimm (die de jager laten opdraven om haar te bevrijden).
Vooral die laatste versie heeft navolging gevonden. Net als de broers vonden de meeste bewerkers het kennelijk wat bont om de jonge dame zo aan haar eind te laten komen - of ze waren geheel niet op de hoogte van de oudere versie van Perrault.

Die versie van Perrault berustte weer op nóg oudere versies, het verhaal was niet onbekend in Frankrijk en de oudste geschreven versie dateert uit de 10e eeuw, als gerijmd verhaal 'De puella a lupellis servata' in een werk getiteld Fecunda ratis, door ene Ecbertus Leodiensis ofwel Egbert van Luik. Die vroege versies zijn bestudeerd door Jamie Tehrani, zie zijn artikel 'The Phylogeny of Little Red Riding Hood' (2013).




Roodkapje is een van de sprookjes die erg tot de verbeelding hebben gesproken van uitleggers, wegens de seksuele connotaties die het verhaal kan oproepen. Ga niet met vreemde mannen mee is nog de simpelste boodschap die aan Perraults versie zou kunnen worden toegeschreven. Iets minder simpel wordt het vanzelf als aan Roodkapje een zekere gewilligheid wordt toegeschreven.
Dat gaat van serieus naar minder serieus. Zie voor het serieuze werk o.a. de bekende studie van Jack Zipes over Roodkapje, The Trials and Tribulations of Little Red Riding Hood (1983), of Little Red Riding Hood Uncloaked: Sex, Morality, And The Evolution Of A Fairy Tale van Catherine Orenstein (2003), of de verhalenbundel The Bloody Chamber and Other Stories (1979) en daarin het verhaal 'The Company of Wolves' van Angela Carter. Of de film Red Riding Hood van regisseur Catherine Hardwicke.
Minder serieus? Tik in Google of een andere zoekmachine 'Red Hiding Hood Sex' onder afbeeldingen en je krijgt een overvloed aan plaatjes...




Ik heb het proefschrift van Folkert Karsdorp niet gelezen, maar het lijkt me aannemelijk dat hij aan dit aspect geen enkele aandacht besteedt. Sowieso doet het beeld bij hem niet terzake.
Dessing citeert: 'Kinderboeken kun je niet met ocr (optical character recognition) digitaliseren, omdat er vaak plaatjes in zitten. Dan staat er opeens een boom door de tekst afgedrukt.' Aldus Karsdorp.
Jammer, want plaatjes (al dan niet bewegend) zeggen evenveel over navolging als woorden. Neem alleen al de invloed van Disney...

 











dinsdag 1 oktober 2013

Fabels in het Indo-Europees

Het Indo-Europees is volgens vrijwel alle taalgeleerden de oertaal waarvan de meeste Europese talen en zeer veel talen uit het zuidwesten van Azië afstammen, van het Hindi tot het Gaelic. De taal zou zo'n vijf-, zesduizend jaar geleden zijn gesproken.
Door talen met elkaar te vergelijken en theorieën toe te passen over de manieren waarop talen veranderen, zijn pogingen ondernomen om een idee te krijgen hoe die taal geklonken moet hebben. Zoals te voorzien, verschillen de meningen tot op heden, want zo eenvoudig is het niet. In de 19e eeuw ondernam de geleerde August Schleicher een poging: hij schreef een fabel, 'Het schaap en de paarden', in het Proto-Indo-Europees (PIE) .
Hier de Engelse versie zoals weergegeven op Archaeology:

'A sheep that had no wool saw horses, one of them pulling a heavy wagon, one carrying a big load, and one carrying a man quickly. The sheep said to the horses: "My heart pains me, seeing a man driving horses." The horses said: "Listen, sheep, our hearts pain us when we see this: a man, the master, makes the wool of the sheep into a warm garment for himself. And the sheep has no wool." Having heard this, the sheep fled into the plain.'

Hier die in het (PIE) volgens Schleicher:

'Avis, jasmin varnā na ā ast, dadarka akvams, tam, vāgham garum vaghantam, tam, bhāram magham, tam, manum āku bharantam. Avis akvabhjams ā vavakat: kard aghnutai mai vidanti manum akvams agantam. Akvāsas ā vavakant: krudhi avai, kard aghnutai vividvant-svas: manus patis varnām avisāms karnauti svabhjam gharmam vastram avibhjams ka varnā na asti. Tat kukruvants avis agram ā bhugat.'

Tot nu toe waagde niemand zich in het openbaar aan het uitspreken.
Maar de taalkundige Andrew Byrd waagde zich aan een poging. Zie en hoor Archaeology.
'It is based on recent work done by linguist H. Craig Melchert, and incorporates a number of sounds unknown at the time Schleicher first created the fable:

H2óu̯is h1éḱu̯ōs-kwe
h2áu̯ei̯ h1i̯osméi̯ h2u̯l̥h1náh2 né h1ést, só h1éḱu̯oms derḱt. só gwr̥hxúm u̯óǵhom u̯eǵhed; só méǵh2m̥ bhórom; só dhǵhémonm̥ h2ṓḱu bhered. h2óu̯is h1ékwoi̯bhi̯os u̯eu̯ked: “dhǵhémonm̥ spéḱi̯oh2 h1éḱu̯oms-kwe h2áǵeti, ḱḗr moi̯ aghnutor”. h1éḱu̯ōs tu u̯eu̯kond: “ḱludhí, h2ou̯ei̯! tód spéḱi̯omes, n̥sméi̯ aghnutór ḱḗr: dhǵhémō, pótis, sē h2áu̯i̯es h2u̯l̥h1náh2 gwhérmom u̯éstrom u̯ept, h2áu̯ibhi̯os tu h2u̯l̥h1náh2 né h1esti. tód ḱeḱluu̯ṓs h2óu̯is h2aǵróm bhuged.'

Lijkt naar mijn idee nauwelijks op de tekst van Schleicher. Zal wel liggen aan die nieuwe klanken.

Nog zo'n verhaal in het PIE is 'De koning en de god'. 'In the 1990s, historical linguists created another short parable in reconstructed PIE. It is loosely based on a passage from the Rigveda, an ancient collection of Sanskrit hymns, in which a king beseeches the god Varuna to grant him a son.'

Hier de Engelse versie, nog steeds volgens Archaeology:
'The King and the God
Once there was a king. He was childless. The king wanted a son. He asked his priest: "May a son be born to me!" The priest said to the king: "Pray to the god Werunos." The king approached the god Werunos to pray now to the god. "Hear me, father Werunos!" The god Werunos came down from heaven. "What do you want?" "I want a son." "Let this be so," said the bright god Werunos. The king's lady bore a son.'

Hier de transscriptie, gebruik de link om te luisteren:
'H3rḗḱs dei̯u̯ós-kwe

H3rḗḱs h1est; só n̥putlós. H3rḗḱs súhxnum u̯l̥nh1to. Tósi̯o ǵʰéu̯torm̥ prēḱst: "Súhxnus moi̯ ǵn̥h1i̯etōd!" Ǵʰéu̯tōr tom h3rḗǵm̥ u̯eu̯ked: "h1i̯áǵesu̯o dei̯u̯óm U̯érunom". Úpo h3rḗḱs dei̯u̯óm U̯érunom sesole nú dei̯u̯óm h1i̯aǵeto. "ḱludʰí moi, pter U̯erune!" Dei̯u̯ós U̯érunos diu̯és km̥tá gʷah2t. "Kʷíd u̯ēlh1si?" "Súhxnum u̯ēlh1mi." "Tód h1estu", u̯éu̯ked leu̯kós dei̯u̯ós U̯érunos. Nu h3réḱs pótnih2 súhxnum ǵeǵonh1e.'

Het nieuws bleef niet onopgemerkt. Het onvolprezen Taalpost gaf me de hint, o.a. CNET, Huffington Post (mooi artikel) en Opposing Views pikten het op.

Je zou wensen dat er een Proto-Indo-Europeaan uit zijn graf verrees om commentaar te leveren. Ik vind het prachtig, die pogingen om oude of verzonnen talen te laten klinken.
Zie ook 'Spreken als Yoda', luister naar Lucas Lambers' weergave van Hesiodos, Sondre Danielsens 'Onze Vader' in Oud-Engels (hier mag ook), zie Benjamin Bagby met zijn Beowulf hier of hier op Youtube (of koop de dvd) en zie The Recordings van SOAS. Er is vast meer te vinden.