Zoeken in deze blog

Posts tonen met het label Joke van Leeuwen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Joke van Leeuwen. Alle posts tonen

maandag 15 september 2025

Hendrik Tollens

was een verfhandelaar die graag toneelstukken en verzen schreef.
 
Zoals dit:
 
De liefde op het ijs

De wintervorst vierde zijn lusten de toom
en vloerde met schotsen het meer en de stroom;
de veldvreugde ruimde voor de ijsvreugde plaats
en meertjes en stroompjes weerkaatsten de schaats.

Schoon Elsje, een boerinnetje, poezel en mals,
verloor in het zwenken de boot van haar hals
en Koenraad, de flinkste gezel van het oord,
ontdekt die en raapt die en rijdt ermee voort.

'Wat deert u, schoon Elsje!' zo vraagt hij alras,
terwijl zij al schreiende zoekt langs de plas.
'Mijn bootje' (zo snikt zij) 'helaas ben ik kwijt:
het viel in de sneeuw of misschien in een bijt.'

''t Was wis van een vrijer, tot meerder verdriet?'
'Neen, 't was van mijn moeder: ik kreet anders niet.'
'Kom, wis maar uw traantjes: wij vinden 't wel weer;
leg op maar, en zoek maar de baan op en neer.' 
 
En nog veel meer coupletten volgen. Het loopt zo af:

Zij pozen en kozen: hij vleit haar een blos,
terwijl glipt er nogmaals een schaatsje weer los;
hij bindt en herbindt het, en weifelt en fleemt,
en vraagt en verkrijgt, en begeert nog, en neemt.

De landjeugd reed af en het maanlichtje klom,
en Koenraad gaf Elsje haar bootje weerom,
en gaf haar een ring en een kusje zo teer!…
Maar ging met haar hartje, en nooit gaf hij 't weer.

Zijn werk is niet meer erg in trek, maar voor wie de smaak te pakken heeft: zie gedichten.nl.

 
Er staat een standbeeld van hem in Rotterdam, waar hij geboren werd en zijn bedrijf had, en in Rijswijk is zijn laatste woning vertimmerd tot Tollenshuis, waar Museum Rijswijk gevestigd is. Zie ook Wikipedia, De onvolprezen Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL) en het Tollensfonds. Dat fonds ontstond in 1860 aldus:
 
Op de zestigste verjaardag van Tollens in 1860 werd door zijn vrienden en vereerders een fonds opgericht, om Tollens blijvend te kunnen eren. Het was oorspronkelijk bedoeld om oudere dichters, die in moeilijke financiële omstandigheden verkeerden, te kunnen steunen Sinds 1902 veranderde het toenmalige bestuur dat.

Met de vijfjaarlijkse Tollens-prijs wordt een letterkundige geëerd die naar het oordeel van de jury opvallende literaire waarde bezat in de afgelopen periode.
 
 
Joke van Leeuwen. (Foto ANP.)
 
En die eer viel in september 2025 toe aan Joke van Leeuwen, wat mij betreft een zeer goede keuze. Die mening deel ik met anderen, gelukkig, want haar bekroning werd opgemerkt door de Volkskrant (met dank aan Pjotr van Lenteren), Tzum, Neerlandistiek en meer. Eerder werd Joke van Leeuwen bekroond met onder meer de Theo Thijssenprijs (2000, voor haar werk voor kinderen), de Gouden Ganzenveer (2010) en de Constantijn Huygensprijs (voor al haar werk, 2012). Plus nog flink wat Griffels en Penselen en zie ook hier.
De jury, tevens bestuur van het Tollensfonds, bestond uit Jan Baeke, Lotte Jensen, Hans Kolff, Bas Kwakman, Ruud Poortier, Kila van der Starre en Aleid Truijens. 
De uitreiking is/was op 5 oktober in het Tollenshuis. 

zaterdag 25 maart 2023

Een pluisje


 
Kan een maand zich iets afvragen?
 
Ja, volgens de mensen achter de Maand van de Filosofie editie 2023 (april, thema: weerloos en waardevol). Lees maar:

De Maand van de Filosofie 2023 vraagt zich af hoe het weerloze en waardevolle zich kan weren tegen de harde cijfers van verdienste, prestige en succes. En vooral hoe waarde weer zijn waarde krijgt.

Bij verdienste kun je nog aan inkomsten, dus 'harde cijfers', denken, maar zijn prestige en succes te vangen in harde cijfers? En is het niet het eigene van waarde dat het geen waarde heeft, maar is?
Zo zet de inleiding waaruit het bovenstaande is geciteerd meteen aan het denken. Niet gek, in dit verband.
 

 
Joke van Leeuwen dacht bij dit thema aan een pluisje, vermoed ik. Er verscheen namelijk een 'kinderboek voor de maand van de filosofie', Dát bedoel ik, zei de zalm, door haar geschreven, en dat gaat over een pluisje.

Op een dag trok de westenwind een pluisje van een dure trui en speelde ermee.
Het pluisje was van wol die niet kriebelde, mooie wol van geduldige schapen, geduldige schapen uit een groot land, een groot land in een ver werelddeel een ver werelddeel op de blauwe aardbol, de blauwe aardbol in het gigantische melkwegstelsel, het gigantische melkwegstelsel in het oneindige heelal.
Zo'n pluisje dus.
Het had echte schubben, maar dat kon je met mensenogen niet zien.
Er is zoveel wat je met mensenogen niet kunt zien.

Zo'n auteur dus. Relativiteit en bewustzijn, in- en uitzoomen in vijf zinnen.
Toen ik twaalf was, omschreef ik mijn adres aldus: Antilopenlaan 4, Eindhoven, Nederland, Europa, wereld, zonnestelsel, heelal. De andere kant op ging nog niet zo goed.

Dat van die schubben tekende ze er maar even bij. Onvervalst Joke van Leeuwen.
 


De wind en het pluisje voeren een gesprek. Stukje daaruit:

'We spelen helemaal niet leuk, wind. Jij speelt met mij, ik niet met jou.'
'Dat komt omdat jij zo'n klein, pietluttig, fluttig, niksig, onooglijk pluisje bent,'zei de wind, 'terwijl ik, westenwind zijnde, op mijn stevigste momenten in staat ben bomen om te duwen, dakpannen weg te laten vliegen en schepen te laten vergaan.'
'Je bent een blaaskaak, wind.'

De wind legt het pluisje in het oor van een mens. Een kampioen, die net een zware kampioensbeker omhoog houdt. Die laat ze vallen doordat ze in haar oor krabt, want het pluisje jeukt. De beker rolt het water in, waar-ie een donderpreek van een zalm over zich heen krijgt. Ja, die van de titel. Een zandkorrel spreekt de zalm aan, maar die ziet hem niet liggen.

'Ik zie echt geen verschil, hoor,' zei ze. 'Jullie zijn gewoon één grote hoop van hetzelfde.'
'Je kijkt niet goed,' zei de zandkorrel. 'O nee? Ik kijk anders gewoon zoals een zalm kijkt, hoor.' 

De zandkorrel (ook getekend, zie boven) spoelt aan op een strand en ontmoet een denker.

'Vergeleken met mij ben je klein,' zei ze, 'maar vergeleken met een bacterie ben je groot. Dus ik weet niet zeker of je klein bent.'
'Maar dan weet u ook niet zeker of u groot bent,' zei de zandkorrel.
'Nee,' zei de denker. 'Dat is zo.'
 
 
 
De denker komt langs een paardenbloem. De paardenbloem ontmoet een regenworm. Die komt terecht in de snavel (en even later de maag) van een zilvermeeuw. De zilvermeeuw heeft een narrig gesprek met een net, bedoeld om meeuwen te weren.

'Ik zorg voor orde. En orde is belangrijk, het is iets onmisbaars. Ik ken mijn taak.'
'Ja, ja,' zei de meeuw. 'Het zal wel. Ik wilde op dat balkon gewoon mijn frietjes opeten. En jij doet meteen alsof ik van plan was de orde te verstoren.'
Het net reageerde niet. Het had geleerd om geen gesprekken te beginnen met tegenstanders.

Het net spreekt een hond, de hond pakt een liniaal, de liniaal wordt meegenomen door een jongetje, samen met een emmer, een schep en een speelgoedautootje. Het speelgoedautootje valt op een straatsteen, die heeft een fijn gesprek met een inktzwam, die met een telefoontje op een aanrecht belandt, een vlieg landt op het bijna lege telefoontje en komt daarna bij een verwaande diamant, die zijn verwaandheid ook nog eens aan een natte paraplu mag uitdragen, welke paraplu even later als 'waardeloos ding' in een prullenbak wordt gesmeten nadat de stormachtige oostenwind hem kapot heeft geblazen, en als die wind gaat liggen doet hij dat op een heuvel met gras waartussen het pluisje ligt.

'Laat me liggen,' zei het pluisje tegen de wind.
'Maar ik ben nu oostenwind, ik kan je terugbrengen.'
'Niet doen,' zei het pluisje, 'die trui kan wel zonder mij. Het is genoeg dat ik weet waar ik vandaan komt.'
 
 
 
Allemaal mooie gesprekjes, ik heb mijn vingers nog gespaard met citeren, want eigenlijk is alles citabel en dat tekent een goed verhaal. Zoals dit dus, met een knipoog naar Lewis Carroll en een buiging naar Hans Christian Andersen.

Nou, o.k., ik kan het niet laten om nog iets te citeren, want tussen de dingen en dieren zit ook nog een mensentoneeltje, ergens bij dat telefoontje en die stinkzwam (p. 72).

De mensenman, die hem altijd zo veel aandacht gaf, was bezig hem te vergeten. Die zat aan de andere kant van de keukendeur met zijn mensenvrouw soep te eten. Hij gaf al zijn aandacht aan haar, want ze was ontslagen en had nu geen werk meer. Ze moest afvloeien. Zo hadden ze dat tegen haar gezegd: afvloeien. Alsof ze slootwater was. En ze was overtollig genoemd. Twintig jaar had ze hard gewerkt en nu was ze overbodig geworden.
'Wie wil mij nog?' zei ze.
'Ik,' zei de mensenman. 'Zal ik nog wat soep opscheppen?'

Kijk, lees, dat is nog eens schrijven... zoals alleen Joke van Leeuwen dat kan.
 

Leeuwen, Joke van. Dát bedoel ik, zei de zalm. Querido, 2022. ISBN 978 90 451 2845 0, 96 p. 'Dit boek is geschreven voor de Maand van de Filosofie 2023.'
 

dinsdag 3 maart 2015

Mooi boek

Het is waar: Mooi boek van Joke van Leeuwen is een mooi boek.
Het is een bescheiden verzameling van (voor een klein deel eerder verschenen) gedichten, abcdaria en verhaaltjes (in woord en beeld), met letters als thema. Vandaar de zes fraaie abcdaria, waarvan er een als zoekplaat is ingericht en een met tekst en beeld per letter; de overige tonen alleen de letters, maar dan wel heel origineel. Hieronder enkele letters.

  

  


Mooi boek viert niet alleen dat we kunnen schrijven en lezen, maar ook het leven. Zie hierboven bij de L van leven, maar er is meer levenslustigs te vinden. Het is een verzameling waar je samen (groot en klein) opgewekt van kan worden. Hier en daar een kleine tot nadenken stemmende bespiegeling.
Zoals deze:

de maan hoort bij de aarde
de aarde bij bestaan

bestaan is dat we leven
en door de dagen gaan

en dat we kleren dragen
behalve in het bad

en dat we moeten eten
dan worden we niet plat

en dat we soms verbaasd zijn
of blij of boos of bang

en dat ons hart blijft kloppen
ons hele leven lang

en dat dit weer een dag is
waarop we echt bestaan

bestaan op deze aarde

en onder deze maan

Spelen met taal, ja, dat hoort natuurlijk bij schrijven en lezen, zoals dit dialoogje tussen Vurkie en Lepeltjie:



Voor wie het werk van Joke van Leeuwen een beetje kent zal veel vertrouwd voorkomen, zowel het soort bespiegelingen als de vele grapjes met taal en letters, en de volstrekte eenheid van tekst en beeld.
Hoe bescheiden dit boekje voor mensen die net kunnen lezen ook is, het is niet vreemd om te weten dat de auteur al vele prijzen ontving, waaronder de Constantijn Huijgensprijs en de Theo Thijssenprijs.
Hier gaat prettige springerigheid gepaard met stijlvastheid, lichtvoetige speelsheid met ernst, oorspronkelijkheid met natuurlijkheid en tekst met beeld. Het gaat nooit vervelen.



Leeuwen, Joke van. Mooi boek. Querido, 2015. ISBN 978 90 451 1762 1, 96 p.





maandag 21 juli 2014

Maar ik ben Frederik

Het is Frederiks redding, die ontmoeting met Frommel in het park. Wat zou er anders zijn gebeurd met de arme kantoorklerk die ineens veranderde in een jongetje, toen-ie een prop papier in zijn broekzak stopte. Zijn eigen kantoor uitgezet (door zijn eigen collega's), zijn eigen huis uitgezet (door de slotenmaker), zijn eigen auto uitgezet (door de politie), zijn eigen auto die hij nauwelijks meer kan besturen:




Het loopt goed af, maar deze verteller (die we voor het gemak maar even Joke van Leeuwen noemen) laat haar hoofdpersoon wel een lekker absurde reeks gebeurtenissen doormaken. En die beleeft hij met een prettig naïeve, verbaasde en open instelling - een beetje zoals de verteller, lijkt het wel. Tekenend is het gemak waarmee hij aan het spelen gaat, en zijn blik op de wereld, net wat anders dan anderen.

De eerste nacht bracht hij door in het kantoor, want gelukkig had hij een sleutel van de achterdeur. Daar schreef hij een briefje voor de directeur en zelfs zijn handschrift is niet meer het oude:



Het was nog lastig om aan de portier te ontsnappen. Hij brengt een tijdje door op een school, waar hij tot zijn verrassing erg goed kan vertellen - hij maakt mooie verhalen over de knipsels die hij op kantoor dag in dag uit knipte.
In het park komt hij Frommels moeder tegen en die neemt hem onder haar hoede. Ze luistert, en hoort een verdrietig verhaal, over een jongen (Frederik) die tot zijn negende bij een lief stel pleegouders woonde (Pepi en Moma), tot hij weg moest. Van die Pepi vond hij net vóórdat hij kromp een overlijdensbericht: dat was de prop die hij in zijn zak stopte. (Ja, daardoor kromp hij dus, denkt de lezer die graag oorzakelijke verbanden legt en naar verklaring en dramatische samenhang zoekt.) En nu hij het hele verhaal eindelijk eens kon vertellen, groeide hij weer.
Eind goed al goed. Moma komt bij Frederik op zijn flat wonen.

Dit is een lekker absurd verhaal, met sprookjesachtige elementen en heel veel speelse wendingen en talige grapjes. Zoals dit bijvoorbeeld. Soms knipte Frederik weleens een bericht per ongeluk doormidden. Dan kreeg je dit:



Er valt misschien op aan te merken dat het wat erg vlotjes is, en dat er gemiste kansen zijn. Frederik is eigenlijk het hele verhaal door een soort kind, alleen aan het begin en het einde van volwassen formaat. En na al die grofbesnaarde echte volwassenen is Frommels moeder ineens wel érg begripvol en aardig. Het zal wat mij betreft niet het allerbeste werk van Joke van Leeuwen heten. Maar nog altijd wel een mooi staaltje jeugdliteratuur.





Joke van Leeuwen. Maar ik ben Frederik, zei Frederik. Querido, 2013. ISBN 9789045116044, prijs in Nederland € 13,95. Z

maandag 23 december 2013

Voor en na de vanzelfsprekendheid

Medio december arriveerde Literatuur zonder leeftijd 92 ((winter 2013).

Literatuur zonder leeftijd (LZL) is een tijdschrift-in-boekworm en anders dan de titel op eerste gezicht doet vermoeden gaat het over jeugdliteratuur. De titel is een stellingname: jeugdliteratuur is voor elke leeftijd. Het wordt uitgegeven door de Nederlandse sectie van de International Board on Books for Young people (IBBY). 
De redactie bestaat uit Toin Duijx, Vanessa Joosen, Helma van Lierop-Debrauwer, Sanne Parlevliet, Bea Ros, Marloes Schrijvers en Sara Van den Bossche, een Vlaams-Nederlands gezelschap dat nog versterkt wordt door een redactieraad, bestaand uit dr. Jant van der Weg-Laverman, dr. Joke Linders-Nouwens, dr. Irena Barbara Kalla, dr. Francesca Blockeel, drs. Josien Lalleman en dr. Karin Lesnik-Oberstein. 
De redactieraadleden kregen een titel voor hun naam mee, vermoedelijk om te benadrukken dat LZL academische status heeft. Dat van de redactieleden minimaal drie ook dr. voor hun naam zouden kunnen zetten, telt kennelijk niet mee. 
En ik schrijf vermoedelijk, omdat die academische status nergens expliciet staat vermeld. En dus evenmin of er aan peer reading wordt gedaan en wat de criteria zijn waaraan men moet voldoen om een artikel in LZL geplaatst te krijgen. Sowieso wordt LZL in LZL niet gepresenteerd. De redactie lijkt er van uit te gaan dat LZL enkel gelezen wordt door mensen die het al kennen en weten waar de naam voor staat. Een gaaf staaltje van ons-kent-ons, hoewel de auteurs achterin wel een nette introductie krijgen. 
Voor een introductie van LZL moet je op internet (*) zijn:

'Literatuur zonder leeftijd is een unieke publicatiereeks over kinder- en jeugdliteratuur. Het is grensverleggend en probeert in verschillende artikelen de traditionele grenzen van de kinder- en jeugdliteratuur te verkennen, waarbij gedacht kan worden aan de grenzen tussen:

- Literatuur voor kinderen en voor volwassenen
- Literatuurwetenschap en pedagogiek
- Literatuur en andere kunstuitingen voor kinderen
- Informatieve en verhalende boeken
- Literatuur en lectuur

Literatuur zonder leeftijd verschijnt drie keer per jaar in de vorm van een boekje van circa 140 pagina’s en wordt vanaf 2006 onder auspiciën van de Stichting IBBY-sectie Nederland (en voorheen door de Stichting ter Bevordering van de Studie van de Kinder- en Jeugdliteratuur) uitgegeven.'

Ook hier niets over de al dan niet academische status van het reeks.

Voor absolute buitenstaanders moet de tautologie kinder- en jeugdliteratuur even uitgelegd worden: die is bijna een germanisme, omdat in het Duitse vaktaalgebied de frase Kinder- und Jugendliteratur zo ingeburgerd is dat men de afkorting KJL hanteert, en de bedoeling is natuurlijk om uitdrukkelijk te tonen dat het om literatuur gaat voor baby's tot en met adolescenten. Voor niet-boekenvakkers en niet-bibliothecarissen moet bovendien even uitgelegd worden dat met 'informatieve boeken' non-fictie wordt bedoeld, ofwel, als we even de mooie want correcte Franse term 'livres documentaires' lenen, documentaire boeken.
Verwarrend is dan verder dat met de titel juist weer wordt gesuggereerd dat het hier niet gaat over 'kinder- en jeugdliteratuur', maar over literatuur voor iedereen.

Enfin...





De artikelen in LZL hebben vaak een zelfde opbouw. Probleemstelling, vooruitblik ('In dit artikel wordt onderzocht'...), argumenten (beschrijving van de waarnemingen), conclusie, literatuurlijst, zo ongeveer. Er wordt veel onderzocht. De frase 'In dit artikel wordt onderzocht' kwam ik in dit nummer minstens twee keer in varianten tegen. 
Beetje raar eigenlijk, want het gaat in feite om de weergave van al verricht onderzoek, maar het kan een poging zijn om de lezer bij de hand te nemen, alsof we samen op expeditie gaan. Zo'n stijloefening moet je echter consequent volhouden wil het wat levendigheid opleveren. Dat gebeurt meestal niet, hetgeen doet vermoeden dat het een cliché is dat zonder veel nadenken wordt opgeschreven.
Hoe dan ook, dit toont wetenschappelijke aspiraties. Jammer dus dat die status niet expliciet wordt vermeld, zie boven.
Ik heb vaak de neiging om van de probleemstelling meteen naar de conclusie te springen. Wekt die mijn nieuwsgierigheid op, dan blader ik de argumenten door.
Een mooi voorbeeld levert het artikel 'De schrijver als speler in het literaire veld, over Ted van Lieshout' van Jessy Korshuize.
Na een korte inleiding over Ted van Lieshout (zie ook zijn blog) komt 

'In dit artikel zal worden onderzocht  in hoeverre Ted van Lieshout daadwerkelijk buiten zijn werk om een bijdrage heeft geleverd aan zijn positie als auteur. Voordat hierop wordt ingegaan, zal kort uiteen worden gezet op welke manieren volgens Janssen en Van Dijk een auteur invloed kan uitoefenen op de waardering en belangstelling voor zijn/haar werk. Deze uiteenzetting vormt een leidraad in het onderzoek naar Van Lieshout als speler in het proces van literaire meningsvorming rond zijn werk.'

Ja, in zo'n geval blader ik meteen naar de conclusie.

'Van Lieshout is een auteur die duidelijk de positie aangeeft die hij met zijn werk binnen het literaire veld in wil nemen. Door literaire nevenactiviteiten te ondernemen maakt hij zijn literatuuropvatting kenbaar; middels interviews, zijn weblog en lezingen profileert hij zichzelf als een schrijver met wie rekening moet worden gehouden en wiens werk moeilijk te negeren valt.
Van Lieshout maakt naar eigen zeggen kunst die vanwege de verbinding met zijn persoonlijkheid en zijn creativiteit uniek is. Hierbij beperkt hij zijn positie niet tot het jeugdliteraire veld: de auteur creëert kunst voor alle leeftijden.
De bekroningen die hij ontvangen heeft voor zijn werk wijzen erop dat de auteur erkend is door het literaire veld. Deze erkenning houdt in dat spelers binnen het literaire veld niet om hem heen kunnen, maar zich geroepen voelen om te reageren op zijn activiteiten en producten. Het is denkbaar dat zijn activiteiten buiten zijn werk om hebben bijgedragen aan zijn status als topauteur.
Het onderzoek naar de literatuuropvatting van Van Lieshout laat in elk geval zien dat hij een auteur is die een actieve rol wil spelen in het jeugdliteraire veld in het algemeen en de meningsvorming rond zijn eigen werk in het bijzonder.'

Deze citaten tonen dat Jessy Korshuize veel moeite heeft gedaan om het artikel een academische status te geven. Er wordt 'onderzocht', niet beschreven, er worden termen gehanteerd als 'het literaire veld' en er is een 21 titels tellende literatuurlijst toegevoegd, waaronder 6 titels van Ted van Lieshout, die in het artikel een 'casus' heet, en er is een poging gedaan om een theoretisch kader toe te passen door te leunen op twee academische publicaties. ('Top-, middenklasse en marginale auteurs, loopbanen van debutanten uit de jaren zeventig' van N. van Dijk in Tijdschrift voor Nederlandse Letterkunde 1999-4, en In het licht van de kritiek, variaties en patronen in de aandacht van de literatuurkritiek voor auteurs en hun werken van S. Janssen, Hilversum, Verloren, 1994.)

Of dit artikel wetenschappelijk door de beugel kan, dat oordeel laat ik aan anderen over. Wat ik na afloop denk is dat het zoveel levendiger had gekund als de artikelauteur had afgezien van die wetenschappelijke aspiraties en het keurslijf van een academisch artikel, en een opstel had geschreven over de activiteiten van Ted van Lieshout.

Het kan erger.
Wat te denken van de zin waarmee een ander artikel opent:

'Levensfasen worden sociaal geconstrueerd en zijn daardoor onderhevig aan verandering.'

Joh!
Dat is de start van een artikel (door Julie van de Schoor) over 'Adolescentie in Young Adult Literature', onder de kop 'Met één voet in de kinderwereld en de andere in de volwassenwereld'. Ja, precies zoals het hier staat, dus die voet staat niet in de volwassen wereld en evenmin in de volwassenenwereld. Er zijn opwindende passages in te vinden als

'Door een eigen cultuur te vormen, die hen helpt om een eigen plaats te vinden in de maatschappij, onderscheiden jongeren zich van volwassenen. Adolescentie is een fase waarin jongeren op zoek zijn naar zichzelf en een identiteitscrisis doormaken (Erikson, 1977, p. 94).' 

Tjonge...
Er staat nog veel meer gewichtigheid vooraan in dit artikel, dat uiteindelijk een vergelijking blijkt van vier romans die te beschouwen zijn als aantrekkelijk voor lezers van 12+: Glijvlucht van Anne-Gine Goemans, Niemand in de stad van Philip Huff, De hemel van Heivisj van Benny Lindelauf en Skippy tussen de sterren van Paul Murray. Dit is een met academisch spinrag bedekte recensie.

Er valt zelfs in een min of meer academisch bedoeld artikel veel te winnen door een originele opening, een wat persoonlijker benadering.
Aart G. Broek begon zijn artikel met

'Het Prins Bernard Cultuurfonds (PBC) was een van de fondsen die ik benaderde voor een financiële bijdrage aan mijn onderzoek ten behoeve van de biografie van Miep Diekmann. Het PBC wees mijn verzoek af.'

Kijk, dat maakt meteen nieuwsgierig genoeg om door te lezen, ook al klinkt 'de biografie' wat hovaardig. (Bedoeld werd hopelijk 'een biografie'.)
Volgt een alleszins lezenswaardig opstel over Miep Diekmann als bewaakster van haar imago.

Zo moet je soms dus wat ploegen in LZL om iets interessants te vinden. Ik neem aan dat LZL een podium wil zijn voor startende en gevestigde wetenschappers. Twee redactieleden (Toin Duijx en Helma van Lierop) zijn niet toevallig ook de leiders van de master in jeugdliteratuur die je aan de Tilburgse universiteit kan doen. Ook Vanessa Joosen zal graag haar Antwerpse studenten een podium bieden. De presentaties van de bijeenkomsten van de Vlaams-Nederlandse Werkgroep Onderzoekers Jeugdliteratuur komen vaak integraal in LZL.

Dat is allemaal heel lovenswaardig, maar ik denk dat de academische status van LZL afbreuk doet aan de leesbaarheid. Dat is jammer voor een publicatiereeks die permanent in zijn bestaan wordt bedreigd. Een wetenschapsjournalistieke insteek in plaats van een academische zou hier wellicht verbetering kunnen brengen.

Gelukkig staan er regelmatig ook zeer opmerkelijke bijdragen in LZL.
In dit nummer is dat 'Voor en na de vanzelfsprekendheid', de Albert Verwey-lezing van Joke van Leeuwen. Een schitterende tekst over perspectieven in verhalen, over wat kinderen tot andere lezers maakt dan volwassenen, hoe auteurs daarmee spelen, hoe je jeugdliteratuur daarmee kan beoordelen. Geen academische aspiraties, nee, maar intussen diepgaander dan veel 'onderzoeken' in LZL.
Wat niet (meer) vanzelf spreekt opent oren en ogen. 
Het is een inzicht waarvan de redactie van LZL volgens mij ook nog iets kan leren als het gaat om de beoordeling van kopij.
Da capo al fine.

(*) Op de website van IBBY Nederland wordt aangekondigd dat deze website niet meer wordt bijgehouden en dat er medio 2014 een nieuwe website komt. Het kan dus zijn dat na medio 2014 deze link niet meer werkt. Wat betreft LZL staan er abonnementsprijzen uit 2012...

dinsdag 2 juli 2013

Niet opvallen

Hoe doe je dat, niet opvallen?
Daarover leerden we op school iets bij kennis der natuur: je camoufleert je. Je neemt een schutkleur aan, je probeert er uit te zien als een blaadje, een stukje schors, een takje.


Toda's vader moest vechten met de enen, tegen de anderen, en werd een struik. Dat valt vast niet mee voor een banketbakker, maar daaromtrent horen we niets. Toda bleef achter met oma, maar zou naar haar moeder gaan, over de grens.
Ze kende haar moeder niet. Die was weggegaan toen ze één jaar was, niet vanwege haar maar waarom wel wist ze niet.
Ze kwam er, maar niet zoals gepland en met minstens twee memorabele ontmoetingen.


Wie wil weten hoe ze er kwam, kan ik aanraden Toen mijn vader een struik werd van Joke van Leeuwen te lezen. Een prachtig verhaal voor mensen van acht tot over honderd, vooral als je van een onderkoelde stijl houdt, met subtiele humor.
Theatergroep Het Filiaal speelde de afgelopen maanden een toneelstuk op basis van dit verhaal, met dezelfde titel. Hier is nog een lokfilmpje te zien. Maar  het is bijna te laat om je te laten verleiden: 6 juli is de laatste voorstelling.
Net als in het verhaal is de hoofdpersoon verteller. Toda, gespeeld door Mirthe Klieverik, vertelt. Dat zou geruststellend kunnen zijn, immers, je weet meteen dat ze het heeft overleefd. 

Maar wat ze vertelt en zingt is allerminst geruststellend., eerder angstaanjagend. In de steek gelaten worden, vluchten, verbergen, niet opvallen, je geld kwijtraken aan een schurk van een chauffeur, je medevluchtelingen kwijtraken, je tijdelijke vluchtmaatje opgepakt zien worden, in je eentje 's nachts de grens over, een vreemde taal, een moeder zoeken die je niet kent - het is ronduit prettig dat het uiteindelijk toch een beetje goed komt.



Uiteraard hoorden we niet de letterlijke tekst van het verhaal. Om van een verhaal een toneelstuk te maken, moet je ingrepen doen. Toch is regisseur en tekstbewerker Monique Corvers er in geslaagd veel van de oorspronkelijke stijl te bewaren.  Dus ook in dit stuk horen we over de oorlog niet meer dan dat de Enen tegen de Anderen vochten, en dat is onvervalst Joke van Leeuwen, net als de schrik die Toda overviel toen ze hoorde dat ze (de vluchtelingen) uit elkaar gehaald zouden worden. Ze voelde zich even letterlijk in tweeën gescheurd. En zo meer. 

Ook haar naam: eigenlijk heette ze anders, maar haar eigen naam was te moeilijk voor de politieman die haar aan de andere kant van de grens ondervroeg, die vond de twee laatste lettergrepen genoeg naam. Toda, dus.
Een prachtige vondst, natuurlijk. Ze verliest niet alleen tijdelijk (hoopt ze) haar vader en huis, haar taal en thuis, maar ook een deel van haar naam. Pars pro toto.

Detail: ze verliest van alles, maar vindt haar moeder, die ze al verloren had...

Een bijzondere toevoeging waren de liederen, begeleid (en soms meegezongen) door Peter Sambros, op muziek van Gábor Tarján en tekst van Heleen Verburg. Emotionele accenten, hier op hun plaats als contrapunt in het bedrieglijk lichtvoetig vertelde verhaal.
Mirthe Klieverik verdient een groot compliment. Ze speelde niet alleen een heel geloofwaardige Toda, maar als het zo uitkwam even makkelijk ook nog wat andere figuren.




Decorbouwer Jan van Hoof verdient trouwens ook een compliment. Heel simpel, en niet alleen ogenschijnlijk van oud materiaal in elkaar getimmerd, maar zeer doeltreffend.


Ik was niet de enige toeschouwer die het prachtig vond. Mijn metgezellin ook, en het overige publiek vond het goed genoeg voor een staand applaus. (En nou niet zo flauw zijn om op te merken dat staande ovaties tegenwoordig wel erg vaak voorkomen. Ze zijn gelukkig nog steeds niet standaard.)
In het publiek bevonden zich ook auteur Joke van Leeuwen en haar zus Pien. Desgevraagd vond Joke dat het 'heel goed gedaan' was. Ze was positief.
De voorstelling was uitverkocht. Ik heb niet gevraagd hoe dat met voorgaande keren was (het liep vanaf 2 april), maar oorspronkelijk zou dit de laatste voorstelling zijn en een extra voorstelling (6 juli) lijkt me een teken van belangstelling.
Tot slot: een liedje uit het stuk, 'Camoufleren kun je leren'.