Zoeken in deze blog

woensdag 6 oktober 2021

Kistje tijd

Amper 200 à 250 woorden schat ik, langer is het verhaal De hele tijd niet.
Je kan het in minder dan een half uurtje uit hebben, maar dan doe je woord (van Toon Tellegen) en beeld (van Geerten Ten Bosch, zie ook hier) wel tekort.

De tekst is helemaal Toon Tellegen. Het bos met zijn dieren is ons bekend uit ander werk.
De egel 

woonde in een klein huis tussen het struikgewas onder de linde, niet ver van de open plek in het bos.

Hij krijgt de mier op bezoek.

Ze dronken thee en hadden het over de tijd. De mier zei dat de tijd geen geheimen voor hem had.
De egel vroeg waarom hij, de tijd, altijd maar doorging en alleen maar vooruit, nooit opzij of achteruit.
De mier keek in zijn kopje en zei: 'Dat moet.'
'Van wie moet dat?' vroeg de egel.
De mier dacht even na en zei: 'Van niemand.'
De egel vond dat raar. 'Als het van niemand moet, dan moet het toch niet?'
De mier haalde zijn schouders op, keek opnieuw in zijn kopje en likte zijn lepeltje af.
'De tijd is een uitzondering,' zei hij.

Dat is al genoeg voor veel andere vragen. Mochten oudere lezertjes denken dat zulke vragen niet geschikt zijn voor jongere lezertjes, dan vergissen zij zich.
Hoe dan ook, de egel krijgt de hele tijd op bezoek, seconden, minuten, uren, dagen en jaren.
 
Hij had nog nooit zoiets bijzonders meegemaakt en hij wist zeker dat niemand ooit de tijd had gezien, de hele tijd, alle tijd. Dan had hij dat vast wel verteld. Ik heb de tijd gezien, egel... welke tijd... de hele tijd... o ja?... ja...
 
De tijd tuimelt en maakt veel  lawaai, maar viert geen feest. 
 
De egel wilde ze wel eens van dichtbij bekijken en klom uit zijn raam naar buiten.
'Ho,' zeiden de minuten, met volle mond. 'Wat moet je van ons? Je stoort.'
'Maar wat doen jullie hier?'
'Wij brengen de tijd door. Onze tijd.' 

Daar hebben ze het heel druk mee. Maar ineens is er een kist en daar kruipt de tijd in, alle seconden, minuten, uren, dagen en jaren.
 
Het werd stil en de wind ging liggen.
'Is iedereen er?' riepen de jaren. 'Het is de hoogste tijd! We moeten opschieten! Anders duren we te lang!'
 
Als zelfs de laatste minuten, met de kruimels nog net afgeveegd, in de kist verdwijnen, is die ineens weer weg. De egel kruipt terug in zijn huis.

Ik ga nog maar een uurtje slapen, dacht hij. Een klein uurtje. Hij stapte in bed en sliep.

Einde verhaal. Ik citeer het natuurlijk lang niet volledig, want dan krijg ik problemen met het kopieerrecht, en ik vertel het ook niet na, want er moet nog iets te ontdekken overblijven.
Het laat zich uitstekend voorlezen en ik vermoed dat er daarna nog best wat over de tijd kan worden gesproken. En dan is het tijd om nog eens uitvoerig de platen te bekijken (dubbelpagina, te breed om te scannen), want die laten zich niet in één ogenblik begrijpen, die vergen aandacht... en tijd.
Welbestede tijd.



Tellegen, Toon, en Geerten ten Bosch. De hele tijd. Querido, 2021. ISBN 978 90 214 1489 8.

zondag 3 oktober 2021

Er was eens

... een illustratrice die goed kan tekenen en schilderen. Correctie: ze ís er nog en kan het nog steeds, en kan ook websites maken - in ieder geval haar eigen.
 
Maar op een keer ontdekte ze dat ze ook kan schrijven. Dat bracht ons in 2017 Lampje.
 
Ik citeer mezelf. Lampje
 
is zo'n verhaal dat zich afspeelt in de schemerwereld tussen hier en ginds, tussen wat wij 'onze wereld' plegen te noemen (zij het dan een eeuw of wat geleden) en een wereld die daarop lijkt maar toch net iets anders is. Zo'n wereld waarin schijn en wezen door elkaar lopen. Geen fantasy, alsjeblieft niet, ook geen sprookje, geen koningen, prinsessen, elven en trollen e.d. Wel een vuurtoren waarvan het licht met de hand wordt bediend, een schip met oude piraten, een kermis met gedrochten en een admiraal die zich te paard voortbeweegt. En zeemeerminnen.
Niet alleen daarom moest ik aan Hans Christian Andersen denken, aan zijn zeemeermin die uit liefde de zee verliet - en daarvoor een standbeeld kreeg in de haven van Kopenhagen. 

Voor de Meisjes baseerde ze zich op verhalen uit de sprookjesverzameling van de gebroeders Grimm.

Anders dan Andersen schreven Jacob en Wilhelm Grimm hun verhalen op grond van wat ze van hun informanten hoorden. Ze beschouwden hun Kinder- und Hausmärchen als wetenschappelijk werk, zij verzamelden Hessisch erfgoed. Niettemin noteerden ze niet letterlijk, veel bronnen hadden ze evenmin (minder dan tien), en 18 verhalen in de eerste verzameling (de 'Urfassung', gepubliceerd 1812) kwamen uit andere literaire bronnen.
Niet alleen anderen gingen op de loop met die oude verhalen (ik noem slechts ene Walt Disney), zij zelf konden er ook wat van en schrapten al snel bijvoorbeeld alle verwijzingen naar seks, want die gaven aanstoot.
De werkwijze van de Grimms zou tegenwoordig niet heel wetenschappelijk worden gevonden, maar is evenmin afkeurenswaardig. Zoals Vanessa Joosen het op p. 91 formuleert in Een land van waan en wijs. Geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur, verschenen in 2016 en nu al in zijn geheel te vinden in de onvolprezen Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (DBNL):

De onbekende oorsprong gaat hand in hand met de anonimiteit van volksverhalen. Originaliteit en auteursrecht zijn in deze context relatieve begrippen; de verhalen worden beschouwd als gemeengoed. Namen van vertellers, auteurs of vertalers zijn vaak niet meer te achterhalen, en zelfs wanneer die gegevens bekend zijn, blijven ze regelmatig onvermeld. In veel sprookjesboeken wordt zowel met de inhoud als met de verwijzingen naar de bron losjes omgesprongen. Bij sommige oudere sprookjesverzamelingen is het zelfs de vraag of ze wel gebaseerd zijn op mondelinge verhalen. 
 
De oude verhalen werden verzoet, verbraafd, geromantiseerd, verdraaid, personages kregen soms karakterdiepte of werden juist volstrekt cliché, in de jaren '70 kwam er een scheut klassenstrijd en/of vrouwenstrijd in, de seks kwam er soms juist weer in terug, religieuze motieven (bv. Naema Tahir, Roodkapje en de bekeerde wolf); afijn, er werd en wordt heel wat gesleuteld en de resultaten zijn vaak allerbelabberdst en soms erg mooi, maar ze lijken zeer waarschijnlijk van geen kanten op hoe men ze vroeger vertelde, vroeger, toen er nog geen massamedia bestonden waarin men elkaar nadeed en vertellers op de markt hooguit de kunst van elkaar afkeken.
 
Wie een beeld wil krijgen welke thema's en verhaallijnen die oude verhalen hadden, doet er goed aan om de Aarne-Thompson-Uther-index te raadplegen, na lezen van het grondige wiki-artikel hierover, en evenzo de Thompson Motiv-index. Met alle onvolkomenheden (o.a. genoemd in dat wiki-artikel) toch twee goede instrumenten, alom gerespecteerd, zelfs door de criticus Vladimir Propp, die zijn eigen lijst van 31 functies in oude verhalen samenstelde.
Die ATU-index is trouwens zelf een motiefje in een verhaal geworden:

This page is a mirror of the ATU Index page of the Multilingual Folk Tale Database, a rich library of curated world folktales, most of which are not indexed yet. All links target the MFTD.
Unfortunately, the MFTD was hacked in late December, 2019. The data is still intact on back-up images and the MFTD curators are looking for a secure means to host the MFTD again.
The index here is just a list of ATU Tale Types until the MFTD is recovered.
Thank you to the many institutions, professionals and amateurs, who rely on and use the MFTD for their research and as a source of folktales, who contacted me inquiring about the status of the MFTD.

Een sprookjesverzameling gekaapt, wie verzint het... misschien zit er een kwaadaardige stiefmoeder achter, een djinn of wie weet een trol, een boreale trol.

Je hoeft niet zo heel ver in die indexen te bladeren om er achter te komen dat magie en werkelijkheid één zijn, het noodlot vaak toeslaat en het geluk soms hard bevochten moet worden, en dat personages (mensen, dieren, reuzen, dwergen, ...) in onze ogen doorgaans nogal hardhandig met elkaar omspringen. Het zijn resten van oude, heel oude verhalen - en dat fascineert velen, mij ook. Er gaan onbekende verten achter schuil, ongekend verleden, de wereld was nog onbegrensd en overleven een kunst.
 
Kennelijk fascineerde het ook Annet Schaap. School er al iets sprookjesachtig in Lampje, in de Meisjes, zeven sprookjes zet ze het woord in de titel en neemt ze zoals gemeld zeven verhalen uit de verzameling van Jacob en Wilhelm, waarmee ze vrolijk aan de haal gaat.
Het zijn:
Repelsteeltje (ATU 500), ofwel 'Meneer Pelsteel'.
Roodkapje (ATU 333), ofwel 'Wolf'.
Hans en Grietje (327a), ofwel 'Koekjes'.
De prinses en de kikker (440), ofwel 'Kikker'.
Blauwbaard (312), ofwel 'Blauw'.
Doornroosje (410), ofwel 'Slaapster'.
Het mooie meisje en het monster (088), ofwel 'Monstermeisje'.
 
Al haar sprookjes verlopen anders dan de bekende versies. De hoofdpersonen zijn meisjes en ze redden het aardig. De andere figuren lijken soms slechts heel in de verte op de bekende personages, hoewel bijvoorbeeld de kikker wel degelijk een kikker is...



... en blijft!
 
'Dan droog ik wel af.' Haar kikker sprong op haar arm en vlijde zich in het hoekje van haar elleboog. 'Zullen we het dan voor het eten nog even proberen?' kwaakte hij zachtjes. 'Ik heb zo'n gevoel dat het vandaag misschien wel lukt, denk je ook niet?'
Het meisje keek naar zijn groene lijfje, zijn brede bekje. Nee, ze dacht eigenlijk van niet. Maar ze glimlachte.
'Laten we dat doen,'zei ze.
 
Waarna het aan de lezer of luisteraar wordt overgelaten om een vervolg te bedenken.
 
In de andere verhalen is de afloop iets eenduidiger. In 'Blauw' vallen de zusjes Anna en Lize de man aan die Lize wil ombrengen nadat ze al vloeren dweilend de geheime kamer met dode meisjes heeft ontdekt.

En terwijl hij valt kijkt hij verbaasd van het ene zusje naar het andere, van het mooie naar het lelijke, en hij laat het mooie los en het lelijke haalt uit met haar voet en het is maar een meisje natuurlijk, en even lijkt hij verbaasd dat zoiets zo hard kan schoppen, maar dan stappen zijn eigen voeten al in de lege lucht, proberen zijn handen de leuning nog vast te grijpen maar de zwaartekracht is hem voor, en daar gaat hij al. Bonkend en krakend, zijn hoofd op alle traptreden, één voor één. Na de laatste bonk is het stil.

Nu is het Anna die begint te huilen. Lize staat op en pakt haar bij de hand.
Tree voor tree klimmen ze de trap af. Eerst langzaam, omdat ze niet willen kijken naar wat daarbeneden ligt, en dan heel snel omdat ze er vlak langs moeten, en het zal toch niet dat er opeens een hand uitsteekt die een enkel grijpt... Maar dat gebeurt niet. Er beweegt hier niets meer dan zijzelf.
Ze rennen klepperend de lange gang door naar de voordeur. Alleen Anne kijkt nog heel even om.
De man in de donkere jas ligt daar nog steeds, half op de onderste tree. In de schaduw van de trap is zijn gezicht alleen te zien als een lichte vlek tegen zijn baard die zo zwart is. Blauw, bijna.

Einde van 'Blauw'.
 
'Monstermeisje'  begint zó:

Storm

Het meisje zit te borduren in de torenkamer. Met kleine kruissteekjes werkt ze aan de D, de D middenin: GEDULD IS EEN SCHONE ZAAK.

Dat meisje zit daar opgesloten met de 'brave dame Morsegat', en borduurt al onafzienbaar lang aan zulke werkjes. Ze is een prinses en ooit zou er een prins moeten komen. Ze is echter onflatteus groot, grof en harig uitgevallen, er heeft zich nog geen prins aangediend en haar ouders, vooral haar moeder, willen haar niet zien.
Wel spoelt er met die storm een zeeman aan - zijn schip is vergaan. De prinses (ze heet trouwens Belle) ontfermt zich over de zeebonk en die leert haar schaken en ze hebben het eigenlijk best aardig met elkaar, vooral nadat de prinses zijn kist uit de golven haalt. Voorbode van verandering:

En voordat ze weet wat ze doet, schopt ze haar altijd te kleine schoenen uit (prinsessen hebben kleine zoete voetjes) en loopt een paar stappen het water in. De golven omspoelen haar kuiten. Het zand is zacht en de zee is fijn koud aan haar tenen.
'Prinses!' klinkt een stem van het strand. 'Wat doet u! U gaat toch niet zwémmen?!'
Ze hoeft niet te zwemmen. Ze steekt nog ver boven water uit als ze een paar stappen verder door de branding loopt. Ze zee rukt aan haar rokken en maakt ze zwaar. Maar zelf voelt ze zich wonderlijk lichter dan anders, alsof het water helpt om haar te dragen. Nog een klein stukje, dan is ze er.
'Hojo prinses!' roept de matroos haar na. 'Ja, daar! pak 'm!'

Natuurlijk verdwijnt hij als hij is opgeknapt, maar hij nodigt haar uit om mee te gaan. Dat doet ze eerst niet. Ze mist hem wel. En op een dag gooit ze uit woede de schaakstukken in zee, maar wil die dan toch weer terughalen en loopt de zee in.
 
Ze zwemt, en hoe verder ze zwemt, hoe minder het haar kan schelen.
 
Als ze omkijkt lijkt alles achter haar opeens klein, bijna nietig. Zelfs de hoge toren. Zelfs al roept iemand daar: 'Prinses, wat doet u? Prinses, kom terug!' Het verwaait met de wind. 
Is ze wel een prinses?
Ze weet eigenlijk niet wat ze is. Een meisje, een monster, misschien is ze een zeedier, een boot of een vis. Iets dat altijd maar door kan zwemmen zonder moe te worden.
Ze laat zich deinen op en onder de golven, stroopt zwemmend haar rok af, wat absoluut verboden is, en knoopt jaar korset los, wat ook volstrekt niet mag. Als een grote roze kwal met knoopjes drijft het weg.
Ze zuigt haar longen vol lucht, strekt zich uit. Het water is wijd, ze botst nergens tegenaan.
Nog even, denkt ze. Nog een klein stukje. Ze gaat straks wel weer terug. Vast nog wel op tijd voor de thee.
Meeuwen zeilen boven haar, vissen zwemmen onder haar. Er is ruimte voor alles.
De Grote, de Grote, zingt de matroos in haar hoofd. De Grote is zo wijd.

In de glinstering van de zon op het water lijkt het alsof ze iets ziet. Alsof in de verte een boot aan komt varen. Verbeelding natuurlijk, maar ze ziet het toch: steeds even wel, dan weer niet, dan weer wel.
Daar is hij dan, denkt ze. Eindelijk. Dan is het vandaag, die blijde dag. Een zeil zo wit als zijn gebit. Zal ze zwaaien? Hierheen, prins!
Maar zij is nat en ontoonbaar. En nog steeds veel te groot en te behaard. En half bloot ook nog. Ze zwaait niet.
Laat maar, denkt ze. Ik hoef niet, ik hoef geen prins meer.
'Hojo prinses!' roept een stem over het water. De boot stuurt haar kant op, het is een vrachtboot, ziet ze, met een flinke ijzeren boeg. iemand buigt zich over de reling en zwaait.
Ze ziet dat er een vlaggetje hoog in de mast is geknoopt.
Als de boot dichterbij vaart kan ze lezen wat erop geborduurd staat:
GEDULD IS EEN SCHONE ZAAK.

Met opzet een lang citaat. Want ik hoop eigenlijk dat ik zo niet hoef uit te leggen hoe prachtig dit is geschreven. Prinses, meisje of monster. Een korset 'als een grote roze kwal met knoopjes'. 'Het water is wijd, ze botst nergens tegenaan.' 'Laat maar', 'ik hoef geen prins meer'.
Op de connotatie (suïcide) hoef ik hopelijk ook niet te wijzen, evenmin op het schrijnende zelfbeeld en de wrange humor ('geduld is een schone zaak').
Over die andere citaten maar even niets, zo al mooi genoeg en je moet van mij maar aannemen dat 'Blauw' ook nog eens een fijne studie in zusterschap is. Het is overigens niet allemaal zo tragisch, 'Pelsteel' bijvoorbeeld is vooral grappig en ook 'Wolf' bevat prettige hedendaagse ironie over beschermzucht.

Hoe ze het doet valt best een beetje uit te leggen, dat moet een andere keer misschien.

Dit is meesterschap, daar neem ik mijn pet voor af.


Schaap, Annet. de Meisjes, zeven sprookjes. Querido, 2021. ISBN 978 90 451 2669 2.

zaterdag 2 oktober 2021

Derde persoon

Vaak wijs ik er in recensies op dat er soms iets mis lijkt met de verteller in een verhaal, met name als die verteller een kind is. Zo'n verteller drukt zich welsprekend uit, terwijl dat niet past bij zijn of haar leeftijd en karakter.
Was dan ook blij toen ik het volgende tegenkwam in een interview door Hans Bouman met Jonathan Frantzen in de Volkskrant 2-10-2021:

Ik ben van mening dat je dichter bij een personage komt wanneer die in de derde persoon tot je komt, dan via de ik-vorm. In de regel schept de eerste persoon juist afstand, omdat er verwarring bestaat tussen auteur en personage. In de derde persoon is het duidelijk: er is een auteur, maar die is totaal onzichtbaar, dus word je als lezer op een directe wijze in contact gebracht met het bewustzijn van iemand anders. Ik denk dat vertellen in de derde persoon een van de geweldigste artistieke uitvindingen is in de geschiedenis van de mensheid.
 
Zou graag willen weten wat Jonathan Frantzen echt zei of schreef, want dit is natuurlijk een vertaling door Hans Bouman. 
Toch steunt het me in mijn idee dat auteurs van jeugdliteratuur te vaak kiezen voor een vertellend hoofdpersonage in plaats van een anonieme verteller.
Of dat 'vertellen in de derde persoon een van de geweldigste artistieke uitvindingen in de geschiedenis van de mensheid' is, ach, dat vind ik wat overdreven. Maar helaas gaat de interviewer daarop niet in.