Het idee voor een verhaal: het moeilijke jaar 1948 in Indonesië in de ogen en geest van een twaalfjarige jongen.
Waarom nu? Zou er een antwoord te horen zijn in aflevering 157 van de zo gul gesubsidieerde De Grote Vriendelijke Podcast, een uur durend gesprek met Robin Raven over zijn recente boek De Lotus en de Waringinboom door Bas Maliepaard en Jaap Friso? Helaas.
Wel levert het op dat de naam van de hoofdpersoon, Jaap Klein, gebaseerd is op de naam van Ravens vader Jack Groot en dat auteur Robin Raven het boek ook ziet als 'een soort wake-up call', 'praat er eens over'. Er hoort een lessenserie bij. Die belandde helaas niet op de recensietafel.
Dat Robin Raven iets heeft met Indonesië is bekend en verklaarbaar en heeft zich geuit in vrijwel al zijn eerdere boeken, vanaf zijn debuut De vloek van Pak in 2006.
In De Lotus en de Waringinboom vertelt de twaalfjarige Jaap over een periode in 1948 op en rond de suikerfabriek die zijn vader beheert in het land waar in 1945 al de onafhankelijkheid was uitgeroepen maar Nederland in 1948 nog dacht te regeren. Verteller Jaap weet niet veel over het land waar hij naar toegaat en dat past in die tijd. In hoog tempo krijgt hij (en krijgen wij) tijdens de reis per schip meer te horen, niet van zijn vader (die er al is) en moeder maar van medereiziger 'meneer Quist', een arts. Die dialogen hebben een hoog Oom Jan leert zijn neefje schaken-gehalte. Leerzaam, niet echt spannend. Dat gaat op voor het hele verhaal, ondanks enkele spannende passages, o.a. met aanvallen door pemuda's.
Ook het meisje Sita, waar Jaap een beetje verliefd op wordt maar met wie hij van zijn vader niet mag omgaan, leert hem van alles, net als Gus, de zoon van een collega van zijn vader, met wie hij ook al niet mag omgaan. Sita is, in de Nederlandse termen van die tijd, een 'inlander' en Gus een 'indo' en dat wordt hem door zijn vader wel ingepeperd. Sadder and wiser vertrekt Jaap einde verhaal terug naar Nederland, opnieuw met moeder en 'meneer Quist'.
Een citaat. Ze zijn per trein op weg naar de plantage:
Beneden aan de spoordijk staan weer blote kinderen. Ze lachen en zwaaien. Een jongetje gooit een steen naar ons, maar de afstand tussen hem en de trein is veel te groot, waardoor de steen in het water belandt. Het maakt de gooier blijkbaar niks uit, want hij slaat op zijn knie van de pret.
'Moeten zij niet naar school?' vraag ik.
Meneer Quist schudt zijn hoofd. 'Indonesische kinderen gaan niet naar school, Jaap. Als ze oud genoeg zijn, moeten ze werken op de rijst- en rietvelden. Sommige kampongs hebben een dessaschool, maar daar leer je niet zoveel.'
'Ze hoeven toch ook niets te weten?' zegt mama. 'Voor het planten van rijst heb je geen rekenen of lezen nodig, lijkt me. Als je maar weet wanneer de tijd rijp is om te oogsten. Ja, toch? Gewoon doen wat je vader ook doet. Tenminste, dat schrijft mijn man altijd in zijn brieven.'
De arts gaat rechtop zitten, alsof mama's woorden iets in hem wakker maken. 'En als ze advocaat willen worden? Of leraar? Of rechter?'
Mama haalt haar schouders op. 'Daar hebben ze ons toch voor?'
'Die tijd is voorbij, mevrouw Klein. Weet u, Indonesië is eeuwenlang een winstkolonie van Nederland geweest. Deze mensen' - de arts tikt tegen het raam, hoewel er niemand te zien is - 'hebben ons schatrijk gemaakt. En wat hebben ze ervoor teruggekregen? Niets. [...]'
Dit bedoel ik met een Oom Jan leert zijn neefje schaken-gehalte. Omdat de wat naïeve en heel oprechte Jaap nu eenmaal als verteller dienstdoet, in de onvoltooid tegenwoordige tijd nog wel, als een soort verslaggever, moet dit soort noodzakelijk geachte informatie per dialoog tot ons komen. Het is nog een hele kunst om zulke dialogen zo natuurlijk mogelijk te maken. Raven slaagt daar niet altijd in.
De verschillende opvattingen in die tijd over het land zijn keurig verdeeld. Vader Klein en collega Willems zijn ervan overtuigd dat die 'inlanders' niet zonder hen kunnen en dat met 'die Soekarna en Hatta' korte metten zal worden gemaakt. Moeder Klein houdt zich op de vlakte. 'Meneer Quist' de arts vindt dat de mensen recht hebben op onafhankelijkheid. Klein en Willems noemen hem achter zijn rug 'Quist communist'. Sita heeft een mooie vergelijking met een hand (Nederland) en de krekel erin (Indiërs). De krekel kan zingen wat hij wil, maar de hand knijpt hem zó fijn.
Quist blijkt contacten te hebben in de kampong waar Sita woont, ontdekt Jaap, die zich niet veel aantrekt van zijn vaders verbod en regelmatig met Gus op pad gaat en ook contact zoekt met Sita. Deze Sita ontmoet hij als ze hem redt uit een netelige situatie als hij met een mes wordt bedreigd door een jongen omdat hij op een ongepaste wijze zou omgaan met de lotus en de waringinboom vlakbij huis.
Daarbij raakt hij zijn bril kwijt maar zowaar - ineens kan hij scherp zien. Bril niet meer nodig. Eerder was door de aanraking met dit water ook al een lelijke wrat op zijn duim verdwenen en later verdwijnt de pijn in het oor waaraan schoolmeester Li zo hard trok. Magie! Die verder in het verhaal helaas hoegenaamd geen rol speelt, dus die magie bungelt er een beetje bij. De lotus en de waringin zelf bungelen overigens niet, die vertegenwoordigen de aantrekkingskracht van het vreemde, het onbekende. Dat wordt mooi beschreven.
De heftigste aanval van pemuda's is die op de plantage en het ouderlijk huis. Bij de verdediging worden ze bijgestaan door soldaten van het KNIL, Molukkers. Zo komen die ook nog het verhaal in.
Die aanval is wel de opmaat tot het vertrek van Jaap, zijn moeder en 'meneer Quist'. Onderweg naar het schip worden ze opnieuw aangevallen en het is te danken aan Quist en vooral Sita, die tot de aanvallers blijkt te horen, dat ze het er levend vanaf brengen, al reizen ze verder met zwaar gehavende Molukse soldaten, hun begeleiders. Schrale troost voor Jaap: op het schip blijkt dat Sita aan Quist een liefdevolle boodschap voor hem heeft meegegeven.
Als je niets wist van de geschiedenis van Indonesië c.q. Nederlands-Indië dan ben je door dit verhaal wel het een en ander te weten gekomen. Dat lijkt ook eigenlijk het hoofddoel en daardoor is het meer een leerzaam verhaal dan een echt sterk verhaal. Doordat je als jonge lezer kan meeleven met de verteller blijft er wellicht meer hangen dan na lezen van Het begon met peper, de geschiedenis van Indonesië en Nederland. Dat is non-fictie en wellicht komt het daardoor dat Jaap Friso en Bas Maliepaard het niet eens noemen. Jammer, want het is een heel goed boek.
Robin Raven heeft een prima verhaal geschreven, maar het had sterker kunnen zijn als hij voor een andere verteller had gekozen, met een eigen stijl. Dat had zomaar Sita kunnen zijn, maar ook (of misschien beter) een anonieme verteller met iets meer afstand tot de hoofdpersonen en de vrijheid om niet uitsluitend die Jaap te volgen en ook iets meer te doen met de magie van de lotus en de waringinboom die nota bene de titel van het verhaal hebben geleverd en Eva Verburg inspireerden voor de omslagillustratie.
Fijn dat er een kaart van Java is opgenomen met de namen van plaatsen die in het verhaal voorkomen.
Raven, Robin. De Lotus en de waringinboom. Lemniscaat, 2026. ISBN 978 90 477 1857 4, 462 p.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten