Zoeken in deze blog

maandag 15 februari 2021

Rib tand duim scheen stof hoofd graf

Of: de sleutel van de hel past op alle sloten. (Het motto!)
Of: 'niets ter wereld is zo zalig als het gevoel dat je vliegt.' (Bladzijde 12.)

Dat gevoel heeft Jongen als hij uit de appelboom valt in de boomgaard van de hofstede waar hij woont, aangeduid met het mooie woord hof.
Een pelgrim ziet hem klimmen en vallen en besluit hem mee te nemen. Dat kost weinig moeite. Kokkie, die de hele hof bestiert sinds Monsieur Jacques na dat ongeluk niet meer helemaal goed is en Madame en hun zoontje gestorven zijn, laat hem voor wat geld zo gaan.

Tot schrik van Jongen, onze verteller, gaat hij dus op stap met een aanvankelijk erg gemelijke pelgrim, Secundus, die een beetje naar rotte rapen stinkt. Of een ander luchtje, misschien wel zwavel.
Secundus heeft zich een doel gesteld: in de hemel komen, waar zijn vrouw en zoon zijn. Daartoe dient hij zes relieken te verzamelen, en dan het graf van Petrus in Rome te bereiken.

Rib tand duim scheen stof hoofd graf.

Secundus heeft een knechtje nodig dat goed kan klimmen en zijn ransel kan dragen.

Ik rende achter Secundus aan. Deze pelgrim maakte me echt bang. Maar hij schold me tenminste niet uit. Hij gooide niet met stenen. Sterker nog, hij nam het op tegen de stenengooiers. Hij had de ergste stenengooier van allemaal de stuipen op het lijf gejaagd, zo erg dat de grote, sterke Os nu als een kapotte pop op de grond lag.


Toen ik zo ver was, was ik allang gegrepen door deze verteller en dit verhaal.
Een merkwaardig tweetal: onze verteller, de kleine gebochelde verschoppeling zonder naam (Kokkie noemt hem Jongen, dat is het) en de knorrige gedreven Secundus, die ontsnapt is aan de hel waar hij duizend jaar in verbleef, met medeneming van de sleutel die op alle sloten past. Jawel, een tweede leven. (Secundus betekent Tweede.) Secundus wil naar zijn vrouw Flavia en zijn zoon Julius in de hemel.
 
Ze bereiken ieder hun eigen doel, meer zal ik niet meedelen over het verloop van gebeurtenissen.
Alleen de laatste zin van het verhaal geef ik mee:

Ik spreidde mijn vleugels en vloog.

En dat was niet Jongens eerste doel! Maar even goed, nee, beter.



Wie er nu al niets van snapt en zich afvraagt of er een steekje los is bij mij (wat ik overigens nooit zou ontkennen), maar wel geïntrigeerd is geraakt, raad ik aan het boek spoorslags bij de lokale boekhandel te bestellen.

Tot mijn verrassing is de auteur van Het boek van Jongen, Catherine Gilbert Murdock, een Amerikaanse, verbazingwekkend genoeg in 2003 gepromoveerd met een dissertatie getiteld Domesticating Drink: Women, Men and Alcohol in Prohibition America. Op de een of andere manier had ik een Engelse, Ierse of Schotse auteur verwacht. Vermoedelijk omdat het verhaal zich afspeelt in Europa, 1350 (zie p. 218). De hof, zie boven, ligt in het Franse koninkrijk, en Rome is Rome, zij het juist dan volkomen geruïneerd (ook letterlijk, door een aardbeving in ruïnes veranderd) en leeggeplunderd. Een vage, vieze schim van de prachtige, welvarende stad van duizend jaar geleden die Secundus zich herinnert.

Catherine Gilbert Murdock is erin geslaagd een verteller te creëren die ons de Middeleeuwen intrekt, door zijn ongeschokt geloof in de kennis hem met veel klappen bijgebracht door Pater Petrus en in het goede van mensen. Dat doet hij zo levendig dat het mij niet meer verwonderde dat hij op een bijna woordeloze manier met dieren kan communiceren (wat hen enkele keren uit benarde omstandigheden redt) en dat zijn bochel zich langzamerhand ontwikkelt tot een stel vleugels. En dat het mij ook niet meer verwonderde dat Secundus uit de hel wist te ontsnappen - maar dat hij daarvoor wel heel veel geduld moest hebben.
Het is een zeer kleurrijke wereld, waarin alles vanzelfsprekend op zijn plaats valt. En waarin het even vanzelf spreekt dat bochelaars ongeluk brengen als dat een engel in aanbouw vooral hebzucht opwekt. Dat mensen gevaarlijke reizen ondernemen om relieken te mogen zien is even gewoon als dat kloosters onderling elkaars relieken jatten. En de pest was overal. Na een paar bladzijde was ik compleet verhuisd.
 
Later, in Rome:
 
De schemering verduisterde de hemel. We kwamen langs huizen die uitpuilden van de pelgrims en langs kerktrappen waarop monniken brood stonden uit te delen - niet genoeg brood, kennelijk, want de pelgrims klaagden. We kwamen langs tenten van mensen die dakloos waren geworden door de aardbeving. Vrouwen stonden midden op straat bij hun kookvuurtjes, hun kinderen speelden tussen de voeten van de pelgrims.
'Loop eens rechtop, Jongen,' fluisterde Secundus. En even later: 'Wat doe je?'
'Ik... ik loop. Zo lopen mensen toch?'
Hij lachte. 'Volgens mij niet.'
Ik deed dus nog wat beter mijn best - maar hoe kun je proberen normaal te zijn? Normaal is gewoon wat je bent.
We kwamen bij een groot plein vol pelgrims en tenten. Stroverkopers leurden met slaapbedden. jammer dat ze niet met wastobbes konden leuren.
Door deuren zo hoog als een berg gingen we de Moeder van alle Kerken binnen. Dit gebouw had het zelfs nog zwaarder te verduren gehad dan de kerk van Sint-Paulus, en ook hier was door de verschrikkelijke aardbeving niets meer van het dak over. Op de muren zaten donkere vegen waar vlammen zich een weg naar de hemel hadden gebaand, en de zuilen die nog rechtop stonden waren zwart als de nacht.
'Heer, dit is vreselijk.'
'Zeg dat wel. Ik had niet gedacht dat ze met zoveel zouden zijn.'
De kerk wemelde van pelgrims in bruine pijen, die met z'n ontelbaren wachtten op hun beurt om de heiligen eer te bewijzen. Ze namen ons op in hun midden en stuwden ons naar voren.
Als door een wonder had het altaar de brand doorstaan, net als de hoofden. Daar stonden ze: het hoofd van Sint-Petrus en het hoofd van Sint-Paulus, met roze wangen van was en ogen van glas en grijs haar (Sint-Petrus) en een rode baard en een kale kruin (Sint-Paulus). De hoofden waren zo dichtbij dat uik ze bijna kon aanraken - behalve dat er dikke tralies voor het altaar zaten.


Rib tand duim scheen stof hoofd graf. En nu was het hoofd aan de beurt...
Let op het komische misverstand tussen Jongen en Secundus over wat precies vreselijk is.
Overigens wordt de verhouding tussen die twee gaandeweg steeds beter. Wat begint als een louter zakelijk geval, eindigt als innige vriendschap.

'Het graf...' fluisterde Secundus. 'Zeven ... relieken,,, moet... ik... verzamelen...'
'Heer!' Ik rukte aan het touw om mijn borst. 'Rib tand duim teen stof hoofd hof ... nee!' Ik lachte. 'Gráf, niet hóf. Die laatste zeg ik altijd verkeerd.'
'Misschien is het niet het graf dat je zoekt.' Hij glimlachte. 'Vaarwel, engel. Ik hou van je.'
'Ik houd ook van u heer. Voor altijd.'

Vanzelfsprekend zegt Jongen hof. Dat wordt zijn eindbestemming, zoals graf die van Secundus was. Meer zal ik niet meedelen over het verloop van gebeurtenissen, daaraan ga ik me nu echt houden.


De vertaling heb ik niet vergeleken met het origineel, maar de tekst lijkt zelf origineel en dat is een compliment voor vertaler Esther Ottens.
Zoals het hoort bij een verhaal dat zoveel aan de verbeelding van lezers overlaat staan er geen illustraties bij. Wel zijn alle hoofdstukken van dit prachtverhaal voorzien van vignetten door Ian Schoenherr en achterin staat een kaart, die het verhaal ineens wat wereldser maakt.



Catherine Gilbert Murdock. Het boek van Jongen. Querido, 2020. oorspr.: The Book of Boy, Greenwillow Books, 2018. Vert.: Esther Ottens. ISBN 978 90 451 2403 2, 272 p.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten