Citaat uit 'Hoe verdedig je een plek waar niets is?' van Arjen van Veelen, NRC 13-6-2026:
Ik was toen allang weer thuis in Nederland. Ik had de kinderen op bed gelegd, op mijn telefoon kwamen foto’s binnen van een ravage alsof een tornado was gepasseerd. Wat bleek: toen Bob even weg was om boodschappen te doen, hadden bulldozers zijn huis verwoest, inclusief al zijn persoonlijke bezittingen en foto’s. En Rusty was kwijt.
Op Facebook las ik boze berichten van buren. 'Hebben die mensen zwarte harten en geen ziel?', vroeg er een (een vraag die ik ook aan het bedrijf heb voorgelegd, vooralsnog geen reactie). Ik voelde een machteloze kwaadheid opkomen, alsof alle vernietiging op aarde zich geconcentreerd had op de trailer van Bob. Ik dacht aan zijn dolende kat en aan het stukje plant – en toen aan een boek dat in de kamer van de kinderen rondslingerde.
Het gaat over een kraker die een heilig grondje redt met behulp van een kluizenaar die hem softdrugs geeft. De held rijdt eerst als een nomade door de stad, dakloos, „want alle huizen waren vol” – aldus Pluk van de Petteflet uit 1971 van Annie M.G. Schmidt. Uit pure noodzaak overweegt hij om maar in het park te overnachten. Daar fluistert een duif hem in dat er bovenin een woontoren van twintig verdiepingen nog een kamertje leeg staat.
„Denk je dat ik hier zomaar mag wonen?”, vraagt Pluk.
„Ja hoor”, zegt die duif, „Het staat leeg.”
Dus hij trekt er in, samen met een „intelligente” en „beleefde” kakkerlak. Die duif woont in de Torteltuin, een „echt, wild, woest bos” met varens, mos en bomen – in feite gewoon een verwilderde tuin, „de struiken groeien er maar raak”. Dit slordige wildernisje wordt bedreigd: het moet een tegelpleintje worden „met een keurig bloemperk”. Pluk gaat hulp zoeken bij de „kluizenaar”, een soort hippie die off grid leeft in het bos. Een lange reis, hij neemt liefst 24 boterhammen mee.
De tocht lijkt uit te lopen op een echec: hij krijgt van de kluizenaar enkel een zielig plantje mee. Maar dat blijken Hasselbramen te zijn, een magische plant die volwassen mensen spelplezier geeft: „zodra je ervan eet wil je spelen in plaats van werken”. De foute types eten van de bramen en vergeten de Torteltuin te betegelen. Eind goed, al goed.
Op Facebook las ik boze berichten van buren. 'Hebben die mensen zwarte harten en geen ziel?', vroeg er een (een vraag die ik ook aan het bedrijf heb voorgelegd, vooralsnog geen reactie). Ik voelde een machteloze kwaadheid opkomen, alsof alle vernietiging op aarde zich geconcentreerd had op de trailer van Bob. Ik dacht aan zijn dolende kat en aan het stukje plant – en toen aan een boek dat in de kamer van de kinderen rondslingerde.
Het gaat over een kraker die een heilig grondje redt met behulp van een kluizenaar die hem softdrugs geeft. De held rijdt eerst als een nomade door de stad, dakloos, „want alle huizen waren vol” – aldus Pluk van de Petteflet uit 1971 van Annie M.G. Schmidt. Uit pure noodzaak overweegt hij om maar in het park te overnachten. Daar fluistert een duif hem in dat er bovenin een woontoren van twintig verdiepingen nog een kamertje leeg staat.
„Denk je dat ik hier zomaar mag wonen?”, vraagt Pluk.
„Ja hoor”, zegt die duif, „Het staat leeg.”
Dus hij trekt er in, samen met een „intelligente” en „beleefde” kakkerlak. Die duif woont in de Torteltuin, een „echt, wild, woest bos” met varens, mos en bomen – in feite gewoon een verwilderde tuin, „de struiken groeien er maar raak”. Dit slordige wildernisje wordt bedreigd: het moet een tegelpleintje worden „met een keurig bloemperk”. Pluk gaat hulp zoeken bij de „kluizenaar”, een soort hippie die off grid leeft in het bos. Een lange reis, hij neemt liefst 24 boterhammen mee.
De tocht lijkt uit te lopen op een echec: hij krijgt van de kluizenaar enkel een zielig plantje mee. Maar dat blijken Hasselbramen te zijn, een magische plant die volwassen mensen spelplezier geeft: „zodra je ervan eet wil je spelen in plaats van werken”. De foute types eten van de bramen en vergeten de Torteltuin te betegelen. Eind goed, al goed.
Datacenter in de Torteltuin
Ik vond het schokkend om terug te lezen. Een historische spiegel. Want het boek mag nog steeds razend populair zijn; wat die lieve Pluk deed – een leeg huis betrekken – hebben we als maatschappij een halve eeuw later gebrandmerkt als crimineel gedrag (zie de Wet kraken en leegstand uit 2010). En op lsd of hasj in kinderboeken zijn we ook niet meer zo happig. Het verhaal zou sowieso heel anders gaan. In de Torteltuin zou een datacenter komen, Pluk zou in een participatietraject belanden waarin hij mocht co-creëren over de kleur van de nieuwe bloembakken. Hij zou eindeloos handhavingsverzoeken pennen en quick scans laten uitvoeren om de waarde in euro’s van de zogeheten ‘ecosysteemdiensten’ te berekenen – net op tijd zou hij beseffen dat wat op het spel stond niet dat wildernisje was, maar zijn ziel. Het vermogen om in wat struweel een magisch woud te zien en in een mondje bramen een lsd-trip.
Toen begreep ik waarom Bob de kluizenaar die twinkeling had in een hopeloze situatie. Hij had ook gegeten van de hasselbramen. Hij bezat dat magische voorstellingsvermogen. Hij kon een scheepskerkhof aanzien voor een luxe marina en een caravan voor een kasteel. Hij had die wildheid van hart, die geen bulldozer kan pletten, althans dat hoop ik maar; in ieder geval begreep ik nu welk plantje hij me had meegegeven, dat moesten dan ook vast hasselbramen zijn. En ik wist nu hoe je een heilig grondje redt. Namelijk: niet. Landjes waar je niets hoeft, hoef je zelfs niet te redden. Het enige wat je met je leven moet bevechten is het vermogen om ze te blijven zien.
Einde citaat. Het is ook online te vinden, officieel alleen voor abonnees van NRC, maar misschien gunt de krant je een gratis download. Wie weet.
Die Bob de kluizenaar kwam hij tegen op een bijna (helaas) vergeten stukje Londen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten