Zoeken in deze blog

dinsdag 23 november 2010

Lezen in Marokko

Net terug uit Marrakech en Essaouira. Ja, leuk reisje, dank je. Goed weer, lekker eten, prachtige gebouwen enzovoort. Winkeltjes vol tapijten, sieraden, tassen, schalen, theeketeltjes en andere snuisterijen. Kruiden, groentes, vlees, wat niet al en niet te vergeten de sinaasappelsapstalletjes en in Essaouira de visstalletjes met spartelverse vis die ze ter plekke voor je bereiden op houtskoolvuurtjes en omdat het net Fête des Moutons was ook vele vuurtjes op straat waarin de overgebleven schapenkoppen geroosterd en geblakerd werden.
Wat ik niet zag: boeken, en haast geen kranten en tijdschriften.
We verbleven vooral in de binnenstad (medina) en dat vertekent het beeld vast een beetje. Mensen genoeg, in allerlei uitdossingen, stemmingen en bezigheden (of gebrek daaraan), maar wat ze ook deden, niet lezen. Behalve de schermpjes van hun mobiele telefoon, dat wel. In heel de medina van Marrakech naast de Bibliothèque Publique (ja, die is er, net buiten de medina) slechts een of twee stalletjes met kranten en tijdschriften gezien, in die van Essaouira niets, ook niet in de Avenue Mohamed Zerktouni waar toch heel veel Sawiri's hun boodschappen doen.
Kinderen dartelen over straat, dat kan daar nog, en spelen met van genoemde geblakerde schaapskoppen afgerukte hoorns, met voetballen en andere dingen. Maar lezen, nee.
Nu zie je in onze steden ook betrekkelijk weinig lezende mensen op straat, maar wel op terrassen en in bussen en treinen. Terrassen genoeg in beide Marokkaanse binnensteden, vol mannen. De krant lezen deden ze niet, wel kletsen, peinzen en voetbal op tv kijken. Ook in de bus tussen Marrakech en Essaouira werd niet gelezen, voorzover ik kon waarnemen, behalve door toeristen.
Moet tot mijn schande bekennen dat ik er de vijf dagen dat ik daar was niet zo mee bezig ben geweest en niet de moeite heb genomen om boekwinkels (of kinderboekwinkels) op te sporen. Ze zijn er, boekwinkels, in de gidsen van Marrakech heb ik er minstens een vermeld zien staan en enig speurwerk op internet levert me direct twee boekwinkels in Essaouira en een stuk of zeven librairies / papeteries in Marrakech op. Verder weet ik dankzij de berichten van Kees Beekmans en anderen uit Marokko dat er een literair leven is, zowel Franstalig als Arabisch, en ik vond ook een pdf-document uit 2005 over Littérature de jeunesse au Maroc. Daarin wordt gerept over een 'développement remarquable'. En:
pour la première fois, des maisons d'édition ont créé ou développé une production destinée uniquement à la jeunesse tandis que le nombre d'ouvrages publiés depuis cinq ans a pratiquement doublé. Ce développement a été fortement soutenu par les institutions publiques marocaines telles que le Ministère de la Culture et le Ministère de l'Education Nationale.
Kortom, als ik me iets beter had voorbereid had ik wat kunnen vinden, denk ik. Dat neemt niet weg dat de medina's de indruk blijven bieden van een leven zonder boeken en tijdschriften. De enige geschreven teksten zijn de ondertitels op tv (vele tv-schotels op de daken, aan tv geen gebrek) en mobieltjes, plus opschriften op gebouwen.
Iets van deze indruk vond ik bevestigd in een stuk op JDM Magazine, getiteld 'Bibliothèques et librairies: Lire, pourquoi est-ce si compliqué?' Het opent zo: 'La lecture est loin d'être le fort des Marocains.' (Lezen is bepaald niet het sterkste punt van Marokkanen.)





Boek klaar terwijl je wacht

Klein berichtje van Informatie Professional: het American Book Center in Amsterdam heeft als eerste in Nederland een machine die een boek drukt terwijl je wacht. Je kiest een titel uit 3 miljoen voorradige en hupsakee. Gedemonstreerd met gelikt filmpje, dat ook op de site van het ABC staat en eveneens op Youtube te vinden is: hier en hier. Iets over de geschiedenis op Wikipedia, het ding blijkt uit 2007 en voor het eerst in The New York Public Library gebruikt.
Ja, dit ding werd al voorspeld, ook door mij. Kon niet uitblijven en ziedaar. Spaart transport- en opslagkosten, maar spaart natuurlijk niet productie-energie, integendeel, en vormt in dat opzicht een wat navrant contrast met pogingen om op 'duurzame wijze' boeken te produceren, zie bijvoorbeeld hier. De verwende klant versus de mondiale voetafdruk, dat komen we vaker tegen.
Voetafdruk of niet, ik voorspel dat het in ons taalgebied niet bij deze ene machine zal blijven.

vrijdag 12 november 2010

Een bol mannetje

Ik geef het toe: de online winkel heeft me verleid. Een e-bericht met de belofte van 4 cadeaus. De veilige wetenschap dat ik mijn e-postbezorger zo kan instellen dat de onvermijdelijke (denk ik) berichten van de winkel rechtstreeks naar een map of de prullenbak worden geleid.
Ik klikte en er startte in een nieuw tabblad een filmpje. Een ongezond bol mannetje met plakhaar in kantoorscheiding heette me welkom. Dag Herman, fijn dat je er bent.
Oude zak als ik ben, ervaar ik het aangesproken worden met mijn voornaam en het gejij en gejou nog steeds als net een stapje te ver. Ik voel me gereduceerd tot kind, tot onnozele consument. Niets mis met kinderen, wel met onnozele consumenten. Ik ben betrapt, want had ik dit willen vermijden, dan had ik natuurlijk dat bericht meteen moeten weggooien. O.k., ik was hebberig, en ik laat me nu maar even verder leiden. Het gaat per slot om een landelijk bekende winkel, een officieel geregistreerd en erkend bedrijf.
Ik vlieg door een landschap dat sterk lijkt op dat van de Teletubbies naar een grote blauwe bol, de rode loper wordt voor me uitgelegd, ik krijg zicht op het 'enorme' assortiment, de portretten van (ajakkes) Frans Bauer en Anita Kerr schieten even voorbij. Het ongezonde bolle mannetje vertelt een juichverhaal over dat assortiment, de voortreffelijke verzenddiensten enzovoort, ik mag enkele keren als een kind aan een hendel trekken en aan het eind ontvang ik wat cadeautjes.
Het is gelikt, uitermate professioneel - en tegelijk ongemakkelijk en irritant. De ex-uitgever herkent de professionaliteit, met een zucht moet ik erkennen dat de meeste medemensen zo het best worden verleid. Ik hoor tot een minderheid, die zich licht stoort aan het gejij en gejou, aan de grote gelijkmaker (ja, daar heb je die zanger weer, dat winkelkarretje, dat weiland, die muzak). Diezelfde ex-uitgever en ex-hoofdredacteur is benieuwd met welk nieuws de grote online winkel komt op mijn vakgebied, ik herken het kind in mij dat graag aan hendeltjes trekt en cadeautjes krijgt. Die ga ik nu uitpakken.
'Daaag!' 'Tot ziens!'

dinsdag 9 november 2010

Onderzoek naar jeugdliteratuur

Onderzoekers van jeugdliteratuur zijn 'tot bedelen gedoemd', volgens Rita Ghesquiere. Het was de eerste van tien stellingen die ze verkondigde tijdens de meest recente studiedag van en voor onderzoekers van jeugdliteratuur. Die vond op 5 november plaats in de Universiteit van Tilburg en er waren enkele tientallen mensen.
Onderzoek naar jeugdliteratuur heeft geen hoge prioriteit, het is moeilijk fondsen werven. Het is een 'beschermde minderheid', in de schaduw van het onderzoek naar literatuur in het algemeen. Niemand heeft het over onderzoek naar volwassenenliteratuur. Niemand heeft het over volwassenenliteratuur, behalve zij die zich met jeugdliteratuur bezighouden. Voor literatuurwetenschappers is jeugdliteratuur een subgenre, een niche die volgens Rita Ghesquiere altijd een 'blijvende apartheid' blijft, met de term jeugdliteratuur als 'noodzakelijk kwaad'.
Daardoor vertonen onderzoekers van jeugdliteratuur een tweeslachtige houding. Enerzijds willen ze horen bij het literatuuronderzoek, anderzijds veroveren ze graag wat ruimte voor hun object. Misschien, veronderstelde ze, heeft men daarom de term jeugd wat opgerekt. Van babyboekjes tot cross-over-literatuur, het 'corpus is uitgedijd'. En zelfs haalt men soms de volwassenenliteratuur binnen, getuige, aldus Rita, een titel als Goethe für Kinder, een bloemlezing van Peter Härtling (1998). Ik zou daar zelf nog de bundel Wonders aan kunnen toevoegen, die in 1980 door Rolling Stone Press werd uitgegeven. Al geldt natuurlijk voor beide titels dat niet onderzoekers, maar auteurs het initiatief namen.
Die parallel besprak Rita echter ook. Die tweeslachtige houding geldt niet alleen de onderzoekers, maar bijna alle betrokkenen bij de jeugdliteratuur: men wil erbij horen, maar tegelijk het aparte benadrukken. 'Eilandbewoners of bruggenbouwers?'
Is dat wel een tegenstelling, vraag ik mij af. Kunnen eilandbewoners geen bruggenbouwers zijn? Is een eiland geen eiland meer als er enkele bruggen met andere landen zijn?
Het aardige van deze bijeenkomsten is dat er uitvoerig nabesproken wordt, zo ook nu.
Juist literatuuronderzoekers plegen woordmensen te zijn en zich blind te staren op de positie van jeugdliteratuur binnen de literatuur. Maar jeugdliteratuur bestaat uit tekst en beeld, en is ontegenzeggelijk bedoeld voor kinderen. Onderzoek jeugdliteratuur kan niet zonder de context van andere jeugdliteratuur, andere literatuur, beeldende kunst, onderwijs en opvoeding.
Iemand als Coosje van der Pol, die ook een lezing gaf, reageerde in dezelfde trant, uiteraard (gezien haar onderzoek) vooral wijzend op het aandeel van het beeld.
Rita gaf nog een mooi beeld van twee literatuurpleinen, naar aanleiding van een bezoek aan Arras, met zijn prachtige marktplein. 'Maar heb je dat andere plein dan niet gezien?', vroeg iemand haar. 'Dat is kleiner, maar minstens zo mooi. Rita ging er heen en ja, het was er en wat raar dat ze dat niet eerder had gezien. Zo schetste ze een beeld van het grote literatuurplein en het kleinere jeugdliteratuurplein, door zovele bezoekers van het grote plein niet opgemerkt.
Maar, was mijn reactie, aan dat kleine plein staan wel het stripcentrum, het museum voor beeldende kunst, het schoolmuseum (met zijn leesplankjes en aanwijsplaten), het museum voor volkskunde, en het centrum voor vertelkunst. Dat komt allemaal samen op het jeugdliteratuurplein en dan heb ik de theaters nog niet vermeld.

Onderzoeker Willem van der Meiden voegde er nog een museum aan toe: dat van de kinderbijbel. Hij promoveerde op dat onderzoek: ‘Zoo heerlijk eenvoudig’, geschiedenis van de kinderbijbel in Nederland, 2009, Verloren. Hij toonde, net als de overige hier niet genoemde onderzoekers dat de wetenschap van het kinderboek vooral uit boekhouders, vertellers en beschrijvers bestaat, niet uit voorspellers. Tot die laatste categorie hoorde wel Coosje van der Pol, met haar studie naar het 'literair lezen' van en met kleuters. Immers, uit haar beschrijving kan het een en ander over toekomstig gedrag van kleuters afgeleid worden. Zij was dan ook de enige die lezers bij het onderzoek betrokken had.
Met deze conclusie wil ik niet beweren dat voorspellend onderzoek meer waarde heeft dan beschrijvend en boekhoudend onderzoek. Maar als ik Rita's redeneertrant volg, is het wel meer waard - in die zin dat je voor onderzoek met praktische implicaties makkelijker geld krijgt. Voor dat onderzoek naar literaire competenties van kleuters bijvoorbeeld zo'n 185.000 euro, volgens het NWO. (Klinkt veel, maar is geloof ik nog niet de tip van de vleugel van een JSF.) (Die trouwens officieel Lockheed Martin F35A heet en per stuk 50 à 70 miljoen gaat kosten.)

Hoe dan ook, de Nederlandse en Vlaamse onderzoekers van jeugdliteratuur doen er volgens mij goed aan om de traditie van hun jaarlijkse bijeenkomsten voort te zetten.
Diverse, zo niet alle lezingen zullen zeer waarschijnlijk over niet al te lange tijd te vinden zijn in een aflevering van het 'tijdschrift-in-boekvorm' Literatuur zonder leeftijd.

dinsdag 26 oktober 2010

Laat vele Coenens bloeien

De Stichting Beroepskwaliteit Leraren koos op 2 oktober drie 'Leraren van het jaar 2010': Mathijs ter Bork van Openbare Jenaplan School 't Broekhoes uit Balinge in Drenthe, uit het voortgezet onderwijs Trudy Coenen van het Montessori College Oost uit Amsterdam en José Jansen-Gulen die lesgeeft in het middelbaar beroepsonderwijs, op ROC Nijmegen. 'Deze leraren zijn gedurende één jaar lang ambassadeur voor alle 350.000 leraren in Nederland.'
Winnaars verkiezing Leraar van het Jaar met Minister Rouvoet
Hier staan ze trots te zijn. Van links naar rechts José Jansen-Gulen, Mathijs ter Bork, minister André Rouvoet en Trudy Coenen.
Uit welke personen de 'deskundige jury' bestaat die uit de inzendingen mocht kiezen, vond ik niet vermeld, evenmin criteria, behalve 'fantastische leraar die het verdient om in het zonnetje gezet te worden'. O, en bij goed verder zoeken nog dit: 'De doelstelling van deze Leraar van het Jaar verkiezing is kwaliteiten van leraren zichtbaar en bespreekbaar te maken en het leraarschap op een positieve manier in beeld te brengen. Daarom richt de verkiezing zich op die leraren die in staat zijn hun omgeving te overtuigen van hun kwaliteiten, die hierover in gesprek durven en kunnen gaan en die weten te inspireren.'

Belangrijk is natuurlijk dat de inzendingen komen van collega's en/of andere bij de school betrokken mensen.
Jammer dat er op de SBL-website afgezien van wat filmpjes verder niets te vinden is over deze leraren.
Want wellicht, nee, hoogstwaarschijnlijk hebben ze iets te melden dat uitstijgt boven het doorsnee geleuter van onderwijsbobo's en beleidsmakers.

Dat geldt in ieder geval voor Trudy Coenen, die blijkens een interview in de Volkskrant 22-10-2010 'les geeft op een van de moeilijkste scholen van het land', afdeling vmbo, leerlingen van ouders uit alle windstreken en in alle kleuren die mensen kunnen hebben. Streng en no-nonsense, rechtvaardig en liefdevol, dat gaat wel op voor deze juf en ze heeft er succes mee! Ik ga dat interview (door Frank van Zijl) hier niet herhalen, maar het was me uit het hart gegrepen. Nou ja, één citaatje dan:

'"Waar kan zelfs een Leraar van het Jaar niets tegen beginnen?"
"Tegen onderwijsvernieuwingen die worden bedacht van achter het bureau. We moesten aan het Nieuwe Leren en aan competentiegericht onderwijs. Net als bij al die dure hulpverlening krijg ik daar pukkels van."'

Je vindt dit ook terug in een rondetafelgesprek geleid door Brigit Kooijman in NRC Handelsblad 2008, waaraan Trudy Coenen deelnam (dank, Brigit, dat je dit zomaar op internet zet) en in een commentaar bij deze uitverkiezing door Sigrid van Iersel, die in 2009 een reportage bij haar in de klas maakte. Dat staat op een blog en daarom citeer ik dat (wegens vermoede onvindbaarheid) even helemaal:

'Helemaal terecht: docente Trudy Coenen van het Montessori College Oost uit Amsterdam is gisteren gekozen tot Leraar van het Jaar 2010. Ik maakte in 2009 samen met fotograaf Gerrit de Heus in 2009 een reportage in haar klas en was zeer onder de indruk van haar betrokkenheid bij haar leerlingen. 


Bijna alle leerlingen van Trudy hebben grote problemen, variërend van taalachterstand, huiselijk geweld of illegaal verblijf in Nederland. Toch liet Trudy ons op die dag vol trots haar school zien. Van cynisme, moedeloosheid of gebrek aan energie viel bij haar niets te bespeuren. 


Tijdens de rondleiding schoot ze naar rechts waar een groepje jongens bij elkaar stond. “Weet jij wat jij moet doen”, zei ze op dringende toon tegen een jongetje met waterige ogen. “Een ui doorsnijden en tegen je neus houden! Daar knap je van op. Die ui stinkt wel, maar dat ruik je nu toch niet!" 


Formeel staat ze hier voor de klas om Nederlands te geven, maar ze deed veel meer dan dat. Ze bekommerde zich om een meisje, dat door haar tante onder de knoet gehouden werd. Of ze schakelde allerlei hulptroepen in voor scholieren met geldgebrek, zodat ze toch mee konden op klassereis. In de klas stuurde ze her en der briefjes rond om te informeren hoe het met hen ging. Zo hield ze de vinger aan de pols. Docent, moeder, troosteres, zo luidde de titel van de reportage die ik hierover schreef voor Punt, het personeelsmagazine van het ministerie van OCW. 


Ze regelde ook dat een jongen een kop thee met suiker kreeg, omdat hij nog niet ontbeten had. De jongen dronk de thee stilletjes op. "En voortaan ga je wel iets eten voordat je naar school gaat," zei Trudy aan het einde van de les tegen hem. "Ik heb je toch uitgelegd dat een auto ook niet kan rijden als er geen benzine in zit?" 


Wat een geluk dat er dit soort leraren zijn. En wat goed dat Trudy de gelegenheid krijgt die missie verder uit te dragen.'

Waarvan met instemming acte. Eén zo'n docent doet meer voor het onderwijs dan tien onderwijsvernieuwers of beleidsmakers buiten de school. Op zijn minst leren haar leerlingen behoorlijk lezen en schrijven - laten we vooral niet vergeten dat je dat eerst moet kunnen voor je toekomt aan al die prachtige verhalen die er voor hen zijn geschreven.
Laat vele Coenens bloeien - en geef ze daarvoor de ruimte.




maandag 25 oktober 2010

Wat heet poëzie 4


Twee- of eenmaal poëzie?



Ik houd van wederkerigheid

Ik houd van wederkerigheid.
Zo kus ik nooit de grond, kus ik van niemand de voeten, ontvang ik zelf slechts met moeite een handkus. Ik kus uitsluitend de kusser die mij en niemand anders kust.

Ik houd van strikte wederzijdsheid in haar allerindividueelste beperking: gesloten is de mond op haar zuinigst, kleiner is zij nooit dan lip op lip en wijd geopend om de tong en de ronding van die andere mond meet zij nauwelijks meer dan twee maal twee lippen.
Zo kan ik een kus nog bevatten.

Maar stel dat hij wel de grond, de voeten, de hielen die vervolgens gaan lopen, stukjes zoen uitsmerend - wie weet hoe ver zijn ontrouw zich uitstrekt als ik even niet oplet?
welke werelden ik via zijn mond alsnog liefkoos terwijl ik die wie weet verafschuw?
Kussen is die vraag niet hardop stellen, de zachtste vorm van het smoren van twijfel.




Ik houd van wederkerigheid.
Zo kus ik nooit de grond, kus ik van niemand
de voeten, ontvang ik zelf slechts met moeite een handkus.
Ik kus uitsluitend de kusser die mij en niemand anders kust.

Ik houd van strikte wederzijdsheid
in haar allerindividueelste beperking:
gesloten is de mond op haar zuinigst
kleiner is zij nooit dan lip op lip
en wijd geopend om de tong en de ronding
van die andere mond meet zij nauwelijks meer
dan twee maal twee lippen.
Zo kan ik een kus nog bevatten.

Maar stel dat hij wel de grond, de voeten, de hielen
die vervolgens gaan lopen, stukjes zoen uitsmerend
- wie weet hoe ver zijn ontrouw zich uitstrekt
als ik even niet oplet?

welke werelden ik via zijn mond alsnog liefkoos
terwijl ik die wie weet verafschuw?
Kussen is die vraag niet hardop stellen,
de zachtste vorm van het smoren van twijfel.
(Hagar Peeters, uit Het Liegend Konijn, 2008)

donderdag 21 oktober 2010

Geachte leden

Geen enkel bezwaar iets mee te delen over mijn vier paspoorten, integendeel, het is me een genoegen hier in uw gezelschap te mogen verkeren.
Allereerst bieden vier paspoorten meer kans om probleemloos een grens te passeren, hoewel, toegegeven, mijn Nederlandse daartoe eigenlijk al voldoende zou zijn.
Laten we niet vergeten dat dit het eerste en voornaamste doel is van een paspoort: poorten passeren, zonder problemen een grens passeren, het gaf het ding zijn naam. De triomf en vreugde ervaren als de geüniformeerde robot na keuring van het document de boodschap geeft dat passeren toegestaan is.

Mijn Nederlandse paspoort is mij lief, waarde leden, omdat ik in dit land woon en werk. Ik ben er bovendien geboren en Nederlands is mijn moerstaal. Als ik hier voor u sta als Gewichtig Lid, mag u ervan uitgaan dat ik mij naar verwachting zal kwijten van de mij toebedeelde taak, nee, beter dan u verwacht, want ik ben voornemens om niet met zakken meel in de mond te praten, geen opportunistisch gedrag te vertonen, niets te beloven dat ik niet waar zou kunnen en willen maken en mij niet te verrijken ten koste van mijn landgenoten.
Geef toe, als ik daarin slaag hoor ik tot een minderheid onder Nederlandse Gewichtige Leden.

Mijn Belgische paspoort is mij lief omdat het mij zo uniek doet voelen. Ik weet dat het flauwekul is, er zijn nog steeds enkele miljoenen Belgische paspoorten in omloop, maar dezer dagen word ik meer dan ooit herinnerd aan de beroemde uitspraak 'Sire, il n'y a pas de Belges', waarmee Jules Destrée in 1912 Koning Albert de Eerste verraste, nu dus ruim honderd jaar geleden. Ik koester mijn Belgische paspoort als een reliek, nu er al jaren geredetwist wordt over de status van het land terwijl Vlaanderen en Wallonië feitelijk als twee zelfstandige landen binnen de Europese Unie opereren.

Mijn Franse paspoort is mij lief omdat ik voor veel Fransen een grote bewondering koester. Niet zozeer voor de Franse Gewichtige Leden, die zich geen van allen kwijten van hun taak volgens de door mij zojuist beschreven beginselen, maar voor de minder gewichtige leden die zich staande houden in een rumoerige samenleving, waar men elkaar onder het akelig verschoten blazoen Liberté, égalité, fraternité in de haren vliegt over ongeveer alles, waar men het polariseren tot kunst verheven heeft en waar men, tegenwoordig als enige land in Europa, nog steeds met 62 jaar met pensioen mag, zij het dat de pensioenen inmiddels tot de laagste van Europa horen, reden waarom de in 2010 gestarte demonstraties inmiddels tot jaarlijks herhaalde folklore zijn ontwikkeld. Ja, menig scholier weet niet meer precies waarom hij meeloopt in die demonstraties, want precarité is inmiddels zo'n algemeen verschijnsel geworden dat hij geen beeld meer heeft van het alternatief. Niettemin gaat men na gedane demonstratie in menig stadje vredig en weldoorvoed aan het jeu-de-boules of naar de disco, en dat getuigt van grote levenskracht.
Bovendien, geachte leden, heb ik goede herinneringen aan Frankrijk en het is het enige land buiten Nederland waar ik gewerkt heb, zij het bescheiden als druivenplukker en boerenknecht, en het eerste land waar ik zonder ouderlijke begeleiding op mijn achttiende naar toe ging.

Ten slotte, geachte leden, koester ik mijn Messeense paspoort. U kijkt met recht verbaasd op, want vergeefs zoekt u naar Messenië of Messendië in de atlas. Vergeef me, men zou dit paspoort ook het paspoort van het Land van de Verbeelding mogen noemen. Ik beken, zoals zovelen heb ik ook ooit, lang geleden, een land verzonnen. Het ligt ergens in de Atlantische Oceaan, niet ver van Sint-Helena en de inwoners hebben zeer eigen hoewel uiteraard ook onderling verschillende ideeën over de inrichting van hun land, dat zij altijd wisten te vrijwaren van bezetting door inhalige kolonisten, al kostte dat meer dan een druppel bloed.
Waarom ik heden ten dage dit paspoort koester is wegens de door vrijwel alle inwoners gedragen opvattingen over de verdediging van hun land. Die is uitsluitend gericht op het vermijden van bezetting. Alle onderzoek en ontwikkeling wordt besteed aan verfijning van afweersystemen, iedere inwoner is geoefend in het hanteren van wapens ter verdediging van huis en haard. Verwacht van dit land geen bloedige avonturen in verre streken, geen deelname aan militaire expedities van welke aard ook, vergeefs zal men zoeken naar straaljagers, bommenwerpers en lange-afstandraketten, laat staan kwetsbare voorraden nucleaire wapens.
Ik heb de indruk, geachte leden, dat de wereld er wat vrediger en beter zou uitzien als alle landen zo zouden handelen.

Intussen hoop ik u, geachte leden, ervan te hebben overtuigd dat deze paspoorten u niet in de weg zitten. Praktisch gezien is geen enkel paspoort van belang zolang ik geen grens passeer, en mijn naam, burgerservicenummer, digitale ID en een hele reeks andere gegevens liggen allang in ettelijke databanken opgeslagen, terwijl u volgend jaar naar zich laat aanzien gaat debatteren over de mogelijkheid iedere nieuwe boreling en iedere potentiële misdadiger (in uw visie ongeveer hetzelfde, geloof ik) van een onderhuidse microchip te voorzien. Alvorens ik hier voor u verscheen, is die hele digitale doopceel al door het Ministerie van Veiligheid doorgelicht. En hoewel in het verleden behaalde resultaten geen garantie bieden voor de toekomst, geeft die doopceel toch een houvast en een paspoort biedt evenmin garantie.
U doet dus aan symboolpolitiek als u mijn paspoorten aan de orde wil stellen.
Als we dan toch aan symboolpolitiek doen, hoop ik dat u mij wil steunen als ik een oproep doe tot het verzamelen van paspoorten. Als iedereen alle paspoorten van de wereld heeft, is de kans op oorlog tussen landen naar mijn idee veel kleiner. Ik geef toe dat er dan eerst wel wat verbeterd zou moeten worden aan de huidige onderlinge verhoudingen.
Ik heb gezegd.

Wat heet poëzie 3


Tweemaal poëzie:

Verschiet te Rome

Ruïnes? Ik weet ze in mijn leven al.
Een weids terrein vol brokken, zelf gemaakt, uit eigen grond gestampt.
Maar avondgloed te Rome, zachtvurige zonsravage regenboogbekroond, laat door geen glorieus verwoest bestaan zich evenaren. Ik aanzie die wondere ondergang, besef hoe mijne evenmin fataal en keer op keer als voor het eerst zal zijn.

Verschiet te Rome

Ruïnes? Ik weet ze in mijn leven al.
Een weids terrein vol brokken, zelf gemaakt,
uit eigen grond gestampt. Maar avondgloed
te Rome, zachtvurige zonsravage regenboogbekroond

laat door geen glorieus verwoest bestaan
zich evenaren. Ik aanzie die wondere
ondergang, besef hoe mijne evenmin fataal
en keer op keer als voor het eerst zal zijn.

Anneke Brassinga, Wachtwoorden. Verzamelde, herziene gedichten 1978-2003.


woensdag 20 oktober 2010

Hoeveel talen spreken wij?

Wij mensen spreken ruim 6000 talen, heb ik steeds gedacht, op grond van krantenberichten die weer andere bronnen aanhaalden. Maar de enige bron van dat getal blijkt onbetrouwbaar, volgens een artikel (pdf) van Berthold van Maris voor Onze taal. Ethnologue telde in 1988 en 2010. Wat blijkt: ondanks alle berichten over 'uitstervende talen', zie bijvoorbeeld hier, zijn er tussen 1988 en 2010 een kleine duizend bijgekomen! Telde Ethnologue er in 1988 nog zo'n 6000, waarvan drie in Nederland (Fries, Nederlands en Nederlandse gebarentaal), in 2010 zouden het er bijna 7000 zijn, waarvan een dertiental in Nederland: Achterhoeks, Drents, Nederlands, Fries, Gronings, Limburgs, Nederlandse Gebarentaal, Sallands, Stellingwerfs, Twents, Veluws, Vlaams en Zeeuws.
Volgens Van Maris ligt dat aan de doelstelling van de organisatie achter Ethnologue: SIL International. Hij vat samen wat volgens mij uit de doelstelling van SIL inderdaad valt af te leiden: het doel is de Bijbel in zoveel mogelijk talen te vertalen. Al dikt Van Maris dit nog aan door te veronderstellen dat de SIL-lers denken dat als dit doel bereikt is, de Dag des Oordeels aanbreekt. Dat vind ik niet terug, maar ik heb ook geen geduld om de hele website van SIL na te vlooien. Ik citeer alleen dit uit die website:
SIL International is a faith-based nonprofit organization committed to serving language communities worldwide as they build capacity for sustainable language development. SIL does this primarily through research, translation, training and materials development. Founded in 1934, SIL (Summer Institute of Linguistics, Inc) has grown from a small summer linguistics training program with two students to a staff of over 5,500 coming from over 60 countries. SIL's linguistic investigation exceeds 2,590 languages spoken by over 1.7 billion people in nearly 100 countries. The organization makes its services available to all, without regard to religious belief, political ideology, gender, race or ethnolinguistic background.
 [...]
SIL's service with ethnolinguistic minority communities is motivated by the belief that all people are created in the image of God, and that languages and cultures are part of the richness of God's creation. Thus, SIL’s service is founded on the principle that communities should be able to pursue their social, cultural, political, economic and spiritual goals without sacrificing their God-given ethnolinguistic identity. Though faith-based, SIL limits its focus of service to language development work. SIL does not engage in proselytism, establish churches or publish Scriptures.  '

Dat mag zo zijn, volgens Van Marwijk is ' SIL International nauw gelieerd aan het al even christelijke Wycliffe Bible Translators, een instituut dat overal in de wereld bijbelvertalingen produceert, ' maar waarvan ik de vermelding niet terugvind in de SIL-website.
Nu is er, zoals Berthold van Maris ook al vermeldt, geen sluitende definitie van taal. Men zegt wel: een taal is een dialect met een vlag en een leger. De The World Atlas of Language Structures schijnt tot veel minder te komen, en de database van Matthew Dryer komt tot rond 2000 talen.

dinsdag 19 oktober 2010

Het volk spreekt

In Duitsland staat in de grondwet: 'Alle Staatsgewalt geht vom Volke aus.' Vrij vertaald: de macht van de staat ligt bij het volk. Hier is duidelijk wat volk is: alle inwoners van het land.
Ook als men ergens in de rimboe een volk vond, was redelijk duidelijk wat men bedoelde: een groep mensen die een zelfde taal sprak en zichzelf ook als groep zag.
Als men het heeft over het Nederlandse volk, bedoelt men dan alle inwoners van Nederland? Meestal wel, denk ik. Het is zelfs niet uitgesloten dat de koningin zich tot dat volk rekent. Zo niet, dan ziet zij alle andere inwoners van Nederland (haar onderdanen) als volk.
Als een oude communist het over het volk had, bedoelde hij iets anders: de mensen die hij meende te vertegenwoordigen, tegenover grondbezitters en andere eigenaren van veel spullen, doorgaans kortweg het kapitaal genoemd, of kapitalisten. Die hoorden niet bij het volk. Die zienswijze is, denk ik, ouder dan het communisme. Edellieden en hoge geestelijken beschouwden zich waarschijnlijk als horend tot een andere, hogere orde als het volk.
Dat leeft nog bij de erfgenamen van het oude communisme, en is ook opgepakt door diverse nationalistische en racistische bewegingen. Maar terwijl de zelfbenoemde strijders voor een rechtvaardiger verdeling van goederen en macht een tegenstelling zagen en zien tussen volk en kapitalisten en hun aanhang, zagen en zien die andere bewegingen naast die tegenstelling ook die tussen het ene volk en het andere.

'Wir sind das Volk', riepen demonstranten in Berlijn in 1989. Daarmee bedoelden ze: wij zijn niet dat volk waarover jullie DDR-machthebbers het steeds hebben. Jullie volk is een mythe, wij zijn het echte volk.
Ook een mythe, natuurlijk.
In Stuttgart hoorde men onlangs dezelfde kreet, tijdens demonstraties tegen sloopplannen van het gemeentebestuur. 'De burgers hebben het gevoel dat dat ze niet meer betrokken worden: dáár demonstreren ze tegen,' zei een omstander, die niet meedeed omdat hij voor de sloop was. Hier zie ik een gelijkschakeling van volk met burgers en bestuurders horen daar dan niet bij. Regenten en volk: die tegenstelling kenden we al in de Verenigde Provinciën. Alleen waren de regenten daar de burgers, geloof ik, en hun bedienden en de sjouwers waren het volk.
'Alle Staatsgewalt geht vom Volke aus,' maar in de praktijk heeft het volk al tijden het idee dat het zijn greep op het Staatsgewalt heeft verloren.
Zo drijft het volk dus af van de antropologische betekenis ('weer een volk ontdekt in de binnenlanden') naar de verzameling van machteloze mensen, hoewel er van tijd tot tijd toch weer iets opduikt over 'volkse gebruiken' dat ons weer herinnert aan het volk als verzameling van mensen met min of meer dezelfde taal en gewoontes, zoals er regelmatig ook 'typisch Nederlandse' zaken, handelwijzen en zelfs karaktertrekken worden beschreven.
Er is overlapping, want zij zich zich desgevraagd best als volks zouden willen typeren, hebben meestal weinig op met regering en overheid, zelfs als ze in dienst zijn van diezelfde overheid, en hechten aan de eigen groep en vaste waarden. Het is zij en wij.
Vroeger echter had het volk helden van vlees en bloed, nu van pixels.
Wie de soms lange weg door bedrijven en instituties naar de macht heeft afgelegd (want dat kan en gebeurt nog steeds, in weerwil van het beeld), weet dat en schept zich een avatar van pixels en bits. Wee de machthebber die dat niet doorheeft of niet goed kan hanteren. Van Berlusconi tot Wilders, van Putin tot Obama: ze weten en gebruiken het.
'Alle Staatsgewalt geht vom Volke aus,' maar het volk kijkt tv. Zoals bekend zegt tv niets terug als je ertegen roept. Gelukkig kan men nu zijn ei kwijt op internet. Of ze zich daar iets van aantrekken?